Louis Couperus, de mystiek der zichtbare dingen, De bezige bij, Amsterdam 2016

Heine – Angst en schoonheid, 133-134

[Pasuruan – Sociëteit] 

Zoals gezegd, in zijn latere literair-journalistieke werk presenteert Couperus veel fictie als werkelijkheid – juist om ook het omgekeerde te kunnen doen. Zijn ‘auto-indiscreties’ in de feuilletons brengen biografen tot wanhoop, omdat nooit duidelijk is wat waargebeurd is, en wat verzonnen. Ook als Couperus zichzelf is, is hij een ander. De lokaties kloppen vaak tot in de kleinste details, alsof Couperus er eer in legde in die beschrijvingen zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te blijven. Die reële setting vulde hij vervolgens als een filmset, met verzonnen gebeurtenissen. Dat doet hij in zijn realistische romans, waar plaats en tijd vrijwel altijd herkenbaar zijn – de wandeling die de resident in het eerste hoofdstuk van De stille kracht maakt, valt in Pasoeroean nog helemaal na te lopen – maar ook, en dat maakt het voor biografen zo verwarrend, in zijn feuilletons.
In het feuilleton ‘Bekentenissen’ schrijft hij ‘... en laat me mij dan u verzekeren, dat mijn grootste ondeugd, de wellust van mijn zondige ziel, deze is, dat ik volgaarne lieg! Begrijpt ge het? Dat als ik lieg, de leugen mij een zaligheid is, een wellust, een extase kan worden! Dat ik altijd gelogen heb! Dat ik nooit anders dan zal liegen! Dat de zalige leugen mij zo werd ingeboren, dat ik gelogen heb van klein jongetje af.’
De lezer is gewaarschuwd. ‘Vertrouw mij nooit als ik u iets vertel. Ik heb het métier gekozen van leugenaar, ik meen romancier, van verteller en vinder, en ik heb u al vele, heel lange verhalen verteld, die woord voor woord leugen zijn, die of niet gebeurd zijn, of anders gebeurd. Wees overtuigd, dat, indien ze zó waren gebeurd, als ik ze u heb verteld, ik ze u anders verteld zou hebben. De leugen is mijn satanisme, voor de leugen kniel ik devotelijk neer, en aanbid haar als de heerseres der wereld’.
De waarschuwing aan de lezer schudt deze ook wakker. Waarom voelt Couperus zich geroepen zijn lezers te bekennen dat hij alles heeft gelogen, ook wanneer hij over zichzelf schrijft – en waarom liegt hij? In hetzelfde feuilleton schrijft hij dat hij alles – taal, stijl – in het werk stelt om de lezer te ontroeren of te schokken, aan het huilen of aan het lachen te maken. Wanneer de lezer denkt dat het echt is, en denkt dat wat hij leest de waarheid is, de waarheid ‘die ik haat’, dan heeft de schrijver zijn doel bereikt.
De waarheid haten? Ook de leugen is een metamorfose, een manier om een ander te zijn, om de bestaande wereld naar je hand te zetten. Voor schrijvers en journalisten die in hun werk de werkelijkheid zo dicht mogelijk willen benaderen, om over te brengen hoe het was, is schrijven noodzaak maar ook altijd een beetje een deceptie, juist omdat de opgeschreven werkelijkheid ook altijd weer verzonnen is, nooit de waarheid kan zijn.