Semarang, 1e Jaargang – no 1 – augustus 1917

De Taak-1, 73

[Jakarta 6 – Middelbare] 

[1917] Zoo zal het wel duidelijk zijn dat de uitvoerige behandeling van de geschiedenis en aardrijkskunde van China van groot belang is; niet alleen voor de Chineesche H.B.S.-ers zelf, die ze tot nog toe bijna zonder eenige leiding moeten beoefenen, maar ook voor de Europeesche en Inlandsche leerlingen kan het niet anders dan tot voordeel strekken.
Dat het bovendien noodig is om de boeken, die aan de H.B.S.-en gebruikt worden, aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, blijkt wel uit het feit, dat op de boekenlijst van de Prins Hendrikschool te Batavia, een inrichting waar behalve Nederlanders, ook Chineezen en Inlanders onderwijs kunnen krijgen, nog een boek voorkomt, wat den naam draagt van ‘Opstellen ter vertaling in het Maleisch’ door Klinkert, waarin de Chineezen op een gemeene manier beleedigd worden, hetwelk niet anders dan rassenhaat kan aankweken. In dat boek komen o.a. de volgende regels voor: ‘De Chineezen zijn een wonderlijk volk. Zij dragen een staart op hun geschoren hoofd, zijn gekleed met een wit katoenen baadje en een zwarte broek. Zij eten gaarne varkensvleesch, zeeslakken en ander onrein gedierte, zooals ratten en haaien. Ook drinken zij gaarne genever, arak en een Chineesche drank, tjoe geheeten. Zelden komen er vrouwen uit China, omdat de Keizer van China dit niet vergunt. De enkele die komen zijn bijna allen publieke vrouwen, enz.

De Taak-1, 90-91

[Jakarta 2 – Raad] 

[1917] De rechtsoverwegingen van den Indischen Strafrechter worden den laatsten tijd soms weinig gelukkig gekozen. Men herinnert zich nog het arrest van het Hooggerechtshof, waarbij een vonnis van den Raad van Justitie te Semarang werd bekrachtigd, dat aan een Europeesch beklaagde een veel geringer straf oplegde dan aan zijn Inlandschen mede-delinquent. Het arrest bevatte een verdediging van de opvatting dat in gelijke gevallen aan den Inlandsche veroordeelde in het algemeen een zwaardere straf behoort te worden opgelegd dan aan een Europeesch beklaagde en is, voorzooveel ons bekend, door niemand in bescherming genomen, dan met de verzekering dat het Hof het zoo niet had bedoeld.
Thans is het de Raad van Justitie te Batavia, die van zich doet spreken. Een Europeesch journalist stond voor dit college terecht wegens het publiceeren van een beleedigend dagbladartikel. Bij zijn requisitoir bracht de ambtenaar van het Openbaar Ministerie in herinnering, dat een Inlandsch journalist kort te voren wegens beleediging tot een ernstige vrijheidsstraf was veroordeeld, en was van oordeel aan den Europeeschen beklaagde, die meerdere ontwikkeling bezat, geen geringer straf behoorde te worden opgelegd.
De Raad dacht er echter anders over, en overwoog volgens de bladen onder meer, dat bij zijn optreden tegen Inlandsche journalisten de rechter rekening heeft te houden met het ontwikkelingspeil van het publiek, dat door de Inlandsche pers wordt bereikt. En dan was niet te ontkennen, dat het gevaar voor ondermijning van het gezag in den staat in de Inlandsche wereld veel groter is, dan bij de lezers, die de Europeesche pers bereikt.
Op een misvatting moet worden gewezen. Hier wordt niet, zooals uit het arrest van den Hove kon worden afgeleid, bij de strafoplegging verschil gemaakt naar de landaard van den beklaagde, doch alleen naar het middel, dat hij tot het plegen van het strafbaar feit heeft gebezigd. Onderscheiden wordt tusschen beleediging door middel van de Europeesche en de Inlandsche pers, onverschillig wier de steller van het artikel moge zijn. Als voorbeeld van ongelijkheid van recht voor Europeaan en Inlander, zooals het door sommige bladen wordt beschouwd, kan het vonnis dus niet worden aangevoerd.
Maar daarmede is ook alles gezegd, wat ten gunste dezer rechtsbeschouwing kan worden in ’t midden gebracht.
Het is onjuist, de straftoemeting bij beleediging door middel van de pers te laten afhangen van het ontwikkelingspeil van de lezers, die daardoor worden bereikt. Wanneer men de pers bezigt voor publiciteit, geeft men daarmede te kennen dat men het groote publiek wil bereiken, in tegenstelling tot bizondere personen. Men kan weten, dat de werking der publicatie niet beperkt blijft tot de lezers van het blad, waarin men schrijft, maar dat daarvan in ruimer kring pleegt te worden kennis genomen. Men kan er zich dus nimmer op beroepen, dan men zich alleen richtte tot de lezers van een bepaald blad.
Bovendien behoeft de beleediging, geuit in een milieu van ontwikkelden, zeker niet minder ernstig te zijn dan die, tegenover onontwikkelde personen geuit, en gaat het tenslotte niet aan, ten aanzien van het ontwikkelingspeil der lezers alle Maleische en Javaansche bladen eenerzijds en alle in het Nederlandsch gestelde bladen anderzijds gelijk te stellen.
Neemt men ten slotte nog in aanmerking, dat de straftoemeting moet geschieden niet met het oog op de gevolgen, die een daad mogelijker wijze zou kunnen hebben, maar naar de werking die daarvan voor den dader mag worden verwacht, dan kan de conclusie geen andere zijn dan deze, dat een rechtsoverweging als die van den Raad van Justitie te Batavia niet mag leiden tot het verschil in straftoemeting, dat daarmede wordt gemotiveerd.

De Taak-1, 442

[Semarang – Schouwburg]

[1918] Het mag wel als een gebrek aan harmonie van dezen tijd in deze samenleving aangeteekend worden, dat we zulke muziek aan te hooren krijgen en inderdaad ook aanhooren, zonder dat er een klacht opgaat tegen de miserabele omgeving waarin we geplaatst worden en moeten trachten voor de muziek in stemming te komen.
Werkelijk een circus maakt met al het aangebrachte klatergoud een feestelijker indruk dan dit gebouw en deze zaal waarin men naar het schijnt wel alles heeft aangewend om een armoedige en sombere indruk te weeg te brengen: het povere goedkoope verfje, het afzichtelijke doek, het afgebladderde plafond!
Men kan beweren: voor de muziek hebben we onze oogen niet te gebruiken; laat men dan de lichten niet alleen een weinig dempen, maar geheel uitdoen zooals dat in moderne concertgebouwen geschiedt. En dan nog, de indruk dien men gekregen heeft vóór den aanvang der muziek werkt bedervend op de stemming en ik wijt het ook daaraan dat het geruimen tijd duurde vóór het contact tusschen uitvoerders en publiek verkregen werd. Men went tenslotte aan alles, ook aan goede muziek in een onaesthetische omgeving.
Men voteert wel een miljoen voor een raadsgebouw; zouden er nu niet een paar ton overschieten om op een behoorlijke plaats een fatsoenlijk gebouw voor de kunst te zetten. Behoort kunst dan nog altijd niet tot de regeeringstaak ‘The only thing that makes life worth living.’

De Taak-1, 456-458

[Bandung 2 – Departement van Oorlog] 

Het hoofd der Indische Regeering, de Gouverneur-Generaal, is, in overeenstemming met zijn titel, daadwerkelijk Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, en de chef van het departement van oorlog is voor de gehele landmacht aan hem alleen verantwoordelijk. Hieruit volgt dadelijk, dat in vredestijd de chef van den generalen staf, al staat hij buiten het departement van oorlog, aan den chef van dit departement ondergeschikt is, anders zou laatstgenoemde niet voor de geheele landmacht aan den Gouverneur-Generaal verantwoordelijk kunnen zijn. [...]
In Nederlandsch-Indië zijn in vredestijd de functiën van Minister van Oorlog en Opperbevelhebber vereenigd in onze hoogste militaire autoriteit, die den titel voert van ‘Commandant van het Leger en Hoofd van het Departement van Oorlog in Nederlandsch-Indië’. Het is nu de vraag, welke van deze twee ongelijksoortige betrekkingen bij het uitbreken van de oorlog aan een ander opgedragen moet worden. Het minst nàdeelig schijnt het, de leiding van het departement van oorlog, waarvan de samenstelling wel eenige wijzigingen ondergaan zal, op te dragen aan een in vredestijd daarvoor aan te wijzen officier. [...]
Het verdient geen aanbeveling om, zooals in Holland, het opperbevel over land- en zeemacht te samen te leggen in de handen van een opperofficier der landmacht: de toestanden zijn daartoe te verschillend. Immers, in Holland is de zeemacht een hulpmiddel bij de kustbewaking en de kustverdediging, terwijl zij bij de verdediging van een eilandenrijk als het onze tot een veel belangrijker rol geroepen is. Dit behoeft echter niet uit te sluiten, dat in maritieme stellingen, vlootstations e.d. de voor de verdediging aangewezen onderdeelen van land- en zeemacht onder één bevelhebber vereenigd moeten worden, daarbij deze bevelhebber, al naar gelang van omstandigheden, behoort tot de land- of tot de zeemacht.
Ook zou de Raad voor de Landsverdediging advies kunnen uitbrengen bij de vaststelling van de ontwerp-begrootingen van oorlog en marine; zoolang echter de in Indië aanwezige zeemacht ook onder den minister van marine te ’s-Gravenhage staat, zal deze maatregel niet tot zijn volle recht kunnen komen.

De Taak-2, 2

[Pasuruan – Kerk] 

Het octrooi, dat de Staten-Generaal in 1602 aan de O.I. Compagnie verleende, legde haar de verplichting op om te zorgen ‘voor de vordering en verbreiding der ware Christelijke religie’.
De daarop in 1617 van de G.G. en Raden van Indië vastgestelde instructie bepaalde eveneens, dat deze overal op de voortplanting van de Christelijke Religie alle behoorlijke orde zouden stellen.
Door de Compagnie werd het oppertoezicht der Kerk in de Koloniën aan de moederkerk overgelaten en deze maakte hiervan een duchtig gebruik om te waken tegen alles wat niet met de streng-rechtzinnige richting strookte.
Rooms-Katholieke geestelijken werden niet toegelaten, de R.K, Godsdienst werd belemmerd en zelfs de Luthersen werden zooveel mogelijk uit de Kolonie geweerd. Feitelijk heerschte er destijds onverholen gewetensdwang. Echter niet tegenover de Inlanders en hunne godsdiensten. Eerstens, omdat in vele verdragen met de Inlandsche vorsten eerbiediging van hunnen godsdienst was bepaald, tweedens uit practische overwegingen, welke de O.I. Handelscompagnie beletten tot daden te komen, die hare handelsbelangen in gevaar zouden kunnen brengen.
Eerst in het Regeeringsreglement van 1818 werd bepaald, dat de uitoefening van àlle godsdiensten in N.I. de bescherming der Indische regeering zou genieten, voor zoover die uitoefening niet gevaarlijk voor de openbare rust geacht zou kunnen worden.

De Taak-2, 3

[Semarang 2 – Katholieke Kerk] 

De Roomsch-Katholieke kerk, welke eerst in 1808 hier als kerkgenootschap erkend werd, stond aanvankelijk in dezelfde ondergeschikte betrekking tot den Staat als de Hervormde. De pastoors b.v. werden door de regeering naar welgevallen benoemd en ontslagen. Dit streed geheel met de groote beginselen dier kerk, wier eenig hoofd de Paus is en in wier inwendige aangelegenheden Staatsbemoeienis niet gedeeld kan worden. Een concordaat van 1847 met den Paus verschafte de Roomsch-Katholieke kerk in N.I. hare tegenwoordige zelfstandigheid.

De Taak-2, 21

[Jakarta 3 – Glodok] 

Beginnen we met aan te toonen, dat de Chineezen zich niet in Ned. Ind. hebben ingedrongen, maar ‘integendeel in steeds toenemend aantal daarheen zijn gelokt’ (Prof. P.J. Veth, Java II, pag 133).
In de eerste plaats heb ik het oog op de landbouw- en mijnkolonies van Borneo, de mijndistrikten op Banka, Billiton […], de tabaksplantages op Sumatra’s Oostkust […]
Ook Java is in dit verband te noemen, waarheen de Chineezen niet alleen zijn gelokt, goedschiks, door hun behoorlijke verdiensten en andere voordeelen voor te spiegelen, maar desnoods ook door dwang. Zoo moest op last der Hooge Regeering Reyersen ‘met soogrooten macht als hij bijeenbrengen can, Chinesen langs de gantsche kust van China trachten sooveel volxc, mannen, vrouwen en kinderen, te bekomen, als doenlijck is, zoo om U daer mede te behelpen als omme Batavia, Amboyna en Banda te peupleren’.
Coen getuigde van de Chineezen: ‘Daer is geen volck in de werelt, die ons beter dienen dan Chinesen’, en in ’Batavia connen niet te veel versamelt worden’. Hij zag dus in de vestiging der Chineezen veel nut. ‘Men zoude haar alle gebruicken, goet loon geven ende goet tractement aandoen’. Zonder die Chineesche werklieden hadden de Nederlanders nooit de noten op Amboyna, den peperhandel in Bantam en de tabakskultuur in Deli met zooveel succes kunnen tot stand brengen, noch Jacatra kunnen bouwen.

De Taak-2, 20-22

[Jakarta 3 – Glodok] 

Bewonderenswaardig is de handigheid, waarmee vele Europeanen ons, Chineezen, in discrediet trachten te brengen. Waren het slechts het onnadenkende, minder ontwikkelde publiek en de zg. Asmodee-pers, die het doen, ik zou er niet op gereageerd hebben. Het Soerabajasch Handelsblad van 10 April 1918 kwalificeert bv. Chineesche geldschieters, die geld uitleenen tegen 52% rente ’s jaars, als bloedzuigers, natuurlijk over het hoofd ziende, dat het Gouvernement bij den Pandhuisdienst soms 72 % rente ’s jaars vraagt en daarbij een behoorlijk onderpand eischt (bij Chineesche geldschieters is dit, zooals wellicht bekend is, voor bedragen beneden f 100.- verboden). Het Volksraadslid Abdoel Moeis waagde het in zijn redevoering in Europa te zeggen, dat de aanwezigheid der Chineezen op Java de bron van alle misstanden is. (zie N. Rott. Crt. 1 Juni 1917) Hoewel in den allerlaatsten tijd [1918] de stemmingen zich meer en meer ten gunste van de Chineezen verklaren is de meening, dat wij Chineezen onbetrouwbaar, oneerlijk, enz. zijn, nog vrijwel algemeen, hetgeen wel uit het voorgaande blijkt en uit de volgende zinsneden, afkomstig van ook thans nog in Nederland en Ned. Ind. als hoogstaand bekende persoonlijkheden: […]
Mr. D. Fock [GG van 1921-1926]: Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van den economischen toestand der Inlandsche bevolking op Java en Madoera (1904). ‘Ik acht het boven twijfel verheven, dat de Regeering bij hare pogingen tot vestiging van een billijk landbouwcrediet en bestrijding van den woeker in den Chinees en Arabier een geduchten tegenstander zal ontmoeten, te meer nu door de afschaffing der belangrijkste pachten aan Chineesche zijde kapitalen zijn vrijgekomen, welke de bezitters natuurlijk zullen trachten op winstgevende wijze te plaatsen. Het middel om den schadelijken invloed der vreemde Oosterlingen op de Inlandsche huishouding te fnuiken of althans zooveel mogelijk te keeren, ligt m.i. in een verscherping der voorschriften in de binnenlanden, zoowel wat hun vrijheid van beweging als hun vaste vestiging aangaat.’[…]
De heeren Abdoel Moeis, Mr. Fock c.s. gelieven liever dan de Chineezen ongemotiveerd te diskwalificeeren, de volgende woorden van Prof. Dr. G, Schlegel in overdenking te nemen: ‘Weest matig, vlijtig en zuinig zooals de Chineezen het zijn, en dan zult gij blanken (en bruinen) gemakkelijk de concurrentie met hen kunnen volhouden!’ (Tijdschrift voor Ned.Ind. 1897 Pg. 1020)
In verband met de beschuldiging dat wij Chineezen de groote woekeraars van Java zijn, wil ik nog even wijzen op het verslag van de Mindere Welvaartscommissie, waarin verklaard wordt, dat het Landbouwkrediet-onderzoek in het gewest Preanger Regentschappen heeft geleerd, dat de grote woekeraars Inlanders, Arabieren en Europeanen zijn en dat het evenmin de Chineezen zijn, die het meest voorschot geven op te veld staande of in te leveren gewassen.
Ook is het onjuist, dat de Chineezen het meeste geld uit Indië weghalen, maar integendeel zijn het de Europeanen, getuige het feit, dat de meeste en grootste maatschappijen in Nederland gevestigd zijn, dat, althans vóór dezen oorlog [W.O.I], jaarlijks honderden en duizenden Hollanders repatrieerden, maar zoo goed als geen Chineezen, ten minste niet de hier rijk geworden Peranakan Chinees, ‘zoodat de door hem vergaarde rijkdom het eigendom van Indië blijft.’ (Sosrosoedirdjo, Djawah Tengah; Vgl. Bat. Hand. 7 Jan. 1918)
Een bewijs te meer dat de Eur. Handel niet steeds eerlijk is, levert de volgende zinsnede uit het Mindere Welvaartsverslag, nl: ‘Doch de Europeesche houtaankapmaatschappijen brengen gaarne hun energieke Chineesche collega’s in discrediet bij het Gouvernement, dat aan het Chineesch kapitaal zooveel te danken heeft.’

De Taak-2, 27-28

[Jakarta 3 – Glodok] 

[1918] De rechtspositie der Chineezen in Indië eischt nog steeds verbetering, en het is volkomen begrijpelijk, dat men aan Chineesche zijde weinig te spreken is over het uitblijven van de gewenschte hervorming, terwijl de Japanners reeds geruimen tijd met Europeanen zijn gelijk gesteld. Aan den anderen kant moet intusschen niet worden vergeten, dat eene eenvoudige toepasselijk verklaring van het Europeesche recht, zooals den Japanners is te beurt gevallen, door de meeste Chineezen stellig niet zou worden begeerd. In het belang der groote groep van Chineesche ingezetenen zelve is een ten deele belangrijk afwijkend recht zeer zeker gewenscht, en dat het ook hier niet gemakkelijk is, den juisten weg te kiezen, blijkt wel uit de critiek, door den Heer Kan in den Volksraad op het ontwerp burgerlijk recht ten beste gegeven. De wensch van den geachten schrijver, dat de regeering den Chineezen volkomen dezelfde rechten zal toekennen als Europeanen en Japanners is dan ook stellig niet zonder voorbehoud bedoeld.
Het streven moet zeker zijn, de Chineezen eene met de Europeesche bevolkingsgroep gelijkwaardige positie te verschaffen, de laatste hinderpalen weg te nemen voor hunne vrijheid van beweging, het onderwijs te verbeteren en uit te breiden, en niet het minst hun die rechtszekerheid te verschaffen, welke door de toepassing hunner godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken hen evenzeer onthouden wordt, als aan andere bevolkingsgroepen.
Wordt dan anderzijds door de Chineezen meer belangstelling getoond in de algemeene zaak, blijken zij niet langer in meerderheid afkeerig van het deelnemen aan het algemeen en plaatselijk bestuur, wordt meer dan tot nu toe samenwerking gezocht en verkregen tusschen gelijkgezinden in de verschillende bevolkingsgroepen, dan zal over de miskenning der Chineesche ingezetenen niet langer behoeven te worden geklaagd.

De Taak-2, 135

[Jakarta 3 – Godsdienst] 

[1918] In de Warna Warta bepleit ‘Aladin’ de intrekking der regeeringssubsidiën ten behoeve van den Christelijken godsdienst. Als het der Nederlandsche regeering ernst is, zegt de schrijver, om zoowel den Islam als den Chineeschen godsdienst te eerbiedigen, waarom worden de bidhuizen van de Mohammedanen en de Chineezen dan niet door den staat onderhouden? Waarom worden penghoeloes [hoogste moskee-beambte] en Hwe Shio’s niet door het Gouvernement bezoldigd, evenals de pastoors en dominé’s? Zoolang nog onderscheid wordt gemaakt tusschen drie godsdiensten onderling, gelooven wij niet, dat de regeering inderdaad den Mohammedaanschen en Chineeschen godsdienst eerbiedigt. Is het misschien de bedoeling der Christenen om de Islamieten en Chineezen gemakkelijker te bekeeren? Maar dan beteekent dit geen eerbiedigen van den Islam en den Chineeschen godsdienst door de Christenen.
Wij begrijpen heel goed, betoogt de schrijver verder, dat het bezwaarlijk zal zijn voor de Regeering om alle godsdienstinrichtingen der Mohammedanen en Chineezen financieel te steunen, maar dan dienen billijkheidshalve de subsidies voor den Christelijken godsdienst ook ingetrokken te worden en dan moeten de pastoors en dominé’s bezoldigd worden door particuliere vereenigingen en instellingen.
De scheiding van kerk en staat, gelijk in Frankrijk het geval is, moet ook hier zoo spoedig mogelijk tot stand komen en bij den Volksraad berust de taak om daartoe het besluit te nemen.

De Taak-3, 52-53

[Jakarta 2 – Effectenbeurs] 

[1919] Met voldoening valt slechts te constateeren dat in Indië de Regeering door uitvoerverboden alle rijst in het land hield, zich zelfs voor invoer met groote toewijding inspande.
Maar, – daarbij waren er dan ook weinig weerstrevende sociale machten te overwinnen.
Anders evenwel staat het met twee andere voortbrengselen van dit land, het vet (katjang en klapperolie) en de suiker. Het eerste – het vet – is als bestanddeel der volksvoeding onherroepelijk noodig. Nog meer dan meel in Europa of rijst in Indië. Aan gemis aan rijst toch kan nog met mais, cassave enz. tegemoetkomen. Maar plantaardige vetten zijn, bij het ontbreken van een grooten veestapel, onvervangbaar. En vooral Duitschland heeft de afschuwelijke gevolgen getoond van en groote vetschaarschte in de volksvoeding.
Suiker is niet absoluut onvervangbaar maar bij rijstschaarschte als aanvullend koolhydraat toch zeer gewenscht. Bovendien is zij bepaald noodig om, vooral een zuidelijk volk, aan het leven eenige materieële bekoring te geven. Door die bekoring is de politieke beteekenis der suiker minstens even groot als de voedingswaarde er van. Een volk toch dat in deze tijden veel ontbeert wordt, door ook nog zijn versnaperingen te moeten missen, eerst duchtig ontstemd.
Maar suiker en vet, zij worden steeds schaarscher en daardoor duurder, d.w.z. voor steeds talrijker groepen onbereikbaar.
Blijkens opgave van de Handelsvereniging te Batavia steeg aldaar van September 1914 tot September 1919

Witte suiker p. pikol van f 14 tot f 37 of met 264 %
Copra 1e kw. 1e k. p. pikol van f 11  tot f 31.50 id. 286 %
Katjang idjoe p. pikol van f 7.50 tot f 16 id. 212 %
Katjang olie p. pikol van f 24 tot f 60 id. 250 %

Klapper olie

p. 30 kattie

f 5.40/7.50

tot f 18.25 

340 %

En dit in een land waar overvloed van suiker en vet is, een land at enorme hoeveelheden suiker en vet uitvoert. […] Nood in het land van hetgeen aan vreemden in overvloed wordt verstrekt!
Wij nemen aan dat de Regeering overrompeld werd. Al was zij gewaarschuwd.Want reeds in het voorjaar 1918 waarschuwde Ir. Kluijver in een gedocumenteerd betoog in Kol. Studiën tegen het dreigend vettekort in de volksvoeding bij zoo grooten export van copra en olie. En tevens was te voorzien dat de geweldige vraag naar suiker bij den oorlogsafloop, Indië vrijwel leeghalen zou.

De Taak-3, 100-101

[Jakarta 2 – Raad] 

[1919] Zoals bekend werd R. Tirtodanoedjo door den Raad van Justitie veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf.
Het vonnis ligt in afschrift voor ons, wij ontleenen er het volgende aan:
Aan beklaagde is ten laste gelegd dat hij onder een artikel in de Oetoesan Hindia een noot plaatste.
Dit artikel hield onder meer in dat het wenschelijk is, dat de S.I. te Banjoewangi de oogen der menschen opene, en zelfs het Bestuur niet stil blijft bij zoodanig bedrog. Veroordeelde heeft daarbij tusschen haakjes als noot van de redactie geschreven: ‘Ajolah labrak sajda si djahanam penipoe-penipoe itoe […]’ Dit wordt door den Raad aldus vertaald:
Vooruit, ransel die slechte bedriegers maar af. Roei alle hebzucht op Java uit. Hei, ontwaakt, mijn mede-Javanen, van alle kanten dreigt U groot gevaar, dat U allen vernietigen wil. Verzet U tegen de vervloekten, wij Javanen, allen, zullen U helpen, hebt geen vrees.
Daarbij overwoog de Raad dat beklaagde nu wel ter rechtszitting heeft opgegeven, dat ‘labrak’ door hem zou gebezigd zijn in de beteekenis van ‘flink optreden’ of ‘tot spoed aanzetten’, welke de voornaamste beteekenis van het woord in Midden Java, van waar het afkomstig is, zou zijn, maar niet van ‘slaan’, welke beteekenis beklaagde erkent, dat het woord óók heeft, terwijl getuige Raden Sosrosoedewo ter terechtzitting verklaard heeft, dat de beteekenis zou zijn ‘tot spoed aanzetten.
Evenwel op grond van de meening van den ter terechtzitting onder eede gehoorden deskundige Barend Gerrit Croes, welke meening de Raad overnam en tot de zijne maakte, en ter terechtzitting voorgebrachte woordenboeken van P. Jansz en H.C. Klinkert was het college van oordeel, dat de hoofdbeteekenis van ‘labrak’ – volgens die woordenboeken afgeleid van het Nederlandsche woord ‘radbraken’ – is: ‘afranselen’ en als zodanig door de groote meerderheid, althans velen van de lezers van meergemelde noot zal worden opgevat.
Zulks ook in verband met de verdere woordenkeuze, speciaal met het gebruik van de woorden ‘djahanam’ (helsche) en ‘doerhaka’ (beruchte sujetten, boosdoeners). Op grond van et bovenoverwogene werd beklaagde’s schuld van het hem te laste gelegde wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het geheel vonnis is dus gebaseerd op de beteekenis van het woord ‘labrak’.

De Taak-3, 153

[Surabaya – Pasar Pabean] 

[1919] Naar aanleiding van de portefeuillewisseling van Koloniën, memoreert de Pewarta Deli de Politieke loopbaan van den heer Idenburg en zegt ze, dat diens naam als Gouverneur Generaal en als Minister van Koloniën onafscheidelijk aan Indië is verbonden. Als G.G. was het streven om den Christelijken godsdienst sterk op den voorgrond te brengen en o.m. heeft hij de regeling willen doen invoeren dat des Zondags geen pasar zou worden gehouden. Dit heeft een opleving veroorzaakt van den Moslimschen godsdienst en deed de S.I. ontstaan, hetgeen zulk een opstanding teweegbracht, dat de initialen S.I. werden gezegd te beduiden ’Salah Idenburg’ (salut, Idenburg). Het Indische Volk heeft dus in dit opzicht veel aan hem te danken, want de S.I. heeft reeds veel in het belang van Indië gedaan en de verwachtingen die men van haar koestert zijn groot
Niet alleen wegens het onder zijn Regeering ontstaan van de S.I. maar ook wegens het door den heer Idenburg ten opzichte van die vereeniging voorgestane versnipperingsstelsel blijft zijn naam in haar geschiedenis voortleven.
Wat de Indische Partij betreft, die voor het eerst de revolutionaire richting in Indië voorstond, deze kreeg van dien G.G. zulk een klap dat zij ineenstortte. Verder zullen de Indische kinderen zijn naam niet vergeten, omdat daaraan zijn verbonden de maatregelen krachtens art. 47 R.R. genomen tegen Douwes Dekker, Tjipto en Suardhy, de drie voormannen die voor het eerst het zaad der vrijheid alhier wilden planten, terwijl ook niet vergeten zullen worden de aan D. Dekker toegevoegd: ‘Nederland zal aan Indië de vrijheid niet schenken’.
Voor het gemengde ras, de hier geborenen, liet Idenburg een blijk van sympathie achter door de opheffing van de afd. B. van het toenmalige Gym. W. III. Dit was wellicht de laatste stoot toegebracht aan de I.P. door ‘Idenburgs Politiek’.
En het aandenken dat Idenburg bij het aftreden als Minister aan de Ind. Artsen gaf, bestaat in de verwerping van het voorstel tot verbetering van hun financiëele positie.
Wordt dus het beleid van den Minister Idenburg door het Indische volk afgekeurd, de sana-partij zwaait hem lof toe, zooals die reeds geuit in de leden Kolkman en Mr. Dr. Schokking.
Het bovenstaande blijft natuurlijk geheel voor rekening van de Pewarta Deli, die daarmede uiting gaf aan wat leeft in de Indische gemoederen ter Oostkust. De bespreking is overigens origineel met een toon van bitterheid.

De Taak-3, 167

[Yogya 1 – Bastaman] 

[1919] Als een klein voorbeeld van de groote onverschilligheid die er, ook bij de overheid, op kunstgebied over het algemeen hier te lande heerscht, diene nog het volgende. Eenige maanden geleden werd in het Bat. Hdlsbl. melding gemaakt van een stuk van Raden Saleh, dat bij de antiquiteitenhandel ‘De Draak’ geëxposeerd werd. Op goede gronden nam de eigenaar van genoemde zaak aan dat het inderdaad een Raden Saleh was.
Verwacht echter niet, lezer, dat van officiëele zijde daar ook maar de minste notitie van werd genomen. Een Raden Saleh schijnt van zoo weinig belang te zijn voor Indië dat van bemoeienis van overheidswege geen sprake kan zijn. Het komt mij echter voor, dat wanneer na een minutieus onderzoek gebleken mocht zijn dat het stuk werkelijk echt was, aankoop van gemeente of van landswege had moeten volgen. Doch de hooge heeren weten die dingen natuurlijk beter!

De Taak-3, 209

[Jakarta 2 – Effectenbeurs] 

[1920] Wat is er sinds December gebeurd om de nijpend hooge suikerprijzen niet nog meer te doen stijgen?
Voorzoover bekend niets.
Hout, suiker, klapperolie en ander voor de volksvoeding noodzakelijk vet, petroleum en nog zooveel meer, de Directeur van Landbouw steekt geen vinger uit om te beletten dat Indië van de producten, die het zelf rijkelijk voortbrengt, wordt leeggekocht zonder dat er tijdig een behoorlijk kwantum tegen behoorlijken prijs voor het binnnlandsch verbruik is gereserveerd!
In een interruptie [in de Volksraad] gaf de heer Siebenga Mulder den heer Vreede toe bij zijn tijd ten achter te zijn.
Dit was het éénige juiste inzicht van dezen departementschef tijdens het suikerdebat. De reeds lang verstorven exploitatie-politiek heeft in deze man, die aan Indië zijn eerste levensmiddelen roekeloos ontnemen laat, een triesten nakomeling vonden.
Heeft de Regeering gelijk dat zij haren steun aan dien gemachtigde niet onthoudt, zoolang de Volksraad zich voor de bestrijding van zijn fataal beheer zoo weinig organiseert en inspant?
Of laat het college hem begaan om aan de planters duidelijk te kunnen demonstreeren, tot welk een ellende het, met en zonder distributie, komt wanneer aan een hunner voormannen het bewind in handen wordt gegeven?
Zoo, dan heeft dit cynisch experiment toch wel reeds positief resultaat opgeleverd en kan nu vervolgens worden getoond hoe de Volksraad zulk een bewindsman vermag aan te pakken.

De Taak-3, 216-217

[Yogya 1 – Bastaman] 

Dat zijn [Raden Saleh] werk niet alleen in Indië, maar ook in Nederland zoo weinig bekend is, valt gemakkelijk te verklaren. Wat Indië betreft moet men die onbekendheid voornamelijk wijten aan het gebrek aan belangstelling voor kunst in het algemeen van Europeesche zijde. [...]
Slechts constateer ik het feit dat Raden Saleh, hoewel hij was naar geboorte en naar karakter van zijn werk een Indisch kunstschilder, niet was: en nationaal Indisch, of Javaansch kunstenaar. Het meest voor de hand liggend is dat hij was: in zekere zin cosmopoliet van Indischen of, in het algemeen, Oosterschen bloede.
Hetgeen ik wil illustreeren met de laatste zinsnede van zijn betoog in het meergenoemde tijdschrift [Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 1873]. Hij schrijft toch:
‘Zou ik na 23 jaren lang in Europa in beschaafde kringen te hebben verkeerd mij hier verlagen om mij in gezelschap te mengen van bandieten en oproermakers en wat meer zegt, samen te spannen met zulk gespuis om mij op te werpen tegen het gouvernement dat mij tot den huidigen dag nog steeds met weldaden overlaadt? Ieder die mij van nabij kent, kan zulks onmogelijk gelooven. Neen, tot mijn laatsten snik, tot ik uitgestrekt al liggen op mijn sponde om voor den rechterstoel te verschijnen, zal nog steeds mijn leus zijn: Eerbied aan God en trouw, gehoorzaamheid en dankbaarheid aan mijn Koning, het gouvernement en de Hollandsche natie.’

De Taak-3, 443

[Pasuruan – Noordkust] 

[...] Noodgedwongen moest men er toe overgaan zooveel mogelijk gebruik te maken van voordeelige getijden of het anker buitengaats uitwerpen.
Gelukkigerwijze treft men in deze gewesten vele door eilandjes, landtongen (tandjoengs) of riffen beschutte wateroppervlakken in de nabijheid van riviermondingen aan, zoodat schepen een betrekkelijk veilige ligplaats kunnen vinden en de overlading van koopmanswaren in inlandsche prauwen, die de goederen van en naar de kust brengen, tamelijk weinig storing ondervindt.
Ten slotte nam op sommige voor den handel bijzonder gunstig gelegen punten het verkeer in dier mate toe, dat het de moeite loonde geld te besteden aan verbetering der haventoegangen door middel van dammen over de ondiepte heen, waartusschen een geul werd gebaggerd.
Deze kunstmatige toestand eischte echter een voortdurend onderhoud, want gemeenlijk voerde de betrokken rivier in sommige jaargetijden zoo ontzaglijk veel slib aan, dat telkens en telkens zich opnieuw banken voor de nieuw geschapen monding vormden en de kustlijn zich in de richting der kopeinden van [de] dammen verplaatste.
Herhaalde baggering en verlenging der dammen waren daarvan de gevolgen; zoo ontstonden die eigenaardige havenkanalen, welke men bijv. aantreft in Batavia, Semarang, Soerabaja, Pasoeroean en elders.

De Taak-3, 510

[Jakarta 2 – Polemiek] 

[1920] [Architect Th.] Karsten: […] De ‘Maatschappij tot Bevordering van Bouwkunst, Bond van Nederl. Architecten’ stuurde een rekest aan den Minister van Koloniën over de wenselikheid om deskundig advies in te roepen over de stedenbouwkundige behandeling van het Stadhuisplein in Batavia ! en wel in verband met den voorgenomen bouw van enige grote kantoren w.o. een Postkantoor.
Men staat paf van de naïviteit, waarmede hier een volkomen onbekendheid met de moderne Indiese verhoudingen en gedachten wordt uitgestald … en dat nog wel door en vereniging, die, vroeger ouderwets, zich sedert lang volkomen modern en bij acht, en wier leiding dan ook grotendeels in jongere handen ligt.
Ten eerste is de bebouwing van het stadhuisplein een zaak, die de Gemeente Batavia aangaat en den Minister van Koloniën geen zier … nog veel minder dan Minister van Binnenlandse Zaken de Vijzelstraat bebouwing; van decentralisatie heeft men bij de B.N.A. blijkbaar nooit gehoord … noch van de outillering der Indiese gemeenten met velerlei bekwame diensten. En zo was het adres van ’t rekest verkeerd.
Ten tweede kan al wat fris en vooruitziend denkt onder de intellektuelen hier, in het Ministerie van Koloniën, zooals [het] de laatste jaren de Indiese ontwikkeling remt, niets [meer] zien dan een hinderlike ouderwetse dwarskijkerij, waartegen […] wantrouwen […] zaaien bij ordonnantie verboden is … maar dat daarom toch niet minder welig opschiet. Zo is het rekest zeer ontakties!
En ten derde mag men den B.N.A. wel vertellen, dat Indië zich een eigen sfeer heeft geschapen, en dat dus het land, dat deze kolonie nog politiek en materieel ‘bezit’, zich bewust moet worden, dat naar den geest zijn bevoogding werkelik meer en meer onwelkom wordt. Het Indiese kapitaal in Holland zal [zich] ook op dit gebied, ter bevordering van een ‘effektieve koloniale politiek’, […] zo lang mogelijk handhaven, maar het jòngere Holland doet daar niet aan mee.
En de B.N.A. zende het rekest dan ook maar nìèt aan de Gemeente Batavia, want ’t is heelemáál van deze goede vereniging een … klein misstapje geweest.

De Taak-3, bijlage, 23

[Jakarta 3 – Godsdienst] 

[1920] Voor bezoldigingen en toelagen van predikanten, Rooms-Katholieke geestelijken, hulppredikers en Inlandsche leeraren bij Inlandsche Christen-gemeenten, bijdragen aan kerkfondsen enz. wordt uitgetrokken f 1.001.860, vorig jaar f 967.560.

De Taak-4, 3-5

[Jakarta 2 – Polemiek] 

14 Augustus 1920 – Een reactie van W.
[…] Ziehier het oordeel van een, die zich rekent tot het ‘jongere Holland’ in Indië en wiens kritischen en veelal logischen geest en bekwamen aanleg ik de laatste zal zijn te loochenen, doch die toch ook in staat blijkt uit humeurigheid zoodanig uit zijn slof te schieten, dat hij een zeker sentiment volkomen verkeerd plaatst en de verhoudingen geheel en al voorbij schuift. […] De city is zich aan het ombouwen, kleine kantoren worden groote; groote, grootere.
Het is ‘den handel’ de laatste jaren zoo goed gegaan, dat men vooral gróóte kantoorgebouwen wenscht te stichten.
De verkeersontwikkeling drijft daarbij mede naar den hoofdweg en deze leidt over het Raadhuisplein. Dat plein lijkt nog voornamer dan de Kali-besar en twee flanken nopen tot ombouw, bieden, laat ik het maar zeggen, mooi gelegen gevelruimte.
Wie er bouwen zullen staat vast, enkel ‘de handel’ kan die gronden betalen, enkel de groote Hollandsche of vreemde ‘huizen’ zullen er kunnen bouwen, en mogelijk het gouvernement.
Het karakter van dien opbouw is daardoor als ‘Westersch’ te verwachten. Zooals het Raadhuis Hollandsch is en niet Indies (in den cultuur-zin van den heer Karsten) zoo zal ook bij deze ombouw het Hollandsch – althans uitheemsch karakter – zich doen gelden bij deze verdere pleinbebouwing, o.m. op grond der aandrijvende belangen, en moet hier dan toch gesproken worden van ‘Indiese stedebouw’, dan is het enkel wijl de bouw in Indië, in Java’s hoofdstad zal plaats vinden, doch … voor Hollandsche belangen.
Het dualisme in deze Koloniën doet zich ook hier gelden en bij dezen kantoorbouw – ook van een Post-kantoor eventueel – spreken niet direct ‘Indiese-cultuur’-belangen, doch directer de belangen der z.g. Indische Cultures.
Het gaat hier niet om Indiese verhoudingen en gedachten. Hier zijn te verzorgen Hollandsche of wil men Europeesche belangen in een Oostersche koopstad, waarvan het oorspronkelijke en huidige karakter bezwaarlijk als Oostersch valt te typeeren. Hier treden lastgevers op, die misschien wel maling hebben aan Oostersche cultuur; en hier zou ook het Stadsbestuur zich toch bezwaarlijk als verdediger van deze laatste kunnen opwerpen; dan zou het de werkelijke verhoudingen, welke ook de heer T.K. voorbijschoot, niet zien.
Het stadsdeel toch, waarover het hier gaat, is zoowel historisch als effectief in handen van het Hollandsche deel der landbewoners en het gaat er dagelijks ’Westersch’ of wil men ‘koloniaal’ toe.
En zou men hierop het gevleugelde woord van den Gouverneur-Generaal van Limburg Stirum willen toepassen: ‘Indië heeft zich een eigen sfeer geschapen’, dan zeker niet in den zin, welke de heer T.K. in zijn stukje daarin legde. De eigen sfeer van Batavia’s benedenstad wordt beter gezocht in het jaarverslag van den President der Javasche Bank, dan in de notulen van het Cultuurcongres te Djocja.
Deze nuchtere beschouwing achtte ik noodig om den heer T.K. terug te brengen tot de beoordeeling van waar het hier omgaat en … of men Hollandsche architecten te hulp mag roepen voor de bebouwing van het stadhuisplein te Batavia. […]
Dat een man als Berlage b.v. zich in Batavia’s benedenstad op ten eenemale vreemd terrein zoude bevinden, als hem daar een bebouwingsplan zou worden toevertrouwd, mag op zijn minst worden betwijfeld.
Dat architecten als de Bazel, Staal of de Klerk b.v. niet vatbaar zouden zijn de hier noodige bebouwingen te verzorgen, lijkt absurd.
En zelfs als de koopstad Batavia omzag naar een nog meer universeel adviseur voor haar ombouw, dan zouden noch haar karakter als handelsstad, verbonden door lijnen uit alle windstreken met de overige wereld, noch de plaatselijke verhoudingen haar zulks moreel kunnen verbieden. […]

De Taak-4, 41-42

[Jakarta 2 – Polemiek] 

4 September 1920 – Gedeelte uit het antwoord van Karsten:
[…] Wie hier passende architectuur wil maken, moet dan ook, het is een noodzakelike konsekwentie, bereid zijn een wellicht zeer schoon deel zijner Westerse mentaliteit te offeren, waarvoor hij ander schoons kan verwachten.
Dit nu, echter, staat of valt met de mate, waarin men het zuiver, het bewuste, het gewilde Hollands-zijn, Westers-zijn in architektuur hier verwerpt of aanvaardt. Wij verwerpen dat zonder meer. W. aanvaardt het, aanvaardt het voor de benedenstad van Batavia met zijn vele Hollandse kapitaal, voor het Stadhuisplein in het bizonder met zijn Oud-hollandse Stadhuis, met zijn ook andere Hollandse overblijfselen, die hij als zoodanig, en blijkbaar niet enkel als artistiek kultuurteken, pieuse gevoelens toedraagt. Dan verwerpt hij, dús, voor die benedenstad de ‘eigen Indiese sfeer’, – schaart hij zich niet naast de Javasche Bank, maar naast de Handelmaatschappij en de H.V.A., – aanvaardt hij ten opzichte van Indië de mentaliteit der V.O.C. die ’t Stadhuis in Batavia bouwde als een Hollands machtsteken, – accepteert hij de ‘Hollandsche erfenis op Indischen bodem’ in den geest van onderdrukking die daar karakteristiek voor was, dan wil hij de kultuurvormen bevestigen en doen blijken de Hollandsche overheersing.
En of hij dit nu wil doen door de beste, door de moderne, ja door revolutionaire Hollandsche architecten, door mannen, wier bekwaamheid ver boven al wat hier werkt uitreikt, dat maakt geen verschil.
Voor wie Indië wil om Indië is de eerste en de beslissende vraag of zij bereid zijn zich voor Indië te buigen, wat zij niet leeren kunnen in de enkele maanden, dat zij voor een advies hier zouden komen áls zij hier al komen. Hands off – ja, inderdaad geldt dat ten aanzien van alle gevoelswerk in Indiese sfeer, voor hem, die Hollander is en dat kompleet wil blijven, maar welkom is, wie eerlijk wil pogen goed Indies te werken, wil pogen zijn gevoelsarbeid aan de sfeer hier, moreel, artistiek en technies zo goed en serieus als hem gegeven kan zijn, aan te passen.
Het andere standpunt versterkt de overheersing, dat handhaven wij tegenover W. en geven wij aan de B.N.A. ter overweging.
T.K.

De Taak-7, 1911

[Yogya 1 – Java-instituut] 

[Het Java-Instituut. – 3-daagsch Congres te Djocja van 24-27 December 1924.]
Voorloopig programma voor het Congres:
Woensdag 24 December: Reunie der congressisten om 9 uur ’s avonds in de kepatian; daarna zal volgen een voorstelling door den Rijksbestuurder aan te bieden van de Langen Wenara.
Donderdag 25 December: Opening van het congres om 9 uur ’s morgens in de kepatian, behandeling preadviezen onderwerp: Op welke wijze kan bij de opvoeding van de landskinderen de inheemsche cultuur meer tot haar recht komen.
Om 4 uur ’s middags volgt de opening van een tentoonstelling in het Logegebouw van modellen van den Javaanschen bouwtrant en van de Javaansche meubel- en houtsnijkunst.
Van 6 tot 8 uur ’s avonds lezing van Dr. Bosch, chef van den Oudheidkundigen dienst. Een uiteenzetting over de te maken excursie naar de Prambanan-tempels.
Lezing van Ir. Th. Karsten over: Javaansche architectuur uit de laatste eeuwen.
Vrijdag 26 December: Half zeven ’s morgens excursie naar de Prambanan-tempels onder leiding van Dr. Bosch en den heer Perquin; volgt onder leiding van Ir. Th. Karsten een bezichtiging van oud- en modern-Javaansche gebouwen in Jogja en omgeving.
6 uur ’s middags: Inleiding van het tweede onderwerp, nl. Welke waarde hebben de oud-Javaansche monumenten voor de huidige en toekomstige Javaansche cultuur.
9 uur ’s avonds geeft de Sultan een feest in de kepatian.
Zaterdag 27 December: ’s Morgens voortzetting der debatten in de Pakoealaman, terwijl ’s avonds het congres besloten wordt met een feest in de Pakoealaman, wajang koelit voorstelling.