Uitgegeven ter gelegenheid van het vijf en twintig jarig bestaan der gemeente
Uitgegeven in opdracht der gemeente Semarang door de N.V. Dagblad de Locomotief.

Gedenkboek Semarang, 28

[Semarang – Artesische put]

[Tillema:] In 1910 brak er weer eens een hevige cholera-epidemie uit. De burgerij bracht geld bijeen (ik zie nog overste v.d. Horst en notaris Hazenberg de handelshuizen langs rijden om te ‘schooieren’), nadat er eerst een vergadering was gehouden onder leiding van het hoofd van plaatselijk bestuur. Op die vergadering werd er verteld wat er door de Regeering gedaan was ter bestrijding der nare ziekte en niet zonder pathos deelde de vertegenwoordiger der Regeering – niet die der gemeente – mede, dat ‘de Regeering niet zou aarzelen nog grootere sommen ter beschikking te stellen als mocht blijken, dat het noodig was’. Ik hoor de woorden nog, al is het 20 jaar geleden. Vrij onvoldaan gingen de ‘kopstukken’ van den handel enz. uiteen. Een van hen, de heer Wittich (Chef Lindeteves) ging naar zijn kantoor, zette zich voor de schrijfmachine en tikte een telegram aan een hem bekend lid der Tweede Kamer, oud-Semaranger, den heer v.d. Bogaard. Toen hij klaar was riep hij den kassier, wien hij verzocht het telegram te bezorgen. De kassier keek afwisselend van het papier naar den heer W. Ten slotte waagde hij de opmerking, dat het telegram ‘mahal’ was. Maar de heer W. antwoordde: ‘traperdoelie’ Het kostte pl.m. f 600.-, wat voor dien tijd een zeer groot bedrag was! Doel van het telegram was om de Tweede Kamer, die kort na de ontvangst de Indische begrooting zou behandelen, te bewegen ons te helpen; men had geen vertrouwen in het Gouvernement. Persoonlijk telegrafeerde ik aan Mr. Troelstra: ‘Pieter Jelles, help ues, vide Locomotief data …’ [volgden de data van hoofdartikelen, aan de waterleiding en de cholera gewijd].

Gedenkboek Semarang, 35-38

[Semarang – Pasar] 

Krachtens artikel 2 der Ordonnantie van 9 November 1855 […] moesten de ‘bazaars’ en de daarop staande loodsen worden schoongehouden door dezelver bewoners of door degenen, die daarvan gebruik maakten, volgens regelingen vast te stellen door de hoofden van Gewestelijk bestuur. Ter uitvoering van deze ordonnantie was door den Resident van Semarang bij keur van 16 Juni 1899 vastgesteld een ‘Reglement op de netheid en de orde op de pasars in de residentie Semarang’.
Volgens die verordening was iedere verkooper vóór het verlaten van den pasar verplicht, zijn standplaats met het daarlangs loopende gedeelte van den pasarweg behoorlijk schoon te maken of te doen maken en het verzamelde vuil naar een daartoe aangewezen plaats te brengen. Desverkiezende mochten de verkoopers tot het nakomen dezer verplichting gebruik maken van de diensten van door de Hoofden van Plaatselijk Bestuur aangestelde pasarvegers, die daartoe van iederen verkooper, die hun diensten had ingeroepen, een betaling mocht eischen van ten hoogste een cent per etmaal.
Daar de pasarvegers in het algemeen hun werk slecht uitvoerden, doch wèl betaling eischten en zelfs meer dan hun recht was, had de Assistent-Resident voor de Politie een regeling getroffen met de strekking, dat de door de pasarvegers geïnde gelden aan hem werden afgedragen en door hem werden beheerd. Uit deze gelden ontvingen de pasarvegers een vaste bezoldiging en werd voorzien in het onderhoud en het schoonhouden van de pasarterreinen.
Toen de pasars onder beheer der Gemeente waren gekomen, achtte de Assistent-Resident, tevens Voorzitter van den Gemeenteraad, het regelmatiger, dat bedoelde gelden in den vervolge door de gemeente zelve beheerd zouden worden, waarom hij op de ontwerp-begrooting voor het jaar 1908 een post bracht van f 14.400,- wegens inkomsten, voortvloeiende uit het pasarbeheer. Deze post werd door den Gemeenteraad aldus vastgesteld.
In de vergadering van 29 November 1907 deelde de Voorzitter mede, dat de Resident de begrooting […] niet zou goed keuren, omdat […] eerst […] een regeling overeenkomstig art. 50 der Locale raden ordonnantie diende te worden vastgesteld.
De Gemeenteraad […] [besloot dat] de pasarvegers zouden worden bezoldigd uit de gemeentekas en de gelden, welke die vegers […] van de verkoopers mochten eischen, zouden moeten worden gestort in de Gemeentekas.
Bij besluit van 7 December 1907 besloot de Resident zijn goedkeuring […] te onthouden, o.a. op grond van de overweging , dat […] een post was geraamd […] zonder dat deze […] berustte[n] op een door den Gouverneur-Generaal goedgekeurde regeling.
De Gemeenteraad besloot daarop zich te wenden tot de Regeering, de begrooting goed te keuren, en voerde daarbij o.m. aan, dat […] het hier een zaak gold, die alleen de Gemeente en de pasarvegers aanging en […] kon geregeld worden, zonder dat in de betrekkelijke keur […] wijziging behoefde te worden aangebracht. Bij de aanstelling van pasarvegers behoefde slechts overeengekomen te worden, dat zij een vast loon zouden genieten en daartegenover de gelden, welke zij inden, in de Gemeentekas zouden storten.
[…] Het Raadsbesluit […] werd bij Gouvernements-besluit van 11 Januari 1908 vernietigd […] [omdat de] regeling omtrent de van de pasar-verkoopers te eischen betaling een geheel ander karakter kreeg en deze gemaakt werd tot eene regeling […] [die] had behooren te worden vastgesteld bij eene verordening, die door den Gouverneur-Generaal […] zou moeten worden goedgekeurd.
Bij de voorbereiding eener ontwerp-verordening […] werd de vraag ter sprake gebracht, of de Gemeenteraad wel bevoegd was terzake eene verordening vast te stellen. […].Naar aanleiding van door den Voorzitter ter zake gevraagde inlichtingen deelde de 1ste Gouvernements-Secretaris bij schrijven van 19 Mei 1908 […] mede, dat […] nopens het schoonhouden der pasars en pasarloodsen […] een reglement of keur van politie getroffen zouden worden, terwijl de bevoegdheid om zulke politie-verordening vast te stellen thans toekwam aan den localen raad […].
Bij schrijven van 17 October 1908 werd daarop door den Voorzitter een ontwerp-verordening […] aan den Raad […] voorgelegd. […] In de vergadering van 30 December 1908 verklaarde de Raad zich echter incompetent om deze verordening in behandeling te nemen, zolang de op het beheer en het toezicht der pasars betrekking hebbende staatsbladen […] nog niet waren ingetrokken. […] Het antwoord der Regeering, waarbij de bezwaren van den Raad gedeeltelijk werden erkend, is vervat in den brief […] van 13 Juli 1909 […] ‘Bij nadere overweging komt het den Gouverneur–Generaal voor, dat ook ’s Raads opvatting wel te verdedigen is, en zijne Excellentie heeft daarin aanleiding gevonden om […] hoogerbedoeld artikel […] in te trekken. […]’
Een nieuwe concept-verordening werd in Januari 1910 aan den Raad aangeboden. […] Dit ontwerp werd […] vastgesteld in de vergadering van 18 Maart 1910.
Tegen de afkondiging dezer verordening werden door den Directeur van Justitie bezwaren gemakt bij brief van 27 Juli 1910. Krachtens art. 1 der verordening was nl. alleen retributie verschuldigd t.a.v. de ‘door den Gemeenteraad aan te wijzen’ pasars. […] De Directeur van Justitie nu was van meening, dat de verordening zelve de pasars diende aan te wijzen, waarvoor zij van kracht zou zijn. In zijn vergadering van 9 September 1910 werd waarop de verordening […] vastgesteld, met den eenigszins omslachtigen titel van: ‘Verordening op het gebruik en het beheer van de pasarterreinen, de pasarloodsen en de andere pasargebouwen, genaamd Pasar Karangbidara koelon, Pasar Karangbidara wetan, Pasar Djoernatan, Pasar Pedamaran lor, Pasar Pedamaran tengah, Pasar Pedamaran kidoel, Pasar Kranggan, Pasar Ambengan en Pasar Peterongan’. Deze verordening werd afgekondigd in de Javasche Courant van 18 October 1910.
Dat een en ander nog niet dadelijk tot het publiek doordrong, is te begrijpen. Als een staaltje hiervan moge worden vermeld, dat in de Raadsvergadering van 30 Januari 1911 een rekest werd behandeld van een zekeren Hadji Abdoerahman, waarbij deze verzocht de veeggelden van pasar Peterongan te mogen pachten voor f 10.- per mand, waartegenover hij de zorg op zich zou nemen voor het schoonhouden van die pasar.
Het behoeft geen vermelding, dat de Raad besloot aan adressant mede te deelen, dat zijn verzoek niet voor inwilliging vatbaar was.
Uit het voorgaande blijkt wel, dat het leven der Gemeente in het begin haar bestaan niet over een leien dakje heeft geloopen. Blijkbaar haperde het niet alleen aan de zijde der Gemeente, maar ook aan die der Regeering soms aan een duidelijk inzicht in de rechten en verplichtingen der nieuw geschapen staatsrechtelijke eenheden.

Gedenkboek Semarang, 49, 104

[Semarang 2 – Aniem] 

[...] de heer Mr. Schoutendorp heeft intusschen [1909] zijne concessies voor electrische verlichting overgedaan aan een nieuw opgerichte N.V., de Algemeene Nederlandsch Indische Electriciteits Maatschappij, welke binnen afzienbare tijd onder de verkorting A.N.I.E.M. een groote rol zou gaan spelen in het leven dezer gemeenschap. [...]
Met de Algemene Nederlandch-Indische Electriciteits Maatschappij werd [in 1930] voor de electrische verlichting van de hoofdstraat Bodjong en van enkele toegangswegen tot het Heuvelterrein een contract afgesloten. Hoewel de kosten voor deze verlichting, boven de normale gas-verlichting, vrij belangrijk zijn, heeft het aspect der stad bij avond erdoor gewonnen, terwijl het drukke auto-verkeer langs deze wegen daardoor beveiligd wordt.

Gedenkboek Semarang, 52

[Semarang 2 – Officier van Justitie] 

Een object waaromtrent langen tijd dispuut bestond tusschen gouvernement en gemeente is het voormalig Residentserf. Voor de somma van vijftig duizend gulden wordt gemeente [in 1910] eigenaresse van de grond,

Gedenkboek Semarang, 56

[Semarang 2 – Van der Ent] 

De Assisten-Resident, de heer Van der Ent werd tot Voorzitter van den Gemeenteraad benoemd na het vertrek van den heer Kern. De eerste door den nieuwbenoemden Voorzitter gepresideerde vergadering heeft op 14 Juni 1912 plaats.

Gedenkboek Semarang, 58

[Semarang 2 – Randoesari] 

In het jaar 1914 werd de Koloniale Tentoonstelling gehouden op een groot terrein tusschen de Pieter Sijthofflaan en de Heuvels, toebehoorend aan den majoor der Chineezen, den heer Oei Tiong Ham. Een eerste vereischte was dat de aanstaande bezoekers behoorlijke wegen van de stations en van de reede naar het terrein der tentoonstelling zouden vinden. Daartoe was het noodig de wegen, die van de stad naar dit terrein leidden op afdoende wijze te verbeteren. Dank zij de inmiddels ingestelde belasting op publieke vermakelijkheden hoopte de gemeente de te maken kosten uit die bron vergoed te krijgen, terwijl de verbeteringen zelve een blijvend karakter zouden dragen. De Hoogenraadslaan, de Pieter Sijthofflaan, Randoesari, Peloran en Depok werden in verband hiermede verbreed en verbeterd, waarbij de grootgrondbezitters en van deze voornamelijk de heer Oei Tiong Ham op royale wijze hun medewerking verleenden.[...]
De Koloniale Tentoonstelling, welke Semarang zoowel in Indië als ver daar buiten een groote mate van bekendheid schonk, opende haar poorten omstreeks het tijdstip waarop de wereldoorlog uitbrak. Hieraan moet worden toegeschreven dat de financieele resultaten tegenvielen. Bij het sluiten der tentoonstelling bleek dat het garantiefonds was verbruikt en dat het hoofdbestuur bovendien stond voor en vrij belangrijk deficit.

Gedenkboek Semarang, 89-90, 121-122

[Semarang 2 – Karangasem] 

[...] de verbetering der Gouvernements-kampongs.
Een oplossing van dit vraagstuk was in de bijna twintig jaren welke sedert de instelling der Gemeente verloopen waren nìèt gevonden. Van gemeentewege beriep men er zich op, dat verbetering en onderhoud dier kampongs bepaaldelijk nìèt behoorende tot de verplichte gemeentetaak, terwijl de Regeering zich op het standpunt stelde dat de verzorging der openbare gezondheid en dus verzorging der kampongs wèl gemeentetaak was.
In de vergadering van den Raad van 3 Mei 1925 bood de Burgemeester den Raad een afschrift aan van een regeeringsschrijven [...]
[...] bij de ontwerp-begrooting voor 1926 is gerekend op een bedrag van f 25.000,- teneinde, in verband met de opheffing van [de zorg van het Gouvernement voor de] daarvoor in aanmerking komende desa’s in de gemeente Semarang, op aanvraag van die gemeente, bepaalde werkjes in behoorlijken staat te brengen. [...]
De Voorzitter [...] vermoedde, dat het beschikbaar gestelde bedrag dienen moest om in verband met de voorgenomen overdracht van de binnen de gemeente gelegen desa’s en de daarmede gepaard-gaande overgave van verschillende openbare werken, te voorzien in de herstelling en de verbetering van deze werken. [...]
Nadat het Gemeentebestuur zich jarenlang op het standpunt had gesteld, dat de verbetering der kampongtoestanden een aangelegenheid was, die de dessabesturen en niet de Gemeente aanging en de Gemeente tot verbetering overging, dit zou moeten geschieden tegen volledige vergoeding der kosten door het Gouvernement, trad in den loop van het jaar 1928 eene wijziging in deze opvatting in en kwamen Gouvernement en Gemeente tot elkaar op basis van gelijke bijdragen in de verbeteringskosten, terwijl de onderhoudskosten zouden geregeld worden tegelijk met de onderwerpen die de Commissie van advies inzake de finantieele verhouding van het Land en de Locale Ressorten in behandeling had.
Op die basis kwam in het jaar 1929 de eerste verbeterde kampong gereed en wel de kampong Poengkoeran, ter oppervlakte van 5,5 HA., gelegen tusschen het erf van den Regent en den weg Krangan Wetan. [...]
Zooals [...] blijkt, zijn met betrekkelijk geringe middelen beteekenende verbeteringen bereikt, die de Gemeente aangespoord hebben op den ingeslagen weg voort te gaan en daarom werd in het jaar 1930 overgegaan tot verbetering der kampong Karangasem ter oppervlakte van 8.7 H.A.

Gedenkboek Semarang, 103

[Semarang – Sociëteitsbrug] 

Voor den aanleg van een trottoir langs de Oostzijde van Bodjong voteerde de Raad in zijn zitting van 28 November [1929] een bedrag van f 15.000, voor verbreeding en verfraaiing van de Sociëteitsbrug een bedrag van f 2.500 en voor den aanleg van weggoten in de Chineesche kamp een bedrag van f 10.000.

Gedenkboek Semarang, 103

[Semarang 2 – Karangtengah] 

Ten einde tegemoet te komen aan de steeds dringender wordende verkeerseischen werd besloten tot de verbreeding van den weg Bodjong van het Wilhelminapark af tot den hoek van den weg Karangtengah. De kosten voor deze verkeersverbetering werden geraamd op zeven en dertig duizend gulden. De beslissing in zake deze verbetering viel op 28 Juni 1928.

Gedenkboek Semarang, 108

[Semarang – Pasar] 

De bouw van een centrale pasar werd reeds sedert jaren door den Raad aangevoeld als en absolute noodzakelijkheid in verband met de onvoldoende pasartoestanden.
Vroegere pogingen om de beschikking te verkrijgen over de Würtembergsche kazerne, mislukten, aangezien deze kazerne wel ontruimd werd door de militaire overheid, doch dienst bleef doen als politie-kazerne.
In de loop der eerste maanden van 1931 werd de beschikking verkregen over het gebouw der voormalige Inlandsche gevangenis te Padamaran. Het terrein, waarop dit gebouw zich bevindt, is bij uitstek geschikt voor het beoogde doel. Onmiddellijk werden de plannen voor den bouw van een centralen pasar pasklaar gemaakt voor eene vestiging op het aldus vrijgekomen terrein. De Raad keurde goed, dat panden en erven in de nabijheid der Inlandsche gevangenis door aankoop overgingen in den eigendom der gemeente.
Voor de aankoop van deze huizen en erven werd een bedrag van f 80.000,- geraamd. De begrooting voor den bouw van den centralen pasar sloot op een bedrag van f 1.300.000,- welke gelden door het aangaan eener leening verkregen zullen worden. De waarlijk imposante som, welke voor dit doel gevorderd zal worden, is ten volle verantwoord, aangezien verwacht mag worden dat rente en aflossing van dit kapitaal gevonden zal worden uit de inkomsten van den pasar.

Gedenkboek Semarang, 118

[Semarang 2 – Karangtengah] 

De wegen in de Gemeente waren bij de instelling [van de gemeente in 1906] uitsluitend steenslagwegen, met uitzondering van den weg Bodjong tusschen het Groote Huis en Karangtengah, die geasfalteerd was.

Gedenkboek Semarang, 120

[Semarang 2 – Kalisari] 

De verbinding tusschen de oude stad en het Heuvelterrein had aanvankelijk nog plaats via Holleweg en Bergotta, doch al spoedig brak het denkbeeld door dat deze verbinding niet in overeenstemming was met de beteekenis van het Heuvelterrein. Daarom werd in 1915 een ontwerp gemakt voor een betere verbinding die oorspronkelijk langs den weg Karangasem ontworpen was, doch ten slotte langs den tegenwoordigen Kalisariweg uitgevoerd werd.”

Gedenkboek Semarang, 122, 123, 124

[Semarang – Semarang-rivier] 
[Semarang 2 – Kali Semarang] 

De Gemeente Semarang verkeerde, in vergelijking met de andere groote kustplaatsen, bij de instelling in betrekkelijk gunstige omstandigheden, omdat omstreeks 1900 door den aanleg van Wester- en Oosterbandjirkanaal, de hoofdafwatering voldoende verzorgd was.
Na de totstandkoming dier kanalen werd de kali Semarang die tot dusver de hoofdafvoer vormde en als zoodanig ernstig te kort schoot, hetgeen geregelde en hinderlijke inundatie’s veroorzaakte, gedegradeerd tot secundaire afvoerweg, die zelfs na de verlichting zijner taak door het gereedkomen der bandjirkanalen, nog niet in staat was de afvoer van westmoessonregenbuien op bevredigende wijze te bewerkstelligen. […]
De zware westmoesson aan het begin van het jaar 1918 vestigde, door de langdurige overstroomingen opnieuw de aandacht op de gebrekkige afwatering en […] de te geringe capaciteit van Kali Semarang […]
In de [in 1921] ontwikkelde plannen werd de Kali Semarang als hoofdafvoerleiding verlaten en vervangen door een ontlastingskanaal ten behoeve van de Kali Semarang, loopend van Randoesari naar den weg Karangtoeri […]
[In 1927] werd gestreefd naar verwezenlijking van het denkbeeld om al het regenwater, afkomstig uit de heuvels bezuiden de kotta, op zodanige wijze af te leiden, dat de Kali Semarang daardoor niet meer bezwaard werd en vrijwel uitsluitend zou kunnen dienen als afvoerweg van regenwater gevallen op de groote particuliee landerijen die gelegen zijn bezuiden de Kali en benoorden den Ouden Toerweg (Genoek-Tegalwareng)

Gedenkboek Semarang, 125

[Semarang – Artesische put]

De burgerij ontleende [±1910] het water voor baden, waschen en schrobben hoofdzakelijk aan putten en was voor drinken en koken aangewezen op artesisch water. Er waren verspreid over de stad aanwezig 21 artesische putten met een gezamenlijk debiet dat werd opgegeven als rond 80 L/sec., doch dat, ondanks de aanwezigheid van reservoirs, niet volledig tot zijn recht kwam. Bovendien waren niet alle artesische putten bestemd voor openbaar gebruik, daar er 7 voorkwamen in gevangenissen, ziekenhuizen, weeshuizen, e.d. en niet voor het publiek bereikbaar waren. Door onvoldoend onderhoud was verder de qualiteit van het water niet onberispelijk, terwijl zij verder nog slechter werd door het transport van het water door waterdragers.
Het bezwaar dat al het water voor huishoudelijk gebruik moest betrokken worden van waterdragers en niet elke bewoner water door middel van een buisleiding aan huis kon betrekken, werd wel als bijzonder klemmend gevoeld

Gedenkboek Semarang, 141

[Semarang – Semarang-rivier] 

[…] de Semarang-rivier, waarvan de benedenloop Kali Lama geheeten, de verbinding vormde voor het handelsverkeer tusschen wal en reede.
Kon eertijds met deze smalle en bochtige waterweg worden volstaan, langzamerhand toen meerdere schepen op de reede kwamen en het prauwenverkeer drukker werd, veroorzaakte de smalle rivier en vooral de natuurlijke bankvorming aan de monding der rivier veel hinder en overlast, waardoor maatregelen moesten worden genomen om hieraan een einde te maken. Aangewezen als men toen was op primitieve hulpmiddelen, om de uit de hand gegraven vaargeul door bamboezen schermen tegen opslibbing te vrijwaren, hadden deze weinig effect, omdat de beschermingsmiddelen niet in staat waren den strijd tegen de natuur-elementen vol te houden. Men begon dan maar weer van voren af aan en op deze wijze werd getracht de prauwvaart zoo goed en zoo kwaad als het ging in stand te houden. […]

Gedenkboek Semarang, 141-142

[Semarang – Havenkanaal] 

De vele moeilijkheden, welke de prauwvaart ondervond, leidden er toe, dat in 1854 besloten werd tot het graven van een nieuwe verbinding van de Semarang-rivier met zee, het z.g. Nieuwe Havenkanaal of Kalibaroe. Door de uitmonding van dit kanaal tusschen twee havendammen ongeveer tot dieptelijn van 1.80 meter beneden gemiddeld laag water in zee uit te brengen, hoopte men het ontstaan van groote aanslibbing in de vaargeul te kunnen voorkomen.
Het Havenkanaal werd 1180 meter lang, terwijl de oevers voorzien werden van kademuren. De breedte tusschen de kademuren was 23 M., terwijl de onderlinge afstand der havendammen 65 meter bedroeg.
De Westelijke havendam reikte iets verder in zee dan de Oostelijke; de dammen waren lang respectievelijk 590 meter en 450 meter. Het kanaal werd ten slotte met de Semarang-rivier in verbinding gebracht door een schutsluis, om den aanvoer van rivierslib in het kanaal te weren. […] Eerst in de jaren 1874 / 1875 waren de werken geheel voltooid.
Met de uitvoering van bovengenoemde werken ging gepaard een uitbreiding van de loodsen van den Grooten Boom, terwijl voor de visitatie van vaartuigen nabij het einde van de Kalibaroe een z.g. Kleine Boom werd ingericht.
Reeds tijdens de uitvoering der werken was gebleken, dat het voorgestelde doel niet geheel bereikt was, daar vooral bij de koppen der havendammen een sterke aanslibbing plaats vond.
De verschillende ondervonden tegenslagen en de voortdurende klachten over den onvoldoenden toestand der Semarangsche haven waren aanleiding, dat in 1874 een Commissie werd aangewezen met de opdracht voorstellen te doen voor een haven voor groote schepen, zoomede om in afwachting van hare eindbeslissing, al aanstonds advies uit te brengen omtrent hetgeen voorloopig behoorde te worden aangewend om het bestaande prauwvaartkanaal in bruikbaren toestand te houden.
Als gevolg van de voorstellen der commissie werd besloten den Westelijken havendam met 300 M. in de bestaande richting te verlengen. Dit werk, aangevangen in 1876, kwam in 1878 gereed.
Omstreeks dezen tijd werd tevens een baggermolen te Semarang gestationeerd om de vaargeul geregeld op diepte te houden.
Uit de in deze jaren genomen maatregelen blijkt wel, dat aan de gemeenschap met de reede geleidelijk hoogere eischen werden gesteld. Dit is begrijpelijk door de snelle opkomst van de stoomscheepvaart in deze jaren, welke ook door de opening van het Suezkanaal sterk werd bevorderd. Uiteraard waren voor de stoomscheepvaart de oponthouden door een gebrekkige en dikwijls verbroken gemeenschap met de reede bezwaarlijker dan voor de zeilscheepvaart.
Door de regelmatige aansluiting en het voortdurend vooruitschuiven van de strandlijn werd het op diepte houden der vaargeul jaarlijks bezwaarlijker en werd een verdere verlenging der havendammen noodzakelijk. Aan deze tweede damverlenging werd in 1888 begonnen. De Westelijke havendam werd aanvankelijk verlengd met 210 M. en de Oostelijke havendam zooveel, dat het Westerhavenhoofd 150 meter verder in zee reikte dan het Oostelijke. Daar het voor het gemakkelijk binnenvaren van de prauwen wenschelijk bleek, dat het lengteverschil der damkoppen tot 250 M. werd opgevoerd, werd de Westelijke havendam nogmaals 100 meter langer gemaakt. In 1890 kwamen deze werkzaamheden gereed.
Dank zij de verlenging der dammen en het regelmatig baggerwerk kon in de volgende jaren de diepte in de vaargeul op voldoende peil worden gehouden. Ook in de Semarang-rivier van de schutsluis tot den Grooten Boom werd thans geregeld gebaggerd, gedeeltelijk met een kleinen baggermolen, gedeeltelijk uit de hand.

Gedenkboek Semarang, 142-144

[Semarang – Semarang-rivier] 
[Semarang – Uitkijk] 

Op een afstand van ongeveer 2 K.M. van de rivier-monding werd ongeveer in 1850 het eerste tolkantoor gebouwd, in Indië algemeen met den naam Boom gestempeld, dat thans nog gedeeltelijk bestaat en Boom Lama genoemd wordt. [Ligt in noordwestelijke richting, daar waar de huidige Jl Hasanudin Kecil met een brug over de rivier gaat]
Diende deze inrichting dus meer als Douanepost, voor de algemeene visitatie der passeerende prauwen, voor den opslag en de verificatie der aangevoerde goederen werd meer bovenstrooms een complex van gebouwen tot stand gebracht, de z.g. Groote Boom, dat dichter bij het handelscentrum van de oude stad Semarang gelegen was. In de loop der tijden hebben hier verschillende uitbreidingen plaats gehad, totdat de dichte bebouwing daaraan een grens stelde en belangrijke uitbreidingswerken elders moesten worden geëntameerd. […]
Omstreeks 1900 werden de klachten over gebrek aan opslagruimte veelvuldiger, hetgeen de aanleiding was, dat in 1904 een plan werd ontworpen voor het maken van een nieuwe prauwenhaven ten Oosten van de Kalibaroe [aan de kust]. Dit plan beoogde de lossing en opslag van ingevoerde goederen te verplaatsen van den bestanden Grooten Boom naar een meer geschikt punt, waar alle ruimte tot verdere uitbreiding aanwezig was. De prauwen zouden dan geen schutsluis meer behoeven te passeeren, terwijl het nauwe en bochtige vaarwater van de Semarang-rivier bovenstrooms van de schutsluis dat door de aangrenzende bebouwingen moeilijk voor verbreeding vatbaar was, werd uitgeschakeld.
Het plan ondervond allerminst de instemming van den handel, omdat de gunstige ligging van den Grooten Boom te midden van het centrum der handelskantoren en pakhuizen niet gaarne werd prijsgegeven. De Handelsvereeniging en Kamer van Koophandel legden de Regeering een ander plan voor dat hoofdzakelijk beoogde het vaarwater bij den bestaanden Grooten Boom te verruimen en aldaar grootere opslaglokalen te bouwen. Ondertusschen werd de toestand steeds ernstiger. Het gebrek aan ruimte werd zoo nijpend, dat de prauwen dikwijls niet onmiddellijk konden worden gelost, doch gedwongen waren dagenlang voor pakhuis te fungeeren […]
In 1909 werd omtrent de uitbreiding van de haven een beslissing genomen, waarbij het oorspronkelijk plan behoudens enkele ondergeschikte wijzigingen werd gehandhaafd. In 1910 kon met de uitvoering van de eigenlijke uitbreidingswerkzaamheden worden begonnen. […] Met en voortgang der werkzaamheden aan de kademuren had de bouw der loodsen op de achtergelegen terreinen gelijken tred gehouden. In 1920 kwamen deze loodsen gereed en werden dadelijk in gebruik genomen dor de verschillende Scheepvaart Maatschappijen. […]
Ten behoeve van den opslag van goederen in entrepôt, welke vooral in de na-oorlogsche jaren sterk toenam werden twee entrepôtloodsen gebouwd, waarvan dank zij het matige tarief een zeer druk gebruik werd gemaakt.
Nadat alle kadeloodsen met de bijbehoorende etablissementen in gebruik waren genomen, werd de oude Groote Boom in 1921 geheel verlaten. Hiermede verviel vrijwel het heele Prauwenverkeer door de schutsluis en in de Semarang-rivier.

Gedenkboek Semarang, 225

[Semarang – Cultuur Maatschappij]

[1931 – Advertentie] De Cultuur-Maatschappjj der Vorstenlanden N.V. is opgericht in 1888 en gevestigd te Amsterdam. Zij wordt in Ned.- Indië vertegenwoordigd door haar Agentschap te Semarang.
Het kapitaal der Vennootschap bedraagt f 30.000.000.-, waarvan geplaatst en volgestort f 20.530.000.-, en bestaat uit 4000 preferente aandeelen à f 500.-, welke alle geplaatst en volgestort zijn en 56.000 gewone aandelen à f 500.-.
Het doel der Cultuur-Maatschappij der Vorstenlanden N.V. is in hoofdzaak het drijven en de financiering van landbouwondernemingen. Zij is eigenaresse van 3 suikerfabrieken en één rietland en staat voorts in relatie met 11 suikerfabrieken en één rietland.

Gedenkboek Semarang, 228

[Jakarta 7 – Gasmaatschappij] 
[Semarang 2 – Gas-Maatschappij] 

[1931 – Advertentie] N.V. Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij [Gevestigd te Rotterdam – opgericht 10 December 1863]
heeft ten doel het aanleggen en exploiteeren van gasfabrieken, electrische centrales en andere industrieele ondernemingen, het deelnemen daarin en het financieren daarvan, zoowel in Nederlandsch-Indië als daarbuiten, en het verrichten van alle handelingen, die bevorderlijk kunnen zijn aan het hiervoren of daarmede in verband staan.
Aanvankelijk uitsluitend opgericht voor het aanleggen en exploiteeren van gasfabrieken in Nederlandsch-Indië, heeft de Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij hare bemoeienis in den loop der jaren uitgebreid als hiervoren aangegeven.
Bij de oprichting in 1863 begon de Maatschappij haar werkzaamheden op Java met de gasvoorziening van Batavia en Mr. Cornelis en werd deze gaandeweg uitgebreid door de oprichting en exploitatie van gasfabrieken voor de plaatsen:

Soerabaia (Java) in 1879
Buitenzorg (Java) in 1902
Medan (Sumatra) in 1919
Gorinchem (Holland) in 1922 en 

Semarang (Java) in 1897
Paramaribo (Suriname N.W.I.) in 1909
Bandoeng (Java) in 1921
Cheribon (Java) in 1925

Voor de gasvoorziening van deze plaatsen verkreeg de Nederlandsch-Indische Gas-Maatschappij langjarige concessies met uitsluitend recht voor de exploitatie eener gasfabriek.
Bij de oprichting […] bedroeg haar geplaatst kapitaal f 1.750.000.-. Einde 1929 had zij een geplaatst kapitaal van f 13.437.000.- en waren door haar obligatieleeningen gesloten tot een bedrag van f 12.431.000.-, waartegenover een totale reserve van f 7.175.791,19.
De jaarlijksche financieele resultaten met de gas- en electriciteitsbedrijven verkregen zijn bevredigend te noemen,

Gedenkboek Semarang, 229

[Semarang 2 – Aniem] 

[1931 – Advertentie] Een van de bedrijven, welke tot den bloei van Semarang hebben bijgedragen, is wel stellig het electriciteitsbedrijf te Semarang van de N.V. Algemeene Nederlandsch-Indische Electriciteit Maatschappij.
Gevestigd te Amsterdam (opgericht op den 25sten Mei 1909)

Deze Maatschappij heeft een geplaatst aandeelenkapitaal per ultimo December 1930 groot f 15.642.000,-
Obligatieleeningen per ultimo December 1930 groot f 5.444.000,-
Haar in de bedrijven belegd kapitaal bedraagt per ultimo December 1930 circa f 30.300.000,-

Op den 5en Juli 1913 werd door haar begonnen met de electriciteitslevering van de Gemeente Semarang, welke langzamerhand werd uitgebreid tot de in hare omgeving liggende plaatsen: Salatiga, Ambarawa en Oengaran.
Het totale vermogen der centrales welke Semarang en omliggende plaatsen van electrische energie voorzien bedraagt 9.780 P.K.
Teneinde een beknopt inzicht te geven in de mate, waarop het gebruik van electrische energie zoowel bij de Inheemsche als Europeesche bevolking populariteit heeft verworven, mogen hier eenige cijfers volgen, betrekking hebbende op de Gemeente Semarang.
Aantal aangeslotenen:

   
Europeanen
Vreemde
Oosterlingen

Chineezen

Inlanders
Per ult December 1922 2169 157 2791 2094
  December 1925 2318 283 3727 3531
  Juni 1931 2998 231 4986 10261

Aantal aangeslotenen, welke energie betrekken voor industrieele doeleinden: 149.
Aantal door de Maatschappij ter beschikking gestelde installaties 17 915, omvattend 94 723 punten van stroomafneming.
Het electriciteitsbedrijf der Aniem verzorgt niet alleen de levering van electrisch licht, maar is ook en vooral werkzaam in het belang der algemeene electriciteitsvoorziening van Semarang en Omstreken. Waar zij kan, tracht zij de voordeelen eener doelmatige benutting van de electriciteit te brengen, het gebruik van electrische apparaten voor kracht en huishoudelijke doeleinden te populariseeren.
Een goed uitgeruste showroom met atelier, gelegen aan Bodjong, in welke regelmatig de werking, vooral van de huishoudelijke apparaten, kan worden gedemonstreerd, vervullen daarbij nuttige diensten, terwijl daardoor tevens op den aard en den prijs van de in den handel gebrachte electrische materialen een regelende invloed wordt uitgeoefend.

Gedenkboek Semarang, 230

[Semarang – Joana] 
[Semarang 2 – Trammaatschappijen] 

[1931 – Advertentie.] N.V. Semarang – Joana Stoomtram – Maatschappij ( S.J.S.) (opgericht 1881)
Deze maatschappij begon in 1882 haar bedrijf met de opening te Semarang van de lijn [station] Djoernatan naar Djomblang; daarna breidde het net zich allengs uit tot eene exploitatielengte van 426 km.
Dit net kreeg belangrijke waarde voor de verbinding van een beteekenend achterland met de haven van Semarag, daarnaast bracht de gelijkheid van de gekozen spoorwijdte met die der Staatsspoorwegen mede, dat de S.J.S. vrijwel van meet af aan een aandeel heeft gehad in het doorgaande goederenverkeer op Java. De Maatschappij, die de oudste is der Indische tramwegen, heeft in dezen als voorbeeld gediend voor de inrichting van meerdere later gekomen stoomtram Mijen; deze hebben dan ook voor het meerendeel het karakter van eenvoudige spoorwegen, een karakter, dat later in de wet erkenning heeft gevonden.
Van de na de S.J.S. opgerichte Mijen kwamen er allengs eenige onder de leiding van de Directie der S.J.S.; t.w. de Semarang-Cheribon, Oost-Java en Serajoedal Stoomtram Mijen; daarvan heeft in latere jaren de eerstgenoemde, de S.C.S., volledig het karakter van een spoorweg gekregen. Van de vier Mijen, die thans als ‘de Zustermaatschappijen’ bekend zijn, en die tezamen eene exploitatielengte hebben van 1045 km., inbegrepen de electrische Stadstram te Soerabaia, is het Indische hoofdbureau te Semarang gevestigd.[Jl Thamrin 3]
[Juana ligt 87 km oostnoordoostelijk van Semarang en 12 km. westelijk van Rembang.]