door H.F. Tillema, Tjandi – Semarang, 1913

Van Wonen, 23

[Semarang 2 – Residentiekantoor] 

ILW Semarang Groote Huis

1913 – “Ingang van het ‘Groote Huis’ te Semarang, ontworpen door een bouwmeester die ook zonder verandah’s wel een koel huis wist e bouwen. De muren zijn dan ook ‘drie-oppas’ dik. Dit zou voor een ‘parteklier sadja’ te duur worden.”

Van Wonen, 87

[Semarang – Nederlandsch-Indische Handelsbank] 

[1913] Op deze foto ziet men een modern gebouw, dat niet voor de tropen geschikt is.

Van Wonen, 99, 138

[Semarang – Maleische Kamp] 

[1913] De toestand is er minstens even zoo erg, zoo niet ongunstiger, dan in de Chineesche kamp. […] De kampongs zijn intens vies, smerig en vuil. De krotjes staan er vlak op elkaar, zonder eenige regelmaat, zonder dat ook maar met één eisch der hygiène rekening is gehouden. De menschen drinken er uit putten vlak bij de allervieste slokkans gelegen, de grond is er vochtig en laag, de krotjes zijn vochtig en donker, zoodat de cholera er een rijken buit vindt. In 1902 is er in die buurt, naar ik meen, een kampong geheel uitgestorven. Misschien zijn het er wel méér geweest ook. Het sterftecijfer is er niet bekend. ‘We weten nog zooveel nìèt in Indië.’ Deze stelling, door den heer De Jongh het eerst geopperd, geldt vooral op hygiënisch gebied!
[…]Als er niet zoo nameloos veel wee en ellende door zouden ontstaan, zou men wenschen, dat er een tweede Nero kwam om de heele, oude, rotte, vuile, vieze moordholen, genaamd de Chineesche en Maleische kamp c.a. af te branden, te raseeren, om op hun asch een nieuwe winkel- en kantorenstad te doen verrijzen!