door dr. F. de Haan, G. Kolff & Co., Batavia 1922.

Oud Batavia I, 38

[Jakarta 2 – Schot] 
[Jakarta 2 – Effectenbeurs]
 

De verovering van Jacatra op 30 Mei 1619 gold voortaan als de stichting van Batavia, een naam dien Coen stelselmatig vermeed te bezigen (hij sprak steeds van “ ’t fort Jacatra” en schijnt zijn stad Nieuw-Hoorn te hebben willen noemen), doch die op expressen last van het Opperbestuur sedert Aug. 1621 officieel in gebruik kwam. Als wapen werd 15 Aug. 1620 aangenomen “een swaert van azur in een orange schilt, steeckende met de poincte deur een lourieren crans van coleur bruijn groen”.

Oud Batavia I, 44, 45

[Jakarta 1 – Sunda] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal SundaA: het fort – B: het kasteel.
Inmiddels was Coen begonnen met den bouw van een nieuw Kasteel, waartoe reeds 2 Juli 1619 werd besloten. Den 7 October 1916 zond hij een ontwerp naar Nederland. Dit nieuwe Kasteel werd veel groter dan het oude fort. De beide noorderbastions zouden een eind in zee komen liggen […] Binnen den muur, de courtine, tusschen de westerbastions van het nieuwe Kasteel, zou het heele oostfront van het oude fort vallen. Dit oude fort werd dus naar het Westen eene puist op de wang van het nieuwe. Later is die puist verwijderd, zodat de kali tot de westercourtine kwam en de beide bastions aan die zijde elkander dekten.
[Noorden: ↑]

Oud Batavia I, 46-47

[Jakarta 1 – Sunda] 
[Jakarta 1 – Heerenstraat] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Sunda 01Ook de zoo belangwekkende schilderij van Batavia in vogelvlucht, zoals dit er einde 1927 uitzag, bespeurt men eveneens dit vermaarde fort nog met daarin staande gebouwen, die pas tijdens het beleg van 1628 werden afgebroken.
Kan men vertrouwen op evenbedoelde schilderij, welke in 1918 door den heer Yzerman werd ontdekt dan stonden destijds binnen het kasteel reeds groote steenen gebouwen met pannen daken, waaronder een Generaalshuis van twee verdiepingen met trapgevel aan de zijden en een tuin. Zuidwaarts van de kasteelgracht begon de stad op te komen, voorlopig alleen aan de oostzij der rivier. Voor draineering en winning van aarde tot het ophoogen van het terrein, werden drie bestaande spruitjes rechtgegraven, zodat zij haaks op de rivier kwamen te staan. Deze heetten nu de Steenhouwers- (later Amsterdamsche) gracht [± Jl Nelayan Timur],de Groenegracht [Jl Kali Besar Timur I] en de Leeuwengracht (gewoonlijk Leeuwinnegracht genoemd) [Jl Kali Besar Timur III].Benoorden de Steenhouwersgracht begon het kasteelgebied; daar was de pasar. Deze drie dwarsgrachten werden onderling verbonden door de loodrecht daarop staande Tijgersgracht [Jl Pos Kota – Jl Lada] en met klapperboomen omplant. Van den aanvang aan geschiedde dus de aanleg der stad volgens een welgerooid plan, met straten en grachten die elkaar rechthoekig sneden. De Prinsenstraat [Jl Cengkeh], die men in de eerste tijden als hoofdstraat beschouwde, liep in het verlengde van de Kasteelbrug en zag dus naar het Noorden uit op de Kasteelpoort, terwijl zij naar het Zuiden op het Stadhuis toeliep, zoodat het oog van uit dit stedelijk centrum een imposant vergezicht zou hebben op den zetel der Regeering. Het gansche ontwerp verdient ongetwijfeld bewondering. Misschien was het opgemaakt door den zelfden landmeter Frans Florisz. van Berckenrode, die onze kaart van 1628 heeft geteekend.[…]
Deze oosterstad werd beschut door een lange gracht, welke niet zooals de Tijgersgracht, recht Noord-Zuid was getrokken, doch scheef, uit de kasteelgracht naar de rivier. […] De aanleg daarvan kostte niet minder dan 160.000 Realen, welke niet door de Compagnie werden betaald, maar door de Europeesche en vooral de Chineesche ingezetenen, want het systeem was, dat de Compagnie in de kosten der versterking van het Kasteel voorzag (bij voorkeur met den arbeid van slaven en gevangenen), de burgerij in die der stad. Men kan derhalve de teleurstelling begrijpen, toen ettelijke jaren later die gansche scheeve stadsgracht afgekeurd en een nieuwe geprojecteerd werd, meer oostwaarts en parallel aan de Tijgersgrach [Kali Ciliwung // Jl Kencur] – maar tevens staat men verbaasd over de durf van dien nieuwen aanleg.

Noorden ↑

Oud Batavia I, 86-87

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Ook in Batavia’s geschiedenis was dit tweede beleg [door de vorst van Mataram] in zoover een keerpunt, dat het zijnen stichter het leven kostte. Coen was rusteloos waakzaam geweest, nu eens in de krijgsraad, dan weder op de wallen in het harnas. Hij schijnt van gestel teringachtig geweest te zijn; de vele ontberingen van dit tweede beleg, misschien het slechte drinkwater, kostte hem het leven. De een noemt cholera de aanleiding, de ander dysenterie, de derde een darmzweer. Hij overleed vrij plotseling in den nacht van 20 op 21 September [1629]. Den 22en werd hij plechtig begraven binnen het Stadhuis, vanwaar zijne overblijfselen in 1634 werden overgebracht naar de aanbouw zijnde Hollandsche kerk aan het Stadhuisplein. Heeren Zeventienen vonden het ongepast, dat hij op Compagnies kosten was ter aarde besteld – het dankbaar nageslacht brak de kerk af zonder naar de graven om te zien en thans is nergens te Batavia eenig tastbaar spoor van zijn bestaan meer te vinden, zelfs niet eene handteekening onder een oud papier. Later is voor hem een standbeeld gezet, dat met strengen, ofschoon sikkelvormigen, wijsvinger de plaats aangeeft waar het militair koffiehuis is gebouwd en waar Coen misschien nooit van zijn leven geweest is, want het Waterlooplein, oudtijds het Paviljoensveld, was in zijne dagen een moeras héél ver van de stad, in het oerwoud.

Oud Batavia I, 87-90

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Over Coen’s geest doen wij beter te zwijgen, sedert wij Hollanders hier in Indië enkel eene “bevolkingsgroep” uit maken, bestaande, volgens de officieele qualificatie, uit “geïmporteerde werkkrachten” en gelijkwaardig aan andere “bevolkingsgroepen” of zelfs, volgens meer verlichte opvatting, minderwaardig. Wat schreef Coen ook weer? Plus valet auctoritas quam consilium aut etiam vires addito consilio, dat is: Prestige is beter dan Gouvernementsbesluiten, al staan de bajonetten daarachter.
Voor ons, geïmporteerde contractanten, klinkt het als een sprookje, zijn toornen tegen zijne lastgevers in Holland, die hem te traag, te weinig ondernemend, te bekrompen van geest dunken, zijne vlammende vaderlandsliefde, die hem alles doet wagen, alles bestaan, voor niets terugdeinzen, wat naar zijn inzicht in het belang der Compagnie is, in welke de belangen, de naam, de eer van het Vaderland besloten liggen. De Compagnie zelve, wier handelssysteem in hem belichaamd schijnt, blijft voor Coen ten slotte slechts een middel. Is zij niet in staat den plicht te vervullen, dien zijn hooge geest haar voorschrijft, om Hollands glorie te verkondigen en Hollands macht te vestigen aan het einde der wereld, welnu, dan zal hij over haar hoofd heen zijn klinkenden roep tot de Heeren Staten richten om te doen wat niet gelaten mag worden …. Het is inderdaad als een sprookje.
Dat Coen zich schromelijk vergiste, wanneer hij meende met vier of vijf houten hulkjes het Chineesche Rijk te kunnen dwingen, wie zal het ontkennen? Maar hoe zou hij, zonder eene dergelijke geestvervoering, het niet minder hachelijk waagstuk hebben aangedurfd, om in vijandelijk land, op duizenden mijlen van zijne basis, eene Hollandsche stad op te bouwen uit het moeras? En uwe nuchterheid staat toch te staroogen bij die schilderij van Batavia in 1627. Zelfs wanneer die voorstelling geflatteerd mocht zijn, het is meer dan mannenwerk, wat daar in enkele jaren is gewrocht met zulke geringe middelen.
Over Coen’s persoonlijkheid zullen wij dus zwijgen. Een beeld van hem ten voeten uit kan enkel hij geven, die ’s mans gansche leven overziet, in hetwelk de stichting van Batavia slechts een belangrijk incident vormt. Wij bepalen ons dus tot twee anecdoten, die hem een beetje in zijne dagelijksche omgeving plaatsen.
De eerste is die omtrent een bezoek van Coen en Specx in 1614 bij Pangeran Aria Ranamanggala, den Bantamschen Rijksbestierder, door Coen familiair betiteld als “den grooten beest”, dien zij bezig vonden aan het bewerken van een der destijds zoo hoog geschatte reuzenklappernoten. En zoo verdiept was de Prins in zijn arbeid, dat hij langen tijd over niets anders wilde praten, en zoo jaloersch was hij op dat voorwerp, dat hij de kleinste brokjes met Argusoogen bewaakte. Coen, die destijds Directeur-Generaal was, had echter den moed hem heel beleefd om een paar stukjes te verzoeken voor den G.-G. Pieter Both, die op vertrek naar Holland stond. Maar toen werd de Pangeran eenvoudig razend, rukte hem die stukjes uit de handen en zei met een boos gezicht, dat het al meer dan mooi was dat hij die noot had mogen zien: dat was iets voor Vorsten en niet voor kooplui ….. En Coen, die dat onbewogen aanhoort, “arme onwetende hovaerdije” mompelend, met onuitsprekelijke minachting in het hart.
De tweede anecdote ontleenen wij aan Bontekoe’s vroeger zoo populair reisverhaal.
Willem Ysbrantsz Bontekoe was Coen’s stadgenoot en stond hem dus na, want evenals voor elk Hollander was ook voor Coen zijne vaderstad het eigenste Vaderland. Misschien is niets hem in zijn leven zoo hard gevallen, als dat hij in 1616 te Jacatra het schip de Eendracht moest aanhalen [in beslag nemen], een Hoornsch schip, door Hoornsche reeders uitgerust, dat onder den Hoornschen schipper Willem Cornelisz Schouten kaap Hoorn had ontdekt. Bontekoe dan zeilt einde 1618 uit Texel, vliegt men zijn schip in de lucht en komt na veel uitgestane ellende te Jacatra. Wij geven hem hier het woord.
“Quamen ’s morghens voor de stadt van Batavia. Het volck van onse kennisse op de schepen hadden ons al van de Indiaensche kleeren bygheset, soodat wy al in den dos waren eer wy in de stadt quamen. Wy gingen in de stadt, quamen voor ’t hof, daer de Generael Jan Pietersz Koen van Hoorn syn residentie hiel. Wy vraeghden de hellebaerdiers of sy wilden vraghen of wy eens by de Generael mochten komen, hadden hem te spreecken. Sij liepen heen, quamen weer, werden binnengelaten en quamen by hem. Hy wiste van onse komst niet, maer ons bekent maeckende, heete ons wellekoom. Doen most het groote woordt daer uyt met ons, en seyden: Heer Generael, wy syn op sulcken tydt met het schip Nieu-Hoorn uyt Tessel gevaren en op sulcken tydt omtrent de Straet Sunda gekomen op sulcken hooghte, daer hebben wy ’t ongheluck gehadt, dat ons schip in de brandt is geraeckt en wegh gesprongen, en verhaeldent hem al van stuck tot stuck, hoe en waer door dat het geschiedt was, wat volck dat wy verloren hadden en dat ick self met het schip opghevloghen was, doch door Godts ghenade met noch een jonghman ghesalveert, en ben tot heden toe bewaert, de Heer zy ghelooft. De Generael dit hoorende seyde: Wat helpt het, dat is een groot ongheluck. Hy vraeghde nae alle omstandigheden en wy seyden ’t hem al, ghelyck alst gheschiedt was. En hy seyde al: Wat helpt het, dat is een groot ongheluck. Ten laetsten seyde hij: Jonghen, brenght my de gouden kop hier. Hy liet daer Spaensche wyn in schencken en seyde: Geluck, Schipper, ick brengh u eens; ghy meugt dencken dat u leven verlooren is geweest en dat het u van God almachtigh weder is gheschoncken; blyft hier en eet aen myn tafel, want ick ben van meningh te nacht te vertrecken nae Bantem, nae de schepen, om eenighe ordre te stellen. Blyft hier soo langh tot dat ick u ontbiede of dat ick hier weder koom. Doe brocht hy ’t de koopman oock eens, hadden noch verscheyden discoersen. Eyndelyck vertrock hy en wy bleven daer en aten aen syn tafel de tyt van acht daghen”.
We zien die twee daar in het oude fort, den schipper in zijne geleende bonte kabaai, inwendig bevend maar zich schrap zettend, Coen, den schralen man van weinig woorden, met sombere oogen hem peilend ….. en eindelijk hem toedrinkend en over den roemer hem uithoorend omtrent het laatste nieuws uit zijne vaderstad aan de Zuiderzee.

Oud Batavia I, 91-92

[Jakarta 1 – Sunda] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Sunda 02In tegenstelling tot Coen, van wien ieder in de Oost wel eens gehoord heeft, is zijn opvolger Jacques Specx nagenoeg onbekend en totaal ongezien. […]
Toch heeft, na Coen, geen enkele Gouverneur-Generaal zoo veel voor den bouw van Batavia gedaan als diezelfde nobody.
Toen Specx na een bestuur van precies drie jaar aftrad, liet hij zich door de Bataviasche Chineezen een gouden penning aanbieden, waarop een plattegrond der stad was afgebeeld, dien hij denkelijk in Nederland wenschtte te kunnen vertoonen als overtuigend bewijs van zijn werkzaamheid. Het is waar dat deze plattegrond eenigszins geflatteerd is, want zóó ver was Batavia nog niet. Maar toch, wanneer men daarnaast aan den eenen kant het stadsbeeld van 1628 legt, aan den anderen dat van 1650, volgens Clemendt’s kaart [zie hieronder], dan bespeurt men met één oogopslag de verbazende veranderingen in die enkele jaren van Specx’ bestuur, waarin voor goed het stadsplan werd vastgelegd, zoals dat in de naastkomende twintig jaar in zijne onderdeelen werd voltooid en anderhalve eeuw nagenoeg onveranderd voortbestond.
De veranderingen gedurende Specx’ bewind, betreffen in hoofdzaak den voortgang van den kasteelbouw; het graven van eene nieuwe dwarsgracht bezuiden de bestaande vierde dwarsgracht en van eene nieuwe stadsoostergracht loodrecht op deze nieuwe; het dempen van de scheeve stadsgracht benoorden de nieuwe dwarsgracht; het slechten van den scheeven stadsoostwal; het bouwen van een stadsmuur achter de nieuwe loodrecht op elkaar staande grachten; het rechtgraven der rivier; het graven van eene stadsgracht aan de westzijde in het verlengde der vierde stadsgracht en tweedens van eene loodrecht hierop staande stadswestergracht; de rooiing van blokken in de westerstad en het afbakenen van den westerwal.

Noorden ↓

Oud Batavia I, bijlage

[Jakarta 1 – Sunda] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Sunda 03

Kaart van Clemendt (1650) Noorden ←

Oud Batavia I, 92-93

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

We noteeren voorts, dat het Kasteel oorspronkelijk geene Waterpoort had doch alleen eene Landpoort. Op den plattegrond van Specx is echter reeds te zien, hoe het water benoorden het Kasteel verslibde en hoe aan dien kant eene tweede poort werd gebouwd. Van den aanvang af was het Kasteel tegen een inlandschen vijand gericht, terwijl men tegen den buitenlandschen vooral op de schepen steunde. Vandaar dat de twee zeebolwerken, Parel en Saphier, zwakker en kleiner waren dan Diamant en Robijn en ook later voltooid werden.

Oud Batavia I, 96

[Jakarta 1 – Tijgersgracht] 

Al eerder echter was parallel aan de Tijgersgracht de Kaaimansgracht gegraven. In 1632 namelijk werd besloten, eene straat aan te leggen beoosten de Tijgersgracht, in 1633, eene gracht te graven van de Olifantsgracht (d.i. de Steenhouwersgracht, welker oostzij het olifantenhuis*) der Compagnie stond) tot de Leeuwengracht. Met de aarde uit deze te graven gracht zou het omliggende terrein worden opgehoogd en daarna de erven tusschen haar en de Stadsbinnengracht worden verhuurd of verkocht aan “Bandanesen, Japonders, Pampangers ende andere vrije Indiaensche burgeren”. Dit is dus tevens de aanleg van het Bandaneesch kwartier. In verband daarmee werd dit noorderstuk der Kaaimansgracht wel de Bandaneesche gracht genoemd. Het volgend jaar, 1634, werd zij doorgetrokkken zuidwaarts tot de stadsbinnengracht, en met aarde zoowel de achtererven der huizen aan de Tijgersgracht opgehoogd als ook het terrein oostelijk tot de stadsbinnengracht. Op dit terrein beoosten het zuiderdeel der Kaaimansgracht waren de Compagniesslaven, de Tayolen of Malabaren, gehuisvest in het Tayoolsch of Malabaarsch kwartier rondom de gewezen redoute Gelderland.
*) Oud Batavia I, 145

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Tijgersgracht
Oostsy der Stadt
a – Punt Amsterdam
b – Punt Middelburch
c – Punt Rotterdam
d – Punt Delft
e – Punt Gelderlant
f – Punt Orangien 
Grachten van boven naar beneden: Stadsbuiten gracht, Stadsbinnen gracht, Kaaimans gracht (links) – Mallebaers gracht (rechts), Tijgers gracht.
Grachten van links naar rechts: Kasteelszuider gracht, Amsterdamsche gracht, Leeuwinne gracht, Stadsbinnen gracht, Stadsbuiten gracht.
Het Graanpakhuis ligt op het Buitenplein tussen Punt Amsterdam en de Kasteelszuidergracht.
Tussen de Stadsbinnengracht en de Kaaimansgracht is onder de Punt Delft het Mallebaers quartier te zien.

Detail van de kaart van Clemendt (1650).

Oud Batavia I, 100-101

[Jakarta 1 – de Uitkijk] 
[Jakarta 1 – bastion] 

Nog moest de westerstad aan hare noordzij worden gesloten, alwaar, zooals reeds gezegd, de gracht zoodanig was omgebogen, dat het Vierkant er binnen viel. Ook dit werk is door den ijverigen aannemer Jancon verricht nog vóór 1639. De hier liggende punten, die nog heden bestaan, zijn Zeeburg op den hoek en Culemborg zuidelijker aan de kali, waarop thans de Uitkijk staat. Deze laatste punt, genoemd naar [G.G.] Van Diemen’s geboortestad en gebouwd in zijn sterfjaar 1645, sloot den versterkingsarbeid waardig af.[De aanleg van de westerstad is grotendeels het werk van Van Diemen.] Maar reeds twaalf jaar eerder had de Regeering geschreven, dat Batavia zoodanig versterkt was “dat wij daerbinnen niemant als den eenigen ende almachtigen Godt en hebben te vreesen”.
De muur bestond, zooals men nog kan zien, uit vierkante blokken kraalsteen, die netjes in onze specifiek Indische kleuren, wit en zwart, met kalk en teer waren geschilderd. Kraalsteen is ellendig voor straatverharding, want het eindigt in stofwolken, maar goed voor vestingbouw, want kogels smoren er in.[…]

Oud Batavia I, 101

[Jakarta 1 – Middelpuntsbrug] 

Bij den vestingbouw moet ook de Middelpunt niet worden vergeten. Dit was een ouderwetsche steenen redoute met twee stukken geschut aan elke zijde; van boven een galerij met op twee hoeken een vooruitspringend balcon. Zij werd in 1653 gebouwd en stond aan de kali, aan het begin deer Utrechtsche straat, bezuiden de brug van Pasar Pisang. […] De aanleiding tot den bouw was de ontstentenis, die het talrijk gevolg van een Mataramsch gezantschap in de stad had gewekt. Zij was dus bestemd tegen gevaar van binnen en heeft bij den Chineeschen opstand van 1740 dienst gedaan om de huizen aan de kali te beschieten. Door Daendels is zij afgebroken.

Oud Batavia I, 105-107

[Jakarta 1 – Roa Malakka] 

Honderddertig jaar had de Portugeesche vlag over Malaka gewaaid, toen het na een lang en uiterst moeilijk beleg, waarin de vijand al zijn ouden moed had getoond, den 15 Januari 1641 stormenderhand werd genomen, eene zege die heel den Archipel deed daveren van den Hollandschen naam, zoodanig dat zelfs de Vorst van Menangkabau in het hart van Sumatra iemand naar Batavia zond om met dat vreemde volk kennis te maken. Vooral tegenover de vorst van Mataram, die tot dusver een rugsteun in de Portugeezen had gevonden en steeds met hen had kunnen handeldrijven, wanneer de onzen hem minder welkom waren, veranderde ’s Compagnies verhouding thans ten eenenmale. Evenals altijd, werden na de verovering van Malaka de Portugeezen verwijderd, de meesten naar Negapatnam*). Een aantal echter, daaronder de Oud-Gouverneur dom Luiz Martin de Sousa Chichorro met zijne echtgenoote Dona Maria de Silva, vertrokken naar Batavia, waar zij op de Jonkersgracht werden gehuisvest, die sedert ook den naam Roea Malaka (Malaksche straat) heeft gedragen en nog draagt.[…]
Kort na deze allerbelangrijkste overwinning sloten weliswaar de Staten-Generaal een wapenstilstand met Portugal, doch in Indië duurde de strijd voort, niet enkel om den vijand direct afbreuk te doen, maar ook met een zuiver koopmansdoel: wanneer de Portugees zijne waaren niet op de Europeesche markt kon brengen, zou de Compagnie voor de hare des te betere prijzen maken. Met eene tussenpoos van omtrent acht jaar heeft deze oorlog voortgeduurd tot de afkondiging van den vrede met Portugal te Batavia op 10 October 1663. Dit is de glorietijd onzer Compagnie. De held van dien strijd is [de latere G.G.] Rijklof van Goens. Wel zou men kunnen vragen, of de roem dier dagen evenredig was aan het tastbaar voordeel der behaalde overwinningen en of het niet beter ware geweest, wanneer de handelsconcurrentie der Portugeezen niet zoo volkomen vernietigd was, maar het verbazend prestige, dat den naam onzer Compagnie heeft omstraald en nog nagloort, dateert uit dien oorlogstijd, en bij lezing der groote daden van toen kan nog het hart sneller kloppen.
Van de rustelooze geestkracht onzer mannen is het moeielijk zich eene juiste voorstelling te vormen.
*) Havenstad aan de Golf van Bengalen; was een Portugese bezitting, kwam in 1660 aan de VOC en werd in 1781 door de Engelsen veroverd.

Oud Batavia I, 127-128

[Jakarta 6 – Waterlooplein] 

Heden ten dage is het moeielijk, zich nog voor den geest te brengen, dat het oude Batavia overal door zware wouden omringd was. Dichtbij de wallen gingen deze in kreupelbosch over, dat nu en dan moest worden gerooid om een schootsveld voor het geschut te hebben. Dan trokken het garnizoen, de burgerij en de Chineezen een paar dagen na elkaar op commando uit en togen aan het kappen en branden. Buiten dit schootsveld begon het bosch. Zoo bestond omstreeks 1635, toen de omstreken voortdurend werden verontrust door Mataramsche en Bantamsche boschloopers of “moeskoppers”, bij “de twee groote mangesboomen” (dus op Manggadoea of het latere fortje Jacatra) een uiterste post, waar een paar soldaten op de loer zaten. De wildschut of vruchtenplukker of toewaktijfelaar, die zich voorbij dezen post waagde, nam destijds zijn leven in zijne hand en liep alle kans om zonder hoofd dan wel “gecortoord” thuis te komen. Soms trokken de patrouilles het bosch in met last om alles neer te schieten wat hun voor het geweer zou komen. Tijgers behoorden zoowat tot het landschap en de jacht daarop was een geliefde sport, bijvb. voor De Carpentier of den Raad van Indië Sweers, die op een schoonen dag in 1644 met een dooden tijger “triumphantelijc comt binnenrijden, leggende ten exempel ende afschric van andere achter op een ezel gebonden”. Maetsuijker, die men pleegt voor te stellen als een slim oud mannetje met een stokje, ging datzelfde jaar met Sweers eene groote drijfjacht met 800 man houden, aanvangende bij het Paviljoensveld (het tegenwoordige Waterlooplein) en zoo naar de stad toe. De omstreken waren zoo wildrijk, dat de tien percent poortrecht of invoertol, die ook van geschoten herten, varkens enz. in natura werd geheven, aan de jagers verpacht werd. In de vleeschhal waren een paar aparte toonbanken voor wild. Nog een honderd jaar later zien wij meer dan dertigmaal per maand eene premie uitbetalen voor het dooden van een rhinoceros, al was dit dan niet langer zoo vlak bij de stad als tevoren.

Oud Batavia I, 131-132

[Jakarta 4 – Hati Kudus] 
[Jakarta 5 – Fort Noordwijk] 

Men had reeds buiten de Zuidervoorstad een Chineeschen tempel veranderd in het fort Batenburg (tegenover de Buitennieuwpoortstraat). Thans (juli 1656) werd eerst gebouwd het fortje Jacatra bij de toenmalige waterplaats, d.i. de plek waar men water uit de rivier placht te halen. Dit fortje lag aan de noordzij van den “heerenweg” (die voortaan de weg van Jacatra heette en wel op de plaats waar, als men van Goenoengsari komt, de rechte weg begint; de gracht van het fortje is op het terrein nog duidelijk zichtbaar. [driesprong Jl Pangeran Jayakarta – Jl Jakarta – Jl Dr. Suratmo] Eene maand later werd Rijswijk gebouwd, temidden der “rijs” velden aan de oostzij der Krokot. Dit was eene redoute met 8 stukken kanon, waaromheen een aarden wal. Wanneer men van Molenvliet op het bruggetje over de Krokot aan het eind van gang Chaulan is gekomen, ligt dit oudste Rijswijk (dat later verplaatst is) aan de rechterhand. Het jaar daarna bouwde men aan de oostzij der toenmalige Groote Rivier Noordwijk ter bescherming van het vee, dat op het Paviljoensveld daarbezuiden graasde. Dit fortje lag bij de Sluisbrug; wij geven elders een situatiekaartje. Het was destijds eene dergelijke redoute als Rijswijk. In het zelfde jaar als Rijswijk verrezen Antjol of Zoutelande en de Vijfhoek, gelijktijdig met Noordwijk de Zevenhoek of Angkee. Het eerste lag aan het einde der Antjolsche vaart in de “bracke gronden” of zoute landen der Antjolrivier, en wel aan den tegenwoordigen weg naar Tandjongpriok, bezuiden de brug, die, aan den overkant van het kanaal, over de Antjol leidt. Het fort Angkee lag beoosten de Angkeerivier aan het einde der Bacherachtsgracht, even benoorden de tegenwoordige groote sluis. De Vijfhoek stond aan de Grogol. Wanneer men de zuidzij der Bacherachtsgracht volgt naar de stad toe, zal men een klein bruggetje overgaan. Dit bruggetje liep over de thans in eene vuile greppel veranderde Grogol; aan de overzij van het bruggetje stond aan uwe rechterhand de Vijfhoek. Een paar jaar later dan al deze fortjes werd het afgevaren fluitschip ’t Witte Paert aan de monding der Angke op het strand gelegd als wachtpost; dit is later de post de Fluit geworden. [De huidige wijk Pluit.]
Zoals dus blijkt, bouwde de Compagnie deze fortjes, nadat reeds door particulieren kort na den dubbelen vrede met Bantam en Mataram de voornaamste vaarten waren gegraven. Deze laatste dienden voornamelijk als afvoerweg of trekvaart voor het gekapte hout en waren dus in den beginne zeer smal. Door uitspoeling hebben zij zich langzamerhand verbreed.

Oud Batavia I, 134-136

[Jakarta 3 – Glodokplein] 
[Jakarta 5 – Ciliwung] 

Zooals ieder weet, is de Tjiliwoeng bij Matraman eene fraaie kronkelende rivier. Bij den weg van Jacatra is zij eveneens eene kronkelende rivier, ofschoon ver van fraai. Maar tusschen deze kronkels ligt de lijnrechte vaart Goenoengsari, en die langs Rijswijk en Molenvliet. Dit komt, doordat de oorspronkelijke loop der kali verstopt en verlegd is. De laatste kronkel is die langs den Citadelweg. Bij de Cavadinobrug is de rivier gedwongen geworden links af te slaan, maar vroeger, toen de gracht langs Rijswijk nog niet bestond, liep de kali in noordelijke richting door en kronkelde zoo verder tot den weg van Jacatra. Bij de Cavadinobrug is zij echter niet zoo heel ver van de westelijk loopende Krokot.
Nu erlangde in 1648 de Kapitein-Chinees Bingam vergunning om een “navigable” vaart te graven van de Nieuwpoort recht zuidwaarts “tot bij het bosch”. Aldaar zou de vaart zich splitsen in een tak Oost tot in de Groote Rivier en een West naar de Krokot. Aangezien nu Caron, de Directeur-Generaal, eigenaar was van al het land tusschen den benedenloop van Krokot en Tjiliwoeng en al dadelijk de vrije passage op die nieuwe vaart kreeg tot aan zijn land toe, was het niet onverklaarbaar dat de Compagnie den Kapitein gaarne bijsprong. Hij had 12.000 Rds. schuld en voldeed daarvan 18% interest – de Compagnie betaalde thans zijne schulden af en nam voor dat bedrag eene rentelooze hypotheek op al zijne vaste goederen. Bingham graaft nu zijne gracht van uit de kali zuidwaarts niet alleen tot “bij het bosch”, doch verlengt deze met een zuidzuidwest loopend stuk, de zoogenaamde Binghamsgracht naar de Krokot. Deze liep langs de oostzijde van de tegenwoordige Rijswijkstraat en Tanahabang en bestaat gedeeltelijk nog. De twee armen echter, die “bij het bosch” (dat is bij Djaga Monjet of de Harmonie) Oost en West zouden loopen, groef Bingham niet. […]
Maar in 1655 bevinden wij dat Jacques de Bollan en Pierre des Bancs een door waterkracht gedreven tarwemolen aan de Groote Rivier hebben. In 1657 fabriceert een soldaat bij het fort Rijswijk een “cleen watermolenken”, dat door het opgestopte water der Krokot werd gedreven. Dit laatste kunstwerk brengt nu de Regeering op het idee, om haar buffelmolens te vervangen door soortgelijke inrichtingen. Zij besluit derhalve om de gracht te graven, welke in Bingham’s plan had gelegen, doch niet tot uitvoering was gekomen, oostwaarts van Djaga Monjet naar de Groote Rivier, vervolgens de Groote Rivier even boven het fort Noordwijk af te dammen en in deze nieuwe vaart te leiden; eindelijk eene sluis met schutdeuren te bouwen aan het noordeinde van de door Bingham gegraven vaart, dicht bij het fort Batenburg, en aldus een “val” van water te bewerkstelligen, die in staat zou zijn om het raderwerk van kruit- en andere molens te drijven. Aangezien Bingham echter zijne vaart had gegraven enkel als waterweg voor het transport van hout, bamboe enz., en dit transport door het bouwen van gezegde sluis zeer belemmerd werd, zoodat hij niet veel tol meer trok, vond de Regeering het beter om haar van hem over te nemen. Hij kreeg derhalve de som van 1.000 Realen voor zijne vaart en voor de hem eveneens ontnomen stukken land, waarop Batenburg was gebouwd en waarop weldra molens verrezen. Met dit schamel penninkske had hij zich te vergenoegen. In 1661 werd de nieuwe vaart “Molenvliet” gedoopt, welke naam in den Compagniestijd eveneens toekomt aan het water, dat wij thans Rijswijk noemen, van de Cavadinobrug tot de Harmonie. De Groote Rivier benoorden den dam bij Noordwijk kon dus langzamerhand opdrogen, maar het bleek alras, dat bij bandjir de nieuwe vaart Molenvliet al het kaliwater niet kon verzwelgen.

Oud Batavia I, 140-141

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

Allereerst komt daarvoor het Kasteel in aanmerking, waarvan geen steen meer op den anderen ligt. Zelfs een behoorlijke plattegrond dezer eertijds beroemde vesting is nergens te vinden. Wij kunnen derhalve ter toelichting van onze beschrijving den lezer slechts de vergrooting aanbieden van een gedeelte eener kaart van Batavia omstreeks anno 1740, vóórdat de Gouverneur-Generaal uit het Kasteel verhuisde en de courtine tusschen de zuiderpunten Diamant en Robijn werd afgebroken.
Natuurlijk is deze fortres gedurende de twee eeuwen van haar bestaan op allerlei wijzen verbouwd.
Het doel van ’s Compagnies Kasteel was immers niet, zooals in Europa, het beschermen of bedwingen eener stad, maar de beveiliging van haar personeel, kapitaal, goederen en werkplaatsen, tegen den inlandschen vijand. Vandaar dat de Gouverneur-Generaal en alle hooge civiele en militaire dienaren daarbinnen woonden, dat daar de kas en de archieven berustten, dat dáár ook nagenoeg alle kantoren, pakhuizen en werkplaatsen bevonden, ja zelfs de strafgevangenis, evenals uiteraard het grootste deel van het garnizoen van Batavia binnen deze vrij beperkte ruimte was gehuisvest. Maar bij de voortdurende uitbreiding van ’s Compagnies handel en bedrijf en hare toenemende veiligheid werden achtereenvolgens allerlei oorspronkelijk binnen het Kasteel gevestigde takken van dienst overgebracht naar de stad. Ook de hoogere ambtenaren gevoelden steeds minder aanleiding om tusschen deze bedompte wallen te wonen en vestigden zich langzamerhand daarbuiten. De laatste Gouverneur-Generaal die er zetelde was Adriaan Valckenier, 1737-1741. Eenige jaren later werd de zuidercourtine weggebroken en daardoor het oorspronkelijke doel van den kasteelbouw verijdeld. De Regeering bleef echter bij voortduring binnen het Kasteel vergaderen. Dáár werden nog gezanten ontvangen, feesten gegeven en plechtigheden gevierd, dáár woonde een werkte nog steeds ambtelijk en militair personeel, dáár waren nog altijd de Geldkamer en Groote Kas, de Wapenkamer en allerlei pakhuizen, in één woord, nog altijd klopte dáár het hart van de Compagnie. Eerst Daendels is tot de afbraak over gegaan van dit voor de verdediging geheel nuttelooze en als woonplaats ongeschikt geworden bouwwerk. Vervolgens zijn ook de nog resterende pakhuizen van lieverlede opgeruimd en thans ligt, zooals gezegd, geen steen meer op den ander. De meeste Batavianen weten heel niet, waar het eigenlijk heeft gestaan. Ook is de juiste plaats niet zoo precies aan te wijzen, zelfs niet met een oude kaart in de hand. Wel zal men terstond de kali, de noorder- en oostergracht op het terrein terugvinden. Maar met de zuidergracht is dit niet zoo gemakkelijk.

Oud Batavia I, 145

[Bogor – Paleis] 

Dicht daarbij [op het Kasteelsvoorplein in Batavia] was in Valentijn’s dagen de menagerie. Het is namelijk vanouds gebruik geweest, dat de Gouverneur-Generaal eene verzameling wilde en vreemde besten hield. Zoo vermeldden wij reeds het olifantshuis van 1627. […] Zelfs nog in 1830 behoorde bij het paleis te Buitenzorg eene menagerie (rhinoceros, tijger, kaaimans enz.), waarvan de hertenkamp heden nog een overblijfsel is.

Oud Batavia I, 147

[Jakarta 1 – Amsterdamsche Poort] 

De poort staat nog heden, doch is zeer in haar nadeel veranderd. Oorspronkelijk droeg zij een prachtig koepeldak met een torentje, waarin een uurwerk en eene bel, die geluid werd bij executies. Bovendien was zij veel dieper dan thans en bevatte zij op de bovenétage kamers, die werden gebruikt als arrestantenlogies doch schrikkelijk ongezond waren. Wanneer de poort hare tegenwoordige leelijke gedaante heeft gekregen, en wanneer de vazen en de potsierlijke Mars en Minerva met uitpuilende en rollende oogen daarop zijn gezet, is ons niet gebleken; misschien pas na 1835, althans toen Junghuhn in dit jaar te Batavia kwam, stond de poort op inzakken, dus zij moet daarna verbouwd zij. Onlangs is er eene spoorwegviaduct vlak achter gezet. Ceci tuera cela [Dit zal dat doden].

Oud Batavia I, 148

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal kasteelgracht 01Plattegrond van het Kasteel (± 1620 - ± 1720) omstreeks 1740.
A.Diamant
B. Robijn
C. Saphier
D. Parel
E. Landpoort
G. Pinangpoort
H. Huis van de Gouverneur-Generaal
K. Raadzaal
L. Pakhuizen
M. Logies, nadien Wapenkamer
N. Achterplein
O. Waterpoort
P. Vijverpoort
Q. Speelhuisje
R. Binnenplaats van het Gouvernement
S. Achthoekige Kasteelkerk
T. Delftsche poort.

 

Oud Batavia I, 168

[Jakarta 1 – Speelhuis] 

We hebben gezegd, dat het oude fort van 1619 na den kasteelbouw is weggegraven, om het water der kali tot aan den westerwal te brengen. Zoo was dit deel der rivier zeer breed geworden. Hiervan werd nu het stuk langs het Kasteel door een staketsel afgepaald tot eene badplaats voor de soldaten buiten gevaar voor krokodillen. Dit was de kasteelvijver, en nu werd daarover uit het Kasteel eene lange galerij op palen gebouwd, eindigend in een koepel of speelhuisje, zooals men er buiten Amsterdam ook vond, waar de Gouverneur-Generaal uit zijn huis door een poortje in den kasteelswal kon komen zitten. Vaak werd in die lange galerij boven het water, die met rotanramen gesloten konden worden, het scheidmaal gegeven aan vertrekkende scheepsvrienden. Men had daar een uitzicht op de reede, de Werf, de drukbevaren kali, de watervogels, die in de vijver werden gehouden, het tuintje langs den kasteelsbuitenbarm, waar soms ook hokken met wilde dieren stonden, en men kan zich voorstellen dat het eer een aangenaam zitje was. […] In 1790 werd de vijver gedempt en verdwenen de galerij en het speelhuis. Thans is er dus weer vaste grond op de plek, waar Coen’s fort van 1619 stond. De richting van den dam, die den vijver afsloot van de kali, is uit de kromming van den tegenwoordigen oostoever der rivier nog te zien.

Oud Batavia I, 184

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

De Waterpoort behoorde, zooals wij vroeger hebben aangestipt, niet tot het oudste kasteelplan, doch werd daaraan in 1630 toegevoegd. Zij diende in hoofdzaak voor het vervoer van goederen uit en naar de kasteelpakhuizen. […]
In 1638 werd wegens de aanslibbing van het zeestrand eene gracht gegraven uit de Groote Rivier naar de Waterpoort; in 1651 werd deze gracht doorgetrokken tot aan de kasteelsoostgracht, zoodat zij thans de noordergracht van het Kasteel vormde.

Oud Batavia I, 195-196

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

Overzien wij nu het Kasteel in vogelvlucht, dan blijkt de juistheid van het oordeel der Regeering, reeds anno 1635, dat het “meer een generaal magasijn dan een casteel schijnt te wesen”. Een vijftig jaar later schreef iemand dat het, volgepropt als het was met pakhuizen, die destijds een plat dak hadden, er meer uitzag als een klooster dan als eene vesting. Een paar brandbommen om de pakhuizen in vlam te zetten zouden natuurlijk voldoende zijn geweest om de verdediging onmogelijk te maken. Bovendien was er geen drinkwater en ontbraken alle buitenwerken [bijv. ravelijnen, bolwerken die dienen tot dekking van een poort of de wal tussen bastions]; er was enkel eene gracht en een bijna loodrechte muur. Tegen een Europeeschen vijand was het dan ook volgens Van Imhoff “op zig zelfs niets waerdig”.

Oud Batavia I, 219-220

[Jakarta 1 – Schildershuisje] 

Viel op het Kasteel als vesting niet hoog te roemen, de stadsmuren beduidden nog minder.
Eerstens ontbraken alle buitenwerken [bijv. ravelijnen, bolwerken die dienen tot dekking van een poort of de wal tussen bastions]. Tweedens waren de wallen bijna loodrecht en veel te laag. […] [Bij] de Westzijdsche pakhuizen zal men bespeuren, dat althans op vele plaatsen de wal met een laddertje van een meter [of] drie vier beklommen kon worden. Op andere punten is hij hooger. Nergens, behalve op sommige bolwerken droeg hij tinnen [kantelen]. […] In hoeverre gevolg is gegeven aan de plannen om op eenigen afstand achter dezen steenen muur een tweeden te zetten en de tusschenruimte met aarde aan te vullen, is moeilijk te zeggen, maar wanneer men […] de walgang bij de Westzijdsche pakhuizen van boven beschouwt, zal men moeite hebben te gelooven, dat dit dunne muurtje de Bataviasche vestingwal was, en nog wel een gedeelte dat voor zijne verdediging nagenoeg uitsluitend afhing van de bolwerkjes Zeeburg en Culemborg.
Daar kwam nog bij, dat op den muur bijna geene ruimte was voor de verdedigers. […] Op de walgang bij de Westzijdsche pakhuizen kan slechts één man passeeren. Dit laatste stuk stadswal stond echter een flink eind vóór de pakhuizen en daarom had men hier eene galerij aangebracht, waarlangs de patrouille ging, zoodat de walgang alleen diende voor den schildwacht. Vermoedelijk heeft die galerij gerust op de uiteinden der zolderbalken, welke men buiten den pakhuismuur ziet uitsteken. De nog aanwezige trap naar de bovenverdieping, die dwars door gezegde galerij zou loopen, kan onmogelijk tot de oorspronkelijke constructie hebben behoord. Trouwens niemand bouwt een vestingwal en tegelijk eene trap om van buiten daarop te klimmen. Eene dergelijke voor de patrouille bestemde galerij wordt echter nergens anders vermeld, dan juist bij dit gedeelte van den stadswal.

Oud Batavia I, 223, 224-225

[Jakarta 1 – Spoorwegviaduct] 

De voornaamste [stadspoorten] waren de Nieuwpoort en aan het einde van de Leeuwinnegracht de Rotterdammerpoort, toegang gevend naar de Antjolsche Vaart en de daaruit ontspringende grachten der oostervoorstad, waar de Mardijkers bij voorkeur woonden. Het valt moeilijk, zich voor te stellen, welk een overlast die grachten, muren en poorten gaven, welke omwegen men moest maken om buiten of binnen de stad te komen en hoe verlegen men stond bij donker, als de poorten dicht waren. Oudtijds was men daarop zeer streng. Om 7 uur werd na het luiden eener klok de poort gesloten en vanaf 9 mocht de schildwacht bijvb. op Zeeburg vuur geven op degenen die wilden passeeren.[…]
Te noteeren is nog, dat men altijd twee grachten en twee bruggen overging om in de stad te komen, de buitengracht en de binnengracht.

Oud Batavia I, 226-227, 228, 229

[Jakarta 1 – Vierkantspoort] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal VierkantspoortEen merkwaardige poort was de Vierkantspoort, ook wel de Stadswaterpoort of Waterpoort genoemd, in tegenstelling tot de Nieuwpoort of Stadslandpoort. […] en hare plaats is nog heden op het terrein te zien. Zij stond namelijk in de tegenwoordige opening of bres tusschen het bolwerk Culemborg en den stadswal, waarachter de Westzijdsche pakhuizen liggen, en men kan duidelijk zien, dat zij met dezen wal in ééne lijn moet hebben gestaan. Soms wordt zij in oude papieren aangeduid als de Gevangenpoort, omdat zij evenals de Amsterdamsche poort eene bovenverdieping had, waarin men arrestanten opsloot. […] Zij heet gebouwd te zijn in 1639. Omstreeks 1685 moet zij eene verbouwing hebben ondergaan. Eene gedetailleerde afbeelding dezer poort hebben wij nooit ontmoet. […] Het was een vrij diep vierkant gebouw. Bij de Vierkantspoort traden de vreemde gezanten of briefdragers aan wal, teneinde hun rondgang door de stad te beginnen en daarna het Kasteel van zijne voordeeligste zijde en op de plechtigste manier binnen te komen. Daar de poort langer dan de anderen is blijven bestaan, zijn hieraan en aan het vervallen Vierkant de levensherinneringen verbonden van allerlei personen, die in de 19e eeuw als soldaat in Indië kwamen en hier bij de Werf landden. Het scheen wel, alsof men het er op toelegde om die menschen wanhopig te maken. Eerst liet men hen uren lang in die vervuilde omgeving wachten, om daarna op het heetst van den dag den eindeloozen marsch te beginnen naar de kazernen bij het Waterlooplein.
Nog langer dan de Vierkantspoort is het Vierkant blijven bestaan. Ons plattegrondje hiervan omstreeks 1740 is op eene kaart van 1878 nagenoeg onveranderd terug te vinden.[…] De Maleische naam voor het Vierkant, Pabejan, tolhuis (van beja, tol), herinnerde aan het oorspronkelijke huis van den Generale Ontvang.

Oud Batavia I, 237

[Jakarta 1 – Havenhoofd]

De in 1634 gebouwde hoofden bestonden, zooals Clemendt’s kaart doet zien, nog enkel uit paalwerk, dat van buiten beschermd werd door daartegen uitgestorte koraalsteen. Aan het einde stond aan beide zijden eene ton op een paal bij wijze van baken; ’s nachts werd daar een licht ontstoken. Omstreeks 1700 vormde het havenhoofd reeds eene wandelplaats, een 25 voet breeden dam tusschen houten beschoeiingen; aan het eind van dezen dam begon een bloot paalwerk, met gordings verbonden, dat tegen den golfslag werd beschut door gestorte steenen. Een gemetselde beschoeiing vinden wij omstreeks 1730. De gemetselde kaaimuren en zeehoofden schijnen echter pas van 1865 te dateeren.

Oud Batavia I, 249-250

[Jakarta 1 – Grachten]

Binnen de stad waren de grachten zóó nodig voor de afleiding van het bandjirwater, dat toen zij tenslotte waren gedempt, de stad in den westmoeson geregeld onderliep. Dat kon soms maanden duren. Zakte het water eindelijk, dan bleef er een voet hoog modder tot in de huizen achter.[…]
Nog een ander nut hadden zij. Rioleering was in dit lage terrein niet mogelijk, omdat bij hoogen waterstand het riool naar binnen zou hebben gespuid. Voor algemeen open riool dienden alzoo de grachten, tevens volgens ’s lands wijs voor wasch- en badplaats. Reeds in 1630 wordt voorgeschreven om den inhoud der gemakhuisjes vóór ’s morgens vier of ná ’s avonds negen in de rivier te storten, eene bepaling, die niet het feit der uitstorting betrof, dus eene nieuwigheid was, maar enkel plaats en uur voorschreef. Men kan begrijpen dat de slaven niet heel naar de kali liepen met de ‘negenuursbloemen’, doch de naaste gracht even goed vonden; een verbod van 1653 tegen het uitstorten in de grachten bewijst dat dit gewoonte was, en zoo is het altijd gebleven. Van Imhoff’s poging om een reinigingsdienst met sampan’s in te richten, mislukte. Zijn verbod om in de grachten te baden, streed al evenzeer tegen het oudvaderlijk gebruik, want reeds in 1643 werden expres daarvoor naast zekere bruggen trappen gemaakt.

Oud Batavia I, 263

[Jakarta 1 – Tijgersgracht] 
[Jakarta 2 – Tijgersgracht] 

Ditzelfde koloniale karakter had bijvb. de Tijgersgracht, die Valentijn zoo uitbundig heeft geprezen, […]
Het fraaie der gracht bestond derhalve niet zoozeer in prachtige huizen. Volgens de wijkrol van 1706 was het duurste maar op 11.000 Rds. getaxeerd en […] zij vertoonen, vergeleken bij sommige nog bestaande oude heerenhuizen, een meer ouderwetsch type. Maar eerstens muntte de Tijgersgracht uit door hare lengte van ongeveer 750 Meter en hare schoone breedte; door hare beplanting scheen zij eene enorme lijnrechte allee. Verder was deze gracht de echte Europeesche wijk. Reeds in 1674 woonden de meeste Europeanen te Batavia op de Tijgersgracht; in 1706 blijkt zij aan beide zijden door Christenen te worden bewoond, uitgezonderd een paar Chineesche winkels op de hoeken. Er stonden natuurlijk vele flinke huizen met erven, die van ouds doorliepen tot de Kaaimansgracht.

Oud Batavia I, 263a

[Jakarta 1 – Roa Malakka] 

De tweede in aanzien [na de Tijgersgracht] was de Roea Malaka of Jonkersgracht, onderscheiden in de Groote Roea Malaka (het gedeelte benoorden de Utrechtse straat) en de Kleine bezuiden die straat. Het deftigst was de westzij, welker erven doorliepen tot de Spinhuisgracht. Hier hebben zelfs wel Raden van Indië gewoond.

Oud Batavia I, 267, 268

[Jakarta 1 – Middelpuntsbrug] 

Binnen de stad zal men bij Clemendt slechts één brug over de kali vinden, de reeds in 1637 begonnen Hospitaalsbrug, in de volksmond ook de Fokkeraarsbrug genoemd, met eene griezelige toespeling op den fokkeschoot, waarover men als lijk overboord werd gezet. […]
De Hospitaalsbrug is echter niet de oudste brug over de kali. Wij vermeldden immers reeds de Engelsche brug, die bij het beleg van 1628 werd afgebroken. Was deze brug even bezuiden de Leeuwinnegracht geweest, aan de noordzij dezer gracht tegenover de Utrechtse straat is vermoedelijk al in 1630 de brug gemaakt, die op den penning van Specx voorkomt. Wanneer echter in 1632 wordt besloten daar eene brug te slaan (die evenwel bij Clemendt niet aanwezig is) en in 1655 eindelijk eene houten brug tot stand komt, die voortaan de Middelpuntsbrug heette, zal men moeten aannemen dat zij een paar maal is weggebanjird*). In het zelfde jaar 1655 werd de steenen brug over de kali gebouwd in het verlengde der Amsterdamsche gracht, die in de Compagniestijd de Pasar- of Hoenderpasarbrug heette en thans de ophaalbrug is, die de Groote Boom heet.
*) De waarschijnlijk eerste beschrijving van een bandjir in onze koloniale literatuur. [Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 123-124] 

Oud Batavia I, 269

[Jakarta 1 – Heerenstraat] 
[Jakarta 5 – Harmonieplein] 
[Jakarta 5 – De brug] 

Eene eigenaardigheid van Batavia is nog heden niet enkel, dat bijna elke Hollandsche straatnaam zijn Maleisch equivalent bezit, hetwelk men volstrekt noodig heeft te kennen, maar ook, dat sommige localiteiten eigenlijk geen naam rijk zijn. Zoo pleegt men beide bruggen die Rijswijk begrenzen te noemen naar personen, die vroeger nabij elk gehuisvest zijn geweest, de Cavadinobrug en de brug bij Wisse of bij de Harmonie (deze laatste werd onlangs overkluisd), zonder dat iemand den preciesen naam dier bruggen kent; als jonge Menistjes wachten deze oudgedienden nog op hun doopsel.
Een dergelijke onzekerheid vindt men in Oud-Batavia, destijds in de hand gewerkt door het ontbreken van [straat]naambordjes, die ook in Nederland pas van 1840 dateeren. De belangrijke Prinsen- en Heerenstraat worden niet zelden met elkaar verward. Deze laatste liep eigenlijk van de Amsterdamsche gracht tot de rivier. De naam Heerenstraat werd echter meer in het bizonder aan het noordelijk deel daarvan gegeven, tot het Stadhuis toe, welk gedeelte ook wel de Thee- of Theewaterstraat heette, naar de Chineesche gelegenheden die daar bestonden om voor een dubbeltje zooveel thee te drinken als men verkoos, met een flinke portie confituren toe. Het zuidelijk deel der Heerenstraat heet veelal de Binnen- en de Buitennieuwpoortstraat.

Oud Batavia I, 270

[Jakarta 5 – Gang Secretarie] 

… want een doorloopend verbindingsstraatje heette van ouds, evenals nog heden, niet “steeg” maar “gang”, een naam die voor Nederlandsche ooren zulk een heel anderen klank heeft dan voor Bataviasche: op den naam af zal geen mensch in het Vaderland bijvb. Gang Secretarie voor de zeer fatsoenlijke buurt houden, die zij inderdaad is.

Oud Batavia I, 281-282

[Jakarta 2 – van Hoorn] 

De bouw van het derde of tegenwoordige Stadhuis is vrij zonderling in zijn werk gegaan.
Anno 1706 besloot de Regeering tot de “verbouwing” en “vertimmering”. De baas timmerman Jan Kemmer nam voor 29.800 Rds. deze karwei aan volgens de plannen van den Fabriek W.J. van de Velde. Uit de nog aanwezige voorwaarden van aanbesteding blijkt niet, dat het gebouw hierbij eene grootere frontbreedte zou krijgen. Later ontving Kemmer nog 2.000 en 3.272 Rds., zoodat de geheele “verbouwing” en “vertimmering” van het hoofdgebouw slechts 35.000 Rds. heeft gekost (welk bedrag werd gevonden uit eenige nieuwe belastingen), tegen 128.500 Rds., die later door de nieuwe kerk werden verslonden. Het is derhalve haast niet aan te nemen, dat het werk niet méér zou hebben gekost. Men krijgt dus den indruk, dat het bouwen van een nieuw Stadhuis werd verdonkeremaand onder de termen “verbouwing” en “vertimmering” van het oude, en dat, behalve hetgeen Kemmer deed, ook heel wat door Compagniesvolk met Compagniesmaterialen moet zijn gedaan.
De eerste steen was gelegd op 25 Januari 1707 door Petronella Willemina van Hoorn, het eenige dochtertje van den Gouverneur-Generaal, dat later naar Nederland is gegaan en door wier tweede huwelijk nog heden op het kasteel Rosendaal bij Arnhem vele gedenkstukken van haren voortreffelijken vader bewaard zijn gebleven. De poort van het Stadhuis moet daarin zijn gezet op 2 December 1707. In Juni 1710 betrokken bovenvermelde vijf colleges hunne vergaderkamers. Datzelfde jaar werd met Frank van Balen een contract gemaakt voor den bouw der twee cipierswoningen en der gevangenhuizen. In November 1712 was alles voltooid. De totale kosten heetten thans te beloopen 56.381 Rds.
Het Bataviasche Stadhuis, volgens Junghuhn “in einem edlen Stil erbaut”, doet door zijn vooruitspringenden middenbouw met fronton, door zijn koepeltje en dakvensters eenigszins denken aan het Amsterdamsche. Het heeft echter van ouds een bordes gehad, terwijl het Amsterdamsche naar buiten hooghartig stijf en strak doch van binnen weelderig versierd is, bewaart het Bataviasche op parvenusmanier alle vertoon voor den buitenkant, terwijl van binnen niets dan kale gewitte wanden den bezoeker aangrijnzen.
Overigens is het gebouw niet meer in precies denzelfden toestand als oudtijds. Het groote boograam midden in de bovenverdieping is vervangen door twee vierhoekige vensters. Het monogram der Compagnie en het stadswapen, die nog omstreeks 1830 in den gevel van den middenbouw schijnen te hebben gestaan, zijn evenzeer verdwenen als de Hollandsche leeuw met de pijlen. Het beeld der Gerechtigheid, dat in eene nis boven het boograam prijkte, is boven op het fronton gezet; dit laatste is van boogvormig driehoekig geworden; de weerhaan, bestaande uit eene vrouwenfiguur, is verdwenen; het smalle bordes, waar bekendmakingen werden afgekondigd na voorafgaand klokgeklep, is anno 1801 en 1802 vervangen door een veel dieper, dat ruimte aanbood voor te houden terechtstellingen en het opslaan van een houten schavot onnoodig maakte. Ook van binnen schijnt het gebouw veranderd te zijn, althans op Valentijn’s teekening lijkt de trap te staan recht achter den middelsten boog aan het bordes. Vooral echter is het achtererf veranderd.

Oud Batavia I, 282-283

[Jakarta 2 – Plein] 
[Jakarta 2 - Wacht] 

Het Stadhuisplein was van ouds markt en de loopplaats der schutterij. Daar schijnt ook, te oordeelen naar de schilderij van 1627, naar den papegaai geschoten te zijn. Bij het aanleggen in 1743 van de waterleiding is vóór het Stadhuis eene “fontein”, dat is een bassin met pomp gemaakt, waarvan in 1835 nog restanten te zien waren. ’s Avonds om negen uur werd de wacht van het Stadhuis betrokken door een peloton schutters, die het open portaal als corps de garde gebruikten. Om niet beslopen te worden, sloeg de op en neer wandelende schildwacht ieder, die zich op het plaveisel langs den voorgevel waagde, met zijne piek om de ooren, precies als de schildwacht bij het oude Amsterdamse Stadhuis aanstalten maakt om elkeen aan de bajonet te rijgen, die de beroemde “kleine steentjes” betreedt. Tot meerder veiligheid stonden hier twee lantaarns, de eenige in Oud-Batavia. Wanneer de Raad van Justitie zitting hield, was er een militaire wacht om het honneur te bewijzen.

Oud Batavia I, 283

[Jakarta 2 – Kast] 

Deze Raad [van Justitie] had zijne vergaderzaal, de tegenwoordige trouwkamer, op de bovenverdieping nabij de in den oostvleugel gevestigde Compagniesboeien. Dicht bij die raadkamer moet de pijnkamer zijn geweest; tenminste wij vernemen dat Nihoekong, de Kapitein-Chinees van 1740, door den Raad werd gepijnigd op eene bovenkamer. Men kan zich haast niet voorstellen dat zulke tooneelen, die toch zeker door een hartverscheurend gegil werden begeleid, in de onmiddellijke nabijheid plaatsvonden van het vertrek, waar een blozend bruidje voor de vriendelijke Commissie van Huwelijksche Zaken verscheen.

Oud Batavia I, 283-284

[Jakarta 2 – Kamertje] 

De bovenverdieping van den middenbouw wordt ingenomen door een ondiep maar nogal breed kamertje, waar Heeren Schepenen in groot kostuum voor de vensters zaten, wanneer de sententiën werden voorgelezen aan de beneden met het gezicht naar het Stadhuis op eene rij geplaatste veroordeelden, en waar zij vervolgens de uitvoering der vonnissen gadesloegen. […] [Deze] kamer, die het balkon heette, [heeft] naar de binnenzijde eene buitengewoon zware deur in een steenen poortje en twee met geweldige traliën en enorm dikke binnenluiken gesloten vensters. De rechters zaten daar wezenlijk gebarricadeerd tegen overrompeling. Het schijnt, alsof men vreesde dat het gemeen het Stadhuis zou kunnen bestormen tijdens eene executie en de Heren rechters zou trachten te lynchen.

Oud Batavia I, 283 noot

[Jakarta 2 – Raad] 

Toen Commissarissen-Generaal den Raad van Justitie (destijds de Hooge Raad van Justitie geheeten) veranderden in het Hoog Gerechtshof en daaraan een Raad van Justitie toevoegden, moeten er [in het Stadhuis] twee rechtskamers zijn ingericht. In 1828 verhuisde het Hoog Gerechtshof uit het Stadhuis naar het paleis aan het Waterlooplein en toen betrok de Raad van Justitie de aldus leeggekomen kamer op het Stadhuis. Den 17 Nov. werd de bouw van het tegenwoordige paleis van den Raad van Justitie aanbesteed, dat den 21 Jan. 1870 werd betrokken, nadat de Raad eene poos had gezeteld in eene particuliere woning op Rijswijk, “verpest door duizenden en duizenden vleermuizen”.

Oud Batavia I, 284

[Jakarta 2 – Schepenen] 
[Jakarta 2 – Museum] 
[Jakarta 2 – Zolder] 

Aan de andere zijde van den middenbouw was op de bovenverdieping de vergaderzaal van Schepenen, dicht bij de Stadsboeien. Tusschen beide gerechtskamers bevonden zich denkelijk de lokalen van de Weesmeesteren. Omtrent de kamers der verdere collegiën is niets te zeggen. De zolder van het Stadhuis werd sedert 1736 gebruikt voor depot van oude notarieele protocollen, een wijze voorzorgsmaatregel, waaraan de lezer van ons Gedenkboek tal van bijzonderheden te danken heeft, die enkel in notarieele acten te vinden waren.
De klok in het torentje werd geluid bij afkondigingen op het bordes, bij begrafenissen van hooggeplaatste personen en bij terechtstellingen, driemaal, naar gelang de zaak voortging; bij het derde gelui begaven Schepenen zich naar hun balkon.

Oud Batavia I, 284-285

[Jakarta 2 – Gevangeniscellen] 
[Jakarta 2 – Poortje] 

Er zijn derhalve aan dit gebouw heel wat grimmige herinneringen verbonden. Vooral zijn karakter van gevangenis heeft het Stadhuis een paar honderd jaar lang tot een voorwerp van afschrik gemaakt. Het sombere poortje met spiegat en klopper aan de Nieuwpoortstraat, het plaatsje daarachter met het duistere kamertje van den norschen poortwachter, het tweede poortje met dubbele deur (eene lage naar de straatzij, eene hooge naar de binnenplaats, beide met zware grendels) – wie op kippevel gesteld is, moet hier zijn.
[…] naar den kant der Tijgersgracht [waren] de Compagniesboeien, die een vrij wat breeder front vertoonen dan de Burgerboeien aan de Nieuwpoortstraat, doch een veel kleiner achtererf bezaten. Immers de achterplaats der Compagniesboeien en de daarbij behoorende gevangenis waren niet breeder dan het front en door een muur van het overige achtererf afgescheiden, dat verder in zijn geheel bij de Burgerboeien behoorde, zoodat de stadsgevangenis langs de zuidzijde van dit achtererf drie à viermaal zoo ruim was als die der Compagnie. Behalve deze gevangenis had elk der beide rechtbanken hare gevangenkelders onder de vergaderzaal in het hoofdgebouw en uitziend op de binnenplaats. De Raad van Justitie had er twee, Schepenen drie. Wij geven eene afbeelding van een dezer ondiepe en lage kelders, met tongewelf en een enorm zwaar traliewerk voor de vensteropening, welke de eenige ventilatie uitmaakt, die bovendien oudtijds nog belemmerd werd door een muurtje, dat de kelders afsloot van de binnenplaats. Binnen de kelders waren britsen en tronken om de zware gevangenen vast te zetten.

Oud Batavia I, 286

[Jakarta 2 – Stadsboeien] 

Maar het terrein is thans lang niet meer hetzelfde als toenmaals. De gevangenissen langs de heele zuidzijde der binnenplaats zijn verdwenen en op die plaats zelve zijn allerlei hulplokaaltjes gezet, die allerminst doen denken aan iets dramatisch.

Oud Batavia I, 287-288

[Jakarta 2 – Stadsboeien] 
[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Men herinnere zich hierbij, dat opsluiting bij wijze van straf te Batavia niet bestond, behalve dan de tijdelijke vastzetting van lastige slaven. Men werd nooit veroordeeld tot gevangenisstraf, doch alleen tot den ketting, die later voor Europeanen werd veranderd in werken op [het eiland] Edam. Nadat de lijnbaan op Edam was verdwenen, kon de rechter dan ook zeer verlegen zitten met zijne strafbepaling. Vandaar dat wij bijvb. in den Engelschen tijd zien, dat een Europeesche dief wordt veroordeeld om eenige maanden dienst te doen als matroos. De gedetineerden in de stadhuisgevangenis zaten daar dus enkel in voorarrest of in afwachting van de tenuitvoerlegging hunner veroordeeling tot lijfstraf of verbanning. De gegijzelden logeerden, als ze het betalen konden, in de bovenkamers der cipierswoningen en anders op de binnenplaats.[…]
Onder de Stadsboeien was een kelder, die al van vóór den bouw van het nieuwe Stadhuis dateerde en vermoedelijk het reeds anno 1640 vermelde “doncker gat” is. Bij de verbouwing van 1710 werd deze kelder zes voet diep gemaakt en kreeg hij een driedubbelen vloer: een van metselsteenen in kalk, een van klinkers in cement en een van kuststeenen in cement, alles natuurlijk tegen het insijpelen van het grondwater; rondom langs den wand was eene gemetselde bank. De gijzeling wegens schulden kon desnoods levenslang worden voortgezet. Eerst sedert 1763 werd zij beperkt tot zes jaar, maar anno 1778 werd die beperking weer opgeheven voor Onchristenen: een Chinees schijnt er graag zes jaar voor overgehad te hebben om van zijne crediteuren af te komen. Het logies op de bovenverdieping der cipierswoning zal echter nogal dragelijk geweest zijn. Deze bovenkamers zijn later gebruikt voor gevangenis van Europeanen en aanzienlijke Inlanders. Zoo heeft Dipo Negoro daar enkele maanden doorgebracht vóór zijne opzending naar zijn verbanningsoord. – Noot: De Javasche Courant van 1830 maakt met geen woord melding van Dipo Negoro’s komst te Batavia als gevangene en zijn vertrek naar Menado. Dit droevig orgaan, het eenige destijds op Java, verzwijgt stelselmatig alle stadsnieuws. Vandaar dat wij niet hebben kunnen ontdekken wáár Dipo Negoro precies gelogeerd heeft.

Oud Batavia I, 288-289

[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 
[Jakarta 3 – Strafgevangenis] 

Tot aan 1846 is het Stadhuis als gevangenis gebruikt, en tot het laatste toe is die gevangenis volgepropt gebleven met een driehonderdtal gedetineerden, terwijl er maar plaats was voor honderd. Typhus en dysenterie heerschten daar steeds verschrikkelijk; wij lezen dat in 1845 binnen vier maanden 85% der gevangenen stierf.
Sedert 1690 werd de gevangenis bediend door den Stadschirurgijn. Ook later vernemen wij van medische behandeling der gevangenen. Zelfs werden slaven bij ziekte ter verpleging “naar de vrijmansboeien gebracht”, hetgeen op zichzelf reeds voldoende is om den innigen afkeer te verklaren, die onder de inlandsche bevolking van Batavia bestaat tegen opneming in een hospitaal. Toen het Binnenhospitaal in 1798 werd opgeheven, werd dit “Stadsverband” daarheen overgebracht, maar toen de gebouwen van het Binnenhospitaal werden afgebroken, verhuisde het weer naar de gevangenis, zoodat bijvb. Onchristenen, die op straat een ongeluk kregen, voor eerste geneeskundige hulp naar het Stadhuis werden getransporteerd. En toen [G.-G.] Van der Capellen in 1824 een apart Stadsverband oprichtte, waar hulpbehoevenden werden verpleegd en gevoed en vrouwen met venuskwalen werden afgezonderd, was dit helaas weder in de onmiddellijke nabijheid van het in 1822 gebouwde nieuwe Kettingkwartier *). De zieke gevangenen bleven inmiddels steeds onder behandeling op het Stadhuis. Toen eindelijk in 1846 de stadhuisgevangenis werd opgeheven en eene aparte gevangenis werd gebouwd beoosten Molenvliet, kwam men waarlijk alweer op den inval om het Stadsverband, dat tot dusver bij het Kettingkwartier stond, bezuiden deze nieuwe gevangenis te plaatsen, zoodat het denkbeeld, dat ziekenverpleging in verband staat met vrijheidsberooving, zich bij den Inlander wel onwrikbaar moest vastzetten. Het Stadsverband diende dan ook voor gevangenen, voor prostituees en langs de weg gevonden zieken en gewonden.
*) In de Jav. Courant van 28 Febr. 1840 wordt officieel geconstateerd, dat van de 500 dwangarbeiders te Batavia per maand gemiddeld 50 sterven. Een jaar ketting bracht hier dus iemand wiskunstig zeker in zijn graf.

Oud Batavia I, 290-291

[Jakarta 2 – Kamertje] 

Wie door het poortje aan de Nieuwpoortstraat geboeid in het Stadhuis was gebracht, liep steeds groote kans om, als hij daarbinnen niet van ellende en gebrek omkwam, te zijner tijd op het straftooneel aan het Stadhuisplein tot schouwspel van het publiek te dienen.
Was iemand ter dood verwezen, werd hij uit zijne gevangenis naar het binnenplein gebracht, alwaar de Officier van Justitie met twee rechters, denkelijk staande op het achterbordes, hem het vonnis aanzeiden. Dan werd de armezondaar naar de “treurkamer” geleid, vermoedelijk een der kelders onder het Stadhuis.
Oudtijds hoefde hij daar niet lang te wachten, want er waren elke maand executies. Later had elk der beide Collegiën van Justitie hoogstens twee gerechtsdagen per jaar, Schepenen in December en het laatst van Mei, tegen den tijd hunner aftreding, de Raad van Justitie op onbepaalde dagen. Misschien werd dus ook de aanzegging van het vonnis zoolang opgeschort. Volgens de kerkorde van 1643 moest de ter dood veroordeelde voortdurend worden bijgestaan door Krankbezoekers, die elkaar aflosten tot het noodlottige klokje zou kleppen. Vermoedelijk deed men dit ook bij Mohammedanen en Chineezen, want geene moeite mocht worden gespaard, om de ziel te redden. Hoe het daarmee later toeging, leert Heydt ons. Twee ter dood veroordeelde Boegineezen verklaarden eens, dat zij bereid waren Christen te worden. Zij werden toen in eene kamer binnen het Stadhuis gebracht, waar een Krankenbezoeker hun onder het rooken van eene pijp tabak uit den treuren het Onze Vader, de geloofsartikelen enz. voorlas; om de vier uur werd deze apostel door een kameraad afgelost en zoo ging die eigenaardige heidenbekeering drie dagen onverpoosd door ….. Het zal voor de arme armezondaars eene opluchting zijn geweest, toen ze eindelijk naar het schavot konden gaan.
Was alles gereed, dan begon de klok te kleppen en werden de gesententieerden ter identificatie binnen de vergaderzaal gebracht, waar hunne namen werden opgelezen. De ter dood veroordeelden waren in het wit gekleed. Daarna begon de klok ten tweeden male te kleppen en werden zij naar het schavot geleid. Was hier alles klaar, dan klepte de klok ten derden male en begaven de rechters zich in groot ornaat naar hunne zitplaatsen, waarop de Secretaris van het college voor het open raam de vonnissen voorlas. Onderwijl had zich een Predikant op het schavot gevoegd, die een gebed ten Hemel opzond voor elken ter dood veroordeelde, zoo mogelijk in diens eigen taal, na te hebben getracht hem nog op het laatste oogenblik tot inkeer te brengen. Dit vrij zonderling gebruik, denkelijk van de oudste tijden dateerend, werd na den dood van den ongeloovigen Maetsuijker [*)] weder met zooveel kracht door de Regeering ingescherpt, dat zeker Predikant, die niet voor een halsstarrig Mohammedaan verkoos te bidden, er zijn ambt mee heeft verspeeld. Pardon werd in de 17e eeuw nog al eens op voorspraak verleend, later nagenoeg nooit. Zoo geliefd terechtstellingen waren bij de Europeesche gemeente, die daarin een heerlijk volksvermaak zag, zoo verafschuwd waren zij bij de inlandsche grootendeels uit slaven bestaande stadsbevolking, die vooral van dien biddenden Predikant niets begreep en de heele ceremonie beschouwde als een plechtig menschenoffer.
[*)] Oud-Batavia I, 117 – Noot: Maetsuijker had de reputatie dat hij vroeger Jezuïet was geweest. Voordat hij naar Indië ging, had hij moeten beloven den kerkdienst te zullen bijwonen. Op zijn uitreis in 1636 als Pensionaris van den Raad van Justitie liet hij twee twistende Predikanten in de kajuit opsluiten, totdat de broeders het eens waren geworden. Te Batavia verscheen hij nooit bij het Avondmaal. Zijn voorbeeld gedurende een bestuur van bijna eene kwart eeuw zal aan het gezag der Kerk enorme schade hebben gedaan.

Oud Batavia I, 295

[Jakarta 2 – Jan Pietersz. Coen] 

Behalve het kerkje binnen het fort (eerst in het huis Nassau, later op den Diamant) was al spoedig eene stadskerk noodig gebleken. Oorspronkelijk was de bedoeling, op de bovenzaal van het Stadhuis kerk te houden, evenals dit op Nassau was gedaan, maar weldra verrees een afzonderlijk kerkje […], waar later het hospitaal is gezet en thans de Javasche Bank staat. Toen dit was afgebrand bij het beleg in het evengenoemd jaar [1628], ging men op het Stadhuis kerk houden. Vandaar dat Coen binnen het Stadhuis begraven is.

Oud Batavia I, 295-297

[Jakarta 2 – Kerk] 
[Jakarta 2 – Stadskerk] 

Wij zagen reeds, dat 29 Maart 1632 de eerste paal werd ingeheid voor de nieuwe stadskerk N. W. van het Stadhuis, dat 30 Mei van dat jaar de eerste steen werd gelegd, dat de bouw toen bleef steken, tot Van Diemen dien weder opvatte en voltooide, en ook dat deze kerk werd gebouwd op terrein verkregen door de demping eener rivierbocht. Vandaar dat zij reeds in 1670 bouwvallig was. Dit bedehuis, waarbij misschien de in 1620 gebouwde Amsterdamsche Noorderkerk tot model had gediend, heet weleens de Kruiskerk, ofschoon (zooals reeds de penning van Specx toont) het grondplan geen zuiver kruis was doch den vorm had van het Roode Kruis. Zij was van kraalsteen, had een torentje met eene uit het veroverde Malaka afkomstige bel en ingangen Noord een Oost. De afbeelding bij Nieuhof is fantasie. Misschien geeft Clemendt’s vogelvluchtkaart eene betere voorstelling van dit gebouw, hetwelk volgens een ooggetuige “niet veel besonders” was. De oudste graven binnen deze kerk waren in het centrum, dat is in het middelste der vijf vierkanten, waaruit het grondplan bestond. Dáár is dus Coen begraven, toen zijn lijk in 1634 werd overgebracht uit het Stadhuis. Rondom de kerk was tot 1654 de algemeene begraafplaats der Christenen. Door deze begraafplaats heen werd in 1654 de Zuider Kerkstraat [Jl Kali Besar Timur V] getrokken naar de nieuw aangelegde vleeschmarkt. Voortaan vormde dus de kerk met hare begraafplaats, die met een muur was omringd, een blok op zichzelf. De inrichting was nogal primitief. Pas in 1680 werd boven de beide deuren eene galerij voor mannen aangebracht, die tevoren allen op banken beneden hadden gezeten, afgezonderd van de vrouwen. Er waren eergestoelten voor den Gouverneur-Generaal, voor de Heeren Raden, voor de dames der Heeren, voor den Raad van Justitie en voor andere colleges, ook voor de Kapiteins der schutterij; de weeskinderen hadden eveneens hunne vaste plaats. Behalve dat de vloer der kerk bedekt was met de grafzerken van aanzienlijke personen, zag men aan de wanden overal hunne wapenschilden, tenminste wanneer zij in dienst der Compagnie waren overleden. De hoogst geplaatsten hadden eene “wapenkas”, een groot bord, waarop behalve hun familiewapen en het opschrift ook in hout de ornamenten waren aangebracht, die bij de begrafenis vóór de lijkkist waren gedragen: helm, degen, sporen, wapenrok. Boven de wapenkassen der Gouverneurs-Generaal hing hun standaard, en oudtijds werd evenzo boven het wapenbord van een schuttersvendrig het vaandel opgehangen, dat hij had gevoerd.
Een orgel bezat de kerk niet. De voorzanger las telkens, ten gerieve der gemeenteleden die niet konden lezen of geen psalmboek rijk waren, een regel voor en zong dien daarop met de gemeente samen, hetgeen een wonderlijk langwijlig en hortend concert moet hebben gevormd.
In 1723 begon dit te verdrieten en vroeg men bij Heeren Majores een orgel aan. Het duurde jaren, voordat dit instrument verscheen. Onderwijl had een der Predikanten een orgeltje laten uitkomen, dat zoolang dienst deed. Anno 1732 daagde eindelijk uit Nederland een reuzenorgel op, waarmee men even verlegen zat als de man wien een witte olifant werd vereerd. Maar na kort overleg werd besloten, de toch reeds lang bouwvallige kerk dan maar af te breken en een nieuwe te bouwen overeenkomstig de grootte en de fraaiheid van het orgel, waarbij tevens de gansche gemeente zitplaatsen zou kunnen krijgen gelijkvloers.

Oud Batavia I, 297-301

[Jakarta 2 – Kerk] 
[Jakarta 2 – Stadskerk] 
[Jakarta 5 – Steen] 

Het uitwendige dezer nieuwe van baksteen gebouwde koepelkerk zal men het best leeren kennen […] van het houten model, dat naar Heydt’s teekeningen daarvan is vervaardigd. Hare inrichting had eenige overeenkomst met die van de iets oudere Luthersche kerk te Amsterdam, welke eveneens aan een schouwburg deed denken. Van buiten was zij, doordat de koepel niet rustte op een veel ruimeren onderbouw, nogal plomp, ofschoon niet zoo erg als de tegenwoordige Willemskerk, die eenigszins aan de nieuwe Hollandsche kerk herinnert.
Het grondplan was niet, zooals tevoren, een kruis doch een achthoek met een zwaren pilaar op elk der hoeken; om den achthoek heen een couloir. Teneinde de fundamenten van dezen bouw te kunnen leggen, moest een groote opruiming worden gehouden in de aanwezige 174 grafkelders. De graven in het middelste vierkant der oude kerk (dus ook het graf van Coen) bleven daarbij onaangeroerd; hier waren voortaan 48 grafkelders. Met de overige maakte men korte metten. Er bestond trouwens al in 1680 veel onzekerheid aangaande de eigenaars der kelders; de boeken waren slecht bijgehouden, de meeste rechthebbenden overleden of gerepatrieerd. Het nieuwe kerkgebouw bevatte enkel, behalve gezegde 48 kelders, een 24tal in den couloir en een paar in de portalen der drie ingangen, Noord, Oost en West. Ofschoon reeds besloten was, geene lijken meer in de kerken bij te zetten, maakte men eene uitzondering voor de Heeren der Regeering. De opgedolven Edele Heeren, die thans hunne oude rustplaats moesten derven, werden bijgezet in de nu voor hen gereserveerde kelders binnen de kerk. Buiten het nieuwe gebouw waren 150 grafkelders, maar door de openbreking van oude graven en het verplaatsen van kisten en zerken ontstond eene groote verwarring; vele Oud-Batavianen kwamen onder andermans zerk te liggen. Binnen den kerkhofmuur werden aan den kalikant woningen gezet voor een Predikant, den koster en den doodgraver.
Het eigenaardigst van deze nieuwe Hollandsche kerk was de koepel met leien dak boven den achthoekigen middenbouw, die zoodanig boven de huizen der stad uitstak, dat de zeeman hem als baken gebruikte. Cook en De Bougainville hebben zich daarnaar gericht, toen zij op Batavia toestevenden. Wegens dien koepel noemden de Engelschen deze kerk Saint Paul’s.
Men had echter bij den bouw twee fouten begaan. Eerstens was hij veel en veel te kostbaar voor eene kleine gemeente die reeds slecht ter kerke kwam. Om het enorm bedrag van 128.500 Rds., dus meer dan drie ton, te vinden, hield men, evenals oudtijds bij het bouwen der groote school, tot tweemaal toe eene loterij, waarbij vooral op de winzucht der heidense Chineezen werd gespeculeerd. Verder leende de Regeering 40.000 Rds. uit het kapitaal der Portugeesche kerken, die eene eigen administratie hadden, ja, zij smolt in 1745 de fondsen ¹) dezer laatste samen met die der Hollandsche en Maleische kerken ²). Aldus kon langzamerhand uit de kerkmiddelen het groote Compagnies voorschot voor dezen bouw worden afgelost, doch in 1775 zag men zich genoodzaakt al weer eene loterij te houden tot stijving der kerkekas. De onbehoorlijkheid der behandeling van de Mardijkers springt natuurlijk het meest in het oog bij dezen wonderlijken kerkbouw. Was hunne Buitenkerk eens bouwvallig geworden, dan waren er geen fondsen geweest om haar te herstellen. Gelukkig voor hen en voor ons stond de Buitenkerk op een goeden bodem, waarin ten overvloede 9 à 10.000 heipalen waren geslagen, terwijl voor het nieuwe fundament der Hollandsche, dat op den ouden rivierbodem rustte, slechts 700 palen werden gebruikt. Dit was de tweede fout. De aannemer van het timmerwerk, Christoffel Moll, wiens grafsteen nog op Tanahabang ligt, een gewezen broodbakker die ternauwernood zijn naam kon schrijven, werkte naar zijn bestek en was er niet aansprakelijk voor dat de kerk, pas drie jaar nadat zij in 1736 geopend was, bij eene aardbeving eene zware scheur kreeg.
Groote gebreken kwamen in 1799 voor den dag. Men hield het toen nog eenige jaren gaande, trachtte door middel van eene collecte en eene loterij geld te krijgen, en toen dit onmogelijk was gebleken, nam Daendels een zijner kloeke besluiten en verkocht de kerk voor afbraak aan J.B. Zimmer, oud soldaat, baksmeester ³), slager, toko- en logementhouder, rijtuigverhuurder en speculant, den gepredestineerden jobber [sjacheraar] om temidden der algemeene botte onverschilligheid dit gedenkstuk van Hollands roem in het oosten op te ruimen. In 1820 stonden er nog ruïnen. Vervolgens is hier het entrepot gevestigd, ook betiteld als “het gebouw der inkomende en uitgaande rechten”. Bij de verplaatsing van het entrepot in 1829 verkocht het Gouvernement den grond onder uitdrukkelijk verbod (Jav. Cour. 4 Oct. 1834) om hier te graven, behalve voor het leggen van fundamenten. Het zou dus misschien kunnen wezen, dat Coen’s graf nog steeds ongeschonden ongeveer in het midden van dit vierkant terrein zou te vinden zijn *) De herinnering aan de kerk is thans enkel bewaard in den naam van het Kerkstraatje [Jl Kali Besar Timur V] aan de zuidzij van dit vierkant. De Noorderkerkstraat is eenige jaren geleden ontsierd geworden met den nietszeggenden naam Lloydstraat [Jl Kali Besar Timur IV]. Komt iemand te Batavia eens op den snuggeren inval, dat Coen toch in deze stad is gestorven en dus ook zeker wel ergens begraven ligt – dan staat hij voor het raadsel, wáár dat dan wel zou wezen.
Dat de wapenborden niet bewaard zijn, is slechts gedeeltelijk de schuld der Regeering. In 1804 hingen er in de Hollandsche kerk nog 111 wapenborden, 45 wapenkassen en bovendien nog 21 “wapenhuizen met dies wapens, harnassen en meest door ouderdom vergaande standaarten van de overleedene Gouverneur Generaals”. Een gedeelte hiervan is te gronde gegaan bij den brand op 14 Jan. 1808 van de Portugeesche Binnenkerk, waarheen het was overgebracht. Deze brand schijnt de commissie, die bij de afbraak der Hollandsche kerk van advies diende, te hebben aangevuurd tot het voorstel om de daar nog resteerende wapenborden ook maar publiek op te branden. Zij zijn toen nog eene maand ter beschikking van eventueele familieleden gelaten – the rest is silence. Bewaard zijn dus enkel de in de Buitenkerk hangende wapenborden. Complete wapenkassen vindt men nog in oude Hollandsche kerken op Ceilon. Eene laatste herinnering aan de Hollandsche kerk is eene advertentie in de Javasche Courant van November 1829, waarbij de verkoop ten voordeele der Bataviasche kerkmiddelen wordt aangekondigd van vijf defecte groote witkoperen kronen. Ongetwijfeld zijn dit de vijf kaarsenkronen geweest, die indertijd voor ruim 12.000 gulden in China waren vervaardigd en die bij het besluit van 1808 om de kerk voor afbraak te verkoopen uitdrukkelijk waren buitengesloten. Onder de eigendommen der Hollandsche kerk behoorde ook het fraaie gouden doopbekken, in 1735 geschonken door de weduwe van den G.-G. van Cloon, dat thans in de Willemskerk berust. Sedert 1775 mochten alleen de babies der Edele Heeren daaruit worden gedoopt. Voor babies uit minder delicaat kraakporcelein gebruikte men het zilveren bekken der Kasteelskerk, dat zich thans in Menado bevindt.
¹) De inkomsten der kerken bestonden uit verkoop van graven, begrafenisgelden, boeten die de Regeering haar toewees e.d. Een stoelen- en bankengeld vindt men bij de Hollandsche kerk in 1756. De onkosten der kerken bestonden uit eenige kleine salarissen, het onderhoud en de verlichting der gebouwen, brood en wijn bij het Avondmaal enz. De Predikanten werden bezoldigd door de Compagnie.
²) Evenmin als de Maleische gemeente van Batavia was de Portugeesche een afzonderlijk kerkgenootschap. Zij vormde enkel een onderdeel der Hervormde kerk; haar bestuur was de Bataviasche Kerkeraad; hare armenmiddelen vloeiden in de kas der Hervormde Diaconie. Alleen in zoover was zij onderscheiden, dat zij eigen Predikanten bezat en eene eigen kerkekas, totdat Van Imhoff die kas in 1745 samensmolt met het kapitaal der Hollandsche en Maleische kerken.
³) [Een soldaat] kookte echter niet voor zichzelf, maar gaf zijn rantsoen en het grootste deel van zijne geldelijke toelagen aan den baksmeester, een onderofficier, bij wien dus eene heele “wacht” in den kost was. De officieren aten gratis uit dit zelfde potje. Den hoofdschotel vormden rijst en katjang. Het gebruik van vleesch, dat oorspronkelijk slechts een paar keer per week werd opgeschaft, nam langzamerhand toe. Wie er wel bij voeren, waren de bakmeesters. Dirk Habenich, die in 1733 overleed als sergeant en schaftbaas van het gansche kasteelsgarnizoen (twaalf jaar eerder was hij nog soldaat), hield paard en rijtuig en bezat vastigheden ter waarde van een 8.000 Rds. Als wij later over Zimmer spreken, zal men zien dat Habenich maar een beginner was. [Oud-Batavia I, 211-212]
*) Sinds dit werd geschreven is op onze aanwijzing in April 1922 door den Oudheidkundigen Dienst een plaatselijk onderzoek ingesteld, waarbij echter geene oude graven zijn ontdekt, veelmin het graf van Coen. De opgravingen leidden tot niets.

Oud Batavia I, 301

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 
[Jakarta 5 – Olivia Raffles] 

Eene andere herinnering aan de Hollandsche kerk zijn een aantal oude zerken aan den ingang der begraafplaats op Tanahabang en op die begraafplaats zelve. […] Ook de breede arduinen treden naar Mevrouw Raffles’ graftombe aldaar zijn denkelijk afkomstig uit de afbraak der Hollandsche kerk.

Oud Batavia I, 304-305

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 
[Jakarta 3 – Jassembrug] 

Zooals wij hebben gezien, was in den oorspronkelijk lijnrechten weg van Jacatra, die aanliep op de oude Stadslandpoort, eene kniebocht gekomen, toen deze poort afgebroken en de Nieuwpoort gebouwd was. Eene nieuwe brug tegenover het bastion Gelderland, welke soms de Gelderlandsche maar in den regel de Jassembrug heet, leidde voortaan van het Oosten naar de Zuidervoorstad. Op die brug stond een hek, dat ’s nachts gesloten werd. Toen nu omstreeks 1663 de grachten der Oostervoorstad waren gegraven en zich hier eene Mardijkerbevolking vestigde, werd in 1667 tegenover Gelderland een wachthuis gezet “op de cruijswegh”, dat is op het punt, waar de Gelderlandsche of Sontarsche weg samenkomt met de weg van Jacatra […]. In dit wachthuis lag voortaan eene Mardijker wacht. Het wordt nog in 1812 vermeld als “de planke pappangerswacht aan de Jassembrug” en is op platen van Heydt en Rach te zien. In 1669 werd bij het wachthuis een begraafplaatsje aangelegd. Voor de Mardijkers werd hier Vrijdagsavonds gepreekt in eene loods, waarbij anno 1667 een klokkestoel werd geplaatst met dezelfde in 1675 te Batavia gegoten klok, die nog heden de gemeente oproept tot de godsdienstoefening in de Buitenkerk. De Mardijkkers stroomden in zulken getale tot de preek, dat expres voor hen de Nieuwpoort des Vrijdagsavonds werd opengehouden. In 1678 werd er een koster voor de predikloods benoemd, welke gaandeweg veel te klein bleek voor de belangstelling der Portugeesche gemeente. Sedert 1682 werd er ook gecollecteerd.
Het zonderlinge van de stichting der Buitenkerk is nu, dat de Regeering nooit een bepaald besluit heeft genomen om de predikloods te vervangen door eene steenen kerk. Zij keurt zonder voorafgaande deliberatie in 1692 het bouwplan goed, door den Fabriek Ewout Verhagen opgemaakt, en laat den bouw leiden door den Kerkmeester Joan van Hoorn. De dienst in de predikloods bleef inmiddels voortduren, totdat op Zondag 23 October 1695 de kerk ingewijd werd met eene leerrede in het Nederlandsch door Ds. Theodorus Zas, die toen al bijna veertig dienstjaren telde en een veelbewogen leven achter de rug had.

Oud Batavia I, 304, Noot

[Jakarta 3 – Jassembrug] 

De naam Jassembrug zou kunnen samenhangen met de aanwezigheid, dicht hierbij, der stapelplaats van “Jassemsche balken”, d.i. balken uit Tjiasem [‘halverwege’ Cirebon], welke benaming voor houtwerken uit officieele stukken blijkt. Reeds tijdens Coen kwam er hout van Pamanoekan te Batavia. In later tijd gingen deze houtwerken eerst over zee en dan de Antjolsche vaart op naar de stad. […] De Maleische benaming der brug is Djambatan Senti; daarom heet de Buitenkerk in de Chineesche geschiedenis van Batavia “de kerk te Siënti-ti”. In het Bataviasche Portugeesch was seenti (Port. cinta) een gordel. Misschien gebruikte men dit woord dus ook voor: singel (eigenlijk: cingulum, gordel), zoodat dan Djambatan Senti zou beduiden: de singelbrug, of de brug over de buitengracht.

Oud Batavia I, 306

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Voor het vervaardigen der vier kaarsenkronen werd in 1697 het model der “groote kroon in de Hollandsche kerk” naar Bengalen gezonden. Zij dragen als reflector een koperen schild met het wapen van Batavia; ongelukkig is uit elke kroon een der acht groote en een der acht kleine armen gestolen.

Oud Batavia I, 307

[Jakarta 3 – Gereja Sion] 

Tot aan 1725 waren de kolommen, die het dak dragen van hout. De preekstoel dateert van 1808. Met het zetten van deze nieuwe preekstoel werd tegelijk de kerkekamer vergroot door het verplaatsen van het beschot, dat dientengevolge aan weerskanten tegen het midden van dat gestoelte kwam te rusten. Het tegenwoordige orgel is mogelijk hetzelfde, dat er in 1804 stond en aan de Binnenkerk behoorde.

Oud Batavia I, 308

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Zooals wij zagen, was de oorspronkelijke godsdienstoefening alhier op de Vrijdagavond. Sedert den bouw der steenen kerk werd er ook Zondags gepreekt. Uit ons predikbeurtenbriefje van 1791 ziet men, dat nog destijds op Vrijdagavond eene voorlezing in het Portugeesch in de Buitenkerk werd gehouden; gepreekt echter werd er toenmaals in het Maleisch, zooals trouwens al veel eerder ook gebeurde, tengevolge waarvan de kerk gaandeweg den naam kreeg van Buiten Maleische kerk. Vóór de opening der Willemskerk is de Buitenkerk enkele jaren de eenige Protestantsche kerk te Batavia geweest; om hare afgelegenheid werd echter ook dienst gehouden in de school op den Schoolweg.

Oud Batavia I, 308-309

[Jakarta 3 – Jassemkerkhof] 
[Jakarta 5 – Kaptein Jas] 

Niet minder aandacht dan de kerk verdient het kerkhof, dat, zooals gezegd, vrijwat ouder is dan het steenen gebouw. Meermalen is dit vergroot, onder anderen in 1738 met een deel van den vroegeren tuin van Zwaardecroon, die vlak achter de kerk zijne buitenplaats had aan den Gelderlandschen weg. Die vergrootingen konden niet uitblijven, sedert in 1704 was bepaald, dat de in het hospitaal overleden Compagniesdienaren uitsluitend hier zouden worden ter aarde besteld. Van toen af kreeg dit “Jassenkerkhof” eene zoo eigenaardige beteekenis voor den matroos en den soldaat, dat hij het familiaar leerde betitelen als het verblijf van “Kapitein Jas”, den kwaden “ouwe”, die met de brutaalste rekels wel raad wist. “Naar Kapitein Jas gaan” was het belabberdste wat iemand kon overkomen. Het curieuse van het geval is, dat toen de nieuwe begraafplaats op Tanahabang werd geopend en de bijgeloovige Mardijkers zeer weinig geestdrift toonden om zich daar te laten begraven, deze naam van “Kapitein Jas” moet overgebracht wezen naar zijn nieuw domein. Anno 1828 is dan ook reeds het verhaal in omloop, dat Kapitein Jas de eerste persoon is geweest dien men op Tanahabang heeft bijgezet. Tegenwoordig is zijn naam verbonden aan een eerwaarden boom met een oud graf er onder, vlak achter den ingang der begraafplaats, waar dagelijks kransen en eindjes kaars worden gedeponeerd ter eere van den genius loci, speciaal als dankbetuiging (soms begeleid met een visitekaartje) bij een of ander gelukje. Zelfs bezit deze legendarische en thans in schutspatroon gemetamorphoseerde militair sedert kort een marmeren naambordje, zoodat hij even secuur te Batavia is ingeburgerd als het bekende Manneken te Brussel. Men moest hem eigenlijk op de kiezerslijst plaatsen: eeuwig absent als Latour d’Auvergne. Voor wie de geschiedenis der Buitenkerk heeft vernomen, is de devotie voor den Kapitein Jas van Tanah Abang een bron van stil vermaak.

Oud Batavia I, 309

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Betreedt men heden den doodenakker der Buitenkerk, dan vindt men behalve de prachtige zerk van Zwaardecroon slechts zeer enkele grafsteenen. Vermoedelijk zijn er nooit veel meer geweest. De wapenborden, die in het gebouw hangen, herdenken de voornaamste op het kerkhof bijgezette personen. Zwaardecroon heeft bij het gemeen willen slapen, en is als belooning van zijn Christelijken zin ongestoord gebleven in zijne laatste woning, terwijl alle andere Gouverneurs-Generaal uit den Compagniestijd behalve Van Overstraten, Alting en Siberg, die op Tanahabang rusten, al lang opgeruimd zijn. […] Maar overigens was dit de begraafplaats van het laagste Compagniespersoneel, hetwelk daar in zoo grooten getale opdaagde, dat om de twee of drie jaar het kerkhof moest worden ontruimd. In 1790, een jaar van zware sterfte, werden hier in het geheel 2381 personen ter aarde besteld, waarvan 2203 Compagniesdienaren, dus slechts 178 burgers en vreemdelingen, bijvb. matrozen der op de zeer ongezonde ree liggende schepen. Daar het Europeesche garnizoen van Batavia toenmaals zeer zwak en het civiel personeel ook niet al te talrijk was, moeten die 2203 Compagniesdienaren voor het meerendeel hebben bestaan uit pas aangekomenen, die te Batavia overleden, voordat men hen naar de buitenkantoren kon doorzenden. Dit verklaart den schrik voor Kapitein Jas volkomen.

Oud Batavia I, 311

[Jakarta 7 – Kerk] 

Datzelfde jaar werd de eerste steen der Willemskerk gelegd op Koningsverjaardag, 24 Augustus 1835. Zij werd ingewijd in 1839, alweder op Koningsverjaardag. Hier hielden de Lutherschen en de Hervormden weer Zondag om Zondag hun dienst, totdat beide gemeenten zich in 1854 vereenigden tot de Evangelische gemeente van Batavia. In den beginne, toen de Willenskerk nog geen orgel bezat, werd het gezang begeleid door militaire muziek.

Oud Batavia I, 322

[Jakarta 5 – Weezen Gesticht] 

Anno 1832 werd door de bemoeiing van den zendeling W.H. Medhurst het Parapatangesticht opgericht uit particuliere giften. Dit stond op het erf der Engelsche kerk en was zoozeer onder Engelschen invloed, dat de kinderen les kregen in het Engelsch en bij feestelijke gelegenheden Engelsche liederen zongen. Het is in 1846 naar Rijswijk verhuisd. Uit de Jav. Cour. van 25 Nov. 1846 blijkt, dat het niet mogelijk was het Parapatangesticht te verbouwen “wegens de opgeworpen verdedigingswerken.” Bedoeld wordt de Defensielijn.
In 1854 verrees door toedoen van E. Francis het Djatigesticht, dat in 1864 naar Kramat verhuisde. Het schijnt tevoren gestaan te hebben op den hoek van Gang Petjenongan en Sawahbesar.
Beide waren bestemd voor verlaten en behoeftige kinderen van Europeesche afkomst, het eerste meer bizonder voor weezen uit een wettig huwelijk.

Oud Batavia I, 322-325, 329-330, 332-333

[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 

Van den Christelijken zin onzer vaderen getuigt ook het Binnenhospitaal, dat onze belangstelling verdient, eerstens omdat een gedeelte daarvan, en wel het oudste gedeelte, nog heden bestaat als onderdeel van de gebouwen van de Javasche Bank, en tweedens omdat deze inrichting in den Compagniestijd zulke buitengewone en noodlottige rol heeft vervuld. […]
Slechts enkele jaren daarna, in 1640, toen men bezig was met den bouw van het laatste deel van den steenen muur der oosterstad benoorden de punt Hollandia, besloot de Regeering, het hospitaal in steen te bouwen “tegen” dezen wal, dat wil zeggen, den nieuwen vestingwal te gebruiken als buitenmuur van het hospitaal. In 1642 was dit steenen hospitaal voltooid, van [punt] Grimbergen zuidwaarts langs den wal. Het terrein dezer inrichting strekte zich uit oostwaarts tot de Nieuwpoortstraat. […]

ILW Jakarta 2 Stadhuisplein Stationsplein Nieuhof Binnenhospitaal ILW Jakarta 2 Stadhuisplein Stationsplein Rach Binnennieuwpoortstraat Binnenhospitaal
Oud Batavia – Platen Album, M 7. Nieuhof – Binnenhospitaal.  Oud Batavia – Platen Album, K 20. Rach – Binnennieuwpoortstraat – Binnenhospitaal.

Van dit hospitaal bestaat een zeer curieus prentje, door Nieuhof vóór 1670 geteekend [afbeelding links], voorstellend het in 1660 vermelde “middelhuijs” langs de tegenwoordige Java-Bankstraat, met in den hoek naar de kalizijde het in 1662 gebouwde huis van den Binnenregent, tevens Schaftbaas; op den achtergrond ziet men de bijgebouwen dier woning. In het verlengde dier bijgebouwen stond dus langs de kali het oude hoofdgebouw van het hospitaal, dat nog heden aanwezig is en evenmin als het “middelhuijs” eene verdieping had. Dit hoofdgebouw bestond uit twee zalen, gescheiden door de nog aanwezige poort: de ziekenzaal bezuiden de poort en daarbenoorden het “verband”, dat is de zaal en operatiekamer voor chirurgiepatienten en “venuskwalen”.[…] Het geheel maakt den indruk, niet van eene ziekenzaal maar van eene kazemat; de buitenramen lijken wel geschutspoorten. Er heerscht een schemerdonker, maar vroeger was de zaal niet zoo duister als nu, omdat het afgebroken gedeelte ook openingen had. […]
Het “middelhuijs”, voorzien met een klokketorentje, dat op de aldaar gehouden godsdienstoefeningen wijst, lijkt bij Nieuhof eerder eene strafgevangenis dan iets anders. Ongeveer aldus zullen in den beginne ook wel de oude zalen aan den kalikant er hebben uitgezien, zonder openingen in den wand, die tegelijk stadswal is. Later is zuidwaarts evenwijdig aan de stadsbinnengracht een nieuw middelhuis gezet en het oude verbouwd tot Maleische kerk, tevens ten dienste der patienten. Naast deze kerk vinden wij op den hoek van Hospitaalstraat en Nieuwpoortstraat op Rach’s teekening [afbeelding rechts] het Nieuwe Verband, een veel meer modern gebouw van twee verdiepingen, dateerend van omstreeks 1730.[…]
Een der grootste bezwaren van het Binnenhospitaal was de algemeene afkeer die daarteegen bestond. De mindere Compagniesdienaren waren verplicht zich daar te laten behandelen. Zoolang zij er echter vertoefden, trokken zij slechts hunne halve gage, de venuslijders niets, ja, sedert 1744 werd van alle patienten de heele gage ingehouden. Hetgeen voor gehuwden eene complete ruïne beteekende. Nog fraaier: tijdens hunne verpleging bleef de korting voor de kleeren der soldaten doorloopen, zodat dezen met schuld uit het hospitaal kwamen. Ten slotte is men de venusleiders nog extra gaan belasten. Een der eerste maatregelen van Daendels is daarom geweest, om aan de militairen vrije geneeskundige behandeling en verpleging te verzekeren. [...]
’s Ochtends om half acht kwam de practisijn (tevens chirurgijn, zoals wij zagen) met een gevolg van een paar ziekenvaders en slaven, die elk eene lei droegen. De patienten moesten dan volgens een oud voorschrift opstaan van hunne brits, al lagen zij ook op apegapen, en met ongedekten hoofde zijne komst verbeiden. Dan voelde de aesculaap den pols, zag naar de tong, vroeg hoe het ging, en schreef vervolgens op eene lei het nummer van de brits en dat van zijn recept, alles zo snel, dat in een half uur, zegt het officieel rapport van 1768, 5 à 600 patienten konden worden behandeld, dus 20 per minuut, het tempo van een repeteergeweer. Het gebeurde wel dat de ziekenvaders de nummers der britsen verwisselden of den patient op eene andere brits leiden, maar dat kwam er immers bij deze bliksemsnelle behandeling weinig op aan.
Was eene lei vol nummers geschreven, dan ging een slaaf daarmee naar de apotheek, waar de vaste drankjes (pillen of poeders werden niet gebruikt) eveneens genummerd altijd in voorraad stonden. De apothekersknecht deed eene portie van het voorgeschreven nummer in een tinnen kroes en gaf den slaaf mondeling op, voor welk nummer op de ziekenzaal elke kroes bestemd was. Dan ging deze met een blaadje vol kroezen terug naar het hospitaal, en schreeuwde op de zaal in gebroken Hollandsch de nummers uit. Wie zijn nummer hoorde oproepen, schreeuwde terug: “Mijn”, en kreeg dan een kroes, die misschien niet eens voor hem bestemd was. Had de patient geen lust om in te nemen (de kroes moest terstond geleegd worden, schijnt het), dan overreedde de ziekenvader hem daartoe met rotanslagen. ’s Avonds herhaalde zich dit gansche apenspel – en dat was de medische behandeling.

Oud Batavia I, 334-335

[Jakarta 3 – Jassemkerkhof] 

Staat men aan het poortje in den ouden stadswal bij de kali, dan ziet men in gedachte een doodendans van duizenden en duizenden zich honderdvijftig jaar lang daaruit voortspoeden naar het lijkenhuisje en van hier per prauw naar de begraafplaats. Ook daar rustte men niet lang, want het Jassenkerkhof, waar de hospitaallijken belandden, werd periodiek ontruimd, om plaats te vinden voor nieuwe occupanten. De oude werden dan opgebrand.
Wie – wonder boven wonder – niet met de voeten vooruit door het achterdeurtje maar rechtop door de voorpoort het hospitaal verliet, had veel kans om er spoedig weer in te worden gedragen. Van nabehandeling was geen sprake, voordat het Buitenhospitaal werd opgericht. Men keerde half naakt en verhongerd terug onder de levenden, dronk zijn borrel op de gelukkigen afloop, deed zich te goed aan wat men zoo lang had ontbeerd, moest weer aan het werk en het einde van het spel was zoo dikwijls, dat de dood zijne ontglipte prooi voor goed in de knokige vuisten kreeg. Dan bleef er echter nòg eene kans. Er werd wat slordig boekgehouden bij het hospitaal en, zooals gezegd, de nummers werden wel verwisseld. Met een béétje veine kon men nog lang op de ziekenlijst pronken na voor eeuwig van aardsche beslommeringen verlost en op het Buitenkerkhof weggestopt te zijn.

Oud Batavia I, 337-339

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

Wij noteerden reeds de oprichting van het Buitenhospitaal in 1743, een der vele goed bedoelde maatregelen van den G.-G. van Imhoff.
Tot dusver was men gewoon geweest, de ontslagen hospitaalpatienten bij wijze van terugkeer tot den actieven dienst aan het touwdraaien te zetten in de lijnbaan op [het eiland] Edam, een arbeid, die niet zoo bizonder licht kan hebben geheeten, want men gebruikte er meest gestraften voor. Van Imhoff althans vond dien te zwaar en kocht als herstellingsoord der hospitaalpatienten eene buitenplaats tegenover het fortje Noordwijk. De noordgrens van dit terrein wordt ongeveer aangegeven door het tegenwoordige ijzeren hek vóór het Atjeh-monument. Daarbinnen stond op de plaats der herberg, waar Valentijn eens goerami was gaan eten, een groot huis, in 1723 gebouwd door den Sergeant-Majoor of Plaatscommandant Herman van Baijen, dat op Rach’s teekening van het Buitenhospitaal (onze photo K 24) gedeeltelijk is te zien. Eene aanbeveling dezer plaats was, dat het hospitaalterrein behalve aan de noordzij, waar een stevig hek werd gezet, geheel door water was omringd (den ouden loop der Tjiliwoeng aan de westzij en den nieuwen loop aan de oostzij) zoodat de verpleegden niet zoo gemakkelijk weg konden loopen om een borrel te pakken. Bovendien echter behoorde bij het huis een terrein bewesten de kali, het noorderdeel van het tegenwoordige Koningsplein tot aan Tanahabang toe, waar tot dusver eene diergaarde, een stal met 250 koeien en een groot weideveld was geweest, dat noordelijk tot aan de gegraven vaart langs Noord- en Rijswijk liep en later door aankoop nog is uitgebreid. Even bewesten de kali was tot 1808 de begraafplaats der hospitaalpatienten; op het overige terrein kon de Binnenregent zijne koeien laten grazen.
Het bleek echter alras, dat de rivier meestentijds geen water genoeg had om den dorst der herstellende patienten te lesschen of te keeren; ze waadden er ’s nachts eenvoudig doorheen, kroegwaarts. Daarom werd al spoedig het voorste gedeelte van het hospitaalterrein met een muur omgeven, terwijl het achterste deel voor wandelplaats werd bestemd. In het heerenhuis was de woning van den Binnenregent en den Oppermeester, de apotheek, keuken en goedang, terwijl de verdere ruimte binnen den muur zich langzamerhand met ziekenverblijven vulde. Zelfs kwamen er “ziekenzolders” in de bijgebouwen van het heerenhuis. Toen na 1777 de ontruiming van het Binnenhospitaal krachtig werd doorgezet bleek het terrein binnen den muur te eng, en zette men ook op het achtererf drie groote steenen ziekenhuizen, waarvan twee met eene verdieping, benevens verschillende andere gebouwen, alle (wat eene groote verbetering was, vergeleken bij de bedomptheid van het Binnenhospitaal) vrij en apart staand. Op dit achtererf alleen was anno 1786 ligplaats voor 900 patienten, met lanen om te wandelen. Door eene brug stond dit achterterrein wat beneden de tegenwoordige Willemsbrug in verbinding met de begraafplaats aan de overzij van de kali. Er is daar na den tijd van Daendels nogal verbouwd; alle ziekenzalen zijn gelijkvloers gezet en met galerijen omgeven, maar het hospitaal is daar gebleven totdat Van den Bosch, de gewezen genieofficier, zijn hersenschimmig plan begon uit te voeren om van heel nieuw-Batavia een versterkt kamp te maken. Toen werd voor den bouw van een nutteloos fort anno 1834 eene som van f 430.000 uitgetrokken, voor een nieuw hospitaal f 62.000 en maakte het Buitenhospitaal plaats voor het fort Prins Hendrik. Bij dit nieuwe militair hospitaal, dat sedert eenige jaren geheel verbouwd is, behoorde een botanische tuin, waarvan wij nog restanten hebben gekend.

Oud Batavia I, 346-347

[Jakarta 1 – bastion]
[Jakarta 1 – Timmerwerf] 

Lange jaren kan men in Batavia wonen en honderdmaal de oude Werfstraat volgen, welke bewesten de rivier naar den Uitkijk loopt, zonder ooit op den inval te komen dat de gebouwen, welke men daar aan zijn rechterhand heeft, iets anders kunnen zijn dan een groot pakhuis. Staat echter de poort van dat gebouw eens open en heeft men tijd en lust om daar rond te zien, dan zal men achter die poort een grasveld aantreffen, dat tot de rivier doorloopt. Wat men voor een groot pakhuis hield, blijkt een enorm gebouw met eene onder- en bovengalerij, in welks verlengde zich naar het Noorden zoowel als het Zuiden gebouwen aansluiten in een anderen en ouderen stijl. Hoe eenvoudig alles ook is ingericht, men zal met welgevallen de fraaie proporties van de houten kolommen der beide galerijen opmerken evenals het aardig lijstwerk, dat den overgang vormt van de architraaf der benedengalerij tot de balustrade daarboven, en niet minder de zorg, welke aan deze laatste is besteed, die uit gedraaide, vlak naast elkaar geplaatste spijltjes bestaat; een modern bouwmeester zou daar enkel een paar gekruiste latten hebben aangebracht. Een blik op eene oude kaart doet zien, dat deze gebouwen een deel der Compagnieswerf moeten hebben uitgemaakt. Gaat men evenwel wat dieper op de zaak in, dan staat men voor onoplosbare tegenstrijdigheden.
Eerstens bespeurt men nogal verschil tusschen de onderscheiden plattegronden van dit stadsgedeelte. Reeds tijdens onze oudste vestiging in het Jacatrasche bezat de Compagnie eene timmerwerf aan den wal. Terstond na de stichting van Batavia ligt er scheepstimmervolk op de plaats, waar tevoren de Engelsche loge stond, tegenover ons oudste fort, dus op de plaats der latere Werf. Op de penning van Specx zien wij hier prauwen op den wal staan. In 1634 werd het terrein dezer inrichting naar het Zuiden uitgebreid tot de Chineesche gracht. Daarmede erlangt de Werf harer definitieven omvang. De sloot, die men bij Clemendt er omheen ziet, is later weer gedempt. Bezuiden de Chineesche gracht ziet men bij hem ankers liggen, als eene aanduiding dat aldaar de Ankerwerf was, welke van deze gracht zuidwaarts liep tot de in 1636 bij den aanleg der nieuwe Vischmarkt gegraven kolk; in 1682 is die kolk versmald teneinde de Ankerwerf uit te breiden.

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Timmerwerf 02
Westsy der Stadt
1 – Redut buyren
2 – ’t Viercant
3 – Punt Cuylenburch 
4 – Punt Zeeburch
17 – Timmerwerf der Cinesen
19 – Timmerwerf van de Com
21 – de Ioncker Straat 
Grachten van links naar rechts:
Stadsbuitengracht, Stadsbinnengracht, pm, Chineesche gracht, Maleische gracht.

Oud Batavia I, 350-351

[Jakarta 1 – Timmerwerf] 

Door hare lage ligging aan de rivier was de Werf verre van gezond; de zorg voor het volk was zeer gering, de slaapzolders overbevolkt, de voeding schraal, de arbeid zwaar, de onverschilligheid van matrozen en ambachtslui verbazend, het sterftecijfer enorm.
De Ankerwerf bezuiden de Chineesche gracht, een terrein dat oorspronkelijk voor bakkeleiprauwen diende, later voor particuliere werf, vooral voor de Chinneesche scheepstimmerlui, wordt reeds op Clemendt’s kaart aangeduid als ligplaats van reserveankers. […]
Toen tijdens Daendels de scheepvaart volkomen was verlamd tengevolge van den langdurigen oorlogstoestand, terwijl het Europeesch werkvolk was uitgestorven, werden in 1809 de gebouwen der Werf buiten onderhoud gesteld. Wat er nog verricht werd, geschiedde door Chineezen en bij aanbesteding. Later zijn de gebouwen gebruikt voor pakhuis; er schijnt echter ook nog wel getimmerd te wezen. Zelfs in 1839 vermeldt de Javsasche Courant de Equipagewerf nog. De gebouwen der Ankerwerf werden in 1834 het entrepôt en kregen den naam van Grooten Boom en Havenkantoor.

Oud Batavia I, 351-353

[Jakarta 1 – Tijgersgracht] 

Het Ambachtskwartier, dat, zooals blijken zal, op een deel van het terrein is gebouwd, hetwelk voor de Compagniesslaven was bestemd.
De Compagniesslaven waren in den oudsten tijd onderscheiden in twee klassen.
De eerste klasse bestond uit krijgsgevangenen en gestraften. Dezen liepen allen, hetzij Europeanen of Inlanders, in den ketting, werkten overdag ‘voor den Prins’ en werden ’s nachts in het blok gezet binnen de Javaansche cortegarde in het Kasteel (‘slavenhuijs’, de loodsen oudtijds tusschen Parel en Saphier).
De tweede klasse zijn de gekochte arbeidsslaven, grootendeels van Voor-Indische geboorte, die onder den naam Tayolen in hutten waren ondergebracht aan de Tayoolsche gracht, de latere Buitenkaaimansgracht […]
Toen nu bij het beleg van 1628 het stadsdeel bezuiden de vierde dwarsgracht werd verlaten en geraseerd, verhuisde het Tayoolsch kwartier naar den hoek, waar wij het op Clemendt’s kaart vinden, begrepen tusschen de stadsbinnengracht, de Malabaarsche en de Leeuwinnegracht. In het midden van dit blok had men de redoute Gelderland laten staan, die thans door den Opziener werd betrokken. Deze Opziener nu, Silvernagel, tevens Kapitein over de bakkeleiprauwen, werd in 1637 bovendien Fabriek of hoofd van het Compagnies ambachtsvolk. Aangezien tot dit ambachtsvolk ook de arbeidsslaven behoorden, bleef hij als Fabriek voortaan gehuisvest op gezegde redoute midden in het slavenkwartier. Het begon nu echter voor de hand te liggen om ook het overige werkvolk, namelijk de Europeanen en vrije Inlanders, naar die buurt te brengen om er onder zijn voortdurend toezicht tee arbeiden.
In den beginne had al het werkvolk binnen het fort gewoond. Toen het Kasteel gaandeweg te bekrompen werd, zette men de timmerloodsen op het Buitenplein of Galgeveld […]. Deze timmerloodsen nu werden anno 1659 verplaatst naar ‘ ’t halve erff van ’s Comps. Slavenquartier’, dat is de zuiderhelft van dit groote blok. In 1660 volgden daarheen de geschutgieters en de metselaars, terwijl anno 1664 de kettinggangers uit de Javaansche cortegarde naar het slavenkwartier verhuisden. Dit slavenkwartier werd door eene dwarsgracht (die later weer gedempt is) van het Ambachtskwartier gescheiden en de oude redoute Gelderland afgebroken. […]
Wij bepalen ons eerst tot de ambachtsslaven, in 1665 reeds 1500 in aantal. Dezen vervallen wederom in twee klassen, de koeli’s, die bij pakhuizen of bouwarbeid sjouwerdiensten verrichtten of gebruikt werden voor het schoonhouden van erven en tuinen, en handwerkslieden.

Oud Batavia I, 361

[Jakarta 1 – Hoenderpasarbrug] 
[Jakarta 1 – Pisang] 

Beoosten de kali wijst de naam Groene- of Groenemarktsgracht reeds op eene oude groentemarkt. Meer zuidwaarts aan de Leeuwinnegracht, was een avondpasar in groenten en vruchten, waaraan nog heden de naam Pasar Pisang herinnert, die door Captain Cook wordt vermeld. […] Tusschen Groene- en Leeuwinnegracht vond men aan de kali den Moorsche pasar, waar curiosa, lijnwaden, zilverwerk en dergelijke Bombayartikelen te krijgen waren, althans in de tweede helft der 18e eeuw, nadat er sedert den Chineezenmoord eene belangrijke toestroming van Moren *) had plaatsgegrepen. Zoo vernemen wij ook, dat bij de bouw der Lutherse kerk (aan het Noordwesteinde der Heerenstraat, dus bezuiden de Amsterdamsche gracht en grenzend aan Kalibesar Oost) een aantal Moorsche zilversmeden dwong te verhuizen. Het gedeelte langs Kalibesar Oost, waarachter deze kerk kwam te staan, heette de Hoenderpasar. […] Aan de pasar heeft de Hoenderpasarbrug haar naam ontleend, die thans de Groote Boom heet.
*) [Oud Batavia I, 480] 

Oud Batavia I, 365

[Jakarta 1 – Groote Boom] 

Reeds in 1636 werd de Vischmarkt verplaatst naar de westzij der kali, langs het water tegenover het Kasteelsbuitenplein; men trok de rivier op dit punt recht en maakte een hoofdje als aanlegplaats. […] Ook bemerken wij reeds in 1672, dat de visschers geene Bataviasche ingezetenen waren, maar geregeld overkwamen van Java’s Noordoostkust en Cheribon, vanwaar zij den naam Wètangers, dat is Oosterlingen, droegen. Hunne tijdelijke verblijfplaatsen sloegen zij op in de langzamerhand ontstaande kampong buiten den Boom of Loewar Batang.

Oud Batavia I, 366

[Jakarta 1 – Vischveiling] 

In 1846 werd de Vischmarkt [van de westzij der kali, langs het water tegenover het Kasteelsbuitenplein] overgebracht naar de hal tegenover de Stadsherberg, waar zij zich thans nog bevindt.

Oud Batavia I, 368

[Jakarta 1 – Beurs] 
Nog een verdwenen gebouw aan Kalibesar West is de in 1818 opgerichte Beurs, die aan den zuidhoek heeft gestaan en drie rijen van vier kolommen bevatte met aan weerskanten een paar vertrekken. Een succes was zij niet; slechts enkele jaren later zien wij haar gebruiken voor het houden van venduties. Het gebouw stond eer echter nog in 1860.

Oud Batavia I, 371

[Jakarta 1 – Oostzijdse Pakhuizen] 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Oostzijdse Pakhuizen 01Tussen 1748 en 1759 zette men de drie pakhuizen, die thans onderling zooveel overeenkomst vertoonen. Daartoe was eene verbouwing van den stadswal tusschen Amsterdam en Robijn noodig, benevens de demping van den hoek der kasteelsgracht,…].
Terwijl de Graanpakhuizen, die behalve voor rijst tevens dienden voor de opschuring van katjang, boonen, erwten, tarwe en beschuit, dus enkel voor consumptieartikelen, niet als negotiepakhuizen golden, was dit wel het geval met de Westzijdsche.

Detail Stadskaart van de Gemeente Batavia (1921). →

Oud Batavia I, 371-372

[Jakarta 1 – Pakhuizen] 
[Jakarta 1 – bastion]

De Westzijdsche pakhuizen vervallen in twee groepen. Het oudste dateerend van 1652 en bij Clemendt nog te zien, is het nog heden bestaande tusschen Zeeburg en Culemborg. […] Ofschoon dit pakhuis in de volksmond goedang pala, d.i. notemuskaatpakhuis heet, wat misschien de oorspronkelijke bestemming was, schijnt het later meer te hebben gediend voor koffie, thee, lijnwaden en zijden stoffen. Het eigenaardige van dit pakhuis, in tegenstelling tot andere, die achter den muur van Kasteel of stad waren gebouwd, is dit, dat er eene tusschenruimte van twaalf voet is gelaten tusschen het pakhuis en den wal, welke ruimte zorgvuldig werd benut voor bergplaats van koper, tin en dergelijke artikelen, die door den regen niet beschadigd werden. […] Het jaartal 1718, dat men boven een poortje in den stadswal tusschen Culemborg en Zeeburg aantreft, wijst op de verbouwing, welke de Westzijdsche pakhuizen in 1716 en volgende jaren ondergingen, toen er drie nieuwe ‘racken’ werden bijgebouwd.

Oud Batavia I, 388-389

[Jakarta 2 – Plein] 
[Jakarta 3 – Pantjoeran] 

De waterbak […] of liever de daaruit naar buiten stekende houten buizen, hebben aan dit stadsgedeelte den naam Waterplaats of Pantjoeran gegeven; pantjoer is horizontaal of naar beneden uitspuiten, en pantjoeran de buis die dit doet. Oudtijds was de “waterplaats” of “aguada”, waar onze matrozen de drinkvaten kwamen vullen, aan de Groote Rivier geweest, waar het fortje Jacatra werd gebouwd [Jl Dr. Suratmo]. Toen echter de sluizenbouw in den Molenvliet gelegenheid had gegeven om het opgestopte water uit de hoogte te doen neerspuiten, zoodat men de vaten maar daaronder behoefde te leggen om ze te vullen, werd omstreeks 1672 deze inrichting aangelegd met twee houten buizen, waaruit vrij troebel water van eene hoogte van een voet of tien neerspoot. De “waterboer” ging er eenvoudig met een schuitje onder liggen en liet dat vol loopen; dan pagaaide hij de grachten rond, roepend: “ajer”, of “agoa” of “water” en verkocht zijne waar per twee emmers. Wie het kon doen had een eigen “waterboer” om vaten of potten te vullen. De matrozen, die voor de schepen op de reede water kwamen halen, moesten door al die drukte dikwijls uren aaneen met hunne schuiten bij de Waterplaats liggen wachten. Ze maakten soms van de gelegenheid gebruik om in hunne vaten smokkelgoed, zooals specerijen, aan den wal te brengen, en dit, zoowel als hun langdurig omhangen op Pantjoeran, gaf aan de plaats eene bizondere reputatie als warme buurt, waar druk geborreld, gevochten en geminnemald werd. […]
Dit was een plan geweest van den G.-G. Durven, namelijk om eene leiding aan te leggen, die eerstens het Kasteel, dat geen water had, van drinkwater zou voorzien en verder zou doorloopen langs het oosterhavenhoofd tot aan de kil in de zandbank, waar de matrozen dan hunne vaten zouden kunnen vullen. In het eerste jaar van Van Imhoff’s bestuur werd dit plan uitgevoerd.

ILW Jakarta 2 Stadhuisplein Stationsplein Grote Atlas Oost Indische Compagnie

[Kaart uit 1730, gefascimileerd in de ‘Grote Atlas van de Oost-Indische Compagnie’, deel II, 108.]

Er bestond een vierkante gegraven waterbak, van binnen met planken beschoeid, welke ingang door enige palen was versperd, die de grove vuilnis er buiten hielden. Uit dezen gegraven bak kwam het water in een tweeden bak van metselwerk, die binnen den gegraven bak stond; deze steenen bak voedde de buizen, waaruit het water spoot. Thans werd binnen de gegraven bak een tweede bak gemetseld met eene leiding, eerst naar de kali, dan daaroverheen, vervolgens onder den grond door langs de oostzij der Buitennieuwpoortstraat, dan onder de stadsbuiten- en binnengrachten door en zoo naar het Stadhuisplein, waar een groot bassin of “fontein” werd gemaakt, uit hetwelk weder andere “fonteinen” door eene leiding werden gevoed. Ook naar het Kasteel liep eene leiding, die in 1882 bij het graven der nieuwe gracht [zuid van het Kasteel] voor den dag kwam en toen bleek te bestaan uit uitgeholde vierkante balken, onderling door looden buizen verbonden. Er worden echter in onze oude papieren ook andere systemen vermeld, die bij deze waterleiding werden gevolgd. De “fonteinen”, beter: bassins, bestonden nog in 1811. Die vóór het Stadhuis was er nog in 1820; later vond men daar een “put”. De leiding, die bij de Middelpuntsbrug in de kali uitliep, komt misschien nog wel eens bij eene of andere opgraving voor den dag; men weet dus voortaan, wat die buizen of pijpen beteekenen.
Omstreeks 1840 (zie Jav. Cour. 25 Jan. 1840) is deze waterleiding voor een gedeelte hersteld en een reservoir aan de Kali Besar gebouwd. Overigens wordt omstreeks 1780 geschreven, dat velen, vooral de slaven, te lui en onverschillig zijn om het water uit de bassins der waterleiding te halen (en dus putten zij het maar uit de gracht, moet men er bij denken).

Oud Batavia I, 392

[Jakarta 4 – Berendrecht] 

Het bekendste buiten op Molenvliet is Berendrecht, dat nog in 1823 werd bewoond door den Oud-Raad van Indië Mr. W. van Hoesen. In 1852 werd er de Weeskamer gehuisvest.

Oud Batavia I, 392-394

[Jakarta 4 – Rijswijk] 
[Jakarta 5 – Toren van Rijswijk] 
[Jakarta 5 – Djaga Monjet] 

Over den bouw van het oudste fortje Rijswijk spraken wij […]. Het werd in 1697 ontruimd en in 1729 afgebroken. Al lang tevoren echter was meer zuidwaarts eene “buitenwacht” uitgezet, in het Maleisch Djagamonjet of de “Apenwacht” genoemd, denkelijk omdat zij aan den rand van het bosch post hield en onze vierhandige neven zoowat de eenige levende wezens waren, die de schildwacht in het vizier kreeg. Deze buitenwacht stond er al in 1668. Zij diende ter bescherming van de reeds in 1680 vermelde brug, die hier over den Molenvliet liep, welke wij allen nog terzelfder plaatse hebben gekend als de brug van Wisse, maar die tijdens de voorbereidingen van dit Gedenkboek werd vervangen door eene overkluizing. De Buitenwacht beduidde echter heel weinig en had geene kanonnen; men ziet haar afgebeeld op onze photo K 25 naar eene plaat van Heydt. Wat men daar niet meer ziet, is de doorgraving, die omstreeks 1700 in de bocht bij de Harmonie was gemaakt uit den Molenvliet naar de Krokot, ook loopt op die teekening de Bingamsgracht reeds niet meer in den Molenvliet uit. Het op zichzelf reeds lage en moerassige terrein werd door deze gedempte doorgravingen nog drassiger. Bij het Chineezenoproer van 1740 stak de bezetting van het fortje het wachthuis in brand en trok terug naar de stad. Toen schijnt men meer gewicht te zijn gaan hechten aan dezen post. Er werd nu eene vierkante redoute gebouwd met acht stukken geschut even zuid van de brug en dichter aan het water dan de vroegere post, zoodat de kanonnen der redoute zoowel de brug bestreken als den Molenvlietschen dijk en de tegenwoordige Rijswijkstraat. Met den vroegeren post, die meer West van den dijk lag en waar vier stukken werden gelegd, werd deze redoute verbonden door eene smalle gang. Van de brug ging men voorbij den toren naar het begin der Rijswijkstraat tusschen poelen door; evenzo was er een poel bewesten den toren. Deze toestand bestond nog in 1814. De winkel van Oger staat derhalve in eene gedempte rawa; evenzoo een gedeelte der Harmonie. Bij den post Rijswijk behoorde een vrij groot terrein naar het Westen, dat veel gebruikt is voor recrutenwacht. In 1793 werd hierheen de dragonderlijfwacht uit het Kasteel verlegd, hetgeen de oorsprong is van het tegenwoordige cavaleriekampement. Daendels liet in 1809 den toren bij den brug afbreken, maar de rest van de buitenwacht liet hij staan en hij breidde het kampement uit, welke ligging aan de Krokot goede gelegenheid bood voor reiniging der stallen enz.

ILW Jakarta 4 Molenvliet societeit Harmonie

Molenvliet, gezien vanaf het galerijtje der sociëteit “Harmonie” in het begin der 18e eeuw. Het monumentale hek aan den linkerkant is dat van “Moenswijk”, de tegenwoordige Dependance of Receptiepaviljoen [van Hotel des Indes].
[50 Jaar Hotel des Indes, 4]

Oud Batavia I, 393 Noot 1

[Jakarta 5 – Binghamsgracht] 

De in het verlengde van Molenvliet gegraven Bingamsgracht, die doorliep tot aan de Krokot (aan het einde van Kebonsirih) en thans langs Tanahabang Oost stroomt, neemt rechts de Menteng of Tjidang op, het riviertje waarover in Kampong Lima, Kebonsirih en Gang Scott bruggetjes liggen en dat achter het Museum in de Bingamsgracht valt. Later werd deze Bingamsgracht in de Rijswijkstraat dichtgeworpen en aan het boveneind dier straat verbonden met de Krokot, terwijl de oude loop der Krokot gedeeltelijk werd gedempt. Dientengevolge loopt tegenwoordig deze rivier eerst (aan het einde van Kebonsirih) in de Bingamsgracht en later (aan het boveneinde der Rijswijkstraat) er weer uit, om bewesten Molenvliet voort te kronkelen, tot zij bij Tokotiga in de Tjiliwoeng valt.

Oud Batavia I, 394

[Jakarta 5 – Rijswijkstraat] 

De Rijswijkstraat, de “Fransche buurt” (sedert den vrede van 1918 zijn echter nagenoeg al deze Franse affaires in vreemde handen overgegaan), bestond in den Engelschen tijd nog alleen uit officierswoningen en daarachter gelegen kazernes en stallen aan de westzij. […] De Engelschen hebben de militaire gebouwen aan de westzij der Rijswijkstraat verkocht. Eerst later ontstond de winkelstraat. In het tweede kwartaal der 19de eeuw was de Fransche invloed in Batavia vrij merkbaar, voor een deel gevoed door de opeenvolgende troepen toonelisten, die in den Schouwburg speelden, waarvan de actrices soms eene modezaak openden, terwijl de acteurs les gaven in het Fransch, het dansen enz. Een zeer bekende winkel omstreeks 1840, die pas in 1862 eindigde was de banketbakkers- en comestibleszaak van Laugier en Esmiol, tegenover het Bataviaasch Genootschap. Ook Leroux dateert uit dien tijd. Behalve de winkel van Oger heeft echter deze buurt nog lang een onaanzienlijk karakter gedragen.

Oud Batavia I, 394-395

[Jakarta 5 – De brug] 

Het andere Rijswijk, de buurt langs het gegraven kanaal dat oudtijds Molenvliet werd genoemd, is zeer langen tijd eene inlandsche wijk gebleven. De weg langs het water liep nog in 1790 dood bij de bocht, waar pas in 1810 of 1811 eene brug werd gebouwd, welke men de Cavadinobrug *) noemt, naar den comestiblesman, die zijne toko heeft gehad in het huis op den hoek, waar tot 1828 Generaal-Majoor van Geen woonde – een aardig staaltje, hoe men moet doen en wat men behoort te zijn om te Batavia zijn naam te vereeuwigen.
*) C.A.W. Cavadino was eerst kastelein der [Sociëteit] Concordia. In 1864 opende hij eene toko op den hoek bij de brug.

Oud Batavia I, 395

[Jakarta 5 – Der Nederlanden] 

Het oudste Europeesche huis op Rijswijk is het tegenwoordige Hotel der Nederlanden, een historisch gebouw, dat helaas zijn oud karakter totaal heeft verloren.
In 1794 werd het gebouwd door Pieter Tency. Gelijk al de hier later gezette huizen, bezat het een erf dat doorliep tot Koningsplein Noord. Na Tency kwam het aan den Raad van Indië W.H. van IJsseldijk, die het voor 27.000 ropijen verkocht aan den Engelschen Lieutenant Governor Raffles. Voor Raffles was dit een goed zaakje. Hij bracht zijne betaalsheeren 4.000 Spaansche matten huishuur per jaar in rekening, dat is ongeveer 30% van de koopsom, en had tegen het eind van zijn bestuur den heelen prijs er uit geklopt. Achter het huis was destijds een grasveld, een bloemen- en een moestuin; soms werd daar een vuurwerk afgestoken. Raffles breidde dit erf uit, verbouwde nogal aan het huis en liet in 1812 eene waterleiding uit de kali graven evenwijdig aan de vaart, en dit wel ten gerieve der achtererven van de groote heerenhuizen, die hier zoo langzamerhand verrezen.

Oud Batavia I, 396

[Jakarta 5 – Rijswijk] 

In den Engelschen tijd was Rijswijk bepaald de deftigste buurt van Batavia. Om er eene zuiver Europeesche wijk van te maken werden in 1814 alle hier nog aanwezige inlandsche huisjes en Chineesche warong’s opgeruimd met vergoeding der schade. De weg langs het water, die sedert 1807 eene steenen beschoeiing had, was echter vrij smal en gevaarlijk.

Oud Batavia I, 396 noot 2

[Jakarta 5 – Der Nederlanden] 

In 1816 werd dit huis aangekocht tot verblijf van de Commissarissen-Generaal.
Misschien is het daarna aan den Resident verhuurd, althans deze woonde in 1827 en nog in 1837 op Rijswijk. Omstreeks 1840 werd in dit vroegere huis van Raffles gevestigd het hotel Place Royale van J.P. Faes, dat in 1846 het Hotel der Nederlanden is geworden. In 1864 was de vermaarde “Moeder Meijer” of “Tante Meijer” de eigenares. Als hotel werd het gebouw onlangs op de meest afzichtelijke wijze verfraaid in het genre dertigcentsbazaar. Ook de eerwaarde boomen aan den ingang zijn gevallen en er rest niets maar wat aan den toestand van een jaar of tien geleden herinnert.

Oud Batavia I, 396-397

[Jakarta 5 – Paleis] 
[Jakarta 5 – Gang Secretarie] 
[Jakarta 7 – Gouvernement] 

De G.-G. van der Capellen echter nam zijn intrek in het huis daarnaast, dat gebouwd is door J.A. van Braam en in den Engelschen tijd eene poos bewoond werd door Hugh Hope, Member of Council, die indertijd door Lord Minto was aangewezen als eventueel opvolger van Raffles, maar door dezen geslepen diplomaat op onverbeterlijk handige wijze is weggewerkt. Bij den verkoop bleef Van Braam eigenaar van een koepel aan het Koningsplein Noord. Soms vindt men het paleis aangeduid als het “Kasteel” van den Gouverneur-Generaal. Het bezat destijds nog eene bovenverdieping, die er in 1848 is afgenomen, terwijl het front werd verbreed, waardoor het een vrij zonderling aanzien heeft gekregen. Ook was het voor logies van den Gouverneur-Generaal te bekrompen, vooral toen daar ook de vergaderingen van den Raad van Indië werden gehouden, zoolang het paleis aan het Waterlooplein nog niet voltooid was. De Secretarie stond oorspronkelijk op Rijswijk en gaf haar naam aan de welbekende gang. Aangezien de Landvoogd, vooral wanneer er feesten ten hove werden gegeven, hier buitengewoon ongeriefelijk was gehuisvest, is later naar den kant van het Koningsplein een tweede paleis gezet, dat in deftigheid ongunstig afsteekt bij het gebouw aan het Waterlooplein, waar Daendels zijn troon heeft willen opslaan. Het trottoir langs het water en het ijzeren hekwerk op Rijswijk, die het Hollandsch karakter dezer buurt verhoogen, schijnen pas in 1875 aangelegd.

Oud Batavia I, 397 Noot

[Jakarta 5 – Poolweg] 
[Jakarta 5 – Gang Secretarie] 

Uit de Bataviasche Courant van 1827 blijkt, dat Gang Secretarie werd aangelegd op het “plein” der “voormalige” Secretarie. Reeds in 1825 was deze eerste Secretarie voor afbraak verkocht. Wij bespeuren echter tegelijk het bestaan eener nieuwe Secretarie eenige huizen van de Harmonie af een Koningsplein Noord of op Rijswijk. In het begin van 1829 liet Du Bus deze tweede Secretarie evenzoo verkoopen, nadat hij de heeren pennisten had gehuisvest in het paleis aan het Waaterlooplein. Anno 1836 verhuisde een deel daarvan naar Buitenzorg. In 1847 bracht de G.-G. Rochussen de heele Secretarie van Buitenzorg en Waterlooplein over naar eene derde Secretarie op Koningsplein Noord, vanwaar zij onder Van Rees weer naar Buitenzorg is verhuisd.

De naam “Gang Secretarie” is nooit officieel vastgesteld. Trouwens, zeer weinige benamingen van straten enz. in Nieuw-Batavia zijn dat.
Gang Pool is van ongeveer 1855. De officieele naam was Pollonislaan, naar iemand die aldaar woonde op den hoek van Rijswijk; er woonde echter ook een W.F.G. Pool, en diens naam heeft de overhand behouden.

Oud Batavia I, 397, 399

[Jakarta 5 – Fort Noordwijk] 
[Jakarta 5 – Noordwijk] 
[Jakarta 5 – Maison Versteeg] 
[Jakarta 5 – Hotel Wisse] 

De weg tegenover Rijswijk, dien wij Noordwijk noemen, is van vroegeren datum dan die aan den overkant. Hij vormde van ouds de verbinding van de buitenwacht met den post Noordwijk en heette “de weg van Rijswijk naar Noordwijk”, hetgeen in den Engelschen tijd, toen het fortje Noordwijk was afgebroken, bekort is geworden tot “Noordwijk”. Als Europeesche buurt was Noordwijk jonger dan Rijswijk en ook minder aanzienlijk. Aan het westeinde stonden (zie onze photo K 26 naar Rach [Oud Batavia I, 392-394]) een paar groote landhuizen, zooals het door Van der Parra gebouwde op den hoek, dat wij hebben gekend als Hotel Wisse; maar van af het Drosserspad of Gang Patjenongan tot de Sluisbrug was alles in 1823 nog bijna onbebouwd, ondanks dat Raffles ook op Noordwijk de inlandsche huisjes verwijderd had om eene Europeescjhe buurt te scheppen, gelijk Van der Capellen dit in 1825 deed op Pasarbaroe Zuid tot Goenoengsari, welke buurt toenmaals “kampong Noordwijk” heette.

ILW Jakarta 5 Rijswijk fort Noordwijka. klokkestoel, b. keuken, c. poort, d. droge gracht, e. brug met hek.

Over den bouw van het fortje Noordwijk spraken wij in [Oud Batavia I, 131-132]. Wij zijn zoo gelukkig onze lezer Rach’s aardige teekening daarvan (photo K 23) te kunnen aanbieden, die echter zonder ons situatiekaartje moeielijk op het hedendaagsch terrein thuis te brengen zou wezen. Uit het een met het ander zal men echter kunnen zien, dat het fortje noordwest van de Sluisbrug lag, dicht aan het water en wel in een laagte, die heden op het terrein nog goed zichtbaar is. De ingang of poort was aan de westzij en vóór die poort was een poel, waarin op Rach’s plaat watervogels rondzwemmen, ongeveer waar thans station Noordwijk staat. Deze poel werd eerst in 1825 gedempt. Eene laan van kanariboomen liep van de Sluisbrug met eene bocht voorbij het hek van het Buitenhospitaal en zoo verder langs ons tegenwoordige Noordwijk. Aan de overzij der Sluisbrug volgde het pad de richting van den tegenwoordigen Postweg [Jl Pos]; men had dan echter aan zijne rechterhand even over de brug weer een waterpoort.
Het fortje was zeer klein en mat geen 25 Meter van den ingang tot de oostercourtine. Reeds in 1697 werd het geschut er af genomen. In den tijd van Rach’s teekening lagen er maar vijf man, wier voornaamste bezigheid was om voor het sluiswerk te zorgen en het honneur te bewijzen aan passeerende dignitarissen. In 1809 werd het afgebroken.
Anno 1659 zagen wij Joan Maetsuijker al eens bij Noordwijk het landvermaak genieten en het middagmaal gebruiken in een bamboezen pondokje. Dat werd destijds meer gedaan, en zoo treffen we hier in 1669 eene herberg, dezelfde waarvan wij een inventaris ontdekten uit het jaar 1682, toen er eene taroktafel en twee vischkaren bij hoorden. Dit is de uitspanning waar Valentijn eens goerami ging eten, die hem een Japanschen gouden kobang van tien rijksdaalders kostte, voor hemzelf en zijne dame. Denkelijk was dit kort na zijne aankomst in de Oost, dus in het begin van 1686. Hij moest toen erg zuinig doen, vandaar dat zijn kobang hem ruim dertig jaar later nog leelijk in de maag zat, te leelijker omdat hij bij zijn uitstapje misselijk was geworden door achteruit te rijden, waarna hij had mogen toezien hoe zijn belle in de herberg de visch opat en de flesch wijn leegde, die in den prijs begrepen was. Waar thans avond aan avond “op onze terrassen” van “maison” Versteeg eene stille en benevelde schare hare dubloenen omzet in een vaag amusement, daar knarsten toenmaals de walsen van een suikermolen. […]
De menschen maakten dus in den vooravond den grooten toer evenals later; den weg van Jacatra uit, dan Goenoengsari, den School- en den Postweg en over de Sluisbrug; daarna werd uitgespannen bij Noordwijk, waar men picnickte of thee dronk, om dan tegen zonsondergang langs de Buitenwacht van Rijswijk en Molenvliet naar huis te rijden en vóór poortsluiten om zeven uur binnen te zijn. Nog in 1820 was dit de vaste toer. [Jl Pangeran Jayakarta / Jl Jakarta / Jl Gunung Sahari / Jl Dr. Sutomo / Jl Pos / Jl Veteran / Jl Gajah Mada.]
Zooals gezegd, stond het fortje beoosten den vroegeren loop der Tjiliwoeng, die hier was afgedamd en gedwongen den koers te volgen van de naar het Westen gegraven vaart. Men kan echter begrijpen, dat de kali zich in hare booze buien niet aldus liet ringelooren, maar bij bandjir met geweld in hare oude bedding terugwilde. De dam, die deze bedding versperde, werd daarom bij hoog water geopend teneinde niet te worden weggeslagen. Dit gebeurde omstreeks 1725 nog geregeld. Vandaar dat de oude rivierbedding zooveel tijd noodig heeft gehad om op te drogen en dat daar zulke waterpoelen bleven. Geheel uitgedroogd is de oude bedding der Tjiliwoeng zelfs heden nog niet. Slaat men uit het Drosserspad oostwaarts af naar den Chineeschen tempel Sentiong, dan zal men een klein, oud bruggetje passeeren, dat over den oorspronkelijken loop der Groote Rivier ligt, die thans eene smalle greppel is geworden, maar nog wel degelijk water heeft.

Oud Batavia I, 402

[Jakarta 5 – Sluisbrugstraat] 
[Jakarta 6 – Kali] 

Grootendeels verdwenen daarentegen schijnt de oudste Goenoengsari-graving, die van 1681 dateert.
Hoe deze eigenlijk liep, is door de vaagheid der aanduidingen in de Regeeringsbesluiten dienaangaande en door de ontstentenis van kaarten moeilijk te zeggen. Vermoedelijk volgde zij de richting van de tegenwoordige gracht beoosten het fort Prins Hendrik, en liep daarna bij het fortje Noordwijk door de tegenwoordige Gang Passar Baroe [Jl Pintu Air] rechtdoor naar den tempel Sentiong, het toenmalige huis, naar wij gissen, van Pieter van Hoorn, dan hier voorbij en zoo langs den Grooten Zuiderweg [Jl Gunung Sahari]. Zooveel blijkt althans, dat de loop dezer “Nieuwersloot”, zooals zij werd genoemd, in 1699 werd gewijzigd. Toen werd zij oostwaarts geleid langs het pad, dat van Noordwijk naar den Zuiderweg liep (dus Post- en Schoolweg) [Jl Pos / Jl Dr. Sutomo]; verder liep zij dan als “noksloot” langs den Zuiderweg tot de kali. Dit gedeelte van den Zuiderweg heette gewoonlijk niet Goenoengsari maar: Weg van Jacatra, terwijl de eveneens zeer oude brug aan het einde van den Schoolweg de “brug bij Weltevreden” werd genoemd.

Oud Batavia I, 402-403

[Jakarta 5 – Sluisbrug] 

De Sluisbrug (Maleisch: Pintoe ajer) wordt aangeduid als de brug met het houten verlaat, dat in den drogen tijd met balken kon worden afgesloten, zoodat dan het Goenoengsarikanaal geen water ontving en alles naar Molenvliet stroomde om de molens in gang te houden. Deze brug dateert van de verandering der Nieuwersloot in 1699. Zij werd in 1729 wat noordwaarts verlegd en in steen gebouwd. In den regentijd strekte de Nieuwersloot tot ontlasting van den Molenvliet en daardoor heeft deze in den beginne zeer smalle doorsnijding zich al spoedig verwijd tot een flinke vaart.

Oud Batavia I, 411

[Jakarta 6 – Officierswoningen] 

Sedert September 1797 had men te Batavia als hulptroepen het twaalfde Fransche bataillon van Mauritius. Nu waren Commissarissen-Generaal niet bijster Franschgezind en dat twaalfde bataillon was lang geen keurcorps. Het is dus wel mogelijk dat men dezen troep wat dicht bij de hand wilde houden en onder het oog van den kloeken Van Overstraten. In elk geval, het kampement waarvoor het terrein werd aangewezen beoosten den weg van de Sluisbrug naar den overtoom in de Kali Lio *), is het eerst door die Franschen betrokken en heeft een tijdlang het “Fransche kampement” geheeten, ofschoon er in 1789 ook al Nederlandsche zeevarenden en Inlanders lagen, elke natie, naar het schijnt, afzonderlijk. In 1801 werd besloten de bamboezen huizen en kazernen door houten te vervangen. In 1802 gingen de Franschen naar Mauritius terug; er bleef toen op Weltevreden infanterie en veldartillerie liggen, terwijl de cavalerie op Rijswijk kampeerde en de zware artillerie op Meester Cornelis. […] Het kampement breidde zich geleidelijk uit en werd meer en meer in duurzaam materiaal gebouwd. Het tegenwoordige plein heette de Paradeplaats. Waar thans Coen’s gespierde gestalte prijkt (de ware Coen was eene schrale figuur), stond in 1806 het officieren-koffiehuis. Rondom het plein lagen de verschillende wapens gekampeerd, ook op plaatsen, zooals het Hertogspark en Tuin De Bus, waar thans geene kazernen meer staan. Aan de zuidzij van het plein vond men zeven kazernen, met hare smalle zijde naar het plein gewend, de middelste van steen, de andere van hout; daarachter nog zeven houten kazernen. Langs drie zijden van het plein waren officierswoningen, waaronder heele blokken reeds in steen opgetrokken
*) De tegenwoordige Komediebuurt [Jl Gedung Kesenian] heette nog in 1823 de Middelweg van Weltevreden.

Oud Batavia I, 412 Noot

[Jakarta 6 – Sipajersweg] 

Aan den Engelschen tijd herinnert de Sipajersbrug, dat is de brug aan het eind van den Sipajersweg, welke weg in 1823 nog geen naam had en genoemd is naar de brug. De pasar voor de Sipajers, de Military Bazar, was waar thans de Loge en de gevangenis staan. Deze pasar brandde in 1818 af.

Oud Batavia I, 413-414

[Jakarta 6 – Monument] 
[Jakarta 6 – Hooggerechtshof] 
[Jakarta 6 – Paleis] 
[Jakarta 6 – Wandelpark] 

Volgens de bepaling van 1797 had Daendels het land bezuiden Kali Lio van zijn voorganger moeten overnemen. Hij ging echter op den toenmaals ingeslagen weg door en verkocht zijn land aan het Gouvernement, dat dus thans het heele vroegere particuliere land Weltevreden met Kwitang in eigendom bezat. Daarna werden Kwitang en Pasar Senen door de Regeering weder van de hand gedaan, doch er kwam eene order uit Holland om van verderen verkoop af te zien.
Een jaar nadat Daendels Weltevreden had verkocht, werd den 7 Maart 1809 besloten, een nieuw paleis voor den Gouverneur-Generaal te bouwen aan de Paradeplaats. De Luitenant-Kolonel J.C. Schultze, dezelfde die ook de Harmonie heeft ontworpen, maakte de plannen op. Ondanks den nijpenden geldnood ging alles op reusachtige schaal. Het hoofdgebouw was uitsluitend voor den Gouverneur-Generaal bestemd. In afzonderlijke gebouwen zouden de gouvernementsbureaux worden ondergebracht; men had zich blijkbaar nog niet losgemaakt van het denkbeeld, dat de kantoren, evenals in het Kasteel, nabij het paleis moesten staan. Verder werd er gerekend op logeer- en andere gebouwen, o.a. stallen voor 120 paarden. Men begon met grooten ijver en gebruikte voor de fondamenten de afbraak van het oude Gouvernement in het Kasteel. Toen het hoofdgebouw reeds gedeeltelijk onder dak was en de beide vleugels half klaar, werd Daendels vervangen door Janssens, die van de voltooiing afzag, op de halfklare gebouwen een atapdak zette en ze verder liet staan zooals ze waren. Dat heeft zoo vijftien jaar geduurd. […] Eerst in 1826 belastte Du Bus den hoofdingenieur Tromp met de voltooiing ten gerieve van de gouvernementsbureaux, die op Gaanderijenburg of Kantor Baroe zeer slecht gehuisvest waren. Achter het anno 1828 voltooide paleis werd in 1829 een plantentuin en wandelpark aangelegd, die mislukten, omdat de planten er niet groeien en de Batavianen er niet wandelen wilden. Dat terrein werd bij Resolutie van 7 April 1829 Tuin Du Bus genoemd. (Ongeveer in 1853 zijn de officierswoningen in Tuin Du Bus gezet.) Ook de Willemsbrug en het Waterlooplein kregen toen hun naam. De tegelijk vastgestelde benaming La Belle Alliance werd later vervangen door Willemslaan. In het paleis vinden wij anno 1835 beneden het Postkantoor en de Landsdrukkerij gevestigd en verder het Hooggerechtshof en de Algemeene Secretarie. Op 1 Mei 1948 werd het afzonderlijke gebouw voor het Hooggerechtshof in dienst genomen. In 1828 was op het plein de gedenkzuil gezet met daar bovenop een spelend kardoesje, dat als Nederlandsche leeuw fungeert.

Oud Batavia I, 415

[Jakarta 6 – Leeuw] 

Het Waterlooplein is langen tijd de verzamelplaats geweest der Bataviasche beau-monde. Zondagsavonds speelde daar de militaire muziek en wemelde het er van rijtuigen en ruiters. Ook donderdagsavonds was en is er zelfs heden nog muziek, maar geen mensch denkt er meer aan, het concert bij te wonen, dat bij kleine lampjes in een donker hoekje van dat groote veld wordt afgetoeterd.

Oud Batavia I, 415a

[Jakarta 6 – Roomschen] 

Intusschen was in den noordwesthoek van het plein de Roomsche kerk gezet. Sedert het herstel van het Nederlandsch gezag had daar de Legercommandant gewoond, maar Du Bus die streng Katholiek was, bestemde het terrein der woning van den hem antipathieken Generaal De Kock, Grootmeester der Loge, voor het nieuwe kerkgebouw. Deze anno 1829 ingewijde kerk is anno 1890 ingestort. Het heeft vele jaren geduurd eer de middelen bijeenwaren om eene nieuwe kerk te bouwen.

Oud Batavia I, 415-417

[Jakarta 7 – Koningsplein] 

Een deel van het tegenwoordige Koningsplein heette oudtijds het Buffelveld, en nog lang heeft men het plein familiaar betiteld als het “Buffeltje”. Het kan zijn, dat bij den eersten bouw van Batavia alhier aarde was uitgegraven om steenen te bakken; men had een gemakkelijk transport langs de rivier. Zoo kunnen er kuilen zijn ontstaan en buffelpoelen. Nog in 1797 liet men hier de steenen bakken voor den aanleg van het kampement op Weltevreden.
Elders vernamen wij, dat het noorderdeel van het tegenwoordige Koningsplein van ouds behoorde tot het Buitenhospitaal en als weideveld diende voor de koeien van den Binnenregent. Op dit veld zien wij reeds in 1796 en in 1804 eene revue der troepen houden; een der toeschouwers beschrijft het als “une plaine immence”. De tegenwoordige weg langs Koningsplein Noord en de brug, die van daar naar de Rijswijkstraat leidt, bestonden reeds in 1800. In 1802 was de Regeering zoo vriendelijk, een deel van dit weiland, dat pas door aankoop nog was uitgebreid, cadeau te doen aan den Raad Extraordinair W.H. van IJsseldijk, die zich daarbij verplichtte, het overige land, bestemd voor exercitieveld, aan te plempen en gelijk te maken. Of Van IJsseldijk deze verplichting is nagekomen, blijkt niet, wel, dat hij bezuiden de gegraven vaart, op het tegenwoordige Rijswijk, verschillende groote huizen heeft gebouwd, die er voor een deel nog heden staan.
In 1809 besloot nu Daendels op zijne grootscheepsche manier om een reusachtig exercitieveld aan te leggen, dat Champ de Mars zou heeten. Daartoe werden van allerlei personen, meestendeels van Van Riemsdijk, de gronden aangekocht, die het oude weideveld van het Binnenhospitaal den omvang hebben gegeven van het tegenoordige Koningsplein. Het aplaneeren kostte echter veel geld en nog jaren lang bleef het terrein zeer moerassig. Met huizenbouw aan deze vlakte werd eerst in 1818 begonnen, toen het plein zijn nieuwen naam kreeg. De Regeering verkocht toen perceelen aan de gegadigden en schreef tevens eene rooilijn voor en een model van een houten hek, dat de erven van den weg zou scheiden. Men zal zich die plompe hekken, thans verdwenen, nog wel herinneren. Tegelijk werden een weg en een karrenweg aangelegd rondom het plein benevens een verbindingsweg bij Parapatan met Kampong Lima [Jl Kebon Sirih]. De karrenweg is de tegenwoordige wandelweg. Daarna is het Koningsplein vrij spoedig met groote huizen omringd geworden, behalve aan de noordzij, omdat de terreinen aan dien kant de achtererven vormden van de huizen op Rijswijk. Maar nog in 1830 vond men hier en daar aan dit trotsche plein bamboepaggers en huisjes met atap dak. Zelfs in 1853 stond Koningsplein Noord nog bijna leeg.
Of Daendels’ aanleg van het Koningsplein een zegen voor het nieuwe Batavia is geweest, zal wel de vraag blijven. Naast het ruime Waterlooplein was dit reusachtig exercitieveld overbodig; de heele nieuwe stad werd daardoor uiteengerukt en een enorm wegennet noodzakelijk gemaakt. Van den omvang van het plein kan de Nederlandsche lezer eene voorstelling krijgen uit het politieverbod van 1830 om daar met “vuurwapens” te “jagen”. In 1852 wordt er met Coehoornmortieren proef geschoten. En deze enorme ruimte lag midden in de stad! Zoetjesaan zijn de vele gapingen tusschen de huizen der nieuwe stad aangevuld geworden en aaneensluitende wijken ontstaan, maar dat heeft lang geduurd. Hier stond eene woning, eenige honderden meter verder weer eene, genummerd waren zij niet en het was, bijvb. voor een nieuw aangekomene, een onbegonnen werk om vele bezoeken af te leggen. Het is dan ook vermakelijk, om de eerste Indische indrukken te lezen van menschen, die hier om het midden der 19e eeuw aankwamen en zich moesten presenteren, eerst op Goenoengsari, daarna op Tanahabang, vervolgens op Koningsplein Oost, dan op Salemba, bezoeken, die alleen per huurrijtuig te doen waren – en die huurrijtuigen waren peperduur en men was platzak en had een zwart pak aan en verstond geen Maleisch en was o zoo warm en zenuwachtig en miserabel!

Oud Batavia I, 417 Noot

[Jakarta 7 – Sterreweg] 

Kebonsirih heet in 1853 “de nieuwe weg achter het Koningsplein”, of ook “de vervallen defensielijn achter het Koningsplein”. Daar woonde toen K.F. Holle, de “vriend van den landman”, destijds Commies bij een der Departementen en in het bezit van eenig fortuin. Naar hem is door den volksmond Gang Holle genoemd, wier officieele benaming de “Sterreweg” was. Kebonsirih is natuurlijk nooit officieel gedoopt.

Oud Batavia I, 442-noot

[Jakarta 6 – Halkema] 

Gang Halkema [genoemd] naar J.T. Halkema, in 1861 eigenaar van het Hotel Willem II op Goenoengsari, tussen Gang Halkema en Gang Cornelius;

Oud Batavia I, 442-443

[Jakarta 4 – Berendrecht] 
[Jakarta 5 – Drosserspad] 

Zooals wij reeds hebben aangestipt, schijnt het Drosserspad al van 1649 te dateeren; in 1685 heet het reeds “de oude heerenweg”. Vermoedelijk werd dit pad door de patrouille van het fortje Jacatra gevolgd, als zij op drossers, dat is weggeloopen slaven, uitging, wier aanhouding eene premie opleverde; dit zal zijn “de passagie die se (de drossers) nu gemeenlijk nemen”, zooals het in 1682 heet. De verbetering en bebouwing van Gang Patjenongan dateert van 1825 en hangt samen met den aanleg van Pasarbaroe, evenals toen ook de Berendrechtslaan en Batoetoelis zijn aangelegd. De eerste draagt haar naam naar het landgoed Berendrecht, dat van Molenvliet liep tot Gang Petjenongan, een vroeger eigendom van Zwaardecroon’s schoonzoon Cornelis van Berendregt. Batoetoelis heet naar een ouden steen met opschrift, die er vroeger stond, gang Thiebault naar den onderwijzer Alfred Thiébault, 1848
In 1862 liet deze te Batavia drukken eene Nouvelle généalogie chronologique des Rois de France. Niet met dergelijk werk echter maakte de man geld en werd hij huisjesmelker maar door zijn kasteleinschap eerst van de [sociëteit] Concordia en daarna van de Harmonie. Naar aanleiding van een door hem gefabriceerd vers in de Fransche taal betitelt hij zich in de Javabode van 23 Oct. 1869 als den “Tollens van Batavia”.

Oud Batavia I, 444-445 Noot

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 
[Jakarta 6 – Sectie III] 

Zoo herinnert de Defensielijn van den Bosch aan een hersenschimmig plan van zekeren bewierookten Gouverneur-Generaal, die thans, evenals nagenoeg elk ander Landvoogd te Batavia zoo volkomen vergeten is, dat slechts enkelen de beteekenis dier benaming begrijpen. Zijn plan was, om van Weltevreden een versterkt kampement te maken. Wij noemen dit plan eene hersenschim, omdat de reusachtige omvang dezer versterkte linie onmogelijk had kunnen worden bezet of verdedigd. Batavia dankt daaraan echter den aanleg van verschillende nieuwe wijken. De linie zou de tegenwoordige Defensielijn volgen, daarna de Parapatanbrug, Kebonsirih (dat expres hiertoe is aangelegd en pas omstreeks 1853 bebouwd werd), vervolgens recht door bewesten Tanahbang (welk gedeelte der linie echter nooit voltooid is) en dan Noord naar Petodjo, voorts Petodjo, Gang Ketapang, Sawahbesar (dat tot dusver wezenlijk eene groote sawah was) en Krèkot. Het politiegebouw op Krèkot tegenover Pasarbaroe staat binnen een bastion dezer geprojecteerde linie. De brug naar Goenoengsari werd eerst in 1848 gebouwd. Het centrum der verdediging zou de citadel Prins Frederik vormen, die binnen een verboden kring lag, met een straal van 300 roeden, welke zich naar eenen kant uitstrekte tot de tegenwoordige Gang Pool, naar den anderen het hele Waterlooplein omvatte. Wanneer het versterkte kamp eens belegerd mocht worden en de gebouwen binnen den verboden kring werden geraseerd, zou er van het nieuwe Batavia al heel weinig staan zijn gebleven.

ILW Jakarta 5 Rijswijk Prapatan Kwitang briefkaart

De Defensielijn bestond uit een lagen wal en eene smalle gracht. Die langs Sawahbesar werden al in 1870 opgeruimd wegens gezondheidsredenen. Datzelfde jaar werd de verboden kring opgeheven. De gracht en aarden wal tusschen de Parapatanbrug en de Krammatbrug verdwenen tijdens de voorbereiding van dit Gedenkboek.

Prapatan / Kwitang.[Briefkaart – Boekhandel Visser & Co., Weltevreden]

Oud Batavia I, 445 noot

[Jakarta 6 – Pasarbaroe] 

Het terrein van Pasarbaroe is reeds door Daendels in 1809 aangekocht en geaplaneerd. De pasar is aangelegd in 1821 en volgende jaren. Hij werd het eerst verpacht met 1 Jan. 1825, inclusief het recht tot het houden eener paarden- en beestenmarkt. Oorspronkelijk bestond hij uit evenwijdige en onderling even lange blokken winkels, beginnend bij de brug tegenover den Schouwburg. Anno 1828 liet de Regeering een aantal perceelen West en Oost van deze pasar verkoopen, behoorend tot het in 1809 aangekochte terrein. De Jav. Cour. van 22 Sept. 1849 stelt vast, dat de pasardagen alhier zijn Maandag en Vrijdag. Misschien echter is hier eene verwarring met pasar Weltevreden [Pasar Senen].

Oud Batavia I, 451-455

[Jakarta 2 – Tijgersgracht] 

In niets verschilt onze koloniale maatschappij zoozeer van de hedendaagsche als in het houden van slaven. Natuurlijk is daarover vooral door onze Engelsche vrienden, in wie immers humanitaire beginselen belichaamd zijn, de staf gebroken, een weinig vergetend dat bij hunne landgenooten in Bengalen dezelfde vorm van dienstbaarheid bestond en dat hun edelaardige Raffles ten gerieve zijner Singapoersche Chineezen wel Balische slavinnen heeft ingevoerd.
Het was ook niet de Hollandsche “wreedheid”, die de slavernij op Java bracht. Slavenhandel bestond van ouds in den Archipel, tot onze dagen toe, en dat onze eerste kolonisten al spoedig slaven kochten, lag in den aard der zaak. […]
Al dadelijk wordt onze aandacht getrokken door de belangrijke omstandigheid, dat in de eerste tijden na Batavia’s stichting de benoodigde slaven, voor zoover zij geene krijgsgevangenen waren, grootendeels werden gehaald van den vasten wal, uit Bengalen, Arrakan, Malabar en vooral de kust van Cormandel, waar oorlog, zeeroof en hongersnood altijd hun contingent leverden. Dit oorspronkelijk karakter der Bataviasche slavenwereld heeft gevolgen gehad, welke nog heden waarneembaar zijn, doch zich vroeger veel sterker deden gelden. Immers met die slaven uit de landen “om de West” kwam het basterd-Portugeesch naar Batavia, dat overal aan de zeekusten min of meer verstaan en gesproken werd en de natuurlijke tusschentaal vormde van den Hollandschen meester tot den Voor-Indischen slaaf, een taaltje dat zich door zijn gebrek aan spraakkunstige vormen even goed daartoe leende als het straat-Maleisch of het pidgin-English. Eerst nadat dit basterd-Portugeesch zich stevig vastgezet had te Batavia, begon men zijne slaven in grooter massa uit den Archipel te betrekken, vooral uit Bali en Zuid-Celebes, ondanks dat de Regeering deze nationaliteiten voor gevaarlijk hield en nu en dan den invoer uit die landen verbood. In mindere mate kwamen zij bijvb. van Timor, van Nias, van Borneo’s Zuidkust en elders. Alleen de inboorlingen van Java mochten volgens de wet geen slaaf zijn, eene wijze bepaling, want bij de toestanden, die in de 17e en 18e eeuw op dit eiland heerschten, zou niets de inlandsche Hoofden hebben belet om hunne onderhoorigen te verkoopen. Men zou dus te Batavia overstelpt zijn geraakt met slaven van één landaard, terwijl thans de slaven van verschillende nationaliteit elkander niet konden luchten, zoodat er nooit wezenlijk gevaar is geweest voor een algemeenen slavenopstand.
Op den invoer was geene beperkende bepaling. Soms blijkt een invoertol te bestaan, die in den zak van den Shahbandar schijnt te zijn beland. Het werd echter spoedig gewoonte, dat een transport slaven eerst bij de Heeren der Regeering werd rondgeleid, die daaruit tegen inkoopsprijs hunne keuze deden. Het eenige cijfer van den invoer is 4.000 per jaar in den tijd van [G.-G.] Van der Parra (de maandstaten van den invoer in het Dagregister betreffen alleen de met inlandsche vaartuigen aangevoerde slaven.), maar vroeger moet het veel geringer zijn geweest, eensdeels omdat Batavia toen nog zoo ongezond niet was en anderdeels omdat men veel minder slaven gebruikte.
Zeker vertelt Cornelia Johanna de Bevere in een brief van 1689, dat tot hare huishouding 59 slaven behoorden. Maar deze jongedame van deftige familie, dochter van een Raad van Indië, was beneden haar stand getrouwd met den burgerparvenu Jurriaan Beek, een Indischen jongen, die thans door veel vertoon zijne maatschappelijke minderheid trachtte te verbeteren zonder daarin te slagen, want zelfs voor zeer bescheiden stedelijke baantjes werd Beek telkens door de Regeering van de voordracht geschrapt. In tegenstelling tot bovenvermelde huishouding blijkt uit boedelbeschrijvingen, dat toenmaals zelfs bij de hoogste ambtenaren het aantal slaven vrijwat geringer was. De latere toeneming hield gelijken tred met de toenemende weelde. Reeds in Beek’s gezin hadden de meesten hunner, zooals uit dien brief zijner vrouw blijkt, heel weinig te doen. Zij dienden grootendeels voor vertoon, voor staatsie. Vandaar dat in Van Riemsdijk’s woning anno 1775 op de Tijgersgracht een tweehonderdtal slaven, mannen, vrouwen en kinderen, gehuisvest waren, die men met geene mogelijkheid den ganschen dag kan hebben beziggehouden, en zoo ging het destijds in alle rijke gezinnen. Deze slaven vertegenwoordigden vaak een belangrijk kapitaal. In een boedel van 1782 worden zij getaxeerd op 33.000 Rds. De sterfte onder dit kostbaar personeel was buitengewoon hoog, ook omdat het was gehuisvest in de soort kamers zonder luchtverversching, die nog heden aan inlandsche bedienden worden toegewezen, en die destijds wel meer dan ééne slavenfamilie moeten hebben geherbergd. Uit de registers der slaven in den Engelschen tijd blijkt, dat zeker drie vierde daarvan niet te Batavia waren geboren maar ingevoerd om het aantal op peil te houden. Het totaal in Batavia en Ommelanden beliep in 1816 ruim 12.000 zielen; het hoogste aantal in ééne hand was 165. Buiten het Bataviasche was het veel kleiner, omdat de andere Hollandsche nederzettingen uit een tijd dateerden, toen men al min of meer met Inlanders had leeren omgaan en dus niet uitsluitend slaven noodig had. […] Dat men slaven best missen kon, dat men beter een goedkooper bediend werd door vrije Inlanders, werd te Batavia pas duidelijk na de Engelsche verovering. De Engelsche officieren wilden geene slaven hebben. Dit moet navolging hebben gevonden. Bovendien waren de tijden er niet meer naar om veel geld te steken in een bezit met zooveel risico. En ook de opvatting, dat slavernij voor den heer even onteerend is als voor den knecht, moet gaandeweg veld hebben gewonnen. Gelukkig is de afschaffing der slavernij hier slechts zeer geleidelijk geschied. Men schreef 1860 voordat de laatste slaven, tot hun groot ongerief, vrijman werden.
Natuurlijk heeft de positie der slaven en hunne behandeling zich in de loop der tijden gewijzigd in overeenstemming met de wijziging in de zeden en opvattingen der koloniale maatschappij. In de ruwe, maar van godsdienstzin doorzulte maatschappij der 17e eeuw kon de behandeling buitengewoon hard zijn, terwijl tegelijkertijd oprecht gestreefd werd naar de redding der heidensche slavenzielen. In de 18e wordt de behandeling beter, naarmate men zich om het zieleheil minder bekreunt. In de 19e is de slaaf een bescheiden huisgenoot, om wiens leven hiernamaals geen mensch zich bekommert. Bestonden er heden nog slaven, men zou vermoedelijk de kerstening weder trachten aan te vangen.

Oud Batavia I, 462

[Jakarta 5 – Drosserspad] 

Wat het drossen betreft, reeds in 1622 wordt geklaagd over den overlast van weggeloopen slaven, die in het bosch op roof uitgaan. Dit euvel kreeg in de 17e eeuw een verbazenden omvang. Het “Drosserspad”(Gang Petjenongan) dankt er zijn naam aan. De samengerotte benden weggeloopen Balische, Boegineesche en Makassaarsche slaven werden ten slotte eene wezenlijke macht in de Ommelanden en Krawang, waartegen de Regeering nu eens met diplomatisch beleid, dan weer met de wapenen moest optreden, totdat het aan Camphuijs gelukte dit gevaar te bezweren. Sindsdien hoort men niet meer zooveel van wegloopen. Wel werden nog voortdurend prijzen betaald voor de opvatting van drossers, wel liep de veiligheid door zulk gespuis steeds gevaar, maar de kans dat slavenbenden zoo iets zouden worden als de Boschnegers in Suriname, bestond niet meer. Menschendiefstal bleef altijd voorkomen: men bepraatte een slaaf om met goed van zijn meester weg te loopen, maakte hem dat goed afhandig en trachtte hemzelf te verkoopen. Ook vrijheidsberooving was te Batavia zeer wel mogelijk, sedert in 1765 was bepaald, dat de tegenwoordigheid van een slaaf niet meer noodig was bij zijn verkoop. Een vreemde Inlander, niet in staat om zijne identiteit te bewijzen, moet daardoor kans hebben geloopen om achter zijn rug om verkocht te worden en dan als slaaf aan den kooper te worden overgeleverd. Maar van wegloopen hoort men in het begin der 19e eeuw bijna nooit meer, en als men zich voorstelt wat een lui leventje de meeste slaven moeten hebben geleid en hoe hulpeloos zij in eene bedrijvige maatschappij moeten hebben gestaan, is dit zeer verklaarbaar

Oud Batavia I, 489

[Jakarta 3 – Glodok] 

Maar het belangrijkste element der bevolking van Batavia na het Nederlandsche bestond uit de Chineezenkolonie, eene kolonie welke, ondanks nationale gebreken en ondeugden, boven de Nederlandsche uitblonk in ijver, werkkracht, ondernemingsgeest, aangeboren zin voor vrede, orde, gehoorzaamheid aan ouders en Overheid. Mits hare neiging tot stille inkruiping, omkooperij, ontduiking van lastige bepalingen gestadig werd gecontroleerd en tegengegaan, kon deze kolonie van Chineezen geenerlei staatkundig gevaar opleveren, aangezien hun vaderland zich hoegenaamd niet bekommerde om zijne in den vreemde gevestigde landskinderen. Elk land heeft de Chineezen die het verdient. Dat over de Bataviasche in den regel met lof kan worden gesproken, dat eene “China town” als te San Francisco hier nooit heeft bestaan, is voorzeker grootendeels te danken aan de goede behandeling, welke deze vreemdelingen onzerzijds genoten.

Oud Batavia I, 486-487

[Jakarta 1 – Hoenderpasarbrug] 
[Jakarta 1 – Roa Malakka] 

De Bataviasche Mooren bewoonden al vroeg de buurt Pakodjan, heden ten dagen de wijk der Arabieren van Hadhramaut. Daarom zijn echter Mooren nog geene Arabieren. In tegendeel, men bespeurt de aanwezigheid dezer laatsten pas in 1809. Het politiereglement van 1828 zegt uitdrukkelijk: “Onder de Mooren zijn de Arabieren niet begrepen”. ‘Mooren’ (het Portugeesche Mouro, Mohammedaan) waren de Mohammedaansche ‘Clingen’’, d.i. eigenlijk de bewoners van Kalinga, de Cormandelkust benoorden Paliacate. Niet zelden bespeurt men eene tegenstelling tusschen Mooren en Jentieven (van het Portugeesche gentio, heiden), de niet-Islamsche bewoners dierzelfde streken.

Oud Batavia I, 492-494

[Jakarta 1 – Utrechtsche straat] 

Deze overgroote aanvoer van Chineezen, de daaruit ontstane leeglooperij en onveiligheid en de verkeerde wijze waarop men die trachtte tegen te gaan, zijn de onmiddellijke aanleiding geworden tot den Chineeschen opstand en den Chineezenmoord van 1740, eene slachting van Bataviasche tokohouders, handwerkslieden, koeli’s en dergelijk volk, dat waarschijnlijk zeer weinig gemeen had, ook in geboortestreek en taal, met de pootige kerels die daarbuiten op het land werkten. Maar een Chinees was een Chinees en als die daarbuiten oproer maakten, dan zouden die binnen de stad natuurlijk meedoen, vond men. Maar zóó zat er in China de trek naar Batavia in, dat reeds enkele jaren na den Chineezenmoord al weer geijverd werd tegen te grooten aanvoer van onbedreveen arbeiders, ondanks de zware sterfte onder hen, die zoodanig was, dat in 1808, toen er maar twee jonken aankwamen, in alle industrrieën een gebrek aan handen werd ondervonden.
Hoe groot het aantal Chineezen was, is niet te zeggen. Afgaande op de statistieke lijsten in het Dagregister, zou men concludeeren dat van 1730 tot 1740 nooit 5.000 zielen van dezen landaard te Batavia met zijne voorsteden hebben gewoond, zoodat het gewoonlijk opgegeven aantal van 10.000 gedoode Chineezen de helft te veel zou zijn.
Wij zeggen: in stad en voorsteden, waant eene Chineezenwijk bestond niet. In Oud-Bantam zoowel als te Jacatra vinden wij hen bijeenwonen in een apart kwartier, maar van de Bataviasche Chineezen schrijft Valentijn: “Zij bewoonen overal in de stad de beste plaatzen”, en dit wordt door de bewaarde wijkrol van 1706 geheel bevestigd. De beste plaats voor handelaren was langs de kali. Welnu, de beide zijden der rivier tusschen de Hospitaalsbrug en de Hoenderpasarbrug (dus de Javabankbrug en den Grooten Boom) waren in 1706 bijna geheel Chineesch, uitgezonderd een kleine rij Hollandsche huizen aan Kalibesar West, benoorden eerstgemelde brug. […] Verder woonden de Chineezen verspreid door de stad, vooral in de hoekhuizen, zegt Nieuhof; natuurlijk, want een straathoek is dde beste plaats voor een winkel, en in 1720 heet het dat alle winkeliers en de meeste herbergiers Chineezen zijn. […]
Na de ‘uijtroeijing’ der Chineezen en de verbranding hunner huizen volgde weliswaar reeds 22 October 1740 eene amnestie, maar daaraan sloot zich alras een verbod om binnen de stad te wonen en zelfs om er na zonsondergang te vertoeven. De leeggekomen erven werden, daar alle rechthebbenden uit de wereld waren geruimd, door de Compagnie genaast of, als er eene hypotheek op rustte, te haren behoeve verkocht. Voor menig Bataviaan mag het eene opluchting zijn geweest, om op deze ongehoorde manier van lastige schuldeisers en tokoberen te worden verlost, maar vele geldschieters en vooral de Weeskamer en Boedelmeesteren hadden groote verliezen te boeken als gevolg van de vermoording hunner debiteuren en de verbranding der huizen, die hun onderpand vormden. De reeds tanende bloei van Batavia was onherstelbaar geknakt door de vernietiging van den handelsstand, de verbreking van commercieele betrekkingen en het teloorgaan van kapitaal.

Oud Batavia I, 494-495

[Jakarta 3 – Glodok] 

Daar de Regeering nu geene Chineezen meer in de stad wilde toelaten, bestemde zij in 1741 tot Chineesche ‘campong’’ het kwartier der Zuidwestervoorstad bezuiden de Sirih- of Lijnwatiersgracht [Jl Petak Baru]. (Nog in 1810 sprak men van de Chineesche ‘kampong’, dan weder van de Chineesche ‘kamp’. Dit laatste is denkelijk het Portugeesche ‘campo’.)
Om dit Chineezenkwartier beter “onder het bereijk van ons geschut” te houden, werden verbrande huizen […] weggebroken. Dit is de oorsprong van het Glodokplein, dat in 1745 werd vergroot door de raseering van het terrein tusschen de Glodokbrug en de nog bestaande Kali Klenteng, waardoor men een schootsveld kreeg voor de batterij op den hoek der Waterplaats, dat is het rondeel, waarvan de muur nog onlangs bij de Glodokbrug te zien was. Het oude Glodokplein was derhalve veel grooter dan het hedendaagsche. […]
Dit is alzoo de oorsprong der Chineesche kampong, een allerschilderachtigst gedeelte van Batavia met eene gezellige drukte, die aan provinciale marktdagen in het Vaderland herinnert, zoo smerig als het er vooral vroeger was, toen elk Chinees varkens hield. De in den Compagniestijd aldaar aanwezige grachten zijn thans gedempt. De Areeksgracht is geworden Kongsi Besar [Perniagaan Timur], de Sirihgracht heet aan hare zuidzij thans Tongkangan, aan hare noordzij Petak Baroe, een naam, ontleend aan de tachtig petakken, welke de Compagnie aldaar in 1776 liet bouwen en gedeeltelijk aan Europeanen verkocht, maar grootendeels aan Chineezen. Veel meer pittoresk is echter de buurt Blandongan langs de Krokot, de Chinoiserie der “bocht” (“Blandongan” komt van landoeng: een weg met eene bocht) van de Heerengracht.

Oud Batavia I, 497-498

[Jakarta 3 – Kapitein-Chinees] 

… want zonder Chineezen zou er nooit iets van belang door onze Compagnie op Java zijn verricht. Dat de Regeering dit vanouds volkomen inzag, blijkt uit de bizondere positie, welke zij hun Kapitein inruimde of liever toeliet in te nemen, want van eene regeling zijner bevoegdheden is zeer weinig sprake. Zijne macht bestond, volgens de oude regeling alleen daarin, om “alle cleene voorvallende saecken onder de Chinesche burgerije uijt onsen name aff te doen ende de groote off dubieuse aen ons voor te dragen off tot Schepenen te renvoyeren”. Wij zagen evenwel dat Bencon, de eerste Kapitein, al terstond wegens machtsmisbruik op de vingers moest worden getikt, en het lijdt geen twijfel dat de feitelijke macht van den Kapitein over zijne landgenooten veel grooter zal zijn geweest dan de afdoening van “cleene voorvallende saecken”. Maar de Regeering bemoeide zich daar verder niet mee. Het werd 1754 voordat een Chineezenreglement werd opgesteld, waaruit, evenals uit latere aanduidingen, zooveel blijkt, dat de Chineesche officieren tot dusver een eigen blok hadden voor de vastzetting van delinquenten of lastige individuen, en dat elk Chinees voor zijne vergunning tot vestiging, verblijf en vertrek, evenals voor zijne uitzetting afhankelijk was van het goedvinden dier officieren, denkelijk zelfs voor de vergunning om te trouwen, ofschoon dit eerst in 1786 werd bepaald. En nu mocht dat blok in 1754 worden verboden, de officieren zouden geene Chineezen geweest zijn, als zij dit verbod niet hadden ontdoken – de hand van den Baljuw was wel te vullen. Een denkbeeld van de wijze, waarop de Kapitein zijne positie versterkte, geeft de mededeeling uit 1680, dat elk Europeaan te zijnen huize zooveel arak kon drinken als hem lustte. Dat de verpachtingen oudtijds bij hem aan huis plaats hadden, is reeds gezegd. Toen dit was afgeschaft, bleef niettemin tot 1797 de gewoonte bestaan, om oude Compagniesschepen daar te verkopen, en zoo zal er wel meer van zijne gastvrijheid (want bij venduties werd braaf gedronken) geprofiteerd zijn. In 1793 komt aan het licht, dat de Gouverneur-Generaal in eigen persoon tot dusver per maand 400 Rds. “tafelgeld” van den Kapitein trok en op nieuwjaar eene fooi van een “zak” of 1000 Rds. Dit opent perspectieven, van welke wij beschaamd dan blik afwenden.

Oud Batavia I, 504

[Jakarta 6 – Sentiong] 

Bewesten het fort Jacatra begroeven derhalve de Chineezen van ouds. Eerst in 1668 verkocht de Compagnie hun dezen grond, waarvan zij tot dusver enkel het gebruik hadden genoten. Zij hadden echter ook al beoosten het fortje hunne graven gevestigd en daartoe in 1660 den noodigen grond aangekocht. En die olievlek der Chineesche begraafplaatsen nam steeds grooter omvang. Wij vinden die alras ook bezuiden Jacatra, terwijl in 1696 en 1697 eene begraafplaats werd aangekocht aan weerskanten van den ouden loop der Groote Rivier, welke door herhaalden aankoop enorme uitbreiding erlangde. Alle pogingen der Regeering om dit doodenveld buiten het gezicht der woningen langs Goenoengsari te houden, hebben schipbreuk geleden op het taaie volhouden der Chineezen. Omstreeks 1745 kochten zij zelfs een land dat tot Kemajoran liep. Eindelijk deed Mossel hun in 1761 de buitenplaats over, waarschijnlijk den ouden “tuin” van Pieter van Hoorn […]. Sedert heet dit huis Sien Thiong, nieuwe begraafplaats, in den volksmond Sint Joeng, thans Sentjong. De oudste graven op dit land lagen op het noorderdeel en naar den kant van het Drosserspad, maar volgens gewoonte breidde het complex zich spoedig uit.

Oud Batavia I, 508

[Jakarta 1 – Heerenstraat] 

Gelukkig werd de dobbelzucht der Chineezen meer dan goedgemaakt door hun verbazenden ijver in allerlei bezigheden. Vanouds was de heele groententeelt, arak- en suikerindustrie in hunne handen; hunne talrijke en goedkoope theehuizen en gaarkeukens (men denke aan de namen Theewaterstraat en Nasikoeningstraatje) boden soldaten, matrozen en ambachtslui gelegenheid om voor een paar stuiver zich te verzadigen of zich te tracteeren op thee met confituren; als sampanvoerders waren zij onmisbaar bij het verkeer langs de grachten of op de reede; als klontong’s liepen zij de stad af met koopwaartjes; de winkelnering was grootendeels in Chineesche handen en allerlei ambachten beoefenden zij; als reeders en pachters durfden zij kansen wagen, die den Hollanders afschrikten.

Oud Batavia I, 510

[Jakarta 4 – Graf] 
[Jakarta 4 – Mohammedaansche Chineezen] 

De Mohammedaansche Chineezen daarentegen noemde men destijds Paranakan’s, een naam die heden uitsluitend wordt gebruikt voor de alhier meest uit inlandsche of basterd-Chineesche moeders geboren Chineezen. Vooral Balische slavinnen, die als heidenen geen afkeer van varkensvleesch kenden, zijn door de Chineezen gehuwd. Natuurlijk waren het de beste Chineezen niet, die tot den Islam overgingen; hunne drijfveer was gewoonlijk alleen de wensch om daardoor het Chineesch hoofdgeld te ontduiken. Na den opstand van 1740 echter, toen de Chineezen uit Batavia werden geweerd, zag men velen Moslim worden om weer toelating te krijgen.

Deze Paranakan’s stonden niet onder den Kapitein-Chinees doch onder de inlandsche Hoofden. Overigens was hunne rechtspositie nogal onbepaald, vooral in erfzaken. In 1766 duikt voor het eerst een afzonderlijke Paranakan-Kapitein met inlandschen naam op. Ofschoon zij nu eene “Compagnie” heetten te vormen en een eigen wacht- en gardoehuis bezaten, zij woonden verspreid en gebruikten voor hunne godsdienstoefeningen de moskeeën der kampongs waar zij huisden, steeds door hunne inlandsche kamponggenooten bespot om hun gemis van een eigen bedehuis. Het werd 1786 eer de Paranakan’s eene eigen moskee bouwden op een land van hun Kapitein aan de oostzij van Molenvliet, de nog bestaande moskee van Kebondjeroek, die getuigenis aflegt van een eigenaardig gebrek aan Islamsche geest. Immers als er iets tegen den Koran zondigt, dan zijn het de Hollandsche tegeltjes met voorstellingen van menschen en dieren, waarmee de ingang van dit bedehuis versierd is. Een wonderlijk mengsel van Islamsch en niet-Islamsch vertoont ook het daarbij gelegen graf van 1792, […] een Mohammedaansch graf met Chineesch opschrift, Arabisch jaarcijfer en Chineesch ornament vol drakenkoppen en dergelijke verfoeilijke afgoderij. Volgens de overlevering zou daar de vrouw zijn begraven van den bouwer der moskee, dus van Kapitein Tamien Dosol Seeng. Nog meer dan de moskee blijft dit merkwaardige graf eene herinnering aan de oude Paranakan’s. Ook elders op Java treft men hen wel aan, onder eigen Hoofden, maar hoe zij zich na het herstel van ons gezag anno 1816 hebben opgelost in hunne Mohammedaansche omgeving, zoodanig dat thans hun naam nooit meer in verband wordt gebracht met den Islam en enkel de hiergeborenen aanduidt, is niet meer na te speuren. In 1827 overleed de Paranakan-Kapitein Mohammad Japar, die de laatste Bataviasche titularis moet zijn geweest, immers het reglement van het volgend jaar maakte een eind aan de indeeling der bevolking naar nationaliteiten of afkomst.

Oud Batavia I, 512, 516-518

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Wanneer men in werken over den Compagniestijd den naam “Mardijkers” te Batavia ontmoet, zal men wellicht onderstellen, dat deze menschen aan een dijk woonden of met het onderhoud daarvan waren belast. Men had immers te Batavia zoo goed als te Amsterdam een Haarlemmerdijk. Waarom dus ook geen Mardijk? Maar als men ziet, dat reeds in 1616 onze Mardijkers in de Molukken worden vermeld, begrijpt men de zaak anders. Inderdaad komt de naam (men schrikke niet!) van het Sanskrietwoord maharddhika, dat “grootmachtig” beteekent en in den Hindoetijd op Java een geestelijke of monnik aanduidde. Aangezien nu een dergelijke heilige man vrijdom van belastingen genoot, is het woord mardika een vrijgestelde of vrijgelatene gaan beduiden, of in het algemeen een vrij man in tegenstelling tot een slaaf. Nog heden kent men in de omstreken van Batavia de tanah mardika, dat zijn perceelen grond, die oudtijds van de Compagnie in vrijen en vollen eigendom zijn ontvangen en niet willekeurig geoccupeerd op het land van een ander.[…]
De oorsprong der Mardijkers ligt in den voortijd, lang voordat de Hollanders in den Archipel verschenen.
Na de verovering van Malaka door de Portugeezen in 1511 gaven zij aan de vrijgelaten slaven vergunning om, onder voorbehoud van verplichte diensten, op zichzelf te wonen. Reeds hier vinden wij derhalve eene Aziatische bevolkingsgroep, als vrijgelatenen tegengesteld aan de rest der bevolking, nauwer dan deze verbonden aan den Europeeschen overheerscher en hem dienstplichtig. Herinnert men zich nu, dat een hoofddoel der Portugeesche kolonisatie de kerstening der Ongeloovigen was en dat hunne overheersching niet minder op de Kerk steunde dan op de wapenen, dan is het duidelijk dat zij onder deze vrijgelatenen hunne eerste bekeerlingen moeten gemaakt hebben, ook omdat de overgang tot het Christendom hen nauwer aan deze overheerscher moest verbinden en in nog scherper tegenstelling brengen met de overige bevolking. En wanneer nu de van hen gevorderde diensten, zooals eveneens duidelijk is, allereerst in den krijgsdienst bestonden, dan begon dus deze klasse van samenwonende en gekerstende vrijgelatenen een staand garnizoen van de veroverde vesting te vormen, althans eene zeer betrouwbare landweer. Bij den doop ontvingen de bekeerlingen een Portugeeschen naam. De aanzienlijkste Portugeesche edelen stelden er prijs op, om als doopvader over hen te staan en hun persoons- en familienaam op hen over te dragen. Dan volgde natuurlijk eene naäping der Portugeesche kleeding. Als omgangstaal werd het Portugeesch gebruikt, dat, ontdaan van spraakkunstige vormen, overal aan de zeekusten om de West van Indië ingang had gevonden en aldaar ook na den ondergang der Portugeesche macht in gebruik is gebleven. Maakte men bekeerlingen onder vrijgeboren heidenen, dan geraakten dezen in dezelfde verhouding als de bovenvermelde vrijgelaten slaven. […]
Een zelfde systeem als de Portugeezen volgde in de Molukken de Spanjaarden. De onzen werden daar alras gewaar, welk eene kracht deze vreemde Christeninlanders voor de landsverdediging waren. Wanneer wij zelven op sommige eilanden als vrienden door de heidensche bevolking werden ontvangen enkel omdat wij varkensvleesch aten, in tegenstelling tot hare Mohammedaansche vijanden, hoeveel sterker moest dan de vriendschapsband niet zijn bij eenheid van geloof en taal! Apollonius Schot raadt daarom al in 1610 aan, om, behalve Europeesche burgers, ook bekeerde heidenen naar de Molukkken over te brengen bij wijze van garnizoen, en Coen schrijft in 1614 naar Ternate: “Tracht U E. fortresse en plaetzen met Christenen te populeren”.
Maar op zoo ruimen voet, zoo systematisch, heeft onze Compagnie nooit gehandeld. Zij kreeg hare Mardijkers mannetje voor mannetje. De allereerste zijn krijgsgevangen inlandsche soldaten der Spanjaarden en Portugeezen, die na de Compagnie eenige jaren gediend te hebben hunne vrijheid hadden erlangd en burger werden. Zij bleven dan eene toelage in geld of natura trekken onder verplichting om de Compagnie zoo noodig te blijven dienen. In 1622 blijken niet alleen alle Bataviasche Mardijkers een rijstrantsoen van de Compagnie te genieten, maar evenzoo hunne vrouwen en kinderen; bovendien trokken de mans en de kinderen eene geldelijke toelage. De Compagniesslaven, waaronder heel wat met Portugeesche namen, dus Portugeesche bekeerlingen, konden eveneens ter aanmoediging eene geldelijke toelage ontvangen; ook van dezen zal wel een gedeelte, om de anderen tot ijver te wekken en de burgerij te vermeerderen gaandeweg zijn vrijgelaten. Daarbij voegden zich dan nog de vrijgelatenen der particulieren. Het spreekt verder vanzelf, dat Christenen het eerst voor vrijlating in aanmerking kwamen en dat men door het rijstrantsoen invloed kon uitoefenen op de bekeering der overigen. Vandaar dat Mardijker en Christen vrijwel synoniem werden,
Reeds bij de belegering van ons fort te Jacatra in 1619 ontmoet men aan onze zijde Christen “swarten”. Het anno 1620 opgerichte burgervendel bestond voor een deel uit hen. In 1626 staan de “vrije swarten” even goed als de Nederlandsche burgers op de schuttersrol, en hoeveel meer vertrouwen men in de Mardijkers stelde dan in de onchristen Inlanders, al kwamen deze eveneens onder de wapenen, blijkt in 1653, toen het er op aankwam en de wallen moesten worden bezet: men liet de onchristenen thuis en gebruikte enkel de Europeanen en Mardijkers. Wat men het minst vertrouwde, was hun Protestantisme. In de eerste helft der 17e eeuw werden de Bataviasche slaven bijna uitsluitend gehaald uit de landen “om de West van Indië”, Arrakan, Bengalen, de kust van Cormandel, Malabar. Het Compagnies slavenkwartier heette dan ook het Tayoolsch of Malabaarsch kwartier. In die landen “om de West” hadden de Portugeesche paters ijverig gearbeid en eene zucht naar “het Pausdom” bleef nog lang onder onze Mardijkers merkbaar. Veerscheen er een Roomsche pater in de stad, dan liepen zij bij hoopen van de preek naar de mis.
De bloeitijd van het Mardijkerdom is de laatste helft der 17e eeuw. In de 18e blijft het eerst stationnair, gaat dan langzaam achteruit en holt eindelijk den ondergang tegemoet. Daarmee gepaard gaat de groei, stilstand en achteruitgang zoowel van het gebruik der Portugeesche taal te Batavia als van de Portugeesche Hervormde Gemeente. Omstreeks 1820 is er van dat alles niets meer over en herinnert alleen nog de naam “Portugeezen”, waaronder de minste klasse der Europeesche maatschappij, voor driekwart inlandsch, verstaan wordt, aan de vroegere Mardijkers.

Oud Batavia I, 531-532

[Jakarta 5 – Jonathan Michielsz] 

Augustijn Michiels, die onder den naam van “Majoor Jantji” nog heden niet geheel vergeten is, de grootste Bataviasche landeigenaar die ooit heeft geleefd, dankte zijn fortuin niet aan eigen arbeid doch aan de omstandigheid dat zijn vader voor zeer geringen prijs het land Kalapanoenggal van de Compagnie had gekocht. De “vogelberg” op dat land, dat wil zeggen de klippen met eetbare zwaluwnesten, wierp schatten af en maakte den aankoop van steeds meer landen mogelijk. Zijn vader Jonathan Michiels, wiens grafsteen op Tanahabang ligt, moet dus, aleer hij Kalapanoenggal kocht, eenig fortuin hebben gemaakt, hetgeen destijds omstreeks 1770, zelden meer onder Mardijkers voorkwam, terwijl daarentegen vroeger, tot ongeveer 1740 toe, welgestelde Mardijkers geene zeldzaamheid waren geweest.

Oud Batavia I, 542

[Semarang – Steen] 
[Semarang 2 – Soldatenkinderen] 

Nog veel grooter dan te Batavia was echter te Samarang het percentage halfbloeds. Hier had de Regeering omstreeks 1687 het concubinaat opzettelijk in de hand gewerkt, omdat zij aldaar geene gezinsvorming wenschte. (Eene reden hiervoor wordt nergens vermeld.) De getrouwde vrouw, vooral de Europeesche, was er geweerd, met het gevolg dat men er reeds in het begin der 18e eeuw opgescheept zat met een massa Indo-paupers, voor welke de Regeering soms wat deed, soms niets. Van Imhoff bouwde voor deze verstootelingen anno 1746 het Samarangsche weeshuis.

Oud Batavia I, 543

[Jakarta 5 – Steen] 

Zelfs Europeesche volbloeds, in Indië geboren, werden niet voor vol aangezien. Men moet den piepjongen Dominé Valentijn, pas te Batavia aangeland, maar eens met neerbuigende goedheid hooren verklaren, dat Henri de Bollan “voor een Indisch kind een ongemeen bekwaam heer” was – en daarbij weten dat Henrri de Bollan, wiens grafzerk men nog op Tanahabang kan zien, uit Europeesche ouders was geboren, tien jaar ouder was dan Valentijn en te Leiden in de rechten gepromoveerd; hij heeft het gebracht tot Landdrost. Zelfs schijnen deze ïndische kinderen”, wier kwade reputatie wel te wijten zal zijn aan de misselijke, tusschen slaven en slavinnen opgegroeide Bataviaantjes, die voor hunne educatie naar Holland werden gezonden, in Nederland geene gelijke rechten te hebben genoten als de daargeboorenen. Althans Cornelis Chastelein, iemand van zuiver Hollandsche afstamming, kleinzoon van zijn bekenden naamgenoot doch in Indië geboren, achtte het na zijne repratieering noodig, in 1730 en 1735 een verzoek om “brieven van naturalisatie” te richten tot de Staten van Holland, die hem ten slotte met een “geboren Hollander” hebben gelijkgesteld. Maar dat men toch veel door de vingers zag, bewijst wel de benoeming van Willem Adriaan van der Stel, die wel degelijk inlandsch bloed in de aderen had, tot Schepen van Amsterdam.

Oud Batavia I, 542

[Semarang – Steen]

Nog veel grooter dan te Batavia was echter te Samarang het percentage halfbloeds. Hier had de Regeering omstreeks 1687 het concubinaat opzettelijk in de hand gewerkt, omdat zij aldaar geene gezinsvorming wenschte. (Eene reden hiervoor wordt nergens vermeld.) De getrouwde vrouw, vooral de Europeesche, was er geweerd, met het gevolg dat men er reeds in het begin der 18e eeuw opgescheept zat met een massa Indo-paupers, voor welke de Regeering soms wat deed, soms niets. Van Imhoff bouwde voor deze verstootelingen anno 1746 het Samarangsche weeshuis.

Oud Batavia I, 547

[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 

Opmerkelijke persoonlijkheden zijn er onder de Bataviasche Mixtiezen zeer weinig geweest. De meest bekende is Pieter Erbervelt, zoon van een rijkgeworden Duitschen schoenmaker en leerlooier en ter dood gebracht als aterling en landverrader. Over dezen armen drommel, more sinned against thans sinning, en zijn schandsteen aan den weg van Jacatra is echter reeds zooveel geschreven, dat wij dien ouden vriend hier liever met een knikje voorbijgaan.

Oud Batavia I, 548

[Jakarta 2 – Kast] 

Niet geboren te Batavia doch aldaar den 30 April 1818 op 60-jarigen leeftijd gestorven, is een meer geruchtmakend Mixties, Doctor in de Philosophie, Meester in de Rechter, agitator, officier, politiek balling, lid van het Comité tot de Zaken van den Oost-Indischen Handel en Bezittingen, dat in 1796 het college van Heeren Zeventien verving, eindelijk lid van den Raad van Justitie te Batavia, Mr. Pieter Philips Jurriaan Ondaatje, kleinzoon van een Brahmaan en zoon van den volbloed-Malabaar Willem Jurriaan Ondaatje, welke laatste het Seminarie te Colombo afliep, in Nederland studeerde, aldaar huwde met Hermina Quint en op zeer verdienstelijke wijze een predikantsplaats vervulde eerst te Colombo, later te Jafnapatnam.

 

Oud Batavia – Tweede deel

Oud Batavia II, 31-32

[Jakarta 1 – ‘Toko Merah’]

Maar Cook’s meening, dat het Heerenlogement op eene zeer ongezonde plek stond, vond gaandeweg bijval. In 1786 werd het afgebroken en voor een nieuw logement de beide huizen aangekocht, die thans de Toko Merah of Bank voor Indië aan Kalibesar West uitmaken, welke vroeger beide aan Van Imhoff hadden behoord, later evenzoo beide aan Mossel’s dochter Philippine Theodora en haar tweeden man Nic. Hartingh, en waarvan het noordelijke het laatst bewoond was geweest door Mevrouw de Klerk, die er op oudjaarsdag 1785 was overleden, terwijl het zuidelijke behoorde aan Mevrouw Van der Parra. Maar het Heerenlogement wilde daar niet bloeien. Het werd slecht beheerd, de logementen in de stad begonnen te concurreeren en het privilege dezer inrichting aan te randen, de handel ging sterk achteruit en de vreemdelingen, die nog in het Heerenlogement trokken, maakten weinig vertering. Daar kwam nog de ongezondheid bij. In 1808 werd de inrichting verplaatst […].

Oud Batavia II, 32

[Jakarta 4 – Chaulanweg] 
[Jakarta 4 – Berendrecht] 

De naam Gang Chaulan vonden wij het eerst in 1841, evenals ook “de gang naast mevrouw de douairière Chassé op Molenvliet”, die thans Gang Chassé heet. De eerste was oorspronkelijk een particuliere weg, die daarna door het Gouvernement is overgenomen, evenals ook Gang Scott en de Berendrechtslaan.

Oud Batavia II, 32a

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

Later heette het Hôtel de Provence het Rotterdamsch Hotel. Op 1 Mei 1856 werd dit het Hôtel des Indes, juist in de dagen dat Multatuli daar logeerde na zijn ontslag uit ’s Lands dienst

Oud Batavia II, 32b

[Jakarta 5 – Hotel Java] 

Het Javahotel werd geopend 1 Aug. 1853.

Oud Batavia II, 32-33

[Jakarta 1 – Stadsherberg]

Voor menschen, die niet terstond na aankomst den verren tocht naar Weltevreden konden beginnen, werd in 1849 de Stadsherberg aan het havenkanaal tegenover den Uitkijk geopend, met het Zwaard en den Krans in den gevel, bekroond, niemand heeft ooit geraden waarom, met drie struisveren van den Prins van Wales.

Oud Batavia II, 33-34

[Jakarta 5 – Oger frères] 

Een curieus monopolie werd in 1662 gecreëerd: Europeesche kleeren mochten voortaan alleen door Christenen worden vervaardigd. Aan slaven en Compagniesdienaren werd verboden het snijdersvak uit te oefenen. Wij ontmoetten den inventaris van een kleermakerswinkel in 1659, waar de binnenkamer als verkoopplaats, denkelijk ook als atelier, diende. Uit de enorme hoeveelheden stoffen voor kleeding, welke men in rijke inboedels der 18e eeuw aantreft, valt wellicht af te leiden dat men zoo mogelijk door een eigen slaaf-kleermaker zijne plunje liet maken. Omstreeks 1800 en later bespeuren wij een niet onbelangrijke import van gemaakte Europeesche heeren- en dameskleeding, die op Bataviasche wijze alllerzonderlingst wordt geadverteerd, bijvb. “geborduurde neteldoeksche dameskleedjes” samen met slaolie en paardetuigen. Deze invoer van gemaakte kleeren heeft nog lang geduurd, nadat er al goede tailleurszaken waren gevestigd. In 1833 adverteert een importeur “gemaakte heerenrokken van den eersten kleedermaker uit Pareis”. […] De oudste heden nog bestaande kleermakerszaak schijnt die van Herment, welke al in 1834 voorkomt als de zaak van A. Herment en F. Biavet. Eerst in de Jav. Cour. van 1 Dec. 1841 adverteert P. Oger “Mr. kleedermaker komende van Parijs”, dat hij zich heeft geassocieerd met zijn collega J. Kuijt, die eene zaak op Noordwijk had. Met 1 Jan. 1840 begon Oger eene eigen affaire, terwijl Kuijt zich met een ander associeerde. In Oct. 1847 verhuisde eerstgenoemde naar de Rijswijkstraat tegenover de Harmonie en met 1 Jan. 1848 begon de firma “Oger frères”. Het welbekende hoekhuis staat, zooals het nog heden is, reeds op eene plaat van 1859. Oger’s faam is verzekerd door een klassiek onderhoud, dat Multatuli eens met den chef heeft gehad over eene gebarsten spanbroek, die hem de snerpende uitspraak op den hals haalde: “Au salon, Monsieur, on se tient debout!!”

Oud Batavia II, 34

[Jakarta 5 – Steen] 

Van de oudste tijden af is te Batavia brood gebakken. Ook den Chineeschen bakker vinden we al in 1634. Tarwe kreeg men uit Bengalen, Japan, Souarte, later ook van de Kaap. Deze werd met handmolens gemalen, totdat Jacques de Bollan en Pierre des Bancs in 1655 hun watermolen bouwden, die spoedig werd gevolgd door den compagnies korenmolen “onder ’t fort Batenburg”. Was de tarwe op dan bakte men brood van rijstmeel, hetgeen tot het pijnlijke dilemma leidde, of met rijstbrood ook het Avondmaal mocht worden gevierd. Valentijn zegt van ja, andere niet minder diepzinnige godgeleerden hadden daartegen ernstige bedenking. Wanneer wij echter in 1706 lezen, dat de bakkers overkropt zijn met werk tengevolge van de duurte der rijst, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat bijvb. de slaven in den regel rijst of rijhstbrood aten, en alleen tarwebrood als het andere niet te krijgen was.

Oud Batavia II, 40-41

[Jakarta 1 – zijstraat Jl Teh]

Een ander kenmerk van het Bataviasche huis is, behalve het hooge en steile dak (dienend om de zonnewarmte zooveel mogelijk van de bovenverdieping te houden), de aan weerskanten aangebrachte trapzijgevel, […] waarvan thans nog slechts één oud huisje het voorbeeld heeft bewaard. Aan beide uiteinden van de nok staat namelijk een blinde schoorsteen […]. Later is deze trapzijgevel veranderd in een breeden op de zijgevels rustenden en boven het dak uitstekenden gemetselde band. Boven op de nok staat nog steeds het schoorsteentje (thans niet meer zoo hoog als oorspronkelijk) en aan het ondereind van den band, boven de uitsteker, het onderste trapje. Deze beide dingen, het schoorsteentje en het in het dak uitstekende trapje, zijn misschien het meest kenmerkende deel van het Bataviasche huis. Al is de onderbouw nog zoo veranderd, aan het schoorsteentje herkent men onmiddellijk den Hollandschen oorsprong of de nabootsing van den Hollandschen stijl.

Oud Batavia II, 65-66

[Jakarta 4 – Tegeltjes] 

Eigenaardig doet het aan, wanneer men in de stad Hollandsche tegeltjes ontmoet met bijbelsche voorstellingen of vaderlandsche poppetjes en huisjes en landschapjes. Evenals de klinkers zijn ze altijd in groote massa overgevoerd om aangebracht te worden hetzij in den voorgevel van huizen, hetzij in de kamers of op binnenplaatsen, zelfs in goten. Meestal lopen zij langs den vloer als een plint van twee of drie hoog; op de binnenplaats is de tegelbedekking van den muur hooger. Zij zijn blauw of bruin op wit. In Hollandsche huizen op Ceilon vindt men ze eveneens.

Oud Batavia II, 67

[Jakarta 3 – Masjid] 

Onze Hollandsche tegeltjes, die trouwens eene alleraardigste versiering vormen, werden te Batavia zoo geliefd, dat men zelfs inlandsche graven, ja, wat nog erger is, moskeeën met deze voorstellingen van menschen en dieren ziet getooid, welke vloeken tegen het Koranverbod om levende wezens na te bootsen, een verbod, dat anders zóó streng is nageleefd, dat men nagenoeg nooit een Oud-Hollandsch meubel in eene inlandsche woning ontdekt, waaraan niet de mensch- en dierfiguren, het “beeldwerk”, verminkt zijn.

Oud Batavia II, 67-68

[Jakarta 3 – Bidhuisje] 

Aan zijne nok verraadt zich ook de Chineesche bouwmeester der anders bijna volkomen Hollandsche woningen in Gang Blandongan, waarvan wij eene photo geven. Vergelijkt men deze photo met plaatjes van andere huizen, dan valt de Chineesche noklijn terstond in het oog. Bovendien volgt een Chineesch huisheer gaarne den ouden regel om zijn leven verborgen te houden; deze huisjes staan dus achter een muur, welke in de rooilijn der straat ligt, en hebben derhalve een voorpleintje achter de straatdeur.

Oud Batavia II, 69

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

Zoo ging het prachtige landhuis van De Klerk op Molenvliet met zijn enorm erf in 1786 voor slechts 19.800 Rds. aan Siberg over, hoewel Molenvliet toen voor de deftigste wijk gold. Met deze lage prijzen stemmen de lage huren overeen. Valentijn vindt 18 Rds. per maand voor een goed huis op goeden stand een hogen huurprijs. Had in zijn tijd een Raad van Indië geene dienstwoning, dan genoot hij 24 Rds. huishuurvergoeding. Omstreeks 1725, den tijd van Batavia’s grootsten bloei, was de hoogste huishuur 80 Rds., een vijftig jaar later slechts 40. Gedeelten van een huis of kamers werden nooit verhuurd. De vreemdeling, die niet in een commensalenhuis of logement zijn intrek verkoos te nemen, was verplicht een heel huis te huren.

Oud Batavia II, 72 – 76

[Jakarta 4 – Arsip Nasional] 
[Jakarta 4 – Voordeur] 
[Jakarta 4 – Trap] 
[Jakarta 4 – Bovenverdieping] 
[Jakarta 4 – Benedenverdieping] 
[Jakarta 4 – Bijgebouwen] 
[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

Ongeveer uit denzelfden tijd als Schreuder’s huis, is dat van Reinier de Klerk op Molenvliet West. Deze begon in 1755 met het koopen van een perceel, dat zich na latere uitbreiding eindelijk uitstrekte van de Krokot in het Westen tot den Molenvlietschen dijk in het Oosten en kampong Bali in het Zuiden. Denkelijk zal De Klerk terstond na 1755 met den bouw van het huis zijn begonnen, waarvan in zijn tijd verschillende teekeningen zijn gemaakt, die met den tegenwoordigen toestand, vooral van den achtergevel, niet geheel overeenkomen. Bij zijn dood bestond het uit “een groot steene voorhuis, twee zijvleugels, was- en pakhuijs (zelfs een G.-G. had een pakhuis), slaave vertrekken, combuijs, paardestallen, wagenhuijsen en koetsierswooning, benevens nog een gebouw met diverse agterkamers, weleer door Zijn Hoog Edelheijds lijfwagt g’occupeerd”. Tot die “lijfwagt” had indertijd Jehoeve Leip Benjegiehiel Snijder behoord, een Poolsche Jood van Grodka bij Lemberg, die als 22-jarige jongeman anno 1774 in Indië was gekomen, en op een kwaden dag een duchtig pak rammel had gekregen wegens plichtsverzuim, hetgeen hem bij alle Aartsvaders had doen zweren, dat hij nog eens tout Batavia te gast zou nooden in hetzelfde huis, waar hij nu op heete Prügelsuppe was onthaald. De Klerk overleed, zijne weduwe volgde hem, Siberg kocht het huis en woonde er ruim dertig jaar, maar zelfs de taaie Siberg moest eindelijk het hoofd buigen en toen viel dat enorme landgoed uiteen. Het huis werd nu in 1818 gekocht door Lambert Zegers Veeckens, maar die wilde er weer af. Toen kwam de kans van ons Joodje, dat na ommekomst van zijn dienstverband burger was geworden onder den meer menschelijken naam van Leendert Miero en zich had gevestigd als goudsmid. Lezen en schrijven had hij niet geleerd en leerde hij nooit, maar de kunst van goudmaken verstond Jehoeve Benjegiehiel. Zelfs was hij eigenaar geworden van het landje Pondok Gedeh *] achter Meester Cornelis, alwaar, naar het schijnt, zijn graf nog heden te vinden is. In 1819 kocht hij nu eindelijk De Klerk’s oude huis. Nog vijftien keer heeft hij daar met Palestijnschen humor een groot feest kunnen geven op den gedenkdag van zijn doop met rotanolie en zijn eed bij Abraham, Izaäk en Jacob. Op den aartsvaderlijken leeftijd van 79 jaar overleed hij den 10 Mei 1834. Later, in 1843, is het huis door de Diaconie aangekocht, van welke het in 1900 door het Gouvernement werd overgenomen, teneinde het te beschermen tegen den sloopersmoker. Daar huist thans het Mijnwezen, het is echter bestemd voor Landsarchief. […]
Het eenige landelijke is, dat het huis vrij staat en dus zijbelichting heeft. De uitsteker loopt om het huis heen; daardoor is het trapje in het verlengde van den gevel verdwenen; de schoorsteentjes zijn veranderd in vaasvormige blokken natuursteen. De inrichting echter wijkt […] van de Bataviaasche af; zij heeft daarmee zelfs heel weinig overeenkomst meer.
Op de bovenverdieping, die, als wij het goed begrijpen, het eigenlijke woonhuis was, is het grondplan van Schreuders huis gevolgd. Zij bestaat uit drie voorkamers en drie achterkamers; tusschen deze beide rijen van drie loopt over de gansche breedte van het huis de met fraaie bovenlichten en eene plint van tegeltjes versierde zaal, die aan weerskanten vensters heeft naar den tuin. Eene gang bestaat noch boven noch beneden; men gaat steeds door de kamers heen. De trap (die in vergelijking zelfs tot de kleinste huisjes in de stad zeer eenvoudig is, maar nog steeds boven een “spinnetje” loopt) heeft men weggestopt in de linksche bovenvoorkamer; zij komt uit in de linksche benedenvoorkamer, hetgeen de huiskamer of zaal slechts gedeeltelijk vrijwaart voor een aanhoudend va-et-vient, want men moet er altijd doorheen om van de achterbovenkamers naar beneden te komen en omgekeerd. Die achterbovenkamers zullen dus wel bestemd zijn bijvb. voor linnenkamer, porceleinkamer of iets dergelijks, waar men niet telkens in en uit liep.
De benedenverdieping bevat vrijwel dezelfde indeeling. Zij is echter niet bestemd voor woning doch voor ontvangst, representatie en bezigheden van huisheer en huisvrouw. In plaats van de groote zaal is dus eene kleinere in het midden met aan weerskanten eene kamer. Tezamen beslaan deze twee zijkamers ongeveer de halve ruimte die de zaal zou hebben gehad, wanneer zij gelijk was geweest aan die op de bovenverdieping. Elk dezer twee zijkamers kan door een trapje en eene deur in den zijgevel van buiten af worden bereikt.
Door de fraaie voordeur (die echter op een paar oude teekeningen heel veel eenvoudiger is dan thans) komt men terstond in een eenvoudig voorhuis van 8.5 bij 6.25 Meter, vanwaar de bezoeker door eene rij van vier steenen kolommen, die architraaf en fries dragen, naar de zaal gaat, welke voor partijen dient. De deuren der hierop uitkomende zijkamers zijn daarom versierd met fraaie bovenlichten evenals ook de deur naar de middelste achterkamer. Wellicht was de zaal tevens de dagelijksche eetkamer. Voorhuis en zaal hebben eene plint van drie rijen tegels. Haar licht ontvangt de zaal alleen door twee ramen in den achterwand en door de openingen tusschen de kolommen, welke haar scheiden van het voorhuis. Ook hier dus, evenals in de zaal eener stadswoning, een getemperd licht en veel koelte. Van de beide zijkamers dezer benedenzaal zal de eene den huisheer tot kantoor hebben gediend; in de andere zal de huisvrouw hare zaakjes hebben beredderd met kooplui en morgenbezoekers. De extra fraaie deur naar de kamer daarachter stempelt deze beide zijvertrekken tot ontvangstkamers. Eene stoep heeft het huis niet, alleen een bordes. Avondbezoeken zullen zijn ontvangen op het breede bordes achter de middelste der drie achterkamers. Oorspronkelijk echter zag de achterkant van het huis, zooals reeds gezegd, er heel anders uit dan tegenwoordig.
De inrichting lijkt ons over het algemeen meer deftig dan geriefelijk. Om toch vooral eene mooie zaal te hebben, heeft men eene gang uitgespaard en het wegmoffelen der trap is al zeer ongelukkig. Bovendien liggen de bijgebouwen aan weerskanten achter het huis wat ver af. Zij zijn zeer ruim en pittoresk vooral door den zwierigen topgevel; men bereikt ze door eene kolommengalerij, zooals er eene naar de raadzaal in het Kasteel liep. Op de bovenverdieping dezer bijgebouwen zullen aan de straatzij de logeerkamers geplaatst zijn geweest.
*] Het landgoed Pondok Gedeh wordt genoemd door Ido [Ido – Indië in den goeden ouden tijd I, 58-59 / 168-169] en door Van Maurik [Van Maurik – Indrukken van een Tòtòk, 219-220].

Oud Batavia II, 76-77 + noot

[Jakarta 5 – Grafstenen] 
[Jakarta 6 – Sentiong] 

Bij het landhuis daarentegen paste men de voorgalerij reeds toe in een tijd, toen men daarnaast nog typen bouwde […], die zich zooveel mogelijk aan het huis binnen de stad aansloten. Het bewijs hiervoor levert het in 1736 door F.J. Coyett gebouwde buitenverblijf. Dit is thans de Chineesche tempel Sentiong. Vermoedelijk staat het op de plek, waar tevoren Pieter van Hoorn’s landhuis had gestaan. Dit landhuis, dat thans door het afbreken der bovenverdieping en verdere veranderingen slechts een twijfelachtig beeld van het oorspronkelijke geeft, bezit zoowel eene voorgalerij als eene naar Goenoengsari gekeerde achtergalerij. Het curieust van deze laatste is de vloer van roode plavuizen. Aan weerskanten namelijk van den vloer ziet men boven den rand van Cormandelsteen het platte bovenvlak, als eene console, uitsteken van een in den grond begraven Hindoebeeldje. Dit beeldje kan daar enkel bedolven zijn om op het bovenvlak iets anders, namelijk een tweede beeldje te plaatsen, hetgeen bewijst dat men een overvloed van die beeldjes bij de hand had. En daar nu deze consoles en die vloer tot den oorspronkelijken aanleg van het huis behooren, moet de bouwmeester in 1736 eene massa Hindoebeelden te zijner beschikking hebben gehad. Daarom zullen ook de bekende fraaie beelden binnen den tempel Sentiong, welke zoozeer Raffles’ aandacht trokken, reeds bij den bouw van het huis voorhanden zijn geweest. Coyett heeft ze dan van Prambanan, dat in 1733 was bezocht geworden op zijne hofreize naar Kartasoera.
Het huis bestaat, behalve uit voor- en achtergalerij, uit eene diepe zaal, welke aan de eene zijde drie, aan de andere twee kamers heeft. De nogal aardige trap naar de verdwenen bovenverdieping is reeds hier niet in de zaal doch in een der voorkamers. De houten pilaren der zaal behooren evenmin tot het oorspronkelijke huis als de steenen kolommen voor en achter. De bijgebouwen zijn opvallend klein; blijkbaar was het huis niet voor woning bestemd doch eerder voor optrekje. Schuiframen heeft dit oude landhuis nog niet.
Oud Batavia II, 76 noot:
Bij eigendomsacte van 13 Juni 1738 folio 742 is Coyett’s huis ter waarde van 2.500 Rds. overgeschreven op den lateren G.-G. Thedens als echtgenoot van G.M. Goossens, met welke Coyett op zijn sterfbed was gehuwd en die hij tot universeele erfgename had benoemd. Van Imhoff is nooit eigenaar van dit huis geweest, wel Mossel, die het aan de Chineezen heeft verkocht. Door het ontbreken van de aan bovengenoemde acte voorafgaande overschrijvingen laat zich niet met zekerheid vaststellen, dat dit erf het vroegere van Pieter van Hoorn was, hetgeen echter waarschijnlijk is, doordat van de Sluisbrug oudtijds eene vaart of sloot lijnrecht Noordoost op dit huis toeliep (langs de tegenwoordige Gang Pasar Baroe) welke misschien het oudste Goenoengsarikanaal is geweest, bij welks graving Pieter van Hoorn belang had. De aanleg van den weg, dien wij Gang Pasar Baroe noemen, had plaats in 1665, toen Pieter van Hoorn zijn landgoed aanlegde; deze weg liep rechtdoor tot Sentiong.
[Noot van de samensteller. Bea Brommer bevestigt in haar boek “To my dear Pieternelletje” (Leiden, 2015) de veronderstelling van De Haan, dat Joan van Hoorn dit landhuis heeft gebouwd.]

Oud Batavia II, 83

[Jakarta 2 – Kast] 
[Jakarta 2 – Schot] 

Evenals met het Bataviasche huis het geval is geweest, had niemand, tot een vijfendertig jaar geleden, ooit aandacht geschonken aan Bataviasche meubelen.
Enkele belangstellenden wisten wel, dat in het Museum van het Bataviaasch Genootschap eene fraaie oude kast stond, die de Schepenkast heette, een kunstig gesneden schutsel met de wapens van Batavia en de kamers der Compagnie, mitsgaders enkele vreemdsoortige stoelen en wat ouderwetsch huisraad, maar niemand had eenig vermoeden van den overvloed van allerlei oud en kostelijk meubilair, welke niet enkel in Arabische en andere huizen der benedenstad was aan te treffen maar ook in de kampongs rondom Batavia, en dat, wanneer men eens ijverig ging speuren en snorren, van heinde en ver uit Java, uit Madoera, tot zelfs Palembang en Makassar, allerlei oud huisraad, porcelein, glaswerk zou toestromen.

Oud Batavia II, 87

[Jakarta 2 – Ambons hout] 

Wat allereerst bij onze oude Bataviasche meubelen de aandacht trekt, is de variëteit en kostelijkheid der houtsoorten. Zoo onvindbaar als in het hedendaagsche Indische huis een meubel is van ander hout dan djati, zoo onbestaanbaar was vroeger eene inrichting geheel uit eene zelfde houtsoort. Er hebben natuurlijk modes geheerscht evenals thans, nu het djati, dat het rijk alleen heeft, soms een lichter dan weer donkerder of zwart gepolitoerd wordt. Er is een tijd geweest, dat het ebbenhout domineerde en een tijd, dat het uit de mode was geraakt en het Ambonsch hout de voorkeur had verworven, maar van alleenheerschappij eener houtsoort was vroeger nooit sprake. Men had onbewust te veel oog voor kleur, om zich te vergenoegen met de eentonigheid van een gelijkgetint meubilair en kon aan den smaak voor afwisseling te beter voldoen, omdat de Compagnie, van welke toch meest alles moest komen, in dagelijksche betrekking stond tot allerlei landen en streken, waar meubelhout een belangrijk uitvoerartikel vormde, zelfs voor de Europeesche markt. Bovendien nam een naar Batavia overgeplaatst ambtenaar niet zelden uit Ceilon of Bengalen of Ambon of Sourate zijne van inheemsch hout vervaardigde meubelen mee, die dan bij sterfgeval of repatrieering verstrooid raakten door de gansche stad en eene welkome aanwinst vormden bij de heerschende mode.

Oud Batavia II, 92

[Jakarta 2 – Ambons hout] 

Eerst tegen anno 1700 begint te Batavia het Ambonsch hout op te komen, het vetachtige, welriekende, bloedroode linggoea, vol gloed en vlammen, ook angsana genoemd, wat de onzen hebben verbasterd tot “zonnehout”. Ofschoon Ambonsch geheeten, werd het vooral geleverd door Ceram. Door den tijd wordt het zwartachtig; men kan het echter, zegt Rumphius, onderscheiden door er wat zout water op te gieten, dat dan terstond eene groene kleur aanneemt. In de 18e eeuw won dit prachtige meubelhout steeds meer veld, ook in verbinding met ebbenhout voor lijstwerk. Nog omstreeks 1825 komt het dikwijls in boedels voor.

Oud Batavia II, 96

[Jakarta 2 – Schrijfkabinet] 

Natuurlijk moet men ook onthouden, dat een meubel kan zijn ingevoerd uit Europa. Wie met behoorlijke vooruitzichten naar Indië ging, nam niet zelden wat meubelen mee, maar overigens bepaalde zich de invoer uit Europa in de 17e eeuw bijna geheel tot spiegels. In het midden der 18e neemt deze invoer toe, vooral in verband met de opgekomen voorliefde voor marmeren tafelbladen, en tegen het einde dier eeuw, toen het Ambachtskwartier uitteerde en verkwijnde, kreeg de import een belangrijken omvang. Nadat eindelijk het Kwartier was verdwenen, voelde men zich voor goede huisraad zoozeer van Europa afhankelijk, dat omstreeks 1820 geheele ameublementen vandaar werden besteld. De goedkoope Chineesche schrijnwerker won echter gestadig terrein.

Oud Batavia II, 97

[Jakarta 2 – Banku Panjang] 

Komt men in inventarissen van 1661 en later meubelen, vooral ebbenhouten meubelen, tegen, die de notaris beschrijft als “gedraaid” of “geslingerd”, dan is men geneigd dit voor eene aanwijzing te houden, dat te Batavia eene eigen mode zich baan brak, waaraan wij de vele ebbenhouten banken en stoelen te danken hebben, die door hunne getordeerde pooten, leuningspijltjes en dwarsregels evenzeer het oog trekken als door hunne stijve, strakke en ongemakkelijke lijnen. Beschouwt men tegelijk de oostersche motieven van het ornament, dan wordt men versterkt in de meening, hier met iets heel eigenaardigs te doen te hebben. Maar raadpleegt men een handboek over meubelkunst, dan blijkt het model dezer vreemdsoortige voorwerpen eenvoudig ontleend te zijn aan de toenmalige Hollandsche mode. Met ongeveer 1660 begint juist in het Vaderland het schroefvormig gedraaid model op den voorgrond te treden; de stijve, stugge lijnen behooren tot eene iets oudere periode, maar zijn niet minder Hollandsch. Als oostersch blijft dus enkel over het materiaal (zooals gezegd, vooral ebbenhout) en het ornament.

Oud Batavia II, 108 

[Jakarta 2 – Kist en commode] 

Behalve zijn “kooigoed” nam de Oostinjevaarder naar den wal de kist mee, waarmede hij aan boord was gekomen en die zijn hebben en houden bevatte. Tegen beschadiging was de kist voorzien van metalen beslag en knoppen; voor het versjouwen had zij stevige hengsels; het sleutelgat was beschermd door eene metalen plaat. De eenvoudigste samenstelling is wel die met een openslaand deksel. Verlangde men wat meer gerief voor de sorteering van zijn goed, men bracht in de onderhelft laden aan. Om niet te veel te bukken, zette men het meubel op een onderstel. Wie aan de wal dacht te blijven deed onder zijne kist pooten maken. Tot meer gemak liet men het openslaande deksel varen, maakte de pooten hooger en voorzag de heele kist met openslaande vakken of schuifladen, die men beschermde door deuren met een slot. Aldus voltrok zich in Indië, evenals vroeger in Holland, de geleidelijke overgang van de kist tot de kast. De hengsels, die soms nog bij meubels voorkoomen, welke hun karakter van kist al hebben verloren, zijn dan nog eene herinnering aan hunne wordingsgeschiedenis. Zoozeer was de kist en hare nakomelingschap het belangrijkste meubel, dat de “schrijnwerker” veelal werd aangeduid als “kistenmaecker”.

Oud Batavia II, 109-110

[Jakarta 2 – Dinger] 
[Jakarta 4 – Geldkist] 

Eene bizondere soort kist is de geldkist, een onmisbaar meubel in den ouden tijd voor ieder inwoner van zekeren welstand. Men moet soms zeer verlegen hebben gestaan met zijn vermogen *). De Compagnie nam bijwijlen wel geld à deposito, maar een vast gebruik was dit niet; en had men bij haar renteloos liggend kapitaal gedeponeerd, dan was het moeielijk los te krijgen tenzij in den vorm van wissels op Nederland. Aangezien echter iedereen zaken deed, waartoe de voortdurende beschikking over contanten noodig was, hield men deze liever bij de hand in eene houten met ijzer beslagen kist van groot formaat en leende ze uit of zette ze op hypotheek. Andere papieren van waarde dan schuldbekentenissen, hypotheekbrieven en depositobewijzen bestonden niet en deze papieren waren moeielijk verhandelbaar. Eerst later komen daarbij bankbrieven en actiën in de Amfioensocieteit. Men was dus genoodzaakt, veel contante specie op te potten, als men die niet vastlegde in diamanten, goud- en zilverwerk, zooals Indische menschen nog heden gaarne doen; zij beschouwen dan het pronken met hunne bijouterieën als het rentegenot van hun geld, en hebben zij contanten noodig – wel, dan verhuizen ringen en broches en oorknoppen naar het pandhuis. Terwijl tegenwoordig de rijkste menschen veelal geen honderd gulden aan goud- en zilvergeld kunnen vertoonen, ziet men in 1747 eene dame de Regeering bijspringen met 160.000 Rds. zilver. In den inboedel van den G.-G. van Overstraten vindt men aan goud- en zilvergeld meer dan 90.000 Rds., aan preciosa 115.000 Rds., in dien van den Raad van Indië Van Reede tot de Parkeler 650.000 Rds. aan pretenties. Voor dergelijke fortuinen was de houten geldkist van vroeger niet veilig genoeg. In de 18e eeuw kwam dus ook de kist van gesmeed ijzer in gebruik, soms zelfs eene primitieve brandkast of “brandwaarborgkast”, gelijk men vroeger zei, zooals wij er eene zagen, bestaande uit kruislings over elkaar geklonken staven ijzer.
*) Zoo ziet men uit de Javabode van 15 Aug. 1857, dat de N.-I. Escompto Mij. werd opgericht teneinde het Indische publiek in de gelegenheid te stellen om “emplooi te geven” aan kapitalen die “renteloos liggen”.

Oud Batavia II, 110

[Jakarta 2 – Kist en commode] 

De kast, die, zooals gezegd, uit de scheepskist is ontstaan, wordt tot allerlei doeleinden gebruikt en volgt in hare vormen de Nederlandsche mode. Men heeft de “kleerekast”, de linnenkast (een zeer belangrijk meubel), de etenskast, de porceleinkast, de boekenkast en verschillende kastjes voor de bewaring van dingen van waarde of curiositeiten. Het “kantoor” of “comptoir” met metaalbeslag en inlegwerk of verlakt, staande op een voet, maakt al in 1650 zijne opwachting. De latafel of commode met zwellend front en zijden is evenals de hoogere chiffonnière [ladenkast, waarbij de zijstijlen als poten doorlopen] uit het midden der 18e eeuw. Het kabinet met zijne vele loketten en schuiflaadjes wordt intusschen ook wel als bewaarplaats van kleedingstukken gebruikt. De kast heeft soms eene gebogen kap met platte vlakken, waarop een stel “kaspotten” wordt gezet; dan weer draagt zij eene vlakke geprofileerde kroonlijst of eene uitgesneden en met de initialen of het wapen van den eigenaar versierde kuif. De glazenkast vinden wij al in 1667 te Batavia voor bewaring van porcelein; haar eigenlijke heerschappij begint hier echter pas na 1700, toen zij voor meer algemeene doeleinden werd gebruikt, in winkels ook voor etalage.

Oud Batavia II, 113

[Jakarta 2 – Schrijfkabinet] 

Van Bataviasche tafels valt weinig te zeggen. Er is eene kleine vierkante soort die uitgeslagen kan worden, waarbij de pooten zich in de lengte splitsen. Ook het schrijfcomptoir of bureau en de secretaire met neerslaand blad heeft niets eigenaardigs. Soms is er eene kast aan verbonden, zoodat het een schrijfkabinet wordt.

Oud Batavia II, 120-123

[Jakarta 2 – Stadskerk] 

Hoe weinig men van zijn traktement genoot en welke eischen het Bataviasche leven stelde, blijkt uit het volgend budget van een Bataviaasch Predikant, zooals de Kerkeraad dit in 1739 opmaakte om Heeren Zeventien te bewijzen dat hij van zijn inkomen niet bestaan kon, ondanks dat de Predikanten bij lange niet tot de slechtst gesalarieerde ambtenaren behoorden.

Huijshuur per maand Rds. 25 Rds 300
d’Kledinge voor man Rds 150
Do. Voor de vrouw Rds 150 
d’Huijshoudinge per maand Rds. 25 Rds 300
Bier, wijn en verdere vaderl. provisien 1) Rds 100
10 Slaven; voor kleding en onderhoud dags elk gerekend op 2 stuijvers, bedraagt in ’t jaar 2) Rds 150
De interest van 800 Rds. capitael voor 10 slaven ½ per cento per maand; 
voor drossen en sterven der slaven 3)
Rds 48
Het lijnwaat voor tafel en bed, bekleeden van tafels, kussen op stoelen en bancken Rds 50
Per maand aan de barbier een ducaton 4); sooveel aen de wassers en pruikmaker Rds 51
¼ maand huijshuur voor moddergeld Rds 6: 12
Bedragende te samen  Rds. 1305: 12

 

1) In het concept van den brief naar patria dd. 27 Nov. 1739, waarin de Kerkeraad dit budget inlascht, volgt na “wijn”: “Brandewijn, Jenever. Pijpen, Toback, Glasen, Kaas, Ham, Rookvlees”. Deze woorden zijn echter doorgeschrapt en vervangen door: “en verdere vaderl. provisien”’ blijkbaar om den indruk te vermijden alsof Zijn Eerwaarde te gevoelig was voor de streelinge der zinnen en de verlokkking des vleesches.
2) Bij nacijfering blijkt, dat elke slaaf in totaal per dag 2 st. kostte.
3) Dit schijnt te laag berekend. Immers men had niet enkel de rente van den inkoopsprijs (dus 48 Rds.) als winstderving te boeken, maar bovendien het kapitaalverlies door drossen, overlijden en achteruitgang in waarde. Misschien echter werd dit laatste goedgemaakt door de geboorte van slavenkinderen.
4) De ducaton geldt gewoonlijk 78 stuiver. Waarom hij hier op 68 is gerekend, begrijpen wij te minder, omdat de ducaton destijds te Batavia schaarsch waren en opgeld deden.
5) [Moddergeld is een belasting voor het uitbaggeren van de gracht.]


Valentijn had dus wel gelijk, toen hij schreef dat men te Batavia met 3.000 gulden per jaar “niet veel figuuren maken” kon. Soberder leven dan van dezen Predikant is moeielijk te denken en toch ging daarbij nog veel aan vertoon weg. Immers de kleeding van het echtpaar kostte evenveel als de huishouding, en dat men het nu wezenlijk met minder dan tien slaven niet stellen kon, zelfs als er geene kinderen waren, is opvallend.
Welk een verschil bijvb. met den inventaris van den Directeur-Generaal J. V. Stein van Gollenesse anno 1755, die bij een traktement ad ƒ 500.- per maand een woonhuis onderhield aan de westzij der Kali Besar, doorloopend tot de Jonkersgracht *), een fraaien woontuin aan het Molenvliet, een huis op de Tijgersgracht, twee tuinen aan de Antjolsche vaart, het land Soekapoera aan de Tjakoeng en verschillende vastigheden elders. Of men zie den boedel van Nic. Hartingh 1767, die bij de 900.000 Rds. aan papieren van waarde naliet, ongerekend zijne kostbare goederen, zoals het land Weltevreden, zijne huizen aan de Kali Besar en den Jacatraschen weg, zijne contanten, preciosa, meubilair, slaven, rijtuigen, paarden en dranken. Hadden wij van Hartingh eens een dergelijk budget van uitgaven als van den pooveren Bedienaar van Gods Woord, men zou verbaasd staan van zooveel verkwisting.
*) Dit huis staat er nog, aan zijn noordkant grenzend aan het dubbelhuis Toko Merah, dat, gerestaureerd als Bank voor Indië, nog lang een sieraad der stad zal blijven, Wij wensen Gollenesse’s woning hetzelfde toe.

[…] het curieuse budget der uitgaven van een Bataviaasch Predikant, waarop noch voor de kinderen, noch voor een dokter, noch voor een rijtuig, noch voor amusement, noch voor boeken, noch voor den aankoop van meubilair een stuiver is uitgetrokken en welks totaal, 1305 Rds. per jaar, volgens den Kerkeraad niettemin zijne inkomsten overschrijdt. Het is daarom geen wonder, dat de Kerkeraad anno 1777 zegt, dat een Predikant of zijne vrouw zich genoodzaakt ziet handel te drijven om rond te komen. [Oud Batavia II, 236-237].

Oud Batavia II, 163-164

[Jakarta 2 – Grafstenen] 
[Jakarta 5 – Grafstenen] 

Een tweede opmerking is, dat te Batavia eene groote mate van eenvoud werd betracht, vergeleken met de buitenkantoren, zooals wij ook in zake de staatsie van den Gouverneur-Generaal aanteekenden. De zerk van Zwaardecroon is ongetwijfeld fraai en kostbaar, Van Imhoff’s grafsteen is overladen met beeldwerk, maar voor geen enkelen Landvoogd is eene graftombe opgericht, zooals op de buitenkantoren zoo vele stonden, of een mausoleum als dat van den Commissaris-Generaal Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein te Sourate. Wij zien echter ook te Batavia de deftigheid in zoover ten koste der gemoedelijkheid toenemen, dat de verzen langzamerhand verdwijnen. De Raad van Indië Pieter van Hoorn, de Oud-Gouverneur-Generaal Camphuijs hadden er nog schik in gehad om een veelregelig gedicht te vervaardigen, eene soort geloofsbelijdenis bij hun afscheid van het ondermaansche, maar het versje op Michiel Westpalm’s steen van 1734, dat het laatste is, spreekt enkel van zijn arbeid.

Oud Batavia II, 164-165

[Jakarta 2 – Grafstenen] 

Van ouds hebben er steenhouwers behoord tot het Compagniespersoneel te Batavia, zooals reeds uit de Steenhouwersgracht blijkt, den ouden naam der Amsterdamsche gracht. De zerken zelf kwamen van Cormandel. Eene enkele maal zijn ze van “blauw arduin” of “blauwe kuststeen”, maar in den regel van eene grijze, buitengewoon harde soort “kuststeen”, die deskundigen hoornblende noemen; bij de Compagnie heette zij “arduin”. In de buurt van Sadraspatnam was eene Compagniessteenhouwerij en we zien herhaaldelijk dat vloersteenen, drempels, “regtstanders tot poorten”, “middelstanders” en zerken van Cormandel worden overgezonden. Bij den bouw der Hollandsche kerk in 1733 zond men mallen van pilaren en bogen daarheen, ofschoon Heydt een weinig later het steenhouwerswerk in het Ambachtskwartier prijst. Daaruit volgt dus, dat op Cormandel meer in het groot werd gewerkt dan te Batavia.
Wanneer men nu de afbeeldingen van Compagniesgrafzerken bespeculeert, zal men al spoedig een zeker model aantreffen, dat zoowel op de buitenkantoren als te Batavia voorkomt en op hare gemeenschappelijke afkomst uit eene Cormandelsche fabriek wijst. Dit model bestaat uit eene randdecoratie van schubben (met eenige variaties), die op de hoeken en in het midden der vier zijden onderbroken wordt door eene roset, terwijl het familiewapen aan het hoofdeinde van den steen is aangebracht binnen een cirkelvormigen krans, die evenzoo door rosetten verdeeld is in quadranten. Dit is het oudste model, dat op Ceilonsche steenen echter tot 1806 kan worden gevolgd. Een jonger model vertoont, met behoud van de rosetten, een rand van bloem- en bladwerk. Waarschijnlijk is dit alles inlandsch fabricaat. Sommige wapenafbeeldingen, waarbij vooral met den helm vreemd wordt omgesprongen, schijnen eveneens op inlandschen oorsprong te wijzen, terwijl aan den anderen kant op opschriften meestal door Europeesche handen moeten zijn gebeiteld.
Eigenaardig is het nu op te merken, hoe deze steenhouwerij, evenals zulks bij het meubelvak het geval was, in het tweede kwartaal der 18e eeuw breekt met hare Oostersche modellen en een Europeeschen stijl aanneemt. Het schijnt alsof men zich nu rustig gezeten acht en zich naar eigen smaak onbekrompen gaat inrichten. Tusschen deze latere met bloem- en beeldwerk overladen zerken en de oude bestaat een groot verschil.

Oud Batavia II, 165

[Jakarta 2 – Grafzerk] 

De alleroudste bewaarde Hollandsche grafzerk zal wel die zijn van Jacob Dedel te Masulipatnam, anno 1624. Dicht daaraan komt reeds onze Bataviasche van Anthony Caen of De Caen, die al tijdens Coen’s eerste bestuur Schepen en Baljuw is geweest, in 1639 Trinconomale veroverde en op 11 Aug. 1648 werd begraven als Raad Ordinair van Indië. Tavenier, die deze lijkstatie bijwoonde, zegt wel dat de soldaten en matrozen zeer over hem klaagden, maar Caen was denkelijk een Franschman, en kon dus bij zijn tegen onze Compagnie ingenomen landgenoot op geene gunstige vermelding rekenen.
Ook bij de zerk van den Raad Ordinair Cornelis Caesar, overleden 1657, zouden wij met Josua kunnen zeggen: “siet, dese steen sal ons tot een getuygenisse zijn”, want Cornelis Caesar was de voorlaatste Hollandsche Gouverneur van Formosa.

Oud Batavia II, 166-167

[Jakarta 3 – Reiniersz] 

Men begrijpt dat zulke heroën met plechtigheid ter aarde werden besteld, dat is, met Indische plechtigheid, niet zonder een tikje ongewilden humor. Reeds bij de begrafenis van Carel Reiniersz, die nog vrij eenvoudig toeging, verschijnen drie wonderlijke en elkaar neutraliseerende figuren. De eerste is de heraut van wapenen, een ridder zonder vrees of blaam in volle wapenrusting met den commandostaf in de vuist, helaas een ridder te voet, die hevig rammelend in den stoet meespankert. De twee andere zijn de kleermaker en de kok van Zijn Edelheid. Ter verhooging der staatsie hebben beide kereltjes voor een oogenblik ellemaat en pollepel verwisseld met eene moorddadige karabijn, zijn tot lijfstaffieren bevorderd en wedijveren nu met den zwaar geharnasten heraut in parmantigheid van gang en houding. Eigenaardig behooren verder tot de begrafenis van den Gouverneur-Generaal zijne ornamenten: behalve de kwartieren, de regimentsstaf en degen op de lijkkist nog een nagedragen wapenbord, de standaard, het helmet, de sporen, de degen, de handschoenen, de wapenrok. In de kerk werd de lijkbaar over het open graf geplaatst, de ornamenten op het fluweelen kleed gelegd, dat de kist bedekte, en alzoo de doode held een nacht door hellebaardiers bij kaarslicht bewaakt, waarna de kist in den kuil werd neergelaten en de ornamenten daarboven gehangen in eene “wapenkas”. Ook andere hooge ambtenaren hadden hunne ornamenten, maar niet zoo vele. Dit alles droeg een karakter van hooge plechtigheid, van feodale riddertrouw tot in den dood. Maar als men zich den wezenlijken rondmarsch door de stad voorstelt, hoe de zware looden kist, omsloten door eene van hout, waarover tot den grond een fluweelen lijkkleed hing, door onzichtbare matrozen werd getorst, die onder het kleed in het donker voortstrompelden, terwijl een aantal eeredragers, ambtenaren, officieren, schippers en burgers, weliswaar in het daglicht maar tevens in de zon en temidden van stofwolken van de slepende mantels, aan weerskanten de kist schenen voort te bewegen, en hoe, volgens eene oude kroniek, het gevaarte nu en dan werd neergezet om de menschen wat te laten uitblazen, en hoe dan die welgedane en gepruikte heeren samen met de voor den dag gekropen matrozen stonden te puffen om op krachten te komen voor een nieuw zetje ….

Oud Batavia II, 174 noot

[Jakarta 6 – Loge] 

In 1763 werd de loge La Choisie opgericht in het Heerenlogement; later werd zij genoemd La Fidèle Sincérité. Daarnaast verrees in 1768 La Vertueuse (in de wandeling de “gele loge”), die later het in 1785 opgeheven Moorsche Hospitaal aan de noordzij van den weg van Jacatra betrok. De Fidèle Sincérité of “blauwe loge” verhuisde in 1815 van de Ammanusgracht naar een huis van Van Riemsdijk aan de oostzij der Tijgersgracht, terwijl de Vertueuse den 27 Juni 1831 in haar nieuw gebouw aan den Vrijmetselaarsweg trok. De Fidèle Sincérité schijnt toen het vroeger gebouw der Vertueuse aan den weg van Jacatra overgenomen te hebben, tenminste de courant van 9 Aug. 1837 bevat eene advertentie omtrent den a.s. verkoop en afbraak van het gebouw der Fidèle Sincérité op Jacatra. Ten slotte echter heeft zij zich met de Vertueuse vereenigd, tengevolge waarvan den 19 Mei 1837 de Ster in het Oosten werd geïnstalleerd. Het tegenwoordig gebouw werd gezet in 1856.

Oud Batavia II, 175-177

[Jakarta 5 – Harmonie] 
[Jakarta 5 – Rijswijkstraat] 

De tegenwoordige Harmonie dankt haar oorsprong aan een besluit van Daendels anno 1810, die een plan liet opmaken door majoor Schultze, de Weeskamer noodzaakte het vereischte kapitaal te verstrekken en de afbraak der stadswallen beschikbaar stelde als bouwmateriaal. Daartoe zouden behooren eene kolfbaan met open gang voor toeschouwers en eene muziekzaal. Het gebouw was dus niet enkel bestemd voor heerensocieteit maar in den geest van den Townhall te Calcutta, die voor bijeenkomsten van den meest verschillenden aard diende. Misschien dacht de Maarschalk met deze societeit de beide maçonnieke loges te benadeelen, die hij als broeinesten van konkelarij beschouwde. Ter bestrijding der exploitatiekosten zou aan het gebouw eene galerij met tien te verhuren winkeltjes of warong’s worden toegevoegd. Vermoedelijk heeft Raffles deze winkelgalerij laten veranderen in het gebouw voor het Bataviaasch Genootschap in de Rijswijkstraat, dat op 24 Aug. 1814 werd geopend, terwijl de eerste openbare feestelijkheid in de Harmonie pas den 18 Jan. 1815 plaats had ter eere van den verjaardag van Queen Charlotte. […]
Het nieuwe gebouw werd niet al te druk bezocht. Zelfs de rente van hare schuld aan de Weeskamer kon de societeit niet betalen. Om haar in leven te houden, nam dus in 1815 het Gouvernement die schuld over, welke aan het einde van dat jaar bijna 700.000 Java Ropijen, dat is een klein Millioen bedroeg. Het verzekerde zich daarvoor het zeer bescheiden recht, om zoo noodig over de zalen te kunnen beschikken. Aldus is de Harmonie een gebouw van historische beteekenis geworden. Ter gelegenheid van de overdracht der kolonie werd hier op 19 Aug. 1816 een noenmaal gegeven. Den 1 Jan. 1820 gaf Van der Capellen in de groote zaal dezer Societeit het bestuur over aan De Kock. Zijn opvolger Du Bus heeft in 1827 het gebouw willen verkoopen om de middelen te krijgen tot voltooiing van het paleis aan het Waterlooplein, maar nog in 1865 werd het gerepareerd op Gouvernementskosten. Omstreeks 1825 en later werd op Koningsverjaardag in de Harmonie groote feesten gegeven, waar wel zeshonderd genoodigden verschenen, tot de kleinste ambtenaartjes toe, en die dikwijls uitliepen op Oud-Hollandsche vechtpartijen wanneer de klerkjes tegen het eind van het souper gelijk raven op den leeggekomen disch der groote heeren aanvielen en hunne lichtvoetige vriendinnetjes een walsje deden met opgewonden officiertjes. Het laatst werd deze partij gegeven op 19 Februari 1860. Het jaar daarna gaf de Gouverneur-Generaal het verjaardagsdiner in het paleis op Rijswijk. Het eerste vuurwerk op Koningsverjaardag was in 1863, na de vestiging alhier van ”professor” Gors, den pyrotechnicus.
Voor dagelijksch bezoek lag de harmonie te ver buiten het centrum; zij bloeide niet, en zoo lezen wij in de Javabode van 5 April 1861 dat deze Societeit (oneerbiedig gequalificeerd als “jenerverpaleis”) in diep verval is; “reeds één vleugel van het gebouw is ineengestort; het bezoek der zalen, afgestaan voor de boekerij en het museum van het Bataviaasch Genootschap, gaat niet zonder eenig levensgevaar”; het geheel “schijnt een wissen ondergang nabij”. Het gebouw behoorde ook toen nog aan het Gouvernement. Vroeger schijnt de toestand beter geweest te zijn. Omstreeks 1820 was er gewoonlijk eens per maand een bal en souper bij inschrijving; daarna werd het eens per drie maanden en vervolgens hield het op. Einde 1820 kwam er eene primitieve leeszaal. Anno 1847 adverteert de Directie, dat er thans ter lezing zullen liggen twee Nederlandsche kranten, eene Fransche en eene Singapoersche krant benevens drie Nederlandsche tijdschriften.

Oud Batavia II, 177

[Jakarta 6 – Societeit] 

Bij de oude stad vinden wij nog in 1820 op de Verburchsgracht de societeit Concordia en binnen de stad in 1836 de Eendracht, bekend om hare vuistgevechten. De tegenwoordige Concordia komt het eerst voor in eene advertentie van 29 Maart 1836. Daarnaast verrees natuurlijk eene Discordia. Zij was voorafgegaan door eene societeit “De Militaire Eendragt”, die tot doodelijke tweedracht geleid schijnt te hebben).

Oud Batavia II, 194ILW Jakarta 4 Molenvliet rijtuigen

[Jakarta 2 – Tramway] 

In 1816 hielden alle hotels rijtuigen voor hunne gasten. Het eerste begin van een omnibus is in 1817, een rijtuig, dat tweemaal per dag van het logement op Weltevreden naar de stad reed en terug, à f 1.- per persoon en per rit. Maar als men leest, dat in 1835 het minste ritje per rijtuig nog drie gulden kostte, dan voelt men neiging een loflied aan te stemmen op de karpèr, de kar balon zonder portier, waar men over het wiel inklom, de gore sado, de schamele ebro, en zelfs onz’ oude goede baakster, die dribbelt en die wiebelt, en soms amechtig stilstaat, en heel niet meer vooruitkan, en dan huistoe gezeuld wordt tot vreugde van de straatjeugd … en dat is onze stoomtram.[…]
Het eerste plan van een paardentram staat in Javabode 15 dec. 1860. Het ging uit van een J. Babut du Marès. Eerst in het nummer van 10 Aug. 1867 is sprake van een begin van uitvoering. Aldaar blijkt tevens, dat de karpèr alleen werd
gebruikt door Inlanders en Chineezen en dat men zich haast niet kon voorstellen dat publiek van de betere soort ooit van den tram gebruik zou maken, behalve de gasten der hotels. De tram getrokken door “drie onnaspeurlijke bokjes”, werd geopend 20 April 1869. De conducteur gaf signalen met een “seinhoorn”. Er reed slechts één rijtuig tegelijk, en alles zat daar broederlijk dooreen. Bij de helling van de Sluisbrug werd “een voorspan van karbouwen” voor den tram gespannen (Javabode 20 Nov. 1869)

Oud Batavia II, 200

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Uit 1772 hebben wij eene beschrijving, hoe op nieuwjaarsdag het heele kasteelbuitenplein vol rijtuigen van felicitanten stond, die in vaste rangorde werden toegelaten, eerst de Inlandsche Hoofden, die te paard waren verschenen, natuurlijk met hun gevolg, daarna de Heren der Regeering en zoo vervolgens de mindere colleges en autoriteiten. Ofschoon dit alles later is afgeschaft, vinden wij onder Raffles de officieele nieuwjaarsreceptie bij den Landvoogd weder in vollen fleur. Na het herstel van het Nederlandsch gezag hield zij op. Maar op den 24 Aug. 1818 had ’s morgens om 9 uur de eerste audientie plaats door Commissarissen-Generaal gegeven ter gelegenheid van ’s Konings verjaardag, ’s avonds gevolgd door een bal en souper in de Harmonie, waartoe “alle Civiele Ambtenaren en Officieren” werden uitgenodigd. De burgerij mocht thuisblijven. Dit is de oorsprong dezer audientie. Bedoeld als eene vervanging der vroegere nieuwjaarsreceptie, herinnerde zij tot onlangs in hare vormen en vooral in de achterstelling van de burgerij, de vermaarde dertiende groep, bij den ambtenaarsstand, levendig aan onze goede Compagnie.
Nog in 1880 was het geen gewoonte, dat de Gouverneur-Generaal op Koningsverjaardag eene rede hield. Hij ontving enkel de complimenten. Pas anno 1880 hield hij een korte toespraak.

Oud Batavia II, 219-221

[Jakarta 6 – Schouwburg] 

Nog geen jaar na de verovering van Java probeerden dus ook de ongehuwde Engelsche officieren een liefhebberijtooneel te Batavia op te richten, maar het werd 17 October 1814 voordat eene voorstelling plaats had, uitsluitend voor inteekenaren, in eene expres daarvoor gebouwde bamboeloods met 250 plaatsen, waar thans de Schouwburg staat. Het orkest bestond grootendeels uit dilettanten. De Hollandsche bezoekers vonden een paar weken tevoren in de krant een Hollandsch overzicht van den inhoud van het stuk, zoodat zelfs de dames het spel eenigszins konden volgen. De vrouwenrollen werden door heeren officieren vervuld. Voor ons is het interessants bij dit tooneel de houding van het publiek. Een der acteurs had bij de openingsvoorstelling een nogal aardigen en zeer onschuldigen proloog ten beste gegeven, die in de krant verscheen en, zooals trouwens elke letterkundige bijdrage in de Gazette, aanleiding gaf tot eindelooze en steeds heftiger kritieken en antikritieken. Maanden verliepen, eer dit malle zaakje doodbloedde. Bij een paar voorstellingen (men durfde alles aan, zelfs Shakespeare) werd ook een Fransch stukje opgevoerd onder leiding van Pierre Paul Piolle, een Parijschen kleermaker op Noordwijk, die in 1810 op Java was gekomen en ook eigen kluchtspelen in elkaar flikte; in 1820 en 1822 heeft hij een liefhebberijtroepje georganiseerd. […]
De slotvoorstelling der Engelschen was op 3 Juni 1816. Bij hun vertrek gaven zij de bamboeloods aan de ingezetenen ten geschenke, en op 21 April 1817 had daarin de eerste voorstelling plaats van het Nederlandsche “liefhebberijtooneel” Ut desint vires, tamen est laudanda voluntas.
In 1821 verrees terzelfder plaatse de steenen schouwburg uit vrijwillige bijdragen en met steun der Regeering, die behalve den grond ook de materialen van een paar gebouwen schonk, daaronder de afbraak van het Spinhuis. Dolen dus de luchtige schimmetjes der spinhuisvrouwtjes nog soms rond binnen de wanden, waartusschen zij eens in den vleesche zaten opgesloten, dan kunnen zij thans zich eens amuseeren. Het nieuwe, door genieofficieren ontworpen gebouw werd 7 Dec. 1821 geopend met de opvoering van Othello.
Deze schouwburg, die van buiten “niets sierlijks” had, bestond oorspronkelijk uit een rondgaanden couloir, waaraan het balcon der dames grensde, terwijl de heeren als een troep studenten het parterre vulden. Het heet dat daar alleen staanplaatsen waren en bovendien een zwarte rok verplicht was. Voor den Gouverneur-Generaal en de leden van den Raad met hunne dames was er eene loge. Een buffet behoorde niet tot de inrichting; in de pauze picnickte ieder in zijn rijtuig. (In 1849 is een café naast den Schouwburg gezet.) De vrouwenrollen werden nog lang door heeren gespeeld, soms in japonnen van 3 of 400 gulden. Intusschen is het niet onverklaarbaar, dat er in 1828 al sprake was om de uitvoeringen te staken vanwege het geringe aantal abonné’s.

Oud Batavia II, 221-222

[Jakarta 7 – Vuurwerk] 

Ook is zeer karakteristiek, dat de Fransche troep, die in 1836 in den Bataviaschen schouwburg begon te spelen, de voorstelling soms afwisselde met een dansnummer, eens zelfs een dans op stelten. Dit voert ons terug tot den “dans”, verbonden met “konst-, vliegwerk en illuminatien”, uit Van der Parra’s dagen en herinnert ons er aan, dat een groot gedeelte van het publiek in dergelijke kunstenmakerij een veel levendiger belang stelde dan in de fraaiste mimiek van Minard’s troepje en de meest aangrijpende declamatie in vreemde talen, de Nederlandsche inbegrepen. Eerst in 1843 echter werd dit publiek onthaald op een acrobatentroep en pas in Maart 1848 op een miniatuur circus, dat zijne tent opsloeg op het erf van Hôtel de Provence en maanden lang een succès fou had.[…] Alles dus volkomen in kolonialen stijl: circus één, tooneel twee. Pas in 1856 kwam weer een circus opdagen,. Dit speelde op het Koningsplein. Vuurwerken werden oudtijds geleverd door Chineezen. In 1862 echter verscheen uit Britsch-Indië “Professor” Th. Gors, eene specialiteit in deze soort vermaak, stichter der nog bestaande firma. Deze gaf op 17 September van dat jaar bij de raceloods op het Koningsplein (tegenover het tegenwoordig Museum) een “avond-feest en gala” met “een prachtig en kostbaar Vauxhall kunst-vuurwerk”, waartoe men alleen tegen grof geld toegang kreeg.

Oud-Batavia II, 227-228

[Jakarta 2 – Plein] 

Daarentegen vinden wij in de 17e eeuw aanduidingen van echt Hollandsche vermaken. Op de schilderij van 1627 staat vóór het Stadhuis de papegaai opgericht, waar de schutters naar schoten. Dit papegaaischieten zien we in 1677 te Cochin door dames en heeren doen en aan de Kaap tijdens de “Kaapsche kermis”; we zien te Decima en te Casimbasar in Bengalen den meiboom planten en mogen zeker aannemen dat dit ook te Batavia gebeurde en dat Palmpaschen, Vastenavond, Driekoningen en Sintniklaas op vaderlandsche wijs werden gevierd. Zelfs van ringsteken is een spoor te ontdekken en aan kolven is altijd gedaan, maar dat kon enkel in de herberg. Thuis werd het voornaamste amusement echter meer en meer kaartspelen. Er werd hoog gespeeld en de dames deden braaf daaraan mee, maar altijd onder elkaar. Op zijne buitenplaats had men vaak een biljart. Het amusement van wedrennen is te Batavia van Engelschen oorsprong. De eerste rennen der Bataviasche Wedloop Vereeniging hadden op het Koningsplein plaats einde 1825, eene maand vóór Van der Capellen’s aftreding. De zonderlinge “volksspelen” op Koningsverjaardag, anno 1827, zooals katknuppelen en “het hakken naar de gans” (namelijk om haar den kop af te slaan), “volksspelen” waaraan enkel het uitschot van het garnizoen placht mee te doen om wat jenevergeld te krijgen, zijn gelukkig langzamerhand in onbruik geraakt en tegenwoordig vervangen door sportwedstrijden.

Oud Batavia II, 239-241

[Jakarta 2 – Stadskerk] 

De vergelijking van den kerkdienst te Batavia met eene tooneelvertooning dringt zich zoo natuurlijk op, dat daarbij van oneerbiedigheid geene sprake kan zijn. Reeds het kerkgebouw met een eergestoelte en een baldakijn voor den Gouverneur-Generaal tegenover den kansel, met andere eergestoelten voor de Heeren der Regeering, voor hunne familiën, voor al de verschillende colleges, deed denken aan een schouwburg met gereserveerde loges. De talrijke veelkleurige wapenborden langs de wanden, versierd met het fantastisch blazoen van een of ander vooruitgestruggelden oudgast, maakten van het godshuis een tempel der ijdelheid. Wie zijne betrekking verloor, verloor tevens zijne bepaalde plaats in de kerk en het recht om na doode zijn wapenbord op te laten hangen; wie onzeker was omtrent zijne officieele positie moest zich vergewissen, waar hij in de kerk zou zitten. Tusschen de kolommen, waartegen de eergestoelten rustten, bevonden zich de banken voor het ambteloos of ongeacht publiek, dat wil zeggen de mans. Voor dames (behalve de Edelvrouwen) was het schip der kerk gereserveerd. Daar stonden geene banken. Elkeene die wat beduidde nam haar eigen stoel en stoelkussen mee, een fraaien ebbenhouten kerkstoel, die thuis altijd in het voorhuis stond. Het was Zondags een statige optocht naar de kerk. De vrouw des huizes, in haar kostelijkst gewaad plechtig voortschrijdend onder eene groote pajoeng, liefst eene zijden pajoeng met geborduurde draken en afhangende falbala en gouden kwasten, aan haar arm een bijbeltje aan een zilveren kettinkje, een waaier in de hand; achter haar een slaaf met den kerkstoel, een ander met een kostbaar met goud beslagen psalmboek, soms met edelgesteenten en paarlen versierd, een fraai opgeschikt slavinnetje met sirihkistje en kwispeldoor en andere staatsiejuffertjes. De huisheer volgde met een eigen pajoengdrager, elk der kinderen eveneens. Dat gaf dan bij de kerk een groot gedrang en tumult. Dan had men binnen het gebouw de moeilijkheid om den stoel op zijne behoorlijke plaats gezet te krijgen, overeenkomstig den rang van den heer gemaal, die op zijne eerebank, den hoed op den kop, met welbehagen gadesloeg, hoe zijne eega zich weerde om het fatsoen der familie hoog te houden. Soms ging dat met veel gekijf. Als de dame eindelijk was gezeten, hurkte het slavinnetje met sirihgerei en spuwpotje aan hare voeten, opdat zij zich tegelijk aan eene sappige pruim en Gods woord zou kunnen laven. Kwam de Gouverneur-Generaal binnen, dan stond de gansche gemeente op, al was men ook bezig te bidden, en maakte eene buiging; voor de Raad van Indië of eene Edelvrouw bepaalde men zich tot opstaan. Niet zelden werd de dienst verlevendigd door het lawaai der slaven, die buiten de kerkdeur op hunne meesters stonden te wachten. Na afloop der godsdienstoefening een nog grooter gedrang en tumult op het kerkplein en dan kon men in processie naar huis keeren. Zoozeer was de kerkgang eene mondaine vertooning, dat toen in 1732 de dames van gemengden bloede zich door den goddeloozen G.-G. Durven van hare pajoeng beroofd zagen, zij niet meer naar de kerk wilden. Ook deze overeenkomst had de kerk met een schouwburg, dat zij de eenige plaats was, waar de publieke opinie zich kon uiten. Zelfs in de meest despotische staten kan niemand het publiek beletten, den Vorst koel te ontvangen bij zijne komst in den schouwburg en zelfs te Batavia kon niemand verhinderen, dat men “fameuse libellen” in het kerkebuideltje stopte, die vervolgens door de onthutste Diakenen ongeopend aan Zijne Edelheid werden gebracht. Ook de bouwtrant der nieuwe Hollandsche kerk deed aan theater denken, terwijl omgekeerd die van den anno 1821 gestichten schouwburg, waar de dames afzonderlijk zaten, aan de kerk herinnerde, evenals het ook dáár gehandhaafd gebruik om op te staan bij den binnenkomst van den Gouverneur-Generaal.

Oud Batavia II, 244-245

[Jakarta 6 – 'Haantjes'kerk] 

De prediking in het Maleisch heeft geleid tot de eerste wetenschappelijke beoefening dier taal. De bekendste namen op dit gebied te Batavia zijn die der Predikanten Sebastiaan Danckaerts, Justus Heurnius, Melchior Leydecker, Petrus van der Vorm, Georg Heinrich Werndly uit Zürich, Carel Braarda en Johannes Mauritius Mohr. Hunne verdiensten lagen op het terrein der taalstudie, niet op dat der evangelieverkondiging. Intusschen zijn er steeds Maleische Predikanten benoemd, totdat in 1808 de laatste hunner, A. Zomerdijk, overleed. Daarna bleef er nog enkel een leermeester of voorlezer. Na het herstel van het Nederlandsch gezag is de Maleische dienst hervat. De laatste Predikant der Maleische gemeente was Dr. W.R. van Hoëvell, benoemd in 1837, ontslagen in 1848. Daarna vinden wij een Maleischen dienst in een huis op Noordwijk. Anno 1856 werd daarvoor de kerk achter Pasarbaroe gebouwd, de zoogenaamde “Haantjeskerk”.

Oud Batavia II, 260

[Jakarta 6 – School] 

En zoo is dit openbaar onderwijs blijven voortsukkelen, totdat na het herstel van het Nederlandsch gezag eene organisatie werd begonnen door den Duitschen Professor C.G.C. Reinwardt. De eerste school van beter gehalte werd 24 Febr. 1817 geopend *). In den beginne kostte het veel moeite om de leerlingen te wennen aan geregeld schoolbezoek en de ouders aan het betalen van schoolgeld. De zaak werd destijds zoo zwaar opgevat, dat over het schoolexamen van 1825 ettelijke kolommen in de Bataviasche Courant staan; na afloop van dat examen kwamen de schoolcommissie, het personeel en de twee beste leerlingen bij den Gouverneur-Generaal te eten!
*) Deze school stond aan de zuidzijde van het paleis aan het Waterlooplein. Einde 1818 zakte hij in. Toen is de school aan de Schoolweg gebouwd. De hoofdonderwijzer alhier, H. van Kraaijenoord, hield in 1826 en volgende jaren tevens kostjongens in zijn huis op Kramat. […] Inlandsche Gouvernementsscholen bestonden in de residentie Batavia nog in 1860 niet.

Oud Batavia II, 265

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

Intusschen had Mevrouw S.B. Gronovius anno 1816 eene meisjes kost- en dagschool in het huis Moenswijk op Molenvliet geopend ¹), waarmee zij meer succes had dan met hare poging om het land der Inlandsche Christenen te Depok te bemachtigen, op hetwelk zij aanspraak maakte als afstammelinge van Cornelis Chastelein. Hare school heeft een jaar of tien bestaan en moet zeer zeker in eene behoefte hebben voorzien, want in 1824 werd door het Gouvernement eene tweede meisjeskostschool geopend in het groote huis op Molenvliet waar thans het Hôtel des Indes is, eene inrichting die veel deed verwachten ²) maar op de klip van den trouwlust der onderwijzeressen gestrand is. Minerva’s uil scheerde zich krassend weg bij het gejuich van het epithalamium.
¹) Moenswijk, het vroegere buiten van den Directeur-Generaal A. Moens (ongeveer 1785), grensde ten Zuiden aan het fortje Rijswijk. Het is de tegenwoordige Dependance van het Hôtel des Indes. Deze school is met 1 Jan. 1824 wegens ongezondheid verplaatst naar Meester Cornelis, in 1825 naar het Koningsplein. Het jaar daarna ging Mevr. Gronovius met verlof. Zij overleed in 1927 te Calcutta; haar boedel bleek later insolvent.
²) Eene kostelijke beschrijving van het overgangsexamen der meisjes, eindigend met een “kort ballet”, vindt men in de Bat. Courant van 6 Juli 1825. Anno 1831 werd de school overgebracht naar Berendregt, de tegenwoordige Weeskamer; anno 1832 werd zij opgeheven.

Oud Batavia II, 275 noot

[Jakarta 7 – Compagnieskamer] 

Zooals gezegd is de betimmering dezer voorkamer [noordelijk gedeelte van Toko Merah] thans in de Compagnieskamer te vinden (photo’s B 24 en 25).
De twee ramen dier kamer zijn de vroegere ramen aan de Kali Besar. Men moet zich dus de straatdeur in den buitenmuur naast die ramen denken. Uit het voorportaal leidde eene deur naar de zijkamer, dezelfde deur die thans naar de Compagnieskamer leidt uit de museumzaal daarachter, maar op geen onzer beide photo’s van die kamer te zien is. De twee deuren tegenover de ramen leidden, de eene naar eene tweede kamer, de andere (de linksche, die op de photo open staat) naar de groote zaal.
Nog heden herinneren aan de Académie de Marine de bovenlichten der Compagnieskamer. In het eene bovenlicht namelijk zit Naatje met een verrekijker hoewel zonder jurk, in het andere Kaatje met een anker, in he derde Keetje met een boek.

Oud Batavia II, 276-279

[Jakarta 3 – Torong] 

Ds. J.M. Mohr, geboren 1716 te Eppingen bij Heidelberg was […] in 1752 hertrouwd met eene schatrijke weduwe, de dochter van den landeigenaar Jan van ’t Hoff. Na zijne aftreding als Rector van het Seminarium, de voltooiing der uitgave van het Portugeesche Oude Testament in 1753 en van het Maleische Nieuwe Testament in 1758 had hij zich in het bijzonder gewijd aan de astronomie. In 1761 observeerde hij op zijn land Kliphof bij de monding der Antjolrivier den overgang van Venus over de zon. Voor den tweeden overgang van Venus, die in 1769 zou plaatshebben, maakte Mohr groote toebereidselen. Hij kocht in 1764 den tuin bewesten Molenvliet, die oudtijds aan Andries Cleyer had behoord en ten westen grensde aan het erf van den Chineeschen tempel of klenteng, in welken tuin de G.-G. Durven eene “waterkonst” met springfonteinen had ingericht, waartoe hij de gemetselde waterleiding aangelegd had, die even boven den Overtoom in den Molenvliet naar het Noordwesten liep. Deze leiding heette te dienen om een waterrad te doen draaien, dat de beweegkracht zou zijn der aan de noordzij gelegen Compagnies zijdereederij, die later is veranderd in een Compagnies korenmolen. Het rad diende echter voornamelijk voor Durven’s “fontainhuijs” aan de zuidzij, dat thans aan Mohr behoorde. Deze begon nu spoedig zijn observatorium te bouwen, een 150 Meter van den Molenvlietschen dijk af, een gebouw van zes verdiepingen, waarvan de benedenste dienden als woonhuis. Daarenboven bevatte dit ruime erf allerlei andere gebouwen. Rach heeft van het observatorium een paar teekeningen gemaakt […]. Zij wettigt volkomen den grooten lof, welken De Bougainville in 1768 en Cook in 1770 aan het observatorium toezwaaiden. Deze laatste vooral, die zelf over Kaap Hoorn naar Tahiti was gezeild om den overgang van Venus op 3 Juni 1769 te observeeren, stelde levendig belang in Mohr’s waarnemingen en publiceerde die in het Latijn. Maar Mohr’s rijkdom en positie bezorgden hem zooveel vijanden te Batavia, dat hij in 1768 den steun van den Bewindhebber Thomas Hope moest inroepen om niet te zeer te worden geplaagd. Hij overleed in 1775 en werd uit dezen tuin begraven. Een astronomische kijker van hem berustte eenige jaren geleden nog in het museum van het Bataviaasch Genootschap, maar is toen weggedaan.
In 1784 werd het gebouw met wat daarbij behoorde eigendom van Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk. Toen nu de Regeering in 1788 middelen beraamde om de “borsten van de pen”, die in het Kasteel ellendig gehuisvest waren, een beter onderdak te bezorgen, stelde Van Riemsdijk dit eigendom te harer beschikking, dat in de wandeling de “toren” werd genoemd. De weg, die naar het observatorium leidde, heet nog heden Gang Torong *). Voor de inrichting van het Pennistengesticht werd echter vrij wat aan de gebouwen veranderd, waartoe de kosten gedeeltelijk uit eene gehouden collecte werden gevonden. De eetzaal bevond zich buiten den toren. De inrichting was op ruimen voet opgezet. Europeesche pennisten en hunne ouderlooze collega’s van gemengden bloede vonden er drie jaar lang vrij logies; daarna betaalden zij hun halve kostgeld. Het aantal inwonende pennisten werd bepaald op 80. Het dagelijksch menu was zeer royaal; voor hunne gezondheid kregen de klerken zelfs eene flesch wijn per dag. Het middagmaal duurde van twaalf tot een. Behalve een Kastelein en een Binnenregent was er een college van Buitenregenten, bestaande uit twee of drie Raden van Indië en een twaalftal andere heeren. […] In 1802 [woonde] Jan Isaak van Sevenhoven, twintig jaar oud en klerk bij Schepenen, in het gesticht […], een vlugge jongman, die een paar jaar later door zijn huwelijk met een 15-jarig dochtertje van Raadslid Mom binnen de coterie van Van Riemsdijk raakte, in 8 jaar Secretaris der Hooge Regeering was en geëindigd is als Raad van Indië. Van Sevenhoven, die met een gezelligen aard was gezegend, zal wel druk hebben meegepraat, wanneer de collega’s zich in hun tusschenuur bij de klenteng of “Chineesche kerk” verzamelden evenals vroeger bij de Pinangpoort binnen het Kasteel, waar, zooals Valentijn zegt, “alle nieuwe tijdingen van geheel Indien” werden bepraat. Door dit luchtig discours bij de klenteng zal het zijn gekomen, dat de “Chineesche kerk” in heel Indië is bekend geraakt als bron van onbetrouwbare en meestal eenigszins zure praatjes.
*) Verderop vindt men (als men even links gaat) de gang Petak Baroe. Aan hare zuidzij bestaan deze laatste uit 48 naar één model gebouwde petakken met Oud-Hollandsche houten pilaren, die eene doorloopende voorgalerij vormen. Dit zijn de petakken, welke Van Riemsdijk volgens de Chineesche geschiedenis van Batavia bouwde op zijn erf bij eene “kerk” (waaronder dus het observatorium moet worden verstaan) en die hij aan Chineezen verhuurde.

Oud Batavia II, 279

[Jakarta 4 – Manga Besar] 

Daendels heeft in 1809 het Pennistengesticht opgeheven en van de gebouwen eene kazerne gemaakt. Een aantal kamers voor pas uitgekomen ambtenaren stelde hij beschikbaar binnen Gaanderijenburg, een complex gebouwen met verdieping, omsloten door een muur en indertijd gebouwd door het Raadslid J.J. Craan, van wien zijn schoonzoon Van Riemsdijk het had geërfd. Naar dit terrein, op den hoek van Molenvliet en Prinsenlaan Zuid, werden sedert 1809 de Gouvernementsbureaux en de archieven overgebracht, waardoor het den naam kantor Baroe kreeg. Daar was de vergaderzaal der Regeering, de Gouvernementskas, de drukkerij, de Bank van Leening, de Rekenkamer en het Postkantoor. Na de voltooiing van het paleis aan het Waterlooplein zijn deze gebouwen in 1828 verkocht en afgebroken, waardoor een leeg veld ontstond. Op 1 Jan. 1830 werd daar een pasar geopend. In 1849 nogmaals. Het terrein heeft ook een tijdlang gediend voor de oefeningen der schutterij en heette toenmaals het Prinsenveld. Thans staat er de schouwburg Thalia.

Oud Batavia II, 279-281

[Jakarta 5 – Rijswijkstraat] 
[Jakarta 7 – Museum Nasional] 

Uit de geschiedenis van Mohr’s observatorium (de toren stond er nog in 1812) ziet men, hoe vreemd eene zaak zich kan ontwikkelen. Zoo zal niemand op het idee komen, dat de oorsprong van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in iets geheel anders dan een wetenschappelijk of artistiek streven kan hebben gelegen.
Niettemin is dat het geval. De aanleiding was niets anders dan de prijsvraag anno 1774 van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen omtrent de beste middelen tot voortplanting van het Evangelie in de Koloniën. De eerste die zich alhier daarvoor interesseerde was het Raadslid Jan Vos, die “particuliere genootschappen” wilde oprichten, welke door het uitschrijven van prijsvragen de zaak zouden bevorderen – voorzeker eene handige manier om de moeite op andermans nek te laden. Vos zag zich echter spoedig de loef afgestoken door zijn collega Mr. J.C.M. Radermacher, schoonzoon van den G.-G. de Klerk en oprichter der eerste Vrijmetselaarsloge te Batavia. Door Radermacher’s bemoeiing kwam den 24 April 1778 het Bataviaasch Genootschap “tot nut van het gemeen” tot stand. Het doel daarvan heette inderdaad de verbreiding van “het Evangelium”, een arbeidsveld, dat het Genootschap overigens aan de Regeering inruimde, welke dan ook op stumperachtige wijze de school ging dienstbaar maken aan de evangelisatie.
De opzet van het Genootschap was in den echten Compagniesstijl, zwaar en deftig, met den Gouverneur-Generaal als “Opperdirecteur” en andere Heeren der Regeering als Directie. Maar het feit alleen, dat er algemeene vergaderingen werden gehouden, waar de Edele Heeren, ja Zijn HoogEdelheid zelf, op zekeren voet van gelijkheid in sympathieën en van eendrachtig samenwerken bijeenkwamen met doodgewone menschen, maakte van de oprichting eene soort revolutionaire daad. Het program van het Genootschap droeg een maçonniek karakter en sprak van niets dan sociale en wetenschappelijke kwesties en belangen, tot het maken van een “Nederduitsch Vaers” toe. Men begon spoedig eene bibliotheek en verschillende verzamelingen aan te leggen, dank zij de milddadigheid van sommige leden. Radermacher gaf een huis aan de Kali Besar cadeau, een ander een tuin, een derde eene “witte Papoesche meid”, niet als damesbediening maar als curiosum.
Ondanks de onverstoorbare deftigheid van het Genootschap (alles ging daar ceremonieus en naar rang, tot het opmaken der ledenlijst toe) en trots den loodzwaren inhoud der Verhandelingen, die het begon uit te geven, had het soms iets onweerstaanbaar komieks. Wat zegt men van eene plechtstatige prijsvraag omtrent de meest aanbevelenswaardige pap voor zuigelingen? En van deze: “Welke zijn de beste Middelen om, geduurende de tegenwoordige ontvolking van Europa, de Europeezen in onze Oostersche Colonien te vermenigvuldigen?”
Hofhout had geen ongelijk toen hij, kort na de oprichting, de vrees uitdrukte dat het Genootschap niet lang bestaan zou. Alle levensvoorwaarden ontbraken immers: belangstelling van het publiek, vrijheid van spreken en schrijven, kunde, talent en karakter in leidende persoonlijkheden, twee of drie uitgezonderd. Men ziet het Genootschap inderdaad spoedig in alle statigheid bezwijmen en zieltogen. Het had feitelijk reeds den geest gegeven (voor zoover dit voortreffelijk lichaam destijds geest bezat), toen Lord Minto en Raffles het galvaniseerden tot nieuwe levensrichtingen. De laatste [Raffles] maakte van den bouw der Harmonie gebruik, om als aanhangsel tot die societeit een museum met bibliotheek en vergaderzaal te stichten, [in] het daaraan grenzende en in denzelfden stijl gebouwde huis in de Rijswijkstraat, dat op den verjaardag van Willem I, den 24 Aug. 1814, werd ingewijd bij het feest ter eere van Nederlands herstel als zelfstandige staat. Voor Raffles’ denkwijze is het zeer kenschetsend, dat dit gebouw eerder kon worden geopend dan de Harmonie, waarvan het zoozeer een deel heette uit te maken, dat er van aparte bouwkosten nergens wordt gerept.
Ook in zoover is de oprichting van het Bataviaasch Genootschap eene revolutionaire daad geweest, dat in ’s Genootschaps Verhandelingen voor het eerst sedert zeer langen tijd weder iets werd openbaar gemaakt, zij het dan ook onder censuur, aangaande ’s Compagnies bezittingen.

Oud Batavia II, 286

[Jakarta 6 – Pasteur] 

In 1809 nam Daendels de Stadsdrukkerij over en vereenigde haar met de Gouvernementsdrukkerij op Gaanderijenburg aan Molenvliet [Oud Batavia II, 279], welke dus nu de eenige drukkerij op Java was. Zij leverde echter zulk slecht werk, dat na de verovering van het eiland de zeer bekwame en energieke Dr. W. Hunter, Chef van den Geneeskundigen Dienst, in 1812 eene pers met personeel uit Bengalen liet komen, waarop hij met het Gouvernement een contract sloot voor levering van drukwerk. O.a. de Java Government Gazette. De eigen drukkerij der Regeering verviel daarmee. Maar toen Hunter zeer spoedig overleed, nam zij de zaak over en begon weder voor hare rekening te werken. Deze Landsdrukkerij is op Gaanderijenburg of Kantor Baroe gebleven, tot zij naar het paleis aan het Waterlooplein werd overgebracht, waar zij nog heden is gevestigd.

Oud Batavia II, 296

[Jakarta 2 – Schepenen] 

Onder de stadszaken […] verstaan wij het stedelijk bestuur, de stedelijke rechtspraak en politie en de stedelijke schutterij. Op eenigen afstand gezien, bestond namelijk dit alles te Batavia. Er is een stadsgebied, onderscheiden van dat van het Kasteel [het ‘kantoor’ van de Compagnie]; er is een Stadhuis met een stadsgevangenis, waarin diegenen worden opgeborgen, die voor het College van Schepenen zullen terechtstaan, dat ten Stadhuize zetelt; dit College voert een stadszegel met het stadswapen, heeft eene stadskas, maakt stedelijke keuren, int stedelijke belastingen en beschikt over stadsbedienden en eene stedelijke politie; de schutterij bewaakt de stadslandpoort, welker sleutels berusten bij den aan Schepenen ondergeschikte Baljuw, die het recht heeft deze krijgsmacht te requireeren.

Oud Batavia II, 300-303

[Jakarta 2 – Werkzaamheden] 

De vergaderingen van Schepenen, driemaal per week, werden gehouden in de Schepenkamer op het Stadhuis. Steeds werden zij geopend met een gebed. In behandeling kwam alles wat de President ter tafel bracht. In eene en dezelfde zitting derhalve konden stadszaken, civiele en crimineele processen worden behandeld; de Secretaris droeg echter zorg, zijne notulen met bijbehoorende stukken te verdeelen over drie onderscheiden registers; het resolutieboek, de civiele en de crimineele rol. Uit den aard der zaak was de civiele rol verreweg het belangrijkst. Hoe het in de vergadering toeging, blijkt niet. Naar alle waarschijnlijkheid draaiden de werkzaamheden geheel om den President en den Secretaris, die altijd vóór de zitting present moesten zijn en waarvan de eerste als Raad van Indië het gezag vertegenwoordigde, terwijl in den ander de rechtskennis van het College was belichaamd. Onder het Engelsche bestuur merken wij op dat Cranssen als President der Bench of Magistrates, die de voortzetting van het Schepencollege vormde, persoonlijk de publicaties opstelde, welke van de Bench heetten uit te gaan, deze ter goedkeuring aan de Regeering voorlegde en zijne medeleden enkel kennis gaf van zijne gestie. Vermoedelijk bleef Cranssen hiermede geheel in de lijn der traditie van Schepenen, waarvan hij zelf de laatste President was geweest.
Tengevolge van den geringen omvang der bevoegdheid van Schepenen als stedelijke wetgevers en stadsbestuur missen hunne resolutieboeken het groot belang, dat men daarin allicht zou vermoeden. En opmerkelijk is, dat dit belang met den tijd veeleer is toegenomen dan verminderd. Wij zagen dat omstreeks 1650 zeer zelden stradszaken bij Schepenen in behandeling kwamen. In de 18e eeuw daarentegen geschiedde zulks veel vaker, en men krijgt den indruk dat de ter tafel gebrachte onderwerpen meer gevarieerd waren dan voorheen en ampeler bespreking vonden, terwijl de Regeering meer dan te voren het advies van Schepenen inwon. Bovendien zaten geregeld gecommitteerde Schepenen voor de registratie van schepenkennissen, acten van overschrijving van vaste goederen, schepen en vaartuigen, hypotheken, het opmaken van emancipatiebrieven enz., zoodat een ijverig lid van het College werk genoeg vond. Maar over alles lag een waas van gemoedelijkheid, dat eventjes wordt bijgelicht door den bode, die anno 1792 het volgende rekeningetje presenteert voor de bijeenkomst eener commissie, welke ’s morgens van 8 tot 12 placht te vergaderen.

”Aan kleen gebak en banquet Rds 2:24;
Aan bloemen Rds 1:--;
Aan thee, coffij, melk, confituuren en zuijker Rds 1:--;
Aan morgen wijn en andere dº dranken Rds 3:--;
Aan huur van vier slaven ten dienste van haar WelEd. Gestr: Rds 2:24
Teld. Rd. 10.--.

De stedelijke werkzaamheden van Schepenen bestonden in de regeling en den omslag der belastingen, welke de Regeering goedvond op de burgerij te leggen; de benoeming van eenig ondergeschikt personeel; het opmaken der voordracht van zekere door de Regeering aan te wijzen Colleges en beambten benevens de registreering der hierop gevolgde benoemingen; de zorg voor zuivere maat en gewicht, voor rooilijnen, bouwverordeningen en deugdelijkheid van bouwmaterialen, onderhoud en reiniging van straten, bruggen, grachten. kadijken, sluizen, plantsoenen, waterloopen en waterleidingen; toezicht op het Stadhuis, de Vleeschhal, de Visch- en andere markten, de prauwenhuizen, op de uitoefening van burgerneringen en bedrijven, op de prijzen van openlijk te koop gestelde voedings- en gebruiksartikelen, op de goud- en zilverkeur.
Met elkaar vormt dit een vrij ruim arbeidsveld. Ongelukkig waren – zooals men dit tijdens het ancien régime overal opmerkt – geene grenslijnen getrokken tusschen de bevoegdheden der Regeering en die van het Schepencolllege. Alle macht emaneerde bovendien van G.-G. en Raden, die, zetelend en woonachtig te Batavia, zich als Opperstadsbestuur beschouwden. Wel waren zij bereid, tot eigen ontlasting eenige werkzaamheden aan de Schepenbank over te laten, maar niet om van hun initiatief afstand te doen en van de macht om in te grijpen waar hun dit noodig scheen. Zoo kondigt reeds in 1633 de Regeering voorschriften af tegen het aanleggen van stegen en slopjes. In 1637 maakt zij een ordonnantie op het ophoogen der straten, maar is zoo heusch, deze door Schepenen te doen afkondigen als van henzelven uitgegaan. Ondanks het bestaan van een stadsbroodgewicht is het de Regeering, die al in 1632 den broodprijs vaststelt en sedert daarmee is doorgegaan. Ondanks de stedelijke politie is het de Regeering die geregeld plakkaten uitvaardigt tegen het afsteken van vuurwerk, het rondloopen met voorstellingen van draken enz. op Chineesch nieuwjaar en dergelijke. De niet onverklaarbare neiging van G.-G. en Raden om zaken in hunne onmiddellijke nabijheid vlug en afdoend te regelen, werd in de hand gewerkt door de houding der burgerij, die van háár alles verwachtte. De burgerij was er dus zelve mede schuld aan, dat Schepenen zoo zwak stonden tegenover de Regeering. Zoo hernieuwen Schepenen in 1691 een bestaand verbod tegen het betimmeren van stoepen; daar het College echter niet genoeg prestige bezit om aan deze voorschriften kracht bij te zetten, richt het zich in 1697 tot de Regeering met verzoek om een plakkaat van dezelfde strekking. Zoo stellen in de 17e eeuw Schepenen de prijzen, afmetingen enz. van bouwmaterialen vast; in de 18e doet dit de Regeering, evenals het ook deze is, die vergunning verleent tot het afbreken van huizen. Zelfs met eene futiliteit als het reglement voor de behandeling van brandspuiten bemoeiden zich G.-G. en Raden; trouwens, de spuitgasten bestonden uit volk van de Werf en het Ambachtskwartier, zoodat de stad met haare spuiten niets beginnen kon zonder hulp van den Albeschik. Andere stadszaken konden niet zelfstandig worden afgedaan, omdat men de noodige fondsen van de Regeering moest verwachten. Zoo moesten Schepenen telken jare worden gemachtigd, om de halve maand huishuur te heffen voor het uitmodderen der grachten; zonder die machtiging kon de belasting niet worden geheven en bleven de grachten ongereinigd. Afkondigingen van het Schepencollege geschiedden in het Nederlandsch en Maleisch door een bode, die met een bekken de stad rondging.

Oud Batavia II, 343-345 

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 
[Jakarta 5 – Kaptein Jas] 

De eerste, die tegen het begraven binnen de stadsmuren opkwam was De Klerk. Het vooroordeel ten guste eener rustplaats nabij de kerken was echter nog zoo sterk, dat hij niet rechtstreeks hiertegen durfde optreden, doch in 1776 eene order van het Opperbestuur daaromtrent uitlokte. Er werd toen echter geene nieuwe begraafplaats aangelegd, en aangezien geen man van fatsoen zich op het beruchte Jassenkerkhof wilde laten begraven (met uitzonderingen, zooals de wapenborden in de Buitenkerk bewijzen), bleef alles op den ouden voet. Zelfs binnen de Hollandsche kerk werden de Heeren der Regeering bij voortduring bijgezet. Eerst twintig jaar later werd dit verboden. Pas van 1803 dateert het besluit om alle kelders binnen de kerk en op de kerkhoven te dempen. Er heerschte toen al groote verwarring in de graven. De boeken der doodgravers waren slecht bijgehouden en slordig bewaard, en van talrijke grafkelders woonden de eigenaren in Europa, van andere waren zij onbekend; vele zerken droegen andere namen dan de personen die er onder lagen. Na de demping der kelders zat men in 1804 belemmerd met 37 zerken zonder eigenaar op het Hollandsche kerkhof en 39 op het Buitenportugeesche. Om er een uitweg voor te vinden, besloot toen de Regeering ze gedeeltelijk over te brengen naar de begraafplaats op Tanahabang (waar men ze nog kan zien in eene lange rij aan de westzijde en de anderen te verkoopen. Er schijnen zich echter weinig gegadigden te hebben opgedaan, tenminste vele jaren later ontdekte Van Hoëvell een groot aantal oude zerken, voor een deel met beroemde namen, zooals Van Imhoff, die vergeten lagen ergens in de stad. Door zijne zorg zijn toen de best geconserveerde steenen overgebracht naar den ingang der begraafplaats op Tanahabang. Onlangs heeft men ze daar als affiches tegen een muur geplakt.
Reeds sedert 1795 werd op Tanahbang begraven, ofschoon eerst twee jaar later het project tot aanleg der begraafplaats werd goedgekeurd. Doodgraver aldaar werd Jurriaan Linken van Amsterdam, tevens eerste aanspreker, een oud matroos met zooveel geestdrift voor zijne promotie tot Schipper naar de onderwereld, dat hij uit eigen beurs 50 Rijksdaalders spendeerde voor een extra mooi logboek of register, dat thans soms de vraagbaak is bij genealogische nasporingen. Voor de begraafplaats stond de schatrijke W.V.H. van Riemsdijk den noodigen grond af. Wie eigenaar was van een kelder in of bij een der kerken, kreeg alhier een even groot terrein. Bovendien kon men er een eigen kelder aanleggeen of een der huurkelders gebruiken. Het vooroordeel tegen de nieuwe begraafplaats was echter zoo sterk, vooral onder de bijgeloovige inlandsche Christenen of Portugeezen, dat men den gang daarheen wat moest vergemakkelijken, ook wegens den grooten afstand van de Mardijkersbuurten tot Tanahabang. Zoo werd de verplichting om gebruik te maken van de officieele lijkdragers en aansprekers opgeheven. Men kon dus nu met den afgestorvene scheep gaan in een vlootje van drie prauwen, die de stadsgrachten en dan de Krokot volgden, welke langs den kerkhofmuur loopt. Voorop voer de stille hoofdpersoon, daarachter de familie en betrekkingen en vervolgens de dragers. Het kan zijn dat de traditie van Kapitein Jas [Oud Batavia I, 308-309] toen ook naar Tanahabang is overgeplant bij wijze van reclame voor dit kerkhof, want ondanks dat met ingang van 1 Jan. 1799 alle andere begraafplaatsen voor Christenen gesloten werden, zijn de Mardijkers nog verscheidene jaren doorgegaan met begraven bij Jassenkerk. Misschien verdient het aanbeveling, thans dezen fameusen militair een goed kwartier te bereiden op Laanhof, dat al even weinig gewild is als vroeger Tanahabang. Ignoreeren laat zich de manhafte heer niet, sedert hij zijn mooi marmeren naambordje heeft gekregen.

Oud Batavia II, 344 noot

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 

Men heeft er toen de letters H.K. in gebeiteld, die “Hollandsche Kerk” moeten beduiden, denkelijk voor het geval dat zich eens iemand zou aanmelden, die recht op den steen had.

Oud Batavia II, 344 noot a

[Jakarta 5 – Jonathan Michielsz] 

Afgezien van het besluit van 1804 zijn ook door familieleden zerken van de andere kerkhoven naar Tanahabang overgebracht, omdat men destijds wegens den oorlog met Engeland geene steenen van Cormandel kon krijgen. Zoo bijvb. de grafsteen van Jonathan Michiels, die begraven is bij de Buitenkerk, maar wiens steen op Tanahabang ligt, omdat zijne familie in 1800 nog bestond, gelijk zij nog heden bestaat.

Oud Batavia II, 345 noot

[Jakarta 3 – Reiniersz] 

Onder de toenmaals verkochte steenen zal die van G.-G. Carel Reiersz hebben behoord, die vele jaren te Soerabaja heeft gelegen maar onlangs naar de Buitenkerk is overgebracht, waar hij eene zonderlinge vertooning aanbiedt, omdat het jaartal op den steen zooveel ouder is dan dat op het gedenkbord van de opening dezer kerk, hetwelk aan den wand hangt.

Oud Batavia II, 380 – noot

[Jakarta 6 – Postkantoor] 

De plaats van afrit dezer wagens [van een paardenposterij] heette het “postkantoor”, het “posthuis” of de “posterij”. Dit kan aanleiding geven tot onzekerheid betreffende de plaats die wij thans aldus zouden noemen, waar de brieven werden geregistreerd. Zoo vinden wij in 1822 het “posthuis” ter plaatse van het tegenwoordige postkantoor en in 1844 evenzoo de “paardenposterij”, maar, gelijk boven gezegd, het brievenkantoor werd in 1828 gevestigd in het paleis aan het Waterlooplein, vanwaar het pas met 14 Aug. 1853 werd overgebracht naar het gebouw “naast de Comedie”.