Bandoeng 1935.

Ursulinen, 116-121

Het begin der 19de eeuw was getuige van een zeer belangrijke verandering in de groote familie van de H. Angela: de Canonieke Vereeniging der kloosters.
Drie eeuwen lang was ieder klooster der Ursulinen onafhankelijk en slechts met de anderen verbonden door den band der onderlinge liefde. Wel hadden vroeger reeds hoogstaande Ursulinen de Unie gewenscht; maar de verwezenlijking dezer wenschen bleef aan onzen tijd voorbehouden. […]
Op 30 Dec. 1898 ontving deze Generale Overste een pauselijk schrijven, waarin de H. Vader Zijn verlangen te kennen gaf, dat de Ursulinen van de heele wereld zich zouden vereenigen tot een reëele, effectieve en duurzame Unie, onder een Generale Overste, die in Rome zou verblijven. *] De Paus droeg Mère Marie de St. Julien op, dezen wensch aan ’t geheele Instituut kenbaar te maken. […]
Korten tijd daarna deed Leo XIII een nog beslissender stap. Den 21sten Juli 1899 schreef Kardinaal Vannutelli, in naam van den Paus, aan alle Bisschoppen van de geheele wereld. Ieder van hen moest, na het ontvangen van dit schrijven, het plan tot een algemeene Unie voorstellen aan de communauteiten van Ursulinen in zijn bisdom.[…]
Op 15 Nov. 1900 werd, als antwoord op de roepstem van den Paus, het eerste Generaal Kapittel der Orde geopend in het klooster te Rome. Meer dan 70 Huizen, over de wereld verspreid, van af de Karpathen tot aan het Rotsgebergte, hadden er hun afgevaardigden heen gezonden. […]
63 Huizen sloten zich dadelijk bij de Canonieke Romeinsche Unie aan. De H. Vader keurde deze mondeling goed op 28 November 1900: deze datum blijft voor de vereenigde Ursulinen een feestdag van dankbare herinnering. […]
Begin 1935 was het totale aantal Ursulinen ruim 15000; dat van de leden der Romeinsche Unie bedroeg 6500.
[* Een situatie die gewoon was voor de overige kloosterorden.]

Ursulinen, 131-137

[Surabaya 2 – Grafmonument] 

Révérende Mère Louise, in de wereld Mélanie Demarteau, werd geboren te St. Truiden op 24 Juni 1834, ontving het kleed der H. Ursula in haar geboorteplaats op 19 Maart 1851 en legde haar H. Geloften af op 14 April 1853. In October 1857 deed zij examen in de Hollandsche en in de Fransche taal en vertrok den 24sten van dezelfde maand met nog 6 andere zusters naar Batavia, waar zij na een gevaarvolle reis van 6 maanden aankwamen. In Nederland vreesde men, dat het schip vergaan was en toen men in Venray de tijding der behouden aankomst kreeg, waren juist alle toebereidselen gemaakt voor de uitvaart.
Op Noordwijk [wandeling Jakarta 5] was Mère Louise als onderwijzeres met veel ijver en niet minder succes werkzaam. Kort na haar aankomst tot Assistante gekozen, was zij een ware steun voor Rév. Mère Ursule, die toen Overste was. Toen deze in 1859 tot herstel van gezondheid repatrieerde, wist Moeder Louise haar een jaar lang op waardige wijze te vervangen.
Op herhaald verzoek van R.P. van den Elzen zond “Moeder Ursula” in 1863 Mère Louise met drie onderwijzeressen en een Zuster voor de werkzaamheden naar Soerabaia; daar stichtten zij het Ursulinenklooster op Kepandjen, dat aan de H. Theresia werd toegewijd.[...]
Het onderwijs der Zusters werd algemeen geprezen en het aantal leerlingen nam jaarlijks toe. In het vooruitzicht spoedig hulp uit Europa te krijgen, opende zij in Jan. 1867 de 2de school. Uitte men al eens de vrees, dat Moeder Louise te veel hooi op haar vork nam, zij liet zich niet afschrikken. Trouwens waar het de glorie van God gold, deinsde zij nooit voor moeilijkheden terug. Zij was een steun voor de armen, goed voor iedereen. Het kon dan ook niet anders, of haar leven van opofferende naastenliefde moet den eerbied afdwingen, zelfs van andersdenkenden.
Haar godsvrucht was kinderlijk eenvoudig. Op bijzondere wijze vereerde zij den H. Josef; alle aangelegenheden van Communauteit en scholen werden hem toevertrouwd en vond haar gebed soms niet dadelijk verhooring, haar vertrouwen werd er niet minder om. Den 1sten Maart 1874 opende zij ter eere van Sint Jozef de naaischool, in 1877 op denzelfden datum de fröbelschool en toen we in 1884 door Zijn voorspraak een kampong hadden kunnen koopen (omdat we de scholen moesten uitbreiden), werd er in den meteen vergrooten tuin een nis gebouwd, waar op Moeders naamfeest een beeld van haar Lievelingsheilige in geplaatst werd. Wat was zij kinderlijk blij! En wat genoot zij van de verrassing, die haar bereid was door een steen met de woorden: “Ite ad Joseph” (Gaat tot Jozef!).
Voor de zusters was Moeder Louise een echte moeder. Zij bestudeerde a.h.w. ieders zwak, om allen genoegen te kunnen doen. Wij zelf zeiden weleens tegen haar, dat zij haar toegevendheid te ver dreef; maar op dat punt was ze onverbeterlijk. Werd er echter ook maar in ’t minst inbreuk gemaakt op de orde van ’t huis of op de onderhouding van den H. Regel, dan was zij onverbiddelijk en wist van geen toegeven. Haar bewonderenswaardige kalmte, zelfs in de hachelijkste omstandigheden, stichtte ons voortdurend en hoe dikwijls ook misleid, haar goede trouw bleef ongeschokt.
Zij presideerde alle oefeningen der Communauteit, was altijd een der eersten op de plaats, waar de bel heen riep. In de recreaties was zij vroolijk, maar altoos waardig; terstond herkende men in haar de Overste. Het was haar een genot, aan de Zusters, temidden van haar afmattenden arbeid, soms eenige afleiding te kunnen verschaffen. Vooral de vacanties moesten inderdaad tijden van rust zijn. Jaren lang bleef zij uitzien naar een huis (of terrein daarvoor) in de bergen, waar de Zusters de vacanties zouden kunnen doorbrengen. Eindelijk werd haar het huis te Kasri te koop aangeboden. Zelf ging zij er heen, om alles in orde te brengen.
In dn omgang met vreemden was zij, hoewel vriendelijk, toch in de eerste plaats deftig.
Zij was buitengewoon ordelievend: ieder ding had zijn vaste plaats; alles moest op den bepaalden tijd gebeuren.
Forsch gebouwd, had zij toch geen sterk gestel; dikwijls leed zij aan kleine, soms ook ernstige ongesteldheden, vooral toen zij op jaren kwam. Toen bleek dat aanhoudende arbeid en zorgen gedurende een 30-jarig verblijf in Indië haar krachten vrijwel hadden uitgeput. [...]
... en in den ochtend van den 14den [Maart 1890] gaf zij zacht en kalm den geest, ...

Ursulinen, 158-159

[Jakarta 5 – Ursulinen] 

Het was een heel waagstuk, toen den 20sten September 1855 de eerste Zusters van Sittard en Maeseyck de groote reis naar het onbekende Java ondernamen. Een plezierreisje was het nu niet precies, want men ging met een koopvaardijschip om de Kaap en dobberde 140 dagen op zee. Toen een der zusters ook nog ernstig ziek werd en veel zorg behoefde, verlangde men vurig zoo gauw mogelijk voet aan wal te zetten. Eindelijk, op 7 Februari 1856, werd het anker uitgeworpen ter reede van Batavia. Bijna stervend werd de arme zieke aan wal gedragen. Blijkbaar tevreden met haar goeden wil, riep God haar kort na aankomst tot een beter leven op.
Den 1sten Augustus 1856 werd de school geopend met … drie pensionnairen, doch spoedig nam het aantal toe en in October van hetzelfde jaar waren er al 40. Weldra was de toeloop zoo groot, dat de Zusters het werk onmogelijk gedaan konden krijgen; bovendien moest een van haar wegens ziekte het lesgeven staken; toen nam men zijn toevlucht tot leekenpersoneel. Dringend werd ook hulp gevraagd in Nederland, en den 6den April 1858 arriveerden na een reis van 165 dagen (!) 8 “nieuwe” Zusters. Toen kon men met verdubbelde kracht het ondernomen werk voortzetten en zelfs aan uitbreiding denken. Op 18 Januari 1859 werd een tweede school geopend te Weltevreden voor minvermogende kinderen, die langzamerhand ook tot een bloeiende richting voor alle standen is uitgegroeid.
Met onderwijs en opvoeding der meisjes was het in die dagen treurig gesteld. De menschen waren dan ook blij, dat de Zusters voor hun kinderen de gelegenheid openden zich in velerlei dingen te bekwamen. De voortdurende toename van het aantal leerlingen deed bij andersdenkenden het plan rijpen, ook een pensionaat te beginnen. Natuurlijk ondervonden de Zusters daar den terugslag van: er waren ouders, die hun kinderen bij ons wegnamen, om ze op de nieuwe school te plaatsen.

Ursulinen, 161-163

[Jakarta 5 – Klooster] 

… en 6 jaar later nam Mère Augustine de leiding op zich. Zij bleef aan het hoofd der inrichting van 1877 tot 1908, dus ruim 30 jaar!
“Moeder Augustine” of kortweg “Moeder”, zooals zij algemeen genoemd werd, wist zich alles voor allen te maken. Veel is onder haar bestuur tot stand gekoomen. Met altijd jeugdigen ijver, met onvermoeide energie en met groote opgewektheid, werkte zij voortdurend aan het welzijn van al haar kinderen en dus aan den bloei van Noordwijk. Cursussen werden opgericht voor hulp- en hoofdakte, voor vreemde talen: Fransch, Engelsch, Duitsch; voor handwerken, teekenen, schilderen, muziek enz.; steeds was “Moeder” in de weer, om ten voordeele van de kinderen de inrichting uit te breiden, hier lokalen bij te bouwen, daar iets nuttiger of practischer in te richten. Bovendien strekte zich haar werkzame belangstelling nog verder uit dan Batavia: dit bleek, toen in 1901 een school begonnen werd te Buitenzorg, in 1906 een te Bandoeng. Ieder die eenigszins op de hoogte is van onderwijszaken, begrijpt, wat een overstelpende arbeid dit alles voor Moeder meebracht. Maar zij kon nu eenmaal niet leven zonder bouwen, uitbreiden en verbeteren.
In 1906 werd het 50-jarig bestaan van het “Groote Klooster” luisterrijk gevierd; de feestavond, bij die gelegenheid gegeven, werd bijgewoond door Gouverneur-generaal Van Heutsz en meerdere hooggeplaatste ambtenaren. Met trots konden de Zusters op de afgeloopen 50 jaar terugzien; op de laatste kwarteeuw vooral, want onder de taktvolle leiding van Moeder Augustine was Noordwijk in alle opzichten gegroeid.
Het jaar 1907 was van groot belang voor de Ursulinen van Noordwijk: Na veel gebed en rijp beraad, had moeder besloten met haar Huizen: Noordwijk, Buitenzorg en Bandoeng in de Romeinse Unie te treden *]. In 1908 werd Moeder naar Nederland geroepen om Provinciaal Overste te worden.
Groot was de droefheid bij de tijding, want we konden ons Noordwijk niet voorstellen zonder Moeder. In Nederland bleef Rév. Mère Augustine intusschen ijveren voor de belangen der Missie. Daar Venray, dat reeds heel wat Zusters uit het Noviciaat naar Java gezonden had, nog niet in de Romeinse Unie was, bouwde Moeder Augustine te Vught een nieuw Noviciaat voor de Nederlandsche en Indische Unie-Huizen.
Op Noordwijk werd Moeder opgevolgd door Mère Xavier Neujean, die, in het voetspoor van haar voorgangster tredend, een driejarige H.B.S. voor meisjes bij de reeds bestaande scholen voegde. Ook de volgende Oversten deden alles om den bloei van Noordwijk te bevorderen. Zoo kocht Mère Prieure Joseph Bothe een stuk grond op Nieuw Gondangdia, waarop weldra een nieuwe Lagere School met fröbelschool verrees: “De Theresiaschool”.
Intusschen waren de omstandigheden wel zeer veranderd. Verschillende pensionaten waren op Java geopend.; overal waren scholen gebouwd; de Geestelijkheid wenschte, dat wij in onze kostscholen in ’t vervolg uitsluitend Katholieke kinderen zouden opnemen, met het gevolg, dat het aantal internen, dat tot 150 gestegen was, sterk daalde. Daarbij kwamen veranderingen in het onderwijs, die de Oversten noodzaakten tot besluiten welke “offers” beteekenden voor Noordwijk en die offers werden voor het algemeen welzijn (hoewel noode) gebracht: Zoo moest de kweekschool voor onderwijzeressen worden opgeheven en de driejarige H.B.S. worden omgezet in een Mulo (Dit laatste op verzoek der Heeren Geestelijken).
De Goddelijke Voorzienigheid leidde het echter zoo, dat in 1933, door den onvermoeiden ijver en de vindingrijke toewijding van R.M. Clémence Koch een tweejarige Vakschool kon geopend worden, welke een groot succes werd. De nieuwgebouwde school is een sieraad voor het Maria-park (de oude “Klappertuin.”)
[* zie Ursulinen, 116-121]