door Dr. W. Ph. Coolhaas, geschreven in opdracht van het Koloniaal Instituut te Amsterdam, W. van Hoeve, Deventer [z.j.] [1940-‘42?]

Insulinde, 49-50

[Pasuruan – Haven] 

De visscherij is geen middel van bestaan, dat een groot gedeelte van de bevolking bezig houdt, al is ze in vele kuststreken zeer belangrijk. Wij vermeldden reeds, dat visch een grooter plaats inneemt dan vleesch in het inlandsche menu. Het belang van de visscherij valt ook daarom niet te onderschatten. De overheid tracht de werkmethoden bij de visscherij te verbeteren ten einde de opbrengst te stimuleren. Tot het Departement van Economische Zaken behooren sinds 1928 twee onderafdeelingen, die zich hiermee bezig houden, die voor de zee- en die voor de binnenvisscherij. Het is voor de zeevisschers, wanneer ze geen steun ontvangen van de overheid, zeer moeilijk om te concurreeren tegen de veel beter uitgeruste Japanners, die met motorschepen werken en tegen de Chineezen, die nabij Bagan si api api ter Oostkust van Sumatra het groote djermal (bamboevischstelling)-bedrijf, dat meer dan de helft van alle visch in Indië levert, in handen hebben. Daar komt nog bij, dat de zeevisscherij een zeer wisselvallig bedrijf is. Zoo daalde bij voorbeeld de opbrengst van de majang-visscherij van midden Java van 6,8 millioen kg in 1937 tot 2,9 millioen kg in 1938. Om de visscherij te steunen werd in het laatste jaar de prijs van het zout voor vischconserveering verlaagd van 4 op 2,5 cent per kg, wat een groote stijging van de afname ten gevolge had.
Wat de wisselvalligheid van de opbrengst betreft, staat de binnenvisscherij, dat wil zeggen de teelt van visch in zoet- en zoutwatervijvers en op sawahs er beter voor. Ook concurrentie met vreemdelingen behoeft men niet te duchten. De opbrengst moge veel minder groot zijn dan die der zeevisscherij, als middel van bestaan is ze voor de inheemsche bevolking van niet minder belang dan deze.

Insulinde, 103-104

[Semarang 2 – Van der Ent] 

[1942] Kampongverbetering staat op het programma van vrijwel alle gemeenten en regentschappen: afvoer van afvalwater, aanleg van wegen en paden, vaststelling van rooilijnen, opruiming, verplaatsing, verbetering en nieuwbouw van woningen. Een vijf en twintig jaar geleden kwamen alom, in het bijzonder op de groote plaatsen, waar weinig grond beschikbaar was, nog zeer slechte woningtoestanden voor. Door toko’s en woningen van Chineezen en Europeanen van de straat gescheiden, trof men alleen door eenige slopjes bereikbare woonwijken aan, waar de bevolking samenhokte in volgepropte krotten van een niet te beschrijven goorheid op minieme, soms tijden lang half onder water staande erfjes, zonder latrines, zonder leidingwater, zonder rioleering in een smoorhitte en zonder toevoer van licht en lucht. [...]
De meeste gemeenten waarvan in het bijzonder Semarang met eere genoemd kan worden, hebben de bestrijding van deze wantoestanden reeds een kleine dertig jaar geleden op haar programma gezet. Het waren daar De Vogel, Tillema en Westerveld die aan de nieuwe inzichten de overwinning bezorgden.”

ILW Semarang 2 Bodjong Krotjes ILW Semarang 2 Bodjong multi millionnair ILW Semarang 2 Bodjong kamp
[1913] Krotjes waarin Chineezen en Javanen ‘huizen’. Bevolkingsdichtheid hier en daar 1000 inwoners per H.A. Deze woningen zijn het eigendom van een multi-millionnair! [Van wonen en bewonen 143, 147] Een straat in een dier kampongs. Hier heerscht de meest grenzenlooze vervuiling en totale afwezigheid van netheid.

Insulinde, 127-135

[Jakarta 7 – Volkscredietbank] 

Credietbanken. Daar de Regeering zeer op de oprichting van dergelijke banken aandrong bij haar ambtenaren, kwamen er spoedig verscheidene tot stand. Zij liet bijvoorbeeld in 1906 den bestuursambtenaren weten, dat zij het volkscredietwezen “niet slechts zouden hebben te beschouwen als een volksbelang, waarvan zij zich al of niet kunnen laten gelegen liggen, doch als een op den voorgrond tredend onderdeel hunner ambtelijke plichten”. Op Java werd per afdeeling, dat wil zeggen per ambtsressort van een assistent-resident, gewoonlijk een bank opgericht. Weldra bestonden een 70-tal dergelijke banken, gewoonlijk afdeelingsbanken genoemd. [...]
In 1912 werd de Dienst van het Volkscredietwezen, een nieuw onderdeel van het Departement van Binnenlandsch Bestuur, daartoe opgericht. […] In dat zelfde jaar werd ook de Centrale Kas opgericht, die tot taak had als centrale voor de volksbanken te dienen. [...]
Het naast elkaar bestaan van twee verschillende controle-apparaten bleek natuurlijk weldra onpractisch te zijn, vandaar dat in 1917 de geheele Dienst van het Volkscredietwezen onder den directeur van de Centrale Kas werd gesteld.
De afdeelingsbanken werden [in 1934] met de Centrale Kas samengesmolten en een Algemeene Volkscredietbank opgericht. Het doel van deze bank is de uitoefening van het credietbedrijf in geheel Indië ten behoeve van die groepen van ingezetenen en instellingen die óf niet óf op onbevredigende wijze crediet kunnen krijgen. Ze is, hoewel haar doel is bevordering van het algemeene welzijn, geheel als zakenlichaam georganiseerd en in haar beheer onafhankelijk van de Regeering. […]
De besturen der vroegere afdeelingsbanken zijn omgezet in plaatselijke commissies van de algemeene bank, die de sociaal-economische werking van de locale agentschappen moeten leiden en beoordeelen. Aan haar wordt door de Directie veel vrijheid van handelen gelaten. De algemeene leiding van het volkscredietwezen is dus wel gecentraliseerd, maar in het plaatselijke bedrijf kan het eigen initiatief tot zijn recht komen. Aan de beheerders der plaatselijke kantoren en hun personeel is de controle op de dorpscredietinstellingen overgedragen.. […]
Wie een leening bij een afdeelingsbank wilde, of thans bij een plaatselijke afdeeling van de Algemeene Volkscredietbank wil aangaan, moet duidelijk het doel omschrijven, waarvoor hij wenschtte te leenen. De bank laat door een van haar beambten een onderzoek instellen naar de credietwaardigheid van den aanvrager en wint, zoo het eenigszins belangrijke bedragen betreft, het advies der plaatselijke bestuursambtenaren in. Blijkt uit het onderzoek, dat de aspirantleener onvoldoende credietwaardig is of dat hij voor een doel wil lenen, dat minder wenschelijk wordt geacht, dan wordt de leening geweigerd. De rente, die de afdeelingsbanken in rekening brachten, bedroeg meestal 12 % per jaar en de leeners zijn gebonden aan een nauwkeurig voorgeschreven terugbetalingssysteem, vaak een oogstperiode of een geheel jaar. Deze bepalingen werden voor een belangrijk deel gesteld om de bevolking te leeren credieten alleen te vragen, wanneer ze voor productieve doeleinden wenschelijk en dus verantwoord zijn en om haar aan punctualiteit in geldzaken te wennen. Het resultaat is echter vaak, dat velen zich liever tot pandhuizen of, wat heel wat erger is, tot woekeraars wenden, die niet het naadje van de kous willen weten en die wat ‘vlotter’ in hun voorwaarden zijn. Het volkscredietwezen is er niet in geslaagd, in dit opzicht veel te bereiken. […]
De volgende tabel geeft een overzicht van de bestemming der in 1938 bij de bank opgenomen gelden.

Bestemming Bedrag in duizenden guldens %
Land en Tuinbouw
- daarvan voor grondbewerking
- daarvan voor inhuur van grond
- daarvan voor aankoop of in pandneming van grond
Teelt en aankoop van vee
Handel
Visscherij en vischteelt
Nijverheid
Transportwezen
Schulddelging
Aankoop en herstel van huizen
Kapitaalvorming
Consumptieve doeleinden
Diversen
4670
2156
217
2237
1187
6105
149
193
552
3423
7812
336
1280
958
17,5



4,4
22,9
0,6
0,7
2,1
12,8
29,3
1,3
4,8
3,6

Vóór 1934 werden verreweg de meeste leeningen aan dorpsbewoners, aan landbouwers verstrekt. In 1938 werd nog wel ruim 11 millioen gulden aan hen uitgeleend, maar daarnaast paraisseeren de vaste inkomstentrekkers (ambtenaren en gepensionneerden) met 10 millioen en anderen met 5,5 millioen. De bedragen, die de leeners van elke categorie per hoofd leenden, waren verschillend. Van de ruim 350.000 leeningen aan dorpelingen waren er 250.000 kleiner dan 25 gulden; het gemiddelde bedrag aan hen verstrekt was 30 gulden; de bijna 75.000 leenende vaste inkomstentrekkers ontvingen meest bedragen tusschen 26 en 500 gulden, bij hen was het gemiddelde 136 gulden, nog hooger lag het gemiddelde bij de 2200 leeningen voor industrieele en handelsdoeleinden, dat op 788 gulden kwam. Uit deze cijfers blijkt, dat de kleine man van het dorp met de volkscredietbank niet rechtstreeks in aanraking komt; voor hem zijn de dorpscredietinstellingen en de pandhuizen van veel meer belang. Ook de grootere landbouwers zochten daar sinds 1934 vaak hun toevlucht, terwijl de nieuwe categorieën leeners gezamenlijk meer dan de helft der opgenomen gelden bij de credietbank aanvroegen.
Men overschatte de beteekenis van het volkscredietwezen niet: de Algemeene Volkscredietbank bracht in 1938 26,5 millioen gulden onder de bevolking, de dorpsbanken 20,5 millioen, tegen de pandhuisdiensten 85 millioen.

Insulinde, 140-141

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

Postspaarbank.
Ook deze dateert van een jaar in de buurt van de eeuwwisseling, n.l. van 1898. Gaat men de inlegcijfers van deze bank na, dan blijkt […] dat hij [de inlander] wel degelijk tot sparen in staat is. Het is wel een betrekkelijk gering aantal inlanders, dat een tegoed bij de spaarbank heeft, als men aan het geheele millioenenvolk denkt, maar een aantal van 350.000 boekjes, dat op 31 December 1939 op hun naam stond, dat is 65 % van het totaal, is toch wel een bewijs, dat er een categorie van inheemsche spaarders bestaat. In welke milieus men deze menschen heeft te zoeken, is niet bekend. Tot hen behooren huisbedienden, wier werkgevers voor hen sparen en die eigener autoriteit geen geld van het spaarbankboekje mogen halen, maar of zij numeriek een belangrijke groep der inleggers uitmaken, valt niet te zeggen. De inlandsche spaarders brachten gezamenlijk een flinke som bijeen, bijna 13 millioen gulden, dat is per boekje ongeveer 37 gulden.
Vanaf de oprichting van de Postspaarbank kwamen inheemsche spaarders voor, hun aantal is sedert 1911 blijvend grooter dan dat der Europeesche en Chineesche samen. Hun saldo nam zoowel in geld als in percentage van het geheel voortdurend toe, thans is het 23½ %, enkel de oorlogsjaren 1914 / 1917 gaven na 1913, 1922 / 1923 na 1921 en 1932 na 1931 een kleine achteruitgang te zien.
Het bijgaande staatje geeft een overzicht van et postspaarbankbedrijf.

Aantal spaarbankboekjes in duizenden                       Tegoed in duizenden guldens

  Europeanen Inlanders Vreemde
Oosterlingen *]
Europeanen Inlanders Vreemde
Oosterlingen
1898
1900
1905
1910
1915
1920
1925
1930
1935
1939
3
13
25
37
54
72
78
91
112
133
3
9
20
40
70
122
174
246
301
347
-
1
1
4
7
12
16
26
41
53
700
2567
5902
6751
8676
14084
12846
14214
22981
36501
59
271
710
1452
1763
4483
5256
8520
9947
12876
7
51
95
270
273
683
864
1576
2787
5037

Om tot zoo gunstige resultaten te komen moest voor de Postspaarbank natuurlijk propaganda onder de bevolking gemaakt worden, door het onderwijs, door bestuursambtenaren, en door middel van boekjes en platen. Duidelijk kan men zien dat de bevolking, wanneer ze vertrouwen in een dergelijke instelling heeft gekregen, daarvan graag gebruik wil maken. Voor coöperatie enz. is dit een hoopvol verschijnsel.
Behalve de Postbank bestaan nog enkele andere spaarbanken, waarbij door ongeveer drie duizend inheemschen een bedrag werd belegd dat om de zes ton schommelt. De belangrijkste van deze banken zijn die te Padang, Soerabaja en Menado.
[* Zie voor toelichting: [Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 146-147] 

Insulinde, 146

[Semarang 2 – Weeshuis] 
[Surabaya 2 – Meisjes-weeshuis]
 

Van ouds werd in Indië veel gedaan voor de weezen. Hoeveel Europeanen stierven niet op jeugdigen leeftijd, kinderen nalatend, waarvan de vaak inlandsche moeder òf ook overleden was, òf door haar geringen graad van ontwikkeling niet in staat opvoeding te leiden. Sommige weeshuizen hebben reeds een eerbiedwaardigen leeftijd bereikt, zoo het Protestantsche weeshuis te Semarang van 1769 en het Parapatanweezengesticht te Batavia dat van 1832 dateert. Beide zijn voor Europeesche weezen bestemd. Naast deze oude inrichtingen zijn vooral in de laatste vijf en twintig jaar vele andere gekomen; in het bijzonder van Katholieke zijde werd aan de weezenverzorging veel aandacht besteed. Op talrijke plaatsen vindt men door de missie opgerichte Sint Vincentiusgestichten. Ook van inheemsche zijden werd buiten het landelijk milieu, waarin ouderlooze kinderen gemakkelijk een tehuis vinden bij verwanten, een aantal weeshuizen opgericht, waarbij de vereeniging Moehammadijah met eere genoemd dient te worden.
Een ook om den persoon van den stichter en directeur zeer merkwaardig instituut is het Oranje Nassaugesticht, dat in 1896 opgericht, nog steeds onder leiding staat van den bekenden godsdienstonderwijzer Johannes van der Steur.

Insulinde, 149-150

[Jakarta 4 – Berendrecht] 
[Surabaya 2 – Meisjes-weeshuis] 

Wel dient gesproken te worden over het instituut der Weeskamers. Dit zijn instellingen, die reeds in 1624 uit het Oud-Hollandsche Recht werden overgenomen, en die tot doel hadden het beheer te voeren over de goederen, die aan minderjarige weezen toebehoorden en de voogdij over hen uit te oefenen. In Nederland zijn de overeenkomstige lichamen reeds lang verdwenen, doch in Indië is dat niet het geval. Het komt daar herhaaldelijk voor, dat Europeanen en Vreemde Oosterlingen sterven, die geen meerderjarige verwanten of goede vrienden hebben, die het beheer over de nagelaten goederen voor de achtergebleven weezen zouden kunnen voeren. De taak der weeskamers is in hoofdzaak, zoo ten aanzien van Europeanen als van Chineezen en van sommige andere groepen van Vreemde Oosterlingen, de uitoefening van de voorlopige voogdij zoolang een andere voogd ontbreekt, daarbij steeds de toeziende voogdij en verder de curateele over de ongeboren vrucht, de toeziende curateele, de registratie van testamenten en het beheer over onbeheerde nalatenschappen. Slechts wanneer bij testament door een tot de genoemde bevolkingsgroepen behoorende persoon is bepaald, dat de weeskamer geen bemoeienis met zijn nalatenschap zal hebben, heeft deze daarmee niets te maken.
Bovendien treden zij sinds 1927 als voogdijraden op, als hoedanig zij de zorg hebben over de minderjarigen, wier vroegere verzorgers bij rechterlijk vonnis uit de ouderlijke macht of uit de voogdij ontzet zijn. Voor de uitoefening van deze plicht zijn de weeskamers aangevuld met door den Gouverneur-Generaal benoemde personen; dat zijn steeds mannen en vrouwen, die actief deelnemen aan het werk voor den jeugdzorg, zoodat medewerking van de vereenigingen, die op dit terrein arbeiden, gewaarborgd is.
Er bestaan weeskamers te Batavia, Semarang, Soerabaja en Medan, terwijl te Padang en Makassar gedelegeerde leden gevestigd zijn, die zelfstandig kunnen optreden. De kamers worden op andere plaatsen vertegenwoordigd door beroepsagenten of door ambtenaren, die het fungeerend agentschap als bijbetrekking uitoefenen. Hoe belangrijk het werk der kamers is, blijkt uit de groote bedragen, die zij onder haar beheer hebben; ultimo December1938 bijvoorbeeld 8½ millioen gulden. Zij doen over dit bedrag een rente van 3,5% aan de geadministreerden tegoed; 2,4 millioen en 2½ millioen gulden was respectievelijk het eigendom van Europeesche en Chineesche door de kamers geholpen weezen. Dat in 1930 nog 19 millioen gulden werd beheerd en destijds nog 4½%, vroeger zelfs 6 en 6½% rente kon worden uitgekeerd, is weer een voorbeeld van den economischen achteruitgang van Indië sinds dien tijd.
Het bijgaande tabelletje geeft een overzicht van het aantal en den landaard der pupillen, die in 1938 in de zorgen der weeskamers deelden. Er blijkt uit, dat vooral het Chineesche deel der samenleving reden heeft tot dankbaarheid aan deze instellingen.
A – Aantal pupillen Weeskamers
“Wel dient gesproken te worden over het instituut der Weeskamers. Dit zijn instellingen, die reeds in 1624 uit het Oud-Hollandsche Recht werden overgenomen, en die tot doel hadden het beheer te voeren over de goederen, die aan minderjarige weezen toebehoorden en de voogdij over hen uit te oefenen. In Nederland zijn de overeenkomstige lichamen reeds lang verdwenen, doch in Indië is dat niet het geval. Het komt daar herhaaldelijk voor, dat Europeanen en Vreemde Oosterlingen sterven, die geen meerderjarige verwanten of goede vrienden hebben, die het beheer over de nagelaten goederen voor de achtergebleven weezen zouden kunnen voeren. De taak der weeskamers is in hoofdzaak, zoo ten aanzien van Europeanen als van Chineezen en van sommige andere groepen van Vreemde Oosterlingen, de uitoefening van de voorlopige voogdij zoolang een andere voogd ontbreekt, daarbij steeds de toeziende voogdij en verder de curateele over de ongeboren vrucht, de toeziende curateele, de registratie van testamenten en het beheer over onbeheerde nalatenschappen. Slechts wanneer bij testament door een tot de genoemde bevolkingsgroepen behoorende persoon is bepaald, dat de weeskamer geen bemoeienis met zijn nalatenschap zal hebben, heeft deze daarmee niets te maken.
Bovendien treden zij sinds 1927 als voogdijraden op, als hoedanig zij de zorg hebben over de minderjarigen, wier vroegere verzorgers bij rechterlijk vonnis uit de ouderlijke macht of uit de voogdij ontzet zijn. Voor de uitoefening van deze plicht zijn de weeskamers aangevuld met door den Gouverneur-Generaal benoemde personen; dat zijn steeds mannen en vrouwen, die actief deelnemen aan het werk voor den jeugdzorg, zoodat medewerking van de vereenigingen, die op dit terrein arbeiden, gewaarborgd is.
Er bestaan weeskamers te Batavia, Semarang, Soerabaja en Medan, terwijl te Padang en Makassar gedelegeerde leden gevestigd zijn, die zelfstandig kunnen optreden. De kamers worden op andere plaatsen vertegenwoordigd door beroepsagenten of door ambtenaren, die het fungeerend agentschap als bijbetrekking uitoefenen. Hoe belangrijk het werk der kamers is, blijkt uit de groote bedragen, die zij onder haar beheer hebben; ultimo December1938 bijvoorbeeld 8½ millioen gulden. Zij doen over dit bedrag een rente van 3,5% aan de geadministreerden tegoed; 2,4 millioen en 2½ millioen gulden was respectievelijk het eigendom van Europeesche en Chineesche door de kamers geholpen weezen. Dat in 1930 nog 19 millioen gulden werd beheerd en destijds nog 4½%, vroeger zelfs 6 en 6½% rente kon worden uitgekeerd, is weer een voorbeeld van den economischen achteruitgang van Indië sinds dien tijd.
Het bijgaande tabelletje geeft een overzicht van het aantal en den landaard der pupillen, die in 1938 in de zorgen der weeskamers deelden. Er blijkt uit, dat vooral het Chineesche deel der samenleving reden heeft tot dankbaarheid aan deze instellingen.
A – Aantal pupillen onder voorlopige voogdij der weeskamers.
B – Aantal pupillen onder toeziende voogdij der weeskamers.

  Europeanen Inheemschen Chineezen Arabieren Andere vreemde
Oosterlingen  
Totaal
A
B
698    
28.020    
32        
78        
14.178    
71.527    
824    
4.646    
61        
904        
15.793
105.175

Insulinde, 150-151

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

De vereeniging ‘De Nederlandsch Indische Padvinders’ kwam in 1917 tot stand. Zij staat, geheel onafhankelijk van godsdienstige gezindte of staatkundige organisatie, open voor jongens en meisjes van alle rassen en landaarden. Verreweg het grootste gedeelte der aangeslotenen behoort echter tot de Europeanen, want de meerderheid der inheemschen, die nog niet is vervreemd geraakt van het oude traditioneele leven, is nog niet aan padvinderij toe, terwijl het gedeelte dat dit wel is, zoo ook de Vreemde Oosterlingen, eigen pdvindersvereenigingen hebben, meerendeels uitgaande van nationalistische of politieke organisaties, die van samenwerking met de Europeesche padvinders maar weinig willen weten. Dit geldt in het bijzonder van de ‘Kepandoean Bangsa Indonesia’ en eenige kleinere soortgelijke groepen. Iets minder afwijzend is de houding van de ‘Natipy’, die uitgaat van de Jong Islamieten organisatie, op nationaal-godsdienstigen grondslag staat en naar internationale broederschap streeft. Buiten de politiek staat de ‘Hizboel Wathon’ de groote organisatie van padvinders, die georganiseerd is door de reeds genoemde sociaal-paedagogische vereeniging Moehammadijah. Zij heeft onder de leerlingen der scholen van die vereeniging duizenden leden. Meer dan de andere inheemsche pavindersgroepen laat zij haar leden doen wat ook elders des padvinders is. Sportbeoefening, het maken van uitstapjes in de vrije natuur, het kampeeren, alles ter bevordering van een kameraadschappelijken geest, behooren tot haar geregelde programmapunten. Geheel op het gebied der politiek zouden wij terecht komen, indien wij spraken over de verschillende vereenigingen, die op het terrein der inlandsche jeugdbeweging werken.

Insulinde 169-170, 190-191

[Jakarta 5 – Hollandsch Inlandsche School] 
[Jakarta 6 – Hollands-Inlandsche scholen] 

Sinds scholen voor inlanders op Java bestonden, was de houding ten aanzien van de vraag van hun toelating tot de Europesche scholen veel minder coulant geworden. Sedert 1849 werd deze een grote uitzondering, die slechts zelden aan zoons van zeer vooraanstaande leden der inheemsche maatschappij of van aanzienlijke Christeninlanders werd verleend. Dit was echter in strijd met de liberale beginselen, die wilden dat aan inlandsche ouders de mogelijkheid open moest staan hun kinderen naar de Europeesche school te zenden, zoo zij dit wenschten. Het was wederom [minister] Fransen van de Putte, die dit doorzette. Van verschillende zijden ontstond hiertegen echter vrij groote tegenstand, onder andere van de ouders van Europeesche kinderen, die vreesden, dat het toch al niet zeer goede onderwijs, dat daar werd gegeven, nog meer in waarde zou dalen, als inlansche leerlingen het peil van de klas beïnvloedden. Vandaar dat in 1872 een vrij hoog schoolgeld voor inlandsche kinderen op dit soort scholen werd vastgesteld, waardoor het enkel aan de ambtenarenaristocratie mogelijk bleef haar zoons hierheen te zenden. Ook werd een maximum leeftijd van acht jaar voor de toelating vastgesteld en voor die tot de eerste scholen de kennis van het Nederlandsch als vereischte gesteld. […]
In 1907 was het zoover, dat gedeeltelijk aan den wensch der inheemsche ouder kon worden tegemoet gekomen. Het Nederlandsch werd als leervak in de derde klas van de scholen der eerste klasse ingevoerd, terwijl daaraan een zesde klas werd toegevoegd, waar het voertaal zou worden. […] Maar ook dat zou niet aan de eischen der ouders voldoen, de school moest zoo worden, dat ze geheel hetzelfde eindresultaat gaf als de Europeesche school, dat ze aansloot op alle verder dan deze gaande onderwijsinrichtingen. Daartoe moest ze worden van een school, waar onder andere Nederlandsch werd geleerd, eene, waar die taal als voertaal werd gebruikt. In 1914 kwam men zoo ver; de inlandsche school der eerste klasse kreeg tevens een naam, die elken Nederlander uit een der negen niet-Hollandsche provinciën doet schrikken, n.l. H(ollandsch) I(nlandsche) S(chool) en ze werd een inrichting voor Westersch lager onderwijs. Dit schooltype is het gebruikelijke geworden voor alle inlandsche kinderen, wier ouder in een wat hooger milieu dan het algemeene leven. Het aantal H.I.S.en bedraagt thans 286, er gaan 70.000 leerlingen school en ze leveren jaarlijks 5500 abituriënten af. De weinige nog bestaande speciale scholen hebben een geheel met het hare overeenkomend leerplan gekregen. […]
De kennis van het Nederlandsch heeft zich door de totstandkoming van de H.I.S. aanzienlijk uitgebreid. In 1930 beheerschten reeds 200.000 inheemschen onze taal. Bij een deel van de aristocratie, met name in de Soendalanden [west Java] en in de Minahassa [noordoost Celebes] heeft het Nederlandsch de eigen taal ook in den dagelijkschen omgang verdrongen. Dat is vooral het geval als de dames een opvoeding in het Nederlandsch hebben ontvangen. […]
Men had kunnen verwachten, dat de Europeesche scholen thans [bij het invoeren van de H.I.S.] voor de inlandsche jeugd gesloten zouden worden, want onderwijskundige overwegingen maakten haar toelating daar thans niet meer noodig. Men had echter ook rekening te houden met psychologische en sociale overwegingen. Vandaar dat men ze open bleef stellen voor kinderen van ineemschen landaard, komend uit en milieu, dat vrijwel geheel met het Westersche overeenkwam en van wie verwacht kon worden, dat ze voortgezet onderwijs zouden gaan volgen, dat tot de hoogere betrekkingen in de maatschappij voerde. Bijna 5000 inlandsche kinderen bezoeken thans de Europeesche lagere scholen en maken er ruim 10% van de schoolbevolking uit.

Insulinde, 191-192

[Jakarta 6 – Middelbare] 
[Surabaya 2 – Meisjes] 

Men heeft thans in Indië zeven H.B.S.en met 5-jarigen cursus, waarvan twee voor meisjes en vijf met 3-jarigen cursus, waarvan vier voor meisjes. Ook een viertal lycea is opgericht. Door haar aard zijn deze scholen alle sterk op de behoeften van het Westen ingesteld: het leerplan is er zoo, dat de leerlingen, wanneer hun ouders naar het moederland terugkeeren, zonder veel moeite op een dergelijke onderwijsinrichting daar kunnen overgaan. Inlandsche leerlingen worden er wel op dezelfde wijze als Europeesche toegelaten, maar het onderwijs is er toch niet bepaald op ingesteld om aan hun behoeften te voldoen. Van de 3000 leerlingen die de 5-jarige H.B.S. bezoeken, zijn er ruim 2000 van Europeeschen landaard, onder de 262 leerlingen, die in 1938 eindexamen deden, trof men maar 34 inlandsche aan.

Insulinde, 192

[Bandung 2 – Muloschool] 
[Jakarta 6 – Muloschool]
 

[…] in 1914, het jaar, dat de invoering van de H.I.S. bracht, [werd] ook een ander schooltype ingevoerd, dat voorloopig voldoende werd geacht voor de verdere algemeene vorming van de inheemsche en een deel van de Europeesche jeugd, n.l. de school voor M(eer) U(itgebreid) L(ager) O(nderwijs). Men kende reed in 1903 Mulo-cursussen als verlengstuk aan enkele Europeesche lagere scholen, maar nu werden het zelfstandige inrichtingen, waartoe ook de H.I.S. toegang gaf. De scholen hebben een driejarigen cursus, terwijl abituriënten van de H.I.S. vooraf gedurende een jaar een voorklas moeten doorloopen. Aanvankelijk overwoog het Europeesche element sterk onder de leerlingen, maar sedert lang is dat geheel veranderd. De 62 Mulo-scholen worden thans door bijna 11.000 leerlingen bezocht, van wie er 6000 van inheemschen, 2000 van Chineeschen of Arabischen landaard zijn. De scholen leverden in 1938 ruim 2000 abituriënten af, onder wie 1100 inlandsche. De Mulo is voor Indië een instelling van grooter belang dan de gelijknamige inrichting in Nederland, daar ze voor de inlandsche bevolking de gebruikelijke weg is naar een ontwikkelingsniveau, dat hooger ligt dan dat waartoe het gewone onderwijs brengt.

Insulinde, 194

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

De andere hoogescholen kwamen pas tot stand, nadat de A.M.S. in 1922 haar eerste abituriënten ging afleveren. In 1924 werd de Rechtshoogeschool te Batavia geopend. Anders dan bij de Technische Hoogeschool kon hierbij gebruik worden gemaakt van een bestaande instelling. In 1909 was namelijk als een juridische pendant van de Stovia een Rechtsschool opgericht, bestaand uit een voorbereidende en een juridische afdeeling, elk van drie jaar. Tot de eerste hadden oud-leerlingen van de Europeesche Lagere School, later ook van de H.I.S. toegang. De aan de Rechtsschool afgestudeerden kregen niet den titel van meester in de rechten; de bij haar opgeleide rechtskundigen waren bestemd voor functies bij de inlandsche rechtspraak. Men vond dit wenschelijk, omdat men meende dat hierdoor de afstand tusschen den rechter en de justiciabelen minder groot zou zijn dan wanneer de eerste zooals tot dusverre een Europeaan was. […] de Rechtshoogeschool [had] in 1937/38 350 studenten, van wie 232 inlandsche.