door Melis Stoke – Vijftig Indische rijmkronieken bijeengelezen en ingeleid door Gerard Termorshuizen,
KITLV Uitgeverij, Leiden 2005.

Melis Stoke – Ik kijk de kat uit de klapperboom, 39-40

[Jakarta 6 – Kapelmeester] 

Schouwburg-gang te Batavia

Het eerste bedrijf is zweet en tranen
en handelt in een slaapvertrek.
Men wurmt een koppig boordje aan, en
geraakt van zijne tramontane
en mompelt binnensmonds verr …

Het tweede is vol zoet verwachten …
Wij rijden naar het kunstgebouw
en bieden ’t warme hoofd vol smachten
aan ’t minste koeltje van de nacht en
de minste grillen onzer vrouw.

Daar straalt het licht reeds van den tempel.
Wij krijgen een verheugd gevoel
bij ’t overschrijden van de drempel,
en binnen vinden wij warempel
een fijne luxe-matten-stoel.

Nog vóór het voor-doek opgehaald is
gutst ons een zweetstroom langs het hoofd.
Muskieten-zwermen geven staaltjes
van hun bedrijf. Maar … waar betaald is
wenst men ’t genot dat was beloofd.

Wanneer het scherm dan weer gezakt is
stijgt eerst de marteling ten top.
O … vréselijke entre-actes.
Om ’t boordje dat reeds zwaar-geknakt is
knelt ons het dasje als een strop.

Wij storten ons op de buffetten
en slokken grote plassen in.
Men kan bijna geen stap verzetten
en zwijmelt op een bankje met ‘n
half-uitgeputte gezellin.

Waar zijn de luisterrijke zalen,
wáár de foyers en promanoirs
die van verguld en lichtgloed stralen?
’t Comfort waarop z’ ons hier onthalen
gelijkt een park voor wandelaars.

De banken die tot rusten lokken
zijn zó uit een publiek plantsoen.
In plaats van kouten, schertsen, jokken
zit men maar koud soulaas te slokken
(wat moet j ’ook feitelijk anders doen?)

Dan klinkt de bel … Nog gauw één splitje …
Dan veegt men zich het voorhoofd droog,
en weer bij een nieuwe acte zit je
als flauw-flakkerend olie-pitje
te luisteren naar de dialoog.

Java-Bode, 3 Juni 1924