door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 4, 159-163

[Surabaya 2 – Marine Commandant] 

Per 1 januari 1933 werden de Indische overheidssalarissen voor de derde maal verlaagd: nu met 7%. Het kwam bij het Knil tot ongeregeldheden, waarbij in Bandoeng een plakkaat gevonden werd met als tekst: ‘Kameraden, moeten wij ons laten vertrappen? Verlaat het leger. Hijs de rode vlag ... als dat niet helpt: de rode haan!'
De gehele decembermaand had het marinepersoneel in spanning verkeerd of het ook onder de derde korting zou vallen. Op tweede Kerstdag was aan boord van ‘De Zeven Provinciën’, die toen in Soerabaja voor anker lag, het bondslied aangeheven; drie dagen later hadden 700 korporaals en manschappen een demonstratieve optocht gehouden naar een vergadering waar verschillende sprekers gewezen hadden op het succes dat Engelse marine-schepelingen een kleine anderhalf jaar tevoren, ook al protesterend tegen salariskorting, met gezamenlijke dienstweigering behaald hadden. Op 31 december evenwel kreeg de marinecommandant te Soerabaja bericht dat de korting van 7 % ‘in afwachting van (een) nadere regeling’ aangehouden was; de daaraan toegevoegde woorden ‘nog korte tijd’ waren echter uit het oorspronkelijke, door de minister van defensie uit Den Haag verzonden telegram bij de doorzending weggelaten. Van de mededeling die in verkorte vorm een misleidende indruk moest maken, werd nog dezelfde dag mondeling door de commandanten van alle eenheden kennis gegeven aan de bijeen-gefloten bemanningen. Het Cambo juichte over ‘een bondsoverwinning’.
Op 2 januari ’33 verliet het eskader Soerabaja ‘De Zeven Provinciën’ zou een oefenreis rond Sumatra maken. Zij was een in 1910 in dienst gestelde kruiser van ruim 6500 ton (met het oog op de vrij geringe snelheid behoren wij eigenlijk van ‘pantserschip’ te spreken), bewapend meet acht kanonnen waaronder twee met een kaliber van 28 cm – de zwaarste en verstdragende vuurmonden die de marine kende. Het schip bezat evenwel geen moderne vuurleiding en evenmin afweergeschut tegen luchtaanvallen. Het deed al jaren dienst voor de verdere opleiding van de kwekelingen uit Makassar en werd als zodanig ook wel eens gebruikt om officieren die elders minder voldaan hadden, een nieuwe kans te geven. Het had 141 Europeanen en 236 Indonesiërs aan boord; er waren 30 officieren. Maar voor wat volgde, was speciaal van belang dat zich onder de Europese en Indonesische minderen een actieve communistische cel bevond.
Van het eind van de jaren ’20 af had de Communistische Internationale (de Komintern) zich veel moeite gegeven, in de marines van de landen der tegenstanders eigen kernen te vormen. In ’31 waren hiervoor in Rouaan, Hamburg en Rotterdam zelfs opleidingsscholen gesticht, te Rotterdam in de Internationale Zeeliedenclub aan de Willemskade. Daar trof een van de organisatoren en docenten van de Komintern, de Duitser Richard Krebs, herfst ’32 een jonge Chinese Komintern-agent aan, Leo Chang, die op weg was naar Indië en tot taak gekregen had, met de celen aan boord van de marineschepen in de Indische wateren contact op te nemen. Op ‘De Zeven Provinciën’ had de Marine-afdeling van de Komintern ‘een sterke cel en bovendien een actiecomité dat uit Hollandse en Javaanse zeelieden bestond’.
Deze cel kreeg haar kans toen op 21 januari bericht kwam dat de derde korting, zij het voor de Europese schepelingen tot 4% verminderd, alsnog een feit zou worden; voor de Indonesische schepelingen zou zij 7 % bedragen. Het eskader was toen weer in Soerabaja teruggekeerd; daar kwam het tot betogingen en op de 30ste tot dienstweigering door grote aantallen Europese en Indonesische militairen van de marine; meer dan 500 werden gearresteerd. Men moet wel aannemen dat de eerste berichten omtrent die beroering aan de leiding van de Komintern de overtuiging schonken dat in Nederlands-Indië een revolutie voor de deur stond. Met ‘De Zeven Provinciën’ werd contact opgenomen. Krebs schreef enkele jaren later:
‘Uit Singapore, het hoofdkwartier van de Komintern voor Nederlands-Indië, kwam een koerier met instructies. De matrozen van ‘De Zeven Provinciën’ moesten zich meester maken van het oorlogsschip, opstomen naar de kust van Java en de marinebasis Soerabaja bombarderen. Zulk een actie zou heel wel voor alle andere marine-eenheden het signaal kunnen worden om de rode vlag te hijsen en zij zou dus het uitbreken van een algemene opstand in Nederlands-Indië tot gevolg kunnen hebben.’
Dit program van actie werd slechts gedeeltelijk verwezenlijkt.
Op zaterdag 4 februari lag “De Zeven Provinciën’ voor de rede van de kleine Atjehse haven Koetaradja. ’s Middags werd besloten, zich om 10 uur ’s avonds van het schip meester te maken: de commandant en de meeste officieren zouden zich dan aan de wal, in de Atjehclub, bevinden. Om 6 uur ’s avonds ging een korporaal die van het plan gehoord had, de commandant waarschuwen; deze vond het bericht ‘geheel ongeloofwaardig’; dat was ook het oordeel van de eerste officier. Hoewel aan boord om 9 uur ontdekt werd dat een Indonesisch matroos zich de sleutel der geweerrekken en een aantal patronen toegeëigend had, verzuimden de chef van de wachtdivisie en de overige officieren, onmiddellijk maatregelen te nemen, ‘enkele officieren die in de longroom bezig waren met bridgen en daar van het voorgevallene kennis kregen, vonden het voorval evenmin ernstig en speelden verder’. Binnen enkele minuten was het schip in handen van de opstandelingen, de aanwezige officieren werden op het achterdek teruggedrongen, de chef van de wachtdivisie, hoewel oudste aanwezige officier, voer, het schip verlatend, met de vlet naar een gouvernementsmarineschip, de ‘Aldebaran’, dat voor de wal lag en ging vandaar aan land; inmiddels hadden enkele rebellerende schepelingen stoomklaar gemaakt en om 2 uur ’s nachts voer ‘De Zeven Provinciën’ van Koetaradja weg, spoedig gevolgd door de ‘Aldebaran’ met de commandant van de kruiser aan boord die weinig anders kon doen dan, eigen lichtzinnigheid vervloekend, zijn gekaapte oorlogsbodem in het oog houden. Zondagmorgen seinden de rebellerende telegrafisten in het Nederlands en in het Engels (dat laatste voor de wereldpers): ‘’De Zeven Provinciën’ eindelijk in handen genomen door bemanning, alles gaat gewoon zijn gang, stomen op naar Soerabaja, geen geweld in de zin, doch protest onrechtvaardige salariskorting en gevangenneming marinemannen Soerabaja, alles wel aan boord.’
‘Absoluut geen communistische neiging’ werd daar nog aan toegevoegd in een tweede telegram aan de commandant.
Zondag 5 februari werd voor de gouverneur-generaal een dag ‘vol spanning, een zenuwachtige dag vol telefoons en telegrammen. Waar ging het schip heen?' ’aar een Engelse haven? Neen – om de noordpunt van Sumatra bleek het verder te varen, de westkust langs, richting Straat Soenda tussen Java en Sumatra. Maandag besloot de vlootvoogd, het ter hoogte van Padang uit de lucht aan te vallen, maar slechts één bommenwerper wist het daar gelegen vliegveld te bereiken. Nieuw besluit: ‘De Zeven Provinciën’ zou voor Straat Soenda opgevangen en, als het schip zich niet overgaf, aangevallen worden uit de lucht alsmede door de schepen van het inmiddels aangetrokken eskader (de meeste Indonesische minderen waren in Soerabaja in allerijl door Europese vervangen), bestaande uit de kruiser ‘Java’, twee torpedobootjagers en twee onderzeeboten. De ‘Java’ bezat intussen slechts 15 cm-geschut; twee kanonnen van ‘De Zeven Provinciën’ waren bijna tweemaal zo zwaar.
Op vrijdagochtend 10 februari kwam de rebellerende kruiser voor Straat Soenda aan. Wel was aan boord van onenigheid gebleken maar de leiders van de revolte hadden de zaak voldoende in de hand om op een telegrafische sommatie zich over te geven, geseind door de commandant van de eerste Dornier-vliegboot die naderde, min of meer met een herhaling van het eerst uitgezonden telegram te antwoorden: ‘Ons niet hinderen. Alles wel aan boord, geen gewonden, dienst gewoon zijn gang. Verder bevelsovergave aan commandant één dag vóór aankomst Soerabaja’. De vliegtuigen hadden instructie, eerst een waarschuwingsbom te gooien – die instructie was onduidelijk doorgegeven; de eerste bom die om 9 uur 18 viel, werd al op het schip gericht en was meteen raak: van de Indonesische schepelingen werden zestien gedood en acht zwaar gewond (van wie nog vier overleden), van de Europese drie gedood en drie zwaar gewond; er waren zeven licht gewonden. Een matroos hees onmiddellijk de witte vlag
Hoewel in de dagen na het kapen van ‘De Zeven Provinciën’ in Indië hier en daar getracht werd, sympathiebetogingen met de muiters te organiseren, bleef het over het algemeen rustig; Chang (dien wij reeds in Rotterdam tegenkwamen) gaf bevel, ‘het marine-arsenaal in Soerabaja te bezetten en het revolutionaire proletariaat te bewapenen’, maar het kwam niet tot actie van enige omvang – hetgeen niet wegneemt dat, zeker tot aan het vallen van de bom, het prestige van het bewind in de wereld der Indonesiërs wankelde; uit die der blanken, waar angst om zich heen greep, stroomden de sympathiebetuigingen naar de gouverneur-generaal, in Batavia werd op 7 februari een grote loyaliteitsbetoging gehouden. Daarbij constateerde [G.G.] jhr. De Jonge niet zonder zorg, dat ‘meer en meer een anti-inlandse stemming waar te nemen viel’, men schreef toen nog de gehele muiterij aan de inlandse schepelingen toe en wist nog niet dat ook Europeanen daaraan een werkzaam aandeel hadden genomen’.
In de maanden die volgden werden van de opvarenden van ‘De Zeven Provinciën’ 165 minderen gestraft, zo ook de officieren die zich hadden laten verrassen; van hen werden zes, met inbegrip van de commandant, bovendien uit de dienst ontslagen. Maar ook andere maatregelen werden genomen. In de week van de rebellie werd De West-Java-Courant, orgaan van het Verbond van verenigingen van overheidsdienaren, verboden; D.M.G. Koch, een van de weinige Nederlanders die principieel aan de zijde van de nationalistische beweging stond, zat in de redactie van dit ‘stookblad van het ergste soort’., aldus de gouverneur-generaal. Eind juni werd bepaald dat geen landsdienaar nog lid mocht zijn van een vereniging die zich actief tegen de regering richtte; de marinebonden en het tamelijk linkse Nederlands-Indische Onderwijzersgenootschap werden onder scherpe controle geplaatst; het vergaderrecht van de twee actiefste Indonesische nationalistische partijen werd beperkt en de leider van een hunner, ir. Soekarno, werd in de nacht van 31 juli op 1 augustus gearresteerd. Mahammed Hatta en Soetan Sjahrir bevonden zich onder de leiders van de andere partij die nog geen zeven maanden later in hechtenis genomen werden. ‘In deze tijden is rust en orde vóór alles nodig’, schreef jhr. De Jonge daags daarna naar Den Haag.
Toen de gouverneur-generaal twee jaar later, niet lang na de leider van de NSB ontvangen te hebben, zijn ambt neerlegde, was hij er van overtuigd dat aan de rust en orde, zo ver men vooruit kon zien, niets zou ontbreken. Aan de redacties van twee kranten, De Deli Courant en De Sumatra Post, verklaarde hij: ‘Ik meen dat, nu wij driehonderd jaren hier in Indië hebben gearbeid, er nog wel driehonderd jaar bij moeten komen, aléér Indië misschien voor een vorm van zelfstandigheid rijp zou zijn’; aan een Engels bezoeker had hij meegedeeld dat hij elk gesprek met nationalistische voormannen placht in te leiden met te zeggen: ‘Wij Nederlanders zijn hier driehonderd jaar geweest; wij zullen nog driehonderd jaar blijven. Daarna kunnen wij spreken’.
Deze opvatting – een waarlijk monumentale miskenning van de werkelijke situatie – werd door velen gedeeld, ook in Nederland.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 4, 652

[Architecten – Schoemaker] 

[...] Het is intussen wel plausibel dat die berichten via Belgische en Franse kanalen Londen bereikt hebben.
Dat laatste is veel minder waarschijnlijk wat de informaties betreft die door twee andere spionagegroepen verzameld werden welke beide begin ’41 door de Duitsers opgerold werden: de groep Mekel-Schoemaker (geleid door de Delftse hoogleraren J.A.A. Mekel en R.L.A. Schoemaker) en de Stijkelgroep.
Deel 5, blz. 840
In de tweede plaats willen wij er op wijzen dat in de periode ’40-’42 verscheidene spionagegroepen tot stand kwamen die er niet in slaagde, een weg naar Engeland te vinden. [...] Geen van deze beide groepen had zendverbinding. Voor een zodanige verbinding gaf zich eind ’40 een katholiek kloosterling moeite, Johannes Klingen (‘Broeder Jozef’). Deze had een zender gebouwd die in de bibliotheek van het broederhuis te Heemstede verborgen werd. Er werd voor hem een code ontworpen door de Delftse hoogleraar ir. R.L.A. Schoemaker. Schoemaker interesseerde zich in die tijd voor de jongste vinding van Van der Waals*] en toen deze aanbood, Klingens code naar Engeland te brengen, ging Schoemaker daarop in. Begin mei werd Schoemaker gearresteerd. Eind mei deden Schreieder **] en Van der Waals een inval in het Heemsteedse seminarium. Klingen, die nog geen zendcontact gehad had, werd ook gearresteerd (en later gefusilleerd) en de gehele spionagegroep van Schoemaker en zijn Delftse collega ir. J.A.A. Merkel werd enkele weken later opgerold waarbij Schreieder de diepere penetratie niet aan Van der Waals overliet maar aan een andere V-mann. De arrestaties werden in opdracht van Schreieder uitgevoerd door de twee Haagse politiemannen Poos en Slagter die al enkele maanden lang als uiterst ijverige medewerkers van de Sicherheitspolizei fungeerden.
Deel 8, blz. 334-337
Eind maart ’42 begon in een groot hotel op de Amersfoortse berg, niet ver van het concentratiekamp, voor het Luftwaffegericht het z.g. eerste OD-proces. [...] Tot de zes-en-tachtig illegale werkers die terechtstonden, behoorden de feitelijke leiders van de ‘eerste’ en de ‘tweede’ OD, luitenant-kolonel J. Westerveld en luitenant-kolonel P. Versteegh, met een aanzienlijk deel van hun kaders. Onder de zes-en-tachtig had men evenwel ook de Delftse hoogleraren J.J.A. Mekel en R.L.A. Schoemaker (met enkele van hun medewerkers) opgenomen die wel allerlei contacten met de OD hadden gehad, maar wier spionagegroep niet als een onderdeel van de OD beschouwd kon worden. Ten behoeve van het proces waren de beklaagden in het concentratiekamp Amersfoort opgesloten. [...]
Op 11 april werd vonnis gewezen: inderdaad werden tachtig mannen ter dood veroordeeld. Zij werden nog diezelfde middag onder zware bewaking uit het kamp weggevoerd – alle andere gevangenen moesten op appèl staan. ‘Daar komen de eersten de hoek van de keuken om: Schoemaker en anderen’, aldus begon het (in deel 5 al door ons geciteerde) relaas dat een gevangene (Folmer, het lid van de Oranjewacht) later kon uitwerken –
‘Wij kijken elkaar aan, Hun ogen zoeken de rijen af om afscheid te nemen van hun vrienden. De duimen gaan daarbij omhoog. Enkelen van ons kunnen het niet langer volhouden en snikken het uit, vooral nu in het midden heel zachtjes het trouwe Wilhelmus wordt ingezet. Daar volgt de tweede groep ... Zo gaat het steeds door ... Westerveld is erg onder de indruk; hij durft niet naar ons te kijken ... In de laatste groep (loopt) Versteegh, ijzerhard als altijd.’ [...]
Daags na deze dienst, op 1 mei, werden twee-en-zeventig veroordeelden (zeven hadden gratie gekregen, ten aanzien van één was door Christiansen een nieuw onderzoek gelast) per trein oostwaarts afgevoerd. Op 3 mei werden zij het concentratiekamp Sachsenhausen binnengeleid waar SS’ers hen nog diezelfde dag de een na de ander met nekschoten afmaakten.
[* ‘V-mann’, vertrouwensman van de bezetter;
** werkzaam bij de ‘Sicherheitspolizei und der SD’, als chef van de ‘Spionage-Abwehr’].

Het Koninkrijk der Nederlanden, 9, 352-355

[Pasuruan – Ontvangstruimte] 

Als telg uit een oud adellijk geslacht van Javaanse regenten was Ario  Adipati Soejono in 1886 op Oost-Java geboren – hij was, toen hij tot minister benoemd werd, zes-en-vijftig jaar. Op twee-en-twintigjarige leeftijd had hij zijn eerste functie gekregen in het binnenlands bestuur. Bekwaam als hij was, maakte hij daar snel carrière. Van jongs af aan was hij voorstander van de verheffing van de Indonesische volksmassa’s, die verheffing werd eerst louter nagestreefd op cultureel gebied maar het culturele vloeide spoedig in het staatkundige over. Een belangrijke impuls ging daartoe al vóór de eerste wereldoorlog uit van twee andere Javaanse edellieden: Ario Achmed Djajadiningrat en Ario Adipati Koesoemo Oetojo; deze twee en Soejono plachten tezamen aangeduid te worden als ‘de drie musketiers’. Van hen drieën was Soejono de jongste.
Hij werd in 1915 benoemd tot regent (bestuurshoofd) van Pasoeroean, een deel van de provincie Oost-Java. Dat hij het vertrouwen van de Indonesische stemgerechtigden bezat, bleek in ’20 toen hij door hen voor de eerste maal tot lid van de Volksraad gekozen werd; dat lidmaatschap bleef hij tot ’35 uitoefenen. Anderzijds behield hij ook het vertrouwen van het gouvernement: het benoemde hem in ’34 tot lid van een commissie die een herziening van het kiesstelsel ging voorbereiden, en zond hem later in dat jaar naar Europa om in Londen als adviseur op te treden van de Nederlandse delegatie bij internationale rubberonderhandelingen. Hij had een grote kennis op economisch gebied en werd op grond daarvan begin ’39 bij het departement van koloniën in Den Haag geplaatst; hij was er werkzaam bij de afdeling die het contact met Van Mooks departement in Batavia onderhield. Begin ’40 repatrieerde hij naar Indië en daar kreeg hij met ingang van 29 februari ’40 de hoogste van de ambtelijke functie welke in die tijd voor Indonesiërs bereikbaar waren: lid van de Raad van Indië.
Zoals reeds vermeld, behoorde Soejono tot de groep vooraanstaanden die, met goedkeuring van Van Starkenborgh, door Van Mook uitgekozen waren om tijdig Java te verlaten. [...]
In ’41 was gebleken dat Soejono op een belangrijk punt de Indonesische nationalisten verder had willen tegemoetkomen dan Van Starkenborgh; hij was een van de twee leden van de Raad van Indië geweest (Van der Plas was de andere) die geadviseerd hadden, de tien van de vijftien Indische afgevaardigden ter naoorlogse rijksconferentie die door de volksraad voorgedragen zouden worden, in feite ook door die Volksraad te laten benoemen: de voordracht moest, meenden Soejono en Van der Plas, een bindend karakter krijgen. Van Starkenborgh had dat afgewezen (‘wijl geen risico mag gelopen dat aldus bijvoorbeeld geïnterneerden als Soekarno zouden moeten worden benoemd’) – Van Starkenborgh kende Soejono dus als iemand die verder wilde gaan dan hij. Aan de andere kant was het evident wenselijk, in de groep enkele hooggeplaatste Indonesiërs op te nemen en als zodanig was Soejono de eerste die in aanmerking kwam.
Waarom Van Mook er op aandrong, Soejono ter minister te benoemen, is duidelijk: zou hijzelf in de ministerraad bepleiten, verdere stappen te zetten op de weg van Indië’s ontvoogding, dan zou Soejono hem daarbij kunnen steunen. Op diens benoeming stelde verder vooral Van Kleffens prijs: kon men de anti-kolonialistische stroming in de Verenigde Staten niet het effectiefst bestrijden door, Soejono tot minister makend, duidelijk te onderstrepen dat Nederland Nederlanders en Indonesiërs als principieel gelijkwaardig zag? Een ministerschap van een Indonesiër was trouwens niet meer dan een logische verdere stap op de weg waarop Indonesiërs al leden geworden waren van de Volksraad, directeuren van departementen (zoals de mèt Soejono geëvacueerde Loekman Djajadiningrat, directeur van onderwijs en eredienst), ja leden van het hoogste adviescollege van de gouverneur-generaal, de Raad van Indië.
Deze argumenten spraken Gerbrandy aan – de koningin niet; zij had, zei Gerbrandy op 2 juni in de ministerraad, ‘bezwaar tegen de benoeming van de heer Soejono tot minister zonder portefeuille. H.M. wenst deze verandering van status van het kabinet’(men zou het voortaan als een rijkskabinet kunnen zien) ‘niet buiten de volksvertegenwoordiging om aan te brengen’. Maar de koningin hield haar verzet niet lang vol (naar wij aannemen: als gevolg van een klemmend vertoog van Van Mook die als persoonlijkheid grote indruk op haar gemaakt had): precies een week later ondertekende zij het koninklijk besluit waardoor Soejono in het kabinet opgenomen werd.
Deze woonde daags daarna, 10 juni, zijn eerste kabinetsvergadering bij. Gerbrandy’s hartelijke woorden van welkom (‘de voorzitter noemt het een historisch ogenblik, nu voor het eerst een zoon van het Indonesische volk optreedt als lid van de Nederlandse regering’) werden met applaus begroet. Soejono bedankte voor die ontvangst. ‘Spr. Is zich bewust’, aldus de notulen, ‘dat hij een grote verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, ook tegenover het Indonesische volk. Hij twijfelt niet aan een vruchtdragende samenwerking in het kabinet en hij verzekert, dat op zijn hartelijke medewerking kan worden gerekend’. Weer klonk applaus.
Al die hartelijkheid over en weer was ietwat misleidend. Los van het feit dat Gerbrandy een Mohammedaan als Soejono niet als in alle opzichten gelijkwaardig zag, trad spoedig een politieke tegenstelling aan de dag die een streep haalde door de opzet van Van Mook. Bij de discussies namelijk over de radiotoespraak waarin de koningin het naoorlogse beleid ten aanzien van Indië zou uiteenzetten, bracht Soejono in de ministerraad naar voren dat alle elementen welke de toespraak zou bevatten, van nul en gener waarde zouden zijn als er één element in ontbrak: de principiële erkenning van Indonesië’s recht op onafhankelijkheid.
Niemand viel hem bij, ook Van Mook niet; Soejono werd doosbleek.
Enkele maanden later, begin januari ’43, stierf hij.
In Londen werd gezegd dat zijn onverwacht overlijden samengehangen had met het feit dat hij de Londense weersomstandigheden niet had kunnen verdragen. Dat kan zo zijn, maar wij vermoeden tevens dat Soejono, die zich toch al pijnlijk gescheiden voelde van de Indonesische samenleving, het besef niet kon verdragen dat hij op het door hem terecht als wezenlijk beschouwde punt niets ten bate van die samenleving had kunnen bereiken en dus jegens haar zijn ‘grote verantwoordelijkheid’ niet had kunnen waarmaken en onvermijdelijk in een steeds schever positie zou komen te verkeren.
Hij werd niet vervangen. De enige die op zichzelf in aanmerking kwam was Loekman Djajadiningrat, maar deze (een figuur van geringer formaat dan Soejono) werd voor het ministersambt niet geschikt geacht; hij bleef in Australië werkzaam en overleed in juli ’44.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 99-103

[Geïllustreerde Encyclopaedie, 144, 146-147] 

Waarom schrijven wij over ‘Europeanen’ en niet over ‘Nederlanders’?
Niet alleen omdat ‘Nederlanders’ te eng zou zijn (er woonden en werkten in Indië ook Duitsers, Zwitsers, Belgen, Engelsen en leden van andere Europese naties) maar ook, en vooral, omdat het begrip ‘Europeanen’ de grote scheiding markeerde: er waren in de archipel inheemsen, meestal als ‘Inlanders’ aangeduid (een aanduiding die door politiekbewuste inheemsen als discriminerend werd ervaren), ‘Vreemde Oosterlingen’, zoals het officieel heette (Chinezen, Arabieren en anderen), en dan tenslotte de maatschappelijke bovenlaag: de Europeanen. Voor hen (en voor de personen van andere afkomst, voorzover hun verzoek tot erkenning als Europeaan was ingewilligd golden aparte rechtsregels – regels die in de twintigste eeuw ook van toepassing werden verklaard op vreemdelingen die een afkomst hadden welke men met die der Chinezen en Arabieren kon vergelijken, maar wier regeringen hadden weten te bereiken dat hun burgers in Indië als Europeanen behandeld zouden worden: Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren.
Het aantal in Indië aanwezige Europeanen liep in de tijd van de Compagnie op tot meer dan tienduizend, van wie zich, gelijk eerder vermeld, tegen de vijfduizend in Batavia bevonden. De meesten van die meer dan tienduizend waren militairen – anderen waren werkzaam bij het bestuur, bij de handel, bij de rechtspraak en als heelkundigen, predikanten, schoolmeesters en ambachtslieden, dat laatste vooral op de werven en in de andere bedrijven die de Compagnie in en bij Batavia had opgericht. [...]
In de negentiende eeuw bevonden zich aanvankelijk in Indië veel minder uit Europa afkomstige blanken; later nam hun aantal toe, als gevolg eerst van het Cultuurstelsel, vervolgens van de uitbreiding van de grote cultures en van het bestuursapparaat. In 1856 (het jaar van Douwes Dekkers conflict in Lebak) toonde een telling aan dat er in Indië, de militairen uitgezonderd, ruim vierduizend uit Europa afkomstige blanken waren, onder hen ca. drieduizend Nederlanders. Onder die blanken (hun aantal groeide vooral na 1900) bevonden zich in de negentiende eeuw naar verhouding weinig vrouwen – tot aan het einde van die eeuw hielden het gouvernement en de grote bedrijven de regel aan dat wie naar Indië werd uitgezonden, ongehuwd moest zijn. Heel veel mannen (het was in de Compagniestijd niet anders geweest) namen een inheemse vrouw als bijzit. Als blanke man had men in het algemeen in een koloniaal bestuurd gebied als Indië een mate van sexuele vrijheid die Nederland niet kende; wie er meer dan één bijzit op na wilde houden of de ene na de andere, kon zonder aanstoot te wekken zijn gang gaan. Die grotere vrijheid sloot trouwens aan bij de leefgewoonten der inheemsen bij wie in een tijd waarin echtscheiding in Nederland nauwelijks voorkwam, huwelijken veelvuldig werden ontbonden, hetgeen krachtens de adat en de regels van de Islam een simpele aangelegenheid was. De Islam stond bovendien toe dat een man meerdere vrouwen tegelijk had; vier was het maximum.
In de twintigste eeuw nam het aantal Europese vrouwen niet alleen absoluut maar vooral ook relatief toe. Op elke duizend Europese mannen waren er in 1880 vierhonderdtwee-en-zeventig Europese vrouwen geweest – in 1930 (het jaar van – de eerste en – de laatste volkstelling die onder het Nederlands bewind werd gehouden) waren het er achthonderdvierentachtig, ‘en dit getal moet in 1940’, aldus Rob Nieuwenhuys, ‘eerder groter dan kleiner zijn geweest. En al was daarmee de ‘huishoudster’ of njai nog niet verdwenen (vooral niet in de binnenlanden), van een ... vrijgezellensamenleving waarin de concubine een vanzelfsprekende plaats had gekregen, was geen sprake meer.’
Niet al die Europese vrouwen waren blanken. ‘Europeaan’ was in Indië een wettelijk begrip en van het begin van de negentiende eeuw af gold dat een vrouw die met een Europeaan (Nederlander) trouwde, daarmee zelf Europeaanse (Nederlandse) was geworden. Toen nu in 1892 de Wet op het Nederlanderschap van kracht werd, verkregen alle in Indië aanwezige Europeanen van gemengde afkomst de Nederlandse nationaliteit (behalve uiteraard diegenen die deze nationaliteit of een andere Europese nationaliteit reeds bezaten). Zij behoorden daarmee automatisch tot de groep der Europeanen. Indië telde in 1930 ca. honderd vijftienduizend Europese vrouwen en meisjes maar van hen waren slechts zes-en-twintigduizend in Europa (bijna uitsluitend: in Nederland) geboren – misschien waren het er in '40 iets meer.
Tussen in Europa (eventueel in Indië) geboren blanken en als Nederlander erkende personen van andere afkomst maakte de officiële statistiek geen verschil: allen waren Europeanen. Blijkens de volkstelling van 1930 waren het er ruim tweehonderdveertigduizend (Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren meegeteld). Preciese cijfers voor 1940 zijn niet bekend; over het algemeen is men er van uitgegaan dat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Indië ca. tachtigduizend uit Nederland afkomstige Nederlanders waren (misschien tegen de dertigduizend vrouwen en meisjes, misschien ruim vijftigduizend mannen en jongens) en ruim tweehonderdduizend Indische Nederlanders.
Binnen de groep der uit Europa afkomstige blanken was in de eerste vier decennia van deze eeuw niet alleen de verhouding tussen de aantallen mannen en vrouwen gewijzigd, maar het moderne bedrijfsleven en de uitgebreidere gouvernementsbemoeienissen hadden ook beter opgeleide mannen naar Indië doen vertrekken. ‘De planter’ (wij citeren opnieuw Nieuwenhuys) ‘die op blote voeten door de terreinen liep ... werd vervangen door de in Deventer (daar was sinds 1912 de Koloniale Landbouwschool gevestigd: een middelbare opleiding) of Wageningen opgeleide kracht ... de academisch gevormde ambtenaar kwam in de plaats van de snel opgeklommen self-made man.’
Met de uitbreiding van het aantal en de wijziging van het soort blanken dat in Indië ging werken, hing samen dat er verandering kwam in hun leefgewoonten. Nieuwenhuys: ‘Het leven in Indië werd vooral in de steden (waar het merendeel van de Europeanen woonde) comfortabeler, tegen de vroegere gevaren beschermd door een goede medische verzorging met uitstekende ziekenhuizen, goede scholen, eerste-rangs hotels, asfaltwegen, waterleiding en electrisch licht, frigidaires en air-conditioning. In grotere en kleinere steden ontstonden Europese wijken ... waar de Europeanen onder elkaar leefden. Zelfs de bouwstijl paste zich bij de nieuwe vorm van leven aan: de grote, koele Indische huizen met marmeren vloeren en een groot erf eromheen werden vervangen door kleinere villa’s met een voor- en achtertuintje, zodat sommige buurten aan Laren of Bussum deden denken bij een hittegolf. Bovendien, en dit is zeer belangrijk, werd de Europese leefwijze normatief. Als we de grens tussen tempo doeloe en de ‘nieuwere tijd’ in de oorlogsjaren leggen, tussen 1914 en 1918, dan kunnen we in het algemeen zeggen dat de Europeaan die in tempo doeloe aankwam, zich moest aanpassen bij Indische leefgewoonten, ook omdat hij veelal in concubinaat leefde, een gemengd huwelijk sloot of met een Indische trouwde, maar dat daarna ook de Indische gezinnen, vaak uit sociale overwegingen, zich gingen aanpassen bij een Europese levenswijze. Een proces in omgekeerde richting dus.’
Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, Noot blz. 102:
Rechtens waren Indische Nederlanders nadien Nederlanders zonder meer. Wij willen niettemin het begrip ‘ Indische Nederlanders’ blijven gebruiken omdat zij in historisch en cultureel opzicht een aparte groep bleven vormen die o.m. in de Japanse bezettingsjaren een eigen geschiedenis had. Als Nederlandse staatsburgers behoorden die Indische Nederlanders oftewel Indo-Europeanen in Indië tot de Europeanen. Over hen schrijven wij in de volgende paragraaf – schrijven wij in deze over ‘Europeanen’, dan bedoelen wij, tenzij anders aangegeven, diegenen die uit Europa afkomstig waren.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 172

[Semarang 2 – Leeszaal] 

Wij vermelden dan verder dat in 1908, kort nadat gouverneur-generaal van Heutsz de stoot had gegeven tot de oprichting van dessa-scholen, onder voorzitterschap van Hazeu, de al genoemde Adviseur voor inlandse zaken, een Commissie voor de Volkslectuur werd ingesteld die inheemse legenden en verhalen ging verzamelen, ze op landskosten drukte en de boekjes via de dessa-hoofden gratis liet verspreiden. Dat systeem werd spoedig verlaten om plaats te maken voor volksbibliotheken die aan de tweede klas-scholen werden toegevoegd. Later ging het onder de commissie werkende Kantoor Voor de Volkslectuur er op Java toe over, in het Maleis en Javaans tijdschriften uit te geven alsmede een geïllustreerde Volksalmanak en diverse handleidingen voor lagere inheemse bestuursambtenaren; ook reden er op Java helgroen gelakte auto’s van het kantoor rond die allerlei ontspannings- en voorlichtingslectuur tegen zeer lage prijs ten verkoop aanboden º] – Welter, minister van koloniën in het eerste ministerie-Colijn, lichtte begin '26 koningin Wilhelmina in dat van de kindersprookjes ‘De gelaarsde kat’ en ‘Klein Duimpje’ de meeste belangstelling trokken en dat veel ouderen graag o.m. De Schaapherder, Alleen op de wereld en De drie musketiers in vertaling aanschaften.
º] Het Koninkrijk der Nederlanden,13, 159: Wij hadden mede dienen te vermelden dat het Kantoor voor uitlening zorgde aan ruim 3 000 bibliotheekjes die door onderwijzers van de z.g. vervolgscholen werden gehouden; dat het Kantoor een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het Maleis (Indonesisch) als nationale eenheidstaal en van een moderne Indonesische letterkunde, dat het veel van de oude Indonesische letterkunde weer toegankelijk heeft gemaakt, dat het o.m. werken van schrijvers als Shakespeare, Molière en Tolstoi heeft uitgegeven; dat het voor uitgaven zorgde om de Javanen tot transmigratie te bewegen en dat het behalve voor periodieke overzichten van de Indonesische pers ook zorgde voor een dagelijks overzicht ten behoeve van de gouverneur-generaal.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 177-178

[Semarang 2 – Politiewezen] 

De politie had in Indië een aanvullende rol: buiten de steden dienden de dessa-hoofden te zorgen voor de handhaving van de normale orde die, als het donker was, meer gevaar liep dan bij daglicht; elke dessa kende dan ook een nachtwacht waaraan de dorpelingen bij toerbeurt moesten deelnemen. De dessa-hoofden stonden in dat opzicht onder de controle van de hogere inheemse gezagdragers.
Ongeveer tot aan de Eerste Wereldoorlog gold Indië als onveilig. Ook Java. Vooral diefstal kwam veelvuldig voor, hetgeen bij de armoede waarin bijna alle inheemsen leefden, niet behoeft te verbazen. Een goede politie-organisatie was er in de negentiende eeuw niet. De politie was weinig talrijk en slecht betaald en buiten de steden was de politietaak, los van wat in de dessa’s gebeurde, toevertrouwd aan door de regenten gerecruteerde inheemse korpsen die met geweren waren bewapend. Elk van die korpsen stond onder bevel van een onderofficier van het Knil.
Ze waren van weinig nut, d.w.z. wel bruikbaar voor bewakingsdiensten, maar zodra zich onrust manifesteerde (bijvoorbeeld wanneer de bevolking uit weerzin tegen de suikerondernemingen er toe overging, te velde staand suikerriet in brand te steken), kon men ze niet vertrouwen. Later in de negentiende eeuw ging het gouvernement er derhalve toe over, eerst in de Buitengewesten en vervolgens ook op Java, Korpsen Gewapende Politiedienaren op te richten die onder de BB-gezagdragers werden gesteld. Ook dit waren korpsen van inheemsen, geëncadreerd met onderofficieren van het Knil. Zij bleken aanvankelijk voor het gouvernement even onbetrouwbaar te zijn als de vroegere, door de regenten gerecruteerde korpsen. Pas in het begin van de jaren '20 werden zij onder een centrale leiding gesteld: de Dienst der algemene politie, onderdeel van het departement van binnenlands bestuur, en toen werd ook tot de bouw van politiekazernes overgegaan. Bevredigend werd de situatie niet: er was voor de korpsen, die tezamen een sterkte hadden van ca. tienduizend man, te weinig kader beschikbaar. Een nieuwe reorganisatie volgde: de Gewapende Politie bleef slechts gehandhaafd in de Minahassa, op de Molukken, op Nieuw-Guinea en op de eilandengroepen tussen de Molukken en Australië (de Kei-, Aroe- en Tanimbar-eilanden), bijna overal elders werd zij vervangen door een nieuwe formatie, de Veldpolitie, met dien verstande dat de taak van de Gewapende Politie op delen van Sumatra en op Borneo, Celebes (behalve de Minahassa), Timor, Bali en Lombok overgenomen werd door brigades van het Knil en dat de onrustigste delen van Sumatra een bezetting kregen zowel van Knilbrigades als van Veldpolitie.
De Veldpolitie (de naam zegt het al) was bedoeld om buiten de steden op te treden. In de steden, vooral in die waar veel Europeanen woonden, had men, zou men kunnen zeggen, een politie naar Nederlands model; die korpsen stadspolitie stonden in Batavia, Semarang en Soerabaja onder een hoofdcommissaris, elders onder een commissaris. Tenslotte waren er ook nog aparte korpsen die er op toezagen dat de gouvernementsmonopolies van de productie en verkoop van opium en zout niet werden doorbroken.
Alle politieformaties tezamen hadden in de jaren ’30 een sterkte van ruim dertigduizend man. Op ca. vijftienhonderd man na waren dat allen inheemsen; die vijftienhonderd waren Europeanen (bijna uitsluitend Nederlanders en Indische Nederlanders – zij vormden het kader.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 178-181

[Aantekeningen Algemeen – Rechtswezen] 

De rechtspraak was in Indië een bont geheel, gebaseerd op onderling verschillende rechtsregels die door aparte organen werden toegepast. Van de vroegere ontwikkeling van die rechtspraak willen wij slechts vermelden dat het Regeringsreglement van 1854 bepaalde dat, wat de Europeanen betrof, het in Nederland geldend burgerlijk-, handels- en strafrecht moest worden gevolgd en, wat de inheemsen aanging, in beginsel hun eigen adat-recht, voorzover dat niet in strijd was met algemeen erkende regels van billijkheid en rechtvaardigheid. Dat adat-recht, hetwelk regionaal belangrijke verschillen vertoonde, werd van het begin van de twintigste eeuw af beschreven door de Leidse hoogleraar Cornelis van Vollenhoven en zijn leerlingen – dat betekende dat het als een geheel van bindende voorschriften werd vastgelegd; van Vollenhoven zag het adat-recht als een soepel geheel dat zich voortdurend aan gewijzigde omstandigheden aanpaste.
De Wet op de Indische staatsinrichting herhaalde in 1925 het onderscheid dat in het Regeringsreglement van 1854 was aangegeven. ‘Overal waar de Inlandse bevolking niet is gelaten in het genot harer eigen rechtspleging, wordt, aldus een der artikelen, ‘in Nederlands-Indië recht gesproken in naam des Konings’ – er was dus sprake van een inheemse en van een gouvernements-rechtspraak. Nog ingewikkelder werd de zaak doordat er naast het Nederlandse en het adat-recht een derde rechtsbron was: de Koran en de commentaren daarop. Inheemsen en Vreemde Oosterlingen (Chinezen, Arabieren en anderen) konden overigens aan de Nederlandse rechtsregels onderworpen worden, ‘voorzover’, aldus de Wet op de Indische staatsinrichting, ‘de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften dit eisen’; van die behoefte was bijvoorbeeld sprake in de gevallen waarin niet-Europeanen met Europeanen in een modern economisch verkeer stonden.
Wij maken nu onderscheid tussen civiele en strafrechtelijke zaken.
Voorzover het de Europeanen en de met hen gelijkgestelden, ten dele ook de Vreemde Oosterlingen, betrof, kwamen civiele gedingen in eenvoudige gevallen voor de residentiegerechten (elke residentie had er één) en in de meer gecompliceerde voor de Raden van Justitie (te vergelijken met de gerechtshoven in Nederland); daarvan waren er zes: drie op Java (te Batavia, te Semarang en te Soerabaja), Twee op Sumatra ( te Padang en te Medan) en één op Celebes (te Makassar, mede voor de rest van de Grote Oost). Van uitspraken van de Raden van Justitie was beroep mogelijk bij het (met de Nederlandse Hoge Raad te vergelijken) Hooggerechtshof dat in Batavia gevestigd was, het bestond uit een president, een vice-president en zeven leden. Al deze colleges spraken recht op basis van het Indisch Burgerlijk Wetboek dat het Nederlandse als basis had.
Met betrekking tot de inheemsen was òf het op de Koran gebaseerde Islamitisch recht òf het adat-recht grondslag van de civiele rechtsbedeling. Op Java en Madoera werd Islamitisch recht gesproken door raden van schriftgeleerden, die bijvoorbeeld bevoegd waren in zaken van huwelijksrecht; tegen hun uitspraken was van 1938 af beroep mogelijk bij een in Batavia zetelend Hof voor Islamitische Zaken.
De overige civiele gedingen tussen inheemsen en die tussen Vreemde Oosterlingen kwamen, opklimmend met hun betekenis, voor districtsgerechten, regentschapsgerechten of landraden. Van die landraden (te vergelijken met de Nederlandse arrondissementsrechtbanken) was er op Java één per regentschap, in de Buitengewesten één per gewest; als voorzitters van de landraden traden op Java en in de meer ontwikkelde delen van de Buitengewesten geschoolde juristen op. Nederlanders of inheemsen, elders in de Buitengewesten, waar men die landraden onder diverse namen kende, was het de taak van de Nederlandse controleur of assistent-resident om als voorzitter te fungeren – hij had dan evenwel bij het vaststellen van de uitspraak, waarbij in beginsel het adat-recht werd gevolgd, slecht een adviserende stem. Voor meer ‘moderne’ kwesties zoals het regelen van dienstbetrekkingen, het besturen van als rechtspersoon erkende verenigingen en verplichtingen van pachters op domeingronden bevatten de adat-regels geen voorzieningen; dan werd Nederlands recht toegepast.
Over het algemeen kan men zeggen dat de civiele rechtsbedeling in haar gedifferentieerdheid aangepast was aan de behoeften van de samenleving, zij het dat het gouvernement niet steeds kon verhinderen dat door inheemse machthebbers misbruik werd gemaakt van hun positie om gedingen waarbij hun belangen schade konden lijden, te voorkomen.
Bij de strafrechtspleging werd, in tegenstelling tot de civiele rechtspleging, slechts één recht toegepast: het Nederlandse strafrecht. Dat gold onverkort in de gebieden met gouvernementsrechtspraak – in de gebieden met inheemse rechtspraak (op Java de Vorstenlanden, elders de zelfbesturende landschappen) moest het nauwlettend in het oog worden gehouden; of dat geschiedde, werd door de BB-ambtenaren gecontroleerd. Islamieten die zich aan de letter van het Islamitisch recht wilden houden, waren met die unificatie niet steeds ingenomen; er waren er onder hen die van mening waren dat diefstal moest worden gestraft met het afhakken van de rechterhand. Het spreekt vanzelf dat adviezen van dien aard nimmer werden opgevolgd. Trouwens, alle vonnissen van inheemse rechtbanken moesten door de hoofden van het Nederlands gewestelijk bestuur goedgekeurd worden – vooral in de minder ontwikkelde delen der Buitengewesten werd een aanzienlijk deel van de werktijd der BB-ambtenaren door hun bemoeienissen met inheemse rechtspraak in beslag genomen.
Er was dus unificatie ten aanzien van de inhoud van het strafrecht dat werd toegepast – er was géén unificatie bij de vervolging en de berechting. Afgezien van wat de exorbitante rechten mogelijk maakten, konden inheemsen en Vreemde Oosterlingen zonder vorm van proces in preventieve hechtenis gehouden worden. Europeanen en met hen gelijkgestelden niet. Die Europeanen en met hen gelijkgestelden verschenen bovendien bij ernstige delicten (geringere werden berecht door met de Nederlandse politierechters te vergelijken landrechters) voor de Raden van Justitie – de inheemsen en Vreemde Oosterlingen werden in die gevallen, één trap lager, voor de landraden gedaagd waar de waarborgen voor de rechtszekerheid geringer waren. Dit werd door de politiekbewusten onder de inheemsen en Vreemde Oosterlingen als discriminatie ervaren (‘is het dan wondere’, schreef Snouck Hurgronje in ’23, ‘dat Inlanders wel eens van rassenjustitie spreken?’) – er werd herhaaldelijk en met klem tegen geprotesteerd.
Tenslotte willen wij nog opmerken dat er tussen het rechtswezen in Nederland en dat in Nederlands-Indië nog twee kenmerkende verschillen waren: in Indië werden rechters niet voor het leven benoemd en Indië kende de doodstraf; bij elk doodvonnis had de gouverneur-generaal het recht van gratie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 293-294

[Yogya 1 – Gouden koets] 

Ruim twee weken later, eind mei [1923], werd in Djokjakarta op [G.G.] Fock een bomaanslag gepleegd. Hij reed in de door de sultan ter beschikking gestelde statiekaros, toen opeens uit de dikke rijen van de inheemse toeschouwers een vrij primitieve bom geworpen werd – enig slachtoffer werd een vrouw die vertrapt werd door een op hol geslagen paard van de cavalerie-escorte. ‘Het incident’, aldus Welter, die als Algemeen Secretaris de gouverneur-generaal bij officiële reizen placht te vergezellen, ‘maakte een pijnlijke indruk, omdat het voor Indië iets heel ongewoons was. Dat uit deze gewillige, om niet te zeggen dociele massa een bom zou worden geworpen naar een vertegenwoordiger van het Nederlandse gezag, was dermate ondenkbaar, dat allen die daarvan getuige waren, diep onder de indruk waren. Bij volgende rijtochten van de G.G. ... reed hij dan ook door straten die op last van de resident, die geen risico wilde nemen, geheel waren schoongeveegd. Ook dit was buitengewoon onaangenaam en trof allen, die dit meemaakten, als iets zeer pijnlijks, bijna nog erger dan een bomaanslag’.
Wie hadden de aanslag gepleegd? Vermoedelijk extremisten van de Sarekat Hindia (het Nationaal-Indisch Verbond) die met het communisme sympathiseerden. Politie en justitie kregen geen zekerheid.
Aannemelijk dunkt ons dat de aanslag bij sommige inheemsen het prestige van de communisten ten goede kwam: diegenen die gepoogd hadden, de ‘Grote Heer uit Buitenzorg’ van het leven te beroven en onontdekt waren gebleven, moesten wel over bijzondere krachten en bijzondere bescherming beschikken! Het gebeurde droeg er toe bij dat zowel op Java als op Sumatra veel inheemsen die, zoals hun voorouders gedaan hadden, hunkerden naar de komst van een almachtig Bevrijder die zich als voorzegde Ratoe Adil zou ontpoppen, hun verwachtingen gingen vastknopen aan de PKI – omstuwd en opgestuwd werd zij nu door diezelfde Messiaanse verwachtingen welke zich tien jaar eerder op de Sarekat Islam hadden gericht. De denkbeelden van die PKI-aanhangers werden, aldus Poeze, ‘een onontwarbaar mengsel van utopische ... verwachtingen, verheerlijking van de traditionele, pre-kapitalistische maatschappij, die na de nabij zijnde revolutie zou terugkeren als de klasseloze communistische maatschappij, de hoop op hulp van de Komintern en Rusland en de invloed van Islam-denkbeelden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 980-982

[Semarang 2 – Resident] 

Eén plaats was er waar de zaak op zondag 1 maart [1942] geheel in het honderd liep: Semarang.
In het midden van de laatste week van februari was de sterkste Knil-eenheid uit deze stad verdwenen: een infanterie-bataljon dat deel uitmaakte van het naar de hoogvlakte van Bandoeng verplaatste 4de regiment infanterie – slechts een afdeling van de Landstorm, oude reservisten dus, was er achtergebleven. Het verdwijnen van dat bataljon wekte uiteraard bezorgdheid bij de in Semarang wonende Europeanen – bezorgdheid óók bij de gouverneur van Midden-Java die daar zijn residentie had. Hij vroeg op donderdag 26 februari van Starkenborgh verlof om zich met zijn staf te begeven naar een plaats bij de zuidkust, niet ver van Djokjakarta. Dat verlof werd hem verleend – wij nemen aan dat van Starkenborgh zulks deed omdat hij wilde bevorderen dat de gouverneur zo lang mogelijk leiding zou kunnen geven aan het BB apparaat op Midden-Java (gebied waarvan enkele dagen eerder was komen vast te staan dat het niet zou worden verdedigd) en wilde voorkomen dat de gouverneur in het aan de noordkust gelegen Semarang spoedig in handen zou vallen van de Japanners wier naar Oost-Java koersende invasievloot al was waargenomen. Hoe dat zij, dat nu na het infanteriebataljon ook de gouverneur met zijn staf wegtrok (één tot deze staf behorende resident-ter-beschikking bleef achter), wekte nervositeit bij allen die er kennis van kregen en bij de Europeanen onder hen vermoedelijk ook jaloezie doordat men hoorde dat de betrokkenen, die in de nacht van donderdag op vrijdag in volgepakte auto’s waren weggereden, hun gezinnen hadden meegenomen.
Zondagochtend nu verspreidden zich langs de gehele noordkust van Midden-Java geruchten dat de Japanners op diverse plaatsen tot landingen waren overgegaan. Men wist er dat bijna alle onderdelen van het 4de regiment infanterie waren verdwenen – dat versterkte de nervositeit. Uit Tegal en Pekalongan, alsook uit Cheribon, trokken talloze inheemsen en Indische Chinezen het binnenland in. Hetzelfde gebeurde in Semarang maar daar gebeurde méér. In de vroege uren werd er rondverteld dat de Japanners niet ver ten westen van de stad geland waren – men nam niet anders aan dan dat zij spoedig in de stad zelf zouden verschijnen, ’s Morgens om half negen ging het vernielingscorps aan de slag; in zijn haast verzuimde het een deel van de voorbereide vernielingen uit te voeren en ging het tot gemakkelijk uit te voeren vernielingen over, o.m. van voedselvoorraden, die niet op het programma stonden. Bruggen werden opgeblazen, alle benzinepompen met hun voorraden vernield of in brand gestoken, ’s Morgens om tien uur trok de Landstorm weg om, volgens een ontvangen bevel, ca. 30 km bezuiden de stad een voorbereide stelling op de weg naar Magelang in te nemen. Vreemd genoeg kreeg ook de Stadswacht bevel om naar die stelling te gaan – de commandant vertrouwde het bevel niet, trachtte het te verifiëren, kon geen verbinding krijgen met de commandant van de 4de ‘divisie’ en besloot toen conform het bevel te handelen. Ook de leden van het vernielingscorps reden haastig zuidwaarts, naar Magelang, velen vergezeld van hun gezinnen. Hetzelfde deden nu omstreeks het middaguur de burgemeester, de resident van Semarang en de resident ter-beschikking die in de nacht van donderdag op vrijdag niet met de gouverneur was meegegaan. Ook de politie trok weg. Het personeel van de luchtbeschermingsdienst volgde. Dit alles leidde er toe dat talrijke andere Europeanen, voorzover zij nog over auto’s beschikten (veel auto’s waren gevorderd) en voorzover zij er nog benzine in hadden, overhaast Semarang verlieten, enkele kostbaarheden meenemend maar hun inboedel onbeheerd achterlatend. Er waren, gelijk vermeld, ook talrijke inheemsen al weggetrokken, maar anderen maakten onmiddellijk van de gelegenheid gebruik en begonnen de verlaten woningen en kantoren te plunderen; daaraan werd deelgenomen door de gedetineerden van de gevangenis die allen op last van de resident in de gelegenheid waren gesteld om het gesticht te verlaten en van wie sommigen in de stad, anderen in de omgeving, op roof uitgingen. Molestaties van de achtergebleven Europeanen vonden niet plaats, maar velen onder hen waren daar wel bevreesd voor – een groep zocht en vond steun bij de enige Nederlandse autoriteiten die achtergebleven waren: de officier van justitie bij de Semarangse Raad van Justitie en twee lagere BB-ambtenaren, en bij de enige Europese arts die hetzelfde had gedaan.
De paniek duurde niet lang. In de nacht van zondag op maandag keerden de burgemeester, de assistent-resident en een deel van de politiemannen naar Semarang terug, op maandag gevolgd door andere politiemannen en door de Stadswacht van het ca. 50 km bezuiden Semarang gelegen Salatiga, die krachtig hielp de plunderingen te beteugelen.
Het gouvernement nam dit gebeuren hoog op: van diegenen uit het bestuursapparaat die, dwars tegen de instructies in, hun standplaats hadden verlaten, werden de twee hoogsten in rang: de resident en de resident-ter-beschikking, op woensdag 4 maart oneervol ontslagen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 300-303

[Semarang 2 – Residentiekantoor] 
[Surabaya – Gevangenis]
 

Eind maart [‘42] ging van Imamoera’s staf het geheime bevel uit dat Nederlanders en Indische Nederlanders louter in de lagere overheidsrangen gehandhaafd mochten worden en dat alle hogere functionarissen met inbegrip van de rechters en de leden van het politiekader, alsook alle andere vooraanstaande Nederlanders en Indische Nederlanders opgesloten moesten worden. Dit bevel leidde in de loop van april op heel Java tot ingrijpen tegen de betrokkenen. Hun internering werd op 23 april bekend gemaakt in de pers en daarbij werd als motief vermeld dat, zoals uit een gevonden stuk zou zijn gebleken, de leden van het Afvoer- en Vernielingskorps in Soerabaja op ‘donderdag 20 maart 1942’ (20 maart was in ’42 een vrijdag) zouden zijn bijeengekomen voor onderling beraad – de Japanners hadden de datum van het gevonden stuk vervalst of in hun achterdocht verkeerd gelezen: de betrokken bijeenkomst had op donderdag 20 maart 1941 plaatsgevonden.
Niet uit alle streken beschikken wij over bijzonderheden. [...]
Op Midden-Java werd de gouverneur M.F. Winkler, op 20 april in Semarang naar de gevangenis gebracht en op hem volgen twee dagen later vijf-tot zeshonderd Nederlanders en Indische Nederlanders, die opgeroepen waren, aan bijeenkomsten in het gouvernementskantoor en in de sociëteit deel te nemen. Velen hadden die oproep niet vertrouwd ‘en gingen natuurlijk al met angstige voorgevoelens’, zo schreef daags daarna een Nederlandse vrouw in haar dagboek. Zij die aan de Japanse oproep gehoor hadden gegeven, werden alvorens afgevoerd te worden, toegesproken door enkele uit hun internering vrijgelaten NSB’ers. [...]
Op Oost-Java werden uit de Nederlandse en Indisch-Nederlandse groepen ook de onderwijzers gearresteerd. In Soerabaja stormden op 22 april tientallen Japanse militairen met gevelde bajonetten het gebouw van de Raad van Justitie (in Nederland het gerechtshof) binnen, ‘de rechters en advocaten werden’ schreef later een in het gebouw aanwezige inspecteur van politie, ‘in hun toga uit de rechtszalen gesleurd’ en kwamen met andere arrestanten (van wie de bestuursambtenaren opgeroepen waren, aan een bijeenkomst in het kantoor van gouverneur C.C.J. Hartevelt deel te nemen en het politiekader de aanzegging had gekregen, in het hoofdbureau van politie de Japanners trouw te zweren) in de gevangenis aan de Werfstraat en in de hulpgevangenis Boeboetan terecht. [...]
Ook in Djokjakarta namen de Japanners de egards in acht. Hier verzamelden zich op 23 april op oproep ruim tachtig personen in het huis van de gouverneur, dr. L. Adam. Zij werden er met dranken en sandwiches ontvangen, waarna een Japanse officier verscheen om mee te delen dat allen geïnterneerd zouden worden. Vrachtauto’s brachten hen na een tocht door de stad, ‘waarbij’, aldus een der controleurs, ‘de bevolking in verslagen stilte toekeek’, naar de strafgevangenis. Daar was ‘het voedsel vreselijk’, en groeide ook grote bezorgdheid doordat, naar men vernam, de Japanners in plaatselijke bladen bekendmaakten dat sommigen van de opgeslotenen vóór hun opsluiting plannen voor een opstand zouden hebben beraamd. Gouverneur Adam werd ernstig mishandeld; hij werd door de Kenpeitai o.m. onderworpen aan de beruchte waterproef (zijn mond en neus werden vol water gegoten zodat hij bijna stikte) en zijn armen en zijn gezicht werden, aldus een tweede controleur, ‘volkomen zwart geslagen’; ‘na elke mishandeling’, aldus een derde, ‘liep hij steeds ... rechtop naar zijn cel terug’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 322-324

[Surabaya 2 – Rumah Kos] 

Soekarno, wiens naam als eerste zou prijken onder de Onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus ’45, had een Javaanse vader en een Balinese moeder. Zijn vader, Raden Soekemi, een man van laag-adellijke afkomst dus, had op Oost-Java een kweekschool kunnen bezoeken, was onderwijzer op Bali geworden, was daar, ondanks weerstanden uit Balinees-Hindoese kringen, met een Balinees meisje uit een familie van aanzienlijken getrouwd en was omstreeks de eeuwwisseling naar Soerabaja overgeplaatst waar het tweede kind uit het huwelijk, een zoon, op 6 juni 1901 werd geboren. Zijn naam werd Koesno, enige tijd later (naar een heldenfiguur uit de in het wajangspel uitgebeelde Hindoese epen) Karno en daar werd toen het begrip soe (jong) aan toegevoegd: Soekarno dus.
Als eerste president van Indonesië zou Soekarno het later graag doen voorkomen alsof hij een zoon was van arme ouders. Dat was een onjuiste voorstelling van zaken. Zijn vader had zich als onderwijzer op Bali en in Soerabaja, later als hoofdonderwijzer in Modjokerto (iets ten zuidwesten van Soerabaja) verheven boven het niveau van de brede massa der Javanen. In Modjokerto kreeg Soekarno zijn eerste onderwijs – laat, nl. op dertienjarige leeftijd, begon hij er, teneinde Nederlands te leren, de hoogste klassen van een Nederlandse lagere school te doorlopen; hij bleek een goede leerling. Middelbaar of voorbereidend hoger onderwijs werd in Modjokerto niet gegeven, wel in Soerabaja waar zich een vijfjarige hbs bevond. Soekarno was vijftien toen hij er als leerling werd ingeschreven, twintig toen hij met succes eindexamen deed.
De hbs telde enkele honderden leerlingen: driehonderd Europeanen, twintig inheemsen en een onbekend aantal Vreemde Oosterlingen. Die Europese leerlingen namen de andere nauwelijks in hun midden op – er was sprake van een zekere discriminatie welke Soekarno, die twee, drie jaar ouder was dan de medeleerlingen van zijn klas (toch al een moeilijke situatie!), diep kwetste. Hij was voor die discriminatie misschien extra gevoelig omdat hij in Soerabaja opgroeide in wat in die tijd wel het meest inspirerende nationalistische milieu was dat Indië kende: hij was nl. een van de omstreeks vijf-en-twintig inheemse jongeren die opgenomen waren in het kosthuis dat gedreven werd door de vrouw van Tjokroaminoto, en hij deed daar zijn intrede in de jaren waarin de Sarekat Islam een massabeweging was en Tjokro de aanbeden voorzitter. Wat zulk een beweging betekende en hoe Tjokro als spreker een grote vergadering wist te bezielen, sloeg Soekarno van nabij gade. Hij werd actief in de afdeling Soerabaja van de in ’14 opgerichte jongerenorganisatie Jong-Java (en wekte daar tumult door te eisen dat het orgaan van de organisatie niet alleen in het Nederlands maar ook in het Maleis zou verschijnen), en schreef artikelen in het blad van de Sarekat Islam. Hij las rijp en groen, vooral ook boeken over Europese geschiedenis – Alimin bracht hem als eerste in aanraking met Marxistische gedachtegangen.
Toen hij in de vierde klas van de hbs zat, trouwde hij met een vijftienjarige dochter van Tjokro; zelf beweerde hij later: om Tjokro een dienst te bewijzen. Dat is mogelijk – het huwelijksplantje schoot in elk geval geen diepe wortels.
In ’21 werd de twintigjarige Soekarno een van de zes inheemse studenten die aan de Technische Hogeschool te Bandoeng in het eerste jaar van haar bestaan voor civiel ingenieur gingen studeren. Nauwelijks ingeschreven, keerde hij naar Soerabaja terug om er Tjokro’s vrouw financieel ter zijde te staan (Tjokro was, gelijk eerder vermeld, gearresteerd op beschuldiging van meineed) – hij werd er spoorwegbeambte. Toen Tjokro in april ’22 was vrijgelaten, ging hij weer naar Bandoeng. Hij scheidde er van zijn jeugdige vrouw en huwde met een tweede: de ex-echtgenote van de man bij wie hij in huis was; zij was dertien jaar ouder dan hijzelf. Hij studeerde in normaal tempo – belangrijker voor zijn latere ontwikkeling was dat hij in en vanuit Bandoeng in nauwe aanraking kwam met de drie oprichters van de Indische Partij: Douwes Dekker, Tjipto en Soewardi, nu als Dewantoro leider van de Taman Siswo-scholen. Het was vooral de principieel en zuiver denkende Tjipto die hem won voor het denkbeeld van de non-coöperatie: politiek-aktieve inheemsen dienden zich verre te houden van elke vorm van deelneming aan de vertegenwoordigende organen welke het koloniaal gezag in het leven had geroepen, en ook verder in geen enkel opzicht aan dat gezag steun te verlenen.
In ’26 ontving Soekarno zijn diploma als civiel ingenieur. Hij wilde uit beginsel niet bij het gouvernement in dienst treden, werd leraar op een van de scholen die Douwes Dekker had opgericht en trachtte vervolgens door middel van een particuliere praktijk enig geld te verdienen. Hij had toen al in Bandoeng een nieuw type inheemse organisatie helpen oprichten: een studieclub.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 346-347

[Surabaya 2 – Pasar Turi] 

Toen Soekarno in de ochtend van 31 december ’31 de poort van de Soekamiskin-gevangenis uitging, werd hij opgewacht door afgevaardigden van alle grote politieke en niet-politieke inheemse organisaties en in triomf naar zijn woning gevoerd. Daags daarna vertrok hij per trein naar Soerabaja waar op initiatief van de door hem opgerichte Federatie van de partijen der Indonesische volkeren een Indonesia Raya (Groot-Indonesië)-congres werd gehouden. Overal waar de trein op het lange traject van Bandoeng naar Djokjakarta langs kwam, stonden inheemsen te juichen en op de stations waar de trein stopte, was het zwart van de inheemsen die Soekarno wilden huldigen (een hunner zei, ‘dat de Staatsspoorwegen Soekarno wel dankbaar mochten zijn vanwege de vele perronkaartjes die de mensen gekocht hadden’). In Djokjakarta waar Soekarno zijn reis onderbrak, werd hij door een grote menigte vergezeld naar de woning van Dewantoro, de inspirator van het Taman Siswo-onderwijs, jegens wie hij van verbondenheid wilde getuigen.
Op 2 januari zette Soekarno zijn treinreis voort. Langs de gehele route herhaalden zich de tonelen die zich daags tevoren hadden afgespeeld en aan het Spoorwegstation te Soerabaja stonden uren voor zijn aankomst al duizenden inheemsen op hem te wachten. Rode en witte bloemen werden er druk verkocht, taxi’s reden er af en aan met rood-witte vlaggetjes. Toen Soekarno verscheen werd door een grote menigte het Indonesia Raya gezongen, gevolgd door een speciale ‘Soekarno-mars’.
In een hotelkamer ontving hij vervolgens een stroom van vooraanstaanden uit de inheemse beweging – ’s avonds om half negen zou hij het Indonesia Raya-congres toespreken in een zaal die plaats bood aan zestienhonderd personen. Drieduizend hadden er om zes uur al binnen weten te komen en honderden anderen, voor wie geen plaats was, stonden buiten. In en buiten de zaal werden liederen gezongen. Toen Soekarno arriveerde, hees men hem op de schouders – zó werd hij naar het spreekgestoelte gedragen.
De hem gebrachte eer en hulde zag hij, als niet voor hem persoonlijk bedoeld, ‘doch voor Soekarno als uw leider met hoge idealen en vol van de vurige wil om zichzelf ten dienste te stellen van het volk en van Moeder Indonesië, als uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten en die, zolang het lichaam van Soekarno nog leven heeft, zal voortschrijden om een vrij Indonesië te bereiken’ – zeer zelfbewuste woorden waren dat van de pas dertigjarige Soekarno, ‘uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten’ – hij zag zich dus als de grote voorvechter van de nationale onafhankelijkheid zoals zo menig volk er in zijn strijd tegen vreemde overheersing een had gekend. Als zodanig achtte hij zich ook gerechtigd zijn teleurstelling uit te spreken over de verdeeldheid die zich in de nationalistische beweging had geopenbaard. ‘Een volk’, zei hij ‘dat niet één kan zijn, is gelijk los zand dat gemakkelijk door de wind uit elkaar wordt geblazen. Wanneer echter dit zand bij elkaar blijft, bijeengestampt wordt tot cement, namelijk het cement van de geest, dan kan het sterk beton worden, en wel het beton van de nationale wil waaruit tenslotte de nationale daden voortkomen.
Broeders, helpt, draagt mijn stem uit tot Atjeh en Fakfak, door de hele wereld, van streek tot streek, van dorp tot dorp, van gehucht tot gehucht, van berg tot berg, ja tot zelfs in het rijk der geesten en feeën. Voor deze eenheid, broeders, ben ik toh pati – toh pati betekent dat ik, wanneer de eenheid een offer nodig heeft, gaarne mijn leven voor haar opoffer. Zo is het broeders, geeft mij uw steun en zegen!’
Oorverdovende toejuichingen volgden.
De ex-voorzitter van de opgeheven PNI, vrijgelaten uit gevangenschap, was bezig uit te groeien tot de figuur die vooral voor de eenvoudigen, onontwikkelden onder de politiek-bewuste inheemsen symbool was van de wil tot nationale onafhankelijkheid.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 328

[Surabaya – Gevangenis] 

Elders op Java werden, evenals in Batavia, de algemene arrestaties met tussenpozen uitgevoerd – in eerste instantie bleef dus een deel van de Nederlandse mannen en jongens op vrije voeten. Zij die dat in Garoet nog waren, werden in juli naar Bandoeng ontboden. ‘Elk’, aldus later de controleur van Garoet, dr. J. Bakker (in april niet opgepakt omdat hij een functie had bij de luchtbescherming), moest een koffer met de meest noodzakelijk dingen meenemen. Ik nam afscheid van vrouw en kroost en meldde mij bij het LOG te Bandoeng. Dit was het tot interneringskamp ingericht Landsopvoedingsgesticht (het tuchthuis voor jeugdigen). De helft van de mannen ging weer naar huis, de rest werd geïnterneerd. Niemand snapte er iets van. Later bleek mij dat de regent een lijstje had moeten opmaken van de nog niet opgepakte mannen. Tevens moest hij 50% daarvan uitkiezen die voor directe internering in aanmerking kwamen. Een delicate taak! Enfin, ik kwam terug en iedereen vond het raar. Wat een geroddel! Niemand van de lieftallige Europese dames die je feliciteerde. Jaloezie en laster waren in ruime mate mijn deel.
In Soerabaja werden de in juli opgepakten in de oude gevangenis aan de Werfstraat opgesloten. Het gesticht had grote cellen welke vroeger voor maximaal negentien Javanen bestemd waren – nu werden in elke cel omstreeks vijftig Nederlanders gepropt. Een assistent-inspecteur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland werd met een-en-vijftig lotgenoten naar een van die cellen gebracht. ‘Toen wij er’, schreef hij, ‘opgejaagd en geslagen door de inlandse cipiers voor stonden, keken wij elkaar aan en zeiden: ‘Neen, dat is onmogelijk’. Doch het moest en toen bleek het mogelijk’.
Niet al deze arrestanten werden vastgehouden: van diegenen die minder dan f 300 per maand hadden verdiend (de grens die ook in april had gegolden), werden velen vrijgelaten en anderen werden korte tijd later overgebracht naar het kolonisatiegebied Kesilir bij Java’s uiterste zuidoostpunt.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 364, 372-273

[Semarang 2 – Van Oort] 

Op Java kwamen [in 1942] veel Nederlanders, Indische Nederlanders, inheemse oud-Knil-militairen en gezinnen van inheemse Knil-militairen in moeilijkheden te verkeren door [dat] [...] de banken en de postspaardienst werden gesloten, postwissels werden niet meer uitbetaald, de betaling van pensioenen werd gestaakt, alle salarissen werden drastisch verlaagd, het Nederlandse bedrijfsleven werd door Japanners overgenomen en/of geliquideerd, Nederlanders en Indische Nederlanders moesten relatief hoge bedragen betalen om in het bezit te komen van een persoonsbewijs en aan allen die in ’41 meer dan f 3000 per jaar hadden verdiend of een vermogen bezaten van f 25000 of meer werd een extra belastingaanslag opgelegd.
Velen konden zich, gelijk al vermeld, enige tijd redden door een handeltje te beginnen of eigendommen te verkopen – anderen werden geholpen door hun werkgevers. Bij verscheidene bedrijven (o.m. de Bataafse Petroleum Maatschappij, De Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de Internatio, het handelshuis Lindeteves Stokvis, De Nederlands-Indische Gas Maatschappij, de Factorij van de Nederlandse Handelmaatschappij, de andere Nederlandse banken) was men er in geslaagd een deel van de kasmiddelen achter te houden – die bedrijven waren in staat, de employés die zij hadden moeten ontslaan, financieel te helpen; in veel gevallen waren zij het die eind april en begin mei de gelden ter beschikking stelden die voor de registratie nodig waren. Al vóór eind april evenwel was hier en daar al andere hulp op vrij grote schaal nodig gebleken.
Die hulp werd verleend door de kerken, door gemeentelijke organen, door al of niet met deze samenwerkende particuliere comités en, op Oost-Java o.m. door het Rode Kruis. [...]
In Semarang begon een vrouwelijke arts, M. van Oort-Lau, in april ’42 met de steunverlening, oorspronkelijk alléén (ze kon enkele weken later op haar erf driemaal in de week rijst laten uitdelen aan twee- tot driehonderd behoeftigen), spoedig met hulp van twee Nederlanders, enige tijd later met medewerking van drie pastoors. Haar eigen erf, het katholieke en het protestantse weeshuis werden distributiepunten, ‘elke week’, schreef zij in ’47 in haar rapport ter zake, ‘kwamen er meer inschrijvingen; het maximum is geweest negentienhonderdzestig mensen, uitsluitend Europeanen, hoofdzakelijk Indo’s’ (Indische Nederlanders), ‘soldatenvrouwen en kinderen, allen zonder enige bron van inkomsten’. Ook een tehuis voor daklozen werd door mevrouw Van Oort georganiseerd, ‘waar er tenslotte tachtig tot honderd woonden, ook geheel uit mijn rijstfonds onderhouden’.[...]
Inmiddels was zij er toe overgegaan om levensmiddelen, sigaretten, geld en medicijnen bijeen te brengen die onder leiding van een Madoerees een nabij gelegen krijgsgevangenenkamp werden binnengesmokkeld. Via die Madoerees bereikte haar het verzoek, de krijgsgevangenen ook nieuws over het oorlogsverloop te leveren. ‘Ik heb toegestemd: wij luisterden zelf elke avond en zo maakte ik ongeveer tweemaal per week een strookje getypte berichten klaar, een compilatie van berichten van BBC, San Francisco en Sydney’. In december werd zij wegens het doen overbrengen van die berichten door de Kenpeitai gearresteerd; ‘ik moest beloven het nooit meer te doen (sic) en werd weer vrijgelaten na ongeveer een uur verhoor’. Zij zette het doorgeven van berichten voort en werd midden januari ’43 opnieuw gearresteerd, nu naar Batavia overgebracht en daar door de Japanse militaire rechtbank tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dit was het einde van haar hulpactie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 621-622

[Bandoeng 2 – Krijgsgevangenen] 

Op Java werden de krijgsgevangenen in eerste instantie samengebracht in locaties, niet ver van de punten waar zij zich bevonden toen de verschillende capitulaties (op 9 maart ’42 die van het Knil, enkele dagen later die van de Britse, Australische en Amerikaanse militairen) geregeld waren. Nadien vond een concentratie plaats in vier gebieden: Batavia, Bandoeng-Tjimahi, Soerabaja en Malang, waarbij bovendien de Britten, Australiërs en Amerikanen van de Knil-militairen werden gescheiden en bij die laatsten een scheiding werd aangebracht tussen de inheemsen enerzijds en de Nederlanders anderzijds. Die Nederlanders en Indische Nederlanders kwamen op Java in ’42 en later in enkele tientallen complexen terecht: kampementen van het Knil (waarvan er alleen in Batavia vier en in het gebied van Bandoeng-Tjimahi tien waren), militaire hospitalen en noodhospitalen, koeliekampementen, havenloodsen (in Batavia en Soerabaja), scholen, gevangenissen (twee in Batavia), een tuchthuis (het Landsopvoedingsgesticht te Bandoeng) en een groot tentoonstellingscomplex (het ‘Jaarmarktkamp’ te Soerabaja).

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 626

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

De marineman en de twee minderen van het Knil, resp. matroos H. Karssen en de kanonniers A. Hielkema en J.W. Merkus, werden in de ochtend van de 22ste april [1942] bij de poort van het betrokken kamp aan drie in de grond gestoken palen gebonden. Kampoudste overste Poulus, zijn kampementscommandanten en het hoofd van de medische dienst werden bij de Japanse kampcommandant, kapitein Kawakoetsoe, ontboden en kregen daar via de tolk te horen dat zij de executie van de drie vluchtelingen moesten bijwonen. ‘Nadere bijzonderheden’, aldus later Poulus, ‘werden niet meegedeeld ... Na raadpleging van de tolk, die als een uitstekend Japankenner bekend stond, werd dezerzijds de overtuiging verkregen dat het hier een ver doorgevoerde comedie betrof, die de bedoeling had de krijgsgevangenen te intimideren ... Niettemin wilde ik een poging doen om toch nog voor de betrokkenen gratie te vragen, doch er werd mij geen gelegenheid gegeven om iets in het midden te brengen’.
De drie ontvluchte militairen werden van de palen losgemaakt en met de armen op de rug vastgebonden aan de prikkeldraad-omheining. Op korte afstand van hen moesten Poulus en de overige Knil-officieren zich opstellen.
‘Nadat de gevangenen geblinddoekt waren werd de tolk in de gelegenheid gesteld, hun te vragen of zij nog iets hadden mee te delen. Van deze gelegenheid werd door alle drie gebruik gemaakt en hun laatste mededelingen zijn door de tolk genoteerd. Tevens verzocht Karssen om hem zijn blinddoek af te nemen, welk verzoek door de Japanner werd ingewilligd. Vervolgens stelden de manschappen van het executiepeloton zich met gevelde bajonet tegenover de gevangenen op en begonnen op een sein van de bevelvoerende Japanse officier onder het uitstoten van dierlijke kreten een soort krijgsdans uit te voeren. Op dat moment riep matroos Karssen ... die zag aankomen wat er gebeurde, uit: ‘Leve de koningin, hoera!’, waarmee door de beide anderen ... werd ingestemd met ‘Hoera!’... Onmiddellijk daarop werden zij door de dansende en gillende Jappen van het het executiepeloton op beestachtige wijze met de bajonetten doorstoken en afgemaakt. Toen bij dit lugubere schouwspel enkele van de aangetreden Nederlandse commandanten het hoofd afwendden, werd hun door kapitein Kawakatsoe op schreeuwende toon beduid dat zij ernaar moesten blijven kijken, de aanwezige officier van gezondheid flauw. De middelste van de drie geëxecuteerden (naast Karssen) bleek ... nog niet dood. Een Japanse luitenant trad op hem toe, haalde met een onverschillig gebaar lachend zijn pistool uit het holster en maakte hem met een schot door het hoofd af op een wijze waarop men een dolle hond zou afmaken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 631

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

In Juni [1942] werden de grote kampen in Bandoeng gedeeltelijk ontruimd: uit het grootste werden ca. vierduizend-achthonderd Nederlandse krijgsgevangenen naar Tjilatjap overgebracht en een kleine groep technici (van hen wilden de Japanners nagaan waar zij als Nippon-werkers konden worden gebruikt) en alle Indisch-Nederlandse krijgsgevangenen, samen ca. vijfduizend man, verdwenen naar Tjimahi. Naar Tjimahi gingen ook bijna alle krijgsgevangenen uit de kleinere kampen in Bandoeng (een deel van de officieren bleef achter), en wel te voet. ‘Het bericht’, aldus later een officier die eerst in het Landsopvoedingsgesticht opgesloten was geweest, ‘verspreidde zich snel en alle vrouwen ... stroomden toe om nog eenmaal hun mannen te zien. Ze werden echter door de begeleidende Jappen met rotanzwepen van de straat geranseld. Mijn vrouw die trachtte mij wat geld te geven, werd voor mijn ogen afgeranseld. Ik marcheerde door, want tegenstand zou executie en dood betekend hebben.
In ons gezelschap was Wim Kan en de enige vrouw die kans zag ons op de acht kilometer lange mars voortdurend in het oog te houden was Corry Vonk’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 648-649

[Woordenlijst – Special Party] 

Waarom de Japanners de hoogste Amerikaanse, Britse, Nederlandse en Australische militairen die zij in het Nanjo-gebied krijgsgevangen hadden gemaakt (marineofficieren met de rang van kapitein-ter-zee of hoger, leger- en luchtmachtofficieren met de rang van kolonel of hoger), in een aparte groep, de ‘Special Party’, bijeen hadden gebracht, is een vraag die men niet op grond van Japanse stukken kan beantwoorden. In vroegere oorlogen was het evenwel niet ongebruikelijk dat gevangenen die een positie van bijzondere betekenis hadden bekleed, een speciale behandeling kregen, en het is mogelijk dat de Japanners in ’42 meenden dat zij bij de door hen verwachte vredesonderhandelingen met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, met de Special Party een bijzondere troef in handen zouden hebben. Tot die Special Party behoorden overigens ook de hoogste burgerlijke autoriteiten die hun in het Nanjo-gebied in handen waren gevallen, zoals de Amerikaanse gouverneur van Goeam, de Britse van Hongkong en de Britse High Commissioner van Malakka, alsook een aantal lagere militairen: adjudanten en oppassers van de hoogste. De groep kwam uiteindelijk tot stand op Formosa waar zij in apart kamp werd opgesloten. Wat de hoge Nederlandse autoriteiten betrof, werden daar uit Sumatra, gelijk reeds vermeld, generaal Overakker en kolonel Gosenson heengevoerd, alsook de gouverneur van Sumatra, A.I. Spits en een officier van de generale staf, generaal-majoor H.J.S. de Fremerij, en uit Java eind december ’42 eerst gouverneur-generaal Van Starkenborgh, legercommandant Ter Poorten, zes-en-veertig andere hoge militairen en vier-en-twintig adjudanten en oppassers en in september ’43 een tweede groep van vier officieren (onder wie de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal) en acht-en-twintig oppassers – van dezen waren er bij de eerste groep maar weinigen geweest en daar was door de leden van de Special Party op Formosa bezwaar tegen gemaakt. Uiteindelijk ging de Special Party ruim vierhonderd personen tellen, onder wie honderdacht Nederlanders: twee-en-vijftig hooggeplaatsten, zes-en-vijftig adjudanten en oppassers.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 717

[Bandung 2 – P.W.] 

Na de opheffing van de kampen in Malang, Tjilatjap en Soerabaja, waren er nog krijgsgevangenen in Batavia (het vertrekpunt voor de transporten naar Birma, Thailand en Japan, later naar Sumatra en Singapore) en op de Bandoengse hoogvlakte, nl. in Bandoeng en in Tjimahi.
Bandoeng had drie kampen: een voor Nederlanders en Indische Nederlanders (het kamp van het XVde bataljon), een voor de Britten, Australiërs en Amerikanen en een voor Ambonezen en Menadonezen (die geweigerd hadden heiho te worden). De kampoudste uit het kamp van het XVde bataljon, luitenant-kolonel Poulus, was in juni ’42 naar Tjilatjap verplaatst en zijn functie was toen overgenomen door de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal. De Waal evenwel werd in februari met enkelen van zijn officieren door de Japanners gevangengezet (zulks op grond van de Japanse verdenking dat in zijn kamp radioberichten circuleerden en dat contact was gelegd met het kamp der Ambonezen en Manadonezen) en Poulus, inmiddels naar Bandeng teruggevoerd werd weer kampoudste. De wijze waarop de Japanners met zijn kamp omsprongen, karakteriseerde deze na de oorlog in zijn rapport als ‘Japs’, d.w.z. onberekenbaar, hardhandig, vernederend en slaafs, met momenten van betrekkelijke vrijheid, afgewisseld door perioden van ware terreur’ – feitelijk Japans commandant was een sergeant voor wie, aldus Poulus, ‘het afranselen van hoofdofficieren ... een bijzondere delicatesse was’. Al deze moeilijkheden ten spijt konden Poulus en zijn helpers hun kamp redelijk organiseren. De te krappe rantsoenen werden aangevuld met bijvoeding die gefinancierd werd uit een Voedingsfonds – voor dat fonds, gedeeltelijk gevormd uit bijdragen van officieren en minderen, kon Poulus (zoals het Gemeentelijk Europees Steuncomité in Batavia had gedaan) clandestien aanzienlijke bedragen lenen van organisaties en particulieren, naar wij aannemen vooral van Chinezen. Ook kreeg het fonds inkomsten uit winsten van diverse bedrijven en van toko’s, restaurantjes en bars die binnen het kamp waren opgericht. Er kon veel aan sport worden gedaan en er werden toneel-, cabaret- en muziekuitvoeringen gegeven, veelal in samenwerking met de Britse krijgsgevangenen. De medische verzorging was, ‘de omstandigheden in aanmerking genomen, bepaald goed te noemen’.
Midden december ’43 werd ontdekt dat Poulus clandestien leningen was aangegaan. Hij werd mishandeld en het gehele Voedingsfonds werd door de Japanse sergeant in beslag genomen en moest onmiddellijk besteed worden (zodat ‘in enkele dagen tijds een enorme hoeveelheid levensmiddelen, rokerij, vruchten en alle mogelijke prullaria het kamp binnenkwam’). Vervolgens werden Poulus en enige andere officieren naar Tjimahi gevoerd waar zij, na afgerammeld te zijn, werden opgesloten, en werden alle krijgsgevangenen uit Bandoeng, behalve de Britten en de Amerikanen, naar Batavia getransporteerd waar zij in het kamp van het Xde bataljon werden opgesloten. Het Knil-kampgedeelte werd enige tijd later als burger-interneringskamp opnieuw in gebruik genomen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 721

[Bandung – P.W.] 

Eind oktober [1944] werd het kamp in de gevangenis [Struiswijk in Batavia] opgeheven en werden de officieren landinwaarts getransporteerd naar het kampement van het 1ste bataljon te Bandoeng, waar ook de officieren uit het kamp te Tjimahi terechtkwamen. Kampoudste werd er toen kolonel Vooren, die tijdens de Japanse invasie territoriaal commandant op Zuid-Celebes was geweest en die de Japanners verzuimd hadden aan de Special Party toe te voegen. Er kwamen in zijn kamp in totaal bijna dertienhonderd Knil- en meer dan driehonderd Britse officieren terecht, maar ook ca. zeventig minderen en zelfs bijna honderd burgers. Al die gevangenen hadden veel te weinig ruimte tot hun beschikking en leden honger – nòg minder ruimte evenwel en nòg lagere rantsoenen kregen zij van april ’45 af, toen zij naar het Landsopvoedingsgesticht werden overgebracht, waar zij ca. tweeduizend minderen aantroffen: ruim dertienhonderd van het Knil en ca. zeshonderdvijftig Britten.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11c, 581-582

[Surabaya 2 – Oranje Hotel] 

De verscherping van de situatie tekende zich het duidelijkst af in Soerabaja.
Wij herinneren er aan dat de vroegere commissaris van politie F. Hulscher, die op 2 september [1945] uit Bandoeng in Soerabaja arriveerde, daar toen niets merkte van een ‘openlijk demonstrerende Merdeka-beweging’, zij het dat het toen reeds ‘met de Indonesische jeugd van ca. zeventien tot vijf-en-twintig jaar iets anders gesteld’ was. Indonesische jongeren waren het die hier op 19 september de blauwe baan losknipten van een rood-wit-blauwe vlag die bij het vroegere Oranjehotel was gehesen en vervolgens in gevecht raakten met jeugdige Nederlanders en Indische Nederlanders – een oudere Indische Nederlander die tussenbeide trachtte te komen, werd gedood. Volgens Hulscher werd dit gevecht ‘het sein tot het houden van massademonstraties, waarbij vooral de Indonesische jeugd, al dan niet gewapend met aangepunte bamboestokken ..., de boventoon voerde’ – inderdaad, op de 20ste werd een Ambonees die aan een groepje jeugdige, met rood-witte insignes uitgedoste Indonesiërs gevraagd had: ‘Wie heeft jullie bevolen, dat insigne op te doen?’, het centrum van een vechtpartij waarbij honderden Indonesiërs toestroomden ... de man werd gelyncht. Op de 23ste werd in Soerabaja een nieuwe actiegroep gevormd die zich Pemoeda Republik Indonesia (Jongeren van de Republiek Indonesië) noemde en diezelfde dag viel het gebouw van de Kempetai in Indonesische handen. Eind september steeg de spanning, toen het gerucht de ronde ging doen dat Geallieerde troepen op 4 oktober in Soerabaja aan land zouden gaan (tot die landing zou het pas komen op de 25ste) – Eliza Thomson, die in de tweede helft van september met andere geïnterneerden per trein uit Semarang in Soerabaja arriveerde (transporten waren dit die, zoals al vermeld, door de Rapwi waren georganiseerd), ‘schrok’, toen de trein het station binnenreed: ‘Wat was dat! We werden bestormd door een horde inlanders. Agressief staken ze hun scherpe bamboesperen naar ons uit. Woest schreeuwden ze ‘Merdeka! Merdeka! Merdeka!’Ze waren in lompen gekleed. Hun donkere ogen hadden een wilde en angstaanjagende uitdrukking. Ik was bang.’
Het waren die jongeren, die elkaars strijdlust aanwakkerden door dag en nacht met hun bamboesperen op lantaarnpalen te slaan, ‘een bijzonder onheilspellend en angstwekkend geluid’, vond Carla van Berkum. Toen Hulscher op 30 september per fiets door de stad reed, ‘waren’, schreef hij later, ‘de straten tjokvol Indonesiërs, gewapend met bamboesperen, klewangs etc., doch practisch geen vuurwapens. Om de vijftig à tachtig meter stonden Japanse soldaten op wacht, gewapend met geweren, doch dezen deden niets anders dan kijken naar de stroom van opgewonden Indonesiërs ... Hoge Japanse officieren, in prachtige auto’s gezeten, reden lachend en groetend door de menigte, die hen begroette of aanhield met luid Merdeka-geschreeuw. Vrachtauto’s, beladen met tot de tanden gewapende Japanners, reden door de straten maar deden niets tegen de Pemoeda!’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11c, 583-584

[Surabaya 2 – Taman Budya] 

De passieve, om niet te zeggen aanmoedigende houding van de Japanners stimuleerde de inmiddels in functie getreden Republikeinse Residen (resident) van Soerabaja, Raden Soedirman, om een stap verder te gaan: op 1 oktober gaf hij het bevel tot een algemene stormloop op de Japanse arsenalen. Die werden niet of nauwelijks verdedigd. Ca. 19000 geweren, ca. 1000 machinegeweren, een hoeveelheid licht geschut, 16 tanks, 62 pantserauto’s en bijna 2000 vrachtauto’s kwamen in het bezit van de Indonesische strijdgroepen. Het was een succes van kardinale betekenis: althans op Oost-Java beschikten die strijdgroepen nu over een aanzienlijke hoeveelheid moderne wapens en over middelen om ze te vervoeren.
Twee dagen eerder, op 29 september, was in Soerabaja met een kleine staf een Nederlandse marine-officier aangekomen, kapitein-ter-zee P.L.G. Huijer, met de opdracht van Admiral Patterson om voorbereidingen te treffen voor de komst van de Britse troepen – hij eiste onmiddellijk van de Japanse generaal en de Japanse admiraal ter plaatse, dat de Japanse militairen zich met kracht zouden verdedigen. Dat werd hem beloofd, maar van weerstand was in feite geen sprake. Enkele duizenden Japanners lieten zich in gevangenissen opsluiten, sommigen die in de stad woonden en zich verzetten, werden afgemaakt. De wanorde nam toe – op 2 oktober, daags na de stormloop op de Japanse arsenalen, kwam het tot plundering van woningen van Nederlanders en Indische Nederlanders, ook werden op die dag ca. 50 vrachtauto’s van de Rapwi gestolen. ‘De Indonesiërs’, aldus Huijer in het rapport dat hij in november aan admiraal Helfrich uitbracht, ‘hadden feitelijk de volledige macht in handen genomen’. Met klem eiste hij nu van Soedirman dat deze als resident orde en rust zou herstellen. Soedirman antwoordde op de 16de (verder willen wij niet gaan) dat hij alle begrip had voor Huijers eis, ‘maar het Volk weet dat er van Nederlandse zijde al pogingen gedaan zijn die duidelijk ten doel hebben dit gebied door middel van de Nica en soortgelijke organisaties terug te krijgen. Het Volk weet ook dat de functionarissen van de Geallieerde missie onder uwe edelachtbare’s leiding vrijwel geheel uit Nederlanders bestaan. Gezien dit feit, beschouwt het Volk deze functionarissen niet als Geallieerde functionarissen maar volledig als voorlopers van de Nica, die het duidelijk gemunt hebben op het gezag van de Indonesische Republiek, en om die reden gevaarlijk zijn voor de rust en orde in het gebied.
... Daarom heb ik als gezagsdrager in het district Soerabaja besloten mijn hulp aan de Geallieerden voorlopig te staken, tot ik meer gedetailleerde instructies over deze kwestie van onze President heb ontvangen’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 707-709

[Semarang 2 – Heuvel] 

Dat het de Republiek op Java moeilijk viel de strijdkrachten onder haar gezag te brengen, hing samen met het feit dat op het meer dan duizend kilometer lange eiland de eerste acties tot vestiging van die Republiek een lokaal, hoogstens regionaal karakter hadden gedragen. Er trad verbrokkeling op, geografisch en organisatorisch. De door de Japanners ontbonden bataljons van de Peta (het door hen gevormde hulpleger), alle bestaande uit geoefende en aan enige discipline gewende militairen, werden per residentie opnieuw gemobiliseerd maar daarnaast ontstonden losse strijdgroepen, waartoe ouderen toetraden die als heiho (hulpsoldaat) de wapens hadden leren hanteren, maar vooral ook jongeren, pemoeda’s, die wel van de door de Japanners opgerichte korpsen als Seinandan, Keibodan en de Barisan Pelopor deel hadden uitgemaakt maar nooit een ander wapen in hun handen hadden gehad dan een bamboe-speer. Elke politieke groepering richtte dergelijke losse strijdgroepen op; zij hebben een verwarrende veelheid van namen gedragen – wij willen ze, omdat de jongeren erin domineerden, aanduiden met het begrip ‘de pemoeda-groepen’ en voegen daaraan toe dat verscheidene van die groepen niet veel meer waren dan roversbenden.
De situatie verschilde van streek tot streek.
Het grootste deel van Batavia werd door pemoeda’s beheerst, tegen wie aanvankelijk door Generaal Christison in het geheel niet werd opgetreden. Uit het grootste deel van Bandoeng werden die pemoeda’s op 10 oktober op last van Christison door de Japanners verjaagd, waarna een Britse Brigadier het gezag overnam. In Semarang kwam het midden oktober tot een week van hevige strijd tussen de pemoeda’s en de Japanners – een Britse strijdmacht landde er op de 20ste, zond een voorhoede naar Magelang, raakte in gevecht gewikkeld met geregelde en ongeregelde formaties en moest Magelang en het bezuiden Semarang gelegen grote interneringscomplex Ambarawa-Banjoebiroe ontruimen – behalve de stad Semarang en haar naaste omgeving was eind november heel Midden-Java in handen van de Republiek.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 710-711

[Surabaya 2 – Sudirman] 

Men ziet: Soekarno’s oproepen tot matiging (hij had er ook in Magelang op aangedrongen) hadden geen effect – de strijdgroepen volgden hun eigen inzichten. Hoe er meer greep op te krijgen? Het Volks-Veiligheidsleger, de TKR, moest een generale staf, een chef van die staf en een opperbevelhebber krijgen. Soekarno benoemde begin oktober de commandant van de strijdgroepen te Bandoeng tot opperbevelhebber en gaf aan een gepensioneerde majoor van het Knil, Raden Oerip Soemohardjo, opdracht om in Djokjakarta (dat voorshands voor de Britten en Nederlanders onbereikbaar was) een generale staf te gaan opbouwen. Die eerste opperbevelhebber leek in Bandoeng gefaald te hebben – Soekarno’s keuze werd door de plaatselijke en regionale bevelhebbers van de TKR-eenheden afgewezen. Midden november kwamen zij in Djokjakarta bijeen en kozen uit hun midden de drie-en-dertigjarige Soedirman tot opperbevelhebber. Hij was in de Nederlandse tijd onderwijzer geweest aan een school van de Mohammadijah-beweging en in de Japanse tijd commandant van het bataljon van de Peta in Banjoemas en hij was er in geslaagd de Japanners aldaar te bewegen tot het afstaan van hun wapens. Hij had de leiding gehad bij de strijd tegen de Brits-Indiërs bij Magelang en Ambarawa-Banjoebiroe. Zijn gezondheid was niet sterk (hij leed aan tbc) maar hij had een krachtige persoonlijkheid en zijn ascetische levenshouding dwong vele Javanen respect af. Zijn samenwerking met Soemohardjo (naast deze kregen ook andere voormalige Knil-officieren hoge functies in de TKR) liet niets te wensen over – de ministers van de Republiek daarentegen waren, voorziende dat hij elk compromis met Nederland met argusogen zou bezien, met zijn keuze verre van gelukkig; de bekrachtiging van zijn benoeming vond pas na vijf weken plaats.
Van belang was dat van de gewapende formaties op Java slechts een deel in de TKR opging – zij telde op Java aan de vooravond van de Eerste Politionele Actie naar Nederlandse schatting ca. honderdtienduizend man, maar er waren toen, eveneens naar Nederlandse schatting, in de z.g. strijdorganisatie (dat waren hoofdzakelijk pemoeda-groepen) niet zoveel minder manschappen bijeen: ruim negentigduizend, en op die pemoeda-groepen kreeg het Soekarno-regime geen enkele greep.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 720-721

[Surabaya – Gevangenis] 
[Surabaya 2 – Soos] 

Erger nog was dat de pemoeda’s, de TKR-eenheden, hier en daar ook de Indonesische politie zich gingen inspannen om zoveel mogelijk Nederlanders en Indische Nederlanders in handen te krijgen, hetzij door hen, analoog aan wat in Bandoeng en Buitenzorg was geschied, in gevangenissen op te sluiten, hetzij door zich meester te maken van hun interneringskampen. Het eerste deed zich op tal van plaatsen voor, o.m. in Soerabaja. Van begin oktober af werden er ca. drieduizend Nederlandse en Indisch-Nederlandse mannen en jongens gearresteerd tot opsluiting in de gevangenis van de Werfstraat. ‘Ik werd’, aldus in zijn verslag een Nederlandse inspecteur van politie, op 15 oktober [1945] omstreeks 10 uur v.m. met mijn beide zoons het huis uitgesleurd en naar de Simpangclub gebracht, alwaar wij verschrikkelijke folteringen moesten ondergaan. Mijn jongste zoon en ik werden murw geslagen, omdat wij geen ‘symbool’ (rood-wit speldje) droegen en ‘Nica-honden’ waren. Zij namen mij toen mee naar het platje; wij moesten ons geheel uitkleden, waarna wij gedurende vijf-en-een-half uur in de barre zon hands-up moesten staan, daarbij het hoofd diep gebogen houden. Telkenmale wanneer wij onze armen door vermoeienis lieten zakken, werden wij met geweerkolven op ribben, geslachtsdelen en in okselholten meedogenloos gestompt. Velen lieten daarbij het leven, wijl samoerai-zwaarden een woordje mee spraken.
Die middag omstreeks half zeven werd de groep, waarbij ook ik behoorde, naar de gevangenis Werfstraat overgebracht, alwaar wij werden opgewacht door een ruim duizendkoppig goedgewapend gepeupel, dat ons met lansen, zwaarden, knotsen, stukken gaspijp e.d. aanviel. Verschillenden onzer vonden voor en in de gevangenispoort daarbij de dood. Alhoewel ik vele slagen met knuppels op hoofd en schouders kreeg te incasseren, ontkwam ik tot drie malen toe op wonderbaarlijke wijze aan de dood.
In de gevangenis werden wij opgewacht door honderden losgelaten (Indonesische) veroordeelden, allen voorzien van scherpgepunte bamboe, waarmede wij werden gestoken en geslagen. Na een vluchtige lijfvisitatie, waarbij ons praktisch alles werd ontnomen, kregen wij met zes-en-dertig man logies in ... één ... cel, om twee dagen later te worden overgebracht naar een grotere cel, die wij met vijftig man moesten delen. De behandeling in de Werfstraat-gevangenis tart elke beschrijving. Het onthouden van water en voedsel gedurende 48 uren behoorde nog tot de zachtaardige grappen’.
Midden november (de gevechten in Soerabaja waren in volle gang) wed door pemoeda’s een massamoord op de inzittenden in de gevangenis voorbereid – zij werden op het nippertje gered, doordat een reserve-kapitein bij het Knil, J.L. Boer, gewaarschuwd door een Ambonnees die vroeger cipier in de gevangenis was geweest, met één Britse tank en twaalf Bits-Indische militairen (de door de Indonesiërs bij uitstek gevreesde Gurkha’s) in de nacht van 9 op 10 november vanuit de Britse enclave naar de gevangenis doorstiet waar hij de wacht wist uit te schakelen; later op de 10de konden de Britten de bevrijde gevangenen met vrachtauto’s naar het havengebied afvoeren, waarna de meesten met schepen naar Batavia en Singapore werden overgebracht.

Het Koninkrijk der Nederlanden,12, 981 noot

[Surabaya 2 – Sudirman] 

Gesloopt door de tbc waar hij al zo lang aan leed en die hij op zijn zwerftocht na de Tweede Politionele Actie had moeten verwaarlozen, overleed de opperbevelhebber in januari ’50.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 1005

[Pasuruan – Makam] 

In hoeverre het bij die ‘extreme gewelddadigheid’ tot nieuwe excessen is gekomen, weten wij niet precies. Wreedheden die detachementen van het Korps Speciale Troepen in februari en maart ’49 op Oost-Java hadden gepleegd in de gebieden van Malang en Pasoeroean, ‘o.a. mishandelingen en het zonder noodzaak doden van personen’ (hier bevond zich onder de vermoorden een tweede Republikeinse minister), leidden tot officiële onderzoekingen maar de daders konden niet worden opgespoord en de stukken werden vervolgens geseponeerd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 1019-1020

[Semarang 2 – Officier van Justitie] 

Dan had zich in juni-juli ’49 op Midden-Java een compagnie, bestaande uit militairen van het inmiddels ontbonden Knil-bataljon Gadjah Merah (’De rode olifant’ – het bataljon bestond uit in Thailand bevrijde Knil-militairen) ernstig misdragen: zij zou bij twee gelegenheden in totaal zeven-en-dertig arrestanten zonder onderzoek hebben doodgeschoten en vrouwen hebben verkracht en mishandeld. De officier van justitie te Semarang stelde op schrift: ‘De Gadjah Merah heeft reeds lang mijn aandacht, het aantal klachten die mij in werd toegezonden, is zo langzamerhand legio. Ofschoon ik alle doorgezonden heb ter afhandeling aan de Territoriaal- tevens Troepencommandant Midden-Java, heeft mij nooit enig bericht bereikt of een onderzoek is gehouden en wat daarvan het resultaat is.’
De plaatselijke militaire commandant rapporteerde vervolgens dat bij ‘een minutieus onderzoek’ door de militaire politie slechts was gebleken dat een patrouille van de compagnie in een dessa ‘vijftien kwaadwilligen tijdens hun vlucht had neergelegd’. De officier van justitie reageerde hierop met de mededeling ’dat hij de in deze affaire van militaire zijde gebezigde methode van onderzoek typerend achtte voor wat hij noemde in alle affaires van deze aard door hen gevolgd.’ De zaak werd geseponeerd.
Van Doorn en Hendix [schrijvers van ‘Ontsporing en Geweld’] vermelden het geval van een Europese inspecteur van politie die op Midden-Java in de periode van de Tweede Politionele Actie acht-en-twintig krijgsgevangenen had doodgeschoten – een commissaris van politie had de richtlijnen voor de behandeling van krijgsgevangenen zo doorgegeven, ‘dat ze door een ieder werden begrepen in de geest van ‘zo weinig mogelijk gevangenen maken’ (het tegendeel van wat in die richtlijnen stond). ‘Het meest verbluffende aspect van de zaak ligt evenwel’, aldus van Doorn en Hendrix, ‘in de uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van zijn gedrag door zijn omgeving. Zijn directe chef had voor al de acht-en-twintig een verklaring op ambtseed gemaakt dat de gevangenen op de vlucht waren gedood. De ressort-commandant, een hoofdinspecteur bleek van de kwestie op de hoogte maar reageerde niet, hij gaf trouwens toe ook wel eens aan dergelijke dingen te hebben meegedaan’.