door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 4, 159-163

[Surabaya 2 – Marine Commandant] 

Per 1 januari 1933 werden de Indische overheidssalarissen voor de derde maal verlaagd: nu met 7%. Het kwam bij het Knil tot ongeregeldheden, waarbij in Bandoeng een plakkaat gevonden werd met als tekst: ‘Kameraden, moeten wij ons laten vertrappen? Verlaat het leger. Hijs de rode vlag ... als dat niet helpt: de rode haan!'
De gehele decembermaand had het marinepersoneel in spanning verkeerd of het ook onder de derde korting zou vallen. Op tweede Kerstdag was aan boord van ‘De Zeven Provinciën’, die toen in Soerabaja voor anker lag, het bondslied aangeheven; drie dagen later hadden 700 korporaals en manschappen een demonstratieve optocht gehouden naar een vergadering waar verschillende sprekers gewezen hadden op het succes dat Engelse marine-schepelingen een kleine anderhalf jaar tevoren, ook al protesterend tegen salariskorting, met gezamenlijke dienstweigering behaald hadden. Op 31 december evenwel kreeg de marinecommandant te Soerabaja bericht dat de korting van 7 % ‘in afwachting van (een) nadere regeling’ aangehouden was; de daaraan toegevoegde woorden ‘nog korte tijd’ waren echter uit het oorspronkelijke, door de minister van defensie uit Den Haag verzonden telegram bij de doorzending weggelaten. Van de mededeling die in verkorte vorm een misleidende indruk moest maken, werd nog dezelfde dag mondeling door de commandanten van alle eenheden kennis gegeven aan de bijeen-gefloten bemanningen. Het Cambo juichte over ‘een bondsoverwinning’.
Op 2 januari ’33 verliet het eskader Soerabaja ‘De Zeven Provinciën’ zou een oefenreis rond Sumatra maken. Zij was een in 1910 in dienst gestelde kruiser van ruim 6500 ton (met het oog op de vrij geringe snelheid behoren wij eigenlijk van ‘pantserschip’ te spreken), bewapend meet acht kanonnen waaronder twee met een kaliber van 28 cm – de zwaarste en verstdragende vuurmonden die de marine kende. Het schip bezat evenwel geen moderne vuurleiding en evenmin afweergeschut tegen luchtaanvallen. Het deed al jaren dienst voor de verdere opleiding van de kwekelingen uit Makassar en werd als zodanig ook wel eens gebruikt om officieren die elders minder voldaan hadden, een nieuwe kans te geven. Het had 141 Europeanen en 236 Indonesiërs aan boord; er waren 30 officieren. Maar voor wat volgde, was speciaal van belang dat zich onder de Europese en Indonesische minderen een actieve communistische cel bevond.
Van het eind van de jaren ’20 af had de Communistische Internationale (de Komintern) zich veel moeite gegeven, in de marines van de landen der tegenstanders eigen kernen te vormen. In ’31 waren hiervoor in Rouaan, Hamburg en Rotterdam zelfs opleidingsscholen gesticht, te Rotterdam in de Internationale Zeeliedenclub aan de Willemskade. Daar trof een van de organisatoren en docenten van de Komintern, de Duitser Richard Krebs, herfst ’32 een jonge Chinese Komintern-agent aan, Leo Chang, die op weg was naar Indië en tot taak gekregen had, met de celen aan boord van de marineschepen in de Indische wateren contact op te nemen. Op ‘De Zeven Provinciën’ had de Marine-afdeling van de Komintern ‘een sterke cel en bovendien een actiecomité dat uit Hollandse en Javaanse zeelieden bestond’.
Deze cel kreeg haar kans toen op 21 januari bericht kwam dat de derde korting, zij het voor de Europese schepelingen tot 4% verminderd, alsnog een feit zou worden; voor de Indonesische schepelingen zou zij 7 % bedragen. Het eskader was toen weer in Soerabaja teruggekeerd; daar kwam het tot betogingen en op de 30ste tot dienstweigering door grote aantallen Europese en Indonesische militairen van de marine; meer dan 500 werden gearresteerd. Men moet wel aannemen dat de eerste berichten omtrent die beroering aan de leiding van de Komintern de overtuiging schonken dat in Nederlands-Indië een revolutie voor de deur stond. Met ‘De Zeven Provinciën’ werd contact opgenomen. Krebs schreef enkele jaren later:
‘Uit Singapore, het hoofdkwartier van de Komintern voor Nederlands-Indië, kwam een koerier met instructies. De matrozen van ‘De Zeven Provinciën’ moesten zich meester maken van het oorlogsschip, opstomen naar de kust van Java en de marinebasis Soerabaja bombarderen. Zulk een actie zou heel wel voor alle andere marine-eenheden het signaal kunnen worden om de rode vlag te hijsen en zij zou dus het uitbreken van een algemene opstand in Nederlands-Indië tot gevolg kunnen hebben.’
Dit program van actie werd slechts gedeeltelijk verwezenlijkt.
Op zaterdag 4 februari lag “De Zeven Provinciën’ voor de rede van de kleine Atjehse haven Koetaradja. ’s Middags werd besloten, zich om 10 uur ’s avonds van het schip meester te maken: de commandant en de meeste officieren zouden zich dan aan de wal, in de Atjehclub, bevinden. Om 6 uur ’s avonds ging een korporaal die van het plan gehoord had, de commandant waarschuwen; deze vond het bericht ‘geheel ongeloofwaardig’; dat was ook het oordeel van de eerste officier. Hoewel aan boord om 9 uur ontdekt werd dat een Indonesisch matroos zich de sleutel der geweerrekken en een aantal patronen toegeëigend had, verzuimden de chef van de wachtdivisie en de overige officieren, onmiddellijk maatregelen te nemen, ‘enkele officieren die in de longroom bezig waren met bridgen en daar van het voorgevallene kennis kregen, vonden het voorval evenmin ernstig en speelden verder’. Binnen enkele minuten was het schip in handen van de opstandelingen, de aanwezige officieren werden op het achterdek teruggedrongen, de chef van de wachtdivisie, hoewel oudste aanwezige officier, voer, het schip verlatend, met de vlet naar een gouvernementsmarineschip, de ‘Aldebaran’, dat voor de wal lag en ging vandaar aan land; inmiddels hadden enkele rebellerende schepelingen stoomklaar gemaakt en om 2 uur ’s nachts voer ‘De Zeven Provinciën’ van Koetaradja weg, spoedig gevolgd door de ‘Aldebaran’ met de commandant van de kruiser aan boord die weinig anders kon doen dan, eigen lichtzinnigheid vervloekend, zijn gekaapte oorlogsbodem in het oog houden. Zondagmorgen seinden de rebellerende telegrafisten in het Nederlands en in het Engels (dat laatste voor de wereldpers): ‘’De Zeven Provinciën’ eindelijk in handen genomen door bemanning, alles gaat gewoon zijn gang, stomen op naar Soerabaja, geen geweld in de zin, doch protest onrechtvaardige salariskorting en gevangenneming marinemannen Soerabaja, alles wel aan boord.’
‘Absoluut geen communistische neiging’ werd daar nog aan toegevoegd in een tweede telegram aan de commandant.
Zondag 5 februari werd voor de gouverneur-generaal een dag ‘vol spanning, een zenuwachtige dag vol telefoons en telegrammen. Waar ging het schip heen?' ’aar een Engelse haven? Neen – om de noordpunt van Sumatra bleek het verder te varen, de westkust langs, richting Straat Soenda tussen Java en Sumatra. Maandag besloot de vlootvoogd, het ter hoogte van Padang uit de lucht aan te vallen, maar slechts één bommenwerper wist het daar gelegen vliegveld te bereiken. Nieuw besluit: ‘De Zeven Provinciën’ zou voor Straat Soenda opgevangen en, als het schip zich niet overgaf, aangevallen worden uit de lucht alsmede door de schepen van het inmiddels aangetrokken eskader (de meeste Indonesische minderen waren in Soerabaja in allerijl door Europese vervangen), bestaande uit de kruiser ‘Java’, twee torpedobootjagers en twee onderzeeboten. De ‘Java’ bezat intussen slechts 15 cm-geschut; twee kanonnen van ‘De Zeven Provinciën’ waren bijna tweemaal zo zwaar.
Op vrijdagochtend 10 februari kwam de rebellerende kruiser voor Straat Soenda aan. Wel was aan boord van onenigheid gebleken maar de leiders van de revolte hadden de zaak voldoende in de hand om op een telegrafische sommatie zich over te geven, geseind door de commandant van de eerste Dornier-vliegboot die naderde, min of meer met een herhaling van het eerst uitgezonden telegram te antwoorden: ‘Ons niet hinderen. Alles wel aan boord, geen gewonden, dienst gewoon zijn gang. Verder bevelsovergave aan commandant één dag vóór aankomst Soerabaja’. De vliegtuigen hadden instructie, eerst een waarschuwingsbom te gooien – die instructie was onduidelijk doorgegeven; de eerste bom die om 9 uur 18 viel, werd al op het schip gericht en was meteen raak: van de Indonesische schepelingen werden zestien gedood en acht zwaar gewond (van wie nog vier overleden), van de Europese drie gedood en drie zwaar gewond; er waren zeven licht gewonden. Een matroos hees onmiddellijk de witte vlag
Hoewel in de dagen na het kapen van ‘De Zeven Provinciën’ in Indië hier en daar getracht werd, sympathiebetogingen met de muiters te organiseren, bleef het over het algemeen rustig; Chang (dien wij reeds in Rotterdam tegenkwamen) gaf bevel, ‘het marine-arsenaal in Soerabaja te bezetten en het revolutionaire proletariaat te bewapenen’, maar het kwam niet tot actie van enige omvang – hetgeen niet wegneemt dat, zeker tot aan het vallen van de bom, het prestige van het bewind in de wereld der Indonesiërs wankelde; uit die der blanken, waar angst om zich heen greep, stroomden de sympathiebetuigingen naar de gouverneur-generaal, in Batavia werd op 7 februari een grote loyaliteitsbetoging gehouden. Daarbij constateerde [G.G.] jhr. De Jonge niet zonder zorg, dat ‘meer en meer een anti-inlandse stemming waar te nemen viel’, men schreef toen nog de gehele muiterij aan de inlandse schepelingen toe en wist nog niet dat ook Europeanen daaraan een werkzaam aandeel hadden genomen’.
In de maanden die volgden werden van de opvarenden van ‘De Zeven Provinciën’ 165 minderen gestraft, zo ook de officieren die zich hadden laten verrassen; van hen werden zes, met inbegrip van de commandant, bovendien uit de dienst ontslagen. Maar ook andere maatregelen werden genomen. In de week van de rebellie werd De West-Java-Courant, orgaan van het Verbond van verenigingen van overheidsdienaren, verboden; D.M.G. Koch, een van de weinige Nederlanders die principieel aan de zijde van de nationalistische beweging stond, zat in de redactie van dit ‘stookblad van het ergste soort’., aldus de gouverneur-generaal. Eind juni werd bepaald dat geen landsdienaar nog lid mocht zijn van een vereniging die zich actief tegen de regering richtte; de marinebonden en het tamelijk linkse Nederlands-Indische Onderwijzersgenootschap werden onder scherpe controle geplaatst; het vergaderrecht van de twee actiefste Indonesische nationalistische partijen werd beperkt en de leider van een hunner, ir. Soekarno, werd in de nacht van 31 juli op 1 augustus gearresteerd. Mahammed Hatta en Soetan Sjahrir bevonden zich onder de leiders van de andere partij die nog geen zeven maanden later in hechtenis genomen werden. ‘In deze tijden is rust en orde vóór alles nodig’, schreef jhr. De Jonge daags daarna naar Den Haag.
Toen de gouverneur-generaal twee jaar later, niet lang na de leider van de NSB ontvangen te hebben, zijn ambt neerlegde, was hij er van overtuigd dat aan de rust en orde, zo ver men vooruit kon zien, niets zou ontbreken. Aan de redacties van twee kranten, De Deli Courant en De Sumatra Post, verklaarde hij: ‘Ik meen dat, nu wij driehonderd jaren hier in Indië hebben gearbeid, er nog wel driehonderd jaar bij moeten komen, aléér Indië misschien voor een vorm van zelfstandigheid rijp zou zijn’; aan een Engels bezoeker had hij meegedeeld dat hij elk gesprek met nationalistische voormannen placht in te leiden met te zeggen: ‘Wij Nederlanders zijn hier driehonderd jaar geweest; wij zullen nog driehonderd jaar blijven. Daarna kunnen wij spreken’.
Deze opvatting – een waarlijk monumentale miskenning van de werkelijke situatie – werd door velen gedeeld, ook in Nederland.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 4, 652

[Architecten – Schoemaker] 

[...] Het is intussen wel plausibel dat die berichten via Belgische en Franse kanalen Londen bereikt hebben.
Dat laatste is veel minder waarschijnlijk wat de informaties betreft die door twee andere spionagegroepen verzameld werden welke beide begin ’41 door de Duitsers opgerold werden: de groep Mekel-Schoemaker (geleid door de Delftse hoogleraren J.A.A. Mekel en R.L.A. Schoemaker) en de Stijkelgroep.
Deel 5, blz. 840
In de tweede plaats willen wij er op wijzen dat in de periode ’40-’42 verscheidene spionagegroepen tot stand kwamen die er niet in slaagde, een weg naar Engeland te vinden. [...] Geen van deze beide groepen had zendverbinding. Voor een zodanige verbinding gaf zich eind ’40 een katholiek kloosterling moeite, Johannes Klingen (‘Broeder Jozef’). Deze had een zender gebouwd die in de bibliotheek van het broederhuis te Heemstede verborgen werd. Er werd voor hem een code ontworpen door de Delftse hoogleraar ir. R.L.A. Schoemaker. Schoemaker interesseerde zich in die tijd voor de jongste vinding van Van der Waals*] en toen deze aanbood, Klingens code naar Engeland te brengen, ging Schoemaker daarop in. Begin mei werd Schoemaker gearresteerd. Eind mei deden Schreieder **] en Van der Waals een inval in het Heemsteedse seminarium. Klingen, die nog geen zendcontact gehad had, werd ook gearresteerd (en later gefusilleerd) en de gehele spionagegroep van Schoemaker en zijn Delftse collega ir. J.A.A. Merkel werd enkele weken later opgerold waarbij Schreieder de diepere penetratie niet aan Van der Waals overliet maar aan een andere V-mann. De arrestaties werden in opdracht van Schreieder uitgevoerd door de twee Haagse politiemannen Poos en Slagter die al enkele maanden lang als uiterst ijverige medewerkers van de Sicherheitspolizei fungeerden.
Deel 8, blz. 334-337
Eind maart ’42 begon in een groot hotel op de Amersfoortse berg, niet ver van het concentratiekamp, voor het Luftwaffegericht het z.g. eerste OD-proces. [...] Tot de zes-en-tachtig illegale werkers die terechtstonden, behoorden de feitelijke leiders van de ‘eerste’ en de ‘tweede’ OD, luitenant-kolonel J. Westerveld en luitenant-kolonel P. Versteegh, met een aanzienlijk deel van hun kaders. Onder de zes-en-tachtig had men evenwel ook de Delftse hoogleraren J.J.A. Mekel en R.L.A. Schoemaker (met enkele van hun medewerkers) opgenomen die wel allerlei contacten met de OD hadden gehad, maar wier spionagegroep niet als een onderdeel van de OD beschouwd kon worden. Ten behoeve van het proces waren de beklaagden in het concentratiekamp Amersfoort opgesloten. [...]
Op 11 april werd vonnis gewezen: inderdaad werden tachtig mannen ter dood veroordeeld. Zij werden nog diezelfde middag onder zware bewaking uit het kamp weggevoerd – alle andere gevangenen moesten op appèl staan. ‘Daar komen de eersten de hoek van de keuken om: Schoemaker en anderen’, aldus begon het (in deel 5 al door ons geciteerde) relaas dat een gevangene (Folmer, het lid van de Oranjewacht) later kon uitwerken –
‘Wij kijken elkaar aan, Hun ogen zoeken de rijen af om afscheid te nemen van hun vrienden. De duimen gaan daarbij omhoog. Enkelen van ons kunnen het niet langer volhouden en snikken het uit, vooral nu in het midden heel zachtjes het trouwe Wilhelmus wordt ingezet. Daar volgt de tweede groep ... Zo gaat het steeds door ... Westerveld is erg onder de indruk; hij durft niet naar ons te kijken ... In de laatste groep (loopt) Versteegh, ijzerhard als altijd.’ [...]
Daags na deze dienst, op 1 mei, werden twee-en-zeventig veroordeelden (zeven hadden gratie gekregen, ten aanzien van één was door Christiansen een nieuw onderzoek gelast) per trein oostwaarts afgevoerd. Op 3 mei werden zij het concentratiekamp Sachsenhausen binnengeleid waar SS’ers hen nog diezelfde dag de een na de ander met nekschoten afmaakten.
[* ‘V-mann’, vertrouwensman van de bezetter;
** werkzaam bij de ‘Sicherheitspolizei und der SD’, als chef van de ‘Spionage-Abwehr’].

Het Koninkrijk der Nederlanden, 9, 352-355

[Pasuruan – Ontvangstruimte] 

Als telg uit een oud adellijk geslacht van Javaanse regenten was Ario  Adipati Soejono in 1886 op Oost-Java geboren – hij was, toen hij tot minister benoemd werd, zes-en-vijftig jaar. Op twee-en-twintigjarige leeftijd had hij zijn eerste functie gekregen in het binnenlands bestuur. Bekwaam als hij was, maakte hij daar snel carrière. Van jongs af aan was hij voorstander van de verheffing van de Indonesische volksmassa’s, die verheffing werd eerst louter nagestreefd op cultureel gebied maar het culturele vloeide spoedig in het staatkundige over. Een belangrijke impuls ging daartoe al vóór de eerste wereldoorlog uit van twee andere Javaanse edellieden: Ario Achmed Djajadiningrat en Ario Adipati Koesoemo Oetojo; deze twee en Soejono plachten tezamen aangeduid te worden als ‘de drie musketiers’. Van hen drieën was Soejono de jongste.
Hij werd in 1915 benoemd tot regent (bestuurshoofd) van Pasoeroean, een deel van de provincie Oost-Java. Dat hij het vertrouwen van de Indonesische stemgerechtigden bezat, bleek in ’20 toen hij door hen voor de eerste maal tot lid van de Volksraad gekozen werd; dat lidmaatschap bleef hij tot ’35 uitoefenen. Anderzijds behield hij ook het vertrouwen van het gouvernement: het benoemde hem in ’34 tot lid van een commissie die een herziening van het kiesstelsel ging voorbereiden, en zond hem later in dat jaar naar Europa om in Londen als adviseur op te treden van de Nederlandse delegatie bij internationale rubberonderhandelingen. Hij had een grote kennis op economisch gebied en werd op grond daarvan begin ’39 bij het departement van koloniën in Den Haag geplaatst; hij was er werkzaam bij de afdeling die het contact met Van Mooks departement in Batavia onderhield. Begin ’40 repatrieerde hij naar Indië en daar kreeg hij met ingang van 29 februari ’40 de hoogste van de ambtelijke functie welke in die tijd voor Indonesiërs bereikbaar waren: lid van de Raad van Indië.
Zoals reeds vermeld, behoorde Soejono tot de groep vooraanstaanden die, met goedkeuring van Van Starkenborgh, door Van Mook uitgekozen waren om tijdig Java te verlaten. [...]
In ’41 was gebleken dat Soejono op een belangrijk punt de Indonesische nationalisten verder had willen tegemoetkomen dan Van Starkenborgh; hij was een van de twee leden van de Raad van Indië geweest (Van der Plas was de andere) die geadviseerd hadden, de tien van de vijftien Indische afgevaardigden ter naoorlogse rijksconferentie die door de volksraad voorgedragen zouden worden, in feite ook door die Volksraad te laten benoemen: de voordracht moest, meenden Soejono en Van der Plas, een bindend karakter krijgen. Van Starkenborgh had dat afgewezen (‘wijl geen risico mag gelopen dat aldus bijvoorbeeld geïnterneerden als Soekarno zouden moeten worden benoemd’) – Van Starkenborgh kende Soejono dus als iemand die verder wilde gaan dan hij. Aan de andere kant was het evident wenselijk, in de groep enkele hooggeplaatste Indonesiërs op te nemen en als zodanig was Soejono de eerste die in aanmerking kwam.
Waarom Van Mook er op aandrong, Soejono ter minister te benoemen, is duidelijk: zou hijzelf in de ministerraad bepleiten, verdere stappen te zetten op de weg van Indië’s ontvoogding, dan zou Soejono hem daarbij kunnen steunen. Op diens benoeming stelde verder vooral Van Kleffens prijs: kon men de anti-kolonialistische stroming in de Verenigde Staten niet het effectiefst bestrijden door, Soejono tot minister makend, duidelijk te onderstrepen dat Nederland Nederlanders en Indonesiërs als principieel gelijkwaardig zag? Een ministerschap van een Indonesiër was trouwens niet meer dan een logische verdere stap op de weg waarop Indonesiërs al leden geworden waren van de Volksraad, directeuren van departementen (zoals de mèt Soejono geëvacueerde Loekman Djajadiningrat, directeur van onderwijs en eredienst), ja leden van het hoogste adviescollege van de gouverneur-generaal, de Raad van Indië.
Deze argumenten spraken Gerbrandy aan – de koningin niet; zij had, zei Gerbrandy op 2 juni in de ministerraad, ‘bezwaar tegen de benoeming van de heer Soejono tot minister zonder portefeuille. H.M. wenst deze verandering van status van het kabinet’(men zou het voortaan als een rijkskabinet kunnen zien) ‘niet buiten de volksvertegenwoordiging om aan te brengen’. Maar de koningin hield haar verzet niet lang vol (naar wij aannemen: als gevolg van een klemmend vertoog van Van Mook die als persoonlijkheid grote indruk op haar gemaakt had): precies een week later ondertekende zij het koninklijk besluit waardoor Soejono in het kabinet opgenomen werd.
Deze woonde daags daarna, 10 juni, zijn eerste kabinetsvergadering bij. Gerbrandy’s hartelijke woorden van welkom (‘de voorzitter noemt het een historisch ogenblik, nu voor het eerst een zoon van het Indonesische volk optreedt als lid van de Nederlandse regering’) werden met applaus begroet. Soejono bedankte voor die ontvangst. ‘Spr. Is zich bewust’, aldus de notulen, ‘dat hij een grote verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, ook tegenover het Indonesische volk. Hij twijfelt niet aan een vruchtdragende samenwerking in het kabinet en hij verzekert, dat op zijn hartelijke medewerking kan worden gerekend’. Weer klonk applaus.
Al die hartelijkheid over en weer was ietwat misleidend. Los van het feit dat Gerbrandy een Mohammedaan als Soejono niet als in alle opzichten gelijkwaardig zag, trad spoedig een politieke tegenstelling aan de dag die een streep haalde door de opzet van Van Mook. Bij de discussies namelijk over de radiotoespraak waarin de koningin het naoorlogse beleid ten aanzien van Indië zou uiteenzetten, bracht Soejono in de ministerraad naar voren dat alle elementen welke de toespraak zou bevatten, van nul en gener waarde zouden zijn als er één element in ontbrak: de principiële erkenning van Indonesië’s recht op onafhankelijkheid.
Niemand viel hem bij, ook Van Mook niet; Soejono werd doosbleek.
Enkele maanden later, begin januari ’43, stierf hij.
In Londen werd gezegd dat zijn onverwacht overlijden samengehangen had met het feit dat hij de Londense weersomstandigheden niet had kunnen verdragen. Dat kan zo zijn, maar wij vermoeden tevens dat Soejono, die zich toch al pijnlijk gescheiden voelde van de Indonesische samenleving, het besef niet kon verdragen dat hij op het door hem terecht als wezenlijk beschouwde punt niets ten bate van die samenleving had kunnen bereiken en dus jegens haar zijn ‘grote verantwoordelijkheid’ niet had kunnen waarmaken en onvermijdelijk in een steeds schever positie zou komen te verkeren.
Hij werd niet vervangen. De enige die op zichzelf in aanmerking kwam was Loekman Djajadiningrat, maar deze (een figuur van geringer formaat dan Soejono) werd voor het ministersambt niet geschikt geacht; hij bleef in Australië werkzaam en overleed in juli ’44.