Nieuw Soerabaia, 17

[Surabaya 2 – Plampitan] 

Heeft men bijvoorbeeld te Batavia de rivieren reeds lang geleden genormaliseerd tot het verkrijgen van regelmaat in de bebouwing en van een goede afwatering, te Soerabaia heeft men de rivieren vrij spel gelaten. Uitschuring en aanslibbing konden vrij plaats hebben. Waar de weg langs den oever liep, ontstonden aan de overzijde, tusschen de weg en den oever, uiterwaarden van zoodanige afmetingen, dat zij geschikt waren voor bebouwing, waarvan steeds een dankbaar gebruik werd gemaakt. (Kepoetran, Plampitan, Chineesche Voorstraat enz.)

Nieuw Soerabaia, 35

[Surabaya 2 – Duitschers] 

Volgens gegevens van gemeentewege verstrekt, waren er ultimo 1930 te Soerabaia rond 2900 vreemdelingen, van niet minder dan een 25-tal nationaliteiten en met in totaal 578 gezinnen.

Onderstaande specificatie geeft hiervan een overzicht.

Nationaliteit Aantal Mannen Vrouwen Gezinnen
Armenianen 388 194 194 85
Belgen 78 40 38 16
Czechen 30 17 13 5
Denen 29 19 10 5
Duitschers 845 507 338 171
Engelschen 383 217 166 87
Franschen 85 24 34 8
Grieken 4 4 - -
Hongaren 19 9 10 3
Italianen 52 32 20 12
Letten 2 1 1 1
Noren 2 1 1 1
Oostenrijkers 77 42 35 16
Polen 27 12 15 4
Portugeezen 1 1 - -
Roemeniërs 15 9 6 2
Russen 28 18 10 5
Turken 14 6 8 3
Zweden 13 7 6 3
Zwitsers  67 41 26 16

 

Behalve deze Europeesche nationaliteitenzijn er te Soerabaia ook nog vreemdelingen uit andere werelddeelen gevestigd. Chineezen, Arabieren en andere Vreemde Oosterlingen, welke als vaste bevolkingsgroepen kunnen worden beschouwd, blijven hier onvermeld.

Afrikanen 3 2 1 -
Amerikanen 31 18 13 7
Australiërs 3 2 1 1
Japanners 720 520 200 124
Philippino’s 26 22 4 3

 

Van de Europeesche vreemdelingen zijn de Duitschers het sterkst vertegenwoordigd, daarna volgen de Engelschen en de Armenianen. Met veel kleiner aantallen komen hierna de Oostenrijkers, Belgen, Zwitsers, Italianen, Franschen, Denen en Russen.

Nieuw Soerabaia, 36-37

[Surabaya 2 – Deutscher Verein] 

De Duitsche kolonie heeft sedert 1902 als centraal punt den Deutscher Verein, nadat reeds een jaar te voren een aantal landgenooten geregeld wekelijksche bijeenkomsten hadden gehouden. Opgericht als Deutscher Männer-Gesang-Verein kreeg de jonge organisatie al spoedig den naam, welke zij nog draagt. Haar eerste levensjaren waren niet gemakkelijk, doch daarna kan gezegd worden, dat de Deutscher Verein op hechten grondslag staat.
Aanvankelijk kwam men bijeen ten huize van den heer Meinke, maar het Kerstfeest werd in het stichtingsjaar in de koffiekamer van den toenmaligen schouwburg gevierd. Toen men naar een vergaderplaats moest uitzien, werd op Baliwerti een huis gehuurd, waar een kegelbaan werd ingericht. Ook schafte men een biljart aan.
Onder voorzitterschap van Dr. M. Schöppe ging de vereeniging vanaf 1904 een tijdperk van krachtigen groei en bloei tegemoet. Onder het presidium van den heer Burghoff kwam in 1909 de aankoop van het perceel op Genteng-kali tot stand, waar de Deutscher Verein nog is gevestigd. Hier is de vereeniging zich gunstig blijven ontwikkelen. De oorlogsjaren gingen rustig voorbij, de eerste jaren daarna brachten ook nog niet den rechten opbloei, welke eerst kwam na de reorganisatie der vereeniging door uitbreiding van haar arbeidsveld tot sport, tooneelvoorstellingen, concerten, voordrachten en, vervolgens, ook door de stichting van een Liedertafel.
Het vereenigingsgebouw, dat oorspronkelijk een woonhuis was, heeft met eenige verbouwingen jarenlang aan de gestelde eischen kunnen beantwoorden.
In 1924 en 1925 volgden ingrijpende verbouwingen, waarna medio December 1928 met de derde verbouwing, voornamelijk omvattend zaal en tooneel, het geheele plan werd voltooid, dat den Deutschen Verein een vereenigingsgebouw gaf in architectuur en inrichting aan moderne eischen voldoende, met als centrum een stemmige tooneelzaal, waarbij zelfs een draaibaar tooneel behoort. Als ontwerper mag ir. B. Nobile de Vistarini hier niet onvermeld blijven.
De Deutscher Verein onderhoudt met verschillende clubs en vereenigingen een geregeld contact op vriendschappelijken grondslag; in de eerste plaats met de centrale organisatie in Ned.-Indië, de Deutsche Bund, en voorts moet in dit verband voornamelijk worden genoemd de Kunstkring en zijn verschillende onderafdeelingen, terwijl voor de kegelsport met de Simpangsche Sociëteit in relatie werd getreden.
Onder leiding van den tegenwoordigen voorzitter, den heer A.F.W. Becker, zet de Deutscher Verein zijn goede traditie voort door een krachtig, actief vereenigingsleven, gericht op kunst en ontspanning.

Nieuw Soerabaia, 42

[Surabaya 2 – Gedung Nasional] 

ILW Surabaya 2 Boeboetan Ketabang Toendjoengan Gedung NasionalDe “Gedong Nasional Indonesia”, het vereenigingsgebouw van de “Indonesische” nationalisten (Gedong – huis, gebouw)
Links: de ruime “pendopo”, welke eind 1931 in gebruik werd genomen. Er werden reeds talrijke drukbezochte vergaderingen en congressen gehouden, van welke sommige werden bijgewoond door Inheemsche vrouwen en meisjes, die dan volgens de adat op de voorste rijen plaats nemen. Bij meetings zitten de afgevaardigden der verschillende vereenigingen achter een groene tafel op het tooneel. Voor het podium in de zaal staat een tafel waaraan de heeren van den Politieken Inlichtingendienst en de verslaggevers van de Maleische, soms ook van de Europeesche bladen plaats kunnen nemen. Opzij daarvan: het spreekgestoelte. Aan den wand hangen de portretten van voormannen der nationalistisch beweging. Verder is hier en daar het Inheemsche krachtsymbool, de bantengkop, aangebracht. Politiebeambten, met gummiestok en revolver bewapend, houden een oogje in het zeil.
Rechts op de teekening: het paviljoen, waarin de “N.V. Bank Nasional Indonesia” en het kantoor van de “Soeara Oemoem” zijn gevestigd.

Nieuw Soerabaia, 48-56

[Surabaya 2 – Gedung Nasional] 

Als er een Inheemsche corporatie is geweest., welke zich over een groote belangstelling van velen, van Regeering en Volksraad, van Kamerleden, van Volkenbondskringen, ja zelfs van het buitenland heeft mogen verheugen, dan is het zeker de Indonesische Studieclub te Soerabaia geweest.
Deze werd op 11 Juli 1924 opgericht. De bevolking had het vertrouwen in sommige leiders der Inheemsche beweging verloren, onder meer omdat men langzamerhand tot het besef was gekomen, dat sommige leiders slechts quasi in het belang van het volk hun activiteit hadden getoond, doch in werkelijkheid het volk als object van eigen materieel gewin hadden misbruikt. Met het vertrouwen in de leiders was ook het vertrouwen in de intellectueelen min of meer verloren gegaan.
De oprichters van de nieuwe vereeniging zagen in, dat een andere weg moest worden ingeslagen, wilde men ten behoeve van het volk nuttig werkzaam zijn, doch voor alles moest het verloren vertrouwen worden herwonnen. Een innerlijke band diende te worden gelegd tusschen de intellectueelen en het volk, waardoor voeling tusschen beide partijen op intensieve wijze kon worden verkregen, maar voor alles moest aan het volk van de zijde van de intellectueelen het bewijs worden geleverd, dat men de belangen van het volk metterdaad wilde behartigen, desnoods met opoffering van eigen belang of voordeel.
Bezield door dit principe, neergelegd in artikel 3 der Statuten, toog men aan den arbeid. In het bestuur van de Studieclub namen o.a. zitting: Dr. R. Soetomo (voorzitter), Mr. R.P. Singgih (secretaris), M. Soendjoto (penningmeester), R.M. Hario Soejono en R. Gondokoesoemo (leden). [...]
De Studieclub heeft men geplaatst boven en buiten de partijen door de kopstukken van alle toentertijd in Soerabaia bestaande politieke vereenigingen als leden op te nemen. [...] Op die wijze werd voortdurend contact verkregen met de destijds bestaande politieke en andere organisaties, zoals de P.K.I., S.I., Mohammadijah, Sarekat Ambon, Sarekat Minahassa enz., waardoor het mogelijk werd dat, indien aan een of andere socialen maatregel behoefte bestond, de taak om aan deze behoefte te voldoen, aan een dier vereenigingen kon worden opgedragen. Zoo werd aan de Mahammedaansch godsdienstige vereeniging Mohammadijah de taak toegewezen om poliklinieken te Soerabaia op te richten, waarvan Mohammadijah zich op verdienstelijke wijze heeft gekweten.[...]
Ondermeer werden opgericht: een adviesbureau voor de bestrijding van den woeker en voor de oprichting van coöperatieve vereenigingen.[...] Verder kwam tot stand een adviesbureau voor de vakbeweging, dat adviezen geeft aan vakvereenigingen en haar besturen, 14-daagsche cursussen geeft, [...] De voorzitter der Studieclub deed een leidraad voor vakvereenigingsmannen verschijnen, [...] Tenslotte werd ook nog een klachtenbureau opgericht, dat voorlichting geeft aan vereenigingen en bijzondere personen, onder meer betreffende: zaken met de gemeente, ontslag zonder vergoeding, belastingzaken, moeilijkheden op particuliere landerijen, klachten over ruwe behandeling door de politie, idem door werkgevers en zaken met woekeraars.
Uitgaande van het beginsel van de studieclub, dat zelfstandigheid moet worden aangekweekt, beperkt het bureau zich tot voorlichting der hulpzoekenden, die zich verder zelf moeten helpen.
Voor de bestrijding van het analphabetisme heeft de Club een uiterst eenvoudige leidraad uitgegeven, die veel aftrek vond. [...] Voorts worden door een comité van de Studieclub voorbereidingen getroffen voor het geven van avondcursussen in enkele schoolgebouwen te Soerabaia en wel in het lezen, Nederlandsch, Maleisch, boekhouden en Engelsch. [...]
Het blad, de “Soeara Oemoem”, in het laag javaansch met Latijnse karakters uitgegeven (sinds den aanvang, n.l. April 1930, driemaal ’s weeks, later dagelijks verschijnend), beoogt het gewone volk tot lezen te brengen.
Volgens den oprichter staat het blad buiten alle politieke partijen; het geeft voorlichting, voornamelijk op economisch gebied en spoort aan tot zelfwerkzaamheid en zelfkennis, waardoor men zelfordening hoopt te bereiken. Het mag dan ook alleen artikelen van opbouwende strekking bevatten. Dat men zich niet altijd aan dit hooge beginsel heeft gehouden, kan o.m. blijken uit het feit, dat de hoofdredacteur van het blad in Februari 1933 op last van den procureur-generaal door de politie werd aangehouden, in verband met de publicatie van ontoelaatbare uitdrukkingen inzake het opzien barende geval van muiterij aan boord van den kruiser “Zeven Provinciën”. Sinds October 1930 heeft de Studieclub voor de “Soeara Oemoem”, die een oplage heeft van plusminus 6700 exemplaren, twee snelpersen aangeschaft, welke electrisch gedreven worden.[...]
Opgericht werden de internaten voor jongens [...] “Poetri Boedi Sedjati”, de vrouwenvereeniging van de Studieclub, heeft eveneens een internaat geopend en wel voor meisjes. Na langdurige voorbereiding werd in juni 1929 op Plampitan een Vrouwentehuis geopend. [...] In het gebouw van het Vrouwentehuis is tevens een weefschool gevestigd [...] De school levert ook onderwijzeressen voor de weefscholen [...] In Juli 1927 werd de Bank Bamipoetra opgericht [...] Op 1 januari 1930 werd het bankje overgenomen door de Bank Nasional Indonesia. [...] Reeds korten tijd na de overdracht werden drie nieuwe coöperaties opgericht, gevolgd door zeven andere, [...] De pogingen om met uitschakeling van den tussenhandel jongelieden klontongwerk te laten verrichten, zijn, na een aanvankelijk succes, opgegeven. Op 9 September 1929 werd vereenigingsvorm gegeven aan de onder den naam “Pertoekangan” door de leden der Indonesische Studieclub gedane pogingen tot bevordering van de Inheemsche nijverheid door inzendingen op jaarmarkten en tentoonstellingen.
De vereeniging heeft alleen een bestuur, geen leden. De werkzaamheden worden om niet verricht door leden der Studieclub. Daarnaast staat de Nijverheidscentrale Pertoekangan, opgericht door Dr. R. Soetomo, M. Soendjoto en R.P. Soenario Gondhokoe soemo, die ook het benoodigde kapitaal hebben bijeengebracht. Zij stelt zich ten doel: verstrekking van inlichtingen aan Inheemschen op het gebied van nijverheid, verbetering van de kwaliteit en bevordering van den verkoop der producten. Zij heeft een winkel ingericht in een pand te Baliwerti 10, genaamd “Kunsthandel Java Art Studio”. [...]
Eind 1930 had een reorganisatie van de Studieclub plaats. Na 6 jaren arbeid had men het verloren vertrouwen van het volk weten te herwinnen. Direct contact met de bevolking, niet alleen ter plaatse, doch ook in het algemeen, moest thans gezocht worden. Een en ander deed de leiders der Studieclub besluiten tot het uitbreiden van haar werkingssfeer, welke tot op dat tijdstip steeds een lokaal karakter had gedragen. De Studieclub werd omgedoopt in de “Persatoean Bangsa Indonesia”.

Nieuw Soerabaia, 61

[Surabaya – Chinese Tempel] 

Vroeger woonden de Chineezen in bepaalde wijken bijeen en slechts bij uitzondering werd hun toegestaan in andere deelen van de stad te wonen. Het passenstelsel, dat toen voor hen een belemmering was, werd begin 1911 afgeschaft, waardoor zij een grootere vrijheid van beweging kregen. Bij de instelling van den gemeentelijken Bevolkingsdienst te Soerabaia in 1919 verviel intusschen ook het voor hen eveneens hinderlijke wijkenstelsel en sedert dien staat het den Chineezen vrij zich te vestigen waar zij willen, zoodat men ze thans in elken kampong en in elke wijk van onze stad aantreft.

Nieuw Soerabaia, 68

[Surabaya – Chinese Tempel] 

De tempel “Hok An Kiong”(Verblijfplaats van Geluk en Rust) in de Chineesche Tempelstraat, gewijd aan Ma Tjoo Poo, de patrones der zeelieden, is de oudste “klenteng” te Soerabaia; het gebouw moet omstreeks 1800 zij opgericht. Op het voorplein had vroeger eens in het jaar – omstreeks Augustus – het z.g. “reboetan”-feest plaats. Dan werd volgens het Chineesche Boeddhistische geloof, de hellepoort wagenwijd open gezet en kregen de zielen, die in het vagevuur hadden moeten branden, vacantie, teneinde door de menschen op aarde onthaald te worden en zich voor een jaar aan al het geschonken lekkers te goed te doen. Bijna alles in en aan het gebouw heeft een symbolische beteekenis. Let op de gebogen daklijst, welke vorm waarschijnlijk ontleend is aan den tentvorm der nomaden.

Nieuw Soerabaia, 71-72

[Surabaya 2 – Resident] 

De nationale opleving kreeg te meer vat op hen, omdat bij de destijds bestaande belemmeringen van hun persoonlijke vrijheid (passen- en wijkenstelsel) en hun verwaarloozing (geen onderwijsvoorziening) nog dit feit kwam, dat door het afschaffen van opium- en pandhuisregie een economische inzinking in de Chineesche Maatschappij voelbaar was, waardoor in dien tijd onder deze bevolkingsgroep een geest van ontevredenheid heerschte.
Zij trachtte door solidariteit en samenwerking haar wettelijke en maatschappelijke positie in Indië te verbeteren. Door den invloed der groeiende nationale beweging en niet in het minst door den diepgaanden invloed der jongere generatie werden zegenrijke verbeteringen ingevoerd, welke de groep der Chineezen op een hoger niveau hebben gebracht.
Men denke aan de afschaffing van het belemmerende passen- en wijkenstelsel, de oprichting van uitstekend ingerichte Hollandsch-Chineesche scholen, de vervanging van de destijds voor Chineezen vernederende politierol door het instituut van landgerecht voor alle bevolkingsgroepen, de unificatie der inkomstenbelasting, de toepassing van het Europeesche familie- en erfrecht op Chineezen en de invoering van een burgerlijken stand, geheel op Europeesche leest geschoeid, waarmede een einde is gemaakt aan de onzekerheid, welke ten aanzien van het Chineesche familie- en erfrecht bestond en aan de daaruit voortvloeiende onereuze processen, welke vooral te Soerabaia schering en inslag waren.
Het is van belang er hier melding van te maken, dat, nadat in 1910 met China reeds een consulaire overeenkomst was gesloten en Chineesche consuls in Indië hun intrede zouden doen, de Wet op het Nederlandsche onderdaanschap toepasselijk werd verklaard op de Chineesche pranakans.
De zogenaamde nationalisten echter wenschten, dat de Indo-Chineezen hun lot zouden verbinden aan China en zich zouden onthouden van deelneming aan het openbare leven, dus geen lid zouden worden van openbare lichamen.
Het is te begrijpen, dat deze nationalisten op de meerderheid van de Indo-Chineezen, ook op die te Soerabaia vat kregen en wel in verband met den bestaanden slechten socialen en economischen toestand. Immers, de bovenvermelde verbeteringen lieten toen te lang op zich wachten.
Degenen die beseften, dat zij “blijvers”-in-Indië waren, vonden het echter noodzakelijk, deel te nemen aan het Indische openbare leven, teneinde ook hun stem te laten hooren en mede hunnerzijds invloed uit te oefenen op de wetgeving, doch zij behoorden tot de minderheid.
Dit is dan ook de reden, dat in het begin der decentralisatie-jaren en zelfs tot voor kort, van de zijde der Chineesche gemeenschap voor de gemeentehuishouding niet de minste belangstelling bestond.
De Chineesche leeden van den gemeenteraad waren destijds de functie zijnde majoor-Chinees en enkele Chineesche notabelen, die of door benoeming, of door enkele candidaatstelling hun zetels in het college verkregen hadden. Als representanten van de Chineesche gemeenschap konden zij echter moeilijk worden beschouwd.
Toen in 1919 de Chineesche Regeering verklaarde, dat de nationaliteit van de Chineezen in Ned.-Indië uitsluitend werd vastgesteld volgens de Ned.-Indische wetgeving (Wet van 1900), waardoor de nationale beweging tegen het Nederlandsche onderdaanschap een mislukking werd, kwam een andere wending in de politiek der Chineezen.

Nieuw Soerabaia, 82

[Surabaya 2 – Toendjoengan] 

Een wandeling door Soerabaia van den Panggoeng af tot Simpang en verder, met een Arabischen gids, die de gebouwen en woningcomplexen zou kunnen aanwijzen, welke het bezit zijn van Arabieren, zou menig Soerabaiaan, die achtenloos de breede fronten van steenwerken passeert, verbaasd doen staan van de rijkdommen, die door de Arabische medeburgers op deze wijze belegd zijn. [...]

Een nieuwe aanwinst voor Soerabaia is wel het machtige gebouw, dat, nog niet lang geleden voltooid, den plaats inneemt tusschen het Oranje Hotel en Embong Kenari en waar oude bekenden zijn neer gestreken, zooals Kolff & Co., Hoffman, Van Wingen en Hellendoorn.

Reeds nu is bekend, dat ook het perceel, gelegen tusschen den hoek van Embong Kenari en Toko Piet in Arabische handen is overgegaan en weldra met één enkel massaal gebouw zal worden verrijkt,

Nieuw Soerabaia, 97

[Surabaya 2 – Dijkerman] 

Ir. G.J. Dijkerman. [1885-1929] Op 23 October 1920 benoemde de Regeering hem tot burgemeester, in welke functie hij zeer veel ten bate van de stad heeft gedaan. Dat de burgerij zijn grooote verdiensten op velerlei gebied hooglijk waardeerde, bleek o.a. na zijn overlijden uit de oprichting van monumenten op de begraafplaats en op het Jaarmarktterrein en uit de plaatsing van zijn borstbeeld in de vergaderzaal van het gemeentehuis op Ketabang

Nieuw Soerabaia, 112

[Surabaya – Paradeplein] 

De heer Beltgens was de laatste chef die in het oude huis op Baliwerti diende. Hij wist te bewerken dat het hoofdbureau werd overgebracht naar de H.B.S., waar nu het nieuwe Post- en Telegraafkantoor staat. Maar lang is de politie ook daar niet gebleven. Zij verkreeg ten slotte de mooie infanteriekazerne op het Paradeplein, waar het hoofdbureau van politie te Soerabaia thans nog is gevestigd, een gebouw dat, hoewel reeds te klein, toch voorloopig aan alle eischen kan voldoen.

Nieuw Soerabaia, 173

[Surabaya 2 – Ketabang] 

Om het overigens gunstig gelegen Ketabang een betere verbinding met de overzijde der rivier te geven kocht de Gemeente het perceel Kebondalam, tegenover de uitmonding der Palmenlaan op Simpang, met de daarop staande huizen en legde dwars door dit perceel een toegangsweg naar Ketabang aan, terwijl in 1918 de tijdelijke houten Kebondalembrug, in de wandeling de Japansche brug genaamd, die verbinding voltooide

Nieuw Soerabaia, 178

[Surabaya 2 – Pasar Genteng] 

[Tekst betreft het vorige pasargebouw.] Slechts bij den gedeeltelijken herbouw van passer Genteng werd gebruik gemaakt van gewapend beton voor de nieuwe loodsen. Weliswaar verleent dit materiaal den passer een goed aanzien en laat het zich gemakkelijk schoon houden, doch de loodsen met hun platte daken blijken minder goede ventilatie te bezitten dan de gebruikelijke, hoogere pannendaken. Over het algemeen wordt dan ook de voorkeur gegeven aan de houten loodsen, welke zich bovendien beter aanpassen aan het min of meer landelijke karakter, dat een groot deel van den passer, en vooral dat, waar landbouwproducten, groenten en vruchten verkocht worden, nog altijd draagt. Alle loodsen zijn geheel open, behalve die, bestemd voor den verkoop van vleesch, welke met gaas zijn dicht gemaakt en voorzien van dubbele deuren, waardoor zij practisch vliegenvrij zijn.

Nieuw Soerabaia, 186

[Surabaya – Kerkhofweg] 

Bij de instelling der Gemeente bestond slechts een enkele Europeesche begraafplaats, Peneleh, die reeds sedert 1850 in gebruik en daardoor voor het grootste deel in beslag genomen was. [...] De oude begraafplaats Krembangan was reeds sedert tientallen jaren gesloten. De Gemeente moest dus reeds spoedig uitzien naar een terrein geschikt voor den aanleg eener nieuwe Europese begraafplaats.

Nieuw Soerabaia, 186, 190

[Surabaya 2 – Kerkhof] 

Bij de instelling der Gemeente bestond slechts een enkele Europeesche begraafplaats, Peneleh, die reeds sedert 1850 in gebruik en daardoor voor het grootste deel in beslag genomen was. [...]
Zoals de Verordening aanduidt, zijn de Europeesche begraafplaatsen niet alleen bestemd voor Europeanen, doch ook voor “Inlanders en Vreemde Oosterlingen, die het Christendom belijden”, terwijl ook meestal de Japanners hier begraven worden.
Op de begraafplaatsen Kembang Koening en Peneleh worden jaarlijks ongeveer 350 overledenen ter aarde besteld.

Nieuw Soerabaia, 228

[Surabaya – Koloniale Bank] 

Als gevolg van de uitbreiding van haar cultuurbelangen in het derde decennium dezer eeuw, was het oude kantoorgebouw van de Koloniale Bank te klein geworden. Er werd besloten op dezelfde plaats, uitgebreid met het perceel tusschen dit oude gebouw en de Gemeente-Spaarbank, een nieuw en modern kantoorgebouw te doen verrijzen. Dit nieuwe gebouw, dat tegen het einde van 1928 gereed kwam, is een schepping van den architect Prof. C.P. Wolf Schoemaker te Bandoeng. De ca. 50 meter breede frontgevel aan de Willemskade kenmerkt zich door een domineerende horizontale lijn, welke slechts gebroken en daardoor geaccentueerd wordt door de iets hooger opgetrokken en sterker in reliëf gebrachte middenpartij, hetgeen de architectuur van het geheel verlevendigt. Deze frontgevel is in de hoofdas doorbroken door den hoofdingang, toegang gevende tot een ruime vestibule; vandaar voert de breede hoofdtrap, welke zich in twee armen splitst, naar de eerste verdieping, waar de kantoorlokaliteiten zijn ondergebracht; in den rez-de-chaussee bevinden zich slechts de eetzalen, de goedang en het archief.

Nieuw Soerabaia, 230-231

[Surabaya – Handelsvereeniging] 

De laatste maanden van 1928 waren minder druk dan de eerste, zoodat zich hierin het begin van de naderende crisis liet onderkennen. De eene daling na de andere volgde in het laatst van 1929 voor de prijzen der producten, zoodat de crisis met volle zwaarte zich begon te openbaren. Door de voortgezette prijsdaling liepen in 1930 de invoeren van kramerijen sterk terug. De provisiën en dranken, welke als luxe moeten worden beschouwd, gevoelden sterk den invloed der conjunctuur, ook daar de Inlandsche bevolking consument was geworden van een deel dezer artikelen. [...] Aangezien de uiterste zuinigheid bij het plaatsen van bestellingen voor vernieuwing of onderhoud van fabrieken en installaties werd betracht, liep de invoer van technische artikelen sterk terug:

  1929 1930
Machinerieën suikerindustrie 8.557.000 3.867.000
Pompen e.d. 2.277.000 1.015.000
Stoommachines en turbines 1.226.000 545.000
Dynamo’s e.d. 1.910.000 1.500.000

De scherpe concurrentie was oorzaak, dat een loonende verkoop niet mogelijk bleek, terwijl steeds meer technische artikelen door Japansche concerns werden ingevoerd. In 1931 werd de technische handel nog ernstiger getroffen, zoodat de indexcijfers van den invoer over 1929, 1930 en 1931 zijn te stellen op resp. 100%, 57% en 19%. De teruggang in waarde staat niet in verhouding tot de verminderde hoeveelheden, aangezien ook de prijzen belangrijk zijn gedaald, zoodat deze indexcijfers slechts relatieve waarde hebben. [...]
In 1931 werden 325 faillissementen uitgesproken met een gezamenlijk passief van bijna 5 millioen.

Nieuw Soerabaia, 233

[Surabaya – Suiker] 

Soerabaia staat als uitvoerhaven zowel naar waarde als naar volume en gewicht in de rij van Ned.-Indische havens bovenaan. Het behoeft niet te verwonderen, dat hier ter stede voor een voornaam uitvoerproduct als suiker daarmede verband houdende instituten zijn gevestigd, zooals net in 1893 gestichte Algemeen Syndicaat van Suikerfabrieken in Ned.-Indië. [...]
Reeds in het jaarverslag van het Asni over 1927 gaf de toenmalige voorzitter uiting aan gevoel van ongerustheid. De naaste toekomst moest met meer bezorgdheid worden tegemoet gezien. De in 1929 gevolgde crisis heeft deze ongunstige verwachtingen overtroffen en de kern van het jaarverslag van 1930 culmineerde in de onomwonden mededeeling, dat de toestand van de suikerindustrie ongunstig was en dat op een spoedig herstel van den toestand niet mocht worden gehoopt.

Nieuw Soerabaia, 248

[Subaya 2 – Pasar Turi] 

In 1925 werd de eendaagsche spoorverbinding met Batavia door de Handelsvereeniging [van Soerabaia] in studie genomen. Deze beschouwde dit vraagstuk alleen uit een oogpunt van snellere postverbinding en zond dienovereenkomstig haar advies bij den Hoofdinspecteur van Staatsspoorwegen in, die besliste, dat voorloopig van deze verbinding moest worden afgezien. Eerst in 1930 werd deze snellere verbinding ingevoerd.

Nieuw Soerabaia, 253

[Surabaya 2 – Kampong] 
[Surabaya 2 – Pandean] 

Hageman vermeldt, dat in 1859 te Soerabaia 9 kopergieterijen waren gevestigd, welke evenwel in handen van Vreemde Oosterlingen waren. Ten aanzien van de Inlandsche nijverheid zegt hij: “De kennis der bewerking van been, hoorn, schildpad, ivoor, hout, ijzer, schelpen, de bereiding van tabak, is bij den Soerabaiaschen Javaan zeer ver gevorderd en het snij- en draaiwerk, de meubelen en sigaren van Soerabaia zijn voorzeker in den archipel gunstig bekend. De Bataviasche tentoonstelling heeft hiervoor in 1853 voldoende bewijzen geleverd. Soerabaia staat hierin op zichzelf en is daarvoor bekend, evenals Semarang voor zijn lijnwaad en wolverwerking en Soerakarta voor zijn lederwerk bekend is”. (Tijdschrift voor Nijverheid in Ned.-Indië, deel V, blz. 141.)
De handwerkslieden woonden in kampongs bijeen, zooals de ivoor-, hout- en beendraaiers op Boeboetan, de lederbewerkers en schoenmakers in kampong Toekangan, de meubelmakers en waschbazen in kampong Tambakgringsing, de smeden in Pandaän, de pottenbakkers in kampong Kepoetran, enz. Van deze belangrijke Inlandsche handwerkconcentraties zijn er niet veel meer overgebleven.
Eensdeels is dit toe te schrijven aan de oorzaken, welke ook in Europa het handwerk deden verdwijnen, zooals de opkomst van de grootindustrie in samenhang met de ontwikkeling van de technisch-juridische constructie van de naamlooze vennootschap, doch anderdeels aan de bijzondere verhoudingen van de Indische samenleving, welke – vooral vroeger – niet in het voordeel van de Inlandsche nijverheid werkten, en, onder meer door de uitbreiding van de stad, deze bedrijfjes niet in de binnenstad konden laten voortbestaan.
Voorts stortte zich, aldus Prof. Dr. J.H. Boeke, het massaproduct van de Westersche nijverheid op de Oostersche markt en vaagde hier de inheemsche volksnijverheid, den inheemschen handel en het inheemsche verkeerswezen weg. Van de draaierijen van hout, ivoor, been enz op Boeboetan en Kawattan is niet veel meer te bespeuren, de weverijen voor songkets en inrichtingen voor naaldwerk zijn verdwenen, evenals de kopergieterijen, terwijl de smederijen het ook niet lang meer zullen maken, nu door de malaise de Europeesche constructiewerkplaatsen ook kleinere orders entameeren, en door hun uitnemende outillage beter een goedkoper werken, vooral bij belangrijke bestellingen. [...]
In 1904 verscheen als het resultaat van een onderzoek door den heer Abendanon, directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, het bekende Nijverheidsrappoort; de Regeering kon evenwel op het daarin voorgestelde systeem van bescherming niet ingaan. De richting waarin de hulp moest worden verleend, stond nog niet vast. Moest een Inlandsche nijverheid onder Inlandsche leiding met Inlandsch kapitaal in het leven worden geroepen, dan wel een Westersche nijverheid onder Westersche leiding en Westersch kapitaal, doch met Inlandsche werkkrachten?
Practisch is in de laatste richting beslist, doch de in de laatste jaren uit Inlandsche kringen oprijzende pogingen tot stichting van een zuiver Inlandsche industrie op kapitalistischen dan wel coöperatieven grondslag worden door de Regeering gesteund. In zijn openingsrede van den Volksraad op 15 Juni 1932 stelde de Landvoogd, dat de bevordering der weefnijverheid (dus ook de Inlandsche) de belangstelling der Regeering had. Voor wat Soerabaia betreft, zij vermeld, dat de bezuiniging het niet mogelijk maakte de voorgenomen oprichting van een filiaal ter plaatse van de textielinrichting te Bandoeng ten uitvoer te brengen. Daarentegen werd een consultatiebureau voor de nijverheid opgericht. Tot leider van deze instelling is benoemd Ir. Darmawan.
[Zie Pertoekangan in Nieuw Soerabaia, 48-56.]

Nieuw Soerabaia, 273

[Subaya 2 – Pasar Turi] 

Te Soerabaia Passer Toerie bestaat een bijzonder druk forensenverkeer van inheemsche reizigers. Een zestal “vroeg-treinen” bevatten groote aantallen passergangers, en naar den aard der aangevoerde passerwaren zijn de populaire namen ontstaan van: grastrein, toewak-trein, kippen-trein enz.
De drukte bij aankomst maakt het noodig, dat deze treinen ontvangen worden in een omheinde ruimte of z.g. “koeroengan”, waarbij poortcontrôle wordt toegepast. De maatregel is noodzakelijk, niet alleen om behoorlijk contrôle te kunnen uitoefenen op de hoeveelheid der meegevoerde passerwaren (elke reiziger heeft een pikolanvracht vrij), maar ook om de plaatselijke koelies bij aankomst van den trein op een afstand te kunnen houden, daar anders de uitstappende passergangers te veel last ondervinden van de hen opwachtende Madoereesche “pakjesdragers”, die hun diensten op intimideerende wijze opdringen, welk gedoe voor de invoering van den maatregel vaak tot vechtpartijen aanleiding gaf.
Niet zoodra is de trein tot stilstand gebracht of iedereen haast zich naar de markt-wagens [van de trein] (speciale voertuigen ingericht voor het transport der passerwaren) en tracht met de meesten spoed in het bezit te komen van zijn goederen. Zijn de manden aan den stok gehangen en heeft de passerganger zijn pikolan eenmaal op den schouder, dan kan hij ongestoord de “koeroengan” verlaten. [...]
Een interessante vergelijking leveren de volgende cijfers, waaruit blijkt dat het reizigersvervoer te Soerabaia-Passer Toerie grooter is dan op de drie S.S.-stations tezamen:

Totaal aantal reizigers (in “vertrek”-richting)

  Wonokromo,
Soerabaia-Goebeng,
Soerabaia-Kotta
Soerabaia-Passer Toerie
1928 690.996 809.301
1929 698.330 750.349

 

Nieuw Soerabaia, 274

[Subaya 2 – Pasar Turi] 

In de Soerabaiasche spoorwegplannen is een oogenblik plaats geweest voor een verhoogd Centraalstation “Soerabaia-Hoog” ongeveer in het verlengde van de Djoharlaan aan de overzijde der kali, waar S.S.- en N.I.S. reizigerstreinen zouden samenkomen. Daar aan deze oplossing geen uitvoering werd gegeven, liggen de eindpunten van het reizigersverkeer momenteel nog te Soerabaia-Kotta respectievelijk te Soerabaia-Passer Toeri met een tusschenafstand van ongeveer 1 km.
De uitwisseling van reizigers tusschen de beide stations biedt een gewilde verdienste aan het door middel van dogcarts en taxi’s bewerkstelligde plaatselijk vervoer. Na het uit de treinen stroomen der reizigers is het een “getawar” van belang tussen passagiers en vervoerders. Te Passer Toeri klinkt het gewoonlijk “Pigi Malang, toean!” en te Soerabaia-Kotta “Spoor Lamongan, mas!”. En niet zoodra is de prijs van het ritje wederzijds geaccepteerd, of de wedloop naar het nevenstation neemt een aanvang.
Aan de snelheid van het vehikel onderkent men den volksaard van den koetsier. De “vliegende” karretjes bezitten ongetwijfeld een Madoerees als paardenmenner, verzot als hij is op wedloopen, waaraan hij reeds als jongen placht mee te doen, zij het dan ook met een ploeg sappies als tractie.

Nieuw Soerabaia, 279

[Surabaya 2 – Gemblongan] 

Den 15en Mei 1923 werd lijn I, loopende van Wonokromo naar het Willemsplein in exploitatie genomen, daags daarna volgden lijn II, het gedeelte tusschen de toen in aanbouw zijnde brug over de Soerabaia-rivier en de Palmenlaan, en lijn III lopende van Toendjoengan naar Sawahan.
Lijn IV, loopende van het Willemsplein langs de Heerenstraat, den Griseeschen weg en verder naar de haven van Tandjong Perak, kwam den 12en Juli d.a.v. in exploitatie.

Nieuw Soerabaia, 290

[Surabaya 2 – Oogheelkundige Kliniek] 

Het gebouw van de Vereeniging “Soerabaiasche Oogheelkundige Kliniek” op Oendaän.
Op 29 April 1933 had de officieele opening plaats. Het gebouw werd ontworpen door het A.I.A. Bureau.
Op Vrijdag 8 October 1915 werd de Vereeniging opgericht door Dr. J.Th. Terburgh, Dr. A. Deutman en P. Egas. In October 1917 was de Vereeniging zoover, dat met het eigenlijke werk kon worden begonnen en dat de kliniek, voorloopig gevestigd in een huurhuis op Oendaän 36, kon worden geopend.

Nieuw Soerabaia, 339-340, 341, 342

[Surabaya 2 – Bibliotheek] 

In 1919 ontstonden de eerste plannen tot oprichting van een openbare leeszaal en bibliotheek te Soerabaia. De toenmalige burgemeester Mr. A. Meyroos nam het initiatief. In December van genoemd jaar vormde zich tijdens een vergadering te zijnen huize een voorlopig comité. Twee maanden later, nl. op 9 Februari 1920, werd de Vereeniging opgericht. [...]
Van verschillende zijden werd hulp en steun ontvangen. De Gemeente schonk een bedrag van f 15.000.- ter bestrijding van de eerste kosten. Bovendien kende zij de nieuwe vereeniging een jaarlijksche subsidie toe. Bij G.B. van 20 augustus 1921 verwierf de “Openbare Leeszaal en Bibliotheek” rechtspersoonlijkheid.
Ondertussen had het bestuur niet stil gezeten. Het was op zoek gegaan naar een geschikte lokaliteit, welke echter vanwege den enormen huizennood in de jaren ’21 en ’22 niet gemakkelijk was te vinden. Tenslotte viel het oog op een tweetal ongebruikte lokalen van het H.B.S. gebouw, dat toenmaals stond op de plaats, waar nu het nieuwe postkantoor is verrezen.
De vereischte toestemming om de lokalen in gebruik te nemen werd verkregen. Medio September werden zij ontruimd, in de daarop volgende maanden ingericht en op 31 Maart 1921 konden Leeszaal en Bibliotheek met eenige feestelijkheid worden geopend.
De Vereeniging begon haar werkzaamheden met een kleine boekerij. De directeur van O. en E. stond nl. een 1500-tal boeken en tijdschriften uit de H.B.S.-bibliotheek in bruikleen af, echter onder voorwaarde, dat deze niet uitgeleend, doch slechts in de Leeszaal geraadpleegd mochten worden.
De eerste uitbreiding had plaats door aankoop van een particuliere bibliotheek van plusminus 1200 deelen (grootendeels romanlectuur). Verder stonden het Algemeen Nederlandsch Verbond en de Theosophische Vereeniging geheel of gedeeltelijk hun bibliotheken af, zoodat bij de opening de boekerij uit ongeveer 5.000 delen bestond. Door schenkingen van kleine, soms van ook grootere collecties en door geregelde aankoopen breidde de Bibliotheek zich gestadig uit.
Voor de Leeszaal stonden de directies der plaatselijke dagbladen en van de “Locomotief” gratis abonnementen af. Verder abonneerde de Vereeniging zich op eenige belangrijke periodieken en geïllustreerde tijdschriften, terwijl andere week- en maandbladen gratis werden toegezonden. [...]
Nadat het bestuur van de Vereeniging tevergeefs op zoek was geweest naar geschikte lokaliteiten, besloot het in 1928 op Ketabang een terrein te koopen aan den Ondomohenweg, gelegen schuin tegenover het Raadhuis. Leeszaal en Bibliotheek zouden een eigen “home” krijgen.
De financieele positie der Vereeniging stond echter niet toe den bouw geheel uit eigen middelen te bekostigen. Men moest trachten om een hypotheek te vestigen. Dit lukte, doch de eisch werd gesteld, dat het gebouw ook voor andere doeleinden zou zijn te bezigen. Hierdoor werd de architect in zijn plannen beperkt.
Niettegenstaande deze belemmering verrees een gebouw, dat aan redelijke eischen voldeed. Het bevat twee groote zalen. Een daarvan werd door een houten afscheiding verdeeld in een wachtlokaal en in een ruimte voor de uitleening, de administratie en de boekbinderij. De andere zaal werd ingericht als leeszaal, welke plaats bood voor een 30 tot 40-tal bezoekers. Achter deze zaal ligt een zeer ruime opslagplaats voor de boeken.
Nadat het eigen gebouw in September 1929 was betrokken, moest de Vereeniging zich wederom gedeeltelijk een nieuwe ledenkring scheppen, omdat een aantal leden den afstand van hun woning naar de bibliotheek te groot vond. Langzamerhand werden echter weer nieuwe leden geworven. Oud-leden, die waarschijnlijk hun lectuur misten, werden wederom lid. Het aantal uitgeleende boeken steeg, na een kortstondige daling, voortdurend; het bereikte in 1931 zelfs het recordcijfer van 77.651 deelen. [...]
In September 1931 werd een afzonderlijke kinderbibliotheek gesticht, waarvoor de contributie f 0,35 per maand bedraagt, recht gevend op twee kinderboeken per week (in de vacantie vier). Ook deze stichting had succes en toonde levensvatbaarheid te bezitten. Het blijft echter een moeilijkheid om voor voldoende geregelde aanvulling te zorgen.
De groote aanwas van boekwerken der hoofdbibliotheek maakte het uitgeven van nieuwe catalogi noodzakelijk. Bij de samenstelling daarvan werd van het beginsel uitgegaan de naam- en titellijsten in afdeelingen uit te geven, zoodat de leden niet steeds een completen catalogus zouden behoeven aan te schaffen.
Opgezet op wetenschappelijke basis volgens Dewey’s decimaal-systeem, waardoor men een beter overzicht kreeg, verschenen reeds de catalogi voor de afdeelingen “Letterkunde” (met supplement), “Geschiedenis, Land- en Volkenkunde” en “Sociologie”; die voor andere afdeelingen zijn nog in bewerking. [...]
Er werden uitgeleend in:

Jaar Wetenschappelijke
werken
Bellettristische
werken
Totaal Jaar Wetenschappelijke
werken
Bellettristische
werken
Totaal
1922     31.978 1927 5.926 34.453 40.379
1923     28.009 1928 6.496 48.836 55.305
1924 624 24.865 25.489 1929 5.477 45.779 51.256
1925 1.303 25.565 26.868 1930 5.527 56.147 61.674
1926 4.616 29.239 33.855 1931 7.665 69.986 *) 77.651

*) Inclusief de uitgeleende kinderboeken in de vier maanden van het bestaan der Kinderbibliotheek (3.792 dln.).

Dat ook de Leeszaal de belangstelling van het publiek heeft getrokken, moge uit de navolgende cijfers blijken:

Jaar Aantal bezoekers Jaar Aantal bezoekers
1922 4.891 1927 13.525
1923 6.603 1928 14.595
1924 7.154 1929 12.435
1925 7.867 1930 11.195
1926 9.468 1931 15.470

 

Nieuw Soerabaia, 354, 355

[Surabaya 2 – Meisjes-weeshuis] 

In de periode na 1900 hebben de predikanten ook hier ter steede zich meer en meer moeten terugtrekken van allerlei maatschappelijk werk om zich te bepalen tot geestelijken arbeid. [...]
Ook de kerkeraad heeft gevoeld, dat specialisatie noodzakelijk was, want het Protestantsche Meisjesweeshuis (opgericht 1835) was in den beginne geheel onder zijn beheer, maar de beslommeringen daaraan verbonden werden dusdanig omvangrijk, dat de kerkeraad in 1866 een geheel eigen, zelfstandig bestuur instelde.
Zoo werd hijzelf ontheven van de zorg voor die onnoemelijk vele kleinigheden, welke bij zulk een inrichting zich voordoen. Doordat de benoeming der bestuursleden bij den kerkeraad bleef berusten, alsmede de supervisie over de financiën, is er een nauwe band blijven bestaan tussschen Protestantsche Kerk en Meisjesweeshuis.

Nieuw Soerabaia, 357-358

[Surabaya 2 – Boeboetan Kerk] 

De oude stadskerk op den hoek van de Heerenstraat en het Willemsplein (waar nu het gebouw van de Internatio prijkt) en ook de pastorie, welke daarnaast heeft gestaan, werden bouwvallig. [...] Toen onderhandsche aanbiedingen kwamen om die terreinen te koopen, heeft de kerkeraad in menige vergadering beraadslaagd. Noode kon men scheiden van de plek waar velen van ouder op kind in tijden van vreugde en van leed als gemeente Gods aangezicht hadden gezocht. De hoop echter, om van de opbrengst twee kerken te kunnen bouwen, één in de bovenstad en één meer in het centrum, benevens de overweging dat deze oude kerk door het verloop van de bevolking in de richting van de bovenstad hoe langer hoe meer buiten het centrum zou komen te staan, deed in 1917 de kerkeraad besluiten tot verkoop.
Voor de centrale nieuwe kerk werd grond gezocht op Goebeng, Genteng, Ketabang en elders. Vrij onverwachts werd de hand gelegd op een terrein aan Boeboetan. 29 Juni 1920 kon de eerste steen gelegd worden, waarbij Ds. J.M. Coops het woord voerde. 24 December 1922 had de inwijding plaats. De moeilijkheden bij den bouw en daarna zijn vele geweest. [...]
Van de oude stadskerk was weinig meer de moeite van het meenemen waard. Het wapenbord en de grafzerk van den stichter vonden piëteitshalve natuurlijk een plaats in het nieuwe gebouw.

Nieuw Soerabaia, 385-386

[Surabaya – Viaduct] 

Film werd hier het eerst ingevoerd door een Britsch-Indiër, een zekeren Joessoef, die in 1905 en ’06 met een zeildoeksche tent, een simpel projectie-apparaat en een serie korte “trilbeelden” van plaats tot plaats door den Indischen archipel trok. Veel is er van den man niet te vertellen. Zijn “gambar idoep” (levende beelden = bioscoop), welke gevestigd was onder een grooten djoewetboom op het terrein langs de tegenwoordige “hooge baan” [spoordijk], ten Noorden van het gebouw van den Raad van Justitie, wekte iederen avond de groote belangstelling van de ingezeten, vooral van de Inheemschen. De oud-Soerabaiaan C.J. Umbgrove wist me te vertellen, dat de Britsch-Indiër de eerste, misschien ook wel de eenige opnamen van den Japansch-Russischen oorlog vertoonde.
Na hem kwam Salzwedel, die met Etty samendeed en op de zelfde plaats in een bamboeloods zijn rolprenten afdraaide. Lang heeft dit niet geduurd. Het compagnonschap werd ontbonden. Salzwedel vertrok naar Semarang en werd opgevolgd, eerst door Johannes, later door Vardon.

Nieuw Soerabaia, 386

[Surabaya 2 – Bierhal] 
[Surabaya 2 – Bültzinglöwenplein] 

Onderwijl was Umbgrove in een zinken loods – er zat climax in deze wijze van behuizing der filmondernemingen – de Oost-Java Bioscoop begonnen. Die loods, waarnaast na eenigen tijd de Sirene-Bioscoop verrees, stond op een terrein, gelegen tegenover het gebouw van den Raad van Justitie, waar nu het Gouverneurskantoor ligt. Daar werden de eerste Asta Nielsen-films vertoond, die het publiek prachtig vond.
Umbgrove maakte zulke goede zaken, dat hij besloot, mede in verband met de ondervonden moeilijkheden bij den inhuur van den gouvernementsgrond, om een permanent theater te stichten. Hij koos daartoe de Bierhal van Oei Moo Liem uit, gelegen aan het Bultzinglöwenplein. In 1913 werd in het geheel gerestaureerde gebouw de Oost-Java Bioscoop gevestigd.
Het theater, dat groot, ruim en luchtig was en een goed gebouwd tooneel bezat, viel bij het publiek bijzonder in den smaak. Hoe groot het wel was, kan men opmaken uit het feit, dat er 1001 zitplaatsen in waren. Behalve de filmvertooningen werden er o.m. ook variété- en operetteopvoeringen gegeven. Het Duitsch-Indische Operettegezelschap, dat in 1914 voor de Koloniale Tentoonstelling te Semarang uitgekomen en hier was blijven hangen, vierde er triomfen. [...]
In 1918 trof den eigenaar een groote ramp. Het geheele gebouw brandde uit. Meer dan 100.000 meters film gingen verloren. Dat was het einde van de Oost-Java Bioscoop, doch spoedig verrezen weer nieuwe theaters.

Nieuw Soerabaia, 388

[Surabaya 2 – Maxim] 

Een ander soort vermaaksgelegenheid, die men hier in de vorige eeuw niet kende, is de dancing. Gedanst werd er ook vroeger veel, maar slechts in den intiemen kring van het huisgezin of in de sociëteiten. De eerste werkelijke dancing werd hier pas medio 1923 geopend. De promotors van de “Cercle Artistique” – zoo heette die dancing – waren de veelzijdige Dick van Driest en mevr. J le Rutte.
Na dien heeft Soerabaia nog vele andere dancings zien verschijnen en verdwijnen. De voornaamste zijn wel geweest: “Hollywood”, “Gaieté”, “Cercle Intime”, “Chanteclair Club” en niet te vergeten het cabaret “Moulin Rouge” annex dancing “Florida”, waar “Rooie Sien” met krachtige hand regeerde en men zijn geld en huwelijksgeluk vlot kon verliezen. Sommige van die inrichtingen beconcurreerden elkaar fel, vinnig, lang niet altijd op eerlijke wijze. Kapitalen werden verspild, die voor nuttiger doeleinden besteed hadden kunnen worden. Tegenwoordig is de “Cercle Hellendoorn”, die een tweetal dancings exploiteert, oppermachtig.

Nieuw Soerabaia, 388-389

[Surabaya 2 – Indische Courant] 

“Der Dritte im Bunde” is de radio. Zij bezit een interessante voorgeschiedenis, die omstreeks 1921 aanvangt. In dien tijd was de liefhebberij in Indië voor de radio te Soerabaia het sterkst ontwikkeld. Voorlichting op het gebied der radio bestond er nagenoeg niet, zoodat het begrijpelijk is, dat de amateurs er behoefte aan hadden om hun ervaringen en gedachten uit te wisselen. Dit kon het beste geschieden in vereenigingsverband en zoo ontstond de Ned.-Indische Vereeniging voor Radiotelegrafie (N.I.V.v.R.). De moeilijkheden, welke de amateurs hadden te overwinnen waren legio. Slechts zij die over een groote dosis energie beschikten en volharding aan handigheid paarden konden in hun liefhebberij geheel opgaan. Onderdeelen kon men nog niet koopen, zoodat men afstemcondensatoren, transformatoren e.d. zelf moest maken. De eerste lampen welke de amateurs in handen kregen, waren afkomstig van radio-installaties van schepen en van de Marine. Later werden zij door Radio-Holland bij Akiz verkrijgbaar gesteld. In 1922 ontstond hier de eerste radiozaak in Indië, nl. De N.V. Electrotechnisch Verkoopkantoor (Elveka). Het werd toen voor de zend-amateurs reeds heel wat gemakkelijker om hun eigen toestellen te bouwen.
Behalve op technische stuitte men spoedig ook op juridische moeilijkheden. Er bestond nl. een luisterverbod, waarbij het verboden was, een radio-ontvangtoestel te bezitten. In het eerste nummer van het op 15 November 1923 verschenen maandblaadje “Onze Antenne” der N.I.V.v.R. werd dit verbod becritiseerd. In samenwerking met de Soerabaiasche dagbladpers en de Handelsvereeniging werd al het mogelijke in het werk gesteld om het opgeheven te krijgen. Voor dit doel werd zelfs een deputatie naar den Gouverneur-Generaal gezonden.
Het resultaat der actie was dat er een testcase werd ingesteld. H.J. de Ruyter, mededirecteur van de N.V. “De Indische Courant”, werd op Donderdag 23 September 1923 voor den Raad van Justitie gedagvaard. Hem werd ten laste gelegd: “het aanleggen van een telegraaf of telefoon, waarbij de toestellen op de eindpunten niet onderling door draden of geleidingen zijn verbonden”. “De Indische Courant” ving namelijk in die dagen (buiten “Aneta” om) de door het station Nauen uitgezonden persberichten op en publiceerde ze. Het dagblad werd tot een boetebetaling van f 100.- veroordeeld, terwijl het in beslag genomen toestel werd vrijgegeven.
In hoger beroep werd de boete teruggebracht op f 25.- en bepaald, dat zij was opgelegd wijl er door den P.T.T.-dienst geen vergunning was verleend. Een nieuwe actie werd ingezet om die vergunning te verkrijgen.. De eerste werd officieel in 1925 verstrekt tegen een retributie van f 8.- ’s jaars.
Onderwijl had de N.I.V.v..R. een propagandacampagne ingezet. Op het jaarmarktterrein werd in 1923 met toestemming van den Gouverneur-Generaal een zend- en ontvangstation opgesteld. In het volgend jaar werd het eerste telefoniezendertje gebouwd en in 1925 voor de eerste maal eenigszins genietbare muziek uitgezonden.

Nieuw Soerabaia, 392-393

[Surabaya 2 – Museum] 

Een naslagwerk blijft echter een naslagwerk en daarom, althans door ”de groote massa”, veelal ongelezen. Tijdens de samenstelling van “Nieuw Soerabaia” werd begin 1933 een organisatie in het leven geroepen (nl. Het Stedelijk Historisch Museum, afgekort: Stehimu), welke zich tot taak stelt om op een algemeen begrijpelijke wijze te bevorderen “de kennis omtrent de geschiedenis van de stad Soerabaia in den ruimsten zin des woords”, of korter en populairder gezegd om een plaatselijk bewustzijn aan te kweken. In 1934 werd het Provinciaal Museum Oost-Java (Promu) opgericht, dat, voortbouwende op de basis van het Stehimu, een veel grooter gebiedsdeel omvat. Beide museumvereenigingen zullen worden samengesmolten. (En dan misschien een anderen naam krijgen, aangezien het woord “Museum” bij velen verkeerde gedachten-associaties wekt.)
Een van de middelen, welke de Vereenigingen ten dienste staan is het Museum, het blijvende, toonbare gedeelte, waaraan de instellingen haar namen ontlenen.
Op het groote belang van een goed ontwikkeld museumwezen behoef ik hier niet nader te wijzen. Dit is bekend. Men kan er zijn geschiedenis, zijn zeden en gewoonten en tradities mee vastleggen. Verder kan een modern-ingericht en efficiënt-beheerd museum – mits men het als middel niet als doel beschouwd – een belangrijk en waardevol hulpmiddel zijn o.a. voor het Onderwijs, voor het stimuleeren van het binnenlandsch en buitenlandsch toerisme en voor de bevordering van Inheemsche kunstnijverheid. [...]
Op deze grondslagen zijn het Stehimu en het Promu opgericht. Voor het Stehimu diende de collectie foto’s, kaarten, teekeningen en enkele voorwerpen, welke voor “O.S.” [Oud Surabaia] en “N.S.” [Nieuw Soerabaia] werden bijeengebracht, als kernverzameling. De verzameling is inmiddels sterk uitgegroeid en ondergebracht in twee ruime lokaliteiten van het voormalige “Concordia”-gebouw op Tegalsari. Plannen bestaan om op een door het Gouvernement aan de vereenigingen in bruikleen afgestaan terrein op Simpang, gelegen naast de Gouverneurswoning, een permanent museum op te trekken.