Derde serie, 1ste Jaargang, Eerste deel, Joh. Noman en Zoon, Zaltbommel 1867

Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, I, 127-128

[Semarang 2 – Politiewezen] 

[1867] Te Semarng wordt veel gestolen, misschien niet meer dan overal elders, maar de bestolenen trekken zich daar de zaken aan en hebben het goede denkbeeld om zoo mogelijk de dieverijen te weren door wacht te houden over hunne bezittingen. De organisatie der Semarangsche politie is slecht, of wel hare uitvoering deugt niet; althans het stelen, inbreken enz. neemt toe. Klachten en aangiften blijven zonder gevolg, de daders worden niet ontdekt, en het gaat te Semarang als in den Haag: een dief die niet gevat wordt, zet zijn bedrijf met toenemende stoutheid voort. De Hollanders op Java hebben dit boven hunne t’huis gebleven landgenoten vóór, dat een voor het algemeen belang goed en nuttig denkbeeld spoedig in praktijk gebracht wordt. De zaak is noodig; het kost moeite, geld, verantwoordelijkheid om haar tot stand te brengen; welaan hier zijn wij en hier is ons geld! Zoo deden eenige bestolen kooplieden te Semarang. Toen zij de overtuiging hadden dat al hun aangeven en klagen niet baatte, besloten zij de ambtenaren voor de politie niet meer lastig te vallen en zelven voor de bewaking hunner panden en goederen te zorgen. Zij stelden wakers aan en plaatsten lantaarns. Aan den Resident gaven zij kennis van hetgeen zij als veilgheids-comité wilden verrichten. Deze kennisgeving geschiedde bij zeer beleefden brief, waarin zij den Resident verzochten, van zijne warme belangstelling in alles wat de goede orde en veiligheid van Semarang betreft, ook te doen blijken door den onderteekenaren dag en uur te willen opgeven waarop hij hun een persoonlijk onderhoud kon gunnen.
Dat de handelingen van het veiligheids-comité niet in des Residents smaak vielen, zijn de heeren spoedig gewaar geworden. Hunne nachtwakers werden als landloopers opgepakt en gevangen gezet. Of de op hun last en hunne kosten ontstoken lantaarns werden uitgedoofd en weggerukt, wordt niet vermeld; doch het is waarschijnlijk: want de politie duldt geen licht dan haar eigen licht, dat gelijk staat met duisternis. Hiermede had men echter de heeren van het veiligheids-comité niet persoonlijk getroffen, en politie-ambtenaren, zooals Samarang die bezit, hebben te veel eerbied voor het prestige van de hooge Regeering die zij vertegenwoordigen, dan dat zij het door kooplui ongestraft zouden laten aanranden. De Resident schijnt het moeilijk gevonden te hebben de heeren van het veiligheids-comité om de zaak zelve te straffen: dit is wel beproefd, maar niet gelukt; doch het: ’geef mij een regel schrift en ik laat u hangen’, werd nu gewijzigd in toepassing gebracht. De brief der heeren van het comité, die natuurlijk niet op zegel was geschreven, werd door den Resident bestempeld met den titel van verzoekschrift; de griffier van den landraad, die het openbaar ministerie bij het residentsgerecht waarneemt, stelt tegen de briefschrijvers de beschuldiging in, dat zij de zegelwet hebben overtreden door hun brief niet op een zegel van een halven gulden te schrijven, zooals voor verzoekschriften bepaald is, en de Resident, ‘rechtdoende!’ veroordeelt bij verstek ieder der drie onderteekenaren van den brief tot eene boete van f 100 of vier dagen gevangenis en de kosten.
Het geschiedenisje is hiermede uit. Het komt u, Hollander, als eerlijk man ongeloofelijk voor, niet waar? Gij verwondert u dat een hoofd van gewestelijk bestuur zijne macht zoodanig misbruikt en de laagheid begaat om wraak te oefenen op zoo kleingeestige wijze over de kwetsing die zijne ijdelheid moest ondergaan, toen hij niet straffen kon daar waar hij met straf gedreigd had. Vergeet niet dat hier de groote heer Resident met Europeanen, chefs van eerste kantoren, te doen had, en bedenk dan eens wat hij zich tegenover Javanen wel zal veroorloven.