Samengesteld door Dr. N.J. Krom, Hoofd van den Oudheidkundigen Dienst, derde herziene druk, Weltevreden 1921.

Korte Gids, 5-7

[Borobudur 0 – Pasanggrahan] 

De Borobudur is een Buddhistisch heiligdom. Het is dat niet in den zin van een tempel of kerk, waar men kan binnentreden om het heilige te vereeren, want het zal daadelijk opvallen, dat dit bij den Borobudur onmogelijk is: het is een van buiten aan alle zijden bekleede heuvel, waar men langs en op klimmen kan, maar waar men niet binnenin kan komen.
Stûpa-vorm. Deze eigenaardige bouw vindt zijn oorsprong in het doel, waarmede dergelijke monumenten werden opgericht. Evenals het Buddhisme zelf zijn ook de bouwvormen, daarvoor gebezigd, niet oorspronkelijk Javaansch, doch vanuit Voor-Indië door Hindu kolonisten ingevoerd. In Voor-Indië nu treft men dezen bouw, dien met stûpa noemt, veelvuldig aan. Zijn vereenvoudigste vorm is een halve bol, al dan niet staande op een vierkant onderstuk en gedekt door een zonnescherm. In den loop der tijden heeft die vorm allerlei wijzigingen ondergaan, de halve bol is uitgerekt of afgeplat, het zonnescherm verveelvuldigd, het voetstuk vervangen door een reeks van terrassen, dikwijls een grooter plaats innemend dan de halve bol, die toch het voornaamste onderdeel van den bouw is. Het doel van zulk een stûpa is tweeledig: het kan een grafmonument zijn, dat een deel van het stoffelijk overschot van Buddha of een van de heiligen zijner kerk, dan wel een andersoortige reliek, bedekt, óf het is opgericht, zonder iets in zich te bevatten, op de plaats, waar een of andere merkwaardige handeling in het leven van Buddha of een zijner eerste volgelingen heeft plaats gegrepen. Het is dus in elk geval een gedenkteeken en dit verklaart, waarom het zulk een geheel anderen vorm dan de gewone tempels heeft. Ten slotte is men er een symbool van het Buddhisme in het algemeen in gaan zien [...].
Op Java is de Borobudur de eenige bekende stûpa; op Sumatra zijn sporen van nog enkele gevonden, waarvan er één (te Moeara Takoes in de Padangsche Bovenlanden) nog bestaat. Deze laatste is van het model, waarbij de halve bol als het ware naar boven uitgerekt is.
Geheel anders is het bij den Borobudiur. Den breeden rand, die den voet van het monument omsluit, buiten rekening gelaten, ziet men een opeenvolging van vier veelhoekige gaanderijen, door balustrades gescheiden, en daarboven drie ronde terrassen met koepels versierd, terwijl zich uit het midden daarvan een klokvormige stûpa verheft. Men kan dus geneigd zijn dien stûpa voor het essentieele van het monument en al het overige voor een zeer uitgewerkt voetstuk te houden. Wanneer men nu echter van eenigen afstand, bijvoorbeeld van de pasanggrahan, de silhouet van het geheel tegen de avondlucht ziet uitkomen, dan bemerkt men dat de lijn, die den omtrek van de geheele massa aangeeft, een cirkelvormige is. Het heele complex van galerijen en terrassen is dan als het ware een ingedrukte bol, of liever een bolsegment, waarvan de klok op den top slechts de bekroning is. Beide opvattingen hebben recht van bestaan en behoeven elkaar niet uit te sluiten; klaarblijkelijk heeft de ontwerper, aanknoopend bij de oude traditie, een nieuwen vorm voor de stûpa-idee in het leven geroepen.

Korte Gids, 7

[Borobudur 0 – Voet] 

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet doorsnede Borobudur

Voet. De breede band om den voet, gelijk gezegd, moet daarbij buiten beschouwing blijven. Deze behoort namelijk oorspronkelijk niet tot het monument en daarmede vanzelf het buitenste terras, dat men bereikt na den eerste trap te zijn opgegaan, ook niet. Men denke zich deze geheele breede aanstapeling weg en in plaats daarvan de profiellijn onder de balustrade, die de eerste gaanderij omsluit, doorloopend naar beneden en slechts weinig meer naar buiten springend. Zoo was de oude toestand, waarbij dan, geheel beneden, nog een reeks reliëfs rondom dien oorspronkelijken voet was aangebracht. Die reliëfs zijn gebleken niet te zijn afgewerkt, waaruit volgt, dat men nog vóór het monument voltooid was, bemerkt heeft een voorziening aan den voet te moeten treffen, waarschijnlijk uit vrees voor verzakking, en toen het oorspronkelijke plan in den steek gelaten en door die aanstapeling meerdere stevigheid aan het geheel gegeven heeft.

[namo buddhaya, 20]

Korte Gids, 7-8

[Borobudur 0 – Daarna] 

Gaanderijen. Daarna krijgt men, achtereenvolgens boven en achter elkander gelegen, vier gaanderijen, weliswaar veelhoekig, maar toch zoo, dat, als men het plan beschouwt, de ronde vorm van den geheelen opzet bewaard blijft. Aan den buitenkant zijn die gaanderijen telkens afgesloten door balustrades en zoowel de binnenwanden dier gaanderijen als de balustrades zijn met basreliëfs versierd. Erbovenop verheffen zich telkens reeksen van nissen, ombouwd als waren het miniatuur-tempeltjes en bevattend een Buddha-beeld. In het midden van elk der vier zijden zijn de gaanderijen onderbroken om de trappen, welke daar aangebracht zijn, door te laten. Aan weerszijden daarvan waren zittende leeuwen opgesteld. Waar de trap de gaanderij passeert, gaat men door onder een poort. Op gezette afstanden ziet men uit de lijsten, die de reliëfreeksen der galerijen bekronen, spuiers naar voren steken, beneden in den vorm van koppen van vischolifanten (makara’s), boven als monsterkoppen.

Korte Gids, 8

[Borobudur 1 – 14] 
[Borobudur 5 – Poort] 

Versiering. Wat bijzonder opvalt, is de rijke versiering van dit deel van het heiligdom. Men lette op de bloem- en guirlande banden, in kwistigen overvloed boven en langs de reliëfs aangebracht, de arabesk- en spiraalmotieven, die deze op verschillende plaatsen afsluiten, de gestyleerde boomen en vazen, die op de hoogere gaanderijen de reliëfs der balustrades onderbreken, het fraaie ornament der nissen met hun monsterkoppen van boven en makara’s aan weerszijden. Bovenal beschouwe men ook de poorten, voorzoover die nog aanwezig zijn, met hun rijke bekroning, in het bijzonder die der vierde gaanderij met den boven den ingang zwevende hemelingen.

Korte Gids, 9

[Borobudur 5 – Poort] 

Terrassen. Een groote tegenstelling met de overvloedig versierde gaanderijen vormt dan de strenge eenvoud der drie ronde terrassen, welke niets bevatten dan rondom een kring van klokvormige stûpa’s, doorzichtig en elk een Buddha beeld inhoudend. Het contrast is te groot, dan dat het niet opzettelijk zou zijn.
Hoofd-stûpa. In het midden staat dan de hoofd-stûpa, van veel groter afmeting dan de overige, en geheel ondoorzichtig. Van binnen is hij hol. Er is een onafgewerkt Buddha-beeld uit tevoorschijn gekomen, waarover zoo straks. Op den stûpa en daarmede op het geheele monument, verhief zich vervolgens een achtkantige spits, bekroond door drie (steenen) zonneschermen en een achtkantig juweel-ornament.

Korte Gids, 9-10

[Borobudur 0 – Pasanggrahan] 

Omgeving. Wat eindelijk de onmiddellijke omgeving van het heiligdom aangaat, men kan aannemen, dat zich in de nabijheid (wellicht op de plaats van de pasanggrahan) het klooster bevond, dat tot woonplaats strekte voor de bij elken stûpa behoorende monniken. In de rondte om het bouwwerk heen zullen verder wel, evenals in Voor-Indië, kleine stûpa’s of andere monumentjes gestaan hebben, die de asch bedekten van geestelijken of leeken, welke een laatste rustplaats op dien gewijden grond gewenscht hadden.

Korte Gids, 10

[Mendut – Mogelijk] 
[Borobudur 0 – Voorkant] 

Hoofd-ingang. Totnutoe is van een voor- of hoofdzijde van het monument geen sprake geweest en dit vindt zijn oorzaak hierin, dat alle zijden op volkomen dezelfde wijze behandeld zijn en men noch in de afmetingen noch in de ornamenten van poorten en ingangen eenig onderscheid kan ontdekken. Het is alleen op grond van het feit, dat de door de reliëfs voorgestelde verhalen, voorzoover bekend, alle beginnen bij de poort aan de Oost-zijde, dat men de gevolgtrekking gemaakt heeft, dat die ingang, dat is dus de van de pasanggrahan afgewende en naar het dorp gekeerde, de hoofdingang was. Het is mogelijk, dat vroeger aan deze kant door den aanleg van het tempelplein duidelijk bleek, dat zich hier de toegang bevond; men treft ook aan deze Oost zijde op 1150 M. afstand het voortempeltje van Borobudur, de Tjandi Pawon aan, terwijl hoogstwaarschijnlijk een verbindingsweg naar den Mendut leidde.

Korte Gids, 10-12

[Borobudur 0 – Buddhafiguren] 
[Borobudur 1 – Buddhisme] 
[Borobudur 3 – Verzameling] 

Het Buddhisme. Het buddhisme is een heilsleer in dien zin, dat het een middel aan de hand doet om aan den eeuwigen kringloop des bestaans te ontkomen. Iedere daad, goede of slechte, brengt een zeker quantum verdienste of zonde mede, waarvan men in een volgend leven de vruchten zal plukken. En daar nu het leven in ieder geval een last is, moet men trachten zoo min mogelijk “daden” te verrichten: zodoende zal, als er niets meer voor een volgend leven te verwerken overblijft, de individualiteit kunnen worden “uitgebluscht”.
Deze leer wordt telkens na onafzienbare tijden aan heelal door een Buddha verkondigd, het laatst door den ‘historischen” volgens de berichten in 483 v. Chr. overleden Buddha Ҫakyamuni. Alvorens de voortreffelijkheid van het Buddhaschap te bereiken moeten er natuurlijk tallooze levens voorafgegaan zijn, waarin die latere Buddha gelegenheid had door een menigte van zelfopofferende daden zich te vervolmaken: in die vroegere levens, alsmede in het historische leven vóór de bereiking van het Buddhaschap, noemt men hen Bodhisattwa. Eenerzijds weet men dus van allerlei vroegere vormen, waarin de historische Buddha als Bodhisattwa leefde, te vertellen, anderzijds bestaan er ook op het oogenblik in verschillenden vorm andere Bodhisattwa’s voor wie het is weggelegd na reeksen van jaren ook eenmaal zelf Buddha te worden.
Daaraan zijn in den loop der tijden allerlei bespiegelingen vastgeknoopt, waarvan voor de kennis van den Borobudur deze van belang is, dat men als den oorsprong van alle zijn een oer-Buddha (Adibuddha) aannam, een volkomen abstract wezen dat zich openbaart in vijf zoogenaamde Dhyani-Buddha’s of Meditatieve-Buddha’s, onder wie de vier windstreken en het zenith verbeeld zijn en aan wie de vijf zintuigen zijn toegewijd; volgens een bepaald stelsel stond aan hun hoofd een zesde Dhyani-Buddha als beheerscheer van den geest, waaraan de zintuigen onderworpen zijn. Deze meditatieve Buddha’s moeten dus wel onderscheiden worden van den historischen, hoewel ze uiterlijk precies op dezelfde wijze worden voorgesteld.

Korte Gids, 12-13

[Borobudur 0 – Buddhafiguren] 
[Borobudur 0 – Westen] 
[Borobudur 0 – Noorden] 
[Borobudur 0 – Oosten] 
[Borobudur 5 – 5de balustrade] 

De Buddha-beelden. Een Buddha wordt altijd en overal voorgesteld in een monniksgewaad, terwijl hij verder kenbaar is aan een uitwas op het hoofd en een knobbeltje op het voorhoofd.
In de nissen. De Buddha’s nu, die in de nissen om de vier gaanderijen en in de stûpa’s der terrassen zitten, zijn Dhyani-Buddha’s, onderscheiden door hun plaats en door hun handhoudingen. In de eerste vier rijen nissen treffen wij, ten getale van 92 aan elke zijde, aan:
Aan den Oostkant Akşobhya, met de rechterhand voor de knie naar beneden hangend, terwijl de rug naar buiten gekeerd is (houding van de aarde tot getuige nemen);
aan de Zuidkant Ratnasambhawa, met de rechterhand hetzelfde, doch met den rug naar binnen (houding van begiftiging);
aan den Westkant Amitabha, met de beide handen in den schoot (houding van overpeinzing); en
aan den Noordkant Amoghasiddha, met de rechterhand opgeheven, den rug naar achteren (houding van afwezigheid van vrees);
In de vijfde reeks komt naar alle kanten (64 maal in het geheel) eenzelfde Dhyani-Buddha voor en wel Wairocana, de beheerscher van het zenith, met de rechterhand opgeheven, doch zoo, dat de toppen van duim en wijsvinger elkander raken (houding van redeneering).

Korte Gids, 13-14

[Borobudur 5 – Zesde] 

Op de terrassen. Op de terrassen wordt de zesde en voornaamste Dhyani-Buddha aangetroffen, die den naam draagt van Wajrasattwa. In de 72 koepeltjes zit deze met de rechterhand boven de linker, beide voor de borst, in de houding van iemand, die een radje wil gaan ronddraaien. Dit is dan ook de “houding van het rad der wet” (dharmacakra mudra), d.w.z. de houding van het prediken der Leer, immers de leer verkondigen heet in de gewijde taal “het rad der wet draaien”.

Korte Gids, 14-15

[Borobudur 1 – Oostzijde] 

De reliëfs. Een verklaring van de reliëfs is uiterst moeielijk. In de eerste plaats hebben de beeldhouwers in wat zij voorstelden telkens alles weggelaten wat de wijding van den bezoeker verstoren kon en dus uit hun verhalen bijv. moordtooneelen geschrapt. In de tweede plaats maakten zij, hoe voortreffelijk ook in de uitvoering der reliëfs, geen gebruik van middelen om alle personen van elkaar te onderscheiden; zij hebben een vast type voor een koning, een monnik, een brahmaan, enz., maar als er nu in een verhaal twee koningen enz. voorkomen, weet men niet wie er op een bepaald reliëf is voorgesteld. Het gevolg daarvan is, dat een zekere verklaring alleen daar te geven is, waar een gelukkig toeval den tekst heeft doen terugvinden, die geheel of gedeeltelijk door de beeldhouwers gevolgd is. Voor de rest is men aangewezen op gissingen.
Bij de beschouwingen van de reliëfs wordt begonnen bij de poort aan de Oostzijde (de van de pasanggrahan afgekeerde); men loopt altijd zoo, dat men het monument eerbiedshalve de rechterzijde toekeert en slaat dus links af.

Korte Gids, 15

[Borobudur 0 – Voet] 

Voet. Op de bedolven voet is de Wet van het Karma in beeld gebracht, d.w.z. men ziet er hoe allerlei goede en slechte daden beloond of gestraft worden in volgende levens, hemels of hellen. Klaarblijkelijk heeft men met dezen Abhidharma-tekst den bezoeker tevens onder den indruk willen brengen van de ellende van ’s levens kringloop, waaruit hem de verlossing geboden zou worden. De daarboven staande reliëfs, welke men nu van nabij ziet, al men op de aanstapeling loopt, doch die volgens de oorspronkelijke bedoeling hoog boven de reliëfs van den voet geplaatst waren, dragen een overwegend versierend karakter.
Eerste gaanderij, hoofdmuur. De hoofdmuur der eerste gaanderij vertoont twee verhaalreeksen boven elkaar. De bovenste bevat het leven den historischen Buddha, van het oogenblik dat hij in den hemel tot zijn menschwording besluit, tot dat, waarop hij voor het eerst de Leer verkondigt. Deze levensgeschiedenis is in bijzonderheden te volgen, met behulp van den (Sanskriet) tekst Lalitawistara; [zie Omgang 1].

Korte Gids, 15-16

[Borobudur 4 – 194] 
[Borobudur 4 – 89] 
[Borobudur 4 – 80] 

Balustrade. De balustrade van de eerste gaanderij bevat eveneens twee reliëfreeksen. De serie vroegere levens van den Buddha wordt er op voortgezet. Voor de eerste 135 nummers van de bovenste reeks is een tekst gevolgd gelijkend op de (Sanskriet) Jatakamala, zoodat de beteekenis ook hiervan kan worden nagegaan, hetgeen in Omgang 4 aan de hand van den tekst geschied is.
Verderop ziet men even vóór de Westpoort het verhaal van een wildeman, die vrouw en kind van den Bodhisattwa verslindt, en even voorbij die poort dat van den Bodhisattwa als schildpad een menigte schipbreukelingen reddend; een reliëf, dat door de tegenwoordige bevolking ter verkrijging van kinderen vereerd wordt.
Op de onderste reeks treft men o.a. in den N.W. hoek een voorstelling van het dobbelspel, en iets verder een zeer oud type van gamelan-orkest

Korte Gids, 18-19

[Borobudur 0 – Inscriptie] 

Oprichting. Er zijn tot-nu-toe geen inscripties of andere oorkonden gevonden, welke van de stichting van den Borobudur melding maken. Alleen blijkt uit den bouw-vorm, de ornamentatie en het voorgestelde, dat dit heiligdom een product is van de Hindukunst, gelijk die vanuit Voor-Indië vóór of in de achtste eeuw op Java is ingevoerd.
Wat den tijd der stichting betreft, is een aanduiding te vinden in de korte inscripties, welke boven de reliëfs van den bedolven voet als aanwijzing voor de beeldhouwers zijn aangebracht. De schriftsoort daarvoor gebezigd, wettigt het vermoeden, dat deze inscripties ± 775 n. C. moeten zijn ingebeiteld en de bouw toentertijd dus begonnen was.

Korte Gids, 19-20

[Borobudur 0 – Boeddha] 
[Borobudur 1 – 25] 

Verval. Ongeveer in het jaar 915 heeft zich een ons onbekend feit voorgedaan, waardoor het vanaf dien tijd met de Hindurijken in Midden Java volkomen uit geweest is, terwijl daarentegen het centrum der beschaving naar Oost-Java verlegd werd. De tempels werden verlaten en vervielen. In dat verval heeft uit den aard der zaak ook de Borobudur gedeeld. Na de latere vestiging der Mohammedaansche rijken had men alle belangstelling in het monument verloren, hoewel het bestaan ervan bekend was.
Hernieuwde belangstelling. De aandacht werd het eerst weer op den Borobudur gevestigd tijdens het Engelsche tusschenbestuur, toen in 1814 de landvoogd Raffles er door Cornelius de eerste opname liet doen. Sinds dien tijd is de belangstelling levendig gebleven, hoewel het nog geruimen tijd duurde voor het monument ook maar behoorlijk schoongemaakt was. Allengs begonnen zich de sporen van verder verval te vertoonen, zonder dat de sinds 1880 vernomen klachten vooralsnog tot afdoende maatregelen aanleiding gaven.
Restauratie. Eerst in 1907 werd, tegelijk met een fotografische opname van alle reliëfs, door de regeering de opdracht gegeven de noodige voorzorgsmaatregelen te treffen, een opdracht, welke met groot succes door den genieofficier Van Erp werd uitgevoerd en in 1911 gereed kwam.

Korte Gids, 34-41

[Borobudur 2 – Teksten] 

(Oost-Poort.)
Geschiedenis van prins Sudhana
1.      In het rijk Noord-Pancala heerscht groote voorspoed,
2.      in Zuid-Pancala daarentegen ziet de koning op een rondreis overal ellende.
3.      Daar de voorspoed in het Noordelijk rijk te danken is aan den invloed van een daar wonenden naga, beveelt de koning van het Zuiden een brahmaan dien naga door tooverformulieren weg te lokken. De naga vraagt bescherming aan den jager Halaka (rechts), die hem ook redt, als de brahmaan met zijn formulieren begint.
4.      Tot loon wordt Halaka door de ouders van den naga geëerd en krijgt hij een nimmer falende lasso.
5.      Daarmede weet hij in het gebergte bij een ouden asceet zich meester te maken van de nymf Manohgara; haar gezellinnen vluchten.
6.      Halaka geeft de nymf aan Sudhana, den kroonprins van het Noorden, welke haar huwt.
7.      De koning, zijn vader, krijgt van den hofkapelaan den raad zijn zoon op een expeditie tegen opstandelingen te zenden.
8.      Vóór zijn vertrek draagt Sudhana de zorg voor zijn vrouw op aan zijn moeder.
9.      Op zijn krijgstocht krijgt hij hulp van een troep wildemannen.
10.    Inmiddels heeft de koning een boozen droom en volgens den kapelaan kan alleen het offeren van een nymf helpen.
11.    Daar Manohara’s leven nu gevaar loopt, ontvlucht zij met behulp harer schoonmoeder door de lucht.
12.    Eenigen tijd later komt Sudhana terug en biedt de schatting der onderworpen rebellen aan.
13.    Hij ontdekt, dat Manohara verdwenen is en overlegt met zijn moeder.
14.    Manohara is intusschen bij haar vader Druma teruggekeerd, wien zij haar avonturen vertelt.
15.    Sudhana gaat haar zoeken bij den asceet (5), waar zij een ring en een reisbeschrijving blijkt te hebben achtergelaten.

(Zuid-Oost-Hoek
16.    Bij Druma’s stad aangekomen ziet Sudhana de dienaressen water scheppen voor Manohara’s bad; hij werpt den ring in één der potten.
17.    Zoo bemerkt zij zijn aanwezigheid; doch Druma wil hem niet als schoonzoon erkennen, voor hij in een boogwedstrijd overwonnen heeft,
18.    en zijn echtgenoote uit een menigte meisjes van volkomen gelijk uiterlijk heeft weten te herkennen.
19.    Het paar geniet van spel en dans,
20.    en keert vervolgens naar Pancala terug, waar grooten giften worden uitgedeeld.

(Zuid-Poort)
Geschiedenis van Mandhatar.
31, 32. Koning Uposadha geeft rijkelijk aalmoezen om een zoon te krijgen.
33.    Eens, als hij een reis ondernomen heeft tot bescherming eener kluizenarij,
34.    drinkt hij bij ongeluk wijwater, dat voor een zwangerschapsoffer bestemd was.
35.    Zoodoende krijgt hij op ongebruikelijke wijze een zoon, Mandhatar,
36.    wiens toekomstige grootheid, door een brahmaan voorspeld wordt,
37.    welke dan ook rijkelijk wordt beloond.
38.    Na een bezoek van den godenkoning Ҫakra,
39.    wordt de prins gehuldigd als koning.
40.    De asceten in de buurt hebben uit woede over het geraas der reigers dezen de vleugels verlamd; de koning verzoekt hen zijn rijk te verlaten en zij vliegen weg.
41.    Mandahatar, in het bezit van wondermacht, doet rijst regenen,
42.    en daarna kleeren uit de lucht vallen,
43.    om ten slotte in zijn paleis een goudregen te veroorzaken.
44.    Hij vertrekt met de koninklijke kleinooden ter verovering der wereld. d.w.z. het puikjuweel van een koningin, olifant, paard, werprad en edelsteen (gewoonlijk ook nog generaal en minister, zoodat er dan zeven zijn; op Borobudur echter niet).
45.    Telkens moet men hem vertellen, wat er nog te veroveren overblijft.

(Zuid-West Hoek)
46.    Eindelijk is hij de gelijke van god Ҫakra geworden, die hem zijn halven troon afstaat.
47.    In een gevecht van de goden met de demonen overwinnen de eersten met hun aardschen bondgenoot.
48.    Als hij op de vraag, wie overwinnaar is, van zijn dienaren hoort, dat hij zelf dat eigenlijk alleen is, wordt hij zóó overmoedig,
49.    dat hij Ҫakra onttroonen wil, waarop deze zich van hem afwendt.
Geschiedenis van den Ҫibi-koning.
56.    De koning koopt van een valk een duif los tegen een gelijk gewicht aan vleesch van eigen lichaam.
57.    Hij wordt daarop gehuldigd.
Geschiedenis van den Heilbegerige.
58.    Een deugdzaam koning wenscht de Leer te hooren verkondigen.
59.    Ҫakra in de gedaante van een wildeman belooft hem dit te zullen doen, mits de koning vervolgens zich in een vuurhaard zal storten.
60.    Als de koning werkelijk deze voorwaarde vervult, verdwijnt de vuurhaard en betuigt Ҫakra in eigen gedaante zijn hulde.

(West-Poort).
Geschiedenis van Rudrayana.
64.    Koning Rudrayana van Boruka ondervraagt eenige uit Rajagrha gekomen kooplieden naar Bimbisara, den koning van die stad,
65.    aan wien hij, na zijn lof vernomen te hebben, een brief doet toekomen.
66.    De gezanten komen terug met kostelijke spijzen.
67.    Bimbisara ontvangt een hem door Rudrayana gezonden juwelenkistje
68.    en zendt een kist met kostbare stoffen terug.
69.    Daarna stuurt Rudrayana zijn beroemd harnas,
70.    en Bimbisara een rol met het portret van den Buddha.
71.    Randrayana vraagt bijzonderheden over den Buddha,
72.    en de monnik Mahakatyayana onderricht hem,
73.    terwijl een non vervolgens in het vrouwenverblijf preekt.
74.    Kort voor haar dood laat de koningin zich tot non wijden;
75.    herboren in den hemel bezoekt zij haar echtgenoot, en op haar raad

(Noord-West-Hoek).
76.    deelt Rudrayana zijn zoon Ҫikhandin mede, dat hij afstand doet van de regeering om monnik te worden.
77.    Rudrayana als monnik wijst de aanbiedingen van Bimbisara af.
78.    Hoorend dat zijn zoon slecht regeert besluit Rudrayana orde op zaken te gaan stellen (rechts), terwijl Ҫikhandin dit vernemende, plannen smeedt om zijn vader te vermoorden (links).
79.    Ҫikhandin hoort, dat zijn opdracht vervuld is (rechts) en gaat dan (links) gekweld van berouw over den moord van een vader en een heilige troost zoeken bij zijn moeder, die hem wijs maakt dat de vermoorde zijn vader niet was.
80.    Dat ook die heiligheid niets beteekende, wordt hem door booze ministers duidelijk gemaakt, die gedresseerde katten vanuit de stupa’s van twee overleden heiligen doen spreken.
81.    De koning beveelt nu [de monnik] Mahakatyayana onder de aarde te bedekken, doch deze verrijst weer en verkondigt den goede ministers Hiru en Bhiruka den aanstaanden ondergang der stad door een zandregen.
82.    Daaraan gaat een edelsteenenregen vooraf. De beide ministers schepen zich met hun schatten in.
83.    Als Roruka onder het zand bedolven is, vertrekt Mahakatyayana met een gezel en de stadsgodin, welke laatste in Khara achterblijft, waar tevens een stupa op de nap van den monnik wordt opgericht.
84.    In Lambaka biedt men zijn metgezel de koningswaardigheid aan.
85.    In Wokkana wordt een stupa opgericht op ’s monniks staf.
86.    Inmiddels sticht Hiru de stad Hiruka,
87.    keert Mahakatyayana in zijn woonplaats terug,
88.    en sticht Bhiruka de stad Bhirukaccha.
Geschiedenis van de kinnara’s (een wezen met vogellichaam en menschenhoofd).
89.    Op de jacht is de koning van Benares getuige van weenende liefkoozingen van een kinnarapaar.
90.    Bij navraag verneemt hij, dat ze nog altijd bedroefd zijn, omdat ze gedurende hun duizendjarig leven één nacht van elkaar gescheiden zijn geweest.

(Noord-Poort).
(Noord-Oost-Hoek).
Geschiedenis van Maitrakanyaka.
106.    Maitrakanyaka geeft zijn moeder alle verdienste, die hij in allerlei beroepen,
107.    en ten slotte als goudsmid maakt, achtereenvolgens 4, 8, 16 en 32-voudig (rechts); als zij hem echter wil beletten op reis te gaan, trapt hij haar (links).
108.    Op zijn reis lijdt hij schipbreuk en komt op een eiland met vier nymfen,
109.    dan op een met acht nymfen,
110.    vervolgens bij zestien,
111.    en eindelijk bij twee-en-dertig.
112.    Maar tenslotte bereikt hij de hel, waar zonen komen, die hun moeder trappen. Een man met een gloeiend rad op zijn hoofd nadert, wiens plaats hij in moet nemen. Als hij echter het voornemen opvat dat rad steeds te blijven dragen tot heil der menschheid, wordt hij weder verlost.

Korte Gids, 42-55

[Borobudur 3 – Verzameling] 

Vroegere levens van den Buddha volgens den tekst der Jatakamala.

(Oost-Poort)
I. De geschiedenis van de tijgerin.
1.      De Bodhisattwa wordt als kind in een brahmanenfamilie geboren; hij ondergaat de gebruikelijke ceremoniën,
2.      en ontvangt zorgvuldig onderricht.
3.      Als asceet met een leerling in de wildernis zijnde, biedt hij zijn eigen lichaam als voedsel aan voor een hongerige tijgerin, die haar jongen niet voeden kan (op het reliëf is de tijgerin weggeslagen, doch één der jongen nog zichtbaar).
4.      Zijn overblijfselen worden daarop vereerd.
II. De geschiedenis van den koning der Ҫibi’s.
5.      De Bodhisattwa, herboren als koning der Ҫibri’s,
6.      ontvangt allerlei smeekelingen en doet weldadigheid.
7.      Om hem op de proef te stellen vraagt de god Ҫakra, als bedelaar vermomd, hem om zijn oogen, welke hij krijgt.
8.      Als belooning ontvangt de koning later beide oogen weer terug.
9.      waarop hij door zijn hof wordt gelukgewenscht.
III. De geschiedenis van het hapje brei.
10.    De Bodhisattwa heeft in een vorig bestaan als huurling aan vier zwervende bedelmonniken een portie brei te geven.
11.    Desgelijks heeft eenmaal een slavin een restje eten aan een monnik geschonken.
12.    Tot loon daarvoor zijn ze nu herboren als koning en koningin.
13, 14. De koning preekt dan over het nut van aalmoezen geven.
IV. De geschiedenis van het gildehoofd.
15.    De Bodhisattwa, die gildehoofd is, verzoekt zijn vrouw eten te geven aan een bij den ingang staanden Pratyeka- buddha (iemand die voor zichzelf de Buddha-wijsheid verworven heeft, maar deze niet aan anderen kan verkondigen).
16.    Zij begeven zich met het eten daarheen,
17.    doch zien in de tusschenruimte de open hel, welke de Booze heeft doen verschijnen.
18.    Toch stapt hij voort, waarop de hel voor een lotus plaats maakt en de Pratyeka-buddha verheugd in de lucht verdwijnt, door hemelingen omringd.
V. De geschiedenis van Awisahya.
19.    De Bodhisattwa wordt geboren als gildehoofd Awisahya,
20.    welke zeer weldadig is
21.    en daarmede zelfs voortgaat, als hij, tot den bedelstaf gebracht, door gras snijden in zijn onderhoud moet voorzien.
22.    Ter belooning krijgt hij van Ҫakra al zijn vroegeren rijkdom terug.
VI. De geschiedenis van de haas.
23.    Ҫakra betreedt, als brahmaan vermomd, een woud,
24.    waar de Bodhisattwa als haas leeft met een otter, een jakhals en een aap, welke dieren Ҫakra om voedsel vraagt. De drie laatstgenoemden geven visschen, zure melk en manga’s.
25.    De haas heeft echter niets en offert, na een gesprek met Ҫakra, zich zelve op, door in het vuur te springen. (De zelfopoffering van de haas komt eenigszins gewijzigd nog tweemaal op het monument terug.)
VII. De geschiedenis van Agastya.
26.    Bodhisattwa, na een weldadig burger geweest te zijn, wordt asceet, als hoedanig hij den als brahmaan vermomden Ҫakra vijf dagen lang zijn eigen eten aanbiedt.
27, 28. Deze beloont dat door zijn gastheer overvloed van spijzen ter verdeeling te bezorgen, waarvan vele Pratyeka- buddha’s (op het reliëf slechts één) komen genieten.
29, 30. Zelf betoont de god eveneens zijn vereering.
VIII. De geschiedenis van Maitribala.
31, 32. Vijf wildemannen, die tevergeefs hun booze kunsten trachten uit te oefenen, hooren van een koeherder, dat dit komt door de verdienste van den koning Matribala.
33, 34 Zij vragen den koning als voedsel zijn eigen vleesch en bloed, hetgeen hij hun schenkt.
35.    Daarop komt Ҫakra zijn hulde betuigen.
IX. De geschiedenis van Wiçwantara.
36.    De Bodhisattwa als prins Wiçwantara is zeer weldadig;
37.    zelfs geeft hij zijn prachtigen olifant weg.
38.    Vervolgens gedwongen zich in een kluizenarij terug te trekken, schenkt hij ook zijn kinderen en zijn vrouw weg,
39.    doch door Ҫakra’s hulp komt alles weer in orde en wordt hij in triomf maar zijn land teruggebracht.
X. De geschiedenis van het offer.
40.    De Bodhisattwa, als koning, verneemt, dat nood het land teistert en dat volgens de brahmanen slechts een offer van levende wezens helpen kan.
41.    Hij besluit, dat alle schurken, die opgepakt zullen worden, voor dat offer bestemd zijn,
42.    en laat dat besluit overal proclameren.
43.    Uit vrees daarvoor zijn alle onderdanen even deugdzaam, zoodat het rijk bloeit en de koning zeer geprezen wordt.
XI. De geschiedenis van Ҫakra.
44, 46. Als Ҫakra, de godenkoning, herboren geniet de Bodhisattwa van muziek en dans.
47a.  Bij een strijd tegen de demonen beveelt hij zijn wagenmenner een boom te ontwijken, waarop jonge adelaars zitten, die nog niet vliegen kunnen, en deze onverwachte beweging doet de vijanden verschrikken, zoodat hij overwint.
(47b. Reliëf is afgebroken.)

(Zuid-Oost-Hoek).
XIII. De geschiedenis van Unmadayanti. (De twaalfde geschiedenis ontbreekt.)
48.    De Bodhisattwa als koning verneemt van een beeldschoon meisje, Unmadayanti, en beveelt twee brahmanen een onderzoek in te stellen.
49.    Deze, door het meisje bediend, komen zóó onder den indruk,
50.    dat zij, uit vrees dat de koning, als hij haar huwt, de staatszaken zal verwaarloozen, hem ongunstig bescheid geven.
51     Op een tocht door de stad ziet de koning de inmiddels met een ander gehuwde Unmadayanti op het dak van haar huis zitten en wordt dadelijk door haar bekoord.
52.    Dit bemerkend biedt haar man haar den koning aan, wat deze echter standvastig weigert.
XIV. De geschiedenis van Suparaga.
53.    Eenige kooplieden verzoeken den Bodisattwa, thans den ouden stuurman Suparaga, hen te vergezellen.
54.    Uit een storm op zee redt hij het schip en vervolgens raadt hij aan zand en steenen van de verre zeeën in te laden.
55.    Bij thuiskomst blijken het schatten geworden te zijn, waar allen hem voor danken.
XIV. De geschiedenis van de visch.
56, 57. De Bodhisattwa als hoofd van een school visschen weet, als in den drogen tijd de vijver uitdroogt, door zijn verdienste regen te veroorzaken, waarvoor Ҫakra hem komt prijzen.
XVI. De geschiedenis van het kwarteljong.
58.    De Bodhisattwa als kwarteljong stuit door zijn verdiensten een hevigen boschbrand.
XVII. De geschiedenis van den pot.
59.    De Bodisattwa, als Ҫakra herboren, begeeft zich in brahmanengestalte met een pot geestrijk vocht tot een koning, die evenals zijn volk aan den drank is.
60.    Hij brengt hem de nadeelen van geestrijke dranken onder het oog
61.    en geneest zoo allen van hun drankzucht.
XVIII. De geschiedenis van den kinderlooze.
62.    De Bodhisattwa, als kinderloos burger, verlaat vrouw en huis en wordt asceet.
63.    Hij legt zijn motieven uit aan een hem bezoekenden vriend zijns vaders.
64.    Ontbreekt.
XIX. De geschiedenis van de lotusstengels.
65, 66. De Bodhisattwa leeft met zijn broers en zusters als asceet.
67.    Dagelijks legt de meid voor elk hunner een portie lotusstengels in een blad neer.
68.    Vijf dagen lang neemt Ҫakra heimelijk de portie van den Bodhisattwa weg, welke niettemin standvastig blijft en daardoor Ҫakra’s lof inoogst.
XX. De geschiedenis van den schatmeester.
69.    De vrouw en de schoonmoeder van den Bodhisattwa in diens leven als schatmeester, hebben een gesprek, waaruit door misverstand het gerucht ontstaat, dat hij asceet is geworden.
70.    Juist uit het paleis komend, hoort deze dat gerucht en geëerd, doordat de menschen zulk een idee van hem hebben,
71.    vraagt en verkrijgt hij van den koning verlof het gerucht waar te maken.
XXI. De geschiedenis van Cuddabodhi.
(72. Twee vorsten met lotussen en gevolg, is uit den tekst niet te verklaren.)
73.    De koning bezoekt het woud waar de Bodhisattwa met zijn vrouw als asceten leven,
74.    Hij doet iets met een pijl, waarvoor de tekst geen verklaring geeft,
75.    en laat vervolgens de vrouw afvoeren naar zijn harem.
76.    De wijze woorden van den Bodhisattwa doen hem daar echter van afzien.
XXII. De geschiedenis van de zwanen.
77.    De Bodhisattwa is koning van een schaar zwanen.
78.    De koning van Benares geeft bevel te trachten deze te vangen.
79.    Als de Bodhisattwa in een strik zit, vliegen de andere zwanen op, doch één blijft bij hem als de jager nadert.
80.    Deze rapporteert het geval aan den koning, welke zich door den zwanenvorst laat onderrichten.
XXIII. De geschiedenis van Mahabodhi
81.    Een koning verneemt de nadering van Mahabodhi, een beroemd zwervend asceet.
82.    Deze, welke de Bodhisattwa is, namens den koning uitgenodigd,
83.    vestigt zich in diens park.
84.    Na tengevolge van lasterpraatjes veronachtzaamd te zijn, weet hij den koning
85.    door een gesprek naar aanleiding van de apenhuid waarop hij zit, weer op den goeden weg te brengen.
XXIV. De (eerste) geschiedenis van den grooten aap.
86.    De Bodhisattwa als een groote aap in het bosch,
87.    redt een man uit een afgrond, welke later in zijn ondankbaarheid hem dooden wil.
88.    Hoewel de Bodhisattwa hem vergeeft, wordt hij ziek van berouw; zoo treft hem de koning aan,
89.    wien hij zijn lotgeval verhaalt.
(Evengoed kan dit reliëf den koning van het volgend verhaal voorstellen, het plan makend op jacht te gaan.)
XXV. De geschiedenis van den çarabha (een hert met acht pooten, vier op den rug.)
90.    Een koning begeeft zich te paard op jacht en
91.    valt, een çarabha vervolgend, in een afgrond.
92.    De çarabha, welke de Bodhisattwa is, redt hem eruit
93.    en spreekt hem toepasselijk toe.

(Zuid-Poort)
XXVI. De geschiedenis van het hert.
94.    Als de koningin gedroomd heeft van een schitterend hert met menschelijke stem, laat de koning daarnaar navraag, waarop een man hem aanbiedt, dat hert aan te wijzen.
95, 96. Die man was namelijk eenmaal in het bosch door zoo’n hert uit het water gered.
97     Met zijn gids aangekomen hoort de koning van het hert, dat hij op het punt staat te schieten, de toedracht der zaak.
98.    Vervolgens predikt het hert aan het hof.
XXVII. De (tweede) geschiedenis van den grooten aap.
99, 100. Nadat ’s konings vrouwen bij het baden een met den stroom meegedreven heerlijke vrucht gevonden hebben en hij die gegeten heeft, besluit de koning de plaats waar zulke vruchten groeien te gaan opzoeken.
101.    Hij begeeft zich op weg en komt
102.    bij den vruchtboom, door apen bewoond, wier koning, de Bodhisattwa, zijn onderdanen doet ontsnappen door uit een boomtop een langen stok naar een nabijgelegen berg (hier boom) te spannen en daarmede en met zijn eigen lichaam een brug te vormen. Hij valt dan uitgeput op een op ’s konings bevel uitgespreide doek neer en sterft na eenige stichtelijke woorden.
XXVIII. De geschiedenis van Ksantiwadin.
108.    In het woud in slaap gevallen,
109.    mist de koning bij het ontwaken zijn vrouwen en gaat die zoeken.
105, 106. Zij hebben zich intusschen verder verwijderd en
107. bevinden zich onder het gehoor van den asceet Ksantiwadin, den Bodhisattwa, (die uit jaloersheid door den koning wordt gedood).
XXIX. De geschiedenis van den Brahmahemeling.
108.    De Bodhisattwa, als bewoner van Brahma’s hemel, daalt neder,
109, 110. begeeft zich tot een koning, die op den verkeerden weg is, en
111.    weet dien door zijn onderricht weder te bekeeren.
XXX. De geschiedenis van den olifant.
112.    De Bodhisattwa, als olifant in de eenzaamheid levend,
113.    treft een troep hongerige bannelingen aan, die hem volgen naar waar hij hun voedsel beloofd heeft.
114.    Hij verschaft hun dit door zichzelf op te offeren,
115.    en geniet na zijn dood dan ook vereering in een stupa.
XXXI. De geschiedenis van Sutasoma.
116.    De Bodhisattwa, als prins Sutasoma, ontvangt bezoek van een brahmaan,
117.    maar wordt dan juist door een wildeman meegepakt.
118.    Hij vraagt verlof om vóór zijn dood den brahmaan te mogen gaan beloonen,
119.    en als hij werkelijk terugkeert is de wildeman zóó geroerd, dat hij zich laat bekeeren.
XXXII. De geschiedenis van Ayogrha.
120.    De Bodhisattwa wordt als prins Ayogrha zeer zorgvuldig opgevoed;
121.    hij ondergaat de gewone ceremoniën,
122.    en groeit op tot jongeling.
123.    Op een feest rondrijdend komt hij onder den indruk van het ijdele dezer wereld,
124.    zoodat hij besluit de wereld te verlaten,
125.    waartoe hij, na vele tegenwerpingen van zijn omgeving, zijn vaders verlof krijgt.
126.    Hij begeeft zich dus op weg
127.    en wordt asceet.
XXXIII. De geschiedenis van den buffel.
128.    De Bodhisattwa is een buffel in het bosch,
129.    die zich om zelf verdienste te verwerven door een aap laat plagen.
130.    Op de vraag van een wildeman, legt hij dezen uit, waarom
131.    hij alles met zich doen laat,
132.    en wordt hooglijk door den wildeman vereerd.
XXXIV. De geschiedenis van den specht.
133.    De leeuw, zijn onderhoud vindend in het bosch,
134.    raakt door een bot in zijn kiezen buiten staat zich verder te voeden. Hij vindt hulp bij den Bodhisattwa, die een specht is, en
135.    het bot er uit haalt.