Door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Deel 11a.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 17-18

[Bandung 1A – Milestone] 

In de loop van die maandag trokken Japanse militairen Bandoeng binnen. In de noordelijke wijk vorderden zij talrijke huizen van Nederlanders – de bewoners moesten, met achterlating van al hun bezittingen, maar zien waar zij onderdak konden vinden. Over de Postweg die gouverneur-generaal Daendels in het begin van de negentiende eeuw bijna over de volle lengte van Java had laten aanleggen en die heel Bandoeng doorsneed, zag men nu vechtwagens rijden, bemand met Japanse militairen: ‘soldaten met stoppelbaarden’, aldus een Nederlander, ‘robuuste, aapachtige typen van Korea en Formosa’ (dat waren toen Japanse koloniën). ‘Het militaire tenue bestaat in hoofdzaak uit een broekje en een petje met een lap in de nek ... Hun standpunt tegenover kostbaarheden is raadselachtig: van de een worden portefeuille, geld, horloge en gouden ringen gestolen, een ander wordt geheel ongemoeid gelaten.’ Ook auto’s en fietsen werden geroofd – anderzijds werden hier en daar Japanse militairen van wie bleek dat zij winkels hadden geplunderd, ter plekke door hun officieren doodgeschoten.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 29-31

[Jakarta 2 – Handelsonderneming] 

De Compagnie was in oorsprong louter een handelsonderneming; ze had de vorm van een vennootschap met een federatief karakter: ze had zes kamers (die van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn, Delft, Rotterdam en Middelburg), elk met een eigen bestuur. Uit de bestuursleden, zestig in getal en allen leden van machtige regentenfamilies, werd het college gekozen, de Heren Zeventien, dat het algemeen bewind voerde: acht van die zeventien vertegenwoordigden de Amsterdamse Kamer die de veruit kapitaalkrachtigste was. De Compagnie was, zoals uit de door ons al vermelde volledige titel bleek, ‘geoctroyeerd’: zij had bij haar oprichting van de Staten-Generaal een (in de zeventiende en achttiende eeuw telkens hernieuwd) octrooi gekregen om als enige Nederlandse onderneming beoosten Kaap de Goede Hoop zaken te doen en ook daden van souvereiniteit te verrichten: met de wapens op te treden, gebieden te bezetten, recht te spreken.
Het bleef niet bij de verovering van de Molukken. Aan de bevolking daar en elders kon men lijnwaden uit Voor-Indië verkopen maar hun aanvoer werd bemoeilijkt doordat de Portugezen nog steeds Malakka in handen hadden; die havenplaats werd acht jaar lang geblokkeerd en in 1641 veroverd. In 1669 volgde de verovering van de kort tevoren Islamietisch geworden havenplaats Makassar op Celebes waarheen zich een groot deel van de Javase handelaren had verplaatst. Later in de zeventiende eeuw kreeg de Compagnie, uitgaand van Batavia waar zij in de omgeving, in de Ommelanden, gedurig meer land in bezit nam zowel voor de uitbreiding van de profijtelijke suikercultuur als om haar bestuurscentrum tegen aanvallen te beschermen, delen van West- en Midden-Java in handen. Veel van die gebiedsuitbreidingen vonden plaats in een gewapende strijd met de Islamietische staat Mataram die ten tijde van de komst van de Nederlanders op weg was, de plaats van het vroegere Hindoe-rijk Modjopahit in te nemen, en die de Islamietische havenstaatjes aan de noordkust alle had bedwongen, behalve Bantam. De onderlinge strijd tussen de inheemse machthebbers op Java en in het algemeen: die strijd en de jaloezieën tussen regionale heersers die men alom in de Indische archipel aantrof, trokken als het ware de Compagnie steeds dieper het binnenland in. Zij kon er zich handhaven, minder evenwel uit eigen kracht dan door de conflicten tussen de regionale heersers. ‘Het voornaamste geheim van de Europese machtsontwikkeling in Azië is’, aldus Burger, ‘de verdeeldheid in Azië geweest, meer dan de betrekkelijk kleine militaire macht die de Europeanen met enkele honderden houten schepen, enkele duizenden mannen en enige artillerie (van de andere kant van de wereld gekomen) in Azië konden ontwikkelen’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 96-97

[Jakarta 7 – K.P.M.] 

De veruit grootste onderneming op het gebied van het zeetransport in de archipel was de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de KPM: een bedrijf, in 1888 opgericht, dat twee jaar later bij vrije inschrijving een gouvernementscontract verwierf en niet alleen moderne schepen in de vaart bracht (per 1 april ’40 voeren in Indische wateren 135 KPM-schepen met een gezamenlijke inhoud van 326.000 bruto-registerton) maar ook eigen havens liet aanleggen, naar die havens prauwveren organiseerde voor de aan- en afvoer van lading en passagiers, pakhuizen bouwde, woonwijken voor inheemse havenarbeiders liet verrijzen, reparatiewerkplaatsen inrichtte en zelfs (op Borneo) een eigen steenkolenmijn exploiteerde. De KPM was een gesubsidieerd bedrijf: gesubsidieerd door het gouvernement; daar stond tegenover dat zij per jaar in de Indische wateren minstens anderhalf miljoen zeemijlen moest afleggen, grotendeels op voorgeschreven routes; daarbij moest ook de post worden vervoerd. Van ’33 af ontving de KPM voor dat alles per jaar f 200.000 subsidie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 98

[Jakarta 7 – K.N.I.L.M.] 

Luchtverbindingen kende de archipel sinds 1928, toen (met een regeringssubsidie) de Koninklijke Nederlands-Indische Luchtvaart Maatschappij, de Knilm, werd opgericht. Twee jaar later, in 1930, maakte de KLM van Nederland uit een aanvang met een vaste dienst op Batavia. De vliegtuigen deden er vijf-en-een-halve dag over. De verbinding werd eerst in beide richtingen eens in de twee weken onderhouden, maar van ’37 af driemaal per week. Vooral voor het postvervoer betekende dat een grote verbetering. In Indië zelf bouwde de Knilm geleidelijk een net van vliegverbindingen op, eerst alleen op Java, spoedig ook in de Buitengewesten, later in de jaren ’30 mede naar Australië. Het gouvernement verleende het bedrijf toen een jaarlijkse subsidie van f 700.000.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 98-99

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

Aan dit alles voegen wij toe, dat in de jaren ’30 ook de radiotelefonie en de radio een belangrijke rol gingen spelen in het leven van de meeste Europeanen. Het radiotelefoonverkeer met Nederland begon in ’29 en breidde zich snel uit. In ’34 begon voorts een particuliere onderneming: de N.V. Nederlands-Indische Radio Omroep Maatschappij, de Nirom, met eigen uitzendingen; zij was verplicht, zowel voor een Westers als voor een Oosters programma te zorgen – dat Oosters programma werd niet door inheemsen maar door Nederlanders samengesteld. Anders dan in Nederland, moest wie luisteren wilde, in Indië van meet af aan luistergeld betalen: f 15 per jaar. Naar verhouding hadden slechts weinig inheemsen het geld om een toestel aan te schaffen en het luistergeld te betalen – bovendien was er in dessa’s geen elektriciteit. Er stonden in 1940 volgens de officiële gegevens ca. 50.000 toestellen bij Europeanen, ca. 20.000 bij Chinezen en Arabieren en ca. 32.000 bij inheemsen. Van die inheemsen, ca. acht-en-zestig miljoen in die tijd, bezat dus nog niet één op de tweeduizend een radio; aangezien ook maar weinigen hunner konden lezen, waren zij voor hun kennis van wat in Indië en in de rest van de wereld gebeurde, afhankelijk van mondelinge mededelingen. Bij wie daarvoor gevoelig was, versterkte zulks het besef achtergesteld te zijn. Bovenop de inheemse samenleving waarin zeker in de dorpen, het leven nog steeds verliep volgens traditionele, eeuwenoude patronen, was een nieuwe, moderne samenleving bezig te ontstaan, maar van de verworvenheden daarvan was tot de inheemsen maar weinig doorgedrongen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 99-103

[Geïllustreerde Encyclopaedie, 144, 146-147] 

Waarom schrijven wij over ‘Europeanen’ en niet over ‘Nederlanders’?
Niet alleen omdat ‘Nederlanders’ te eng zou zijn (er woonden en werkten in Indië ook Duitsers, Zwitsers, Belgen, Engelsen en leden van andere Europese naties) maar ook, en vooral, omdat het begrip ‘Europeanen’ de grote scheiding markeerde: er waren in de archipel inheemsen, meestal als ‘Inlanders’ aangeduid (een aanduiding die door politiekbewuste inheemsen als discriminerend werd ervaren), ‘Vreemde Oosterlingen’, zoals het officieel heette (Chinezen, Arabieren en anderen), en dan tenslotte de maatschappelijke bovenlaag: de Europeanen. Voor hen (en voor de personen van andere afkomst, voorzover hun verzoek tot erkenning als Europeaan was ingewilligd golden aparte rechtsregels – regels die in de twintigste eeuw ook van toepassing werden verklaard op vreemdelingen die een afkomst hadden welke men met die der Chinezen en Arabieren kon vergelijken, maar wier regeringen hadden weten te bereiken dat hun burgers in Indië als Europeanen behandeld zouden worden: Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren.
Het aantal in Indië aanwezige Europeanen liep in de tijd van de Compagnie op tot meer dan tienduizend, van wie zich, gelijk eerder vermeld, tegen de vijfduizend in Batavia bevonden. De meesten van die meer dan tienduizend waren militairen – anderen waren werkzaam bij het bestuur, bij de handel, bij de rechtspraak en als heelkundigen, predikanten, schoolmeesters en ambachtslieden, dat laatste vooral op de werven en in de andere bedrijven die de Compagnie in en bij Batavia had opgericht. [...]
In de negentiende eeuw bevonden zich aanvankelijk in Indië veel minder uit Europa afkomstige blanken; later nam hun aantal toe, als gevolg eerst van het Cultuurstelsel, vervolgens van de uitbreiding van de grote cultures en van het bestuursapparaat. In 1856 (het jaar van Douwes Dekkers conflict in Lebak) toonde een telling aan dat er in Indië, de militairen uitgezonderd, ruim vierduizend uit Europa afkomstige blanken waren, onder hen ca. drieduizend Nederlanders. Onder die blanken (hun aantal groeide vooral na 1900) bevonden zich in de negentiende eeuw naar verhouding weinig vrouwen – tot aan het einde van die eeuw hielden het gouvernement en de grote bedrijven de regel aan dat wie naar Indië werd uitgezonden, ongehuwd moest zijn. Heel veel mannen (het was in de Compagniestijd niet anders geweest) namen een inheemse vrouw als bijzit. Als blanke man had men in het algemeen in een koloniaal bestuurd gebied als Indië een mate van sexuele vrijheid die Nederland niet kende; wie er meer dan één bijzit op na wilde houden of de ene na de andere, kon zonder aanstoot te wekken zijn gang gaan. Die grotere vrijheid sloot trouwens aan bij de leefgewoonten der inheemsen bij wie in een tijd waarin echtscheiding in Nederland nauwelijks voorkwam, huwelijken veelvuldig werden ontbonden, hetgeen krachtens de adat en de regels van de Islam een simpele aangelegenheid was. De Islam stond bovendien toe dat een man meerdere vrouwen tegelijk had; vier was het maximum.
In de twintigste eeuw nam het aantal Europese vrouwen niet alleen absoluut maar vooral ook relatief toe. Op elke duizend Europese mannen waren er in 1880 vierhonderdtwee-en-zeventig Europese vrouwen geweest – in 1930 (het jaar van – de eerste en – de laatste volkstelling die onder het Nederlands bewind werd gehouden) waren het er achthonderdvierentachtig, ‘en dit getal moet in 1940’, aldus Rob Nieuwenhuys, ‘eerder groter dan kleiner zijn geweest. En al was daarmee de ‘huishoudster’ of njai nog niet verdwenen (vooral niet in de binnenlanden), van een ... vrijgezellensamenleving waarin de concubine een vanzelfsprekende plaats had gekregen, was geen sprake meer.’
Niet al die Europese vrouwen waren blanken. ‘Europeaan’ was in Indië een wettelijk begrip en van het begin van de negentiende eeuw af gold dat een vrouw die met een Europeaan (Nederlander) trouwde, daarmee zelf Europeaanse (Nederlandse) was geworden. Toen nu in 1892 de Wet op het Nederlanderschap van kracht werd, verkregen alle in Indië aanwezige Europeanen van gemengde afkomst de Nederlandse nationaliteit (behalve uiteraard diegenen die deze nationaliteit of een andere Europese nationaliteit reeds bezaten). Zij behoorden daarmee automatisch tot de groep der Europeanen. Indië telde in 1930 ca. honderd vijftienduizend Europese vrouwen en meisjes maar van hen waren slechts zes-en-twintigduizend in Europa (bijna uitsluitend: in Nederland) geboren – misschien waren het er in '40 iets meer.
Tussen in Europa (eventueel in Indië) geboren blanken en als Nederlander erkende personen van andere afkomst maakte de officiële statistiek geen verschil: allen waren Europeanen. Blijkens de volkstelling van 1930 waren het er ruim tweehonderdveertigduizend (Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren meegeteld). Preciese cijfers voor 1940 zijn niet bekend; over het algemeen is men er van uitgegaan dat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Indië ca. tachtigduizend uit Nederland afkomstige Nederlanders waren (misschien tegen de dertigduizend vrouwen en meisjes, misschien ruim vijftigduizend mannen en jongens) en ruim tweehonderdduizend Indische Nederlanders.
Binnen de groep der uit Europa afkomstige blanken was in de eerste vier decennia van deze eeuw niet alleen de verhouding tussen de aantallen mannen en vrouwen gewijzigd, maar het moderne bedrijfsleven en de uitgebreidere gouvernementsbemoeienissen hadden ook beter opgeleide mannen naar Indië doen vertrekken. ‘De planter’ (wij citeren opnieuw Nieuwenhuys) ‘die op blote voeten door de terreinen liep ... werd vervangen door de in Deventer (daar was sinds 1912 de Koloniale Landbouwschool gevestigd: een middelbare opleiding) of Wageningen opgeleide kracht ... de academisch gevormde ambtenaar kwam in de plaats van de snel opgeklommen self-made man.’
Met de uitbreiding van het aantal en de wijziging van het soort blanken dat in Indië ging werken, hing samen dat er verandering kwam in hun leefgewoonten. Nieuwenhuys: ‘Het leven in Indië werd vooral in de steden (waar het merendeel van de Europeanen woonde) comfortabeler, tegen de vroegere gevaren beschermd door een goede medische verzorging met uitstekende ziekenhuizen, goede scholen, eerste-rangs hotels, asfaltwegen, waterleiding en electrisch licht, frigidaires en air-conditioning. In grotere en kleinere steden ontstonden Europese wijken ... waar de Europeanen onder elkaar leefden. Zelfs de bouwstijl paste zich bij de nieuwe vorm van leven aan: de grote, koele Indische huizen met marmeren vloeren en een groot erf eromheen werden vervangen door kleinere villa’s met een voor- en achtertuintje, zodat sommige buurten aan Laren of Bussum deden denken bij een hittegolf. Bovendien, en dit is zeer belangrijk, werd de Europese leefwijze normatief. Als we de grens tussen tempo doeloe en de ‘nieuwere tijd’ in de oorlogsjaren leggen, tussen 1914 en 1918, dan kunnen we in het algemeen zeggen dat de Europeaan die in tempo doeloe aankwam, zich moest aanpassen bij Indische leefgewoonten, ook omdat hij veelal in concubinaat leefde, een gemengd huwelijk sloot of met een Indische trouwde, maar dat daarna ook de Indische gezinnen, vaak uit sociale overwegingen, zich gingen aanpassen bij een Europese levenswijze. Een proces in omgekeerde richting dus.’
Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, Noot blz. 102:
Rechtens waren Indische Nederlanders nadien Nederlanders zonder meer. Wij willen niettemin het begrip ‘ Indische Nederlanders’ blijven gebruiken omdat zij in historisch en cultureel opzicht een aparte groep bleven vormen die o.m. in de Japanse bezettingsjaren een eigen geschiedenis had. Als Nederlandse staatsburgers behoorden die Indische Nederlanders oftewel Indo-Europeanen in Indië tot de Europeanen. Over hen schrijven wij in de volgende paragraaf – schrijven wij in deze over ‘Europeanen’, dan bedoelen wij, tenzij anders aangegeven, diegenen die uit Europa afkomstig waren.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 105-107

[Jakarta 1 – Redactiebureau] 

Inzicht in wat in de eerste decennia van deze eeuw aan denkbeelden naar voren kwam onder de ontwikkelden in Indië en besef van de mate waarin die ontwikkelden uitdrukking gaven aan wat, vaag of scherp omlijnd, aan wensen leefde in veel bredere inheemse kringen, kon men slechts verwachten van diegenen die in een nauw en vooral openhartig contact stonden met de inheemse wereld. Van dat contact was slechts bij weinig Europeanen sprake. De ‘trekkers’ (diegenen die weer naar Nederland zouden terugkeren) ‘gaven zich’, schrijft Vlekke. ‘zeer zelden moeite de inheemse talen maar enigszins behoorlijk te leren. (Dit gold niet voor bestuursambtenaren, zendelingen en missionarissen die allen op zijn minst een goede kennis hadden van het Maleis.) Zij begrepen weinig van de Indonesische gebruiken en verlangden ze niet te begrijpen. De omstandigheden dwongen niet langer de Europeanen die in het binnenland leefden, op hun eenzame posten hun dagen door te brengen. Autoverkeer over prachtig onderhouden wegen maakte het hun mogelijk, de avond door te brengen in de sociëteiten der voornaamste steden, waar zij altijd mensen van hun eigen ras konden aantreffen’ – inheemsen, ook de meest ontwikkelden en hoogst geplaatsten, werden zelden, en zulks hoofdzakelijk pas in de jaren ’30, tot die sociëteiten toegelaten.
Zo bewerkstelligde de modernisering van het Europese deel van de samenleving dat er, behalve dan in ambtelijke milieus waarin inheemsen functies kregen, niet méér maar minder contact kwam met het inheemse deel: in nog sterker mate dan te voren werden de Europeanen een op zichzelf levende, nogal geïsoleerde groep, een kleine eigen wereld te midden van een grotere, en een wereld van bevoorrechten bovendien die deze voorrechten wensten te handhaven. Van de meesten hunner hadden gouverneurs-generaal die aan de wensen van Indonesische nationalisten tegemoet wilden komen, geen begrip te verwachten, laat staan waardering, en in die afwerende houding werden de Europeanen over het algemeen gestijfd door hun eigen kranten (33, van welke er 25 op Java verschenen) die, telkens wanneer het nodig werd geacht, in hun hoofdredactionele commentaren, zij het met variaties, de wenselijkheid van de voortgezette Nederlandse suprematie onderstreepten. Van die dagbladen was er in de eerste decennia van deze eeuw slechts één: De Locomotief, in Semarang verschijnend, dat de ontvoogding van de inheemse samenleving bepleitte; dit was ook he enige blad dat regelmatig bijlagen deed uitkomen in het Javaans, Chinees en Arabisch. Toen het in 1915 partij trok voor een door de justitie vervolgde Indonesische journalist, kreeg het er van langs van het in Batavia verschijnend Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, hetwelk bij die gelegenheid de inheemse bevolking aanduidde als ‘een kudde lakse, domme, onontwikkelde mensen wier denkvermogen, zo niet geheel afwezig, dan toch van allerprimitiefste aard is. Naast onze mening’, zo heette het verder, ‘is de Javaan een kind: stout en grillig, lastig en lui, onbetrouwbaar en wreed. Niet in staat om voor zichzelf te zorgen, niet in staat enig ernstig werk zelfstandig te doen.
Dat was kras uitgedrukt; het was in zijn voor de inheemsen kwetsende laatdunkendheid het gouvernement verre van aangenaam maar gaan wij te ver wanneer wij schrijven dat van de in Indië werkzame Nederlanders menigeen in wezen zó over de inheemsen dacht?

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 159-161

[Jakarta 5 – Bestuur] 

Het departement van het Binnenlands Bestuur was de instantie die het wijdvertakte Nederlandse bestuursapparaat organiseerde dat met de inheemse bestuursinstanties in direct contact stond. Dat Nederlandse bestuursapparaat bestond louter uit Nederlanders (later ook Indische Nederlanders), die allen een speciale opleiding hadden gevolgd. Men was in 1834 begonnen met een opleiding te Soerakarta maar deze was acht jaar later vervangen door een bij de Academie te Delft waar ook ingenieurs werden opgeleid. Toen die Academie in 1863 werd omgevormd tot de Polytechnische School, stelde de staat voor de Delftse Indische bestuursopleiding geen geld meer ter beschikking maar deze werd toen een generatie lang als Indische School door de gemeente Delft voortgezet; zij werd in 1900 opgeheven. Inmiddels was ook, gelijk eerder vermeld, een bestuursopleiding mogelijk geworden aan het Koning Willem III-gymnasium te Batavia.’
In het begin van de twintigste eeuw kreeg de opleiding voor Indisch bestuursambtenaar een wetenschappelijke grondslag: men werd door de minister van koloniën als candidaat-Indisch ambtenaar aangewezen en kon dan, desgewenst met financiële steun van het rijk, een speciale opleiding volgen in Den Haag; deze vond van 1922 af aan de Rijksuniversiteit te Leiden plaats. Die universiteit kende al sinds 1876 een op Indië gerichte opleiding maar had in de eerste decennia van haar bestaan slechts Indische rechterlijke ambtenaren gevormd, niet bestuursambtenaren. Het in Leiden gegeven onderwijs was van hoog gehalte en maakte, wat zijn ideologische grondslag betrof, ernst met Indië’s ontvoogding. Met steun van enkele grote ondernemingen, o.m. van de Koninklijke/Shell, kwam er in '25 een concurrerende opleiding in de vorm van een bijzondere faculteit (‘de oliefaculteit’ ) aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; daar werd in conservatiever geest hoger onderwijs gegeven. [...] *]
Wie na het voltooien van de opleiding in de Indische dienst werd aangesteld, kon toegevoegd worden aan het centrale bestuursapparaat of aan een gouvernementsdienst dan wel opgenomen worden in het apparaat van het Binnenlands Bestuur (‘het BB’, zoals het werd genoemd); hij begon daar als aspirant-controleur en kon bij gebleken geschiktheid via de rangen van controleur en controleur eerste klasse (belast met het toezicht op een z.g. onderafdeling) tot de hogere rangen opklimmen: die van assistent-resident (belast met het toezicht op een z.g. afdeling), van resident (belast met het toezicht op een veel groter gebied, een residentie) en tenslotte van gouverneur (op Java van een provincie, in de Buitengewesten van een gouvernement). De administratieve indeling van Indië is herhaaldelijk gewijzigd – hier willen wij volstaan met te vermelden dat er ten tijde van de Japanse invasie, op Java (de Vorstenlanden uitgezonderd) drie provincies waren: West-Java, Midden-Java en Oost-Java, elk met een gouverneur aan het hoofd, en dat ook Sumatra, Borneo en de z.g. Grote Oost (Celebes, de Kleine Soenda-eilanden, de Molukken en Nederlands Nieuw-Guinea) elk onder gouverneurs stonden. Java telde zeventien residenties (dat sloot de residentie-Madoera in), Sumatra tien (dat sloot de residentie op de Riouw-archipel en op Banka en Billiton in), Borneo twee, de Grote Oost vijf (twee op Celebes en voorts de residenties Molukken, Timor en onderhorigheden, en Bali en Lombok).
In totaal waren ten tijde van de Japanse invasie in Indië bijna achthonderd BB-ambtenaren werkzaam en van hen waren ca. vijfhonderd geplaatst in wat men ‘ de buitendienst’ zou kunnen noemen, d.w.z. dat zij in een onderafdeling, afdeling, residentie, gouvernement of provincie de vertegenwoordiger waren van het Nederlands gezag dan wel aan die gezagdrager waren toegevoegd. De grote verantwoordelijkheid maakte het werk voor velen aantrekkelijk en vormde een tegenwicht tegen de ontberingen waarmee het gepaard kon gaan. Wel te verstaan: wie op Java of in het gebied van Medan op Sumatra was geplaatst, was daar werkzaam in een geordende samenleving die, zoals eerder beschreven, de blanke alle mogelijke comfort bood, maar elders was het leven veel primitiever – nergens zó primitief als op Nederlands Nieuw-Guinea.
*] De bestuurspraktijk bleek sterk af te wijken van wat de term Oliefaculteit suggereerde. Er was geen sprake van indoctrinatie, want de Indische ambtenaren dienden zich te richten op de ‘bescherming van de materiële belangen der inheemse bevolking, ook en soms vooral tegen de belangen der ondernemers en soms zelfs van overheidsdiensten in’. [Leven op de rand, 46-48] 

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 163-164

[Jakarta 5 – Bestuur] 

Fluwelen handschoen en ijzeren vuist speelden, wat de verschillende rangen betrof, een rol in de relaties van de assistent-residenten en residenten met, op Java, de vorsten en de regenten, en, in de Buitengewesten, de vorsten of andere volkshoofden, voorts op lager niveau in de relaties van de controleurs met de patihs (de ‘stafchefs’ van de regenten en van de andere hoofden) en de wedono’s (de inheemse districtshoofden) en assistent-wedono’s. Al die inheemse gezagdragers dienden de aanwijzingen van de BB-ambtenaren te volgen en stonden onder hun controle. Natuurlijk waren niet alle BB-ambtenaren even geschikt voor hun taak maar over het algemeen mocht men spreken van een bekwaam corps dat met ijver en toewijding werkzaam was en vrij was van corruptie. Op twee punten gaf het aanleiding tot kritiek: het had de neiging teveel te doen en het had als geheel weinig begrip voor de problematiek der koloniale verhouding.
Wat het eerste betreft: veel BB-ambtenaren konden zich niet losmaken van het Nederlands perfectionisme. De BB-ambtenaar, ‘ diep overtuigd’, aldus Vlekke, ‘van de deugdelijkheid der Westerse administratieve organisatie en de ‘slordigheid’ van alle door Indonesiërs alleen geleid bestuur, trachtte ... teveel het hele Indonesische leven onder onmiddellijk ambtelijk toezicht te brengen. Dat leverde dikwijls goede resultaten op, maar liep te vaak uit op de dictatuur van de lagere ambtenaar, die de dorpsbevolking wel van minuut tot minuut zou willen voorschrijven wat ze moest doen.’
Wat het tweede aangaat: de oud-BB-ambtenaar dr.C. Nooteboom heeft er, ons inziens terecht, in het BB-Gedenkboek op gewezen dat in weerwil van ‘alle goede bedoelingen, alle idealisme’ (dat was er, bij menigeen), ‘alle onbaatzuchtigheid, opgebracht door bestuursambtenaren zowel als door zovele anderen (specialistische ambtenaren, maar ook missionarissen en zendelingen)’, toch in Indië ‘een grote fout gemaakt werd: een fout waarvoor het begrip slechts langzaam is gegroeid en eerst laat tot rijping is gekomen ... Deze fout (bestond) uit het niet komen tot het inzicht dat de mensen liever onder eigen bestuur een zwaarder leven hebben dan een geborgen bestaan onder vreemden. Iedere poging tot leiding geven, tot adviseren zelfs, en in nog veel sterker mate tot het invoeren van vernieuwingen onder groter of kleiner dwang, kwetst het gevoel van eigenwaarde dat weinig mensen vreemd is. Al dit pogen wordt als discriminatie ervaren.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 165-166

[Jakarta 5 – Bestuur] 

Op die weg van reservering van de bestuursposten voor Nederlanders en Indische Nederlanders ging het gouvernement verder: met uitzondering van twee zetels in de Raad van Nederlands-Indië, van één post als departementsdirecteur en van twee burgemeesterszetels op Java waren ook ten tijde van de Japanse invasie alle posten van werkelijk belang in het Nederlands bestuursapparaat nog aan de inheemsen onthouden. In de lagere betrekkingen waren dezen onmisbaar en ook op een iets hoger niveau werden zij wel aangesteld maar in leidende functies trof men hen nauwelijks aan. Het Nederlands bestuursapparaat (het centrale gouvernement, de gouvernementsdiensten en -bedrijven en de bureaus van alle BB-ambtenaren) kende vier rangenstelsels: voor lager, voor lager-middelbaar, voor zuiver-middelbaar en voor hoger personeel. Het lagere personeel bestond in '38, aldus Brugmans en Soenario, voor 99% uit inheemsen, het lager-middelbaar voor 61 %, het zuiver-middelbaar voor 38%, maar van het hogere personeel bestond slechts 6% uit inheemsen. Omgekeerd waren er onder het lagere personeel nauwelijks Europeanen (0,6 %); van het lager-middelbaar maakten dezen 33 % uit, van het zuiver-middelbaar 58 %, van het hoger personeel 92 %. Volgens de Amerikaanse onderzoeker George Mc Turnan Kahin telde de groep hoger personeel in oktober '40, om precies te zijn, 3 039 functionarissen en onder hen waren, aldus deze Amerikaan, 221 inheemsen – ruim 7 %. De inheemsen speelden dus in het Nederlandse overheidsapparaat als geheel geen rol van betekenis. Trouwens, ook de positie van de Indische Nederlanders was minder belangrijk dan die van de uit Nederland afkomstigen – in '32 althans behoorden tot de Indische Nederlanders, aldus R J. Gerke, wel ‘velen’ in de groep hoger personeel, maar ‘zeer velen’ in de twee middelbare groepen. Ambonnezen vervulden, schreef Welter, ‘vooral op de plaatselijke kantoren van assistent-residenten ... een belangrijke taak. Ik durf te zeggen dat zonder hen de administratie vooral in het binnenland aanmerkelijk minder goed zou zijn gevoerd.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 171

[Jakarta 7 – Volkscredietbank] 

Het gouvernement besteedde dan voorts veel aandacht aan het volkskredietwezen. Wij stonden er al bij stil toen wij over de Chinese bevolkingsgroep schreven maar willen aan wat wij toen vermeldden, hier toevoegen dat het niet alleen Chinezen maar ook Arabieren en inheemsen waren die woekerpraktijken uitoefenden. Een Nederlandse controleur constateerde in 1901 dat er in de Preanger Regentschappen zes-en-vijftig ‘grote’ woekeraars waren (d.w.z. woekeraars met een werkkapitaal van f 5 000 of meer), onder wie zich toen slechts één Chinees bevond – alle overigen waren inheemsen met onder hen als grootste groep zes-en-twintig hadji's, d.w.z. inheemsen, vaak vermogenden, die de pelgrimstocht naar Mekka hadden ondernomen en die daardoor, wij wezen er al op, in de inheemse samenleving groot aanzien hadden verworven; die hadji's beschikten gemiddeld over een werkkapitaal van meer dan f40.000.
Om woekerpraktijken tegen te gaan werden in 1904 Volkskredietbanken en een Gouvernementspandhuisdienst opgericht (er waren in '38 bijna 500 pandhuizen), werd de oprichting van simpele dessa-banken bevorderd (er waren er in '38 alleen al op Java bijna 7.000) en ontstond in '34 de Algemene Volkskredietbank die de dessa-banken controleerde en bovendien gelden leende aan kleine middenstanders, ambtenaren en gepensioneerden van elke landaard. De dessa-banken, de Volkskredietbanken en de Algemene Volkskredietbank opereerden op basis van zelfbekostiging – het was niet de bedoeling dat zij winst zouden maken. Dat was ook niet de bedoeling geweest bij de Gouvernementspandhuisdienst maar in feite hield die dienst grote bedragen over: van 1904, het jaar der oprichting, t.e.m. 1941 f 185 mln, die in de gouvernementskas werden gestort.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 172

[Semarang 2 – Leeszaal] 

Wij vermelden dan verder dat in 1908, kort nadat gouverneur-generaal van Heutsz de stoot had gegeven tot de oprichting van dessa-scholen, onder voorzitterschap van Hazeu, de al genoemde Adviseur voor inlandse zaken, een Commissie voor de Volkslectuur werd ingesteld die inheemse legenden en verhalen ging verzamelen, ze op landskosten drukte en de boekjes via de dessa-hoofden gratis liet verspreiden. Dat systeem werd spoedig verlaten om plaats te maken voor volksbibliotheken die aan de tweede klas-scholen werden toegevoegd. Later ging het onder de commissie werkende Kantoor Voor de Volkslectuur er op Java toe over, in het Maleis en Javaans tijdschriften uit te geven alsmede een geïllustreerde Volksalmanak en diverse handleidingen voor lagere inheemse bestuursambtenaren; ook reden er op Java helgroen gelakte auto’s van het kantoor rond die allerlei ontspannings- en voorlichtingslectuur tegen zeer lage prijs ten verkoop aanboden º] – Welter, minister van koloniën in het eerste ministerie-Colijn, lichtte begin '26 koningin Wilhelmina in dat van de kindersprookjes ‘De gelaarsde kat’ en ‘Klein Duimpje’ de meeste belangstelling trokken en dat veel ouderen graag o.m. De Schaapherder, Alleen op de wereld en De drie musketiers in vertaling aanschaften.
º] Het Koninkrijk der Nederlanden,13, 159: Wij hadden mede dienen te vermelden dat het Kantoor voor uitlening zorgde aan ruim 3 000 bibliotheekjes die door onderwijzers van de z.g. vervolgscholen werden gehouden; dat het Kantoor een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het Maleis (Indonesisch) als nationale eenheidstaal en van een moderne Indonesische letterkunde, dat het veel van de oude Indonesische letterkunde weer toegankelijk heeft gemaakt, dat het o.m. werken van schrijvers als Shakespeare, Molière en Tolstoi heeft uitgegeven; dat het voor uitgaven zorgde om de Javanen tot transmigratie te bewegen en dat het behalve voor periodieke overzichten van de Indonesische pers ook zorgde voor een dagelijks overzicht ten behoeve van de gouverneur-generaal.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 177-178

[Semarang 2 – Politiewezen] 
[Surabaya 3 – Politiebureau] 

De politie had in Indië een aanvullende rol: buiten de steden dienden de dessa-hoofden te zorgen voor de handhaving van de normale orde die, als het donker was, meer gevaar liep dan bij daglicht; elke dessa kende dan ook een nachtwacht waaraan de dorpelingen bij toerbeurt moesten deelnemen. De dessa-hoofden stonden in dat opzicht onder de controle van de hogere inheemse gezagdragers.
Ongeveer tot aan de Eerste Wereldoorlog gold Indië als onveilig. Ook Java. Vooral diefstal kwam veelvuldig voor, hetgeen bij de armoede waarin bijna alle inheemsen leefden, niet behoeft te verbazen. Een goede politie-organisatie was er in de negentiende eeuw niet. De politie was weinig talrijk en slecht betaald en buiten de steden was de politietaak, los van wat in de dessa’s gebeurde, toevertrouwd aan door de regenten gerecruteerde inheemse korpsen die met geweren waren bewapend. Elk van die korpsen stond onder bevel van een onderofficier van het Knil.
Ze waren van weinig nut, d.w.z. wel bruikbaar voor bewakingsdiensten, maar zodra zich onrust manifesteerde (bijvoorbeeld wanneer de bevolking uit weerzin tegen de suikerondernemingen er toe overging, te velde staand suikerriet in brand te steken), kon men ze niet vertrouwen. Later in de negentiende eeuw ging het gouvernement er derhalve toe over, eerst in de Buitengewesten en vervolgens ook op Java, Korpsen Gewapende Politiedienaren op te richten die onder de BB-gezagdragers werden gesteld. Ook dit waren korpsen van inheemsen, geëncadreerd met onderofficieren van het Knil. Zij bleken aanvankelijk voor het gouvernement even onbetrouwbaar te zijn als de vroegere, door de regenten gerecruteerde korpsen. Pas in het begin van de jaren '20 werden zij onder een centrale leiding gesteld: de Dienst der algemene politie, onderdeel van het departement van binnenlands bestuur, en toen werd ook tot de bouw van politiekazernes overgegaan. Bevredigend werd de situatie niet: er was voor de korpsen, die tezamen een sterkte hadden van ca. tienduizend man, te weinig kader beschikbaar. Een nieuwe reorganisatie volgde: de Gewapende Politie bleef slechts gehandhaafd in de Minahassa, op de Molukken, op Nieuw-Guinea en op de eilandengroepen tussen de Molukken en Australië (de Kei-, Aroe- en Tanimbar-eilanden), bijna overal elders werd zij vervangen door een nieuwe formatie, de Veldpolitie, met dien verstande dat de taak van de Gewapende Politie op delen van Sumatra en op Borneo, Celebes (behalve de Minahassa), Timor, Bali en Lombok overgenomen werd door brigades van het Knil en dat de onrustigste delen van Sumatra een bezetting kregen zowel van Knilbrigades als van Veldpolitie.
De Veldpolitie (de naam zegt het al) was bedoeld om buiten de steden op te treden. In de steden, vooral in die waar veel Europeanen woonden, had men, zou men kunnen zeggen, een politie naar Nederlands model; die korpsen stadspolitie stonden in Batavia, Semarang en Soerabaja onder een hoofdcommissaris, elders onder een commissaris. Tenslotte waren er ook nog aparte korpsen die er op toezagen dat de gouvernementsmonopolies van de productie en verkoop van opium en zout niet werden doorbroken.
Alle politieformaties tezamen hadden in de jaren ’30 een sterkte van ruim dertigduizend man. Op ca. vijftienhonderd man na waren dat allen inheemsen; die vijftienhonderd waren Europeanen (bijna uitsluitend Nederlanders en Indische Nederlanders – zij vormden het kader.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 178-181

[Aantekeningen Algemeen – Rechtswezen] 

De rechtspraak was in Indië een bont geheel, gebaseerd op onderling verschillende rechtsregels die door aparte organen werden toegepast. Van de vroegere ontwikkeling van die rechtspraak willen wij slechts vermelden dat het Regeringsreglement van 1854 bepaalde dat, wat de Europeanen betrof, het in Nederland geldend burgerlijk-, handels- en strafrecht moest worden gevolgd en, wat de inheemsen aanging, in beginsel hun eigen adat-recht, voorzover dat niet in strijd was met algemeen erkende regels van billijkheid en rechtvaardigheid. Dat adat-recht, hetwelk regionaal belangrijke verschillen vertoonde, werd van het begin van de twintigste eeuw af beschreven door de Leidse hoogleraar Cornelis van Vollenhoven en zijn leerlingen – dat betekende dat het als een geheel van bindende voorschriften werd vastgelegd; van Vollenhoven zag het adat-recht als een soepel geheel dat zich voortdurend aan gewijzigde omstandigheden aanpaste.
De Wet op de Indische staatsinrichting herhaalde in 1925 het onderscheid dat in het Regeringsreglement van 1854 was aangegeven. ‘Overal waar de Inlandse bevolking niet is gelaten in het genot harer eigen rechtspleging, wordt, aldus een der artikelen, ‘in Nederlands-Indië recht gesproken in naam des Konings’ – er was dus sprake van een inheemse en van een gouvernements-rechtspraak. Nog ingewikkelder werd de zaak doordat er naast het Nederlandse en het adat-recht een derde rechtsbron was: de Koran en de commentaren daarop. Inheemsen en Vreemde Oosterlingen (Chinezen, Arabieren en anderen) konden overigens aan de Nederlandse rechtsregels onderworpen worden, ‘voorzover’, aldus de Wet op de Indische staatsinrichting, ‘de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften dit eisen’; van die behoefte was bijvoorbeeld sprake in de gevallen waarin niet-Europeanen met Europeanen in een modern economisch verkeer stonden.
Wij maken nu onderscheid tussen civiele en strafrechtelijke zaken.
Voorzover het de Europeanen en de met hen gelijkgestelden, ten dele ook de Vreemde Oosterlingen, betrof, kwamen civiele gedingen in eenvoudige gevallen voor de residentiegerechten (elke residentie had er één) en in de meer gecompliceerde voor de Raden van Justitie (te vergelijken met de gerechtshoven in Nederland); daarvan waren er zes: drie op Java (te Batavia, te Semarang en te Soerabaja), Twee op Sumatra ( te Padang en te Medan) en één op Celebes (te Makassar, mede voor de rest van de Grote Oost). Van uitspraken van de Raden van Justitie was beroep mogelijk bij het (met de Nederlandse Hoge Raad te vergelijken) Hooggerechtshof dat in Batavia gevestigd was, het bestond uit een president, een vice-president en zeven leden. Al deze colleges spraken recht op basis van het Indisch Burgerlijk Wetboek dat het Nederlandse als basis had.
Met betrekking tot de inheemsen was òf het op de Koran gebaseerde Islamitisch recht òf het adat-recht grondslag van de civiele rechtsbedeling. Op Java en Madoera werd Islamitisch recht gesproken door raden van schriftgeleerden, die bijvoorbeeld bevoegd waren in zaken van huwelijksrecht; tegen hun uitspraken was van 1938 af beroep mogelijk bij een in Batavia zetelend Hof voor Islamitische Zaken.
De overige civiele gedingen tussen inheemsen en die tussen Vreemde Oosterlingen kwamen, opklimmend met hun betekenis, voor districtsgerechten, regentschapsgerechten of landraden. Van die landraden (te vergelijken met de Nederlandse arrondissementsrechtbanken) was er op Java één per regentschap, in de Buitengewesten één per gewest; als voorzitters van de landraden traden op Java en in de meer ontwikkelde delen van de Buitengewesten geschoolde juristen op. Nederlanders of inheemsen, elders in de Buitengewesten, waar men die landraden onder diverse namen kende, was het de taak van de Nederlandse controleur of assistent-resident om als voorzitter te fungeren – hij had dan evenwel bij het vaststellen van de uitspraak, waarbij in beginsel het adat-recht werd gevolgd, slecht een adviserende stem. Voor meer ‘moderne’ kwesties zoals het regelen van dienstbetrekkingen, het besturen van als rechtspersoon erkende verenigingen en verplichtingen van pachters op domeingronden bevatten de adat-regels geen voorzieningen; dan werd Nederlands recht toegepast.
Over het algemeen kan men zeggen dat de civiele rechtsbedeling in haar gedifferentieerdheid aangepast was aan de behoeften van de samenleving, zij het dat het gouvernement niet steeds kon verhinderen dat door inheemse machthebbers misbruik werd gemaakt van hun positie om gedingen waarbij hun belangen schade konden lijden, te voorkomen.
Bij de strafrechtspleging werd, in tegenstelling tot de civiele rechtspleging, slechts één recht toegepast: het Nederlandse strafrecht. Dat gold onverkort in de gebieden met gouvernementsrechtspraak – in de gebieden met inheemse rechtspraak (op Java de Vorstenlanden, elders de zelfbesturende landschappen) moest het nauwlettend in het oog worden gehouden; of dat geschiedde, werd door de BB-ambtenaren gecontroleerd. Islamieten die zich aan de letter van het Islamitisch recht wilden houden, waren met die unificatie niet steeds ingenomen; er waren er onder hen die van mening waren dat diefstal moest worden gestraft met het afhakken van de rechterhand. Het spreekt vanzelf dat adviezen van dien aard nimmer werden opgevolgd. Trouwens, alle vonnissen van inheemse rechtbanken moesten door de hoofden van het Nederlands gewestelijk bestuur goedgekeurd worden – vooral in de minder ontwikkelde delen der Buitengewesten werd een aanzienlijk deel van de werktijd der BB-ambtenaren door hun bemoeienissen met inheemse rechtspraak in beslag genomen.
Er was dus unificatie ten aanzien van de inhoud van het strafrecht dat werd toegepast – er was géén unificatie bij de vervolging en de berechting. Afgezien van wat de exorbitante rechten mogelijk maakten, konden inheemsen en Vreemde Oosterlingen zonder vorm van proces in preventieve hechtenis gehouden worden. Europeanen en met hen gelijkgestelden niet. Die Europeanen en met hen gelijkgestelden verschenen bovendien bij ernstige delicten (geringere werden berecht door met de Nederlandse politierechters te vergelijken landrechters) voor de Raden van Justitie – de inheemsen en Vreemde Oosterlingen werden in die gevallen, één trap lager, voor de landraden gedaagd waar de waarborgen voor de rechtszekerheid geringer waren. Dit werd door de politiekbewusten onder de inheemsen en Vreemde Oosterlingen als discriminatie ervaren (‘is het dan wondere’, schreef Snouck Hurgronje in ’23, ‘dat Inlanders wel eens van rassenjustitie spreken?’) – er werd herhaaldelijk en met klem tegen geprotesteerd.
Tenslotte willen wij nog opmerken dat er tussen het rechtswezen in Nederland en dat in Nederlands-Indië nog twee kenmerkende verschillen waren: in Indië werden rechters niet voor het leven benoemd en Indië kende de doodstraf; bij elk doodvonnis had de gouverneur-generaal het recht van gratie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 214-216

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Hoeveel sterker het geestelijk verzet van de inheemse wereld was geworden, bleek overtuigend na de behandeling van de ontwerp-‘wilde scholen’-ordonnantie.
Dat ontwerp hield in dat alle ‘wilde scholen’ (scholen zowel voor jongeren als voor volwassenen) voortaan een vergunning moesten hebben van de hoofden van gewestelijk bestuur die zich zouden laten voorlichten door de onderwijsinspectie welke deel was van het gouvernementsapparaat – het ontwerp ging dus wezenlijk verder dan de ordonnantie uit ’23 die slechts had voorgeschreven dat de ‘wilde scholen’ ter kennis moesten worden gebracht aan de hoofden van gewestelijk bestuur. In de Volksraad werd van verscheidene kanten, ook van inheemse zijde, betoogd dat er alle reden was om de ‘wilde scholen’ onder controle te stellen (er waren er die zich bedrieglijk ‘Hollands-Inlandse school’ noemden, een van de inheemse Volksraadsleden sprak van ‘ten hemel schreiende toestanden’), maar andere inheemse leden spraken zich met kracht tegen het ontwerp uit omdat het gouvernement het recht gaf, bij bonafide ‘wilde scholen’, zoals die van de Taman Siswo-richting, in te grijpen. Het gouvernement deed belangrijke concessies: amendementen van de Volksraad aanvaardend, wijzigde het zijn ontwerp in dier voege dat alleen vergunning zou moeten worden aangevraagd door ‘wilde scholen’ welke pretendeerden gelijkwaardig te zijn aan gouvernementsscholen, dat men tegen een weigering of intrekking van de vergunning door de hoofden van gewestelijk bestuur in beroep kon gaan bij de gouverneur-generaal en dat de weigering of intrekking, hangende dat beroep, opgeschort zou worden. De ontwerp-ordonnantie werd op 9 september door de Volksraad goedgekeurd met 32 tegen 13 stemmen; tegen stemden een aantal gematigde nationalisten en de fractie van de lager inheemse bestuursambtenaren. Na de stemming werd bekendgemaakt dat de ordonnantie op 1 oktober ’32 van kracht zou worden.
In de inheemse wereld rees een storm van protesten. Dewantoro eiste in het orgaan van zijn groepering dat de ordonnantie onmiddellijk zou worden ingetrokken (hij noemde haar totstandkoming ‘een nederlaag voor de politieke beweging’) en hij zond op 1 oktober aan gouverneur-generaal de Jonge het volgende telegram:
‘Excellentie. Dictatorische doorvoering cultureel-maatschappelijk diep-ingrijpende overhaastig voorbereide ordonnantie na afstemming onderwijsbegroting geeft indruk zenuwachtige verwardheid bij regering die bedenkelijk inzake vitale volksbelangen misgreep stop ik moge waarschuwen [dat] zelfs onweerbaren instinctief uit zelfbehoud zich verweren gelijkerwijs wij mogelijk uit noodzaak overgaan [tot] hardnekkig lijdelijk verzet’.
De Jonge zond zijn belangrijkste woordvoerder in de Volksraad, de regeringsgemachtigde voor algemene zaken naar Dewantoro teneinde deze er van te overtuigen dat bonafide ‘wilde scholen’ geen gevaar te duchten hadden, maar Dewantoro was onwrikbaar: dit was voor zijn groepering een zaak van beginsel, het aanvragen van vergunningen werd afgewezen.
Van inheemse zijde stroomden bij de stichter van de Taman Siswo-scholen de betuigingen van instemming binnen en tussen oktober ’32 en februari ’33 werden op Java duizenden demonstratieve protestvergaderingen gehouden (in Djokjakarta waren er tienduizend demonstranten); dit onderwijsverzet kreeg de steun van praktisch alle inheemse organisaties, ook van verscheidene die door het gouvernement als bij uitstek loyaal werden beschouwd. Het gouvernement en de meerderheid van de Volksraad hadden al die reacties niet voorzien.
Beide redden zich aldus uit de moeilijkheden dat de Volksraad een van inheemse zijde ingediend initiatiefvoorstel aannam waarbij de ‘wilde scholen’’-ordonnantie tijdelijk buiten werking werd gesteld, dat het gouvernement, hiermee accoord gaande, een gewijzigde ontwerp-ordonnantie aan de Volksraad voorlegde welke niet meer was dan een herhaling van de in ’23 getroffen regeling, dat de Volksraad het nieuwe ontwerp goedkeurde nadat er nog de aanvullende wijziging in was aangebracht dat de nieuwe ordonnantie niet op onderwijs aan volwassenen van toepassing zou zijn, en dat het gouvernement de nieuwe ordonnantie op 1 januari van kracht liet worden. [...]
Dat evenwel de inheemse beweging voor haar gevoel een overwinning had behaald, beamen wij: een overwinning dan zowel op de meerderheid van de Volksraad als op het gouvernement – er was een ordonnantie uitgevaardigd en breed verzet in de inheemse wereld had er toe geleid dat zij door een gewijzigde was vervangen waartegen geen bezwaar was gemaakt.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 218-221

[Yogtakarta 2 – Pakoe Alam] 

De eerste inheemse vereniging die duidelijke algemene wensen aan het gouvernement kenbaar ging maken, werd in mei 1908 opgericht, zulks vooral als gevolg van het feit dat de Indische Chinezen begonnen waren, op Java een organisatie op te bouwen die zich toelegde op de oprichting van eigen scholen. Het initiatief tot de oprichting van die inheemse organisatie, Boedi Oetomo (‘Het schone streven’), werd in Batavia genomen door leerlingen van enkele scholen, vooral van de Dokter-Djawaschool, onder wie de twintigjarige Javaan Raden Soetomo; zij werkten daarbij o.m. samen met een onderwijzerszoon uit Semarang die als dokter-Djawa grote naam zou maken: Tjipto Mangoenkoesoemo; hij zou zich in 1911 bij de bestrijding van pestgevallen op Oost-Java zo verdienstelijk gedragen dat hem de onderscheiding van ridder in de orde van Oranje-Nassau werd verleend. ¹)
Boedi Oetomo kreeg spoedig afdelingen op enkele kweekscholen en Opleidingsscholen voor Inlandse Ambtenaren, Osvia’s – in Djokjakarta kwam evenwel een afdeling tot stand die hoofdzakelijk bestond uit inheemse gezagdragers en leden van de vorstelijke families, vooral uit het Huis van de Pakoe-Alam. In oktober, toen de vereniging al meer dan zeshonderd leden telde, hield zij in Djokjakarta een eerste congres waarvoor ca. driehonderd inheemsen bijeengekomen waren, onder wie de Pakoe-Alam, vier regenten en twintig vrouwen (op zichzelf een symptoom van vrouwen-emancipatie.²) Het congres uitte als wensen dat het gouvernement het onderwijs aan inheemsen zou bevorderen, Boedi Oetomo verlof zou geven tot het oprichten van eigen dessa-scholen (naast die tot welker oprichting van Heutsz de stoot had gegeven), tehuizen zou openen voor het opvangen van bedelaars, de woeker beter zou tegengaan en volksbibliotheken in het leven zou roepen. Ten congresse betoogde evenwel de hofarts van de vorst, de Soesoehoenan, van Soerakarta, ‘dat’, aldus een in Den Haag voor de minister van koloniën opgestelde nota, ‘de Javaan niet alleen geen Hollandse of Westerse beschaving nodig heeft, maar daarvoor zelfs niet vatbaar is’ ; dat betoog ‘lokte kreten van ontstemming en zelfs gefluit uit’ – de meeste aanwezigen waren voorstanders van modernisering (maar met mate! Een voorstel van Tjipto om zich tegen de adat uit te spreken werd verworpen) en wensten kennelijk dat het gouvernement ernst zou maken met het beleid van de ‘zedelijke roeping’, ‘de vereniging’, aldus de Haagse nota, ‘wil dus het gouvernement slechts in de hand werken.’
Het naar voren treden van Boedi Oetomo kwam voor veel Nederlanders in Indië als een verrassing. Aan dr. G. A. J. Hazeu, Idenburgs adviseur voor inlandse zaken, was niet ontgaan dat de inheemse samenleving in beweging was gekomen, maar anderen (‘vele Europeanen’, schreef hij aan van Heutsz) hadden daar niets van gezien. ‘De Inlander’, aldus Hazeu, ‘was, zo meenden dezen, nu eenmaal indolent en tot geen enkele zelfstandige, initiatief en energie eisende werkzaamheden in staat, en men had geen reden te geloven dat het ooit anders zou worden. Voor dezulken nu was het congres te Djokjakarta een openbaring.’
Een jaar later, in 1909, werd aan Boedi Oetomo door het gouvernement rechtspersoonlijkheid verleend. In de vereniging, die toen ca. tienduizend leden telde, was zich inmiddels een belangrijke ontwikkeling gaan aftekenen: de leerlingen van de dokter Djawa-school, de Osvia’s en de kweekscholen die allen nog midden in hun opleiding zaten, verloren aan invloed en de inheemse gezagdragers uit Djokjakarta die de aloude Javaanse cultuur wilden handhaven en afkerig waren van het uiten van vèrgaande, laat staan extreme wensen, gingen de toon aangeven. In september '09 liepen Tjipto en een andere radicaal denkende uit het bestuur weg – er werden in hun plaats twee regenten gekozen.
¹) Tjipto Mangoenkoesoemo had een bloeiende praktijk in Soerakarta opgegeven teneinde in Malang, waar de pest woedde, als bescheiden bezoldigd gouvernementsarts werkzaam te zijn; de hem verleende onderscheiding zond hij in ’12 terug uit protest tegen het koloniaal regime.
²) Als voorloopster van die vrouwen-emancipatie kan men de in 1879 geboren regentendochter Raden Adjeng Kartini beschouwen. Haar vader was een verlicht regent, ‘die’, aldus Nieuwenhuys, ‘zelfs zijn dochters (iets ongehoords!) naar de Hollandse school’ (een school voor Europees lager onderwijs) ‘stuurde. Hij voelde echter niet zó modern (maar hier legde ook zijn plicht als regent hem beperkingen op) of de meisjes moesten na hun twaalfde jaar ‘de doos’ in, d.w.z. ze mochten zich niet eerder buiten de muren van de regentswoning vertonen dan op huwbare leeftijd en dan alleen als de echtgenote van de man die de ouders intussen voor haar hadden uitgezocht’. Op vier-en-twintigjarige leeftijd werd Kartini uitgehuwelijkt aan een collega van haar vader, een veel oudere weduwnaar. Zij stierf nog geen tien maanden later na de geboorte van een kind.
Een deel van de brieven waarin zij uitdrukking gegeven had aan haar opstandigheid, werd in 1911 in Nederland gepubliceerd onder de titel Door duisternis tot licht.
Twee jaar later richtten mr. van Deventer, de man van het in De Gids verschenen artikel ‘Een ereschuld’, met zijn echtgenote in Nederland de ‘Vereniging Kartinifonds’ op, die in Indië een aantal door de inheemse leerlingen zeer gewaardeerde kostscholen in stand hield.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 293-294

[Yogya 1 – Gouden koets] 

Ruim twee weken later, eind mei [1923], werd in Djokjakarta op [G.G.] Fock een bomaanslag gepleegd. Hij reed in de door de sultan ter beschikking gestelde statiekaros, toen opeens uit de dikke rijen van de inheemse toeschouwers een vrij primitieve bom geworpen werd – enig slachtoffer werd een vrouw die vertrapt werd door een op hol geslagen paard van de cavalerie-escorte. ‘Het incident’, aldus Welter, die als Algemeen Secretaris de gouverneur-generaal bij officiële reizen placht te vergezellen, ‘maakte een pijnlijke indruk, omdat het voor Indië iets heel ongewoons was. Dat uit deze gewillige, om niet te zeggen dociele massa een bom zou worden geworpen naar een vertegenwoordiger van het Nederlandse gezag, was dermate ondenkbaar, dat allen die daarvan getuige waren, diep onder de indruk waren. Bij volgende rijtochten van de G.G. ... reed hij dan ook door straten die op last van de resident, die geen risico wilde nemen, geheel waren schoongeveegd. Ook dit was buitengewoon onaangenaam en trof allen, die dit meemaakten, als iets zeer pijnlijks, bijna nog erger dan een bomaanslag’.
Wie hadden de aanslag gepleegd? Vermoedelijk extremisten van de Sarekat Hindia (het Nationaal-Indisch Verbond) die met het communisme sympathiseerden. Politie en justitie kregen geen zekerheid.
Aannemelijk dunkt ons dat de aanslag bij sommige inheemsen het prestige van de communisten ten goede kwam: diegenen die gepoogd hadden, de ‘Grote Heer uit Buitenzorg’ van het leven te beroven en onontdekt waren gebleven, moesten wel over bijzondere krachten en bijzondere bescherming beschikken! Het gebeurde droeg er toe bij dat zowel op Java als op Sumatra veel inheemsen die, zoals hun voorouders gedaan hadden, hunkerden naar de komst van een almachtig Bevrijder die zich als voorzegde Ratoe Adil zou ontpoppen, hun verwachtingen gingen vastknopen aan de PKI – omstuwd en opgestuwd werd zij nu door diezelfde Messiaanse verwachtingen welke zich tien jaar eerder op de Sarekat Islam hadden gericht. De denkbeelden van die PKI-aanhangers werden, aldus Poeze, ‘een onontwarbaar mengsel van utopische ... verwachtingen, verheerlijking van de traditionele, pre-kapitalistische maatschappij, die na de nabij zijnde revolutie zou terugkeren als de klasseloze communistische maatschappij, de hoop op hulp van de Komintern en Rusland en de invloed van Islam-denkbeelden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 322-324

[Bandung 1A – Soekarno] 
[Bandung 1A – Moskee] 
[Surabaya 2 – Rumah Kos]
 

Soekarno, wiens naam als eerste zou prijken onder de Onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus ’45, had een Javaanse vader en een Balinese moeder. Zijn vader, Raden Soekemi, een man van laag-adellijke afkomst dus, had op Oost-Java een kweekschool kunnen bezoeken, was onderwijzer op Bali geworden, was daar, ondanks weerstanden uit Balinees-Hindoese kringen, met een Balinees meisje uit een familie van aanzienlijken getrouwd en was omstreeks de eeuwwisseling naar Soerabaja overgeplaatst waar het tweede kind uit het huwelijk, een zoon, op 6 juni 1901 werd geboren. Zijn naam werd Koesno, enige tijd later (naar een heldenfiguur uit de in het wajangspel uitgebeelde Hindoese epen) Karno en daar werd toen het begrip soe (jong) aan toegevoegd: Soekarno dus.
Als eerste president van Indonesië zou Soekarno het later graag doen voorkomen alsof hij een zoon was van arme ouders. Dat was een onjuiste voorstelling van zaken. Zijn vader had zich als onderwijzer op Bali en in Soerabaja, later als hoofdonderwijzer in Modjokerto (iets ten zuidwesten van Soerabaja) verheven boven het niveau van de brede massa der Javanen. In Modjokerto kreeg Soekarno zijn eerste onderwijs – laat, nl. op dertienjarige leeftijd, begon hij er, teneinde Nederlands te leren, de hoogste klassen van een Nederlandse lagere school te doorlopen; hij bleek een goede leerling. Middelbaar of voorbereidend hoger onderwijs werd in Modjokerto niet gegeven, wel in Soerabaja waar zich een vijfjarige hbs bevond. Soekarno was vijftien toen hij er als leerling werd ingeschreven, twintig toen hij met succes eindexamen deed.
De hbs telde enkele honderden leerlingen: driehonderd Europeanen, twintig inheemsen en een onbekend aantal Vreemde Oosterlingen. Die Europese leerlingen namen de andere nauwelijks in hun midden op – er was sprake van een zekere discriminatie welke Soekarno, die twee, drie jaar ouder was dan de medeleerlingen van zijn klas (toch al een moeilijke situatie!), diep kwetste. Hij was voor die discriminatie misschien extra gevoelig omdat hij in Soerabaja opgroeide in wat in die tijd wel het meest inspirerende nationalistische milieu was dat Indië kende: hij was nl. een van de omstreeks vijf-en-twintig inheemse jongeren die opgenomen waren in het kosthuis dat gedreven werd door de vrouw van Tjokroaminoto, en hij deed daar zijn intrede in de jaren waarin de Sarekat Islam een massabeweging was en Tjokro de aanbeden voorzitter. Wat zulk een beweging betekende en hoe Tjokro als spreker een grote vergadering wist te bezielen, sloeg Soekarno van nabij gade. Hij werd actief in de afdeling Soerabaja van de in ’14 opgerichte jongerenorganisatie Jong-Java (en wekte daar tumult door te eisen dat het orgaan van de organisatie niet alleen in het Nederlands maar ook in het Maleis zou verschijnen), en schreef artikelen in het blad van de Sarekat Islam. Hij las rijp en groen, vooral ook boeken over Europese geschiedenis – Alimin bracht hem als eerste in aanraking met Marxistische gedachtegangen.
Toen hij in de vierde klas van de hbs zat, trouwde hij met een vijftienjarige dochter van Tjokro; zelf beweerde hij later: om Tjokro een dienst te bewijzen. Dat is mogelijk – het huwelijksplantje schoot in elk geval geen diepe wortels.
In ’21 werd de twintigjarige Soekarno een van de zes inheemse studenten die aan de Technische Hogeschool te Bandoeng in het eerste jaar van haar bestaan voor civiel ingenieur gingen studeren. Nauwelijks ingeschreven, keerde hij naar Soerabaja terug om er Tjokro’s vrouw financieel ter zijde te staan (Tjokro was, gelijk eerder vermeld, gearresteerd op beschuldiging van meineed) – hij werd er spoorwegbeambte. Toen Tjokro in april ’22 was vrijgelaten, ging hij weer naar Bandoeng. Hij scheidde er van zijn jeugdige vrouw en huwde met een tweede: de ex-echtgenote van de man bij wie hij in huis was; zij was dertien jaar ouder dan hijzelf. Hij studeerde in normaal tempo – belangrijker voor zijn latere ontwikkeling was dat hij in en vanuit Bandoeng in nauwe aanraking kwam met de drie oprichters van de Indische Partij: Douwes Dekker, Tjipto en Soewardi, nu als Dewantoro leider van de Taman Siswo-scholen. Het was vooral de principieel en zuiver denkende Tjipto die hem won voor het denkbeeld van de non-coöperatie: politiek-aktieve inheemsen dienden zich verre te houden van elke vorm van deelneming aan de vertegenwoordigende organen welke het koloniaal gezag in het leven had geroepen, en ook verder in geen enkel opzicht aan dat gezag steun te verlenen.
In ’26 ontving Soekarno zijn diploma als civiel ingenieur. Hij wilde uit beginsel niet bij het gouvernement in dienst treden, werd leraar op een van de scholen die Douwes Dekker had opgericht en trachtte vervolgens door middel van een particuliere praktijk enig geld te verdienen. Hij had toen al in Bandoeng een nieuw type inheemse organisatie helpen oprichten: een studieclub.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 324-325

[Woordenlijst – PNI] 

Het nieuwe element nu dat naar voren kwam in de betogen die Soekarno in Bandoeng hield, was dat een volksbeweging tegen het koloniaal gezag een synthetische ideologie moest hebben: zij moest tegelijk nationalistisch, Islamitisch en marxistisch zijn. Een vreemde versmelting van onderling afwijkende ideologieën? Het was precies de versmelting die in Soekarno’s geest leefde (later zei hij eens in een gesprek met een Amerikaans journalist dat hij tegelijk Christen, Islamiet en Hindoe was) – trouwens de gehele Javaanse cultuur was een versmelting van onderling afwijkende elementen.
Bij de oprichting van de nieuwe groepering: de Perserikatan Nasional Indonesia oftewel de PNI, hield Soekarno, die voorzitter werd en van meet af aan in de groepering domineerde, kennelijk rekening met het Amerikaanse beleid ten aanzien van de Philippijnen; impliciet deed hij een beroep op Amerikaanse steun toen hij, samen met anderen, onder wie Tjipto, bijna acht maanden na het mislukken van de communistische opstand op Java, de PNI oprichtte op de 4de juli 1927, de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 338-342

[Bandung 1A – Soekarno] 
[Bandung 1A – Arrestanten] 
[Woordenlijst – PNI]
 

Drie dagen later, 18 mei '28, werd in Batavia het tweede nationale congres van de PNI geopend. Het duurde drie dagen. Op de eerste dag gaven afgevaardigden van niet minder dan vijftig inheemse organisaties blijk van hun sympathie met het streven van de PNI. Het was weer Soekarno wiens toespraak de grootste indruk maakte en met volle overgave werd nu onder het zwaaien van rood-witte vlaggen door alle congres-deelnemers het Indonesia Raya gezongen: de PNI, hoe betrekkelijk klein ook (ze telde nog geen vierduizend leden), ging, dat was duidelijk, wrikken aan de pijlers van het koloniaal bestel.
Van maand tot maand kwam [G.G.] de Graeff onder groter pressie te staan om met machtsmiddelen in te grijpen. Hij weigerde. Die pressie werd nog sterker toen zich aan de PNI eenzelfde proces ging voltrekken als zich in de tweede helft van ’26 rond de PKI had afgespeeld: Soekarno zelf werd meer en meer gezien als de Ratoe Adil, zijn PNI als de beweging die met steun van buiten de Nederlanders zou verjagen. Soekarno ging in de toespraken die hij bleef houden, zinspelen op een grote oorlog in de Stille Oceaan; hij had er een jaar eerder, in de zomer van '28, al over geschreven toen hij er op had gewezen dat Amerika, ‘gelijk het tienkoppig monster Dasamoeka º] dat zijn talrijke muilen heeft opengesperd om zijn vijand te verorberen’, Japan had omsingeld en dat Engeland besloten had, in Singapore een grote marinebasis aan te leggen – nu deed hij vaker uitlatingen van dien aard. Zou, als het tot oorlog kwam, Japan zich van Indië meester kunnen maken en zou die Japanse heerschappij conform de voorspelling van Djojobojo leiden tot de spoedige vorming van een onafhankelijk Indonesië? Geruchten deden de ronde dat er in 1930 op Java ongeregeldheden zouden uitbreken, gezegd werd dat wie aan de goede kant wilde staan, er verstandig aan deed, daarvan nu reeds blijk te geven. Steeds meer inheemsen gingen de bijeenkomsten van de PNI bezoeken, het ledental steeg van nog geen vierduizend in mei tot ca. tienduizend in december – vooral in Bandoeng en omgeving alsmede in Bantam kwam een sfeer van nerveus afwachten tot ontwikkeling. Zulks leidde er toe dat in de periodieke overzichten van de PID van spionnen afkomstige berichten opgenomen werden, inhoudend dat de PNI, naar gezegd werd, op 1 januari '30 naar de macht zou grijpen.
Eind december ging de Graeff overstag: hij ging er accoord mee dat de politie op heel Java op zondag 29 december des ochtends om zes uur huiszoeking zou verrichten in de kantoren en bij alle leiders en propagandisten van de PNI teneinde de partij-correspondentie in beslag te nemen en, zo seinde hij aan de minister van koloniën, ‘personen (te) verhoren enzovoorts.’ Die blanco-volmacht was de meeste hoofden van gewestelijk bestuur op Java van harte welkom: eindelijk konden zij tegen de PNI optreden.*) Zij lieten honderden arrestaties verrichten (dat zou er de schrik in brengen!) – bijna al die arrestanten (nergens waren wapens gevonden) werden spoedig vrijgelaten maar zeven leidende figuren, onder wie Soekarno, werden bij rechterlijk besluit in voorlopige hechtenis gesteld. Voor drie van die zeven werd die hechtenis na korte tijd beëindigd, voor de andere vier, onder wie Soekarno, werd zij verlengd – verlengd, ook toen uit de bestudering van alle in beslag genomen stukken alsmede uit de verhoren van meer dan honderd inheemsen die openbare of besloten vergaderingen van de PNI hadden bezocht, gebleken was dat men tegen de vier arrestanten slechts een vrij vage beschuldiging zou kunnen formuleren. ‘Voorlopige indruk onderzoek (is)’, deed de Graeff eind januari '30 aan de minister van koloniën weten, ‘dat althans Soekarno en enkele leiders zoal niet rechtstreeks op onlusten aansturend dan toch desbewust stemming hebben aangekweekt waaruit zij zelf konden begrijpen dat vroeg of laat onlusten moesten voortvloeien.
Wat met de arrestanten te doen? Maakte men het zich, vooral nu er zo weinig bezwarende gegevens waren, niet het gemakkelijkst door hen eenvoudig naar Boven-Digoel te deporteren? Dat weigerde de Graeff. Na lang beraad besliste hij dat Soekarno en de drie andere arrestanten voor de Landraad te Bandoeng, hun woonplaats, gedaagd zouden worden.
Het strafproces begon midden augustus. Tot eind september werden de getuigen verhoord, tezamen meer dan honderd, de meesten inheemsen die vergaderingen of cursusbijeenkomsten van de PNI hadden bijgewoond. Over die partij sprekend refereerden meer dan dertig hunner aan de Djojobojo-voorspelling en veertien getuigen verklaarden dat door PNI-sprekers, ook door Soekarno zelf, gezegd was dat in 1930 een grote oorlog in de Stille Oceaan zou uitbreken en dat Indonesië in dat jaar vrij zou worden als de volksbeweging, van die oorlog gebruik makend, er in zou slagen, het koloniaal gezag tot abdicatie te forceren. Door de officier van justitie werd ook nog aandacht besteed aan een op het oog zeer bezwarend document dat zich in het dossier bevond: een onondertekend plan tot voorbereiding van ondergrondse actie die moest uitlopen op een gewelddadige omverwerping van het Nederlands gezag. De PID had dit stuk uit Den Haag ontvangen – het was het door Semaoen opgestelde, door Hatta verworpen plan dat de politie in juni '27 bij Hatta in beslag had genomen. De officier van justitie kon evenwel op geen enkele wijze duidelijk maken dat de PNI iets met het stuk te maken had gehad.
Begin december sprak Soekarno een lange, twee volle dagen in beslag nemende verdedigingsrede uit die hij in zijn cel grondig had kunnen voorbereiden. Hoewel hij het Nederlands uitstekend beheerste, sprak hij in het Maleis (Onder de titel Indonesië klaagt aan! publiceerde de Arbeiderspers in '31 een Nederlandse vertaling.) – hij richtte zich immers tot de Bandoengse Landraad die uit een Nederlandse voorzitter en twee inheemse leden bestond, en hij wilde bovendien over hun hoofden heen zijn eigenlijke publiek bereiken: de inheemsen; wat hij betoogde, bevatte dan ook menige bloemrijke passage en veel aan de wajang-verhalen ontleende beeldspraak.
Het proces vond in hoofdzaak plaats op grond van artikel 153bis dat met gevangenisstraf tot een maximum van zes jaar een ieder bedreigd had, die ‘opzettelijk, zij het ook slechts indirect, bij wijze van aanduiding of in bedekte termen, ... tot aantasting van de in Nederland of Nederlands-Indië gevestigde regeringen oproept of daarvoor stemming maakt.’
Het in dat artikel gebezigd begrip ‘aantasting’ was voor velerlei uitleg vatbaar. Verstond men er onder: het aanzetten tot gewelddadige actie, dan gingen Soekarno en de PNI vrijuit, want dat hadden zij nagelaten; verstond men er onder: het bevorderen van het ontstaan van een volksbeweging die met kracht zou opkomen voor Indonesië’s onafhankelijkheid, dan waren zij schuldig, want juist dat hadden zij gedaan en in zoverre was de vraag of Soekarno persoonlijk had gerept van een oorlog in de Stille Oceaan waarvan de volksbeweging in '30 met hulp van Japan gebruik zou kunnen maken, nauwelijks relevant – hij zei overigens in zijn verdediging dat de getuigenberichten terzake onbetrouwbaar waren en voorts o.m. dat hij Japan als een kapitalistische en imperialistische mogendheid zag; ‘er is’, zei hij, ‘misschien geen Indonesiër die meer gekant is tegen Japan dan ik.’
Principiëler en sterker was zijn rede in alle passages waarin hij, getuigenis afleggend van een brede belezenheid, aan de hand van geschriften van socialistische theoretici en van socialistische en niet-socialistische critici van koloniale stelsels of van bepaalde aspecten daarvan (onder wie de Nederlanders Troelstra, Albarda, van Kol, J. E. Stokvis, Henriëtte Roland Holst, Kraemer, Snouck Hurgronje en een groot aantal liberale schrijvers over het Cultuurstelsel) diep inging op wat Nederlanders in vroeger eeuwen in de archipel hadden aangericht en op de gevolgen die het moderne kapitalisme en het moderne imperialisme voor Indië hadden gehad. In zijn gehele betoog terzake gaf hij het inheemse publiek dat hij wilde bereiken, als het ware college in de geschiedenis van hun eigen land. ‘Zucht naar winst’ was ‘het wezen’ geweest van de Oost-Indische Compagnie, van het Cultuurstelsel zei hij ‘dat het als een zweep neerstriemde op de hoofden en ruggen van ons volk’, Indië was met zijn bodemschatten, zijn overige natuurlijke rijkdommen en zijn extreem lage lonen ‘een paradijs voor de imperialisten dat zijn gelijke niet vindt in de gehele wereld’ – hij wees op het analfabetisme, de beperking van het stakingsrecht en het ontbreken van de normale politieke vrijheden, hij hekelde artikel 153 bis, de exorbitante rechten en de Europese pers (‘die geen andere moraal kent dan de geldmoraal, geen andere ethiek dan de geldethiek’), hij sprak zich uit tegen de voogdij-gedachte en de associatie-politiek, hij wees op ‘het bedrog van 1918’, hij had het over Indië’s ‘groots verleden’, hij schilderde de bloei waartoe Indonesië zou komen als het eenmaal vrij en onafhankelijk was. Dàt wilden de mannen van de PNI bereiken – ‘revolutionairen’ waren zij, ‘geen opstandmakers.’ Hoe die revolutie zich zou voltrekken, konden zij niet voorzien, maar dat zij zou komen, stond voor hen vast: geen volk ter wereld had zich ooit in een toestand van blijvende onvrijheid geschikt en ook voor het Indonesische volk zou eens de vrijheid dagen. Dat volk ‘wacht’, zei hij aan het slot van zijn toespraak, ‘met kloppend hart het moment af waarop het het opkomen van deze zon mag verwelkomen. Mèt dat volk van Indonesië wensen wij te lijden en mèt dat volk wensen wij de vreugde te delen. Mèt dat volk beiden wij uw uitspraak, edelachtbare heren rechters.
Want ... wij staan hier als delen van het in ellende kreunend volk, als zonen van Moeder Indonesië die haar trouw zijn. Onze stem ... blijft niet slechts binnen deze vier muren, onze stem wordt gehoord door het volk waaraan wij ons gegeven hebben ... Het Indonesische volk, dat onze stem hoort, trilt, als hoort het zijn eigen stem.
Uw oordeel over ons streven, edelachtbare heren rechters, is een oordeel over het streven van het volk van Indonesië zelf.
.... Wij bieden u dit alles ter overweging aan. En nu, onze harten vereend met dat van het volk, in deemoed trouw zwerend, geknield voor onze geliefde Moeder Indonesië, met het geloof dat het Indonesische volk en Moeder Indonesië voort zullen schrijden op de weg naar grootheid, bereiden wij ons, welk lot ons ook ten deel moge vallen, voor om uw uitspraak te horen.’
De drie andere voormannen van de PNI kregen gevangenisstraffen, variërend van één jaar en drie maanden tot twee jaar, Soekarno hoorde tot zijn verrassing en ontsteltenis vier jaar gevangenisstraf tegen zich uitspreken. Van die termijnen zou de periode van voorlopige hechtenis afgetrokken worden – hij zou dus tot 28 december '34 opgesloten blijven. Zijn verdedigers vroegen bij de Raad van Justitie te Batavia revisie van het vonnis aan – hun verzoek werd in april '31 afgewezen en Soekarno bleef gevangen in de Soekamiskin-gevangenis, iets ten westen [oosten] van Bandoeng. Boeken met een politieke strekking mocht hij daar niet lezen, hij verdiepte zich in de Bijbel en vooral in de Koran; zelf zei hij later dat hij toen voor het eerst de Islam had ontdekt.
*) De stemming die van der Plas tijdens zijn rondreis op Java en Madoera in de periode september ’27-maart '28 bij het BB-apparaat had aangetroffen, werd door hem als volgt weergegeven: ‘Een groot gedeelte van het Europees bestuur staat wantrouwend tegenover de regering. Het acht de regering blind voor de praktijk van het besturen; het meent dat de regering weifelt, geen beslissingen durft nemen, de ogen voor de feiten sluit ... Het moet met geringe middelen het overheidsgezag handhaven en meent dat de houding, welke het de regering toeschrijft, van laissez aller tegenover de volksleiders van ... [de] PNI die datzelfde gezag ondergraven ..., de uitoefening van zijn taak bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt.’
Het lijdt voor ons geen twijfel dat de wens om de PNI met één klap uit te schakelen eind '29 bij het BB-apparaat nog sterker leefde dan in de periode waarin van der Plas zijn onderzoek instelde.
º] Figuur uit het Ramayana-epos.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 346-347

[Surabaya 2 – Pasar Turi] 
[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Toen Soekarno in de ochtend van 31 december ’31 de poort van de Soekamiskin-gevangenis uitging, werd hij opgewacht door afgevaardigden van alle grote politieke en niet-politieke inheemse organisaties en in triomf naar zijn woning gevoerd. Daags daarna vertrok hij per trein naar Soerabaja waar op initiatief van de door hem opgerichte Federatie van de partijen der Indonesische volkeren een Indonesia Raya (Groot-Indonesië)-congres werd gehouden. Overal waar de trein op het lange traject van Bandoeng naar Djokjakarta langs kwam, stonden inheemsen te juichen en op de stations waar de trein stopte, was het zwart van de inheemsen die Soekarno wilden huldigen (een hunner zei, ‘dat de Staatsspoorwegen Soekarno wel dankbaar mochten zijn vanwege de vele perronkaartjes die de mensen gekocht hadden’). In Djokjakarta waar Soekarno zijn reis onderbrak, werd hij door een grote menigte vergezeld naar de woning van Dewantoro, de inspirator van het Taman Siswo-onderwijs, jegens wie hij van verbondenheid wilde getuigen.
Op 2 januari zette Soekarno zijn treinreis voort. Langs de gehele route herhaalden zich de tonelen die zich daags tevoren hadden afgespeeld en aan het Spoorwegstation te Soerabaja stonden uren voor zijn aankomst al duizenden inheemsen op hem te wachten. Rode en witte bloemen werden er druk verkocht, taxi’s reden er af en aan met rood-witte vlaggetjes. Toen Soekarno verscheen werd door een grote menigte het Indonesia Raya gezongen, gevolgd door een speciale ‘Soekarno-mars’.
In een hotelkamer ontving hij vervolgens een stroom van vooraanstaanden uit de inheemse beweging – ’s avonds om half negen zou hij het Indonesia Raya-congres toespreken in een zaal die plaats bood aan zestienhonderd personen. Drieduizend hadden er om zes uur al binnen weten te komen en honderden anderen, voor wie geen plaats was, stonden buiten. In en buiten de zaal werden liederen gezongen. Toen Soekarno arriveerde, hees men hem op de schouders – zó werd hij naar het spreekgestoelte gedragen.
De hem gebrachte eer en hulde zag hij, als niet voor hem persoonlijk bedoeld, ‘doch voor Soekarno als uw leider met hoge idealen en vol van de vurige wil om zichzelf ten dienste te stellen van het volk en van Moeder Indonesië, als uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten en die, zolang het lichaam van Soekarno nog leven heeft, zal voortschrijden om een vrij Indonesië te bereiken’ – zeer zelfbewuste woorden waren dat van de pas dertigjarige Soekarno, ‘uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten’ – hij zag zich dus als de grote voorvechter van de nationale onafhankelijkheid zoals zo menig volk er in zijn strijd tegen vreemde overheersing een had gekend. Als zodanig achtte hij zich ook gerechtigd zijn teleurstelling uit te spreken over de verdeeldheid die zich in de nationalistische beweging had geopenbaard. ‘Een volk’, zei hij ‘dat niet één kan zijn, is gelijk los zand dat gemakkelijk door de wind uit elkaar wordt geblazen. Wanneer echter dit zand bij elkaar blijft, bijeengestampt wordt tot cement, namelijk het cement van de geest, dan kan het sterk beton worden, en wel het beton van de nationale wil waaruit tenslotte de nationale daden voortkomen.
Broeders, helpt, draagt mijn stem uit tot Atjeh en Fakfak, door de hele wereld, van streek tot streek, van dorp tot dorp, van gehucht tot gehucht, van berg tot berg, ja tot zelfs in het rijk der geesten en feeën. Voor deze eenheid, broeders, ben ik toh pati – toh pati betekent dat ik, wanneer de eenheid een offer nodig heeft, gaarne mijn leven voor haar opoffer. Zo is het broeders, geeft mij uw steun en zegen!’
Oorverdovende toejuichingen volgden.
De ex-voorzitter van de opgeheven PNI, vrijgelaten uit gevangenschap, was bezig uit te groeien tot de figuur die vooral voor de eenvoudigen, onontwikkelden onder de politiek-bewuste inheemsen symbool was van de wil tot nationale onafhankelijkheid.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 347-349

[Jakarta 5 – Paleis] 

[G.G.] De Graeffs opvolger jhr. mr. B. C. de Jonge, in 1875 in Den Haag geboren, was, na in Utrecht rechten gestudeerd te hebben, in 1901 adjunct-commies bij het departement van koloniën geworden, onder minister Idenburg tot referendaris opgeklommen en in ’10 benoemd tot hoofd van de afdeling juridische zaken van het departement van oorlog. Minister van oorlog werd hij in juli '17 in het kabinet-Cort van der Linden. Hij was in ’18 in een scherp conflict verwikkeld geraakt met koningin Wilhelmina die de door haar bewonderde opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaal Snijders, in bescherming had genomen – de Jonge had er in moeten berusten dat Cort de zaak niet op de spits wilde drijven en dat de generaal dus in functie bleef. Hij had in dat conflict getoond, uit een harde houtsoort gesneden te zijn. Tot diegenen die hem waren gaan waarderen, behoorde Colijn en door diens toedoen ging de Jonge na het aftreden van het kabinet-Cort in de dienst van de Bataafse Petroleum Maatschappij over. Voor deze BPM maakte hij in '19 een oriëntatiereis o.m. naar Nederlands-Indië, in '21 werd hij een van de directeuren van de Koninklijke/Shell. Veel kansen om zich te ontplooien kreeg hij niet van de directeur-generaal, Sir Henry Deterding – dat hem zo weinig initiatief gelaten werd, ging hem irriteren en na anderhalf jaar legde hij zijn directeurschap neer; hij werd toen in de raad van commissarissen opgenomen, negen jaar later, in '30, tevens in de raad van bestuur van de BPM.
Was het nu verstandig een man uit de wereld van ‘de olie’ tot gouverneur-generaal te benoemen? Er kwam in Nederland scherpe kritiek van de linkerzijde – in Indië aanvankelijk kritiek van de Europese pers die vreesde dat de Jonge te weinig van Indië afwist. Die pers wijzigde evenwel spoedig haar houding toen bleek dat de nieuwe gouverneur generaal een man was van autoritaire gezindheid, van wie verwacht mocht worden dat hij, gelijk door veel Europeanen gewenst, ‘de Inlanders er onder zou houden.’ Hij had daar ruime mogelijkheden toe: aan agitatoren kon het vrij reizen in de Buitengewesten onmogelijk worden gemaakt, het oproepen tot stakingen die tot ordeverstoringen of ontwrichting van het economisch leven konden leiden, was verboden, elke actie, gericht op aantasting van het koloniaal gezag, was strafbaar, de persbreidel-ordonnantie was van kracht en de gouverneur-generaal kon, als hij voldoende steun vond bij de Raad van Nederlands-Indië, elke opponent tegen het koloniaal gezag binnen Indië verbannen, desgewenst naar het deportatiekamp Boven-Digoel.
De Jonge zou niet aarzelen om van al deze mogelijkheden het gebruik te maken dat hem noodzakelijk dunkte. Anders dan Idenburg, van Limburg Stirum en de Graeff, anders ook dan Fock die bepleit had dat de Volksraad een inheemse ‘meerderheid’ zou krijgen, was hij, evenals trouwens Colijn, van alle begrip voor het ontwakend Indonesië verstoken. Dat figuren als Soekarno, Hatta en Sjahrir slechts uitdrukking gaven aan wat, scherpbewust bij sommigen, vaag bij vele anderen, in de wereld der inheemsen was gaan leven, vermocht hij niet te zien. Hij beschouwde de gehele nationalistische beweging als een beweging van jeugdige heethoofden die stekeblind waren voor de immense voordelen welke, meende hij, Nederlands leiding en het Westers bedrijfsleven aan Indië hadden bezorgd – dat maakte hij al duidelijk in zijn intreerede op 12 september '31 waarin hij dat bedrijfsleven een uitbundige lof toezwaaide en de nationalistische beweging afdeed door te spreken over de ‘fantastische en ondoordachte theorieën van enkelen die blijkbaar menen hun volk te dienen door eisen te stellen waarvan zij vooruit weten dat ze voor de regering onaanvaardbaar zijn.’ De Wet op de Indische staatsinrichting schreef hem voor dat hij naar samenwerking met de Volksraad diende te streven – hij deed het, maar aarzelde niet om, als hij dat nodig vond, dwars tegen de wensen van dat college in te handelen. Als de ware vertegenwoordigers van de inheemsen zag hij de regenten en andere volkshoofden, van wie zijn voorganger de Graeff, een op dit punt aanzienlijk reëler man dan hij, beseft had dat bij de meesten hunner van werkelijke loyaliteit jegens Nederland geen sprake was – dat het inheems bestuur niet óók zijn stem verhief tegen het Nederlands gezag, kwam slechts, aldus de Graeff in mei '28, ‘omdat men inziet dat men de Nederlandse leiding nog niet missen kan, en vooral, dat eigen positie met dat gezag staat en valt.’ ‘(Wij) staan’, had de Graeff toen ook geschreven, ‘voor een eindeloze, steeds heftiger wordende strijd waarin wij het op den duur zullen moeten afleggen.’ Nodeloos en schadelijk defaitisme vond de Jonge dat. Zo dacht hij er in '31, zo dacht hij er in '36 over. In laatstgenoemd jaar verklaarde hij in een afscheidsinterview aan de redacties van De Deli Courant en De Sumatra Post: ‘Ik meen dat nu wij driehonderd jaar in Indië hebben gearbeid, er nog wel driehonderd jaar bij moeten komen, aléér Indië misschien voor een vorm van zelfstandigheid rijp zou zijn’ – kort tevoren had hij zich jegens een Engels bezoeker nog pregnanter uitgedrukt, deze meedelend dat hij elk gesprek met nationalistisch gezinden placht in te leiden met, aldus die Engelsman, te zeggen: ‘Wij Nederlanders zijn hier driehonderd jaar geweest; wij zullen hier nog eens driehonderd jaar blijven. Daarna kunnen wij praten’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 357-359

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

Als symptoom van de ‘verrechtsing’ van het Nederlandse deel van de samenleving wekte de oprichting van de Vaderlandse Club in de tweede helft van '29 bezorgdheid bij een aantal Nederlanders die de behoefte gevoelden om de ethische politiek een nieuwe impuls te geven. Dertien hunner richtten begin '30 een vereniging op, de Vereniging tot bevordering van de maatschappelijke en staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië, die van maart '30 af een veertiendaags blad ging uitgeven, De Stuw geheten – de vereniging werd toen en later ‘de Stuw-groep’ genoemd.’
Tot de oprichters behoorden twee benoemde leden van de Volksraad, van wie mr. Jonkman er een was, twee buitengewone hoogleraren van de Rechtshogeschool te Batavia die hun hoofdfunctie vonden bij het gouvernement, en een aantal hoofdambtenaren. Typerend genoeg was evenwel slechts één van die oprichters uit de kringen van het BB-apparaat afkomstig: H. J. van Mook, in '30 werkzaam als assistent-resident voor politie-aangelegenheden te Batavia en tevens als referendaris op het bureau voor bestuurshervorming. Alle oprichters hadden de invloed van Snouck Hurgronje ondergaan.
Blijkens haar beginselverklaring wilde de Stuw-groep ‘beproeven aaneensluiting en samenwerking tot stand te brengen tussen Nederlanders hier te lande, die overtuigd zijn dat hun plicht als Nederlander is mede te werken aan de verdere uitvoering van Nederlands koloniale taak, welke voltooid zal zijn wanneer een Indisch Gemenebest in de rij der zelfstandige volken een eigen plaats inneemt’ – men ziet: deze doelstelling lag geheel in de lijn van de ethische politiek.
Er werd in die doelstelling gesproken van een ‘Indisch’, niet van een ‘Indonesisch’ Gemenebest – daarmee werd aangegeven dat Indië als het vaderland gezien werd niet alleen van de Indonesiërs maar ook van de andere er wonende volksgroepen. ‘De Nederlander-blijver, de Indo-Europeaan, de Indo-Chinees en de Indonesiër zullen’, zo stond in november '30 in De Stuw te lezen, ‘moeten leren inzien dat zij het met elkaar moeten leren vinden op straffe van veel nodeloze vertraging.’ Had dat Gemenebest (De Stuw liet zich over zijn structuur niet uit) het recht op onafhankelijkheid? Op die vraag, al in april '30 door een inheems jurist gesteld, gaf de redactie een bevestigend antwoord, hetwelk ruim twee jaar later door prof. mr. J. H. A. Logemann, hoogleraar aan de Rechtshogeschool te Batavia en sinds '32 voorzitter van de Stuw-groep, nog eens werd herhaald.
Dergelijke opvattingen spraken de in Indië werkzame Nederlanders nauwelijks meer aan. De Stuw, waar van Mook de meeste bijdragen in schreef, kreeg slechts ca. tweehonderdzeventig abonné’s en gezien het feit dat ook inheemsen en Vreemde Oosterlingen zich konden abonneren, was het aantal leden van de groep vermoedelijk nog geringer; actief was zij slechts in Batavia waar zich de Rechtshogeschool bevond waarvan vijf hoogleraren bestuurslid of lid van de groep waren; een leraar klassieke talen, tevens buitengewoon lector aan de Rechtshogeschool, dr. P. J. Koets, trad als secretaris-penningmeester op.
Groep en blad wekten in conservatieve kringen felle tegenstand. Vooral de Vaderlandse Club liet zich niet onbetuigd. Haar blad publiceerde in de zomer van '30 een gedicht, waarin met betrekking tot De Stuw die de uit het Indonesia Raya blijkende ‘eenheidsconstellatie’ zou onderschrijven, onder meer te lezen stond:
Jouw constellatie, apekool!
een aberratie, larie,
een anti-Nederlands dwangparool
en PNI-bombarie.
Want Indonesië is een land
van Nederlands creatie!
Het Nederlands gezag de band
van heel de populatie.’
Hoewel van de Stuw-groep uit kritiek werd uitgeoefend op het vonnis tegen Soekarno c.s., vertrouwden de meeste inheemse nationalisten de groep niet recht. Bij de Indische Nederlanders wekte zij grote weerstand toen zij ging bepleiten dat dezen wel grondeigendomsrechten moesten krijgen maar op voorwaarde dat zij juridisch geheel aan de inheemsen zouden worden gelijkgesteld. Gouverneur-generaal de Graeff stond met sympathie tegenover de groep; hij achtte het van belang dat haar stem in de Volksraad zou worden gehoord - in '31 was van Mook een van de negen Nederlanders die hij voor vier jaar tot Volksraadslid benoemde.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 359-360

[Jakarta 4 – Molenvliet West] 

Het spreekt vanzelf dat [G.G.] de Graeffs opvolger de Jonge voor de in De Stuw verkondigde denkbeelden geen goed woord over had. Terecht zag hij van Mook als de drijvende kracht achter het blad - hij weigerde hem tot opvolger van Logemann te benoemen die hoogleraar in Leiden zou worden *), en maakte eind '33 duidelijk dat van Mook een leidende functie zou krijgen aan het pas ingesteld departement van economische zaken, hetwelk als gevolg van de vele maatregelen die ter opvanging van de diepe crisis genomen moesten worden, met werk overstelpt was. ‘Van Mook’, schreef de Jonge later, ‘was een man die men vier-en-twintig uur van de vier-en-twintig uur moest laten werken; zo iemand is goed als men hem een taak geeft waarin hij zich kan uitleven.
Het was een slimme zet. Eind '33 besloten de leden van de Stuw-groep, de uitgave van hun blad te beëindigen – de in Indië werkzame Nederlanders waren toen nog minder ontvankelijk geworden voor hun denkbeelden dan zij begin '30 al waren geweest; dat was gevolg van een gebeuren dat de Europeanen in Indië diep had geschokt: de geheel onverwachte muiterij op het pantserschip ‘De Zeven Provinciën’.
*) De Jonge kon er als zakelijk argument op wijzen dat Logemann staatsrecht had gedoceerd en dat van Mook geen jurist was, maar zijn werkelijke bezwaren tegen van Mook lagen in het politieke vlak - deze had hem extra geïrriteerd door als Volksraadslid mèt een meerderheid van andere leden de onderwijsbegroting voor '33 te verwerpen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 368-370

[Bandung 1A – Nationaal Socialistische Beweging] 
[Jakarta 5 – Paleis]
 

Van belang voor de Nederlandse NSB was vooral dat de Indische van een vroeg stadium af gelden aan haar ter beschikking kon stellen. In '35 was dat overigens nog maar een vrij laag bedrag: f 8 000 – het eerste deel daarvan werd gebruikt voor de actie ten behoeve van de eerste verkiezingen waar de NSB aan deelnam: die voor de Provinciale Staten in april '35. Daarbij verwierf de partij op slag bijna 8 % van de stemmen, hetgeen als een bemoedigend succes werd beschouwd. Hoe nu verder te komen? Mussert zag een bezoek aan Indië (een land waaraan nimmer een Nederlandse politicus in zijn functie van partijleider een bezoek had gebracht) als een middel om nieuwe aandacht voor zijn persoon en zijn denkbeelden te wekken. Het geld voor zijn reis (een reis per vliegtuig, hetgeen in die tijd nog ongebruikelijk was) werd voor de helft door enkele vermogende NSB’ers in Nederland, voor de helft door de Indische NSB ter beschikking gesteld.
Ongeveer een maand lang, van midden juli tot midden augustus '35, verbleef de leider van de NSB in Indië. Hij werd er tweemaal door de gouverneur-generaal ontvangen: onmiddellijk na zijn aankomst en kort voor zijn vertrek.
Wat bewoog de Jonge? In de eerste plaats de wens om te verhoeden dat de Indische NSB zich tegenover het gouvernement zou opstellen. Mussert kreeg in de eerste audiëntie te horen dat de gouverneur-generaal wenste dat de Indische NSB steun zou verlenen aan het gouvernement en de Jonge voegde er aan toe dat hij niet zou aarzelen, Mussert Indië uit te zetten als deze zich misdroeg. In de tweede plaats kon de Jonge, autocratisch als hij was, zich heel wel vinden in veel van wat Mussert in Nederland had betoogd. *] Op Mussert (‘een fatsoenlijk, goedwillend man’, schreef hij later, ‘maar niet uit het hout gesneden om een leidersrol te vervullen’) had hij tegen, dat deze, door Colijn te bestrijden, bemoeilijkte dat de anti-revolutionaire staatsman in autoritaire richting opschoof. De Jonge’s bezwaren tegen de NSB lagen dus in het tactische, niet in het principiële vlak en de houding die men in Nederland jegens de NSB innam (een verbod aan ambtenaren om lid van de NSB te zijn, ‘dat’, aldus de Jonge, ‘toenmaals hoogstaande en onverdacht goede Nederlanders trof ... en verder pesterij, treiteren en provocatie’) keurde hij af – hij had een voorstel van de procureur-generaal om de NSB ook in Indië voor ambtenaren te verbieden naast zich neergelegd.
Bij de tweede –, de afscheidsaudiëntie speelde bij de Jonge mede, zo schreef hij later, ‘een zekere geprikkeldheid over de houding van Holland’ een rol: de gouverneur-generaal was van mening dat de publieke opinie in Nederland, die de eerste audiëntie scherp had afgekeurd, zich met zijn beleid niet te bemoeien had. Een groot deel van de Europese pers in Indië viel hem bij. ‘De landvoogd’, aldus midden augustus het Soerabaiaas Handelsblad, ‘heeft het geschreeuw op waardige wijze beantwoord door de heer Mussert een tweede audiëntie toe te staan.’
Niet ten onrechte zagen de in Indië gevestigde Nederlanders al de eerste aan Mussert toegestane audiëntie als een aanwijzing dat de gouverneur-generaal zekere sympathie voor de NSB koesterde. De Jonge’s houding kwam de belangstelling voor Musserts rondreis ten goede. [...]
Na Musserts bezoek groeide het aantal NSB’ers in Indië vrij snel. Er waren vóór zijn komst naar schatting ca. vijf-en-twintighonderd leden en begunstigers geweest – daar kwamen nu ca. tweeduizend bij, hetwelk betekende dat de Indische NSB eind '35 meer leden had dan de Vaderlandse Club. De grootste groepen bevonden zich in Batavia, Bandoeng en Medan.
*] Anders dan Idenburg, van Limburg Stirum en de Graeff, anders ook dan Fock die bepleit had dat de Volksraad een inheemse ‘meerderheid’ zou krijgen, was hij, evenals trouwens Colijn, van alle begrip voor het ontwakend Indonesië verstoken.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 428-429

[Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 571-576] 

Wij komen nu tot de Parindra en de Gerindo die respectievelijk in ’35 en ’37 werden opgericht; het voornaamste verschil tussen die twee was dat de Gerindo ingrijpende sociale hervormingen wenste en dat de Parinfdra daar minder behoefte aan had. De Partai Indonesia Raya (de Partij van Groot-Indonesië) oftewel de Parindra, werd in december ’35 in Soerakarta gevormd uit een samengaan van de oude Javaanse groepering Boedi Oetomo (‘aristocratisch-intellectualistisch’, zoals wij eerder schreven) met enkele andere groeperingen waaronder een van Oost-Javaanse intellectuelen welke aldaar en op Zuid-Celebes belangrijk sociaal werk had gedaan onder leiding van Soetomo, een van de oprichters van Boedi Oetomo, later oprichter van de Studieclub te Soerabaja die verbonden was geweest met de overeenkomstige club te Bandoeng waaruit Soekarno’s PNI was ontstaan. De naam van de nieuwe partij was al een program: de titel van het Indonesisch-nationalistische volkslied werd er in herhaald. Voorzitter van de partij werd Soetomo en in zijn persoon had de Parindra dus een duidelijke band met het nationalisme uit de jaren ’10 en ’20 – zij kreeg een duidelijke band met het nationalisme uit het begin van de jaren ’30 in de persoon van Thamrin die leider werd van de Parindra-fractie in de Volksraad, hij was door het gouvernement steeds als de lastigste criticus beschouwd.
De Parindra was een beweging van inheemse stedelingen uit de hogere lagen van de inheemse samenleving. Zij zette het werk van de bond van intellectuelen voort in dier voege dat ook zij ging streven naar een betere organisatie en een sociale verheffing van het inheemse volksdeel: zij richtte tientallen handels- en kredietcoöperaties op alsmede een bankinstelling, een armenhuis en een polikliniek; ook gaf zij zich moeite om door het uitzenden van onderwijzers het analfabetisme te bestrijden en organiseerde zij voorlichting aan landbouwers en eigenaren van prauwen. Haar ledental (onder die leden bevonden zich talrijke inheemse bestuursambtenaren) bleef beperkt – er waren nog geen vierduizend leden in ’37, wellicht tienduizend in ’40; de aanhang was evenwel breder dan die cijfers doen vermoeden. Dat bleek, toen haar voorzitter Soetomo in mei ’38 in Soerabaja overleed: omstreeks vijftigduizend inheemsen volgden zijn baar. Raden Mas Ario Woerjaningrat, een van de regenten in het vorstendom Soerakarta, werd zijn opvolger.
De Parindra was afkerig van een drastische hervorming van de inheemse samenleving. Inheemse voormannen die wèl voorstanders waren van zulk een hervorming, richtten in mei ’37 in Batavia een eigen groepering op, de Gerakan Rakjat Indonesia (de Indonesische Volksbeweging) oftewel de Gerindo. bedoeld, zo deed de voorzitter, med. Drs. A.K. Gani, blijken, ‘als linkse correctie op de rechtse Parindra’. Tot de oprichters van de Gerindo behoorden verscheidenen die eerst voorman waren geweest van de Partindo, de voortzetting van Soekarno’s PNI.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 502-503

[Jakarta 7 – Japan] 

Bij de Japanse spionage waren velen betrokken, in de eerste plaats de Japanse consulaire ambtenaren – overtuigende bewijzen daarvoor werden midden december '41 in Menado gevonden waar uit Batavia overgevlogen ambtenaren van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken in het archief van het Japanse consulaat niet alleen paperassen vonden, ‘waarin’, aldus hun rapport, ‘tal van gegevens voorkwamen over inheemse ambtenaren in de Minahassa alsmede een plan voor de overname van de administratie van dit gebied na een bezetting door Japan’, maar ook o.m. een opdracht van de Japanse consul-generaal in Batavia, ‘met aanhaling van een telegram van de minister van buitenlandse zaken, om scheepsbewegingen in de Stille Zuidzee, de Indische Oceaan en de Zuid-Chinese Zee te rapporteren’; voorts troffen zij in het consulaatsarchief ‘vele en uitvoerige telegrafische rapporten’ aan over de aanleg, de outillage en de bezetting van het vliegkamp van de Marineluchtvaartdienst bij Menado en over de aanleg van een legervliegveld, ‘sommige dezer gegevens waren afkomstig van inheemse berichtgevers.’ Men moet wel aannemen dat de Japanse consul-generaal in Batavia (van september '39 tot november '40 breidde zijn staf zich van acht tot achttien medewerkers uit) dit soort opdrachten regelmatig aan zijn consuls heeft gegeven en dat de Japanse consulaire dienst ook elders dan in de Minahassa inheemsen als verspieders heeft kunnen inschakelen. Het kwam verder herhaaldelijk voor dat officieren van de Japanse marine, soms ook van het Japanse leger, als z.g. burgers en onder een valse naam aan de staf van het consulaat-generaal werden toegevoegd – met één marineofficier, Mamoroe Ota, geschiedde dat in '37 en hij bleef vier jaar lang op Java vertoeven waar hij, met een auto rondrijdend, tal van militaire waarnemingen kon doen. Er zijn aanwijzingen dat tijdens deze en dergelijke verkenningen de punten op Java’s noordkust werden uitgekozen die zich het beste leenden voor Japanse landingen.
Incidenteel verschenen voorts schepen van de Japanse marine in Indische wateren die van hun officieel bezoek gebruik maakten om de nodige waarnemingen te doen. Meer systematisch werden er verkenningen uitgevoerd door Japanse vissersschepen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 523-524

[Bandung 1A – Nationaal Socialistische Beweging] 

Eerder vermeldden wij dat in mei '40 in Indië niet alleen ‘Duitsers’ maar ook ‘NSB’ers’ ter internering werden opgepakt, en dat begrip ‘NSB’ers’ hebben wij eveneens tussen aanhalingstekens geplaatst: niet allen die gearresteerd werden, waren lid van de NSB of zelfs maar sympathisant met deze beweging.
Op 10 mei '40 was van Starkenborghs besluit van de 9de gepubliceerd waarbij de NSB tot een voor gouvernementsdienaren verboden vereniging was verklaard. Zodra bericht was dat Duitsland Nederland had aangevallen, ging dat velen niet ver genoeg. In Bandoeng werd nog op de 10de het kringhuis van de NSB door jeugdige Europeanen bestormd en hier werden vijftien NSB’ers, onder wie de redacteuren van het NSB-weekblad Het Licht, gearresteerd. Ook in Semarang en Soerabaja
vonden arrestaties plaats. In Batavia begonnen zij op de 11de: acht arrestaties, maar toen een spreker van de Nirom, reagerend op de berichten uit Nederland, alle luisteraars had aangeraden verdachte personen bij de autoriteiten van politie en leger aan te geven, was het hek van de dam. Ook in Indië leidde de Vijfde Colonne-paniek tot absurde geruchten (de waterleiding zou vergiftigd zijn en de Vijfde Colonnisten zouden talrijke geheime zenders hebben gebouwd) en niet minder absurde publicaties. Zo berichtte het Bataviaas Nieuwsblad op 18 mei (het bericht werd in andere dagbladen overgenomen) dat bij een gearresteerde instructeur van een politieschool op Java een lijst was gevonden met de namen van meer dan honderd andere Nederlanders, onder wie drie bestuursambtenaren, die ‘dadelijk na de Duitse bezetting moesten worden gefusilleerd’ – het
bericht gaf de Indische Courant drie dagen later als commentaar in de pen, ‘dat er sprake moet zijn geweest van een komplot om zich hier, tezamen met de Duitsers, meester te maken van dit land.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 571-576

[Jakarta 7 – Thamrin] 

Over de toch al moeilijke verhouding tussen het gouvernement en de nationalistische beweging viel begin januari '41 de schaduw van een gebeuren dat veel Indonesiërs diep schokte: bij Thamrin, die zich sinds '27 in de Volksraad als de scherpste criticus van het gouvernement had ontpopt, werd op de avond van 6 januari huiszoeking gedaan; door een aanval van malaria lag hij ziek te bed, er werd hem van de zijde van de politie huisarrest opgelegd en vijf dagen later overleed hij, geheel onverwachts.
Waarom die huiszoeking?
Zij vloeide in hoofdzaak voort uit het feit dat het gouvernement al sinds verscheidene jaren Thamrin zag als een nationalist die er zozeer van overtuigd was dat Nederland geen wezenlijke concessies zou doen aan de nationalistische beweging dat hij hoop was gaan koesteren op een Japans ingrijpen. Die hoop leefde, gelijk in hoofdstuk 8 vermeld, bij menige Indonesiër – wij haalden toen Sjahrir aan die in augustus '37 had geschreven dat men ‘in geheel Indonesië tot in de verst gelegen kampongs vast overtuigd is van de macht der Japanners, en dat de Hollanders daartegen niets, maar dan ook niets hebben in te brengen.’ Dat was, zo merkten wij op, te generaliserend gesteld maar veel spreekt er voor dat in elk geval Thamrin van die macht der Japanners overtuigd was – het was dan ook geen toeval dat zijn Parindra *], in tegenstelling tot de Gerindo, contacten met Japan geenszins uit de weg ging. Wij herinneren er aan dat, gelijk in hoofdstuk 8 vermeld, Soetomo, toen voorzitter van de Parindra, in '36 Japan bezocht en in een reeks pro-Japanse artikelen verslag deed van zijn ervaringen; voorts, dat een lid van de Parindra, Raden mr. Soedjono, in Tokio docent in het Maleis werd aan de School voor Vreemde Talen; verder, dat van de twee redacteuren van het in Semarang met Japans geld opgerichte dagblad Sinar Selatan één lid van de Parindra was; en tenslotte dat er aanwijzingen waren dat Thamrin en Wirjopranoto (een tweede prominente vertegenwoordiger van de Parindra in de Volksraad) betrokken waren geweest bij een mislukte Japanse poging om ook in Batavia een pro-Japans inheems dagblad te doen verschijnen. Wij voegen hieraan toe dat, naar in '39 aan de PID bekend werd, Thamrin in regelmatig contact stond met de hoofdredacteur van het in Batavia verschijnende Japanse dagblad, de Tohindo Nippo.
Dit alles werd door het gouvernement met argwaan gadegeslagen en deze strekte zich eind ’39-begin '40 niet alleen tot Thamrin en Wirjopranoto uit maar ook tot de Menadonees dr. G.S.J.J. Ratu Langie, een intelligent man die van '27 tot '37 lid van de Volksraad was geweest en daarin binnen de groep der nationalisten steeds verder naar links was opgeschoven. Al te openhartige contacten met deze drie werden begin '40 aan het Volksraadslid Kerstens, voorzitter van de Indische Katholieke Partij (en wellicht ook aan andere Nederlandse Volksraadsleden) ontraden. ‘Ik ben’, schreef Kerstens eind januari '40 aan van Poll (zulks in een brief waarin hij over het immobilisme van het gouvernement de staf brak), ‘zowel door confidentiële waarschuwingen van de zijde van het hoofdparket als van de Generale Staf en door gesprekken o.a. met Idenburg’ (toen nog directeur van Onderwijs en Eredienst) ‘en Lovink’ (het hoofd van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken) ‘er van op de hoogte dat het driemanschap Thamrin-Ratu Langie-Wirjopranoto gevaarlijke relaties met Japanse autoriteiten onderhoudt en er naar streeft, Japanse hulp te gebruiken als breekijzer op de Nederlandse ‘onwil’ tot het doen van staatkundige concessies. De Indische regering zou de bewijzen in handen hebben dat dit drietal hoogverraderlijke handelingen pleegt’ – nu, bewijzen voor ‘hoogverraad’ waren er niet. [...]
Kort na 10 mei '40 kwam bij de PID weer een nieuw bericht binnen, nu afkomstig van de resident van Batavia; aan deze was namelijk ‘onder aanbod van ede’ door een Nederlander verklaard, ‘dat hij op 10 mei j.l. met de dagexpress naar Soerabaja had gereisd samen met Thamrin die zich toen tegenover hem had uitgelaten dat het in het belang van Indië was, indien een grote mogendheid, Duitsland of Japan, Indië in bezit kreeg, aangezien de Inlandse bevolking daarvan meer te verwachten had dan van Holland.’
Enkele dagen later reageerde Thamrin op Nederlands capitulatie en op het vertrek van de regering naar Londen op een wijze die het gouvernement hogelijk irriteerde: in de Volksraad stelde hij namelijk de vraag of de verplaatsing van de regeringszetel wel in overeenstemming was met de bepalingen van de Grondwet. Hij schreef bovendien op 17 mei (maar dat wist het gouvernement toen niet) een brief aan de hoofdredacteur van het in Batavia verschijnende dagblad Pemandangan, Tabrani, waarin hij deze aanspoorde, het vertrek naar Londen van de koningin en van het kabinet-de Geer scherp te veroordelen. Hoe die brief precies luidde, is niet bekend – aan Koch werd, zo schreef deze later, ‘door iemand die de inhoud ... kende, verzekerd dat, ware een Nederlander de schrijver geweest, de smartelijk-teleurgestelde, goed-Nederlandse geest ervan waardering zou hebben verdiend.’
Hoe dat zij, Tabrani begreep dat de brief, viel hij het gouvernement in handen, voor Thamrin bezwarend zou zijn – in oktober '40, toen hij na een conflict met Thamrin zijn hoofdredacteurschap neerlegde en als journalist bij de Regeringspubliciteitsdienst ging werken, had hij van de brief een cliché laten vervaardigen. Het ontging de PID niet dat Thamrin op 31 augustus '40, de zestigste verjaardag van koningin Wilhelmina, de Nederlandse vlag niet had uitgestoken; de PID meende dat hij daarmee opnieuw ‘zijn niet-loyale gezindheid (had) gedemonstreerd’ – Thamrin was evenwel, aldus de dienst, na mei '40 ‘voorzichtiger geworden in de omgang met Japanners’: die had hij beperkt tot de hoofdredacteur van de Tohindo Nippo. Wij nemen aan dat hiermee Thamrins contacten in het persoonlijke vlak werden bedoeld, want in het zakelijke (hij was zelf een gefortuneerd zakenman) had hij méér relaties met Japanners en Japanse instanties, o.m. met een Japanse handelsagent te Batavia, Sato. Deze vroeg Thamrin medio '40 of hij iemand kon aanbevelen voor het schrijven van rapporten over de economie van Nederlands-Indië, zulks tegen betaling – Thamrin gaf toen het advies, contact op te nemen met de gewezen voorman van de Indische Partij, E.F.E. Douwes Dekker die, politiek geïsoleerd en verbitterd, in Bandoeng een onderwijsinstelling leidde waaraan hij zelf sinds '37 niet langer les mocht geven. Douwes Dekker verkeerde in financiële moeilijkheden en voelde er voor, op het aanbod van Sato in te gaan, maar zocht rugdekking: bewerend dat hier sprake was van een wetenschappelijke opdracht, bracht hij het Japanse aanbod ter kennis van het departement van onderwijs en eredienst en dit had er geen enkel bezwaar tegen dat hij met Sato in zee ging; het lag voor de hand te veronderstellen dat Douwes Dekker slechts gebruik zou kunnen maken van gepubliceerde (en dus voor de Japanners al toegankelijke) gegevens. De PID werd door Onderwijs en Eredienst niet ingelicht – had het departement dat wèl gedaan, dan zou het stellig anders hebben gereageerd, want de PID wist dat ook Douwes Dekker er pro-Japanse sympathieën op na hield. Deze ontving, toen hij eenmaal begonnen was te rapporteren, van het Japanse consulaat-generaal te Batavia elke maand f 700 – in Indische verhoudingen een hoog bedrag.
Doorslagen van zijn voor Sato geschreven rapporten werden door Douwes Dekker aan Thamrin toegezonden. Wij weten van de inhoud niets, behalve dat er één rapport bij was dat, hetzij in uitgesproken termen, hetzij impliciet aangaf welk economisch beleid het best in Indië zou kunnen worden gevoerd als het Nederlands gezag ten val was gebracht.
Wat nu op maandag 6 januari '41 aan de huiszoeking bij Thamrin vooraf is gegaan, weten wij niet precies, maar veel pleit er voor dat zij voortvloeide uit het feit dat op een van de onmiddellijk daaraan voorafgaande dagen tot de PID een van Tabrani afkomstig bericht doordrong omtrent Thamrins brief van 17 mei '40 – althans: op maandagochtend vervoegden zich drie PID-rechercheurs bij de bureaus van het blad Pemandangan en vroegen er zowel naar het origineel van de brief als naar het cliché dat Tabrani had laten maken; de brief was zoek, het cliché werd in de brandkast gevonden. Daar werd een afdruk van gemaakt – de PID zag kennelijk de tekst als een nieuw en overtuigend bewijs voor Thamrins ‘niet-loyale gezindheid’. Wat had hij nog méér geschreven? Er werd tot huiszoeking besloten – bij die huiszoeking, waarbij men Thamrin vroeg of hij zijn kopie van zijn brief aan Tabrani had bewaard, vond men Thamrins correspondentie met Sato inzake de aanstelling van Douwes Dekker en de afschriften van diens rapporten, waaronder het afschrift van het ene rapport waarvan wij zojuist de inhoud aanduidden. Aan Thamrin werd huisarrest opgelegd, Douwes Dekker werd gearresteerd (van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om ook Ratu Langie op te pakken) en er volgden nog meer politie-invallen ten kantore van het blad Hong Po en van de daarmee verbonden vereniging, de Hoo Hap.
Dr. Ratu Langie tegen wie men geen spoor van bewijs had, werd spoedig vrijgelaten, ten aanzien van Douwes Dekker werd besloten, hem in Ngawi te interneren – en Thamrin, gelijk reeds vermeld, stierf te zijnen huize op de vijfde dag van zijn huisarrest.
Het overlijden van de man die jarenlang in de Volksraad leider was geweest van de nationalistische, later van de Parindra-fractie en het initiatief had genomen tot de oprichting van de Gapi, maakte diepe indruk in de inheemse wereld – velen legden een direct verband tussen het optreden van de politie en zijn dood en gingen hem als een martelaar voor Indonesië’s vrijheid beschouwen. Begraven werd hij, schrijft Jonkman (die de begrafenis bijwoonde), ‘als een vorst’ – tienduizenden volgden zijn baar. Opheldering gaf het gouvernement niet; het ging niet verder dan door de Regeringspubliciteitsdienst te laten verklaren dat aan de berichtgeving terzake in de Europese pers, die geschreven had dat Thamrin kennelijk een belangrijke spionage-agent van de Japanners was geweest, alle grond ontbrak. In de inheemse wereld leidde Thamrins dood ook nog tot nieuwe verontrustende geruchten, zo in de eerste helft van februari tot het gerucht, aldus het gouvernementspersoverzicht, ‘dat thans een Japanse inval op handen zou zijn, van welk feit de regering op de hoogte zou zijn uit de bij wijlen Thamrin gevonden stukken die zelfs de datum zouden vermelden.’
*] zie Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 428-429 

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 874, 875-876

[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 

Dat de Amerikaanse bommenwerpers begonnen waren Java te verlaten en dat ook de Amerikaanse technici en andere bondgenootschappelijke militairen voor wie geen wapens beschikbaar waren, werden geëvacueerd, gaf extra klem aan de vraag die eigenlijk al in alle duidelijkheid opgeworpen was op 18 februari [1942], toen was komen vast te staan dat geen troepen meer naar Java zouden worden gezonden: wie moesten in dat late stadium blijven en aan wie moest opdracht worden gegeven te vertrekken?
Als algemene richtlijn had het gouvernement al voor het uitbreken van de oorlog in de Pacific bepaald dat, als de Japanners een bepaald gebied zouden bezetten, de ambtenaren van het Binnenlands Bestuur en van de gouvernementsdiensten ter plaatse moesten blijven. Is ooit evacuatie van de Europeanen overwogen? Daar is geen enkele aanwijzing voor.
De Engelsen hadden in '40-’41 op Hongkong en op Malakka en Singapore de Engelse vrouwen en kinderen de gelegenheid gegeven naar het moederland terug te keren, maar dat waren betrekkelijk kleine groepen geweest van enkele duizenden personen – in Indië, dat in '40 ca. tachtigduizend Nederlanders, totoks, en ruim tweehonderdduizend Indische Nederlanders telde, waren die groepen (tussen welke het gouvernement geen onderscheid kon maken: allen waren Nederlandse staatsburgers) aanzienlijk groter en hadden velen een oorlogstaak: mannen voor wie de militaire, vrouwen voor wie de burgerdienstplicht gold. Evacueerde men de overigen, waar zou men ze dan naar toe moeten sturen? Het moederland was bezet en in Australië en Nieuw-Zeeland waren personen van gemengde afkomst niet welkom. [...]
Waren dit alles verplaatsingen binnen de archipel, er vonden ook enkele verplaatsingen naar gebieden daarbuiten plaats die de strekking hadden te voorkomen dat bepaalde goederen en personen in Japanse handen zouden vallen, en te bevorderen dat buiten Indië een voortgezette oorlogsinspanning mogelijk zou zijn.
In januari werd er mee begonnen de goudvoorraad van de circulatiebank, de Javase Bank, voorzover niet al buiten Indië gedeponeerd, naar elders over te brengen. Goud ter waarde van ca. f 250 mln bevond zich reeds in de Verenigde Staten – op Java lag nog een restvoorraad ter waarde van ca. f 120 mln, gedeeltelijk bestaande uit het goud dat particulieren in '40 hadden moeten inleveren. Die restvoorraad werd in januari en februari naar Australië, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten verscheept. Overwogen was ook, alle in '40 ingeleverde effecten te verschepen, maar dat was, zo seinde van Starkenborgh begin maart aan Gerbrandy, ‘nutteloos geacht.’
Nog vóór de Japanse landingen op Java werden successievelijk geëvacueerd: de resterende schepen die niet in Indië nodig waren (van 17 februari af), de vliegscholen (18 en 19 februari), de Knilm (in de nacht van 19 op 20 februari) en de directieleden van de scheepvaartmaatschappijen (op 21 en 22 februari) – men ziet: tot al die maatregelen op één na (de schepen) werd pas overgegaan nadat op 18 februari was komen vast te staan dat geen troepen meer naar Java gezonden zouden worden. Bij al die evacuaties wilde het gouvernement dat de regel werd aangehouden dat de vrouwen en kinderen van te evacueren personen op Java zouden achterblijven. Die regel wekte sterke weerstanden en er werd toen nader bepaald dat wie er bezwaar tegen had zijn gezin achter te laten, niet behoefde te vertrekken.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 903-904

[Surabaya 3 – Alg. N.I. Electr. Mij] 

Voor de bij die uitvoering te volgen koers bestonden er twee mogelijkheden: Doorman kon recht in de richting van Straat Makassar varen of hij kon voor de kust van Madoera en Oost-Java gaan kruisen. Aangezien hij in de nacht als het ware blind zou varen en, de eerste mogelijkheid kiezend, heel wel, zonder het te merken, het Japanse convooi op grote afstand kon passeren, besloot hij tot de tweede mogelijkheid. Hij stelde verder vast, welke formatie de Striking Force zou aanhouden en welke tactiek zou worden gevolgd als men de Japanners zou ontmoeten, en riep vervolgens laat in de middag de commandanten van alle tot zijn eskader behorende eenheden bijeen in het door de marine gevorderde hoofdkantoor van de Algemene Nederlands-Indische Electriciteitsmaatschappij. ‘De commandanten’, aldus later de commandant van de ‘Kortenaer’, luitenant-ter-zee eerste klasse A. Kroese, ‘verschenen op de conferentie alsof het een feestelijke afternoon-tea gold, zo correct waren zij gekleed in witte, gesteven uniformen met blinkende schouderbedekkingen. Oude bekenden en wapenbroeders uit vorige acties schudden elkaar enthousiast de hand. ‘Waar zit Billy op het ogenblik?’ ‘ Hoe gaat het met je familie?’ Buiten huilden de sirenes een nieuw luchtalarm maar niemand stoorde zich er aan ....Toen kwamen schout-bij-nacht Doorman en zijn chef van de staf, kapitein-luitenant-ter-zee de Gelder, binnen. Het werd plotseling doodstil. De zittenden waren opgesprongen, allen stonden in de houding. Schout-bij-nacht Doorman keek glimlachend de kring van zijn commandanten rond en knikte hen toe ... Toen verzocht de chef van de staf de heren plaats te nemen aan de lange conferentietafel. Schout-bij-nacht Doorman nam het woord.
Aangezien de zeer ernstige algemene toestand aan een ieder bekend was, behoefde hij hierover niets meer te zeggen. De Striking Force was door Abda-vloot in de Javazee gehouden om volledig te worden aangewend wanneer de grote Japanse landingsexpedities zouden loskomen. Dit moment was thans aangebroken en de opvarenden van de vier nationaliteiten zouden hun plicht doen.’
Toen Doorman vervolgens de door hem bepaalde formatie uiteenzette en toelichtte, bleek dat aan enkele van zijn schepen nogal wat mankeerde.
‘ ‘Maar’ ’, zei hij toen, aldus Kroese, ‘ ‘gelukkig kan ik ook nog van wat vrolijkers vertellen dan van onvolkomenheden van schepen en uitvallen uit de formatie.’
De commandanten spitsten hun oren.
‘Er bestaat namelijk een kans dat we bij deze gelegenheid enige fighter-protectie tegemoet kunnen zien.’
Een hartelijk gelach barstte los ... Fighter-protectie, het mocht wat! Haha!
Schout-bij-nacht Doorman vertelde nu dat de vliegtuigtender ‘Langley’ onderweg was naar Tjilatjap met een lading jachtvliegtuigen die misschien nog op tijd zouden kunnen komen. ‘Te weinig en te laat', mompelde een der Amerikaanse commandanten.’
Nadat Doorman daarna nog de te volgen tactiek had aangegeven, ‘zei [hij] tenslotte dat, wanneer de Striking Force de vijandelijke aanval in het oostelijk gedeelte van de Javazee met succes had afgeslagen, zij zich zou verplaatsen naar de westelijke Javazee om de ook in dat gebied naderende Japanse transportvloten aan te vallen ... Met een stevige handdruk en een bemoedigende blik van verstandhouding namen de aanwezigen afscheid van elkaar en spoedden zich naar hun oorlogsbodems.’
Naar de ‘De Ruyter’ teruggaand, zei Doorman tegen de laatste bekende die hij aan de wal sprak: ‘Over een paar dagen vreten de visjes me.’ In die geest uitte zich ook de chef-machinekamer van de ‘De Ruyter’ die een collega-officier toevoegde: ‘Dit wordt je laatste ritje.’ Er was als gevolg van de luchtbombardementen van Soerabaja vrijwel geen man meer aan de wal over die de trossen van de schepen los kon gooien – bij die van de ‘Kortenaer’ deed dat de vrouw van de commandant. Opvallend was overigens dat de schepen uitvoeren met hun volledige bemanningen – de geest was goed, niemand was gedrost.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 959-960

[Bandung 1A – Indo-Europees] 

Inderdaad, ondanks het feit dat de oorlog in de Pacific was uitgebroken, had de Volksraad normaal zijn zittingen hervat: hij was op 10 januari '42, vlak voor de eerste Japanse landingen op Nederlands-Indisch gebied dus, in Batavia bijeengekomen en had (wij weten niet met hoeveel leden) zijn werkzaamheden weer ter hand genomen. Hij had in januari een ontwerp-ordonnantie inzake het ambachtsonderwijs behandeld en in februari een tot oprichting van een nieuw departement: Sociale Zaken. Die voorstellen hadden niet tot moeilijkheden geleid, maar toen er op 17 februari een tot belastingverhoging was ingediend, hadden verschillende inheemse leden bezwaren geuit. De laatste zitting vond plaats op vrijdag de 27ste: er werd toen een suppletoire begrotingspost goedgekeurd die het mogelijk zou maken, oorlogsschade te vergoeden.
Op die vrijdag bevond van Starkenborgh zich al bijna een week in Bandoeng en daarheen waren ook de kernen van de departementen verplaatst. Wat moest met de Volksraad geschieden? Van Starkenborgh achtte het wenselijk dat hij er onder alle omstandigheden een vorm van contact mee zou kunnen onderhouden – mede omdat verscheidene leden ontbraken, werd besloten, niet de raad als geheel naar Bandoeng te laten gaan maar slechts het College van Gedelegeerden dat tijdens het reces van de raad namens deze placht op te treden. Er waren vijftien gedelegeerden. Wij weten niet of zij alle vijftien inderdaad naar Bandoeng reisden maar wèl dat het college als zodanig daar gevestigd werd in het verenigingsgebouw van het Indo-Europees Verbond en dat Jonkman in de nacht van zaterdag 28 februari op zondag 1 maart Batavia verliet en in zijn auto over de goed onderhouden weg, kampong na kampong passerend, via Soekaboemi naar Bandoeng reed.
Het was de nacht waarin de Japanners op vier plaatsen op Java’s lange noordkust aan land gingen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 960-964

[Bandung 1A – Sociëteit Concordia] 

Van de twee bevolkingsgroepen die de Indische oorlogsinspanning droegen: de Nederlanders en de Indische Nederlanders, woonde het veruit grootste deel niet in de Buitengewesten maar op Java, zulks met sterke concentraties in steden als Batavia, Bandoeng, Djokjakarta, Semarang, Soerabaja en Malang. Met welke verwachtingen zagen zij de strijd op Indië’s hoofdeiland tegemoet?
Wij hebben er maar weinig gegevens over. Vast staat slechts dat zij over het algemeen door de snelle nederlaag overrompeld zijn, hetgeen betekent dat zij geen reële kijk hadden op de zwakheid van het Knil en de kracht van de Japanners. Dat is heel wel verklaarbaar. In de z.g. weermacht-communiqués, waarin de gegevens van het Knil en de marine gecombineerd waren, later in die van Abda-Command, was de snelheid waarmee de Japanners hun overwinningen behaald hadden, nooit duidelijk tot uiting gekomen en die communiqués hadden over het algemeen een veel te rooskleurig beeld gegeven van het verloop der gevechten. Op Tarakan bijvoorbeeld waren de Japanners in de nacht van 10 op 11 januari aan land gegaan – inderdaad, het weermacht-communiqué van de 11de maakte melding van die landing, ‘waarbij’, zo las men, ‘het garnizoen van Tarakan uiteraard krachtige weerstand bood.’ Op de 15de werd officieel verklaard: ‘Over de aanval op Tarakan en de bestrijding daarvan, welke met kracht wordt voortgezet, kunnen op het ogenblik geen nadere bijzonderheden worden verstrekt’ – de strijd tegen de Japanners was toen al drie dagen ten einde. Het belangrijke vliegveld Kendari werd op 24 januari door de Japanners veroverd ten koste van welgeteld twee gewonden – het communiqué van de 25ste vermeldde die landing, er aan toevoegend: ‘Er wordt onzerzijds krachtig weerstand geboden.’ ‘Het verzet’, aldus het communiqué van de 29ste (de Japanse luchtmacht had toen al jagers en bommenwerpers op het vliegveld geposteerd), ‘wordt nog krachtig voortgezet en onze troepen hebben hun stellingen bezet gehouden.’ Op Ambon landden de Japanners op 31 januari en het laatste guerrilla-detachement van het Knil capituleerde er op 7 februari – het communiqué van 10 februari berichtte evenwel: ‘Op Ambon vindt het verzet nog steeds voortgang.’ Dat bepaalde gebieden en punten verloren waren gegaan, was in de communiqués zelden duidelijk gezegd; men had het in de regel slechts kunnen afleiden uit het feit dat zij uit de bekendmakingen verdwenen waren om voor andere, meer zuidelijk gelegen, plaats te maken. Dan waren in die communiqués met betrekking tot de strijd ter zee en in de lucht de aan de Japanners toegebrachte verliezen in de regel veel te hoog aangegeven – te goeder trouw, stellig, maar het had een vertekenend effect gehad. Midden februari was de val van Singapore wel als een katastrofale tegenslag ervaren en toen hadden op Java ook de bombardementen waartoe de Japanners in staat gebleken waren, bezorgdheid gewekt, maar daar hadden andere feiten tegenover gestaan: men had Amerikaanse, Britse en Australische militairen zien verschijnen en dat had het vertrouwen versterkt dat de Geallieerde hulp althans voor het hoofdeiland op tijd zou komen.
Dat vertrouwen ging gepaard met angst: angst vooral voor de wreedheden en de wandaden waaraan, als zij verschenen, de Japanners zich, naar men aannam, zouden overgeven (het gerucht dat op Tarakan Nederlandse verpleegsters verkracht waren, leidde er toe dat er hier en daar op Java gesproken werd, aldus Vromans, ‘over het doden van verpleegsters bij de komst der Japanners om die aan een erger lot te doen ontsnappen’), angst voor het ingrijpen van leden van de ‘Vijfde Colonne’ die, zo werd rondverteld, op vele plaatsen in de archipel de Japanse luchtmacht met lichtseinen en rooksignalen zouden hebben geholpen, angst voor het onverhoeds landen van Japanse parachutisten. Zo schommelden velen tussen hoop en vrees en er waren er (wij weten niet hoevelen) die uit die onzekerheid vluchtten in een nogal luidruchtig feestvertoon, dat in januari en februari gestimuleerd werd door de behoefte om de te hulp gesnelde Geallieerde militairen te onthalen. ‘Sinds de oorlog was uitgebroken, was het’, schreef later de in onze voorlaatste voetnoot al aangehaalde kolonel van de Militaire Luchtvaart, ‘in Bandoeng (in de sociëteit) iedere avond feest in plaats van alleen maar tijdens het weekeinde. Vroeger stonden er ... alleen op zaterdagavonden drommen Indonesiërs te kijken naar de sprongen die er door de blanda’s op de dansvloer werden gemaakt, maar nu het oorlog was, stond het er elke avond tjokvol, elke avond was het feest.’
Bij diegenen die zo hun bezorgdheid afreageerden, vond de geforceerde uitgelatenheid steun in het feit dat in de gebieden die nog niet door de Japanners waren veroverd, in de eerste drie maanden van de oorlog het dagelijks leven overdag (’s avonds was de verduistering hinderlijk) niet wezenlijk werd verstoord, behalve dan in Soerabaja toen het in februari herhaaldelijk werd gebombardeerd. De enige verschillen met vroeger waren dat in januari in de steden veel scholen, nodig voor inkwartiering van troepen, werden gesloten, dat vele inheemsen de steden verlieten en dat ook vrouwen en kinderen van Europeanen en van Chinezen (wij weten niet hoevelen) uit de kuststrook wegtrokken (uit Batavia vooral naar Bandoeng, dat propvol vluchtelingen raakte). Te denken gaf voorts dat het gouvernement en talrijke Europese maatschappijen er in de laatste week van februari een begin mee maakten, bij wijze van voorschot twee maanden salaris uit te betalen, dat toen een deel van de particuliere auto’s werd gevorderd en dat op donderdag 26 februari op Java de benzinerantsoenering werd ingevoerd. Ook toen evenwel voorzag men niet dat een snelle verovering ophanden was. Van Mooks opvolger van Hoogstraten die, zoals eerder vermeld, eind februari naar Australië werd gezonden om er het doorzenden van Geallieerd oorlogsmaterieel te bevorderen, was er van overtuigd dat hij nog naar Java zou kunnen terugkeren; ‘wij dachten toen namelijk allemaal’, zei hij later aan de Enquêtecommissie, ‘dat de Preangerstelling’ (die na de Eerste Wereldoorlog ontmanteld was) ‘minstens twee tot vier maanden zou kunnen worden verdedigd’, en nadat van der Plas op dinsdagavond 3 maart, toen de Japanners op Java al belangrijke successen behaald hadden, in een radiotoespraak gezegd had dat men zich op zeer ernstige gebeurtenissen moest voorbereiden (wij nemen aan dat hij niet zonder voorkennis en instemming van van Starkenborgh gesproken heeft), ‘werd dit hem’, aldus D. M. G. Koch, ‘als haast misdadig defaitisme verweten’ – een van de opperofficieren van het Knil reageerde met een verontwaardigd betoog in de pers dat er geen enkele behoefte bestond aan dergelijke tendentieuze en demoraliserende betogen.
Inderdaad, ‘zelfs in het leger’, aldus ter Poortens chef-staf, generaal Bakkers, ‘realiseerden slechts enkelen zich dat de toestand voor Java na de val van Singapore’ (15 februari) ‘en zeker na de opheffing van het Unified Command' (25 februari) ‘hopeloos was, en dezen werden dan nog voor defaitisten uitgekreten. Men bleef zelfs toen nog denken dat de echte en ware weerstand eerst zou aanvangen wanneer het Java-leger in actie zou komen.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 980-982

[Semarang 2 – Resident] 

Eén plaats was er waar de zaak op zondag 1 maart [1942] geheel in het honderd liep: Semarang.
In het midden van de laatste week van februari was de sterkste Knil-eenheid uit deze stad verdwenen: een infanterie-bataljon dat deel uitmaakte van het naar de hoogvlakte van Bandoeng verplaatste 4de regiment infanterie – slechts een afdeling van de Landstorm, oude reservisten dus, was er achtergebleven. Het verdwijnen van dat bataljon wekte uiteraard bezorgdheid bij de in Semarang wonende Europeanen – bezorgdheid óók bij de gouverneur van Midden-Java die daar zijn residentie had. Hij vroeg op donderdag 26 februari van Starkenborgh verlof om zich met zijn staf te begeven naar een plaats bij de zuidkust, niet ver van Djokjakarta. Dat verlof werd hem verleend – wij nemen aan dat van Starkenborgh zulks deed omdat hij wilde bevorderen dat de gouverneur zo lang mogelijk leiding zou kunnen geven aan het BB apparaat op Midden-Java (gebied waarvan enkele dagen eerder was komen vast te staan dat het niet zou worden verdedigd) en wilde voorkomen dat de gouverneur in het aan de noordkust gelegen Semarang spoedig in handen zou vallen van de Japanners wier naar Oost-Java koersende invasievloot al was waargenomen. Hoe dat zij, dat nu na het infanteriebataljon ook de gouverneur met zijn staf wegtrok (één tot deze staf behorende resident-ter-beschikking bleef achter), wekte nervositeit bij allen die er kennis van kregen en bij de Europeanen onder hen vermoedelijk ook jaloezie doordat men hoorde dat de betrokkenen, die in de nacht van donderdag op vrijdag in volgepakte auto’s waren weggereden, hun gezinnen hadden meegenomen.
Zondagochtend nu verspreidden zich langs de gehele noordkust van Midden-Java geruchten dat de Japanners op diverse plaatsen tot landingen waren overgegaan. Men wist er dat bijna alle onderdelen van het 4de regiment infanterie waren verdwenen – dat versterkte de nervositeit. Uit Tegal en Pekalongan, alsook uit Cheribon, trokken talloze inheemsen en Indische Chinezen het binnenland in. Hetzelfde gebeurde in Semarang maar daar gebeurde méér. In de vroege uren werd er rondverteld dat de Japanners niet ver ten westen van de stad geland waren – men nam niet anders aan dan dat zij spoedig in de stad zelf zouden verschijnen, ’s Morgens om half negen ging het vernielingscorps aan de slag; in zijn haast verzuimde het een deel van de voorbereide vernielingen uit te voeren en ging het tot gemakkelijk uit te voeren vernielingen over, o.m. van voedselvoorraden, die niet op het programma stonden. Bruggen werden opgeblazen, alle benzinepompen met hun voorraden vernield of in brand gestoken, ’s Morgens om tien uur trok de Landstorm weg om, volgens een ontvangen bevel, ca. 30 km bezuiden de stad een voorbereide stelling op de weg naar Magelang in te nemen. Vreemd genoeg kreeg ook de Stadswacht bevel om naar die stelling te gaan – de commandant vertrouwde het bevel niet, trachtte het te verifiëren, kon geen verbinding krijgen met de commandant van de 4de ‘divisie’ en besloot toen conform het bevel te handelen. Ook de leden van het vernielingscorps reden haastig zuidwaarts, naar Magelang, velen vergezeld van hun gezinnen. Hetzelfde deden nu omstreeks het middaguur de burgemeester, de resident van Semarang en de resident ter-beschikking die in de nacht van donderdag op vrijdag niet met de gouverneur was meegegaan. Ook de politie trok weg. Het personeel van de luchtbeschermingsdienst volgde. Dit alles leidde er toe dat talrijke andere Europeanen, voorzover zij nog over auto’s beschikten (veel auto’s waren gevorderd) en voorzover zij er nog benzine in hadden, overhaast Semarang verlieten, enkele kostbaarheden meenemend maar hun inboedel onbeheerd achterlatend. Er waren, gelijk vermeld, ook talrijke inheemsen al weggetrokken, maar anderen maakten onmiddellijk van de gelegenheid gebruik en begonnen de verlaten woningen en kantoren te plunderen; daaraan werd deelgenomen door de gedetineerden van de gevangenis die allen op last van de resident in de gelegenheid waren gesteld om het gesticht te verlaten en van wie sommigen in de stad, anderen in de omgeving, op roof uitgingen. Molestaties van de achtergebleven Europeanen vonden niet plaats, maar velen onder hen waren daar wel bevreesd voor – een groep zocht en vond steun bij de enige Nederlandse autoriteiten die achtergebleven waren: de officier van justitie bij de Semarangse Raad van Justitie en twee lagere BB-ambtenaren, en bij de enige Europese arts die hetzelfde had gedaan.
De paniek duurde niet lang. In de nacht van zondag op maandag keerden de burgemeester, de assistent-resident en een deel van de politiemannen naar Semarang terug, op maandag gevolgd door andere politiemannen en door de Stadswacht van het ca. 50 km bezuiden Semarang gelegen Salatiga, die krachtig hielp de plunderingen te beteugelen.
Het gouvernement nam dit gebeuren hoog op: van diegenen uit het bestuursapparaat die, dwars tegen de instructies in, hun standplaats hadden verlaten, werden de twee hoogsten in rang: de resident en de resident-ter-beschikking, op woensdag 4 maart oneervol ontslagen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 998-1000

[Jakarta 4 – Residentiekantoor] 
[Jakarta 7 – Gemeentehuis] 

Op maandag 2 maart [1942] had, zoals eerder vermeld, generaal Schilling in Batavia aan de Nederlandse civiele autoriteiten meegedeeld dat het Knil binnen de gemeentegrenzen geen gevechten zou leveren en dat het mogelijk was dat de stad door de strijdkrachten zou worden ontruimd. Er was in dit gesprek, o.m. gevoerd met de resident, mr. Ch. W. A. Abbenhuis, en de burgemeester, ir. E.A. Voorneman, vastgesteld dat de politie en de Stadswacht (deze had een sterkte van ca. twaalfhonderd man) de orde zouden trachten te handhaven en dat de Europese vrouwen en kinderen wier mannen door de militaire dienst of om andere redenen afwezig waren, voorzover zij dat wilden, in de twee typisch-Europese stadswijken zouden worden bijeengebracht waar zij door de Stadswacht zouden worden beschermd – met het treffen van voorzieningen in die wijken was men zaterdag begonnen. Toen die bespreking op maandag plaatsvond, waren in Tandjong Priok de vernielingen al in volle gang en was het er ook tot roofpartijen door inheemsen gekomen. Tegen die roofpartijen werd opgetreden en de vernielingen werden in versneld tempo voortgezet. In de departementen werden stukken die voor de Japanners van belang konden zijn, verbrand; dat gebeurde o.m. met de archieven van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken en van de Politieke Inlichtingen Dienst.
Woensdagochtend om half twaalf vernam generaal Schilling uit Bandoeng dat al zijn troepen naar de Bandoengse hoogvlakte teruggetrokken zouden worden, ’s Middags om twee uur had hij in Batavia een laatste bespreking met de civiele autoriteiten; hier werd vastgesteld dat na het vertrek van de generaal de commandant van de Stadswacht als territoriaal commandant zou optreden en dat de resident en de burgemeester deze zouden vergezellen wanneer hij Batavia zou overgeven aan de commandant van de eerste Japanse eenheid die de stad zou naderen. In de loop van de middag werd vervolgens een aantal vooraanstaande Nederlandse burgers uitgenodigd, naar het stadhuis te komen – daar deed de resident om zes uur een beroep op hen om het driemanschap dat nu de hoogste bestuursverantwoordelijkheid droeg, alle mogelijke hulp te verlenen. Velen van de aanwezigen hoorden voor het eerst dat Batavia opgegeven was. Een schokkende mededeling! Toen de resident was uitgesproken, weerklonken kreten als ‘Leve de koningin!’, ‘Leve Nederland!’; ook werd het Wilhelmus gezongen.
Hoe kon men de Japanners doen weten dat Batavia een ‘open stad’ was?
Aan de Nirom in Bandoeng werd verzocht, donderdag te beginnen met het periodiek omroepen van het bericht, zulks in het Nederlands en in het Engels, dat Batavia niet zou worden verdedigd. Bovendien werd donderdagochtend in het Engels en het Japans een aan ‘de Japanse commanderende generaal’ gerichte brief opgesteld, waarin het genoemde driemanschap hem meedeelde dat Batavia niet werd verdedigd, dat het driemanschap bereid was hem te ontmoeten en dat het op prijs zou worden gesteld als hij de veiligheid van de Europese vrouwen en kinderen wilde waarborgen. Het oorlogsrecht schreef voor dat die brief moest worden overhandigd door een delegatie waarbij zich burgers zouden bevinden – enkele van dergelijke delegaties zouden zich daartoe dienen te begeven naar punten op de grote wegen buiten Batavia waarlangs de Japanners konden naderen. De resident, mr. Abbenhuis, verzocht ca. vijftig vooraanstaande Nederlandse burgers naar het residentiekantoor te komen. Hij vroeg om vrijwilligers voor het samenstellen van de delegaties. Hoe zouden de Japanners op het contact met deze reageren en wat zou gebeuren als men in de gevechtszone terechtkwam? Het leek een riskante missie. De resultaten van het beroep dat mr. Abbenhuis deed, ‘waren’, aldus later de secretaris van de residentie, dr. H.H. Morison, ‘enigermate teleurstellend. Een deel herinnerde zich plotseling nog iets zeer dringends op kantoor te doen te hebben en verdween. Enkele anderen moesten ‘even’ hun sigaretten uit de auto halen en reden weg. Derden zeiden openlijk, een en ander eerst met hun echtgenote te moeten bespreken.’
Er kwamen niet voldoende vrijwilligers naar voren, ‘weshalve nieuwe uitnodigingen moesten worden uitgezonden.’ Pas na de komst der nieuwelingen kon men de delegaties samenstellen, waarbij evenwel door de vrijwilligers de eis werd gesteld dat zich bij elke delegatie een bestuursambtenaar zou bevinden (‘o, dat verguisde BB, dat eigenlijk nergens goed voor was en waar men zich toen toch weer aan vastklampte!’)

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 1006-1007

[Jakarta 7 – Politie] 

Onder militaire bewaking werden de zes Nederlanders te voet naar het hoofdbureau van politie gevoerd waar men hen in cellen opsloot. Op de weg daarheen ‘reed’, aldus Voorneman, ‘de regent van Batavia, behaaglijk en statig in een grote auto heerlijk achterover geleund, het geboeide groepje Nederlandse ambtenaren voorbij zonder hun een blik te verwaardigen. De inheemse voorbijgangers reageerden anders. Vol medelijden werd het groepje nagestaard, een Inlandse vrouw bedekte zelfs haar gezicht met haar slendang.'
Maandagochtend 9 maart werden de zes Nederlanders uit hun cellen gehaald en naar het achtererf van het hoofdbureau gebracht. In aparte groepen stonden daar de Nederlandse officieren van de Stadswacht, de commissarissen van politie, een deel van de Nederlandse leden van de Stadswacht en de Nederlandse lagere politiefunctionarissen opgesteld – de inheemsen en Chinezen die tot de Stadswacht of de politie behoorden, waren bezig hun uniformen uit te doen. Er werd na een uur een colonne gevormd met de resident en de andere bestuursambtenaren aan het hoofd. Zij zette zich in de brandende zon in beweging, bewaakt door haveloos geklede Japanse infanteristen. Op het grote plein met de kathedraal van Batavia dat de colonne passeerde *], ‘stond’, aldus Voorneman, ‘Monseigneur Willekens’ (de Apostolisch Vicaris van Batavia), ‘die front maakte naar de stoet en eerbiedig zijn hoed afnam ... Deze dappere geste maakte op de weggevoerden een diepe indruk Zijn voorbeeld vond navolging bij verschillende Chinese en inheemse (waarschijnlijk Ambonnese en Menadonese) voorbijgangers. Bij de inheemse bevolking viel geen spoor van vijandigheid te bespeuren.’
De gehele colonne werd in de oude gevangenis Glodok opgesloten, die in de z.g. benedenstad van Batavia lag. Daags daarna, dinsdag, werden de bestuursambtenaren overgebracht naar de modernere gevangenis van Batavia, Struiswijk, waar zij de namen en adressen van alle hoofden van diensten, bedrijven en afdelingen moesten opgeven die onder hen werkzaam waren geweest. Dezen werden allen door enkele Japanners, begeleid door hoofdcommissaris P. Dekker die intussen was opgepakt, uit hun huizen of kantoren gehaald. Alle gevangenen kregen vervolgens namens Imamoera van een Japanse officier te horen dat zij voor de duur van de oorlog door het Japanse militaire bestuur geïnterneerd waren. De residentie-secretaris en een collega-bestuursambtenaar hadden inmiddels getracht, resident Abbenhuis vrij te krijgen; zij hadden gepoogd, een der nog in Batavia aanwezige departementsdirecteuren daarbij in te schakelen – vergeefs: zij hadden te horen gekregen dat deze zich niet met locale aangelegenheden bemoeide.
[*] Het is moeilijk te begrijpen dat de route vanaf het hoofdbureau van politie op Koningsplein-West naar de gevangenis Glodok via de kathedraal liep.]

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 1048, 1050

[Yogyakarta 2 – Djokjakarta] 

Hoe reageerden de inheemsen op de komst der Japanners?
Uit dit en het vorige hoofdstuk bleek dat onder de inheemse militairen van het Knil en onder de inheemse Vaubek-chauffeurs, hier en daar ook onder de inheemse politiemannen, veel desertie voortkwam en wij vermeldden voorts al dat in Tandjong Priok, in Batavia, in Lembang en in Semarang door inheemsen werd geplunderd, dat in Batavia vele inheemsen daags na de intocht van de Japanners rood-witte vlaggetjes op hun fietsen deden of in de hand droegen, dat bij Rembang ‘het aantal inlanders met de ‘Rijzende Zon’ op hun mouw’ ‘ontelbaar’ was, dat generaal Ter Poorten op donderdagavond 5 maart tegen Sitwell en Maltby zei, ‘dat guerrilla-oorlogsvoering onmogelijk zou zijn wegens de grote vijandigheid van de Indonesiërs jegens de Nederlanders’, en dat hij zich in zijn naoorlogs rapport in gelijke geest uitte: er zou bij een guerrilla geen sprake zijn van ‘actieve medewerking van een positief-loyale en coöpererende bevolking’ en ‘bovendien kwamen er van verschillende streken bepaald alarmerende berichten betreffende de houding van de inheemse bevolking’. [...]
In Djokjakarta werd minder geplunderd, zij het dat hier de sociëteit, een rijwielhandel en twee woningen van Europeanen werden leeggeroofd. Daags na de komst der Japanners werd evenwel de situatie zo kritiek dat de in de stad aanwezige Europeanen zich allen in het huis van de assistent-resident verzamelden. Vele duizenden inheemsen stonden er dreigend omheen; men vreesde een massale aanval – deze werd slechts voorkomen doordat de gouverneur in een gesprek met de Japanse bevelhebber had bereikt dat de gewapende Stadswacht de ingeslotenen mocht ontzetten.