Door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Deel 11a.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 99-103

[Geïllustreerde Encyclopaedie, 144, 146-147] 

Waarom schrijven wij over ‘Europeanen’ en niet over ‘Nederlanders’?
Niet alleen omdat ‘Nederlanders’ te eng zou zijn (er woonden en werkten in Indië ook Duitsers, Zwitsers, Belgen, Engelsen en leden van andere Europese naties) maar ook, en vooral, omdat het begrip ‘Europeanen’ de grote scheiding markeerde: er waren in de archipel inheemsen, meestal als ‘Inlanders’ aangeduid (een aanduiding die door politiekbewuste inheemsen als discriminerend werd ervaren), ‘Vreemde Oosterlingen’, zoals het officieel heette (Chinezen, Arabieren en anderen), en dan tenslotte de maatschappelijke bovenlaag: de Europeanen. Voor hen (en voor de personen van andere afkomst, voorzover hun verzoek tot erkenning als Europeaan was ingewilligd golden aparte rechtsregels – regels die in de twintigste eeuw ook van toepassing werden verklaard op vreemdelingen die een afkomst hadden welke men met die der Chinezen en Arabieren kon vergelijken, maar wier regeringen hadden weten te bereiken dat hun burgers in Indië als Europeanen behandeld zouden worden: Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren.
Het aantal in Indië aanwezige Europeanen liep in de tijd van de Compagnie op tot meer dan tienduizend, van wie zich, gelijk eerder vermeld, tegen de vijfduizend in Batavia bevonden. De meesten van die meer dan tienduizend waren militairen – anderen waren werkzaam bij het bestuur, bij de handel, bij de rechtspraak en als heelkundigen, predikanten, schoolmeesters en ambachtslieden, dat laatste vooral op de werven en in de andere bedrijven die de Compagnie in en bij Batavia had opgericht. [...]
In de negentiende eeuw bevonden zich aanvankelijk in Indië veel minder uit Europa afkomstige blanken; later nam hun aantal toe, als gevolg eerst van het Cultuurstelsel, vervolgens van de uitbreiding van de grote cultures en van het bestuursapparaat. In 1856 (het jaar van Douwes Dekkers conflict in Lebak) toonde een telling aan dat er in Indië, de militairen uitgezonderd, ruim vierduizend uit Europa afkomstige blanken waren, onder hen ca. drieduizend Nederlanders. Onder die blanken (hun aantal groeide vooral na 1900) bevonden zich in de negentiende eeuw naar verhouding weinig vrouwen – tot aan het einde van die eeuw hielden het gouvernement en de grote bedrijven de regel aan dat wie naar Indië werd uitgezonden, ongehuwd moest zijn. Heel veel mannen (het was in de Compagniestijd niet anders geweest) namen een inheemse vrouw als bijzit. Als blanke man had men in het algemeen in een koloniaal bestuurd gebied als Indië een mate van sexuele vrijheid die Nederland niet kende; wie er meer dan één bijzit op na wilde houden of de ene na de andere, kon zonder aanstoot te wekken zijn gang gaan. Die grotere vrijheid sloot trouwens aan bij de leefgewoonten der inheemsen bij wie in een tijd waarin echtscheiding in Nederland nauwelijks voorkwam, huwelijken veelvuldig werden ontbonden, hetgeen krachtens de adat en de regels van de Islam een simpele aangelegenheid was. De Islam stond bovendien toe dat een man meerdere vrouwen tegelijk had; vier was het maximum.
In de twintigste eeuw nam het aantal Europese vrouwen niet alleen absoluut maar vooral ook relatief toe. Op elke duizend Europese mannen waren er in 1880 vierhonderdtwee-en-zeventig Europese vrouwen geweest – in 1930 (het jaar van – de eerste en – de laatste volkstelling die onder het Nederlands bewind werd gehouden) waren het er achthonderdvierentachtig, ‘en dit getal moet in 1940’, aldus Rob Nieuwenhuys, ‘eerder groter dan kleiner zijn geweest. En al was daarmee de ‘huishoudster’ of njai nog niet verdwenen (vooral niet in de binnenlanden), van een ... vrijgezellensamenleving waarin de concubine een vanzelfsprekende plaats had gekregen, was geen sprake meer.’
Niet al die Europese vrouwen waren blanken. ‘Europeaan’ was in Indië een wettelijk begrip en van het begin van de negentiende eeuw af gold dat een vrouw die met een Europeaan (Nederlander) trouwde, daarmee zelf Europeaanse (Nederlandse) was geworden. Toen nu in 1892 de Wet op het Nederlanderschap van kracht werd, verkregen alle in Indië aanwezige Europeanen van gemengde afkomst de Nederlandse nationaliteit (behalve uiteraard diegenen die deze nationaliteit of een andere Europese nationaliteit reeds bezaten). Zij behoorden daarmee automatisch tot de groep der Europeanen. Indië telde in 1930 ca. honderd vijftienduizend Europese vrouwen en meisjes maar van hen waren slechts zes-en-twintigduizend in Europa (bijna uitsluitend: in Nederland) geboren – misschien waren het er in '40 iets meer.
Tussen in Europa (eventueel in Indië) geboren blanken en als Nederlander erkende personen van andere afkomst maakte de officiële statistiek geen verschil: allen waren Europeanen. Blijkens de volkstelling van 1930 waren het er ruim tweehonderdveertigduizend (Japanners, Philippino’s, Thailanders en Egyptenaren meegeteld). Preciese cijfers voor 1940 zijn niet bekend; over het algemeen is men er van uitgegaan dat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Indië ca. tachtigduizend uit Nederland afkomstige Nederlanders waren (misschien tegen de dertigduizend vrouwen en meisjes, misschien ruim vijftigduizend mannen en jongens) en ruim tweehonderdduizend Indische Nederlanders.
Binnen de groep der uit Europa afkomstige blanken was in de eerste vier decennia van deze eeuw niet alleen de verhouding tussen de aantallen mannen en vrouwen gewijzigd, maar het moderne bedrijfsleven en de uitgebreidere gouvernementsbemoeienissen hadden ook beter opgeleide mannen naar Indië doen vertrekken. ‘De planter’ (wij citeren opnieuw Nieuwenhuys) ‘die op blote voeten door de terreinen liep ... werd vervangen door de in Deventer (daar was sinds 1912 de Koloniale Landbouwschool gevestigd: een middelbare opleiding) of Wageningen opgeleide kracht ... de academisch gevormde ambtenaar kwam in de plaats van de snel opgeklommen self-made man.’
Met de uitbreiding van het aantal en de wijziging van het soort blanken dat in Indië ging werken, hing samen dat er verandering kwam in hun leefgewoonten. Nieuwenhuys: ‘Het leven in Indië werd vooral in de steden (waar het merendeel van de Europeanen woonde) comfortabeler, tegen de vroegere gevaren beschermd door een goede medische verzorging met uitstekende ziekenhuizen, goede scholen, eerste-rangs hotels, asfaltwegen, waterleiding en electrisch licht, frigidaires en air-conditioning. In grotere en kleinere steden ontstonden Europese wijken ... waar de Europeanen onder elkaar leefden. Zelfs de bouwstijl paste zich bij de nieuwe vorm van leven aan: de grote, koele Indische huizen met marmeren vloeren en een groot erf eromheen werden vervangen door kleinere villa’s met een voor- en achtertuintje, zodat sommige buurten aan Laren of Bussum deden denken bij een hittegolf. Bovendien, en dit is zeer belangrijk, werd de Europese leefwijze normatief. Als we de grens tussen tempo doeloe en de ‘nieuwere tijd’ in de oorlogsjaren leggen, tussen 1914 en 1918, dan kunnen we in het algemeen zeggen dat de Europeaan die in tempo doeloe aankwam, zich moest aanpassen bij Indische leefgewoonten, ook omdat hij veelal in concubinaat leefde, een gemengd huwelijk sloot of met een Indische trouwde, maar dat daarna ook de Indische gezinnen, vaak uit sociale overwegingen, zich gingen aanpassen bij een Europese levenswijze. Een proces in omgekeerde richting dus.’
Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, Noot blz. 102:
Rechtens waren Indische Nederlanders nadien Nederlanders zonder meer. Wij willen niettemin het begrip ‘ Indische Nederlanders’ blijven gebruiken omdat zij in historisch en cultureel opzicht een aparte groep bleven vormen die o.m. in de Japanse bezettingsjaren een eigen geschiedenis had. Als Nederlandse staatsburgers behoorden die Indische Nederlanders oftewel Indo-Europeanen in Indië tot de Europeanen. Over hen schrijven wij in de volgende paragraaf – schrijven wij in deze over ‘Europeanen’, dan bedoelen wij, tenzij anders aangegeven, diegenen die uit Europa afkomstig waren.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 172

[Semarang 2 – Leeszaal] 

Wij vermelden dan verder dat in 1908, kort nadat gouverneur-generaal van Heutsz de stoot had gegeven tot de oprichting van dessa-scholen, onder voorzitterschap van Hazeu, de al genoemde Adviseur voor inlandse zaken, een Commissie voor de Volkslectuur werd ingesteld die inheemse legenden en verhalen ging verzamelen, ze op landskosten drukte en de boekjes via de dessa-hoofden gratis liet verspreiden. Dat systeem werd spoedig verlaten om plaats te maken voor volksbibliotheken die aan de tweede klas-scholen werden toegevoegd. Later ging het onder de commissie werkende Kantoor Voor de Volkslectuur er op Java toe over, in het Maleis en Javaans tijdschriften uit te geven alsmede een geïllustreerde Volksalmanak en diverse handleidingen voor lagere inheemse bestuursambtenaren; ook reden er op Java helgroen gelakte auto’s van het kantoor rond die allerlei ontspannings- en voorlichtingslectuur tegen zeer lage prijs ten verkoop aanboden º] – Welter, minister van koloniën in het eerste ministerie-Colijn, lichtte begin '26 koningin Wilhelmina in dat van de kindersprookjes ‘De gelaarsde kat’ en ‘Klein Duimpje’ de meeste belangstelling trokken en dat veel ouderen graag o.m. De Schaapherder, Alleen op de wereld en De drie musketiers in vertaling aanschaften.
º] Het Koninkrijk der Nederlanden,13, 159: Wij hadden mede dienen te vermelden dat het Kantoor voor uitlening zorgde aan ruim 3 000 bibliotheekjes die door onderwijzers van de z.g. vervolgscholen werden gehouden; dat het Kantoor een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het Maleis (Indonesisch) als nationale eenheidstaal en van een moderne Indonesische letterkunde, dat het veel van de oude Indonesische letterkunde weer toegankelijk heeft gemaakt, dat het o.m. werken van schrijvers als Shakespeare, Molière en Tolstoi heeft uitgegeven; dat het voor uitgaven zorgde om de Javanen tot transmigratie te bewegen en dat het behalve voor periodieke overzichten van de Indonesische pers ook zorgde voor een dagelijks overzicht ten behoeve van de gouverneur-generaal.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 177-178

[Semarang 2 – Politiewezen] 
[Surabaya 3 – Politiebureau] 

De politie had in Indië een aanvullende rol: buiten de steden dienden de dessa-hoofden te zorgen voor de handhaving van de normale orde die, als het donker was, meer gevaar liep dan bij daglicht; elke dessa kende dan ook een nachtwacht waaraan de dorpelingen bij toerbeurt moesten deelnemen. De dessa-hoofden stonden in dat opzicht onder de controle van de hogere inheemse gezagdragers.
Ongeveer tot aan de Eerste Wereldoorlog gold Indië als onveilig. Ook Java. Vooral diefstal kwam veelvuldig voor, hetgeen bij de armoede waarin bijna alle inheemsen leefden, niet behoeft te verbazen. Een goede politie-organisatie was er in de negentiende eeuw niet. De politie was weinig talrijk en slecht betaald en buiten de steden was de politietaak, los van wat in de dessa’s gebeurde, toevertrouwd aan door de regenten gerecruteerde inheemse korpsen die met geweren waren bewapend. Elk van die korpsen stond onder bevel van een onderofficier van het Knil.
Ze waren van weinig nut, d.w.z. wel bruikbaar voor bewakingsdiensten, maar zodra zich onrust manifesteerde (bijvoorbeeld wanneer de bevolking uit weerzin tegen de suikerondernemingen er toe overging, te velde staand suikerriet in brand te steken), kon men ze niet vertrouwen. Later in de negentiende eeuw ging het gouvernement er derhalve toe over, eerst in de Buitengewesten en vervolgens ook op Java, Korpsen Gewapende Politiedienaren op te richten die onder de BB-gezagdragers werden gesteld. Ook dit waren korpsen van inheemsen, geëncadreerd met onderofficieren van het Knil. Zij bleken aanvankelijk voor het gouvernement even onbetrouwbaar te zijn als de vroegere, door de regenten gerecruteerde korpsen. Pas in het begin van de jaren '20 werden zij onder een centrale leiding gesteld: de Dienst der algemene politie, onderdeel van het departement van binnenlands bestuur, en toen werd ook tot de bouw van politiekazernes overgegaan. Bevredigend werd de situatie niet: er was voor de korpsen, die tezamen een sterkte hadden van ca. tienduizend man, te weinig kader beschikbaar. Een nieuwe reorganisatie volgde: de Gewapende Politie bleef slechts gehandhaafd in de Minahassa, op de Molukken, op Nieuw-Guinea en op de eilandengroepen tussen de Molukken en Australië (de Kei-, Aroe- en Tanimbar-eilanden), bijna overal elders werd zij vervangen door een nieuwe formatie, de Veldpolitie, met dien verstande dat de taak van de Gewapende Politie op delen van Sumatra en op Borneo, Celebes (behalve de Minahassa), Timor, Bali en Lombok overgenomen werd door brigades van het Knil en dat de onrustigste delen van Sumatra een bezetting kregen zowel van Knilbrigades als van Veldpolitie.
De Veldpolitie (de naam zegt het al) was bedoeld om buiten de steden op te treden. In de steden, vooral in die waar veel Europeanen woonden, had men, zou men kunnen zeggen, een politie naar Nederlands model; die korpsen stadspolitie stonden in Batavia, Semarang en Soerabaja onder een hoofdcommissaris, elders onder een commissaris. Tenslotte waren er ook nog aparte korpsen die er op toezagen dat de gouvernementsmonopolies van de productie en verkoop van opium en zout niet werden doorbroken.
Alle politieformaties tezamen hadden in de jaren ’30 een sterkte van ruim dertigduizend man. Op ca. vijftienhonderd man na waren dat allen inheemsen; die vijftienhonderd waren Europeanen (bijna uitsluitend Nederlanders en Indische Nederlanders – zij vormden het kader.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 178-181

[Aantekeningen Algemeen – Rechtswezen] 

De rechtspraak was in Indië een bont geheel, gebaseerd op onderling verschillende rechtsregels die door aparte organen werden toegepast. Van de vroegere ontwikkeling van die rechtspraak willen wij slechts vermelden dat het Regeringsreglement van 1854 bepaalde dat, wat de Europeanen betrof, het in Nederland geldend burgerlijk-, handels- en strafrecht moest worden gevolgd en, wat de inheemsen aanging, in beginsel hun eigen adat-recht, voorzover dat niet in strijd was met algemeen erkende regels van billijkheid en rechtvaardigheid. Dat adat-recht, hetwelk regionaal belangrijke verschillen vertoonde, werd van het begin van de twintigste eeuw af beschreven door de Leidse hoogleraar Cornelis van Vollenhoven en zijn leerlingen – dat betekende dat het als een geheel van bindende voorschriften werd vastgelegd; van Vollenhoven zag het adat-recht als een soepel geheel dat zich voortdurend aan gewijzigde omstandigheden aanpaste.
De Wet op de Indische staatsinrichting herhaalde in 1925 het onderscheid dat in het Regeringsreglement van 1854 was aangegeven. ‘Overal waar de Inlandse bevolking niet is gelaten in het genot harer eigen rechtspleging, wordt, aldus een der artikelen, ‘in Nederlands-Indië recht gesproken in naam des Konings’ – er was dus sprake van een inheemse en van een gouvernements-rechtspraak. Nog ingewikkelder werd de zaak doordat er naast het Nederlandse en het adat-recht een derde rechtsbron was: de Koran en de commentaren daarop. Inheemsen en Vreemde Oosterlingen (Chinezen, Arabieren en anderen) konden overigens aan de Nederlandse rechtsregels onderworpen worden, ‘voorzover’, aldus de Wet op de Indische staatsinrichting, ‘de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften dit eisen’; van die behoefte was bijvoorbeeld sprake in de gevallen waarin niet-Europeanen met Europeanen in een modern economisch verkeer stonden.
Wij maken nu onderscheid tussen civiele en strafrechtelijke zaken.
Voorzover het de Europeanen en de met hen gelijkgestelden, ten dele ook de Vreemde Oosterlingen, betrof, kwamen civiele gedingen in eenvoudige gevallen voor de residentiegerechten (elke residentie had er één) en in de meer gecompliceerde voor de Raden van Justitie (te vergelijken met de gerechtshoven in Nederland); daarvan waren er zes: drie op Java (te Batavia, te Semarang en te Soerabaja), Twee op Sumatra ( te Padang en te Medan) en één op Celebes (te Makassar, mede voor de rest van de Grote Oost). Van uitspraken van de Raden van Justitie was beroep mogelijk bij het (met de Nederlandse Hoge Raad te vergelijken) Hooggerechtshof dat in Batavia gevestigd was, het bestond uit een president, een vice-president en zeven leden. Al deze colleges spraken recht op basis van het Indisch Burgerlijk Wetboek dat het Nederlandse als basis had.
Met betrekking tot de inheemsen was òf het op de Koran gebaseerde Islamitisch recht òf het adat-recht grondslag van de civiele rechtsbedeling. Op Java en Madoera werd Islamitisch recht gesproken door raden van schriftgeleerden, die bijvoorbeeld bevoegd waren in zaken van huwelijksrecht; tegen hun uitspraken was van 1938 af beroep mogelijk bij een in Batavia zetelend Hof voor Islamitische Zaken.
De overige civiele gedingen tussen inheemsen en die tussen Vreemde Oosterlingen kwamen, opklimmend met hun betekenis, voor districtsgerechten, regentschapsgerechten of landraden. Van die landraden (te vergelijken met de Nederlandse arrondissementsrechtbanken) was er op Java één per regentschap, in de Buitengewesten één per gewest; als voorzitters van de landraden traden op Java en in de meer ontwikkelde delen van de Buitengewesten geschoolde juristen op. Nederlanders of inheemsen, elders in de Buitengewesten, waar men die landraden onder diverse namen kende, was het de taak van de Nederlandse controleur of assistent-resident om als voorzitter te fungeren – hij had dan evenwel bij het vaststellen van de uitspraak, waarbij in beginsel het adat-recht werd gevolgd, slecht een adviserende stem. Voor meer ‘moderne’ kwesties zoals het regelen van dienstbetrekkingen, het besturen van als rechtspersoon erkende verenigingen en verplichtingen van pachters op domeingronden bevatten de adat-regels geen voorzieningen; dan werd Nederlands recht toegepast.
Over het algemeen kan men zeggen dat de civiele rechtsbedeling in haar gedifferentieerdheid aangepast was aan de behoeften van de samenleving, zij het dat het gouvernement niet steeds kon verhinderen dat door inheemse machthebbers misbruik werd gemaakt van hun positie om gedingen waarbij hun belangen schade konden lijden, te voorkomen.
Bij de strafrechtspleging werd, in tegenstelling tot de civiele rechtspleging, slechts één recht toegepast: het Nederlandse strafrecht. Dat gold onverkort in de gebieden met gouvernementsrechtspraak – in de gebieden met inheemse rechtspraak (op Java de Vorstenlanden, elders de zelfbesturende landschappen) moest het nauwlettend in het oog worden gehouden; of dat geschiedde, werd door de BB-ambtenaren gecontroleerd. Islamieten die zich aan de letter van het Islamitisch recht wilden houden, waren met die unificatie niet steeds ingenomen; er waren er onder hen die van mening waren dat diefstal moest worden gestraft met het afhakken van de rechterhand. Het spreekt vanzelf dat adviezen van dien aard nimmer werden opgevolgd. Trouwens, alle vonnissen van inheemse rechtbanken moesten door de hoofden van het Nederlands gewestelijk bestuur goedgekeurd worden – vooral in de minder ontwikkelde delen der Buitengewesten werd een aanzienlijk deel van de werktijd der BB-ambtenaren door hun bemoeienissen met inheemse rechtspraak in beslag genomen.
Er was dus unificatie ten aanzien van de inhoud van het strafrecht dat werd toegepast – er was géén unificatie bij de vervolging en de berechting. Afgezien van wat de exorbitante rechten mogelijk maakten, konden inheemsen en Vreemde Oosterlingen zonder vorm van proces in preventieve hechtenis gehouden worden. Europeanen en met hen gelijkgestelden niet. Die Europeanen en met hen gelijkgestelden verschenen bovendien bij ernstige delicten (geringere werden berecht door met de Nederlandse politierechters te vergelijken landrechters) voor de Raden van Justitie – de inheemsen en Vreemde Oosterlingen werden in die gevallen, één trap lager, voor de landraden gedaagd waar de waarborgen voor de rechtszekerheid geringer waren. Dit werd door de politiekbewusten onder de inheemsen en Vreemde Oosterlingen als discriminatie ervaren (‘is het dan wondere’, schreef Snouck Hurgronje in ’23, ‘dat Inlanders wel eens van rassenjustitie spreken?’) – er werd herhaaldelijk en met klem tegen geprotesteerd.
Tenslotte willen wij nog opmerken dat er tussen het rechtswezen in Nederland en dat in Nederlands-Indië nog twee kenmerkende verschillen waren: in Indië werden rechters niet voor het leven benoemd en Indië kende de doodstraf; bij elk doodvonnis had de gouverneur-generaal het recht van gratie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 214-216

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Hoeveel sterker het geestelijk verzet van de inheemse wereld was geworden, bleek overtuigend na de behandeling van de ontwerp-‘wilde scholen’-ordonnantie.
Dat ontwerp hield in dat alle ‘wilde scholen’ (scholen zowel voor jongeren als voor volwassenen) voortaan een vergunning moesten hebben van de hoofden van gewestelijk bestuur die zich zouden laten voorlichten door de onderwijsinspectie welke deel was van het gouvernementsapparaat – het ontwerp ging dus wezenlijk verder dan de ordonnantie uit ’23 die slechts had voorgeschreven dat de ‘wilde scholen’ ter kennis moesten worden gebracht aan de hoofden van gewestelijk bestuur. In de Volksraad werd van verscheidene kanten, ook van inheemse zijde, betoogd dat er alle reden was om de ‘wilde scholen’ onder controle te stellen (er waren er die zich bedrieglijk ‘Hollands-Inlandse school’ noemden, een van de inheemse Volksraadsleden sprak van ‘ten hemel schreiende toestanden’), maar andere inheemse leden spraken zich met kracht tegen het ontwerp uit omdat het gouvernement het recht gaf, bij bonafide ‘wilde scholen’, zoals die van de Taman Siswo-richting, in te grijpen. Het gouvernement deed belangrijke concessies: amendementen van de Volksraad aanvaardend, wijzigde het zijn ontwerp in dier voege dat alleen vergunning zou moeten worden aangevraagd door ‘wilde scholen’ welke pretendeerden gelijkwaardig te zijn aan gouvernementsscholen, dat men tegen een weigering of intrekking van de vergunning door de hoofden van gewestelijk bestuur in beroep kon gaan bij de gouverneur-generaal en dat de weigering of intrekking, hangende dat beroep, opgeschort zou worden. De ontwerp-ordonnantie werd op 9 september door de Volksraad goedgekeurd met 32 tegen 13 stemmen; tegen stemden een aantal gematigde nationalisten en de fractie van de lager inheemse bestuursambtenaren. Na de stemming werd bekendgemaakt dat de ordonnantie op 1 oktober ’32 van kracht zou worden.
In de inheemse wereld rees een storm van protesten. Dewantoro eiste in het orgaan van zijn groepering dat de ordonnantie onmiddellijk zou worden ingetrokken (hij noemde haar totstandkoming ‘een nederlaag voor de politieke beweging’) en hij zond op 1 oktober aan gouverneur-generaal de Jonge het volgende telegram:
‘Excellentie. Dictatorische doorvoering cultureel-maatschappelijk diep-ingrijpende overhaastig voorbereide ordonnantie na afstemming onderwijsbegroting geeft indruk zenuwachtige verwardheid bij regering die bedenkelijk inzake vitale volksbelangen misgreep stop ik moge waarschuwen [dat] zelfs onweerbaren instinctief uit zelfbehoud zich verweren gelijkerwijs wij mogelijk uit noodzaak overgaan [tot] hardnekkig lijdelijk verzet’.
De Jonge zond zijn belangrijkste woordvoerder in de Volksraad, de regeringsgemachtigde voor algemene zaken naar Dewantoro teneinde deze er van te overtuigen dat bonafide ‘wilde scholen’ geen gevaar te duchten hadden, maar Dewantoro was onwrikbaar: dit was voor zijn groepering een zaak van beginsel, het aanvragen van vergunningen werd afgewezen.
Van inheemse zijde stroomden bij de stichter van de Taman Siswo-scholen de betuigingen van instemming binnen en tussen oktober ’32 en februari ’33 werden op Java duizenden demonstratieve protestvergaderingen gehouden (in Djokjakarta waren er tienduizend demonstranten); dit onderwijsverzet kreeg de steun van praktisch alle inheemse organisaties, ook van verscheidene die door het gouvernement als bij uitstek loyaal werden beschouwd. Het gouvernement en de meerderheid van de Volksraad hadden al die reacties niet voorzien.
Beide redden zich aldus uit de moeilijkheden dat de Volksraad een van inheemse zijde ingediend initiatiefvoorstel aannam waarbij de ‘wilde scholen’’-ordonnantie tijdelijk buiten werking werd gesteld, dat het gouvernement, hiermee accoord gaande, een gewijzigde ontwerp-ordonnantie aan de Volksraad voorlegde welke niet meer was dan een herhaling van de in ’23 getroffen regeling, dat de Volksraad het nieuwe ontwerp goedkeurde nadat er nog de aanvullende wijziging in was aangebracht dat de nieuwe ordonnantie niet op onderwijs aan volwassenen van toepassing zou zijn, en dat het gouvernement de nieuwe ordonnantie op 1 januari van kracht liet worden. [...]
Dat evenwel de inheemse beweging voor haar gevoel een overwinning had behaald, beamen wij: een overwinning dan zowel op de meerderheid van de Volksraad als op het gouvernement – er was een ordonnantie uitgevaardigd en breed verzet in de inheemse wereld had er toe geleid dat zij door een gewijzigde was vervangen waartegen geen bezwaar was gemaakt.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 218-221

[Yogtakarta 2 – Pakoe Alam] 

De eerste inheemse vereniging die duidelijke algemene wensen aan het gouvernement kenbaar ging maken, werd in mei 1908 opgericht, zulks vooral als gevolg van het feit dat de Indische Chinezen begonnen waren, op Java een organisatie op te bouwen die zich toelegde op de oprichting van eigen scholen. Het initiatief tot de oprichting van die inheemse organisatie, Boedi Oetomo (‘Het schone streven’), werd in Batavia genomen door leerlingen van enkele scholen, vooral van de Dokter-Djawaschool, onder wie de twintigjarige Javaan Raden Soetomo; zij werkten daarbij o.m. samen met een onderwijzerszoon uit Semarang die als dokter-Djawa grote naam zou maken: Tjipto Mangoenkoesoemo; hij zou zich in 1911 bij de bestrijding van pestgevallen op Oost-Java zo verdienstelijk gedragen dat hem de onderscheiding van ridder in de orde van Oranje-Nassau werd verleend. ¹)
Boedi Oetomo kreeg spoedig afdelingen op enkele kweekscholen en Opleidingsscholen voor Inlandse Ambtenaren, Osvia’s – in Djokjakarta kwam evenwel een afdeling tot stand die hoofdzakelijk bestond uit inheemse gezagdragers en leden van de vorstelijke families, vooral uit het Huis van de Pakoe-Alam. In oktober, toen de vereniging al meer dan zeshonderd leden telde, hield zij in Djokjakarta een eerste congres waarvoor ca. driehonderd inheemsen bijeengekomen waren, onder wie de Pakoe-Alam, vier regenten en twintig vrouwen (op zichzelf een symptoom van vrouwen-emancipatie.²) Het congres uitte als wensen dat het gouvernement het onderwijs aan inheemsen zou bevorderen, Boedi Oetomo verlof zou geven tot het oprichten van eigen dessa-scholen (naast die tot welker oprichting van Heutsz de stoot had gegeven), tehuizen zou openen voor het opvangen van bedelaars, de woeker beter zou tegengaan en volksbibliotheken in het leven zou roepen. Ten congresse betoogde evenwel de hofarts van de vorst, de Soesoehoenan, van Soerakarta, ‘dat’, aldus een in Den Haag voor de minister van koloniën opgestelde nota, ‘de Javaan niet alleen geen Hollandse of Westerse beschaving nodig heeft, maar daarvoor zelfs niet vatbaar is’ ; dat betoog ‘lokte kreten van ontstemming en zelfs gefluit uit’ – de meeste aanwezigen waren voorstanders van modernisering (maar met mate! Een voorstel van Tjipto om zich tegen de adat uit te spreken werd verworpen) en wensten kennelijk dat het gouvernement ernst zou maken met het beleid van de ‘zedelijke roeping’, ‘de vereniging’, aldus de Haagse nota, ‘wil dus het gouvernement slechts in de hand werken.’
Het naar voren treden van Boedi Oetomo kwam voor veel Nederlanders in Indië als een verrassing. Aan dr. G. A. J. Hazeu, Idenburgs adviseur voor inlandse zaken, was niet ontgaan dat de inheemse samenleving in beweging was gekomen, maar anderen (‘vele Europeanen’, schreef hij aan van Heutsz) hadden daar niets van gezien. ‘De Inlander’, aldus Hazeu, ‘was, zo meenden dezen, nu eenmaal indolent en tot geen enkele zelfstandige, initiatief en energie eisende werkzaamheden in staat, en men had geen reden te geloven dat het ooit anders zou worden. Voor dezulken nu was het congres te Djokjakarta een openbaring.’
Een jaar later, in 1909, werd aan Boedi Oetomo door het gouvernement rechtspersoonlijkheid verleend. In de vereniging, die toen ca. tienduizend leden telde, was zich inmiddels een belangrijke ontwikkeling gaan aftekenen: de leerlingen van de dokter Djawa-school, de Osvia’s en de kweekscholen die allen nog midden in hun opleiding zaten, verloren aan invloed en de inheemse gezagdragers uit Djokjakarta die de aloude Javaanse cultuur wilden handhaven en afkerig waren van het uiten van vèrgaande, laat staan extreme wensen, gingen de toon aangeven. In september '09 liepen Tjipto en een andere radicaal denkende uit het bestuur weg – er werden in hun plaats twee regenten gekozen.
¹) Tjipto Mangoenkoesoemo had een bloeiende praktijk in Soerakarta opgegeven teneinde in Malang, waar de pest woedde, als bescheiden bezoldigd gouvernementsarts werkzaam te zijn; de hem verleende onderscheiding zond hij in ’12 terug uit protest tegen het koloniaal regime.
²) Als voorloopster van die vrouwen-emancipatie kan men de in 1879 geboren regentendochter Raden Adjeng Kartini beschouwen. Haar vader was een verlicht regent, ‘die’, aldus Nieuwenhuys, ‘zelfs zijn dochters (iets ongehoords!) naar de Hollandse school’ (een school voor Europees lager onderwijs) ‘stuurde. Hij voelde echter niet zó modern (maar hier legde ook zijn plicht als regent hem beperkingen op) of de meisjes moesten na hun twaalfde jaar ‘de doos’ in, d.w.z. ze mochten zich niet eerder buiten de muren van de regentswoning vertonen dan op huwbare leeftijd en dan alleen als de echtgenote van de man die de ouders intussen voor haar hadden uitgezocht’. Op vier-en-twintigjarige leeftijd werd Kartini uitgehuwelijkt aan een collega van haar vader, een veel oudere weduwnaar. Zij stierf nog geen tien maanden later na de geboorte van een kind.
Een deel van de brieven waarin zij uitdrukking gegeven had aan haar opstandigheid, werd in 1911 in Nederland gepubliceerd onder de titel Door duisternis tot licht.
Twee jaar later richtten mr. van Deventer, de man van het in De Gids verschenen artikel ‘Een ereschuld’, met zijn echtgenote in Nederland de ‘Vereniging Kartinifonds’ op, die in Indië een aantal door de inheemse leerlingen zeer gewaardeerde kostscholen in stand hield.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 293-294

[Yogya 1 – Gouden koets] 

Ruim twee weken later, eind mei [1923], werd in Djokjakarta op [G.G.] Fock een bomaanslag gepleegd. Hij reed in de door de sultan ter beschikking gestelde statiekaros, toen opeens uit de dikke rijen van de inheemse toeschouwers een vrij primitieve bom geworpen werd – enig slachtoffer werd een vrouw die vertrapt werd door een op hol geslagen paard van de cavalerie-escorte. ‘Het incident’, aldus Welter, die als Algemeen Secretaris de gouverneur-generaal bij officiële reizen placht te vergezellen, ‘maakte een pijnlijke indruk, omdat het voor Indië iets heel ongewoons was. Dat uit deze gewillige, om niet te zeggen dociele massa een bom zou worden geworpen naar een vertegenwoordiger van het Nederlandse gezag, was dermate ondenkbaar, dat allen die daarvan getuige waren, diep onder de indruk waren. Bij volgende rijtochten van de G.G. ... reed hij dan ook door straten die op last van de resident, die geen risico wilde nemen, geheel waren schoongeveegd. Ook dit was buitengewoon onaangenaam en trof allen, die dit meemaakten, als iets zeer pijnlijks, bijna nog erger dan een bomaanslag’.
Wie hadden de aanslag gepleegd? Vermoedelijk extremisten van de Sarekat Hindia (het Nationaal-Indisch Verbond) die met het communisme sympathiseerden. Politie en justitie kregen geen zekerheid.
Aannemelijk dunkt ons dat de aanslag bij sommige inheemsen het prestige van de communisten ten goede kwam: diegenen die gepoogd hadden, de ‘Grote Heer uit Buitenzorg’ van het leven te beroven en onontdekt waren gebleven, moesten wel over bijzondere krachten en bijzondere bescherming beschikken! Het gebeurde droeg er toe bij dat zowel op Java als op Sumatra veel inheemsen die, zoals hun voorouders gedaan hadden, hunkerden naar de komst van een almachtig Bevrijder die zich als voorzegde Ratoe Adil zou ontpoppen, hun verwachtingen gingen vastknopen aan de PKI – omstuwd en opgestuwd werd zij nu door diezelfde Messiaanse verwachtingen welke zich tien jaar eerder op de Sarekat Islam hadden gericht. De denkbeelden van die PKI-aanhangers werden, aldus Poeze, ‘een onontwarbaar mengsel van utopische ... verwachtingen, verheerlijking van de traditionele, pre-kapitalistische maatschappij, die na de nabij zijnde revolutie zou terugkeren als de klasseloze communistische maatschappij, de hoop op hulp van de Komintern en Rusland en de invloed van Islam-denkbeelden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 322-324

[Surabaya 2 – Rumah Kos] 

Soekarno, wiens naam als eerste zou prijken onder de Onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus ’45, had een Javaanse vader en een Balinese moeder. Zijn vader, Raden Soekemi, een man van laag-adellijke afkomst dus, had op Oost-Java een kweekschool kunnen bezoeken, was onderwijzer op Bali geworden, was daar, ondanks weerstanden uit Balinees-Hindoese kringen, met een Balinees meisje uit een familie van aanzienlijken getrouwd en was omstreeks de eeuwwisseling naar Soerabaja overgeplaatst waar het tweede kind uit het huwelijk, een zoon, op 6 juni 1901 werd geboren. Zijn naam werd Koesno, enige tijd later (naar een heldenfiguur uit de in het wajangspel uitgebeelde Hindoese epen) Karno en daar werd toen het begrip soe (jong) aan toegevoegd: Soekarno dus.
Als eerste president van Indonesië zou Soekarno het later graag doen voorkomen alsof hij een zoon was van arme ouders. Dat was een onjuiste voorstelling van zaken. Zijn vader had zich als onderwijzer op Bali en in Soerabaja, later als hoofdonderwijzer in Modjokerto (iets ten zuidwesten van Soerabaja) verheven boven het niveau van de brede massa der Javanen. In Modjokerto kreeg Soekarno zijn eerste onderwijs – laat, nl. op dertienjarige leeftijd, begon hij er, teneinde Nederlands te leren, de hoogste klassen van een Nederlandse lagere school te doorlopen; hij bleek een goede leerling. Middelbaar of voorbereidend hoger onderwijs werd in Modjokerto niet gegeven, wel in Soerabaja waar zich een vijfjarige hbs bevond. Soekarno was vijftien toen hij er als leerling werd ingeschreven, twintig toen hij met succes eindexamen deed.
De hbs telde enkele honderden leerlingen: driehonderd Europeanen, twintig inheemsen en een onbekend aantal Vreemde Oosterlingen. Die Europese leerlingen namen de andere nauwelijks in hun midden op – er was sprake van een zekere discriminatie welke Soekarno, die twee, drie jaar ouder was dan de medeleerlingen van zijn klas (toch al een moeilijke situatie!), diep kwetste. Hij was voor die discriminatie misschien extra gevoelig omdat hij in Soerabaja opgroeide in wat in die tijd wel het meest inspirerende nationalistische milieu was dat Indië kende: hij was nl. een van de omstreeks vijf-en-twintig inheemse jongeren die opgenomen waren in het kosthuis dat gedreven werd door de vrouw van Tjokroaminoto, en hij deed daar zijn intrede in de jaren waarin de Sarekat Islam een massabeweging was en Tjokro de aanbeden voorzitter. Wat zulk een beweging betekende en hoe Tjokro als spreker een grote vergadering wist te bezielen, sloeg Soekarno van nabij gade. Hij werd actief in de afdeling Soerabaja van de in ’14 opgerichte jongerenorganisatie Jong-Java (en wekte daar tumult door te eisen dat het orgaan van de organisatie niet alleen in het Nederlands maar ook in het Maleis zou verschijnen), en schreef artikelen in het blad van de Sarekat Islam. Hij las rijp en groen, vooral ook boeken over Europese geschiedenis – Alimin bracht hem als eerste in aanraking met Marxistische gedachtegangen.
Toen hij in de vierde klas van de hbs zat, trouwde hij met een vijftienjarige dochter van Tjokro; zelf beweerde hij later: om Tjokro een dienst te bewijzen. Dat is mogelijk – het huwelijksplantje schoot in elk geval geen diepe wortels.
In ’21 werd de twintigjarige Soekarno een van de zes inheemse studenten die aan de Technische Hogeschool te Bandoeng in het eerste jaar van haar bestaan voor civiel ingenieur gingen studeren. Nauwelijks ingeschreven, keerde hij naar Soerabaja terug om er Tjokro’s vrouw financieel ter zijde te staan (Tjokro was, gelijk eerder vermeld, gearresteerd op beschuldiging van meineed) – hij werd er spoorwegbeambte. Toen Tjokro in april ’22 was vrijgelaten, ging hij weer naar Bandoeng. Hij scheidde er van zijn jeugdige vrouw en huwde met een tweede: de ex-echtgenote van de man bij wie hij in huis was; zij was dertien jaar ouder dan hijzelf. Hij studeerde in normaal tempo – belangrijker voor zijn latere ontwikkeling was dat hij in en vanuit Bandoeng in nauwe aanraking kwam met de drie oprichters van de Indische Partij: Douwes Dekker, Tjipto en Soewardi, nu als Dewantoro leider van de Taman Siswo-scholen. Het was vooral de principieel en zuiver denkende Tjipto die hem won voor het denkbeeld van de non-coöperatie: politiek-aktieve inheemsen dienden zich verre te houden van elke vorm van deelneming aan de vertegenwoordigende organen welke het koloniaal gezag in het leven had geroepen, en ook verder in geen enkel opzicht aan dat gezag steun te verlenen.
In ’26 ontving Soekarno zijn diploma als civiel ingenieur. Hij wilde uit beginsel niet bij het gouvernement in dienst treden, werd leraar op een van de scholen die Douwes Dekker had opgericht en trachtte vervolgens door middel van een particuliere praktijk enig geld te verdienen. Hij had toen al in Bandoeng een nieuw type inheemse organisatie helpen oprichten: een studieclub.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 346-347

[Surabaya 2 – Pasar Turi] 
[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Toen Soekarno in de ochtend van 31 december ’31 de poort van de Soekamiskin-gevangenis uitging, werd hij opgewacht door afgevaardigden van alle grote politieke en niet-politieke inheemse organisaties en in triomf naar zijn woning gevoerd. Daags daarna vertrok hij per trein naar Soerabaja waar op initiatief van de door hem opgerichte Federatie van de partijen der Indonesische volkeren een Indonesia Raya (Groot-Indonesië)-congres werd gehouden. Overal waar de trein op het lange traject van Bandoeng naar Djokjakarta langs kwam, stonden inheemsen te juichen en op de stations waar de trein stopte, was het zwart van de inheemsen die Soekarno wilden huldigen (een hunner zei, ‘dat de Staatsspoorwegen Soekarno wel dankbaar mochten zijn vanwege de vele perronkaartjes die de mensen gekocht hadden’). In Djokjakarta waar Soekarno zijn reis onderbrak, werd hij door een grote menigte vergezeld naar de woning van Dewantoro, de inspirator van het Taman Siswo-onderwijs, jegens wie hij van verbondenheid wilde getuigen.
Op 2 januari zette Soekarno zijn treinreis voort. Langs de gehele route herhaalden zich de tonelen die zich daags tevoren hadden afgespeeld en aan het Spoorwegstation te Soerabaja stonden uren voor zijn aankomst al duizenden inheemsen op hem te wachten. Rode en witte bloemen werden er druk verkocht, taxi’s reden er af en aan met rood-witte vlaggetjes. Toen Soekarno verscheen werd door een grote menigte het Indonesia Raya gezongen, gevolgd door een speciale ‘Soekarno-mars’.
In een hotelkamer ontving hij vervolgens een stroom van vooraanstaanden uit de inheemse beweging – ’s avonds om half negen zou hij het Indonesia Raya-congres toespreken in een zaal die plaats bood aan zestienhonderd personen. Drieduizend hadden er om zes uur al binnen weten te komen en honderden anderen, voor wie geen plaats was, stonden buiten. In en buiten de zaal werden liederen gezongen. Toen Soekarno arriveerde, hees men hem op de schouders – zó werd hij naar het spreekgestoelte gedragen.
De hem gebrachte eer en hulde zag hij, als niet voor hem persoonlijk bedoeld, ‘doch voor Soekarno als uw leider met hoge idealen en vol van de vurige wil om zichzelf ten dienste te stellen van het volk en van Moeder Indonesië, als uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten en die, zolang het lichaam van Soekarno nog leven heeft, zal voortschrijden om een vrij Indonesië te bereiken’ – zeer zelfbewuste woorden waren dat van de pas dertigjarige Soekarno, ‘uw leider die de toorts vasthoudt, nodig om u allen op de donkere weg bij te lichten’ – hij zag zich dus als de grote voorvechter van de nationale onafhankelijkheid zoals zo menig volk er in zijn strijd tegen vreemde overheersing een had gekend. Als zodanig achtte hij zich ook gerechtigd zijn teleurstelling uit te spreken over de verdeeldheid die zich in de nationalistische beweging had geopenbaard. ‘Een volk’, zei hij ‘dat niet één kan zijn, is gelijk los zand dat gemakkelijk door de wind uit elkaar wordt geblazen. Wanneer echter dit zand bij elkaar blijft, bijeengestampt wordt tot cement, namelijk het cement van de geest, dan kan het sterk beton worden, en wel het beton van de nationale wil waaruit tenslotte de nationale daden voortkomen.
Broeders, helpt, draagt mijn stem uit tot Atjeh en Fakfak, door de hele wereld, van streek tot streek, van dorp tot dorp, van gehucht tot gehucht, van berg tot berg, ja tot zelfs in het rijk der geesten en feeën. Voor deze eenheid, broeders, ben ik toh pati – toh pati betekent dat ik, wanneer de eenheid een offer nodig heeft, gaarne mijn leven voor haar opoffer. Zo is het broeders, geeft mij uw steun en zegen!’
Oorverdovende toejuichingen volgden.
De ex-voorzitter van de opgeheven PNI, vrijgelaten uit gevangenschap, was bezig uit te groeien tot de figuur die vooral voor de eenvoudigen, onontwikkelden onder de politiek-bewuste inheemsen symbool was van de wil tot nationale onafhankelijkheid.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 903-904

[Surabaya 3 – Alg. N.I. Electr. Mij] 

Voor de bij die uitvoering te volgen koers bestonden er twee mogelijkheden: Doorman kon recht in de richting van Straat Makassar varen of hij kon voor de kust van Madoera en Oost-Java gaan kruisen. Aangezien hij in de nacht als het ware blind zou varen en, de eerste mogelijkheid kiezend, heel wel, zonder het te merken, het Japanse convooi op grote afstand kon passeren, besloot hij tot de tweede mogelijkheid. Hij stelde verder vast, welke formatie de Striking Force zou aanhouden en welke tactiek zou worden gevolgd als men de Japanners zou ontmoeten, en riep vervolgens laat in de middag de commandanten van alle tot zijn eskader behorende eenheden bijeen in het door de marine gevorderde hoofdkantoor van de Algemene Nederlands-Indische Electriciteitsmaatschappij. ‘De commandanten’, aldus later de commandant van de ‘Kortenaer’, luitenant-ter-zee eerste klasse A. Kroese, ‘verschenen op de conferentie alsof het een feestelijke afternoon-tea gold, zo correct waren zij gekleed in witte, gesteven uniformen met blinkende schouderbedekkingen. Oude bekenden en wapenbroeders uit vorige acties schudden elkaar enthousiast de hand. ‘Waar zit Billy op het ogenblik?’ ‘ Hoe gaat het met je familie?’ Buiten huilden de sirenes een nieuw luchtalarm maar niemand stoorde zich er aan ....Toen kwamen schout-bij-nacht Doorman en zijn chef van de staf, kapitein-luitenant-ter-zee de Gelder, binnen. Het werd plotseling doodstil. De zittenden waren opgesprongen, allen stonden in de houding. Schout-bij-nacht Doorman keek glimlachend de kring van zijn commandanten rond en knikte hen toe ... Toen verzocht de chef van de staf de heren plaats te nemen aan de lange conferentietafel. Schout-bij-nacht Doorman nam het woord.
Aangezien de zeer ernstige algemene toestand aan een ieder bekend was, behoefde hij hierover niets meer te zeggen. De Striking Force was door Abda-vloot in de Javazee gehouden om volledig te worden aangewend wanneer de grote Japanse landingsexpedities zouden loskomen. Dit moment was thans aangebroken en de opvarenden van de vier nationaliteiten zouden hun plicht doen.’
Toen Doorman vervolgens de door hem bepaalde formatie uiteenzette en toelichtte, bleek dat aan enkele van zijn schepen nogal wat mankeerde.
‘ ‘Maar’ ’, zei hij toen, aldus Kroese, ‘ ‘gelukkig kan ik ook nog van wat vrolijkers vertellen dan van onvolkomenheden van schepen en uitvallen uit de formatie.’
De commandanten spitsten hun oren.
‘Er bestaat namelijk een kans dat we bij deze gelegenheid enige fighter-protectie tegemoet kunnen zien.’
Een hartelijk gelach barstte los ... Fighter-protectie, het mocht wat! Haha!
Schout-bij-nacht Doorman vertelde nu dat de vliegtuigtender ‘Langley’ onderweg was naar Tjilatjap met een lading jachtvliegtuigen die misschien nog op tijd zouden kunnen komen. ‘Te weinig en te laat', mompelde een der Amerikaanse commandanten.’
Nadat Doorman daarna nog de te volgen tactiek had aangegeven, ‘zei [hij] tenslotte dat, wanneer de Striking Force de vijandelijke aanval in het oostelijk gedeelte van de Javazee met succes had afgeslagen, zij zich zou verplaatsen naar de westelijke Javazee om de ook in dat gebied naderende Japanse transportvloten aan te vallen ... Met een stevige handdruk en een bemoedigende blik van verstandhouding namen de aanwezigen afscheid van elkaar en spoedden zich naar hun oorlogsbodems.’
Naar de ‘De Ruyter’ teruggaand, zei Doorman tegen de laatste bekende die hij aan de wal sprak: ‘Over een paar dagen vreten de visjes me.’ In die geest uitte zich ook de chef-machinekamer van de ‘De Ruyter’ die een collega-officier toevoegde: ‘Dit wordt je laatste ritje.’ Er was als gevolg van de luchtbombardementen van Soerabaja vrijwel geen man meer aan de wal over die de trossen van de schepen los kon gooien – bij die van de ‘Kortenaer’ deed dat de vrouw van de commandant. Opvallend was overigens dat de schepen uitvoeren met hun volledige bemanningen – de geest was goed, niemand was gedrost.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 980-982

[Semarang 2 – Resident] 

Eén plaats was er waar de zaak op zondag 1 maart [1942] geheel in het honderd liep: Semarang.
In het midden van de laatste week van februari was de sterkste Knil-eenheid uit deze stad verdwenen: een infanterie-bataljon dat deel uitmaakte van het naar de hoogvlakte van Bandoeng verplaatste 4de regiment infanterie – slechts een afdeling van de Landstorm, oude reservisten dus, was er achtergebleven. Het verdwijnen van dat bataljon wekte uiteraard bezorgdheid bij de in Semarang wonende Europeanen – bezorgdheid óók bij de gouverneur van Midden-Java die daar zijn residentie had. Hij vroeg op donderdag 26 februari van Starkenborgh verlof om zich met zijn staf te begeven naar een plaats bij de zuidkust, niet ver van Djokjakarta. Dat verlof werd hem verleend – wij nemen aan dat van Starkenborgh zulks deed omdat hij wilde bevorderen dat de gouverneur zo lang mogelijk leiding zou kunnen geven aan het BB apparaat op Midden-Java (gebied waarvan enkele dagen eerder was komen vast te staan dat het niet zou worden verdedigd) en wilde voorkomen dat de gouverneur in het aan de noordkust gelegen Semarang spoedig in handen zou vallen van de Japanners wier naar Oost-Java koersende invasievloot al was waargenomen. Hoe dat zij, dat nu na het infanteriebataljon ook de gouverneur met zijn staf wegtrok (één tot deze staf behorende resident-ter-beschikking bleef achter), wekte nervositeit bij allen die er kennis van kregen en bij de Europeanen onder hen vermoedelijk ook jaloezie doordat men hoorde dat de betrokkenen, die in de nacht van donderdag op vrijdag in volgepakte auto’s waren weggereden, hun gezinnen hadden meegenomen.
Zondagochtend nu verspreidden zich langs de gehele noordkust van Midden-Java geruchten dat de Japanners op diverse plaatsen tot landingen waren overgegaan. Men wist er dat bijna alle onderdelen van het 4de regiment infanterie waren verdwenen – dat versterkte de nervositeit. Uit Tegal en Pekalongan, alsook uit Cheribon, trokken talloze inheemsen en Indische Chinezen het binnenland in. Hetzelfde gebeurde in Semarang maar daar gebeurde méér. In de vroege uren werd er rondverteld dat de Japanners niet ver ten westen van de stad geland waren – men nam niet anders aan dan dat zij spoedig in de stad zelf zouden verschijnen, ’s Morgens om half negen ging het vernielingscorps aan de slag; in zijn haast verzuimde het een deel van de voorbereide vernielingen uit te voeren en ging het tot gemakkelijk uit te voeren vernielingen over, o.m. van voedselvoorraden, die niet op het programma stonden. Bruggen werden opgeblazen, alle benzinepompen met hun voorraden vernield of in brand gestoken, ’s Morgens om tien uur trok de Landstorm weg om, volgens een ontvangen bevel, ca. 30 km bezuiden de stad een voorbereide stelling op de weg naar Magelang in te nemen. Vreemd genoeg kreeg ook de Stadswacht bevel om naar die stelling te gaan – de commandant vertrouwde het bevel niet, trachtte het te verifiëren, kon geen verbinding krijgen met de commandant van de 4de ‘divisie’ en besloot toen conform het bevel te handelen. Ook de leden van het vernielingscorps reden haastig zuidwaarts, naar Magelang, velen vergezeld van hun gezinnen. Hetzelfde deden nu omstreeks het middaguur de burgemeester, de resident van Semarang en de resident ter-beschikking die in de nacht van donderdag op vrijdag niet met de gouverneur was meegegaan. Ook de politie trok weg. Het personeel van de luchtbeschermingsdienst volgde. Dit alles leidde er toe dat talrijke andere Europeanen, voorzover zij nog over auto’s beschikten (veel auto’s waren gevorderd) en voorzover zij er nog benzine in hadden, overhaast Semarang verlieten, enkele kostbaarheden meenemend maar hun inboedel onbeheerd achterlatend. Er waren, gelijk vermeld, ook talrijke inheemsen al weggetrokken, maar anderen maakten onmiddellijk van de gelegenheid gebruik en begonnen de verlaten woningen en kantoren te plunderen; daaraan werd deelgenomen door de gedetineerden van de gevangenis die allen op last van de resident in de gelegenheid waren gesteld om het gesticht te verlaten en van wie sommigen in de stad, anderen in de omgeving, op roof uitgingen. Molestaties van de achtergebleven Europeanen vonden niet plaats, maar velen onder hen waren daar wel bevreesd voor – een groep zocht en vond steun bij de enige Nederlandse autoriteiten die achtergebleven waren: de officier van justitie bij de Semarangse Raad van Justitie en twee lagere BB-ambtenaren, en bij de enige Europese arts die hetzelfde had gedaan.
De paniek duurde niet lang. In de nacht van zondag op maandag keerden de burgemeester, de assistent-resident en een deel van de politiemannen naar Semarang terug, op maandag gevolgd door andere politiemannen en door de Stadswacht van het ca. 50 km bezuiden Semarang gelegen Salatiga, die krachtig hielp de plunderingen te beteugelen.
Het gouvernement nam dit gebeuren hoog op: van diegenen uit het bestuursapparaat die, dwars tegen de instructies in, hun standplaats hadden verlaten, werden de twee hoogsten in rang: de resident en de resident-ter-beschikking, op woensdag 4 maart oneervol ontslagen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 1048, 1050

[Yogyakarta 2 – Djokjakarta] 

Hoe reageerden de inheemsen op de komst der Japanners?
Uit dit en het vorige hoofdstuk bleek dat onder de inheemse militairen van het Knil en onder de inheemse Vaubek-chauffeurs, hier en daar ook onder de inheemse politiemannen, veel desertie voortkwam en wij vermeldden voorts al dat in Tandjong Priok, in Batavia, in Lembang en in Semarang door inheemsen werd geplunderd, dat in Batavia vele inheemsen daags na de intocht van de Japanners rood-witte vlaggetjes op hun fietsen deden of in de hand droegen, dat bij Rembang ‘het aantal inlanders met de ‘Rijzende Zon’ op hun mouw’ ‘ontelbaar’ was, dat generaal Ter Poorten op donderdagavond 5 maart tegen Sitwell en Maltby zei, ‘dat guerrilla-oorlogsvoering onmogelijk zou zijn wegens de grote vijandigheid van de Indonesiërs jegens de Nederlanders’, en dat hij zich in zijn naoorlogs rapport in gelijke geest uitte: er zou bij een guerrilla geen sprake zijn van ‘actieve medewerking van een positief-loyale en coöpererende bevolking’ en ‘bovendien kwamen er van verschillende streken bepaald alarmerende berichten betreffende de houding van de inheemse bevolking’. [...]
In Djokjakarta werd minder geplunderd, zij het dat hier de sociëteit, een rijwielhandel en twee woningen van Europeanen werden leeggeroofd. Daags na de komst der Japanners werd evenwel de situatie zo kritiek dat de in de stad aanwezige Europeanen zich allen in het huis van de assistent-resident verzamelden. Vele duizenden inheemsen stonden er dreigend omheen; men vreesde een massale aanval – deze werd slechts voorkomen doordat de gouverneur in een gesprek met de Japanse bevelhebber had bereikt dat de gewapende Stadswacht de ingeslotenen mocht ontzetten.