Door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Deel 11b.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 218-219

[Yogyakarta 2 – Pakoe Alam] 

Hoe gedroegen zich de vier Javaanse zelfbestuurders en de negen-en-zeventig regenten op Java en Madoera?
De vorst van Soerakarta, de Soesoehoenan, stelde zich na de komst der Japanners zeer afwijzend op jegens het Nederlands gezag. Gezien de moeilijkheden waarin de Nederlanders en de Indische Nederlanders waren komen te verkeren (ca. veertienhonderd hunner hadden hun toevlucht gezocht in de tuin van het gouverneurshuis), richtte de gouverneur tot de vorst het verzoek, voor een bespreking bij hem te komen – de vorst bleef weg, zonder opgaaf van redenen; zijn algemene houding was, zo vernam later mr. W. H. J. Elias, ‘even wankelmoedig en even voos als de toestanden aan zijn hof al jarenlang waren geweest.’ Wèl verscheen de zelfbestuurder van het vorstendom Soerakarta afgesplitste gebied, de Mangkoenegoro, ‘hetgeen’, aldus later de toenmalige controleur van de stad Soerakarta, ‘een zeer goede indruk bij ons allen maakte.’ Van daadwerkelijke hulp kwam evenwel niet veel terecht: de onder de zelfbestuurder staande regent jammerde wel met tranen in de ogen over het lot van al zijn Europese vrienden maar miste ... de moed om de behulpzame hand te bieden.’
Over de eerste reacties van de sultan van Djokjakarta en de Pakoe Alam (de zelfbestuurder van het van het sultanaat Djokjakarta afgesplitste gebied) op de komst der Japanners hebben wij geen gegevens.
De vier zelfbestuurders hadden elk bij hun troonsbestijging een verdrag ondertekend waarin zij de Nederlandse soevereiniteit hadden erkend. De Japanners maakten geen haast met het regelen van hun positie. Zij besloten, conform de instructies, de vier te handhaven, met dien verstande dat de Mangkoenegoro en de Pakoe-Alam hun legertjes verloren, dat alle vier zelfbestuurders afstand moesten doen van hun juridische bevoegdheden, dat zij een door de Japanners benoemde directeur Algemene Zaken naast zich kregen (als zodanig werd op voorstel van de sultan van Djokjakarta een van de inheemse bestuurders benoemd) en dat hun bestuur onderworpen werd aan het toezicht van een in Batavia gevestigd Japans Sultanaatsbureau. Ook hieven de Japanners het beginsel van de erfopvolging op: kwam een der zelfbestuurders te overlijden (dat was in juli '44 het geval met de Mangkoenegoro, wiens opvolger, aldus mr. Elias, ‘een stroman van de Japanners’ was), dan zouden zij bepalen wie de opvolger zou zijn.
Op die nieuwe grondslag maakte de Soesoehoenan eind juli '42 in Batavia zijn opwachting bij generaal Imamoera, waarbij over en weer tal van vriendelijke woorden werden gesproken, en op hem volgden drie dagen later de drie overige zelfbestuurders.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 300-303

[Semarang 2 – Residentiekantoor] 
[Surabaya – Gevangenis]
 
[Yogyakarta 2 – Residentie] 
[Yogyakarta 2 – Gevangenis] 

Eind maart [‘42] ging van Imamoera’s staf het geheime bevel uit dat Nederlanders en Indische Nederlanders louter in de lagere overheidsrangen gehandhaafd mochten worden en dat alle hogere functionarissen met inbegrip van de rechters en de leden van het politiekader, alsook alle andere vooraanstaande Nederlanders en Indische Nederlanders opgesloten moesten worden. Dit bevel leidde in de loop van april op heel Java tot ingrijpen tegen de betrokkenen. Hun internering werd op 23 april bekend gemaakt in de pers en daarbij werd als motief vermeld dat, zoals uit een gevonden stuk zou zijn gebleken, de leden van het Afvoer- en Vernielingskorps in Soerabaja op ‘donderdag 20 maart 1942’ (20 maart was in ’42 een vrijdag) zouden zijn bijeengekomen voor onderling beraad – de Japanners hadden de datum van het gevonden stuk vervalst of in hun achterdocht verkeerd gelezen: de betrokken bijeenkomst had op donderdag 20 maart 1941 plaatsgevonden.
Niet uit alle streken beschikken wij over bijzonderheden. [...]
Op Midden-Java werd de gouverneur M.F. Winkler, op 20 april in Semarang naar de gevangenis gebracht en op hem volgen twee dagen later vijf-tot zeshonderd Nederlanders en Indische Nederlanders, die opgeroepen waren, aan bijeenkomsten in het gouvernementskantoor en in de sociëteit deel te nemen. Velen hadden die oproep niet vertrouwd ‘en gingen natuurlijk al met angstige voorgevoelens’, zo schreef daags daarna een Nederlandse vrouw in haar dagboek. Zij die aan de Japanse oproep gehoor hadden gegeven, werden alvorens afgevoerd te worden, toegesproken door enkele uit hun internering vrijgelaten NSB’ers. [...]
Op Oost-Java werden uit de Nederlandse en Indisch-Nederlandse groepen ook de onderwijzers gearresteerd. In Soerabaja stormden op 22 april tientallen Japanse militairen met gevelde bajonetten het gebouw van de Raad van Justitie (in Nederland het gerechtshof) binnen, ‘de rechters en advocaten werden’ schreef later een in het gebouw aanwezige inspecteur van politie, ‘in hun toga uit de rechtszalen gesleurd’ en kwamen met andere arrestanten (van wie de bestuursambtenaren opgeroepen waren, aan een bijeenkomst in het kantoor van gouverneur C.C.J. Hartevelt deel te nemen en het politiekader de aanzegging had gekregen, in het hoofdbureau van politie de Japanners trouw te zweren) in de gevangenis aan de Werfstraat en in de hulpgevangenis Boeboetan terecht. [...]
Ook in Djokjakarta namen de Japanners de egards in acht. Hier verzamelden zich op 23 april op oproep ruim tachtig personen in het huis van de gouverneur, dr. L. Adam. Zij werden er met dranken en sandwiches ontvangen, waarna een Japanse officier verscheen om mee te delen dat allen geïnterneerd zouden worden. Vrachtauto’s brachten hen na een tocht door de stad, ‘waarbij’, aldus een der controleurs, ‘de bevolking in verslagen stilte toekeek’, naar de strafgevangenis. Daar was ‘het voedsel vreselijk’, en groeide ook grote bezorgdheid doordat, naar men vernam, de Japanners in plaatselijke bladen bekendmaakten dat sommigen van de opgeslotenen vóór hun opsluiting plannen voor een opstand zouden hebben beraamd. Gouverneur Adam werd ernstig mishandeld; hij werd door de Kenpeitai o.m. onderworpen aan de beruchte waterproef (zijn mond en neus werden vol water gegoten zodat hij bijna stikte) en zijn armen en zijn gezicht werden, aldus een tweede controleur, ‘volkomen zwart geslagen’; ‘na elke mishandeling’, aldus een derde, ‘liep hij steeds ... rechtop naar zijn cel terug’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 328

[Surabaya – Gevangenis] 

Elders op Java werden, evenals in Batavia, de algemene arrestaties met tussenpozen uitgevoerd – in eerste instantie bleef dus een deel van de Nederlandse mannen en jongens op vrije voeten. Zij die dat in Garoet nog waren, werden in juli naar Bandoeng ontboden. ‘Elk’, aldus later de controleur van Garoet, dr. J. Bakker (in april niet opgepakt omdat hij een functie had bij de luchtbescherming), moest een koffer met de meest noodzakelijk dingen meenemen. Ik nam afscheid van vrouw en kroost en meldde mij bij het LOG te Bandoeng. Dit was het tot interneringskamp ingericht Landsopvoedingsgesticht (het tuchthuis voor jeugdigen). De helft van de mannen ging weer naar huis, de rest werd geïnterneerd. Niemand snapte er iets van. Later bleek mij dat de regent een lijstje had moeten opmaken van de nog niet opgepakte mannen. Tevens moest hij 50% daarvan uitkiezen die voor directe internering in aanmerking kwamen. Een delicate taak! Enfin, ik kwam terug en iedereen vond het raar. Wat een geroddel! Niemand van de lieftallige Europese dames die je feliciteerde. Jaloezie en laster waren in ruime mate mijn deel.
In Soerabaja werden de in juli opgepakten in de oude gevangenis aan de Werfstraat opgesloten. Het gesticht had grote cellen welke vroeger voor maximaal negentien Javanen bestemd waren – nu werden in elke cel omstreeks vijftig Nederlanders gepropt. Een assistent-inspecteur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland werd met een-en-vijftig lotgenoten naar een van die cellen gebracht. ‘Toen wij er’, schreef hij, ‘opgejaagd en geslagen door de inlandse cipiers voor stonden, keken wij elkaar aan en zeiden: ‘Neen, dat is onmogelijk’. Doch het moest en toen bleek het mogelijk’.
Niet al deze arrestanten werden vastgehouden: van diegenen die minder dan f 300 per maand hadden verdiend (de grens die ook in april had gegolden), werden velen vrijgelaten en anderen werden korte tijd later overgebracht naar het kolonisatiegebied Kesilir bij Java’s uiterste zuidoostpunt.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 349-350

[Semarang 3 – Interneringskamp] 
[Semarang 3 – Ambarawa] 

Ook in Semarang vond de internering eind ’42 plaats; hier kwamen in het stadsdeel Lampersari-Sompok uiteindelijk ca. achtduizend vrouwen en kinderen terecht, van wie sommigen uit andere plaatsen op Midden-Java en uit Soerabaja waren overgebracht. Andere vrouwen en kinderen uit Midden-Java, o.m. uit Djokjakarta, tezamen uiteindelijk ca. tienduizendvijfhonderd personen, werden òf in Ambarawa geïnterneerd in een al door het Nederlands gouvernement afgekeurde oude kazerne en een eveneens afgekeurd militair hospitaal (zesduizend personen) òf in de kazerne in het dicht bij Ambarawa gelegen Banjoebiroe (vierduizendvijfhonderd personen). Daarentegen kwamen ca. vijfhonderdvijftig vrouwen en kinderen uit Soerakarta in de bergen boven Ambarawa in hooggelegen, goede barakken van het Knil terecht en andere vrouwen en kinderen uit delen van Midden-Java in woningcomplexen bij landbouwondernemingen.
Op Oost-Java werden ca. zevenduizend vrouwen en kinderen eind ’42 en begin ’43 geïnterneerd in een goede stadswijk van Malang.
De laatsten die op dit deel van het eiland hun vrijheid verloren, waren de vrouwen en kinderen te Soerabaja: in januari ’43 de gezinnen die niet in hun eigen levensonderhoud hadden kunnen voorzien en steun hadden ontvangen, pas in de periode mei-september ’43 de overige gezinnen. Hier werden uiteindelijk in totaal ca. zesduizend personen in de Darmo-wijk bijeengebracht, een van de beste van de stad.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 350-351

[Surabaya 4 – Koeteistraat] 

Ook in Semarang vond de internering eind ’42 plaats; hier kwamen in het stadsdeel Lampersari-Sompok uiteindelijk ca. achtduizend vrouwen en kinderen terecht, van wie sommigen uit andere plaatsen op Midden-Java en uit Soerabaja waren overgebracht. Andere vrouwen en kinderen uit Midden-Java, o.m. uit Djokjakarta, tezamen uiteindelijk ca. tienduizendvijfhonderd personen, werden òf in Ambarawa geïnterneerd in een al door het Nederlands gouvernement afgekeurde oude kazerne en een eveneens afgekeurd militair hospitaal (zesduizend personen) òf in de kazerne in het dicht bij Ambarawa gelegen Banjoebiroe (vierduizendvijfhonderd personen). Daarentegen kwamen ca. vijfhonderdvijftig vrouwen en kinderen uit Soerakarta in de bergen boven Ambarawa in hooggelegen, goede barakken van het Knil terecht en andere vrouwen en kinderen uit delen van Midden-Java in woningcomplexen bij landbouwondernemingen.
Op Oost-Java werden ca. zevenduizend vrouwen en kinderen eind ’42 en begin ’43 geïnterneerd in een goede stadswijk van Malang.
De laatsten die op dit deel van het eiland hun vrijheid verloren, waren de vrouwen en kinderen te Soerabaja: in januari ’43 de gezinnen die niet in hun eigen levensonderhoud hadden kunnen voorzien en steun hadden ontvangen, pas in de periode mei-september ’43 de overige gezinnen. Hier werden uiteindelijk in totaal ca. zesduizend personen in de Darmo-wijk bijeengebracht, een van de beste van de stad.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 364, 372-273

[Semarang 2 – Van Oort] 

Op Java kwamen [in 1942] veel Nederlanders, Indische Nederlanders, inheemse oud-Knil-militairen en gezinnen van inheemse Knil-militairen in moeilijkheden te verkeren door [dat] [...] de banken en de postspaardienst werden gesloten, postwissels werden niet meer uitbetaald, de betaling van pensioenen werd gestaakt, alle salarissen werden drastisch verlaagd, het Nederlandse bedrijfsleven werd door Japanners overgenomen en/of geliquideerd, Nederlanders en Indische Nederlanders moesten relatief hoge bedragen betalen om in het bezit te komen van een persoonsbewijs en aan allen die in ’41 meer dan f 3000 per jaar hadden verdiend of een vermogen bezaten van f 25000 of meer werd een extra belastingaanslag opgelegd.
Velen konden zich, gelijk al vermeld, enige tijd redden door een handeltje te beginnen of eigendommen te verkopen – anderen werden geholpen door hun werkgevers. Bij verscheidene bedrijven (o.m. de Bataafse Petroleum Maatschappij, De Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de Internatio, het handelshuis Lindeteves Stokvis, De Nederlands-Indische Gas Maatschappij, de Factorij van de Nederlandse Handelmaatschappij, de andere Nederlandse banken) was men er in geslaagd een deel van de kasmiddelen achter te houden – die bedrijven waren in staat, de employés die zij hadden moeten ontslaan, financieel te helpen; in veel gevallen waren zij het die eind april en begin mei de gelden ter beschikking stelden die voor de registratie nodig waren. Al vóór eind april evenwel was hier en daar al andere hulp op vrij grote schaal nodig gebleken.
Die hulp werd verleend door de kerken, door gemeentelijke organen, door al of niet met deze samenwerkende particuliere comités en, op Oost-Java o.m. door het Rode Kruis. [...]
In Semarang begon een vrouwelijke arts, M. van Oort-Lau, in april ’42 met de steunverlening, oorspronkelijk alléén (ze kon enkele weken later op haar erf driemaal in de week rijst laten uitdelen aan twee- tot driehonderd behoeftigen), spoedig met hulp van twee Nederlanders, enige tijd later met medewerking van drie pastoors. Haar eigen erf, het katholieke en het protestantse weeshuis werden distributiepunten, ‘elke week’, schreef zij in ’47 in haar rapport ter zake, ‘kwamen er meer inschrijvingen; het maximum is geweest negentienhonderdzestig mensen, uitsluitend Europeanen, hoofdzakelijk Indo’s’ (Indische Nederlanders), ‘soldatenvrouwen en kinderen, allen zonder enige bron van inkomsten’. Ook een tehuis voor daklozen werd door mevrouw Van Oort georganiseerd, ‘waar er tenslotte tachtig tot honderd woonden, ook geheel uit mijn rijstfonds onderhouden’.[...]
Inmiddels was zij er toe overgegaan om levensmiddelen, sigaretten, geld en medicijnen bijeen te brengen die onder leiding van een Madoerees een nabij gelegen krijgsgevangenenkamp werden binnengesmokkeld. Via die Madoerees bereikte haar het verzoek, de krijgsgevangenen ook nieuws over het oorlogsverloop te leveren. ‘Ik heb toegestemd: wij luisterden zelf elke avond en zo maakte ik ongeveer tweemaal per week een strookje getypte berichten klaar, een compilatie van berichten van BBC, San Francisco en Sydney’. In december werd zij wegens het doen overbrengen van die berichten door de Kenpeitai gearresteerd; ‘ik moest beloven het nooit meer te doen (sic) en werd weer vrijgelaten na ongeveer een uur verhoor’. Zij zette het doorgeven van berichten voort en werd midden januari ’43 opnieuw gearresteerd, nu naar Batavia overgebracht en daar door de Japanse militaire rechtbank tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dit was het einde van haar hulpactie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 374

[Surabaya 3 – Rode Kruis] 

Naast de genoemde vereniging was in Soerabaja het Nederlands-Indische Rode Kruis actief.
Het bestuur van deze vereniging, gevestigd in Bandoeng, had eind april ’42 het werk neergelegd, hopend dat in Batavia verlof zou worden verkregen voor het hervatten; daarvan kwam niets terecht, mede doordat de officiële gedelegeerde van het in Genève gevestigd Comité International de la Croix Rouge, de Zwitser W. Weidman, in Batavia consul-generaal van Zwitserland, niet bereid was enig risico te nemen – deze functionaris heeft ook ten behoeve van de krijgsgevangenen en geïnterneerden niets van betekenis ondernomen*].
De Zwitserse consul te Soerabaja daarentegen, ir. M.E. Keller, en zijn Zweedse collega A. Wiesländer, hielden de plaatselijke afdeling van het Rode Kruis de hand boven het hoofd en op hun voorspraak vond de Japanse marinecommandant goed dat het Rode Kruis aan de krijgsgevangenen op Oost-Java alle mogelijke hulp verstrekte – ook werd het gemachtigd om, toen het interneringskamp in Kesilir eenmaal een feit was, ten behoeve van dat kamp alles bijeen te brengen wat het nodig had; hetzelfde geschiedde ten behoeve van de in Soerabaja ingerichte interneringsoorden, waaronder de Darmo-wijk. Van belang was voorts dat het informatiebureau van dit Rode Kruis tot eind ’42 in het geheim ongeveer 56000 namen van krijgsgevangenen en geïnterneerden wist te verzamelen. Tenslotte kon deze Kruisorganisatie, voordat zij in mei ’43 opgeheven werd (Keller was kort tevoren gearresteerd), van Soerabaja uit in tien plaatsen op Midden- en Oost-Java afdelingen oprichten waarvan die te Malang, geleid door de arts J.H. Soesman, bij uitstek actief is geweest. Soesman mocht met verlof van de Japanners zijn Rode Kruis-comité, waarin ook een Japans officier zitting had, omzetten in een Centraal Steun Comité dat voor behoeftigen goedkope woningen zocht, tehuizen voor daklozen oprichtte, gaarkeukens in bedrijf hield en zorg droeg voor de nodige medische voorzieningen. Het Comité, dat onder andere ca. tweeduizend gezinsleden van oud-militairen van het Knil opving, verzamelde voor zijn arbeid, die het tot augustus ’44 kon voortzetten, ca. f 150 000 in, vooral ook bij vermogende Chinezen.
*] zie ook [Bouwer – Het vermoorde land, 271-272] en [Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 85-86].

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 621-622

[Bandoeng 2 – Krijgsgevangenen] 

Op Java werden de krijgsgevangenen in eerste instantie samengebracht in locaties, niet ver van de punten waar zij zich bevonden toen de verschillende capitulaties (op 9 maart ’42 die van het Knil, enkele dagen later die van de Britse, Australische en Amerikaanse militairen) geregeld waren. Nadien vond een concentratie plaats in vier gebieden: Batavia, Bandoeng-Tjimahi, Soerabaja en Malang, waarbij bovendien de Britten, Australiërs en Amerikanen van de Knil-militairen werden gescheiden en bij die laatsten een scheiding werd aangebracht tussen de inheemsen enerzijds en de Nederlanders anderzijds. Die Nederlanders en Indische Nederlanders kwamen op Java in ’42 en later in enkele tientallen complexen terecht: kampementen van het Knil (waarvan er alleen in Batavia vier en in het gebied van Bandoeng-Tjimahi tien waren), militaire hospitalen en noodhospitalen, koeliekampementen, havenloodsen (in Batavia en Soerabaja), scholen, gevangenissen (twee in Batavia), een tuchthuis (het Landsopvoedingsgesticht te Bandoeng) en een groot tentoonstellingscomplex (het ‘Jaarmarktkamp’ te Soerabaja).

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 626

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

De marineman en de twee minderen van het Knil, resp. matroos H. Karssen en de kanonniers A. Hielkema en J.W. Merkus, werden in de ochtend van de 22ste april [1942] bij de poort van het betrokken kamp aan drie in de grond gestoken palen gebonden. Kampoudste overste Poulus, zijn kampementscommandanten en het hoofd van de medische dienst werden bij de Japanse kampcommandant, kapitein Kawakoetsoe, ontboden en kregen daar via de tolk te horen dat zij de executie van de drie vluchtelingen moesten bijwonen. ‘Nadere bijzonderheden’, aldus later Poulus, ‘werden niet meegedeeld ... Na raadpleging van de tolk, die als een uitstekend Japankenner bekend stond, werd dezerzijds de overtuiging verkregen dat het hier een ver doorgevoerde comedie betrof, die de bedoeling had de krijgsgevangenen te intimideren ... Niettemin wilde ik een poging doen om toch nog voor de betrokkenen gratie te vragen, doch er werd mij geen gelegenheid gegeven om iets in het midden te brengen’.
De drie ontvluchte militairen werden van de palen losgemaakt en met de armen op de rug vastgebonden aan de prikkeldraad-omheining. Op korte afstand van hen moesten Poulus en de overige Knil-officieren zich opstellen.
‘Nadat de gevangenen geblinddoekt waren werd de tolk in de gelegenheid gesteld, hun te vragen of zij nog iets hadden mee te delen. Van deze gelegenheid werd door alle drie gebruik gemaakt en hun laatste mededelingen zijn door de tolk genoteerd. Tevens verzocht Karssen om hem zijn blinddoek af te nemen, welk verzoek door de Japanner werd ingewilligd. Vervolgens stelden de manschappen van het executiepeloton zich met gevelde bajonet tegenover de gevangenen op en begonnen op een sein van de bevelvoerende Japanse officier onder het uitstoten van dierlijke kreten een soort krijgsdans uit te voeren. Op dat moment riep matroos Karssen ... die zag aankomen wat er gebeurde, uit: ‘Leve de koningin, hoera!’, waarmee door de beide anderen ... werd ingestemd met ‘Hoera!’... Onmiddellijk daarop werden zij door de dansende en gillende Jappen van het het executiepeloton op beestachtige wijze met de bajonetten doorstoken en afgemaakt. Toen bij dit lugubere schouwspel enkele van de aangetreden Nederlandse commandanten het hoofd afwendden, werd hun door kapitein Kawakatsoe op schreeuwende toon beduid dat zij ernaar moesten blijven kijken, de aanwezige officier van gezondheid flauw. De middelste van de drie geëxecuteerden (naast Karssen) bleek ... nog niet dood. Een Japanse luitenant trad op hem toe, haalde met een onverschillig gebaar lachend zijn pistool uit het holster en maakte hem met een schot door het hoofd af op een wijze waarop men een dolle hond zou afmaken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 631

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

In Juni [1942] werden de grote kampen in Bandoeng gedeeltelijk ontruimd: uit het grootste werden ca. vierduizend-achthonderd Nederlandse krijgsgevangenen naar Tjilatjap overgebracht en een kleine groep technici (van hen wilden de Japanners nagaan waar zij als Nippon-werkers konden worden gebruikt) en alle Indisch-Nederlandse krijgsgevangenen, samen ca. vijfduizend man, verdwenen naar Tjimahi. Naar Tjimahi gingen ook bijna alle krijgsgevangenen uit de kleinere kampen in Bandoeng (een deel van de officieren bleef achter), en wel te voet. ‘Het bericht’, aldus later een officier die eerst in het Landsopvoedingsgesticht opgesloten was geweest, ‘verspreidde zich snel en alle vrouwen ... stroomden toe om nog eenmaal hun mannen te zien. Ze werden echter door de begeleidende Jappen met rotanzwepen van de straat geranseld. Mijn vrouw die trachtte mij wat geld te geven, werd voor mijn ogen afgeranseld. Ik marcheerde door, want tegenstand zou executie en dood betekend hebben.
In ons gezelschap was Wim Kan en de enige vrouw die kans zag ons op de acht kilometer lange mars voortdurend in het oog te houden was Corry Vonk’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 645

[Surabaya 2a – Eerste jaarmarkt] 

Hoe was de stemming in de kampen?
Wij hebben er maar weinig gegevens over.
Het kan wel niet anders of degenen die hun vrouwen en kinderen op Java wisten, leden zwaar onder de scheiding: alleen hoogst riskante clandestiene contacten waren mogelijk, normaal contact per brief was, zoals al vermeld, niet toegestaan en bezoek was verboden. Daarop werd, voorzover ons bekend, slechts eenmaal een uitzondering gemaakt, nl. in de kampen te Soerabaja op 8 juli '42 (de 8ste van elke maand werd toen nog, met de herinnering aan Pearl Harbor, als feestdag gevierd). ’s Morgens in alle vroegte’, aldus ds. Hamel (die uit Magelang naar Soerabaja was overgebracht), ‘zagen we reeds door spleten in de bamboe-omheining, hoe de vrouwen zich op straat verzamelden in lange rijen, ieder grote hoeveelheden torsend van de meest uiteenlopende zaken. Van tijd tot tijd kreeg er een een klap of een schop van een Japanse soldaat, als de strakke formatie van de rij naar zijn mening werd verbroken. Lange, lange uren hebben zij daar staan wachten, die honderden vrouwen, vol spanning en toch vol goede moed.
... Toen de poort werd geopend, moesten zij eerst de wacht passeren die alles onderzocht en maar al te dikwijls een aantal artikelen stal.’
Sommigen kwamen vergeefs, want lang niet elke vrouw wist in welk van de kampen in Soerabaja zich haar man of zoon bevond.
Wij vermelden in dit verband dat in september in Soerabaja een van de kampen, in een school gevestigd, werd opgeheven: de gevangenen moesten naar het z.g. Jaarmarktkamp lopen. Hun bagage moesten zij dragen. Ds. Hamel zag bij die gelegenheid een gevangene voor het vertrek achter elkaar een blik boter opeten en zag de man in snikken uitbarsten toen hij één van zijn drie koffers niet kon meetorsen (‘het is moeilijk te geloven dat er werkelijk zulke mensen bestaan’). Ook werd hij getroffen door het onderling hulpbetoon, ‘het sterkst’, schrijft hij, ‘heerste deze saamhorigheid onder de jongens van de marine.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 648-649

[Woordenlijst – Special Party] 

Waarom de Japanners de hoogste Amerikaanse, Britse, Nederlandse en Australische militairen die zij in het Nanjo-gebied krijgsgevangen hadden gemaakt (marineofficieren met de rang van kapitein-ter-zee of hoger, leger- en luchtmachtofficieren met de rang van kolonel of hoger), in een aparte groep, de ‘Special Party’, bijeen hadden gebracht, is een vraag die men niet op grond van Japanse stukken kan beantwoorden. In vroegere oorlogen was het evenwel niet ongebruikelijk dat gevangenen die een positie van bijzondere betekenis hadden bekleed, een speciale behandeling kregen, en het is mogelijk dat de Japanners in ’42 meenden dat zij bij de door hen verwachte vredesonderhandelingen met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, met de Special Party een bijzondere troef in handen zouden hebben. Tot die Special Party behoorden overigens ook de hoogste burgerlijke autoriteiten die hun in het Nanjo-gebied in handen waren gevallen, zoals de Amerikaanse gouverneur van Goeam, de Britse van Hongkong en de Britse High Commissioner van Malakka, alsook een aantal lagere militairen: adjudanten en oppassers van de hoogste. De groep kwam uiteindelijk tot stand op Formosa waar zij in apart kamp werd opgesloten. Wat de hoge Nederlandse autoriteiten betrof, werden daar uit Sumatra, gelijk reeds vermeld, generaal Overakker en kolonel Gosenson heengevoerd, alsook de gouverneur van Sumatra, A.I. Spits en een officier van de generale staf, generaal-majoor H.J.S. de Fremerij, en uit Java eind december ’42 eerst gouverneur-generaal Van Starkenborgh, legercommandant Ter Poorten, zes-en-veertig andere hoge militairen en vier-en-twintig adjudanten en oppassers en in september ’43 een tweede groep van vier officieren (onder wie de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal) en acht-en-twintig oppassers – van dezen waren er bij de eerste groep maar weinigen geweest en daar was door de leden van de Special Party op Formosa bezwaar tegen gemaakt. Uiteindelijk ging de Special Party ruim vierhonderd personen tellen, onder wie honderdacht Nederlanders: twee-en-vijftig hooggeplaatsten, zes-en-vijftig adjudanten en oppassers.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 717

[Bandung 2 – P.W.] 

Na de opheffing van de kampen in Malang, Tjilatjap en Soerabaja, waren er nog krijgsgevangenen in Batavia (het vertrekpunt voor de transporten naar Birma, Thailand en Japan, later naar Sumatra en Singapore) en op de Bandoengse hoogvlakte, nl. in Bandoeng en in Tjimahi.
Bandoeng had drie kampen: een voor Nederlanders en Indische Nederlanders (het kamp van het XVde bataljon), een voor de Britten, Australiërs en Amerikanen en een voor Ambonezen en Menadonezen (die geweigerd hadden heiho te worden). De kampoudste uit het kamp van het XVde bataljon, luitenant-kolonel Poulus, was in juni ’42 naar Tjilatjap verplaatst en zijn functie was toen overgenomen door de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal. De Waal evenwel werd in februari met enkelen van zijn officieren door de Japanners gevangengezet (zulks op grond van de Japanse verdenking dat in zijn kamp radioberichten circuleerden en dat contact was gelegd met het kamp der Ambonezen en Manadonezen) en Poulus, inmiddels naar Bandeng teruggevoerd werd weer kampoudste. De wijze waarop de Japanners met zijn kamp omsprongen, karakteriseerde deze na de oorlog in zijn rapport als ‘Japs’, d.w.z. onberekenbaar, hardhandig, vernederend en slaafs, met momenten van betrekkelijke vrijheid, afgewisseld door perioden van ware terreur’ – feitelijk Japans commandant was een sergeant voor wie, aldus Poulus, ‘het afranselen van hoofdofficieren ... een bijzondere delicatesse was’. Al deze moeilijkheden ten spijt konden Poulus en zijn helpers hun kamp redelijk organiseren. De te krappe rantsoenen werden aangevuld met bijvoeding die gefinancierd werd uit een Voedingsfonds – voor dat fonds, gedeeltelijk gevormd uit bijdragen van officieren en minderen, kon Poulus (zoals het Gemeentelijk Europees Steuncomité in Batavia had gedaan) clandestien aanzienlijke bedragen lenen van organisaties en particulieren, naar wij aannemen vooral van Chinezen. Ook kreeg het fonds inkomsten uit winsten van diverse bedrijven en van toko’s, restaurantjes en bars die binnen het kamp waren opgericht. Er kon veel aan sport worden gedaan en er werden toneel-, cabaret- en muziekuitvoeringen gegeven, veelal in samenwerking met de Britse krijgsgevangenen. De medische verzorging was, ‘de omstandigheden in aanmerking genomen, bepaald goed te noemen’.
Midden december ’43 werd ontdekt dat Poulus clandestien leningen was aangegaan. Hij werd mishandeld en het gehele Voedingsfonds werd door de Japanse sergeant in beslag genomen en moest onmiddellijk besteed worden (zodat ‘in enkele dagen tijds een enorme hoeveelheid levensmiddelen, rokerij, vruchten en alle mogelijke prullaria het kamp binnenkwam’). Vervolgens werden Poulus en enige andere officieren naar Tjimahi gevoerd waar zij, na afgerammeld te zijn, werden opgesloten, en werden alle krijgsgevangenen uit Bandoeng, behalve de Britten en de Amerikanen, naar Batavia getransporteerd waar zij in het kamp van het Xde bataljon werden opgesloten. Het Knil-kampgedeelte werd enige tijd later als burger-interneringskamp opnieuw in gebruik genomen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 721

[Bandung – P.W.] 

Eind oktober [1944] werd het kamp in de gevangenis [Struiswijk in Batavia] opgeheven en werden de officieren landinwaarts getransporteerd naar het kampement van het 1ste bataljon te Bandoeng, waar ook de officieren uit het kamp te Tjimahi terechtkwamen. Kampoudste werd er toen kolonel Vooren, die tijdens de Japanse invasie territoriaal commandant op Zuid-Celebes was geweest en die de Japanners verzuimd hadden aan de Special Party toe te voegen. Er kwamen in zijn kamp in totaal bijna dertienhonderd Knil- en meer dan driehonderd Britse officieren terecht, maar ook ca. zeventig minderen en zelfs bijna honderd burgers. Al die gevangenen hadden veel te weinig ruimte tot hun beschikking en leden honger – nòg minder ruimte evenwel en nòg lagere rantsoenen kregen zij van april ’45 af, toen zij naar het Landsopvoedingsgesticht werden overgebracht, waar zij ca. tweeduizend minderen aantroffen: ruim dertienhonderd van het Knil en ca. zeshonderdvijftig Britten.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 734-735

[Semarang 3 – Kalibanteng] 
[Surabaya 4 – Kembang Kuning]
 

Zoals de militairen van de Koninklijke Marine en van het Knil het tijdens de Japanse bezetting aanzienlijk moeilijker hebben gehad dan de militairen in Nederland tijdens de Duitse, zo hebben ook de Nederlandse staatsburgers (Nederlanders èn Indische Nederlanders) in Indië het aanzienlijk moeilijker gehad dan de burgerij in Nederland. Daar zijn in vijf jaar bezetting delen van de bevolking in grote nood komen te verkeren (de vervolgden, de door het oorlogsgeweld getroffenen en, in de hongerwinter, de bewoners van de niet-agrarische gebieden in het westen des lands) – in Indië is die nood algemener geweest, heeft hij langer geduurd en heeft hij naar verhouding veel meer mensenlevens gevergd. Doordat bijna alle Japanse stukken die op de internering betrekking hebben, alsook veel kamparchieven verloren zijn gegaan, zijn de gegevens over de aantallen geïnterneerden onvolledig. Wat beschikbaar was, heeft dr. D. van Velden in haar breed-opgezette, in '63 verschenen studie De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog bijeengebracht' – m welnu, volgens haar cijfers zijn in Indië in totaal ca. zes-en-negentigduizenddriehonderd Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgers geïnterneerd en zijn van hen in een internering die voor de meesten omstreeks drie volle jaren heeft geduurd, ca. dertienduizendhonderdtwintig bezweken, oftewel 13,6%.
Het is mogelijk dat die cijfers te laag zijn. De Nederlandse regering heeft na de oorlog gesteld dat er in Indië ruim honderdduizend geïnterneerden zijn geweest ¹) – vast staat dat de Japanners aan het Internationale Rode Kruis in de loop van de oorlog hebben doorgegeven dat er ca. acht-en-negentigduizend geïnterneerden waren en dat van hen ca. zestienduizend-achthonderd waren gestorven: 17%.
Misschien is het verstandig er van uit te gaan dat er ca. honderdduizend geïnterneerden zijn geweest en dat de internering aan één op de zes het leven heeft gekost.
¹) In 1955 is de Nederlandse regering er bij de onderhandelingen met Japan die er toe geleid hebben dat een bedrag van f 38 mln aan smartegeld ter beschikking kwam, er van uitgegaan dat er ca. honderdtienduizend geïnterneerden waren geweest, van wie één op de vijf zou zijn gestorven – wij gaan liever van de iets lagere cijfers uit die dr. van Velden acht jaar later publiceerde. Het toegekende smartegeld kwam er op neer dat een oud-geïnterneerde ruim drie dubbeltjes kreeg (huidige waarde misschien een rijksdaalder) per dag dat de internering had geduurd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 754-755

[Semarang 3 – Kamp] 

De Japanse kampstaven waren zeer klein: bij de kleinere kampen waren er een of twee Japanners, bij de grote wat meer, maar ook bij een vrouwen- en kinderkamp als de Tjideng-wijk te Batavia waar zich tenslotte meer dan tienduizend geïnterneerden bevonden, werden het er toch nooit meer dan tien. Hoe zij zich gedroegen, hing in veel opzichten af van de persoonlijkheid van de Japanse kampcommandant. [...]
Tjideng had van april '43 tot april '44 een commandant die, aldus een ex-geïnterneerde in april '46, ‘er altijd voor gezorgd heeft dat alle orders van Headquarters zo mild mogelijk werden doorgegeven. Hij vond bij aanvraag van permits dit feitelijk altijd goed ... Hij is altijd fatsoenlijk geweest.’ [...]
Ruim een jaar eerder evenwel kreeg bij datzelfde Medan een van de kampleiders van het mannenkamp Belawan Estate van de Japanner die hij op het stijgend aantal sterfgevallen had gewezen, te horen: ‘Laat ze maar doodgaan.’ Zo ook in het kamp te Ambarawa, waar begin '45 ca. tweeduizend bejaarde mannen van West- en Midden-Java werden geconcentreerd. ‘Het aantal sterfgevallen was’, aldus later D.M.G. Koch (oprichter van het tijdschrift Kritiek en Opbouw), ‘al onmiddellijk zeven à acht per dag en steeg geleidelijk tot veertien. Toen ging ik naar de Japanse commandant om hem te vragen, de voedselvoorziening te verbeteren. Hij antwoordde dat, zodra wij het tot vijftien sterfgevallen per dag zouden hebben gebracht, hij er eens over denken zou voor beter voedsel te zorgen. Als de bevrijding drie maanden later gekomen was, zou het gehele kamp uitgestorven zijn.’
In het vrouwen- en kinderkamp Halmaheira (een van de kampen te Semarang) deed een Japans kamphoofd zijn intrede die zo hard sloeg, ‘dat hij’, aldus een geïnterneerde, Eliza Thomson, ‘onmiddellijk de bijnaam 'Satengah mati’ kreeg, wat ‘half dood’ betekent. [Hij] was een intens gemene vent. Wanneer hij een vrouw tegenkwam, liep zij het risico dat hij zijn sigaret in een van haar neusgaten of tussen haar vingers uitdrukte; ook haalde hij zijn vinger geregeld over de gezichten om te kijken of deze gepoederd waren. Zo ja, dan schroomde hij niet zijn slachtoffer half dood te slaan.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 763-764

[Semarang 3 – Kamp] 

Geïnterneerde vrouwen kregen in de ‘militaire’ fase werk te doen dat verband hield met de bouw van houten schepen: touw draaien, houten spijkers maken, boombast lospluizen (pluizen werden gebruikt om naden te dichten), of tot de uitrusting van militairen bijdroeg: kleren en handschoenen naaien (dat laatste was, aldus H. Helfferich-Koch, ‘een afschuwelijk peuterwerk’), sokken en broekbanden breien, petjes maken of er vetergaten in aanbrengen, distinctieven op uniformen borduren, matrassen maken. Eén geval van weigering is bekend (er kunnen er meer zijn geweest): in het Halmaheirakamp te Semarang werd in augustus '44 door negen geïnterneerde vrouwen geweigerd, soldatenpetjes te maken. De negen weigeraarsters kregen eerst een kaakslag, werden vervolgens vijf dagen lang verhoord en met knuppels afgeranseld en daarna vier maanden lang opgesloten – nadien stierven drie van de negen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 766-768

[Semarang 3 – Binnenplein] 

In bijna alle kampen werd in de ‘militaire’ fase honger geleden: wat men aan voorraden van de legerautoriteiten kreeg, was te weinig en voor het geld dat buiten de kampen besteed mocht worden, kreeg men steeds minder levensmiddelen. In de meeste vrouwen- en kinderkampen op Java kwam de calorische waarde van het voedsel in '45 niet ver boven de 1 000 te liggen – er waren ook kampen waar men per dag niet meer dan 800 calorieën kreeg. ‘Het menu’, aldus dr. van Velden, ‘bestond in veel kampen uit eenmaal per dag ongeveer 90 gram droge rijst met een sausje van groenten, vermengd met kruiden en geraspte kokos, en, indien aanwezig, een visje of een lepel ingewanden- of bonenpastei. Voor de rest van de dag kreeg men een stuk brood (het beste te vergelijken met een brok harde rubber), of pap van meel of rijst, of gekookte mais enz., al naar de Japanners binnen stuurden. De glibberige en stinkende meelpap (in een van de vrouw en- en kinderkampen op Java sprak men van ‘Jappensnot’) moest meestal zonder suiker of zout gegeten worden. ‘Het smaakte (en stonk) zo afschuwelijk, dat we ’, aldus later een geïnterneerde in een van de kampen te Semarang, ‘zelfs in de ergste hongerperiode de grootste moeite hadden om het naar binnen te krijgen. Een van ons telde meestal tot drie en dan namen we een hap terwijl we onze neus dichtknepen.’. De pap had een hoog waterbindend vermogen en bevorderde daardoor het ontstaan van hongeroedeem. De oude mais en verschillende bonensoorten waren moeilijk gaar te krijgen en lang niet iedereen kon ze verdragen. Het voedsel dat centraal werd bijgekocht, werd zorgvuldig uitgezocht op zijn voedingswaarde en bestond voornamelijk uit zeer eiwitrijke bonensoorten ..,. suiker, vis, vruchten en specerijen, maar de kampleveranciers hielden zich meermalen niet aan de bestellingen of stuurden minderwaardige kwaliteiten binnen ’ – men stond machteloos tegenover dergelijke chicanes en malversaties. Daar kwam bij dat het smokkelen in de ‘militaire’ fase aanzienlijk riskanter was: de kampen stonden nu onder Japanse militairen en de inheemse politieagenten waren als bewakers vervangen door Koreanen en (ook al hier en daar eerder ingeschakelde) inheemse hulpsoldaten, heiho' s, die door de Japanners in anti-Westerse geest waren gevormd. Op die kampsmokkel komen wij nog terug.
In de meeste kampen kostte het grote moeite om van de weinige levensmiddelen die binnenkwamen, een maaltijd te maken. Het was zwaar werken in de gaarkeukens! ‘Eigenlijk’ was dat, aldus een geïnterneerde in het kamp Lampersari (Semarang) (elders was het niet anders), ‘een klein epos. De vrouwen die daar elke dag (en elke nacht) werkten bij de hete vuren, gewoonlijk op hun blote voeten, en de loodzware kooktanks moesten versjouwen en tillen op de slecht gemetselde m uurtjes die ook weleens afbrokkelden, waardoor zo’n kokende kookketel om viel en de gloeien de pap over de blote voeten stroomde, verrichtten een bovenmenselijke taak. En dan te denken aan de ellende van gebrek aan hout, of slecht hout dat helemaal niet wilde branden, en aan het jachtige gevoel dat er duizenden hongerige vrouwen en kinderen wachtten tot de etensuitdeling kon beginnen – het is geweldig wat deze vrouwen en meisjes hebben gepresteerd. Zij wisten van een minuscule hoeveelheid vlees en een beetje groente (meestal kool) nog een eetbare sajoer te maken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 775

[Semarang 3 – Binnenplein] 

In het vrouwen- en kinderkamp Lampersari wekte de kookploeg aanstoot. ‘Als je ziet’, schreef Carla van Berkum eind juli '44 in haar dagboek, ‘met hoeveel de kooksters en de leiding thuiskomen: ketels water, stapels pannekoeken, bakken met pap en groente. Bar!! Als een van ons probeert een keteltje bij te zetten, dan wordt hij uit het kookgat getrapt!! En dan word je uitgescholden als ik weet niet wat.’
Degeen die boven in het kamp toezicht had over het opscheppen, ging, als het uitdelen van de porties achter de rug was, zelf nog eens eten, ‘het ene kopje sajoer na het andere, afgewisseld met ettelijke kopjes koffie. En als ze naar beneden gaat, heeft ze nog een melkkoker en een groenteschaal vol met sajoer. Leuke baan. Zij is de enigste niet, zo zijn ze allemaal!!!

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 790-791

[Surabaya 3 – Ziekenhuis] 

In de ‘militaire’ fase werden de correspondentievoorschriften in zoverre gewijzigd dat onderlinge correspondentie tussen de geïnterneerden en correspondentie met krijgsgevangenen toegestaan werd, zulks op briefkaarten die in het Japans of Maleis (of, voor bestemmingen buiten Indië, in het Engels) moesten worden gesteld. Men diende dan uit twaalf standaardzinnen, verscheidene bij uitstek positief (bijvoorbeeld: ‘Wij hebben een uitstekend ingericht ziekenhuis en ook een rusthuis’, ‘Ons kamp is goed opgezet en geriefelijk ingericht’, ‘Wij genieten van het werken in de openlucht’), drie te kiezen en daar mocht men dan twintig woorden aan toevoegen. Veel van die post kwam in het geheel niet over en briefkaarten van of aan krijgsgevangenen die wèl werden uitgereikt, waren soms jaren onderweg geweest.
Doordat echtgenoten, ook als zij niet ver van elkaar geïnterneerd waren, elkaar maar zelden een postbericht konden zenden, kwam het tot clandestiene berichten die tegen betaling door inheemse bewakers werden meegenomen, en maakte men soms gebruik van toevallige contacten, bijvoorbeeld in Soerabaja. Daar brak in '43 in de Darmo-wijk, het interneringsoord voor vrouwen en kinderen, een difterie-epidemie uit waardoor talrijke patiëntjes naar het Centraal Burgerziekenhuis moesten worden overgebracht. Naast dat ziekenhuis lag een van de manneninterneringskampen. Een van de patiëntjes ontving in het ziekenhuis briefjes van mannen met boodschappen voor hun vrouwen er op; de briefjes kauwde ze fijn en slikte ze door, nadat ze de boodschappen uit haar hoofd had geleerd – die kon ze na haar herstel overbrengen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b 798-800

[Semarang 3 – Binnenplein] 

Eerder vermeldden wij dat, toen bepaald moest worden hoe Rode Kruispakketten moesten worden verdeeld onder de krijgsgevangenen en burger-gevangenen van diverse nationaliteiten, die zich in Japan en de door Japan bestuurde landen bevonden, de Nederlandse regering er door gebrek aan informatie niet in was geslaagd, de in Indië geïnterneerden als volwaardige gevangenen erkend te krijgen. Het gevolg hiervan was dat van de weinige zendingen welke door Japan werden toegelaten, een relatief veel te klein aantal pakketten voor de geïnterneerden in Indië werd bestemd. [...]
Gegevens over het uitdelen van de pakketten op Java bezitten wij slechts met betrekking tot enkele kampen. In mei '44 kregen in het vrouwen- en kinderkamp Lampersari (Semarang) telkens tien geïnterneerden één pakket (‘allerwegen is er gesmuld’), in Ambarawa III, waar 18 pakketten verdeeld moesten worden onder ca. achthonderd geïnterneerden, kreeg elk nog minder: ‘het zesde deel van een blikje cornedbeef, een half blikje boter, twee-en-een-halve vierkante centimeter kaas, drie gedroogde pruimen, één vierkante centimeter chocolade, een mespunt paté, twee klontjes suiker – en wat goede, echte koffie! ... Och wat zijn we gelukkig! En onmiddellijk zijn we allemaal veel vriendelijker.’
In het grote vrouwen- en kinderkamp Tjihapit te Bandoeng waren er eind mei '44 ca. 1 500 pakketten voor ca. veertienduizend geïnterneerden; het werd, aldus een dezer, ‘een binnenhuis-feest. Wat hebben we dikwijls tegen elkaar gezegd: ‘Als ze in Amerika eens wisten, hoeveel deze pakketten voor ons betekenen!”
In het kamp te Moentilan (tussen Magelang en Djokjakarta), waar ruim vierduizend vrouwen en kinderen geïnterneerd waren, eigenden de vrouwen die de kampleiding vormden (ten dele echtgenoten van marineofficieren uit Soerabaja) zich zoveel pakketten toe dat, toen de pakketten van de ‘Awa Maroe arriveerden, een blokleidster eiste dat zij alle in het openbaar zouden worden verdeeld – hetgeen toen geschiedde.
In het mannenkamp Tjimahi was er één pakket voor elke acht geïnterneerden; de Amerikanen onder dezen kregen elk een heel pakket, maar dat accepteerden zij niet: ze deelden gelijk-op. ‘Achteraf’, aldus een der mannen, ‘blijkt er veel gestolen te zijn, eerst door Japanners, dan door Indonesische politie, dan door eigen mensen’ – wij herinneren er aan: veruit het meeste door de Japanners, die zich, zoals wij al in het vorige hoofdstuk vermeldden, van de eerste twee zendingen negen-tiende en van de ‘Awa Maroe’-zending vijf-zesde toeëigenden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 1017

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Op 4 september werd een eerste kabinet gevormd. [...] Van de Indonesische voormannen die wij in het voorafgaande noemden, kreeg Soehardjo Buitenlandse Zaken, Wiranatakoesoema Binnenlandse Zaken, prof. Soepomo Justitie, dr. Boentaran Gezondheidszorg, Dewantoro Onderwijs en Abikoesno Verkeer en Openbare Werken – ministers zonder portefeuille werden o.a. Wachid Hasjim, Sartono en Oto Iskandardinata. Er waren onder die ministers zovelen die een hoge functie hadden bekleed op de door Japanners geleide departementen, dat men dit eerste Indonesische kabinet wel aanduidde als ‘het boesjo-kabinet’, ‘het kabinet van de Tweede mannen’.