Indië, geïllustreerd weekblad - 1, 166

[Jakarta 5 – Java-Hotel] 

De meest bekende hôtels van dien tijd [±1870] waren het Java-Hôtel en het Marine-Hôtel en deze werden voornamelijk door de nieuwaangekomenen bezocht. Ook de kapiteins der koopvaardijvloot logeerden daar en voelden zich, geregelde klanten als zij waren, zéér thuis. Niet weinig droeg daartoe bij de gemoedelijke toon, die er heerschtte, vooral

Indië, geïllustreerd weekblad - 1, 531

[Jakarta 5 – Klooster] 

De heer A. Baars, leeraar aan de Koningin Emmaschool is wegens een tegen het gouvernement gerichte propaganda uit ’s lands dienst ontslagen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 1, 723

[Bandung 2 – H.B.S.] 

[1918] Aan de H.B.S. te Bandoeng is een cursus geopend voor die leerlingen der Cadettenschool, die door de tijdsomstandigheden niet de reis naar Nederland kunnen doen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 55, 59

[Jakarta 5 – Hollandsch Inlandsche School] 
[Jakarta 6 – Hollands-Inlandsche scholen] 

[1918] Indië lijdt voortdurend aan nijpend personeelgebrek, te zwaarder naarmate het werk er op elk gebied in omvang toeneemt. Een zeer bedenkelijk en ernstig euvel, dat reeds ettelijke jaren zich bij schier alle takken van Gouvernementsdienst gevoelen doet en, blijkens de meest recente berichten uit de kolonie, steeds meer last schijnt te veroorzaken. […]
De inlichtingen van den directeur van onderwijs komen hierop neer: We sukkelen nog steeds aan gebrek aan onderwijzend personeel, ’Aan de tallooze aanvragen om Hollandsch-Indische scholen kan slechts voor een heel gering deel worden voldaan. Elk jaar in de tijden van aanneming van nieuwe leerlingen gaan er duizenden ouders teleurgesteld weg en dat deze teleurstelling op den duur tot verbittering overslaat is duidelijk’. Wij kunnen slechts een zeer klein deel geven van datgene waaraan werkelijk behoefte is.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 68-73

[Jakarta 5 – NILLMIJ] 

Het Hoofdkantoor der NILLMIJ, de Nederlandsch-Indische Levensverzekering en Lijfrente-Maatschappij.
’t Is een forsch kantoor van twee verdiepingen, gebouwd in den vorm van een L (juist, levensverzekering); de lange poot van de L ligt langs Noordwijk, de korte vormt de westgrens van de Gang Thiebault (een zijstraat), terwijl de hoek gemarkeerd wordt door een bescheiden toren, waarin een groote klok U aan den snelvlietenden tijd herinnert. Het is het eerste gebouw, dat te Batavia geheel van beton is opgetrokken.
Merk op […] dat de beneden-verdieping, vier flinke kantoorruimten bevat, die alle goed verhuurd zijn. ’t Is heel practisch: één der lokalen is verhuurd aan het agentschap der Escompto Maatschappij; in een ander is een winkel van schriif- en rekenmachines gevestigd […]. Ook op de bovenverdieping is voorloopig nog ruimte te veel en de twee uiterste lokalen (met afzonderelijken opgang) zijn daarom eveneens verhuurd.
[De vestibule:] Links en rechts van de trap zijn sectieltegels in de muur gemetseld; de ene heeft betrekking op de oprichting der Maatschappij, de andere op den bouw van het kantoor. […] Nauwelijks hebben wij de eerste treden beklommen of we komen onder den indruk van het vriendelijke licht, dat door de gekleurde ruiten van het hoog opgetrokken trappenhuis valt. Dat trappenhuis is architectonisch bijzonder goed geslaagd: uit de vestibule toch de trap opklimmende, krijgt men een prachtigen overgang en geraakt men een oogenblik onder bekoring van de eenvoudige constructie, waarvan de strengheid door het gekleurde licht wordt getemperd. Laat ons een oogenblik op het bordes blijven staan, en de wijsheid proeven van de spreuken, die, in tegels gebrand, hoog in de wanden van het trappenhuis zijn aangebracht. […]
Het is koel in de personeelzaal: lucht, licht en ruimte zijn de eischen, die men reeds in Europa stelt, maar voor Indië komt er nog een zeer belangrijke eisch bij: die van koelte. En hieraan voldoet deze zaal, gelijk trouwens het geheele gebouw, in hooge mate door de ruime toepassing van galerijen, die bovendien door zeilen tegen de zonnewarmte beschut kunnen worden. Op één dier galerijen zijn de adresseermachines opgesteld, waarmede de maandelijksche premiekwitanties snel en zonder fouten gedrukt worden; alles gedurende enkele uren per dag door één beambte bediend. Hij mag niet binnenkomen, de arme, zijn trappen op de machines maakt te veel lawaai ! […]
Wie nu dat alles gebouwd heeft, vraagt ge? De tegel in de vestibule geeft U het antwoord: naar een voorloopig ontwerp van den ingenieur S. Snuijf is een definitief project gemaakt door den architect P.A.J. Moojen, die ook verder den bouw heeft geleid, terwijl de heer G.P.N. Elenbaas de aannemer was.
En wilt ge nog iets over de financiëele resultaten hooren? Laat ons daartoe overnemen wat de directie in hare Agentencirculaire van ult. December 1912 schreef, toen het gebouw juist een jaar in gebruik was: ‘Nemen wij nu de koopsom van den grond en de bouwkosten, dan krijgen wij het bedrag, dat in het gebouw belegd is en welk bedrag dus zijn rente moet opbrengen. De totaal in een jaar ontvangen huur blijkt nu, na aftrek van verschillende kosten, als verponding, brandassurantie en onderhoud, een voldoend bedrag over te laten als rente over het in het gebouw gestoken kapitaal, terwijl er dan nog een bedrag voor afschrijving overschiet. De som, die wij feitelijk ons-zelf in rekening zouden moeten brengen voor huur, kan dus eveneens voor afschrijving worden gebruikt’.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 69

[Jakarta 2 – Assurantie] 

In de jaren na 1900 was er zelfs een kleine ‘trek’ merkbaar om ook overdag de stoffige benedenstad te verlaten, en de kantoren over te brengen naar Weltevreden; speciaal dan zulke kantoren, die veel met het publiek te maken hadden, en niet zóó aan banken en andere handelslichamen gebonden waren, dat een verplaatsing schade kon doen. Voor dergelijke zaken was eene verplaatsing, alles bijeengenomen winst, want iemand, die niet speciaal in de benedenstad moest zijn, kwam er eenvoudig niet. Sterk kwam dit uit ten opzichte der Nillmij, die haar kantoor in de Binnen-Nieuwpoortstraat had. […] Toen dan ook het oude kantoor langzamerhand te klein werd en er dus een nieuw kantoor moest komen, werd niet in de benedenstad, maar in het drukste gedeelte van Weltevreden een plaats gezocht.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 113

[Bandung 2 – Departementsgebouw] 

[1918] Het Departement van Oorlog te Bandoeng Bouwmeester Kapt. Ing. Schoemaker.

Indië geïllustreerd weekblad - 2, 132-133

[Jakarta 6 – Aneta] 

[1918] Men hoort nog al eens spreken over de kwestie der Europeesche pauper-bevolking in Indië. En inderdaad is de vraag, hoe aan het pauperisme van een betrekkelijk groot deel der Europeesche bevolking in Indië een einde te maken, van groot belang.
Het lijkt eene anomalie, dat in Indië, het land van den overvloed van levensmiddelen, het land zonder koude, het land van de zich sterk ontplooiende economische ontwikkeling met daarmee gepaard gaand nijpend gebrek aan Europeesche werkkrachten eene talrijke klasse van paupers kan bestaan, behoorende tot het ‘overheerschend’ ras. Hier in Holland merkt men van die Indische paupers zoo weinig. Geen wonder voorwaar, want deze komen niet naar het moederland, dat voor hen al weinig van een ‘moeder’-land weg heeft. En ook een groot deel der beter gesitueerde Eurpeanen in Indië loopt eene twintig- of dertigjarige Indische carrière af, zonder met dit deel hunner landgenooten eenigszins bekend te worden. Men weet, dat er ‘kampoeng-Europeanen’ bestaan, dat de kinderen daarvan voor een groot deel de Europeesche scholen bevolken, en dat de klasse dus vrij talrijk moet zijn, maar van hun gedachteleven, hun ontwikkelingsgraad, hun verhouding tot de Inlandsche en tot de Europeesche bevolking, hun broodwinning blijft men vrijwel onkundig.
We zeiden boven, dat het wel eene anomalie schijnt, dat Indië een Europeesch pauperisme kent. Bij eene nadere beschouwing van de Indische maatschappij is dit feit toch gemakkelijk te verklaren. ’t Is eene kwestie van opvoeding en milieu, niet van bloedmenging.
Men is dikwijls geneigd aan het laatste de schuld te geven. De Indo-Europeanen zijn zoo energieloos, zoo indolent, zoo slap, zoo onbetrouwbaar, zegt men. En die slechte eigenschappen komen er in door het Inlandsche bloed.
Deze bewering, niet anders dan eene uiting van den thans gelukkig meer en meer verdwijnenden rassentrots van Europeanen, is niet bestand tegen eene toetsing aan de werkelijke feiten. Er zijn tientallen voortreffelijke Indo-Europeanen aan te wijzen, die de hoogste sporten van de maatschappelijke ladder bereikten. Uitmuntende hooge ambtenaren, energieke hoofd- en opperofficieren, beroemde geleerden, geziene kunstenaars komen onder hen voor. […]
Onder de in Europa geboren Europeanen in Indië komen evengoed paupers voor. Ik heb er zelfs wel gezien, die liepen te bedelen. En onder de kinderen van twee geheel Hollandsche ouders vindt men naar verhouding even veel futlooze, luie, verwende, tirannieke, laffe tra-maoeërs (van: tra-maoe = ik wil niet; wat zulke kinderen in den mond bestorven ligt) als onder Indo-Europeaantjes. Slecht opgevoede kinderen, gedoemd om later maatschappelijk ongeschikte menschen te worden, vindt men overal.
En in Indië is het nog een beetje moeilijker om zijn kinderen goed op te voeden dan in Holland. De vele geduldige en toeschietelijke bedienden en de verschillen in begrippen en opvattingen der diverse rassen in Indië maken gestadige zorg en toezicht van de ouders noodig om hun kroost eene naar Europeesch begrip goede opvoeding te geven. En als het kind eene Inlandsche moeder heeft, is deze bijna altijd uit den laagsten stand voortgekomen, eene geheel onontwikkelde vrouw, meestal niet de echtgenoote, maar de ‘huishoudster’ van vader en dus niet ideale opvoedster.
Als tweede moeilijkheid voor het vormen van maatschappelijk en zedelijk krachtige figuren noemden we het milieu. […] Voor den Europeaan in Indië ligt de zaak evenwel anders dan voor den inboorling. Hij kwam daar als vreemdeling en mag als zoodanig geen grondbezitter zijn. Hij kan daar nu eenmaal om verschillende redenen geen gewone, kleine landbouwer zijn. En ook is praktisch een deel van de ambachtsnijverheid en den kleinhandel voor hem afgesloten. Hij is aangewezen voor leidende betrekkingen, of voor ‘gestudeerde’ vakken of voor enkele broodwinningen van anderen aard, die aan het oorspronkelijke Inlandsche leven vreemd waren. Jongens, die nu eenmaal niet studeeren kunnen, omdat hun hersens daar niet voor deugen, of omdat pa’s beurs dit niet toelaat, en die ook de karaktereigenschappen missen om in eene leidende betrekking van nijverheid of handel op te treden, vervallen licht tot pauperisme, omdat zij nu eenmaal geen Inlanders in de Inlandsche maatschappij kunnen worden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 134

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

[1918] De Europeesche school heeft voor de opvoeding der Indo-Europeesche jeugd zeer groote verdiensten, zóó groot, dat men veilig mag zeggen dat, sedert de school alle Indo-Europeesche kinderen kon bereiken, de Europeesche samenleving in Indië grondig en in haar voordeel is hervormd. Maar die school kan niet beletten, dat ’n jongen, op een luierstoel neervallend, dreint: ‘Baboe, trek mijn schoenen uit’ of ‘Sidin, haal mij een glas water’; dat hij zich alles laat na- of aandragen; altijd op een ander steunt of een ander het werk laat doe; niet zelfstandig leert werken; in de jaren, waarop het voor de opvoeding vooral aankomt, slechts zwakjes de zelftucht en het verantwoordelijkheidsgevoel kan doen groeien.
Dat padvinderij zet hem aan ’t werk. Alles zèlf doen: zorgen voor de schoenen, de kleeren; het opzetten van het logiesgebouw; het bereiden van het eten; het klaarmaken van de vaartuigen.
De padvinderij leert hem gehoorzamen, zelfstandig handelen, initiatief nemen, waar dit noodig is. Geen baboe’s, huis- en tuinjongens of koetsiers nemen hem al die direct en indirect zoo nuttige bezigheden uit de handen.
Het was voor de Europeesche jeugd in Indië dus een goed ding, dat de padvinderij zich daar omstreeks het jaar 1912 begon te ontwikkelen. Op verschillende plaatsen ontstonden afdeelingen padvinders en deze vereenigden zich later tot de vereeniging ‘Nederlandsch-Indische Padvinders’ (N.-I. P.). De echtgenoote van den Gouverneur-Generaal, de gravin Van Limburg Styrum, die zich zeer voor de beweging interesseert, trad als Beschermvrouwe van de N.-I. P. op. Op 4 Sept. 1917 installeerde de Beschermvrouwe in het Landvoogdelijk paleis te Weltevreden het hoofdbestuur der vereeniging. De burgemeester van Batavia Mr. G.J. Bisschop trad op als voorzitter.
Reeds dadelijk bij de oprichting van dit centrale bestuur traden de padvindersvereeniging te Batavia, Bandoeng, Madioen en Pontianak tot de nieuwe organisatie toe. Door bemiddeling van de Beschermvrouwe werd ook eene afdeeling te Soerabaja in het leven geroepen, die zich al spoedig tot een krachtige vereeniging opwerkte en eveneens deel ging uitmaken van de centrale organisatie.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 232-233

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

[Juli 1918] Een groot gedeelte van Batavia heeft blank gestaan. Auto’s bruisten door een waterzee, rijtuigen schoven als bootjes door de golven; in de kampoengs ging alle verkeer per vlot. De laaggelegen kampoengs, die elk jaar onderloopen, waren al direct overstroomd; andere volgden. Toen kwamen de mindere Europeesche buurten aan de beurt, en eindelijk stond ook het deftige Koningsplein voor een deel blank. En steeds steeg het peil van de rivier, steeds kwamen van Buitenzorg berichten van nieuwe stijging, steeds viel meer regen neer.
Honderden Europeanen hebben een week lang hun huis niet kunnen verlaten, kinderen hadden vrij van school. In de vele woningen stond het water een voet hoog. En de inlanders zijn bij duizenden uit hun huizen gejaagd. Meubels weggespoeld of vernield – gestolen ook heel vaak – kleeren bedorven of weggeraakt. Er is van Europeesche zijde hulp gegeven, waar die noodig was. De Willemskerk herbergde al den eersten dag honderden inlanders, die op hun matjes hier sliepen en wachtten. De politiebureaux, scholen en andere gebouwen, alles was schuilplaats voor de arme vluchtelingen. Een dames-comité zorgde al gauw voor warm eten, dat met wagens rondgereden werd, en vlug werd er begonnen met het maken en uitreiken van kleeren en dekens.
Mevrouw Van Limburg Stirum [vrouw van de G.G.], die in zooveel sociaal werk voorgaat, gaf ook hier weer ’t voorbeeld op oud-Hollandsche wijze. In het paleis kwam een aantal dames samen, ieder bracht een naaimachine mee en samen werd zoo een groot aantal baadjes in enkele dagen gemaakt. Met wat er bijgekocht en door anderen gegeven werd, konden honderden inlandsche vrouwen geholpen worden. Een oud vrouwtje kwam uitgelaten blij met een rood baadje aanzwaaien, roepend: Njonja besar kasih sendiri (mevrouw gaf het zelf).
Totaal zijn er 4500 inlanders onder dak gebracht, volgens de bladen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 313

[Jakarta 7 – Lloyd] 

[1918] Wij weten allen hoe treurig de verbinding met onze koloniën door de beide nationale lijnen, de ‘Nederland’ en de ‘Rotterdamsche Lloyd’, allengs is geworden. De ‘Koningin Emma’ van de eerste liep 22 Sept. 1915 bij het lichtschip Sunk op een mijn en ging totaal verloren. De ‘Palembang’ van de Rott. Lloyd werd 18 Maart 1916 bij de Galloper-boei getorpedeerd. En hoeveel er door Engeland gerequireerde schepen nog zullen volgen, is niet te zeggen. Er zijn tijdens den oorlog groote en prachtige schepen voor deze maatschappijen van stapel geloopen, maar hoe zij beide na den oorlog er voor zullen staan met hun vloot, is niet te zeggen.
De lijn van Java naar Djeddah, door beide maatschappijen gezamenlijk in 1900 ingesteld voor het vervoer der hadji’s (Mohammedaansche bedevaartgangers naar Mekka en Medina) werd natuurlijk dadelijk stop gezet bij het uitbreken van den oorlog. De maatschappijen hebben ons Gouvernement flink bijgestaan om de arme Indische pelgrims, die bij het uitbreken van den oorlog in Arabië waren, naar hun land terug te helpen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 2, 819

[Jakarta 6 – Aneta] 

[1919] Het persbureau Aneta heeft van de regeering vergunning gekregen om alle persberichten, die door het draadlooze station te Bandoeng worden opgevangen en die uitgezonden worden door Cavite (bij Manilla) en Nauen (bij Berlijn) in de Indische bladen te publiceeren. Af en toe heeft Bandoeng ook verbinding met Parijs en Lyon.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 127

[Surabaya 2 – Zangrandi] 

[1919] Nu de oorlog achter den rug is, zal in Indië zeker het hôtelwezen zich meer en meer uitbreiden en banketbakkerijen, lunchrooms en restaurants ongetwijfeld in aantal toenemen, vooral op de hoofdplaatsen, zoowel op Java als op de Buitenbezittingen. Over het algemeen maken de banketbakkerijen te Batavia, Semarang, Soerabaja, Medan en op vele andere buitenlandsche plaatsen goede zaken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 149

[Jakarta 6 – Waterlooplein] 

Op het landgoed Weltevreden, ¾ uur ten Z. van de stad gelegen en aan twee zijden door de Tji Liwoeng ingesloten, liet Daendels een mooi kampement voor de troepen met exercitieveld en officierswoningen oprichten, het tegenwoordige Waterlooplein, door de Allée de la Belle Alliance (de tegenwoordige Willemslaan) verbonden met wat later het Koningsplein zou worden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 149a

[Jakarta 6 – Paleis] 

In 1809 gaf Daendels last tot het bouwen van het Paleis of Groote Huis op het Waterlooplein; men begon daaraan in 1819, doch door geldgebrek schoot de zaak niet op. Raffles voelde er niet voor, dit gebouw te gaan bewonen en zoodoende werd het pas in 1827 voltooid, onder den Commissaris-generaal Du Bus, en veel eenvoudiger dan de opzet van Daendels was geweest. Aldus heeft men nu een kolossaal en leelijk gebouw gekregen, in zijn witheid blakerend op het kale Waterlooplein. Tot paleis heeft het nooit gediend; thans [1919] zijn de Raad van Indië, de Departementen van Onderwijs en Eeredienst en van Financiën en ’s Lands Depôt van Leermiddelen er in gevestigd.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 149b

[Jakarta 6 – Gedung Kesenian] 

Daendels had bij zijn streven naar verplaatsing van het oude Batavia geen regelmatig plan gevolgd en dat is in den aanleg van het tegenwoordige Weltevreden nog op hinderlijke wijze merkbaar. Tijdens het Engelsche tusschenbestuur liet Raffles weinig doen aan verbetering en verfraaiing der stad. Meer eer komt op dit punt toe aan Van der Capellen. Hij wijdde zijn aandacht vooral aan het Koningsplein en de omstreken daarvan, stelde goedkoopen bouwgrond op gemakkelijke wijze verkrijgbaar, daarbij de hand houdend aan de eischen van ruimte voor de erven. Hij verbood het verder aanleggen van Chineesche graven in die buurt en liet daarvoor een nieuw Chineesch Kerkhof aanleggen op Grogol; in 1820 deed hij den Schouwburg bouwen, het hotel voor den G.G. op Rijswijk deed hij verbeteren.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 149-150

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Het Portugeesch was [rond 1819, 200-jarig bestaan van de stad] bezig te verdwijnen als omgangstaal. Na de verovering van Malakka (1641) en kort daarna van Colombo en Goa waren heel wat afstammelingen van Portugeezen in Batavia gekomen. Deze Katholieken werden hier natuurlijk spoedig tot Protestanten gemaakt en kregen hun eigen kerk en predikanten. In den loop der jaren vermengden zij zich met de overige Batavianen en het was ten laatste meer uit gewoonte dan krachtens hun afstamming, dat men deze klasse van lagere Europeanen, klerken en kleine handelaars meestal Portugeezen bleef noemen. De mannen, die meer met de buitenwereld in aanraking kwamen, leerden meer het Maleisch en het Nederlandsch; de vrouwen bleven evenwel hun basterd-Portugeesch nog zeer lang gebruiken. Later vond men echter dikwijls geen predikanten, ziekentroosters (catechiseermeesters) en schoolmeesters meer, die hun dienst in het Portugeesch konden verrichten. In de laatste jaren der Compagnie werd er niet meer in het Portugeesch gepreekt en zoo stierf deze taal in Batavia uit.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 151

[Jakarta 2 – Stadskerk] 

In den tijd van den grootsten bloei [van de Compagnie] waren er 20 plaatsen geweest in het tegenwoordige Indië, waar predikanten gevestigd waren; Batavia had wel eens 17 predikanten gehad; bij de opheffing der Compagnie waren er nog 2, benevens een te Semarang, te Soerabaja en te Makassar.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 151

[Jakarta 6 – School] 

[G.G.]Van der Capellen legde een nieuwen grondslag voor Indisch onderwijs door de oprichting in 1817 van eene school te Weltevreden, met eene succursale in de oude stad voor Portugeesche, Chineesche en Maleische kinderen; de eerste met de bedoeling om personeel voor ’s Lands dienst te kweeken, de laatste om Indo-Portugeezen tot copiisten te vormen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 152

[Jakarta 1 – Groote Boom] 

[1919] Sedert de haven van Tandjong-Priok in gebruik werd genomen, is de levendigheid aan den boom (het tolkantoor) en op de Kali Besar (‘groote rivier’), zooals hier de Tji Liwoeng genoemd wordt, heel wat minder geworden. Toch vindt men er nog een eigenaardige bedrijvigheid van prauwen en schuiten, die de lading der schepen, voor zoover die niet te Tandjong Priok wordt opgeslagen, hier brengen naar de pakhuizen, veemen en opslagplaatsen. Hier aan de Kali Besar zijn ook nog verscheidene handelskantoren, al is ook hun aantal iets geslonken sedert in de bovenstad (op Noordwijk en elders) betere, moderne gebouwen voor dat doel zijn verrezen. Toch zijn ook aan de Kali Besar zelf en aan de straten der benedenstad in de laatste jaren verschillende kantoren vernieuwd en de […] Javasche Bank bouwde hier zelfs haar nieuwe kantoorgebouw. Deze ‘kantoorstad’ van Oud-Batavia ligt als geklemd tusschen de volkrijke handels- en woonwijken van Chineezen, Arabieren e.d. waaraan zich weer inlandsche kampoengs rijen. Deze heele buurt heeft uit gezondheidsoogpunt een slechten naam, helaas maar al te zeer verdiend. Assaineering vooral van dit gedeelte is een dringende eisch, maar zal schatten gelds kosten. Op de begrooting van 1914 waren o.a. uitgetrokken: voor openbare gezondheid ruim f 19 000, voor reinigings- en besproeiingsdiensten bijna f 99 000 en voor drinkwatervoorziening ruim f 98 000.
Er is hier een waar netwerk van vaarten, kanalen, leidingen, goten, reeds in de 17e eeuw gegraven, maar vermoedelijk niet voldoende oordeelkundig aangelegd en daardoor deels verzand, een proces, dat trouwens verhaast werd na de geweldige uitbarsting van den Salak in 1699, waarna de Tji Liwoeng voortdurend groote massa’s modder aanvoerde. Ook de oorspronkelijke ankerplaats van Batavia verzandde hierdoor langzamerhand, welk feit ten slotte noodzaakte tot het aanleggen van een haven meer oostwaarts, de reeds terloops genoemde haven van Tandjong Priok, een geweldig werk, dat van 1877 tot 1886 heeft geduurd en ruim 26 millioen heeft gekost.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 152

[Jakarta 6 – Hooggerechtshof] 

Op 1 Februari 1819 werd het Hooggerechtshof van Ned. Indië opgericht.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 152a

[Jakarta 6 – Roomschen] 

De Roomschen, tevoren slechts oogluikend toegelaten, kregen pas in 1808 onder Daendels gelijkstelling in rechten met de Gereformeerden en een tweetal priesters, waarvan er een Apostolisch Prefect werd.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 155

[Jakarta 1 – Beurs] 

In 1816 waren er te Batavia 10, in 1821 reeds 15 handelshuizen; op 8 Sept. 1818 werd aan de Kali Besar een Beurs geopend (die echter niet lang bestaan heeft).

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 156

[Jakarta 3 – Glodok] 

[1919] Ook uit een ander oogpunt heeft dit deel van Batavia, en meer in het bijzonder dat om het plein Glodok een slechte reputatie. Hier is het middelpunt van het uiteraard verre van stichtelijke nachtleven.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 158

[Jakarta 5 – Weltevreden] 

[1919] Even voorbij […] Hotel Des Indes komt men te Weltevreden en nu staan ons tal van wegen open. Links afslaande kan men langs de Tji Liwoeng òf den noordelijken oever volgen, langs Noordwijk, dat steeds meer een winkelstraat wordt en waar zich in den laten namiddag en de eerste avonduren iets van mondain leven vertoont, geconcentreerd in de ververschingsinrichtingen van Versteeg en Rikkers, òf langs den zuidelijken Rijswijk, met de Sociëteit ‘de Harmonie’, het Gouvernementshotel (paleis) van den G.G., te weten het voor officieele recepties bestemde deel, verschillende hotels en groote winkels. […]
Gaat men van het Hotel des Indes rechtuit naar het zuiden dan komt men door de zoogenaamde Fransche buurt, op den fraaien, lommerrijken weg naar Tanah Abang, waar o.a. het Europeesche kerkhof gelegen is.

Indië geïllustreerd weekblad - 3, 222-223

[Surabaya 2 – Apotik Simpang] 

[1919] Plannen voor de nieuwe gebouwen van de Pharmaceutische Import Mij. Helmig &Co. en de Simpangsche Apotheek te Soerabaja. Het eerste en tweede gebouw komen op de plaats van het voormalige Oost-Java, restaurant en bioscope, welk restaurant gedeeltelijk door brand werd vernield. Dit zal thans geheel worden uitgebroken. Op dit terrein worden de kantoren en goedangs opgetrokken tot een hoogte van drie verdiepingen. Tevens zal een machinekamer voor kracht en licht niet achterwege blijven. In het vroegere restaurant komt een Showroom, welke geheel zal afgescheiden zijn van de Apotheek, welke laatste van twee zijden te betreden is. Boven worden laboratoria ingericht. Het geheel wordt in Lodewijk XVI-stijl opgetrokken. Het plan is hiertoe ontworpen door den heer architect Herm. Smeets, die zijn opleiding genoot aan de Academie te Brussel, welke school bekend staat als de school van verfijnde smaak. Aannemer van den bouw is J.C. Schell te Soerabaja.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 645-651

[Jakarta 5 – Hotel der Nederlanden] 

Doch de meeste nieuw aangekomenen verkozen de logementen der bovenstad, welke veelal gevestigd waren in groote heerenhuizen, door aanbouw, meer nog door paviljoenen en bijgebouwen, voor hunne bestemming ingericht. Inzonderheid aan de achterzijde, waar het ruime erf zich uitstrekte, werden deze huizen, voorzien van twee lange vleugels, in kamers afgedeeld en uitkomende op eene doorloopende gaanderij of veranda. De ruimte tusschen die beide tegenover elkaar gelegen bijgebouwen werd veelal ingenomen door een plantsoentje, hoewel het zware geboomte dikwijls op den ouderdom van het perceel duidde.
Zoo’n Indisch logement van den ouden stempel was ruim en koel, maar tevens ontbloot van alles wat zweemde naar westersch comfort. De wanden der kamers waren witgepleisterd, slechts verlevendigd door reclame-prenten of gravures van zeer betwistbare smaak. De vloer geplaveid met roode tegels, was slechts ten deele bedekt door een vaak gehavende rotanmat. Het meubilair beperkte zich tot het hoogst noodige: een tafel met een paar stoelen, kast en waschtafel, afkomstig uit de wijk der inlandsche meubelmakers, of van eene vendutie uit den tijd van Daendels. Het bed, tweemaal zoo groot als een Europeesch bed, was omhuld door een smoezelige klamboe of muskietengordijn, en voorzien van het evenzeer onmisbare rolkussen. De spiegel vertoonde vaak een heir van zwarte stippels en vlekken; de luierstoel, buiten onder de veranda, glom van ouderdom. De maaltijden werden gezamenlijk gehouden aan een lange tafel, in binnen- of achtergalerij, en aam ’t hoofd van die tafel presideerde de logementhouder zelf. Somtijds, bij plaatsvervanging, de oudste der stamgasten. Want in zoover bleef de traditie van het jaar 1754 behouden, dat de Bataviasche logementen niet het minst bevolkt werden door degenen “welkers omstandigheden niet permitteeren mogten op zig zelve te gaan wonen en eigen menagie te houden”.
Zoo de kamers ongeriefelijk waren, de spijzen waren veelal overvloedig. De dranken waren van ouds een voorname bron van verdienste, ofschoon de wijn vaak alleen “voor de staatsie” gedronken werd. Slechts ijswater kreeg men gratis, zoomede de alcohol, wanneer in den vooravond de logeergasten zich vereenigden om de bittertafel in de voorgalerij, en zich bedienden uit de groote karaf met jenever en de kleine met longa vita. Het zou een inbreuk zijn geweest op den adat, d.i. de gewoonte met kracht van wet, had men die karaf willen vervangen door de kelderflesch of “vierkante pot”, waarin de sterke drank uit Nederland werd aangevoerd. Wegens het groenachtige glas van zoo’n kelderflesch placht men die, schertsenderwijs, wel eens een “groenen kaaiman” te noemen. En het bekende merk der Nederlandsche exporteurs A.V.H. & Z. (A.v. Hoboken en Zoon) werd geïnterpreteerd als: Aan Velen Heil en Zegen. ’t Was eene uitlegging, die zeer problematisch genoemd mocht worden, want vooral in Indië verdronken er altijd meer menschen in het glas dan in de zee.
Over ’t algemeen mocht de inrichting van het hotel, van kamers en badkamers vrij poover genoemd worden […]
Op het voorbeeld van […] Hotel des Indes ving het Hotel der Nederlanden met een vernieuwingsproces aan, en meerdere logementen volgden de beweging. “Zoodra”, schreef B. Veth ten jare 1900, “het Europeesche element in Indië andere eischen gaat stellen, zullen ook betere hotels verrijzen met héél andere hoteliers. Maar het ongelukkige is dat een Hollander, na een betrekkelijk kort verblijf in Indië, met het slechtste tevreden is. Het klimaat maakt hem loom en spoedig laat hij zich de misères van het Indische hotelleven aanleunen. Dat ronkt maar raak in de hokken, die kamers heeten; dat eet maar los op wat aan smurrie wordt voorgezet als diner”.[…]’
Die tijd van renaissance in het hotel- en reiswezen gaat thans [1920] in vervulling, de betere logementen verrijzen inderdaad, en wie weet hoeveel het boek van B. Veth daartoe bijgedragen heeft!

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 712

[Surabaya – Aloon-Aloonstraat] 

[1919] […] de groote Aloen-Aloen, het centrum der stad, vooral vroeger; hieraan heeft Soerabaia zijn naam van ville lumière te danken.
Hier toch was eertijds het bekende Grimm, een soort café restaurant, waar vele diners werden gegeven en waar de beau monde zich ’s avonds vereenigde om een strijkje te hooren. Thans is in het gebouw een automobielzaak gevestigd.
Vlak bij Grimm is nog het restaurant Hellendoorn, een degelijke uitspanningsgelegenheid.
Verder treft men op den Aloen-Aloen nog den bekenden stadstuin aan, in de wandeling ‘kippetjestuin’ geheeten. Hier werden Zondagsavonds muziekuitvoeringen gegeven. Ook de overal verspreide bioscoop is op den Aloen-Aloen goed vertegenwoordigd; er zijn er drie, waar den inlander vele minder goede zaken en ook veel van den slechten kant der Westersche beschaving wordt vertoond.

Indië, geïllustreerd weekblad - 3, 735

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

[1920] Van de Ned.-Indische Jaarbeurs heeft het secretariaat in Nederland, Oudebrugsteeg 16, Amsterdam, een schrijven ontvangen teneinde de aandacht te vestigen op het feit, dat het karakter van het Ned.-Indische Jaarbeurs-Instituut in Nederland niet ten volle wordt begrepen. Het doel van de Nederlandsch-Indische Jaarbeurs is bevordering van de Nederlandsch-Indische nijverheid in den meest uitgebreiden zin. Uit het buitenland geïmporteerde goederen als speelgoed, mode- en toilet artikelen, sigaren, sigaretten, snuisterijen, kramerijen, brandkasten, schrijfmachines, rijwielen, conserven, dranken, suikerwerken, en tal van dergelijke zaken kunnen derhalve voor expositie op de a.s. jaarbeurs niet in aanmerking komen.
Buitenlandsche machinerieën, grondstoffen (half en heel) mogen worden geëxposeerd, behoudens de restricties gemaakt in de laatste circulaire. Om eenige voorbeelden te noemen: inzending van diverse machines voor de vervaardiging van bijv. gloeikousjes, pennen, touw, emballage-artikelen, knoopen, textiel-goederen, glas, aardewerk, enveloppen, speelgoed, sigaren, sigaretten, matten, kleeden, lederwerken, suikerwerken, odeurs, zeep, enz., huishoudelijke artikelen en voorwerpen evenals de voor de vervaardiging daarvan benoodigde grondstoffen zal gaarne worden tegemoet gezien, zoo ook bijv. drukinkten, kleurstoffen, essences voor de limonade en reukwerkfabricage. Personen-auto’s, vracht-auto’s en motorrijwielen mogen alleen worden tentoongesteld, indien zij uitmunten door constructieve verbetering, waardoor aanzienlijke besparing aan bedrijfskosten dan wel zeer lage aanschaffingskosten wordt verkregen. Toegestaan is het tentoonstellen van motorploegen, omdat deze dienen ter moderniseering of het invoeren van nieuwe bedrijven. Teneinde te vermijden dat aan de Ned.-Ind. Jaarbeurzen het karakter van tentoonstellingen wordt gegeven, was beperking noodig.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 69-75

[Jakarta 7 – Lloyd] 
[Semarang – S.M.N.]
 
[Surabaya – Stoomvaart Maatschappij “Nederland”] 

Op 13 Mei 1870 werd daarop te Amsterdam opgericht de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’, waarover Koning Willem III het beschermheerschap aanvaardde en van welks Raad van Bestuur Prins Hendrik als eerevoorzitter optrad. […]
Nog voordat deze schepen resp in Juni, September en November 1878 werden afgeleverd en een geregelden drieweeklijksche dienst mogelijk maakten, kwam op 30 October 1875 de eerste postdienst tusschen Nederland en Java via Southampton en Napels tot stand en werd met de Regeering, natuurlijk ook eerst na lange onderhandelingen, het eerste postcontract, sedert voortdurend vernieuwd, afgesloten. Van het eerste jaar af hebben de schepen der ‘Nederland’ Napels aangedaan, om het den Passagiers mogelijk te maken de bootreis door de spoorwegverbinding te verkorten. De reis naar Napels echter bleek op den duur wat lang en zoo is de inschepingschaven in de Middellandsche Zee eerst verlegd naar Marseille en ten slotte naar Genua. […] Inmiddels was het Noordzeekanaal in 1876 gereed gekomen; men kon dus vanuit Amsterdam rechtstreeks varen. Maar Amsterdam had nu wel verbinding met de zee, doch was als haven niet voldoende geoutilleerd. Er moest daar dokgelegenheid zijn om de schepen op tijd te kunnen schoonmaken en schilderen, wat in Nieuwediep in het marinedok kon geschieden. Zoodoende werd in 1877 opgericht de Amsterdamsche Droogdok maatschappij, waarin de ‘Nederland’ voor meer dan de helft betrokken was, terwijl eerst in 1879 de afvaarten van uit Amsterdam plaats hadden en een veertiendaagsche dienst werd ingevoerd. […]
In Rotterdam […] begon de firma Ruys met stoomschepen op indië te varen en vormde uit eene aanvankelijk Engelsche combinatie de Rotterdamsche Lloyd. De Amsterdamsche en de Rotterdamsche Maatschappij hebben, van den aanvang der oprichting van deze laatste af, op de meest loyale wijze samengewerkt […]. De samenwerking met de Rotterdamsche Lloyd bracht al spoedig het voordeel, dat de tiendaagsche dienst opnieuw tot een veertiendaagsche kon worden teruggebracht, aangezien de beide Maatschappijen om beurten voor de afvaart van een schip eens per week zorg droegen […] De Lloyd kreeg haar aandeel in het postcontract met de Regeering. […] De reizen moesten krachtens het contract van 1892 worden afgelegd, van Amsterdam naar Genua of terug in 12 etmalen; van Genua naar Batavia tusschen 1 April en 30 September in 29 etmalen, tusschen 1 October en 31 Maart in 30 etmalen. […] Binnen 5 jaren na het inwerkingtreden van het contract zouden de reizen naar Batavia-Genua met 2, die van Amsterdam naar Genua met 1 etmaal worden verkort. […]
In de tijden van de herhaalde expedities tegen Atjeh heeft de verzending van een groot aantal manschappen en krijgsbehoeften het nut der snelle verbinding wel bewezen en op 7 April 1893 heeft de oud-Minister van Koloniën, de heer Fransen van de Putte dan ook vol waardeering gesproken over de wijze, waarop de ‘Nederland’, later ook de Rotterdamsche Lloyd, dit vervoer deden plaats hebben.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 103 

[Jakarta 1 – Java-China-Japan] 
[Surabaya – Java-China-Japan-lijn]
 

[1920] De samenwerking van de ‘Nederland’ en de ‘Lloyd’ heeft geleid tot uitbreiding van de scheepvaart in den Indischen archipel zelf. Al spoedig werd door beider samenwerking overgegaan tot de oprichting van de ‘Koninklijke Paketvaartmaatschappij’, die, zooals bekend mag worden verondersteld, door een steeds zich in aantal en intensiteit uitbreidend aantal lijnen de geregelde vaart tusschen de verschillende havens in den Indischen Archipel onderhoudt en daardoor heeft bereikt, dat voortdurend in grooter mate de Buitenbezittingen in beteekenis zijn gestegen. De ‘Koninklijke Paketvaartmaatschappij’ […] wordt gesteund door een subsidie van den staat voor bepaald aangegeven lijnen; maart juist de vaart op de niet gesubsidiëerde lijnen heeft een groote uitbreiding ondergaan. Door de ‘Nederland’ en de ‘Rott. Lloyd’ is in samenwerking met de Paketvaartmaatschappij het initiatief genomen tot een geregelde lijn tusschen Java, China en Japan; nadat deze lijn met belangrijk verlies moest likwideeren, hebben dezelfde maatschappijen opgericht de ‘Java-China-Japan Lijn’, die een jaarlijksche subsidie van de Regeering krijgt en in haar nog kortstondig bestaan voldoende blijken van levensvatbaarheid heeft gegeven. In 1905 is door de ‘Nederland’ en de ‘Lloyd’ tezamen een stoomvaartlijn geopend tusschen Java, Rangoen en Calcutta, de dusgenaamde Java-Bengalenlijn, die van den aanvang af goede resultaten heeft afgeworpen en die tijdens den [1ste wereld-] oorlog in stand is kunnen blijven. Werden in 1906 twee reizen met deze lijn gedaan, reeds in 1907 was dit aantal tot 12 reizen uitgebreid.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 171

[Jakarta 7 – Frombergpark] 

Zij [Fromberg, Borel] hebben er tijdig op gewezen, dat het feit, dat de Chineezen sinds eeuwen te midden van de Javaansche bevolking geleefd en gewerkt hebben, zou meebrengen, ‘dat een overhaaste gelijkstelling een diepe terugwerking zou hebben op de Javaansche bevolking in dien zin, dat die bevolking zich teruggesteld zou gevoelen, indien de rechtstoestand der Chineezen verhoogd werd, zonder dat men de Javaansche bevolking in de hervormingen zou doen deelen’. Naar de meening van mr. Fromberg was er slechts één standpunt, dat wij kunnen innemen en dat het meest met onzer waardigheid strookt, namelijk: dat wij zelven doelbewust en naar een vast plan, uit ons zelven beginnen de noodige hervormingen tot stand te brengen. Doelbewust en naar een vast plan, want hetgeen tot dusver tot stand kwam, heeft meer den schijn dat het à contre-coeur geschiedde. Handelden wij uit ons zelven, dan hielden wij de leiding in handen, dan konden wij geleidelijk op het doel, de assimilatie, aansturen, maar ook tegelijkertijd den Javaan in de hervorming doen delen. Dat was klaar en duidelijk en zou tot algemeene bevrediging hebben geleid, op basis van gelijkheid voor de wet van alle rassen in Ned.-Indië. Terecht is gezegd en op den voorgrond gesteld, dat het een niet te rechtvaardigen onrecht zou zijn, om, wat wij ook doen ten aanzien van de 550.000 Chineezen in onzen Indischen Archipel, uit het oog te verliezen de belangen van de 40 millioen inboorlingen van den Archipel, die nu ontwaakt zijn en vooruit willen.
Het zou inderdaad te betreuren zijn geweest, als wij, door toe te geven aan de wenschen en de grieven der Chineezen, den indruk zouden hebben gevestigd, dat wij voor dwang gezwicht waren. Maar behalve dezen indruk, mochten we ook bij de Inlandsche bevolking den schijn niet wekken, dat wij de Chineezen voortrokken boven haar.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 261

[Bandung 2 – Departement van Oorlog] 
[Malang – Kampement]

[1920] In het laatst der vorige eeuw werd het duidelijk, dat ons Indië deel zou gaan nemen in de herleving van Oost-Azië en tevens door de wassende economische beteekenis van stijgend belang worden voor dat gedeelte der aarde. Op zichzelf was dat een voorrecht, maar het sloot in zich gevaren, vooral van politieken aard tegenover de buitenwereld. Vandaar in dien tijd het streven der regeering om op andere wijze dan tot nu toe het bezit dezer koloniën te bevestigen, o.a. door de garnizoenen uit de kwetsbare legerplaatsen aan de kust [Batavia, Semarang en Soerabaja] te verleggen naar goed te verdedigen stellingen in de binnenlanden [o.a Bandoeng / Tjimahi, Magelang en Malang], welke bovendien door hare hooge ligging tastbare voordeelen aanboden tegenover de echt tropische streken aan de kusten, waar toen de hygiënische misstanden zich zoo ernstig deden gevoelen.
Uit militair oogpunt biedt de hoogvlakte van Bandoeng als centrale stelling groote voordeelen aan. Geheel omgeven met een krans van hooge vulkanen, werkende in het noorden, uitgedoofden in het zuiden, is zij slechts langs enkele wegen van de kust uit te genaken en deze zijn niet al te moeilijk te verdedigen. Wetenschappelijk onderzoek gaf verder het inzicht, welk een gunstig klimaat hier heerschte en hoe betrekkelijk gemakkelijk hier twee aan de kust zoo moeilijk te verwezelijken hygiënische maatregelen door te voeren zouden zijn, verschaffen van goed drinkwater en afvoer van vuil en ander afval uit de samenleving. In het bijzonder waren Bandoeng zelf en zijne naaste omgeving, dat deze en andere gunstige voorwaarden het best in zich vereenigden. Voor de Europeanen zijn het vooral de koele, soms koude nachten, die tegenover de warmte over dag zoo heilzaam werken, terwijl ook de veel geringere kans op besmetting met malaria hoogst gewichtig is.
Het gevolg van dat alles was de verplaatsing van een aanzienlijk deel van de militaire etablissementen van Batavia en omgeving naar Tjimahi, westelijk van Bandoeng gelegen, tevens aldra ingericht als herstellingsoord voor de zieken van het Indische leger. Begrijpelijkerwijze heeft het Departement van Oorlog die verhuizing snel gevolgd en voor andere departementen van algemeen bestuur gelden dezelfde overwegingen van veiligheid en gezondheid voor verandering van hun plaats van vestiging.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 262

[Bandung – Milestone]

[1920] Trouwens niet slechts als nieuwe plaats voor vestiging der regeering, ook in zichzelf draagt Bandoeng wegens zijn belangrijke economische beteekenis de voorwaarden tot eene voorspoedige ontwikkeling. Het in een uitgestrekte sawahvlakte omgezette plateau van Bandoeng met zijne zoo vruchtbare hellingen der vulkanen er omheen is reeds lang een middelpunt van de belangrijkste bergcultures geworden.
Reeds de gouverneur-generaal Daendels zag zich genoopt zijn eersten grooten postweg over de vlakte te leggen, die nu die van Bandoeng heet. Hij gaf toen bevel, dat het toenmalige regeeringscentrum aldaar naar zijn postweg moest verlegd worden en werd op die wijze de stichter van Indië's waarschijnlijke hoofdplaats in de toekomst.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 264

[Bandung – Van Deventerschool]

[1920] Van Deventerschool voor inlandsche onderwijzeressen met 24 leerlingen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 279

[Bandung – Insulinde]

[1920] Behalve voor de voeding, gereedschappen, kleeding, woning- en vaartuigbouw kende de Indonesische samenleving geen eigen nijverheid. De agrarische voortbrenging overheerscht heden ten dagen nog in de Inlandsche wereld. *) De geschiedenis leert, dat het Westersch intellect en het Westersch kapitaal zich meester maken van bedrijven tot verwerking van landbouwproducten (olie-industrie, koffiebereiding b.v.) welker beheersching boven de bevatting gaat van den inlander, zoodat hij daarin alleen als loonarbeider een plaats vindt. Het is het agrarische proletariaat, dat hier plaatsing vindt.
*) [Inleiding tot de economie, 81-83] 

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 352

[Jakarta 7 – Inlandsche rechtsschool] 

[1920] Ministerie van Koloniën – Mededeeling:
Ten behoeve van de opleidingsschool voor Inlandsche rechtskundigen te Batavia en de opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren is de uitzending noodig van een vijftal doctoren in de rechts- (en staats-) wetenschappen of bezitters van de middelbare akten voor staatsinrichting en staathuishoudkunde en statistiek, ten einde met het geven van rechtskundig onderwijs aan genoemde onderwijsinstellingen te worden belast. Zij, die onderwijservaring hebben, genieten de voorkeur.
[Arbeidsvoorwaarden, o.a. salaris f 450]

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 339

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Te Rotterdam geboren, voer Hendrik Swarrdekroon met den commissaris-generaal Van Rheede in 1684 als adelborst op 24-jarigen leeftijd uit. Gedurende zijn eersten diensttijd, welke hij op de kantoren der Compagnie doorbracht, verbleef hij te Batavia. Niet slechts onderscheidde de toekomstige gouverneur-generaal zich hier door bijzonderen ijver en talent in den handel en administratieve bemoeiingen, maar in de toentertijd in weelde badende hoofdstad viel hij op door zijn aantrekkelijke persoonlijkheid, die in de uitgaande wereld zeer op den voorgrond trad. Volgens een verhaal zou hij voor een der hoogwaardigheidsbekleeders eens bij eene jonge dame van goeden huize aanzoek hebben gedaan en deze zou hem naïef geantwoord hebben, dat wanneer hij voor zichzelf gekomen was, het antwoord haar niet moeilijk gevallen zou zijn.
Na reeds in 1694 tot eersten commies benoemd te zijn, leerde hij in Ceylon en Voor-Indië den handel der buitenkantoren kennen. In 1703 te Batavia teruggekeerd, werd Swaardekroon buitengewoon lid van den Raad van Indië en kreeg als zoodanig een tak van dienst toebedeeld, waarin hij met eere tot 1715 werkzaam was.
Bij het overlijden van zijn voorganger Van Swol in 1718 wenschte geen der betrokken raadsleden gouverneur-generaal te worden en ook Swaardekroon weigerde drie malen, zag zich evenwel genoopt het ambt te aanvaarden. Eerst in 1720 werd hij hierin door de Heeren Zeventien bevestigd.
Ter kenschetsing van den tijd zijner regeering is het van minder belang, dat onder de lange reeks van onlusten en oorlogen, die op Java nu hier dan daar heerschten, in 1719 na den dood van den soesoehoenan Pakoe Boewana van Mataram na de troonbestijging van zijn oudsten zoon als Amangkoerat II de tweede Javaansche successieoorlog uitbrak. Belangwekkender is het, dat de veiligheid der Europeanen en van den staat in de hoofdstad der Compagnie door eene samenzwering onder eenige inlanders tot in haar grondvesten geschokt kon worden geacht. Wel dient men in aanmerking te nemen, dat het onder leiding van Pieter Eberfeld, een Indo, staande complot viel in een tijd van groote onrust op het eiland. Voor het voornemen alle Europeanen te dooden en een eigen rijk te stichten, werden in 1722 echter niet meer dan de aanvoerder en 18 der zijnen ter dood gebracht, wien allen slechts door pijniging bekentenissen konden worden afgedwongen.
Verbinding met vijandige grooten op Java en Bali schijnt bestaan te hebben. Uit de afgrijselijke straffen, de verwoesting en het onbebouwd laten van het erf van Erberfeld, het oprichten van den gedenktafel aldaar aan den Jacatraschen weg en het houden van een dankdag voor het behoud der stad, moet men toch wel besluiten, dat de angst te Batavia groot geweest is.
Desniettemin is het nu moeilijk te begrijpen, hoe eene talrijke, in eene vesting als het kasteel gezetelde regeering, die hare troepen ook in vele forten om de stad gelegerd had, zelfs bij eene overvalling omvergeworpen had kunnen worden.
Dat men onder Swaardekroon’s bestuur inderdaad de zaken niet wijsgeerig opnam, maar licht in uitersten verviel, ondervond ook de admiraal Jacob Roggeveen, die, door de West-Indische Compagnie uitsluitend als ontdekkingsreiziger uitgezonden, na een moeitevollen tocht om Zuid-Amerika met twee schepen te Batavia aankwam. Hoewel hij geen handel dreef, en het Compagnie’s monopolie dus niet geschonden had, werden zijne schepen toch in beslag genomen. Wel werd de Oost-Indische Compagnie daarvoor later tot schadeloosstelling veroordeeld, maar dat de bewindvoerders te Batavia in bijzondere gevallen met bezonnenheid handelden, blijkt uit deze allerminst.
Op zijn verlangen werd Swaardekroon in 1725 van zijn post ontheven en verbleef in Indië, om er op zijn schitterend landgoed te genieten van de schatten, die hij vergaard had. Evenals onder zijn bestuur had de koffiecultuur in de laatste jaren zijns levens zijne bijzondere belangstelling.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 469-470

[Malang – Vrijmetselaarsloge] 
[Semarang 2 – Bibliotheken] 

[1920] Toch hebben deze zoogenaamde volksbibliotheken gedurende de laatste 50 jaar veel nut gesticht; achtereenvolgens werden er opgericht door Logebesturen te Weltevreden (1864), Probolinggo (1874), Semarang (1876), Djocja (1878), Soerabaja (1870), Bandoeng en Salatiga (1891), Malang (1902), Magelang (1910), te Solo, Padang en wellicht nog andere plaatsen; bovendien bestaan er enkele kerkelijk geschifte {geschikte?} volksbibliotheken (Weltevreden, Soerabaja) benevens particuliere uitleenbibliotheken (b.v. Madioen). Of door deze bibliotheken het gestelde doel n.l. de sluimerende geestelijke krachten in het volk tye wekken, in beweging te brengen, te voeden en te ontwikkelen, is bereikt, moet sterk betwijfeld worden en bij gemis van een gelijksoortige administratie is het zelfs moeilijk een overzichtelijk geheel ervan te geven.
Evenals het aantal boeken (Weltevreden + 11000, Bandoeng en Malang + 6000) variëeren de uitgaven, welke gelijken tred houden met de inkomsten (Weltevreden f 9250, Bandoeng f 3200, Malang f 1200) en het aantal lezers (Weltevreden 952 abonnés, Malang uitgeleend 13728 boeken enzoovoort).
Een belangrijk onderdeel van dit hoofdstuk vormen de bibliotheken onder beheer van de Commissie voor volkslectuur. [...] Teneinde de door de Commissie uitgegeven werken onder bereik van een ieder te brengen werd in 1912 overgegaan tot de oprichting van Inlandsche volksbibliotheken, welke om administratieve redenen ondergebracht werden in de openbare Inlandsche scholen der 2de klasse. [...] Het totaal aantal volksbibliotheken steeg [...] van 1917 tot 1919 tot resp. 772, 933, 1355, terwijl de uitbreiding gestaag voortschrijdt.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 471-472

[Jakarta 7 – Bibliotheekwezen] 

[1920] Nadat een in 1911 geopperd plan om de bibliotheken van het Bataviasch Genootschap en de sedert 1850 bestaande Natuurkundige Vereeniging saam te smelten, geen instemming had kunnen vinden, en in 1914 een hernieuwde poging door genoemd Genootschap werd afgewezen “in verband met de tijdsomstandigheden”, werd den 19den Augustus 1916 ter herdenking van het 100-jarig herstel van het Nederlandsch gezag in deze Koloniën, te Weltevreden opgericht de “Vereeniging tot bevordering van het Bibliotheekwezen”. Hoewel reeds bij de oprichting het verkrijgen van een algemeene bibliotheek op den voorgrond stond, lag het in de bedoeling zich voornamelijk op sociaal-technisch gebied te bewegen, daar gemeend werd, dat aan literatuur op dat gebied het meest behoefte bestond.
Ondervinding en behoefte leidde al dadelijk tot het ontwikkelen van een openbare leeszaal, waaraan verbonden een wetenschappelijk informatiebureau , en tot het beoogen van een ruime bevordering van het bibliotheekwezen in Nederlandsch-Indië, welk doel der Vereeniging tracht te bereiken door:
a. het bevorderen van de oprichting van nieuwe en ondersteuning van bestaande bibliotheken, zoowel wetenschappelijke als volksbibliotheken;
b. het bevorderen van de centralisatie van bibliotheken op verwante gebieden;
c. het bevorderen van onderling uitleenverkeer tusschen de in Ned.-Indië aanwezige bibliotheken;
d. het bevorderen van internationaal ruilings- en uitleenverkeer;
e. het verzamelen en het bevorderen der bewerking van bronnenmateriaal;
f. het stichten van een documentatie- en wetenschappelijk inlichtingenbureau;
g. het stichten van een algemeen bibliotheek- en bureaugebouw;
h. alle verdere wettige middelen, die tot het doel der vereeniging kunnen leiden.
Inderdaad een ruim programma, dat voor wat betreft de punten b. tot en met f. reeds wordt gevolgd, waarvan punt g. wordt betracht en de punten a. en h. nog geen toepassing vinden.
De onvoldoende naleving van het programma spruit voort uit het bepaalde bij art. 7, dat het Bestuur der Vereeniging bestaat uit de Stichters (d.w.z. zij, die een gift of bijdrage schenken van minstens f 5000) als o.a. Javasche Bank, Factorij, K. Paketvaart Mij., van wier wisselende directeuren niet kan worden verwacht, dat zij steeds belangstelling zullen toonen in het wel en wee dezer nuttige instelling.
Behalve met tal van contribuanten ving de Vereeniging aan met een kapitaal groot f 37.500 aan giften en met de beschikking over het gebouw van de Natuurkundige Vereeniging tegen een vergoeding van f 500 ’s jaars. Dank zij de toewijding van een ijverig secretaris werden daarin achtereenvolgens vereenigd de bibliotheken van:
1. de Natuurk. Vereeniging – 9002 boeken;
2. het Kon. Instituut v. Ingenieurs – 1355 boeken;
3. het Schoolmuseum – 4634 boeken;
4. het Algemeen Nederl. Verbond
5. het Economisch hist. Archief – 959 boeken;
6. het Vrouwenkiesrecht – 200 boeken;
7. Dr. Breda de Haan;
zoodat het aantal boekdeelen thans reeds 23000 heeft overschreden.
Het aantal tijdschriften, dat ter lezing ligt, ondergaat geregeld uitbreiding, terwijl enkele couranten gratis worden ontvangen ten behoeve van de leestafel.
De openbare bibliotheek staat in verbinding met ongeveer alle andere bibliotheken, welke haar boeken op verzoek ter beschikking stellen. Eene uitzondering maken het Bataviaasch Genootschap en het Geneeskundig Laboratorium, hetgeen wel een bezwaar is, daar een groot aantal lezers studeerenden zijn van S.t.o.v.i.a. en Rechtsschool, die menigmaal boeken verzoeken, welke uit deze bibliotheken betrokken zouden moeten worden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 472

[Malang – Vrijmetselaarsloge]

De oudste openbare leeszaal in Indië is die in 1914 opgericht te Malang als onderdeel van de volksbibliotheek. Haar middelen waren gering, doch met medewerking van particulieren werd de beschikking verkregen over nette vertrekken in de benedenverdieping van het Logegebouw.
De dagbladen werkten mee door verstrekking van een gratis abonnement zoodat de leestafel dadelijk goed voorzien was; hoewel te Malang in den eersten tijd betrekkelijk weinig gebruik van de leeszaal werd gemaakt, is deze volgens de laatste berichten feitelijk reeds te klein geworden. De nette lokaliteit gaf sommige belangstellenden aanleiding waardevolle boekwerken ten geschenke te geven. De boeken worden verstrekt naast de leeszaal en het geheel ligt in het centrum van de stad, zoodat inderdaad aan de meest dringende voorwaarden tot succes is voldaan. Inlanders maken veel gebruik van de bibliotheek, weinig van de leeszaal; zij zijn – evenals tal van Europeanen – niet in staat om van lectuur te genieten, indien er wellicht oogen op hen zijn gericht. De leeszaal zal voor hen dus meer zijn een voorportaal van de bibliotheek, waar zij eene keuze uit de boeken kunnen doen, desnoods iets kunnen inzien, d.i. een tijdroovende bezigheid, waarvoor bij verstrekking, uitsluitend van achter een loketje, geen gelegenheid bestaat.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 472-473

[Semarang 2 – Bibliotheken] 

[1920] Evenals elders is het Algemeen Nederlandsch Verbond voornemens geweest te Semarang een openbare leeszaal op te richten, waar tijdschriften en couranten voor een ieder ter lezing zouden liggen en waaraan tevens eene bibliotheek kon worden verbonden.
De Feestcommissie ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan der H.B.S. had eenzelfde voornemen, aangezien van de schenking van het vroegere leesgezelschap ‘de Bruin Kops’, welke in de H.B.S. bibliotheek was gehuisvest onder voorwaarde, dat de boekerij ook voor buitenstaanders gratis toegankelijk moest blijven, uiteraard slechts een zeer matig gebruik werd gemaakt.
De samenwerking, welke voor de hand lag, wilde men eenzelfde doel bereiken, bleef te Semarang gelukkig niet uit, en een nieuw opgericht comité slaagde er dan ook spoedig in om een terrein te vinden, dat geschikt werd geoordeeld voor haar plannen en wel op het erf der H.B.S.
Beschikbaar was een bedrag van f 5200 van de Feestcommissie der H.B.S.; binnen korten tijd werd op de inteekenlijsten voor f 7200 aan bijdrage ineens ingeschreven, zoodat daarna een beroep kon worden gedaan op de medewerking van Gouvernement, Gewestelijke- en Gemeenteraad. De laatste betoonde zich het plan zeer gunstig gezind, schonk eene bijdrage ineens van f 7250 – gelijk aan de helft van het geschatte tekort – bovendien een renteloos voorschot tot een gelijk bedrag, terwijl van af het ogenblik, dat de voorloopige leeszaal zou worden geopend, een maandelijksche bijdrage van f 150 werd toegezegd. Het Gouvernement willigde het verzoek om een jaarlijksche subsidie van f 1000 in, en het Gewest was genegen f 100 per jaar bij te dragen.
De bibliotheek kreeg achtereenvolgens het beheer over de bibliotheken:
1) van de H.B.S. voorzoover de aanwezige boeken niet noodig zouden zijn voor het dagelijksch gebruik van leraren en leerlingen (± 7000 werken);
2) van de volksbibliotheek der Semarangsche Loge (± 3000 werken);
3) van het residentie-kantoor;
4) van de bibliotheek onder beheer van de Commissie voor de Volkslectuur. Bovendien werd de beschikking verkregen over de boekerij van het vroegere Volksleesgezelschap van de afdeeling Semarang van het Alg. Ned. Verbond, over twee belangrijke verzamelingen boeken afkomstig van twee andere leesgezelschappen enz.
Uit deze opgave blijkt, dat ontspanningslectuur nog de meerderheid uitmaakt van den inhoud der nieuwe bibliotheek.
Sedert haar oprichting had zij eenige malen met moeilijkheden te kampen om een vast onderdak te vinden. Medio 1918 werd definitief stappen gedaan tot oprichting van het eigen gebouw, dat eind 1919 kon worden geopend.
Het bezoek aan de leeszaal moge aanvankelijk nog gering zijn, de ervaring in Europa leert, dat het zal toenemen, zoodra eenmaal de trek er in is en sedert eind 1919 een gezelliger leeszaal in gebruik is gesteld.
Het aantal leden der vereeniging bedroeg eind 1918: 399 Europeanen, 19 Javanen, 9 Chineezen, waaruit blijkt, dat ook onder de niet Europeesche bevolking belangstelling bestaat; leeszaal en bibliotheek zijn voor ieder kosteloos toegankelijk.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 707

[Jakarta 7 – Inlandsche rechtsschool] 

[1921] In den loop van dit jaar zal de regeering beginnen met het uitzenden van inlandsche rechtskundigen naar Nederland, om hier den meesterstitel te verwerven.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 790

[Jakarta 5 – Sociëteit] 

De Gouverneur Generaal [Daendels] gaf verder kennis van zijn overeenkomst met het bestuur der sociëteit om een nieuw gebouw op te trekken op het punt waar de Rijswijksche weg zich vereenigde met het Molenvliet. Het benoodigde kapitaal, begroot op 75 à 80.000 rijksd. werd bij de Bataviasche Weeskamer opgenomen en aanstonds de hand aan ’t werk geslagen. Tijdens den opbouw werden door de Regeering gratis verstrekt de koraalsteenen afkomstig van de afgebroken stadsmuren. De bouwmeester had eer van zijn werk; inzonderheid voor dien tijd kwam een ongemeen gebouw tot stand. Ofschoon de vlakke stijl, het gemis van architectonische versieringen en de geringe hoogte aan de sociëteit geen monumentaal karakter verleenden en alle vergelijking met moderne clubgebouwen in Europa buitensloot; het voldeed daarentegen uitnemend aan de eischen van een tropisch klimaat. Zoo het uitwendige aan een vergroot formaat van het indische heerenhuis deed denken, inwendig bezat het gebouw tal van koele, met marmer bevloerde zalen en rijen kolommen met Grieksche kapiteelen. Reeds door hunne afmetingen brachten deze zalen een indruk van statigheid teweeg, inzonderheid de balzaal, prijkend met de vulgaire pracht van kroonluchters, groote wandspiegels, marmeren tafels, bronzen muurbeelden en djatihouten meubels. Doch het was aan Daendels niet beschoren de voltooiing te beleven noch van zijne publieke promenade, noch van zijne nieuwe sociëteit. Eerst in 1814 kwam deze laatste gereed, en reeds in Juni 1811 had hij Java verlaten om divisie-generaal te worden in het leger van ‘notre auguste souverain’, den door hem zoozeer bewonderden keizer Napoleon.
De tuin om het gebouw was van bescheidene afmetingen, ook doordien de achtergrond daarvan werd ingenomen door gebouwen, waarin het Bataviasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen hare verzameling naturaliën en oudheden onder dak had gebracht. Echter was dit erf zoo klein niet, of tijdens het Britsche tusschenbewind wisten de leden hier nog ruimte te vinden voor een kolfbaan; eene uitspanning, die echter te veel inspanning vorderde in een tropisch klimaat, dan dat dit spel sedert populair zou worden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 792

[Jakarta 5 – Soos] 

Ook in een ander opzicht vormde dit gebouw vaak een middelpunt voor ’t gezellig verkeer. In den bloeitijd van de wedrennen op ’t naburige Koningsplein b.v. was ’t er altijd vol met liefhebbers van sport; de sociëteit was dan als eene succursale van het wedrenterrein te beschouwen. De races waren toen eene gebeurtenis; alle gouvernements-bureaux en alle handelskantoren waren ter wille daarvan gedurende drie dagen gesloten, en al wat zich te Batavia tot den ‘beau monde’ rekende, verscheen op het Koningsplein. Des avonds in de Harmonie, waar zich uit een decoratief oogpunt deden opmerken de leden van de Race Club, in roode rokken met vergulde knoopen – quite English!

Indië, geïllustreerd weekblad - 4, 792-793

[Jakarta 1 – Stadsherberg] 

Somtijds werd [in de 19e eeuw] de pret voortgezet in de Stadsherberg aan den Kleinen Boom. Die had ook z’n grooten dag, maar dat was wanneer, éénmaal ’s maands, de Engelsche mail aankwam. Dan toog jong en oud uit de handelswereld naar dien terminus aan ’t strand, en werden er smulpartijen aangericht waarbij de vischpartijtjes ten tijde van dominee Valentyn als een ‘zedig collation’ mochten aangemerkt worden. Toen verteerde men een gouden kobang (circa f 24) waarin begrepen was de wijn om den visch door te spoelen, en ook nog de juffer, die iedere deelnemer aan ’t picnic mee mocht brengen – de Engelsche mail vorderde heel andere cijfers.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 35

[Bandung – Kweekschool]

[...] en een zestal Europeesche onderwijzers aan de in 1866 geopende kweelschool voor Inlandsche onderwijzers.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 35-36

[Bandung – Station]

[...] eenigen tijd daarna – den 17den Mei 1884 – werd het lijnvak Tjandjoer – Bandoeng feestelijk geopend en kon men van uit Batavia via Buitenzorg de hoogvlakte per trein bereiken. Nog zou het tot 1 November 1894 duren, voor men per spoor naar Tjilatjap en dus naar Semarang en Soerabaia kon reizen, doch toen was de doorgaande lijn over Java, waaraan Bandoeng lag, ook klaar. In dat zelfde jaar kwamen te Bandoeng de bureaux, de werkplaatsen en de magazijnen der toenmalige Westerlijnen van de Staatsspoorwegen gereed.
[...]
Van die betere spoorverbindingen met comfortabele restauratierijtuigen profiteerden de reizigers; maar ook het goederenverkeer nam een ongekende vlucht. Opvoer van materialen en machinerieën werd eenvoudig en dat maakte weer, dat tal van ontginningen in het omliggende wondervruchtbare bergland tot stand kwamen; thee-, kina-, rubberplantages werden exploiteerbaar, konden hunne producten goedkoop en zeker afvoeren. Hiervan plukte Bandoeng, dat het centrum voor het zich sterk ontwikkelende, rijke achterland, de vruchten.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 36-37

[Bandung – Gemeente]

Van het rustige stadje, welks hoofdstraat, 'eigenlijk een deel van den postweg en een prachtige breede, rechtlijnige grintweg was, zoo effen als een kolfbaan' – is deze beschrijving van Veth [uit 1882] voor den tegenwoordigen stadsbestuurder niet om van te watertanden? – bleef niet veel over. Overal heerscht in het oude stadsgedeelte een druk vertier, want met groote sprongen steeg ook het inwonertal van 18.000 zielen in 1889 tot 29.382 in 1896, terwijl het op ultimo 1920 120.227 bedroeg, het garnizoen ter sterkte van 2.436 en de inwonende bedienden en chauffeurs met hun families, ten getale van + 10.000 zielen niet inbegrepen. In tootaal kan men het aantal inwoners [in 1921] dus stellen op rond 115.000. In eerstgenoemd jaar, dat is nog slechts 31 jaar geleden, woonden te Bandoeng maar 339 Europeanen, vrouwen en kinderen inbegrepen, in 1896 was dit getal tot 1134 gestegen, daarna vertiendubbelde het ongeveer in 25 jaar. Thans is Bandoeng de derde stad op Java; op 1 Januari 1921 bedroeg het zielental der Europeanen 10.658, ongeacht de Europeesche mindere militairen en hunne gezinnen.
Een denkbeeld van Bandoeng's snelle groei geeft het volgende staatje:

  1 Januari 1920 1 Januari 1921
Inlanders 73.199 82.263
Chineezen 7.702 9.306
Europeanen 9.372 10.658
Totaal 90.273 102.227

Alles zonder garnizoen en bedienden.

Indië geïllustreerd weekblad - 5, 39

[Bandung 2 – H.B.S.] 

[1921] Nog niet lang geleden stelde ik [burgemeester Reitsema] met Dr. G.J. Nieuwenhuis, het gedelegeerd lid van den Onderwijsraad, een enquête in naar het oordeel der onderwijskrachten over den invloed van het klimaat op de schooljeugd. Zonder uitzondering luidde dit gunstig: waar in de kuststeden de werkkracht der leerlingen om 11 uur absoluut verbruikt was, kon in Bandoeng zonder bezwaar tot 1 uur met volle kracht doorgewerkt worden. Dit gold zoowel voor de Europeesche als voor de Inlandsche kinderen. Bovendien kon in de koele middaguren meer aan sport gedaan worden terwijl de avond, in tegenstelling met de warme streken, voor zelfstudie uitermate geschikt was gebleken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 50a

[Bandung – Hotel Wilhelmina]

[1921] Evenals overal ter wereld is ook te Bandoeng een woninggebrek. Wel niet onrustbarend, doch wel onaangenaam. Nieuwkomers moeten zich in den regel eenigen tijd in het Preanger Hotel, Hotel Andreas of Hôtel Wilhelmina of een der talrijke pensions opschieten, alvorens een eigen huis te kunnen krijgen. Nu zijn de hôtels wel zeer goed – vooral het eerste maakt op feestavonden, (en die zijn er vele) een zeer mondaine indruk – , doch ieder verlangt ten slotte toch naar een eigen huishouding, hetgeen ook minder kostbaar is.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 50b

[Bandung – Staatsspoorwegen]

[1921] [...] het Grand Hôtel National werd aangekocht voor tijdelijke onderbrenging van het Departement van Gouvernements Bedrijven en komt pas over eenige jaren weder vrij voor hôtel [...][dat is nooit gebeurd!]

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 63

[Bandung – Milestone]

De heerschappij van Mataram in de Preanger nam in de tweede helft der 17e eeuw af om plaats te maken voor die der Oost-Indische Compagnie, die volgens verdrag van 1677 met Mataram de westelijke helft met de Tji Taroem als grensrivier bezat. Reeds in 1681 trad de resident van Cheribon tegenover de regenten ten oosten daarvan als heer en meester op; in 1684 stelde hij o.a. een regent van Bandoeng aan. In 1686 trof de Compagnie een schikking met de Cheribonsche sultans, waarbij zij geheel van hunne rechten op de Preanger afstand deden. Mataram deed dit eerst bij het verdrag van 1705. Het regentschap Bandoeng stond sedert onmiddellijk onder Batavia, totdat in 1808 Daendels hier regelend optrad. Tot dien tijd was niet de tegenwoordige hoofdplaats de zetel van den regent, maar wel het zuidelijker gelegen Dajeuhkolot aan de monding der Tji Kapoendoeng. Daendels gelastte de verplaatsing der residentie noordwaarts naar de toen door hem aangelegden postweg, waar aldus Bandoeng ontstond. Zoo werd deze energieke gouverneur-generaal de stichter van de stad, die voor de toekomst nog zooveel belooft.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 277, 279

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Na afloop van de vasten ontving Generaal de Kock Dipo Negoro nogmaals en verlangde nu zijne wenschen te hooren. Toen nu, de gegeven wenken en raadgevingen ten spijt, Dipo Negoro verklaarde te vorderen ‘Hoofd van de islamsche religie op Java te worden’ en den titel van Sultan te behouden, ontzegde Generaal de Kock hem de mogelijkheid eener inwilliging en nam hem tegelijkertijd gevangen. Op deze wijze voorkwam hij nieuwe onrustverstoring en bloedstorting. Dipo Negoro werd daarop naar Menado en vervolgens naar Makassar verbannen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 330

[Yogya 1 – Java-instituut] 

[1921] Op Java valt eene bijzondere opleving te boekstaven. Begonnen met het congres voor Taal-, Land- en Volkenkunde in 1910, voortgezet met het Cultuurcongres, beide in Solo gehouden, ontstond uit deze beweging het Java-instituut, dat zich ten doel stelt de inheemsche cultuur te doen herleven.
Dit instituut onder presidium van dr. Hoessein Djajadiningrat en eerevoorzitterschap van Pangeran Ario Prangwedono, hield tusschen 17 – 20 Juni zijn eerste congres in de Soendalanden en wel in Bandoeng. [...]
De resoluties, waartoe het congres kwam waren de volgende:
Het congres enz.: gelezen de praeadviezen en gehoord de inleidingen en de debatten betreffende het onderwijs in de geschiedenis van Java stelt vast als algemeen ten congres heerschende en tot uiting gekomen overtuiging:
1e. dat het onderwijs in de geschiedenis van Java noodzakelijk deel behoort uit te maken van het op Java in het bijzonder aan Inlandsche leerlingen verstrekte onderwijs, althans van de 2de klasse school af, en deze ingesloten;
2e. dat in dat onderwijs ook de cultuurgeschiedenis ten volle tot haar recht moet komen;
3e. dat daarnaast een intensieve geschiedvorsching noodzakelijk is te bevorderen;
4e. dat de geschiedenis moet worden onderwezen met gebruikmaking der resultaten van de geschiedvorsching en volgens methoden en met middelen, die zich zoo goed mogelijk aanpassen aan het bevattingsvermogen van de Javaansche jeugd en die in overeenstemming met de hoogte der onderwijscategoriën dienen te worden bepaald;
verzoekt het Java-Instituut maatregelen te beramen en te nemen, die kunnen strekken tot verwezenlijking dezer inzichten;

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 366-367

[Bandung 2 – H.B.S.] 

Vervolgens ging de heer Schoemaker [tijdens de eerste verjaardag der Technische Hoogeschool te Bandoeng] er toe over de dames en heeren studenten als volgt toe te spreken:
De taak, welke U als ingenieur hier te lande wacht, is een zeer omvangrijke en zal van U, als technicus, en niet het minst als mensch, veel vergen.
Vooral in den aanvang zult gij voor moeilijkheden komen staan, welke in deze gewesten van zeer bijzonderen aard zijn en in hoofdzaak voortspruiten uit de te Uwer beschikking gestelde werkkrachten en bouwmaterialen.
Bij de fundeering moet met den afwisselenden vochtigheidstoestand en de zich vrijwel steeds voordoende kleine volumeveranderingen van den bodem rekening worden gehouden, terwijl in vele landstreken ook de voorkomende aardbevingen bijzondere voorzieningen noodig maken.
Het opgaand werk, met de toepassing van de inheemsche minderwaardige baksteenen van ongelijke grootte en dikte, het pleisterwerk, dat door afwezigheid van gips immer krimpt en scheurt, daarbij strak werk onmogelijk maakt, zullen ook zorgen baren.
Meer in het bijzonder zullen timmerwerken voor kappen, hang- en schoorwerken Uwe opmerkzaamheid vorderen.
De sterk werkende wildhoutsoorten, welke, uit economische overwegingen meest toegepast zullen worden, de ongeschoolde ambachtslieden en het gebrekkig toezicht zullen er toe bijdragen dat de ontworpen constructies en meer bepaaldelijk de bewerking der verbindingen alles te wenschen zullen overlaten. Reeds bij het ontwerp en bij de détailleering van de constructies zal met deze factoren rekening zijn te houden.
Meer nog dan in Europa moet de ingenieur op de hoogte zijn van de ambachtstechniek en het zal U in uw loopbaan opvallen, hoe veelvuldig daartegen fouten worden gemaakt, en hoe, uit onkunde, door gewoonte, steeds in gelijksoortige verbindingen en constructies dezelfde fouten zijn begaan.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 403

[Surabaya 2 – Sarekat Islam] 

[1921] Semarang, 9 Sept. De Locomotief gelooft niet, dat de inlandsche beweging dood is, omdat Tjokro in verzekerde bewaring is gesteld. In stilte maakt de Inlandsche beweging veeleer een innerlijke crisis door, waarbij men dient te letten op de beroeringen, waaraan de democratie en het nationalisme in de geheele wereld rondom ons na de oorlogsgisting onderhevig is, zoodat het geen wonder is, dat een politiek ongeschoold volk daardoor verdoofd en verbijsterd is. Gerust kan worden aangenomen, dat stelselmatig toeneming van de wettelijke medezeggenschap en van de geordineerde openbaarheid vanzelf de inlandsche beweging in andere banen leiden zal. De inlandsche beweging is slechts schijndood.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 604-605

[Jakarta 6 – Hooggerechtshof] 

[1921] Het hoogste rechterlijke gezag in Nederlandsch Indië wordt uitgeoefend door het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië, gevestigd te Batavia en geheel en al samengesteld uit Europeesche gegradueerde rechterlijke ambtenaren; deze samenstelling bestaat uit een president, een vice-president, acht raadsheeren, een procureur-generaal (het hoofd der rechtspolitie in geheel N.I. en onder wien bij uitsluiting en onmiddellijk het geheele O.M. staat), een advocaat-generaal, een griffier en substituut-griffiers.
Bij het ontstaan eener vacature van president, zendt de G.G. een aanbeveling aan den Minister van Koloniën, na den Raad van Indië te hebben gehoord; de Kroon blijft evenwel geheel vrij in de keuze van benoeming en kan iemand, buiten de Indische magistratuur staande, als president uitzenden, hetgeen dan ook wel is gebeurd.
Vice-president en leden worden door den G.G. benoemd, den Raad van Indië gehoord. Aan president, vice-president en leden verzekerde de wetgever een betrekkelijke onafzetbaarheid, waardoor het Hof onafhankelijk staat van de Regeering; zulk een onafhankelijkheid is beslist noodig, als men in aanmerking neemt, dat dit hoogste rechterlijk college toezicht houdt op de rechtsbedeeling in het algemeen en tegen afwijkingen der lagere rechters heeft te waken; het belang eener gewaarborgde rechtspraak eischt dit.
Er zijn nog meer bepalingen in de wet te vinden, die wijzen op de bijzondere positie van dit college: zoo kunnen president en leden alleen met hun toestemming in andere betrekkingen worden overgeplaatst, terwijl ontslag uit het ambt tevens eervol ontslag uit ’s lands dienst medebrengt; in bijzondere gevallen slechts kunnen zij door de Koningin uit hun ambt worden ontzet; aanvraag van verlof buiten Nederlandsch-Indië wordt geacht tevens in te houden het verzoek om ontslag uit hun ambt.
Behalve dat dit college het toezicht uitoefent op de rechtspraak der andere rechtbanken en gerechten, is het belast met de rechtspraak in hooger beroep, in revisie en in cassatie en tenslotte met de kennisneming van verzoeken tot opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen uit hoofde van in de wet aangewezen bepaalde omstandigheden.
Alle arresten van het Hof zijn voor geenerlei nadere voorziening vatbaar, behoudens de middelen van verzet en request-civiel.
Het Hof, welks rechtsgebied zich uitstrekt over geheel Nederlandsch-Indië vonnist en beschikt in strafzaken met drie leden en, behoudens een later te noemen uitzondering, in andere zaken met vijf leden; de werkzaamheden zijn verdeeld over twee kamers, elk bestaande uit vijf leden; de president is voorzitter der eerste, de vice-president der tweede Kamer; deze laatste behandelt de strafzaken, de eerste alle andere zaken.
In eersten aanleg en tevens in hoogste ressort, neemt het Hof kennis van alle jurisdictie-geschillen tusschen rechterlijke autoriteiten, die niet onder denzelfden raad van justitie behooren en tusschen die raden onderling of tusschen een raad en een lagere autoriteit en ook tusschen burgerlijken- en militairen rechter; in een geschil echter tusschen Hof en Hoog Militair Gerechtshof doet de G.G. uitspraak omtrent de competentie.
Met een samenstelling van zes leden oordeelt het Hof in eersten aanleg en tevens in hoogste ressort over alle misdrijven en overtredingen gedurende den tijd hunner functiën, begaan door de bij de wet opgesomde ambtenaren; voor de vervolging wordt echter vooraf machtiging van den G.G. geëischt.
In hooger beroep oordeelt het Hof:
a. over de daarvoor vatbare vonnissen in burgerlijke zaken gewezen door de raden van justitie;
b. over arbitrale vonnissen, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering f 500 of minder bedraagt;
c. over de eindvonnissen der raden van justitie in misdrijfzaken, waarin geen voorloopige instructie heeft plaats gehad (behalve zaken, waarin vrijspraak plaats heeft);
d. over de daarvoor vatbare vonnissen der raden in zaken van overtreding.
In revisie oordeelt het Hof in misdrijfzaken met voorloopige instructie (behalve de vrijspraakzaken). Wat de belangrijke werkzaamheid der strafrechterlijke revisie en examinatie der landraadvonnissen, ressorteerende onder een der drie raden op Java betreft, deze is in 1901 aan het Hof ontnomen en overgebracht bij de raden; is aan den eenen kant het Hof hierdoor belangrijk ontlast, aan den anderen kant heeft het thans niet meer geregeld toezicht op het werk der landraadvoorzitters.
Tenslotte neemt het Hof in cassatie kennis van den ambtshalve door Procureur-Generaal ingestelden eisch tot cassatie of van dien door partijen ingesteld; zoolang echter nog eenig ander rechtsmiddel openstaat, wordt de eisch tot cassatie niet toegelaten.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 607

[Jakarta 6 – Middelbare] 

[1921] Met het eindexamen van H.B.S. met 5 jarigen cursus wordt gelijkgesteld het eindexamen van de openbare handelsscholen met twee jarigen cursus te Amsterdam, Alkmaar, Arnhem, Groningen, Haarlem, Harlingen, Hilversum, Rotterdam, Utrecht, Vlissingen en Enschedé (afdeeling van de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel aldaar), van de bijzondere handelsscholen met tweejarigen cursus te Hilversum, van het Canisius College te Nijmegen, het College St. Willebrord te Katwijk aan den Rijn en het Bisschoppelijk Seminarie te Rolduc (gemeente Kerkrade), van de handelsschool deel uitmakende van de Middelbare School voor Handel en Administratie te ’s Gravenhage en van de met de Prins Hendrikschool te Batavia verbonden openbare handelsschool met tweejarigen cursus.
Het eindexamen van bovengenoemde handelsscholen is een der toelatingseischen b.v. van het Candidaat-Indische Ambtenaarschap ten behoeve van den bestuursdienst (B.B.) of bij den administratieven dienst (Bureaux) in Ned.Indië, een betrekking waarvoor met lands steun wordt opgeleid, d.w.z. dat daarvoor een studietoelage van f 1000 ’s jaars wordt toegekend met 20 % verhooging en vergoeding der collegegelden te Leiden.

Indië, geïllustreerd weekblad, 5, 643

[Bandung – Insulinde]

[1922] De Preangerbode meldt, dat het personeel der fabrieken van de Insulinde Olie weer sterk ingekrompen zal worden. De mogelijkheid bestaat, dat het coprabedrijf binnenkort weer zal worden uitgeoefend. De kans is echter ook niet uitgesloten, dat het geheele bedrijf gesloten en wakers voor de fabrieken worden aangesteld. De secretaris van het hoofdkantoor, de heer Van Staveren, keert in 's lands dienst terug. Het hoofdkantoorgebouw te Bandoeng is reeds aan verscheidene instellingen te huur of te koop aangeboden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 755

[Jakarta 7 – Paketvaart] 

[1922] Slechts 140 machinisten hebben geweigerd over te monsteren op de nieuwe (lagere) gagevoorwaarden, zoodat het overgroote deel overgemonsterd heeft.
Aangezien alle cursisten van den Machinistencursus van den K.P.M. hebben geweigerd over te monsteren, is de cursus gesloten en ontvingen alle cursisten het bevel zee te kiezen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 5, 804-807

[Bandung 2 – Verbraak] 

[1922] Het was den 1en Juni 1918, dat pastoor Verbraak, die bijna een derde eeuw [1873-1903] op Atjeh had doorgebracht, overal helpende, overal steun en troost gevende, in Magelang den geest gaf.
Geen man, die zoo geliefd was in het leger, als geestelijke. Had hij niet nagenoeg den geheelen strijd op Sumatra’s noordkust meegestreden, zichzelf geheel gevende aan de hooge taak, welke hij zichzelf opgelegd had, het helpen van zieken en gewonden, het steunen van hen, die hulp en vertroosting noodig hadden? Roerend waren de bewijzen van liefde en bewondering, die de harde krijgers, die als was in zijn hand waren, hem, den man des vredes, op zijn sterfbed brachten.
Was het een wonder, dat zich aanstonds een comité vormde om giften in te zamelen, ten einde voor pastoor Verbraak een passend gedenkteeken op te richten? Wel stond zijn borstbeeld voor het door hem gestichte kerkje op Panteh Perak; terecht oordeelde men, dat de nagedachtenis van dezen zeldzamen soldatenvriend nog op andere wijze geëerd moest worden. Van dat comité bestaande uit den generaal-majoor der artillerie MacGillavry, den kolonel der infanterie Den Doorn de Jong, den kolonel van den Generalen Staf P.J. Spruyt en den toenmaligen kapitein van den staf La Lau, is de laatste alleen nog op Java en hij was het daarom, die op 27 Januari j.l. de plechtige onthulling regelde van het fraaie standbeeld, dat door mejuffrouw G.J.W. Rueb in Holland ontworpen was geworden.
Als standplaats voor het uit groen brons gegoten beeld heeft men Bandoeng gekozen, den zetel van het militair bestuur, de grootste garnizoensplaats op Java. Daar zocht men een rustig plekje uit in het Molukkenpark, achter het paleis van den legercommandant.
Het eenvoudige beeld staat op een voetstuk van Beiersch graniet [...].
Vroeg in den ochtend van den 27en Januari waren tal van militaire en burgerlijke autoriteiten met hunne dames, geestelijken, deputaties der te Bandoeng en Tjimahi gelegerde korpsen, leerlingen der katholieke Meisjes H.B.S., en belangstellende burgers, in het Molukkenpark aanwezig bij het standbeeld, dat door de Nederlandsche vlag aan het oog onttrokken was, toen de legercommandant, luitenant-generaal G.K. Dijkstra, naderde en bij het beeld gekomen dit na een kort inleidend woord onthulde.
Vervolgens sprak generaal Dijkstra, het oog op pastoor Verbraak gericht als volgt:
‘Henricus Christianus Verbraak werd den 24sten Maart 1835 te Rotterdam geboren. Aanvankelijk voor den handelsstand bestemd, voelde hij eerst later de roeping om zich als priester geheel aan het heil der menschheid te wijden. Op 27-jarigen leeftijd begon hij zijn studiën voor het priesterschap en werd 7 jaar daarna op 19 September 1869 te Maastricht tot priester gewijd.
In 1872 vertrok Verbraak naar Indië en hij zag zijn geboorteland nimmer terug. Na een kortstondig verblijf te Padang zette hij den 29sten Juni 1874 voet aan wal te Atjeh, om er zijn leven van toewijding en onverpoosden arbeid te beginnen. Vrijwel onafgebroken bleef hij daar gedurende 33 lange jaren werkzaam. [...]
Hoewel uiterst dankbaar voor het geringste blijk van hartelijkheid en liefde, vroegt Gij, brave man, nimmer iets voor Uzelf; alles, waarover Gij in stoffelijken of geestelijken zin de beschikking had, was voor Uw medemenschen. [...] Zij zullen zich ook herinneren den priester in zijn eenvoudig gewaad, op zijn rondgang door het groote hospitaal met zijn dikwerf groot aantal zieken en gewonden. Voor een ieder, blank of bruin, een goed woord, zonder te vragen: Zijt gij mijner waardig, of wat is Uw geloof? Ik zelf lag daar eenmaal, voelde toen dien warmen handdruk en hoorde de vraag: Kan ik wat voor je doen?
Was het geen ongewone dag als de pastoor op de posten op bezoek kwam? Het gevaar voor eene mogelijke beschieting niet achtende! Brak dat niet ons eentonig bestaan, en gingen wij dan niet allen met elkaar naar de kerk, ook al waren wij niet Katholiek? En, Pastoor Verbraak, is het niet gebeurd, toen Ge eens bij mij op den post waart, dat een paar Mohammedaansche militairen tot U kwamen met de bede: Gedenk ons en ons gezin bij Uwe gebeden tot God? [...]
Uw arbeid, Pastoor Verbraak, kon niet onopgemerkt blijven. De Koning schonk U in 1884 het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw. [...]
Op den 2den Augustus 1896 werden te Atjeh namens het Indische leger aan Pastoor Verbraak enkele kostbare geschenken aangeboden. De aanbieding had met grooten luister plaats te midden van een paar duizend militairen. Dankzeggende sprak onze Pastoor:
Ik waardeer dit huldeblijk, deze geschenken des te meer, wijl zij mij geschonken zijn door Christenen van verschillende richting, door Mohammedanen en Heidenen, mannen, die toebehoren aan een leger, waarvan ik sedert 1874 zooveel bewijzen van moed, beleid en trouw, dapperheid en doodsverachting heb mogen bewonderen, een leger, welks daden mij telkens aanspoorden tot trouwe plichtbetrachting, een leger, dat terecht de trots is en steeds moge zijn van Hare Majesteit, onze geëerbiedigde Koningin. [...]’

Indië, geïllustreerd weekblad - 6, 37

[Jakarta 6 – Aneta] 

[1922] De positie, die Aneta in Indië inneemt, is een positie van macht.
Indien een persoon of een groep van personen, een gemeenschap van belangen vertegenwoordigend, den tijd gekomen acht een dagblad op te richten – hetzij omdat de bestaande pers die belangen niet of in niet voldoende mate verdedigt, hetzij om nieuwe ideeën tot uiting te brengen, dan behoeft Aneta niet over te gaan tot medewerking in den vorm van het geven van nieuwstelegrammen of berichten, maar Aneta kan het doen. Te verplichten valt er in deze niets. Indien Aneta, om welke reden ook, na beëindiging van een contract met een der bladen de overeenkomst niet wenscht te verlengen, is er niets en niemand, die de directie kan dwingen dit wel te doen. En, bij eene mogelijke weigering van de zijde van Aneta een nieuw contract aan te gaan, is het betrokken blad onherroepelijk ten doode opgeschreven; kan het in de toekomst, in de naaste toekomst zelfs, zijn einde aankondigen. De Europeesche lezer van dagbladen in Indië wil in de eerste plaats een nieuwsblad te zijner beschikking hebben. Zuivere partijbladen, die ook niet tegelijk nieuwsbladen zijn, kunnen zich misschien elders handhaven in Indië niet. En voor het vullen van zijn kolommen met nieuwstijdingen van welken aard ook, ‘gemengd nieuws’ uit het Moederland en uit het Buitenland, financiëel nieuws en handelsberichten van over de geheele wereld, met telegrammen, de buitenlandsche politiek direct, de Indische politiek indirect rekende, voor dit alles is het dagblad in Indië aangewezen op het Persbureau Aneta, dat terzake voor de monopolie bezit.

Indië, geïllustreerd weekblad - 6, 74

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

2e Jaarbeurs te Bandoeng 19 Sept. – 9 Oct. 1921
Het terrein, begrensd door de Menado-, Soenda-, Banda- en Bilitonstraten, beslaat eene oppervlakte van 40500 M²., is als park aangelegd en voorzien van behoorlijk verharde paden. Zoo nodig kan een aangrenzend perceel aan de Bandastraat bijgetrokken worden.

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 108-110

[Bandung – Katholieke kerk]

[1922] Onze mooie stad is op nieuw een mooi indrukwekkend gebouw rijk geworden, dat door zijn sierlijk, fijnbelijnd torentje reeds van verre en van alle kanten den blik tot zich trekt. Jaren en jaren reeds was het de hartewensch van onzen welbeminden pastoor Muller, dat Bandoeng een nieuw godshuis zou bezitten, doch jaren ook leek het of dat verlangen tot (men vergeve mij deze woordspeling) de vrome wenschen zou blijven behooren.
Maar zooals het dikwijls in het leven gaat, juist toen de tijden allerminst rijp schenen voor het tot stand komen van een zoo grootsche en gewichtige zaak, was het geld bijeengebracht, voldoende om met den bouw te kunnen beginnen en den 19den Februari j.l. werd de kerk plechtig door Monseigneur Luypen, den primaat van Nederlands-Indië, ingewijd.
Het behoeft geen vermelding, dat alle militaire en burgerlijke autoriteiten, dat de geheele katholieke gemeente dien dag opgekomen was en dat het godshuis geheel gevuld was met een eerbiedig luisterende schare.
Nadat pastoor Muller de eerste Hoogmis op het altaar had opgedragen, hield de Provicaris van Batavia, pastoor A. van Hoof, de feestrede, waarna het kerkkoor zeer verdienstelijk de driestemmige Mis van A. Ponten op. 20 uitvoerde.
Aan het slot van den treffenden kerkdienst zong de geheele gemeente vol geestdrift Schaepmans's 'Aan U, o koning der eeuwe'.
Staat het heele gebouw daar als een sprekend getuigenis der godsvrucht en offervaardigheid der Bandoengsche Katholieken, ook in het interieur der kerk treft men daarvan treffende bewijzen aan.
De koperen gedenkplaat binnen de kerk, ter linker zijde aangebracht en waarop te lezen staat:
'Tot meerdere eere Gods werd deze kerk toegewijd aan den H. Petrus door Mgr. E. S. Luypen op Zondag 18 Februari 1922.
P.J.W. Muller, S.J. Pastoor.
C.P. Schoenmaker, Architect
M. Kunst, Bouwmeester.' is een geschenk.
Zoo ook de fraaie, grijsmarmeren wijwaterbakken en de geheele tegelvloer. Het Communiekleed en de drie altaarkleeden, van gouden franje voorzien en op witte zijde met borduursel van gekleurde zijde telkens dezelfde motieven vertoonend: de korenaar en de wijnrank, zijn eveneens geschenken, net als het fraaie kruis, dat het rechtsche zijaltaar siert.
Ook de mooie ladenkast voor de sacristie en de fraaie gedreven processie-lantarens met kruis behooren tot de geschenken.
Uit de dorre opsomming van deze voorwerpen zal het echter ook wel duidelijk worden, hoe fraai en kostbaar versierd het interieur der kerk is.
Waarlijk, het nieuwe godshuis aan den Schoolweg te Bandoeng is een gebouw, dat der katholieke gemeente, dat onze geheele stad eer aandoet.
Moge het pastoor Muller gegeven zijn nog vele, vele jaren den eeredienst in de nieuwe kerk te verrichten.

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 167

[Bandung – Regent]

[1922] Voor den buitenstaander is er in de laatst verloopen jaren geen welsprekender bewijs voor een bewust streven naar ontwikkeling en medezeggingschap onder Java's bevolking geweest dan de deelname daaraan uit al hare lagen. Juist omdat het verschil in stand in Inlandsche kringen zoo sterk gevoeld wordt, is die algemeene belangstelling bijzonder gewichtig.
Het is voor het slagen der pogingen toch noodig, dat zij niet eenzijdig blijven; vooral in een Oostersch land dienen de vrouwen van den aanvang af zich aan te gorden, om in dezen niet achter te blijven. Vandaar dat de volgende gebeurtenis door hen, die met sympathie het opleven van den volksgeest op Java gadeslaan, met voldoening zal worden gelezen.
Zondag 26 Maart hield de Raden Ajoe van Bandoeng in den Kaboepaten een lezing voor de leden van den Studenten Vereeniging T.A.O. en talrijke genoodigden over 'Minangkabausche Adat'.
Onder de aanwezigen bevonden zich de legercommandant, de resident, de burgemeester en tal van andere officieele personen. De rede, in uitstekend Hollandsch uitgesproken, werd luide toegejuicht.
Dit is, naar vermeend wordt, de eerste Inlandsche dame van hoogen adel, welke een spreekbeurt in het openbaar vervuld.

Indië, geïllustreerd weekblad - 6, 379

[Yogya 1 – Kraton] 

Het merkwaardigste van Djokja is de kraton, in de ruimere beteekenis van het woord “Vorstenverblijf”; zij heeft eene uitgestrektheid van bijna een uur gaans in omtrek, als het ware een stad op zichzelf met gebouwen, pleinen, wegen en kampongs, in welker midden het eigenlijk verblijf van den Sultan gelegen is, ook kraton geheeten, doch meer gebruikelijk kedaton genoemd. De gansche kraton bevat binnen hare muren naar schatting eene bevolking van 15.000 menschen. Hij werd kort na het ontstaan van het Djokja’sche rijk (1755) in 1760 gebouwd, tegelijk met het fort Rustenburg, dat met zijn geschut de Javaansche vesting geheel bestrijkt. Hij beslaat een langwerpig vierkant van ongeveer 1100 M. lengte en 750 M. breedte, dat ingesloten is door muren van 3¾ M. hoogte en tot 4 M. dikte; aan de vier hoeken zijn bastions met wachttorens. Rondom den geheelen muur, met uitzondering van den hoofdingang, loopt een smalle gracht; van binnen is een aarden wal aangebracht, waarop hier en daar een vernageld stuk geschut van oud model is geplant. Binnen dezen ringmuur bevinden zich onderscheidene pleinen en min of meer vervallen gebouwen, door hooge muren en poorten van elkander gescheiden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 6, 379a

[Yogya 1 – Alun-alun] 
[Yogya 1 – Eetzaal] 

In het midden is de Probojoso of Dalem. De eigenlijke woning van den Sultan met een rijk met zwaar verguldsel en fijn snijwerk versierde pendopo met marmeren vloer, de Bangsa Kentjono geheeten, waar bij recepties en feesten de gasten worden ontvangen; op zij van de pendopo is de eetzaal, eene lange, open gaanderij, die een driehonderdtal gasten bevatten kan. Voor de Probojoso, door eenige ruimten, muren en poorten gescheiden, welke laatste bewaakt worden successievelijk door de vrouwelijke lijfwacht, die onder het afzonderlijke bestuur staat van eene Njai Temenggoeng (eene hooggeplaatste, vrouwelijke beambte), door de Europeesche lijfwacht en door inlandsche schildwachten, is de Sitinggil, eene overdekte verhevenheid met een vooruitspringend gedeelte, de Bangsal Witono, waarop de Sultan zich bij groote feestelijkheden aan den volke vertoont. Voor de Sitinggil strekt zich de aloen-aloen uit, het forum van den kraton, eene groote kale zandvlakte, aan de kanten beplant met waringinboomen, in den vorm van zonneschermen gesnoeid, terwijl in het midden twee groote, evenzoo gesnoeide exemplaren dier boomen staan, van steenen omheiningen voorzien.

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 389 

[Surabaya 1 - Pröttel] 

Bovendien vindt men in de groote steden van Java Europeesche meubelfabrieken, die geleid worden door een staf van bekwame vakmannen. Zoo hebben we in Batavia 't Woonhuis', in Semarang 'Java Stores', in Soerabaia 'Pröttel' en hier in Bandoeng de meubelfabriek 'Frisia'.

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 637

[Bandung – Rotterdam]

[1922 – 3e Jaarbeurs te Bandoeng] Evenals in het hoofdgebouw is in de machinehal de ruimte meer economisch gebruikt; jammer is het, dat een hoek leeg staat; de Internationale Crediet- en Handelsvereeniging 'Rotterdam', welke met eene Skoda Benzine locomobiel zou uitkomen, ontving deze machinerieën te laat uit Europa, zoodat zij zich op het laatste oogenblik moest terugtrekken.

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 476-477

[Malang - Neutrale lagere school]

Den eersten Juli j.l. [1922] werd te Malang het nieuwe gebouw der Neutrale Europeesche Lagere School geopend.
De voorzitter der Schoolvereeniging, dr P.A.A.F. Eijken, hield bij die gelegenheid een keurige rede, die met groote belangstelling werd aangehoord.
In breede trekken schetste de spreker de wordingsgeschiedenis der school. In October 1918 waren in het gebouw der Loge een aantal belangstellenden samengekomen, om over de oprichting eener particuliere school te spreken, om daardoor een einde te maken aan de wantoestanden op onderwijsgebied, welke door personeelsgebrek aan de Malangsche Gouvernementsscholen heerschte.
Op deze vergadering werd besloten een obligatieleening, groot f 50.000, uit te geven, waarvan echter voorlopig slechts f 25.000 geplaatst zou worden; tevens stelde men vast, dat het onderwijs op de school gelijk zou staan met dat op de 7-klassige Gouvernements Lagere school, doch dat alleen kinderen, die het Nederlandsch voldoende machtig waren zouden worden toegelaten. Wat de huisvesting der school betreft werd besloten deze voorloopig in een gehuurde woning te vestigen, totdat bij tijd en wijle blijken zou, dat de school inderdaad een behoefte was en men dus op regeeringssubsidie kon rekenen voor den bouw van een eigen gebouw.
Dat de zaak levensvatbaarheid bezat bleek spoedig ten duidelijkste.
In Juli 1919 met 66 leerlingen geopend, klom dit getal in de eerste maand reeds tot 83, was in Januari 1920 tot 120, in Juli 1920 tot 153 gestegen en bedraagt thans, 3 jaren na de opening, 212 leerlingen.
Een deel van dit succès is zeer zeker te danken aan de leiding, die de hoogst bekwame onderwijzers Ribbink, als hoofd der school, aan de inrichting gaf.
Waar het leerlingental zoo snel aangroeide was het huurhuis weldra te klein en moest dus wel tot den bouw van een eigen lokaliteit besloten worden.
Hiervoor moest f 75 000 door particulieren bijeen gebracht worden; voor de rest der bouwsom, + f 60 000, rekende men op steun der Regeering, een vertrouwen, dat niet beschaamd werd.
De toenmalige voorzitter der vereeniging, de heer Giesbergen, ontwierp met den architect Hamel een aantal projecten van schoolgebouwen, waaruit tenslotte een verdiepingsgebouw met ruime gymnastiekloods gekozen werd. In November 1920 werd met de eerste fundeeringswerkzaamheden begonnen.
Een groot verlies leed de vereeniging door het overlijden van den heer Hamel, waardoor zelfs groote moeilijkheden ontstonden. Gelukkig werd na eenigen tijd in den heer Berendsen een kundig opvolger van den heer Hamel gevonden.
En inderdaad kan de heer Berendsen met voldoening op zijn arbeid neerzien; het gebouw der Neutrale Schoolvereeniging is niet slechts bij uitstek doelmatig en geriefelijk, doch tevens zeer fraai, een waar sieraad voor de stad Malang.
[...]

Indië, geïllustreerd weekblad, 6, 711-712

[Bandung – Ursulinen]

De R.K. Meisjes H.B.S.
Het monumentale gebouw is voor ons Bandoengers verrezen, als hadden de bouwmeesters daarvoor Aladins wonderlamp ter leen ontvangen, want 1 October 1921 pas werd de eerste steen er van gelegd !
Lang, heel lang had het geduurd eer de gemeenteraad toestemming voor den bouw wilde geven, bevreesd als hij was, dat 'de lompe steenmassa' de omgeving van het mooie Pietersparkje geheel zou ontsieren; een vrees, die, zooals wij thans met eigen oogen kunnen zien, geheel ongegrond bleek. Maar door dat treuzelen met de vergunning moest de nieuwe H.B.S. als 't ware uit den grond gestampt worden, om nog voor den aanvang van den nieuwen cursus gereed te zijn. [...]
De leslokalen beantwoorden geheel aan het doel, waarvoor zij dienen; groote zorg is aan banken en lessenaars besteed en de school-'stoelen', die in de gewone lokalen gebruikt worden, zijn reeds volgens één der leerlingen 'nare dingen, want je kunt nu noch voorzeggen, noch afkijken'. In het natuurkunde- en in het teekenlokaal staan de banken amphitheaters-gewijze, zoodat men van elke plaats een goed gezicht op proeven en voorbeelden heeft.
Als wij de nieuwe lokalen zijn doorgewandeld, komen wij aan de vroegere fröbelklassen, die eerstdaags ook voor een modern schoolgebouw plaats zullen moeten maken, doch waarin voorloopig de beide eerste klassen ondergebracht zijn, want zelfs deze jonge school moest met parallelklassen beginnen; wel een bewijs, hoe broodnoodig de oprichting ervan was.
Even kijken wij in de richting, die de Mère Prieure ons aanwijst, doch keeren ons dan weer rechts om het volle gezicht te hebben op den mooien, grooten tuin, die zich er voor uitstrekt.
Juichende kinderstemmen doen zich hooren; het zijn de internistjes, die na gedanen arbeid niet rusten, doch lustig aan 't spelen zijn.
Wie wèl rusten, dat zijn de zusters, die op lange banken gezeten genieten van de heerlijke avondvrede en van het vroolijke kindergedartel.
Zoo vriendelijk is het tafreeltje, dat wij moeite hebben ons los te rukken; hè, hier eens een tijd te zijn in die vredige rust, welk een weldaad moet dat voor lichaam èn ziel beide zijn!
Langs een mooie, breede trap komen wij boven, waar wij eerst de reserve-slaapzaal zien, die nog ongebruikt is. 'Wat een nare, holle, ongezellige ruimte' denk ik onwillekeurig; 'wat moet dat daar akelig slapen zijn!' En alsof ze mijn gedachten geraden heeft, opent Mère Véronique eensklaps een deur en zegt: 'Kijk, Mevrouw, zóó slapen ze!'
Verbaasd blijf ik staan. Waar is de holle, ongezellige ruimte? Kleine snoepige kamertjes rijen zich naast elkander; in elk staat een bed, een kastje, een waschtafel, een stoel en tafel, echt knus en gezellig! Nu zijn de witte, kantomzoomde gordijnen in de deuropening nog opgenomen. Straks als de nacht komt, worden zij neergelaten en is ieder meiske alleen in haar slaapsaletje.
Van de groote slaapzaal komen we in de kamer, waar de kleintjes slapen; daarnaast ligt de groote badkamer, waar ze met hun tienen tegelijk baden en waar het dan, zooals Mère Prieure ons nog eens ten overvloede verzekert, een pret van belang is!
Nu dalen we weer af; zien de eetkamer, waar alles reeds klaar staat voor het avondeten, de speelkamer met de kleine tafeltjes en stoeltjes, de groote tafels, waarin ieder meiske haar eigen bergplaats heeft, gaan dan nog even mee naar 't mooie, vriendelijke kapelletje en dan is onze tocht ten einde.
Nog enkele oogenblikken praten wij in het gezellige wachtkamertje over de opleiding, de vorming, die de meisjes op school en in het internaat krijgen en als wij eindelijk weer buiten zijn in het straatgewoel, zeg ik: 'Wat een zegen moet het zijn, als je in zoo'n omgeving van vrede, rust en liefde moogt groot worden!'

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 28-31

[Jakarta 2 – Stadhuis] 

[1923] Het Bataviasche Stadhuis door S. Kalff.
Weinig is er overgebleven van de openbare gebouwen van het oude Batavia. De gedenkstukken van het grijs – en slechts onder voorbehoud eervol – verleden zijn te tellen. Verdwenen is het Kasteel van Batavia, ’t welk ruim anderhalve eeuw de zetel der Hooge Regeering was, verdwenen de spacieuse heerenhuizen langs Amanus- en Tijgergracht, verdwenen het Arsenaal, de sterrewacht van ds. Mohr, het gouverneurshuis op Weltevreden, forten om de stad en de ‘thuynen’, de kerken (op één na) en de stadspoorten; ’t ging alles in den loop der eeuwen onder den voet. Het Stadhuis echter, en in zijne nabijheid de Pinangpoort, is nog een van de weinige gebouwen uit den Compagniestijd, getuigende van de stevige bouworde, welke het geslacht van de 18de eeuw uit het vaderland had met zich gebracht. De bekende tand des tijds deed aan die gebouwen niet zooveel schade als de hamer des sloopers. En Prof. Veth noemde dit Stadhuis het belangrijkste overblijfsel van het oude Batavia.
Het tweede Stadhuis, in 1652 gebouwd, werd in 1706 gesloopt, omdat het in de zich steeds uitbreidende stad niet meer aan de behoefte voldeed. Het eerste dagteekende reeds van het bestuur van Coen’s opvolger, Peter de Carpentier, en was blijkens de aanteekening in het Ned. Ind. Plakaatboek van 1626 noodig geworden ‘door d’onbequamheyt ende ongerieffelyckheyt van ’t tegenwoordige provisionele raedthuys’. In dit gebouw werd ook Coen begraven, doch na de voltooiing van de Hollandsche Kerk werd zijn gebeente derwaarts overgebracht. Begin 1627 vergaderden heeren schepenen voor de eerste maal in dit gebouw, dat bekostigd was uit eene belasting aan iederen ingezetene der stad opgelegd, op straffe van ‘arbitrale correctie alsmede onse indignatie te incurreren’. Dit eerste Stadhuis (ongerekend het perceel, dat slechts tijdelijk en voorloopig als zoodanig dienst had gedaan) had reeds vóór het jaar 1652 plaats gemaakt voor het tweede, dat door Joan Nieuhof in zijne Zee- en Lantreize werd beschreven en afgebeeld. Het was van gehouwen en gebakken steen opgetrokken, de ingang ‘na de Korinthise orde bouwkunstigh opgehaelt en boven met een steene wandelrij verzien en gekroont’. De vensters bezaten glazen ruiten (voor gewone woningen gebruikte men destijds vaak ijzergaas) zoomede ijzeren traliën, en de binnenplaats was besloten tusschen hooge steenen muren. Verschillende beambten van de in het gebouw gevestigde secretarie, rechtscolleges, weeskamers, enz. hadden hunne op deze binnenplaats uitkomende woningen, terwijl naast het Stadhuis zich bevonden de Stadsboeien en de ‘bekommerkamers’.
In 1707 was ook dit tweede Stadhuis verdwenen en werd aangevangen met den bouw van het derde, dat drie jaren later voltooid was. De Realia vermelden uit welke verschillende bronnen gevonden werd de som van 29 800 rijksd., waarvoor de timmerbaas N. Cammer bij aanbesteding den bouw had op zich genomen, ongerekend het ijzerwerk en de kosten van de beide zijvleugels. In 1710 was het gebouw wel zoover dat het door de verschillende colleges en takken van dienst betrokken kon worden, maar eerst in 1712 werd het als geheel voleindigd beschouwd. Het had toen met de bijgebouwen ook veel meer dan de oorspronkelijke aannemingssom gekost, nl. ruim 56 381 rijksd. Uit wijze voorzorg – men was in het land der witte mieren – was bepaald dat de aannemer geen houtwerken mocht gebruiken afkomstig van het oude perceel. Evenals de vroegere gebouwen was dit nieuwe gelegen op het Stadhuisplein; het paalde ten oosten aan de vermaarde Tijgersgracht, zoo wijdlustig door Jan de Marre bezongen, ten westen aan de Nieuwpoortstraat. De Realia vermelden ook hoe, na de voltooiing, drie leden van den Raad van Indië in commissie werden gesteld om het nieuwe gebouw te inspecteeren en daarover verslag uit te brengen; en hoe de voorzitters van de verschillende corporaties, voor welke het Stadhuis bestemd was, gemachtigd werden tot het aanschaffen van ‘satijne verhemeltens, stoelenkussens en gordijnen’.
De vergelijking van het tegenwoordige gebouw met de oude afbeeldingen toont aan, dat het in de loop der jaren ettelijke hervormingen onderging. Rechtlijnig van structuuren eenigszins laag in verhouding tot de breedte, vertoonde de voorgevel een vooruitspringend, door vier zuilen gedragen middenstuk, dat een ruim portaal vormde met een breeden, boogvormigen ingang. Daarvóór een stoep, aan drie zijden met vijf trappen opgaand. Boven het portaal zag men vier ramen aan het middenstuk en boven deze een fronton, dat op de spits het beeld der Gerechtigheid droeg. Vroeger bevond dit beeld zich in een nis te midden van een rondeel, dat zich boven het portaal verhief en waarbij zich als attributen bevonden het Nederlandsche wapen, het wapen van Batavia en een wapenschild met het monogram der Compagnie, de dooreengeslingerde letters V.O.C. (Vereenigde Oostindische Compagnie.) Dit rondeel uit den tijd van Valentijn werd sedert weggenomen; evenals het vrouwenbeeld met een zeil in de eene en een pijlbundel in de andere hand, dat vroeger als windwijzer op den top van den toren prijkte.
Het werd vervangen door een alledaagschen windwijzer en een vlaggestok. Den toren op het dak schatte Valentijn van ongeveer dezelfde hoogte als die van het Amsterdamsche raadhuis op den Dam. Boven het beeld der Gerechtigheid zag men nog den Hollandschen Leeuw met het zwaard in de eene en den pijlenbundel in de andere klauw. De Gerechtigheid zelve hield hare gewone attributen, het zwaard, de weegschaal en de blinddoek. Met het oog op de vonnissen, welke hier uitgesproken werden door rechtscolleges van een zeer twijfelachtig juridisch gehalte, had men deze vrouw Justitia wel mogen vergelijken bij het zusterbeeld waarvan Valentijn verhaalt. Ergens in een landvoogdij ‘daar het Recht schrikkelijk met voeten getreden, en uytnemend slecht gehandhaaft wierd’. Een vreemdeling zag door in de raadzaal een klein medaillon met de figuur der Gerechtigheid en, zijne onkunde veinzende, vroeg den gerechtsbode wie het voorstelde? En toen ’t hem verklaard was, ging hij voort: ‘Is het de Gerechtigheid – ik heb ze nooit zo kleen als hier gezien’.
De voorgevel van het Stadhuis vertoonde tien vierkante vensters, vijf aan iedere zijde van het middenstuk, voorzien van kruiskozijnen. De stoep opgaande kwam men door een hooge, dubbele deur in een vierkante voorzaal, waar een breede trap naar de tweede verdieping leidde. In het oude stadhuis diende die voorzaal tot verschillende doeleinden; onder het langdurig bestuur van Johan Maetsuyker nu eens voor bijeenkomsten, dan weer voor de executoriale venduties, en in 1669 voor de Zondagsche godsdienstoefeningen, ’s morgens in de Portugeesche, ’s namiddags in de Maleische taal. En dat in eene Hollandsche kolonie! Zoozeer was destijds in de ‘koningin van het Oosten’ de eigen taal in het achterschip geraakt, dat ze slechts tot officieele en tot schrijftaal diende, maar niet meer voor het gros der burgerij, tot spreektaal.
Het nieuwe Stadhuis was ingericht voor den raad van justitie, de bank van schepenen, de wees- en boedelkamer, de commissarissen van kleine en van huwelijkszaken, de bevelhebbers van de burgervendels (schutterij) en de geheime schrijfkamer (secretarie). In de beschrijving van Valentijn werden de vele vertrekken zeer geroemd, inzonderheid de rijke versieringen van de raad- of schepenkamer, en de wandelgalerij die zich op de tweede verdieping bevond. De reiziger Gevers Deijnoot zocht hier echter in 1862 te vergeefs naar eenig merkwaardig overblijfsel uit den tijd der O.-I. Compagnie. Hij schreef in zijne Herinneringen, dat hij het Stadhuis inwendig slechts een stevig, maar smakeloos gebouw uit de 18de eeuw had gevonden.
In het midden der binnenplaats was een put geslagen en rondom het gebouw bevond zich een met arduintegels bevloerd looppad, dat des nachts door piekeniers uit de schutterij bewaakt werd. ’s Avonds werden hier posten uitgezet, en de voorbijgangers hadden te zorgen, dat zij na 9 ure buiten dat trottoir bleven en antwoord gaven wanneer de schildwacht hen aanriep. Anders liepen zij gevaar van als verdachte sujetten beschouwd te worden, en de piek van een schutter in den nek te krijgen. Valentijn schreef daarover:
‘Ik kenne een Heer van zeer veel aanzien, die als Raad van justitie pas op Batavia gekomen en nog onkundig van deze gewoonte zijnde, een dragt slagen weg had eer hij ’t wist, en de Heer die hij bij zig had, een oud mede-lid van dien Raad, had hem, ik geloove met opzet, geen woord er af gezegt, gaande stillekens en tijdig buiten de steenen en was ter zijden af op ’t plein, om gelegenheid te hebben van daarover eens hertelijk bij zich zelven te lagchen’.
Dezelfde schreef dat de beide cipierswoningen achter het stadhuis zeer goede huizen waren, en dat het ambt van deze cipiers vrij wat kon opbrengen. Van daar dat Rembrandt’s schoonzoon, de schilder Cornelis Suijthof, gehuwd met ’s meesters onechte dochter Cornelia, niet schroomde dit ambt te aanvaarden in een land, waar het destijds voordeeliger was huis- en rijtuigschilder dan kunstschilder te zijn. De zijvleugels van het gebouw, waar deze cipierswoningen zich bevonden, dienden voor ’t overige tot Stadsboeien en tot bewaring van preventief-gevangenen. In een dezer vleugels werd de bekende Dipo Negoro, die zichzelven sultan van Java noemde, maar door de regeering als ‘hoofdmuiter’ werd gekwalificeerd, eenigen tijd als staatsgevangene ingekerkerd, totdat zich scheepsgelegenheid voordeed om hem naar verbanningsoord Makassar over te brengen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 46-48

[Jakarta 2 – Kanon] 

Een ander historisch voorwerp in dezen omtrek was het groote kanon, bij de inlandsche gemeente bekend onder den naam van marjam besaar, en waaraan eene wonderdoende kracht werd toegeschreven. […] Het stuk vertoonde noch jaartal, noch aanwijzing, waar en door wien het gegoten werd. Het droeg slechts eenige ineengestrengelde en niet te ontcijferen Arabische karakters, en op den band, die het bodemstuk omringde, het opschrift: Ex me ipsa renata sum [Uit mijzelf ben ik herboren]. De voornaamste bijzonderheid was de druif, welke een gesloten hand vertoonde, duim en beide voorste vingers uitgestoken op eene wijze, welke den Javaan herinnerde aan de linga, het symbool der voortbrengende natuurkracht. Zoozeer verkeerde de inlander, in naam Mohammedaan, nog onder den invloed van den voorvaderlijken natuurdienst, dat hier gedurig offers van rijst, wierook en bloemen werden gebracht. Kinderlooze vrouwen plachten op die miraculeuse druif neer te hurken; aan het hier uitgesproken formulier en de smeekbede om het moederschap werd eene bijzondere kracht toegekend. Feitelijk hield dit geloof verband met de transmigratie-leer, waarvan de uitingen zoo veelvuldig in het Javaansche volksleven werden aangetroffen. De inlandsche vrouw bracht haar offer in de overtuiging, dat de vruchtbaarmakende kracht, door het volksgeloof aan het kosmopolietisch symbool van die hand toegekend, in haar lichaam zou overgaan. Volgens Justus van Maurik, die in zijne Indrukken van een Totok van dit kanon gewag maakte, zouden niet alleen inlandsche vrouwen, maar ook nonna’s hier haar bezoek brengen en zich op die bronzen hand neerzetten; waarbij hij een geval verhaalde aantoonende, dat de geest, die in het kanon woonde, zich ook vergissen kon, nl. door den moederzegen te schenken aan personen, welke daarvoor nog niet in de termen vielen.[…]
Volgens overlevering zou het een geschenk zijn geweest van den koning van Portugal aan den sultan van Bantam, maar dat onderweg in het toenmalige Jakatra ‘gestrand’ was. Het stuk was oud genoeg om reeds van den nimbus der legende omgeven te zijn, en deze legende gewaagde van een zuster-kanon, dat bij Karang Hantoe in Bantam op het strand lag. Twee inlanders, die zich bij dat strand baadden, zouden gezien hebben, dat er een monsterkanon voorbij dreef. En dat kanon kon spreken; op de vraag waar het heen wilde gaf het een antwoord, waaruit bleek dat het een wijfjeskanon was, te Pandeglang (Bantam) thuis behoorende, maar dat uit een lofwaardig echtelijk gevoel daar niet langer blijven wilde, omdat het met den metalen echtgenoot te Batavia zich wenschte te hereenigen. De Bantammers hielden het echter tegen en brachten het aan wal; denkelijk omdat zij het sultanaat van Bantam van dit palladium niet berooven wilden.
Een der oude indische kroniekschrijvers, J.W. Vogel, vermeldde in zijne Ost-Indianische Reise-beschreibung dat hij in 1679 voor de Waterpoort van het Kasteel van Batavia meer dan honderd ijzeren stukken geschut zonder de affuiten op balken vond liggen, waaronder één van ’n buitengewone lengte, en waarvan gezegd werd, dat het afkomstig was van de verovering van Makassar door Cornelis Speelman. Wellicht liet men bij de opruiming van de stukken het zwaarste liggen; doch zoo het al eene legende heeft, eene geschiedenis bezit het heilige kanon niet.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 67

[Jakarta 7 – Inlandsche rechtsschool] 

[1923] De Regeering besloot tot geleidelijke opheffing van de voorbereidende afdeeling van de Indische rechtsschool te Batavia, wegens voldoende hoeveelheid van inlandsche rechtskundigen.
De voorbereidende afdeeling is evenals de rechtsschool opgericht in 1908 en had tot doel den candidaten voor de school die ontwikkeling bij te brengen, welke hen in staat zou stellen het onderwijs aan de school met succes te volgen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 70

[Jakarta 5 – Roll] 

In 1896 werd Dr. Eykman opgevolgd door Dr. H.F. Roll, van wien de belangrijke reorganisatie-voorstellen van Mei 1898 afkomstig zijn, die door de Regeering en het Opperbestuur onveranderd overgenomen, leidden tot:
1. Verbouwing en vergrooting der bestaande inrichting in het Militair Hospitaal, waardoor reeds dadelijk het aantal leerlingen kon worden opgevoerd tot 150.
2. Bouw van een nieuwe school, waarvoor een geschikt terrein werd gevonden aan den Hospitaalweg. De nieuwe inrichting, die aan 200 leerlingen ruime huisvesting kon verleenen, werd op 1 Maart 1902 feestelijk geopend.
De overgangsperiode werd tijdens het verlof van Dr. Roll geheel geleid door Dr. Kiewit de Jonge.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 149-152

[Surabaya – Constructiewinkel] 

Sedert 1 Januari 1923 is Bandoeng een belangrijke industrieele instelling rijker geworden. Op dien datum was n.l. de overbrenging van den Artillerie Constructie Winkel van Soerabaia naar Bandoeng, welke ongeveer twee jaren heeft geduurd, voltooid. Soerabaia heeft daardoor een historische inrichting verloren; de Artillerie Constructie Winkel was toch een der oudste fabrieken van die stad. [...]
Reeds ten jare 1801 werden luidens de Realia ‘de Javasche ministers gequalificeert om te Soerabaia een nieuwe wapenwinkel te laten erigeeren’. Maar ordonneeren en erigeeren waren in Indië van ouds twee zeer verschillende dingen. Het duurde dan ook nog ruim zeven jaren, n.l. tot Koning Lodewijk Napoleon den maarschalk Herman Willem Daendels tot Gouverneur-Generaal benoemde, alvorens de Inrichting tot stand kwam. Maar toen verrees ze ook met de snelheid en voortvarendheid, welke tot de karaktertrekken van den ijzeren maarschalk behoorden.
Het desbetreffende Gouvernementsbesluit van 8 Juli 1808 luidde:
‘Zijne Excellentie in overweging genomen hebbende, dat het voor Zijner Maj. Dienst in dezer Kolonie ten hoogste noodig en nuttig zal zijn, dat op Surabaya alleen geëtablisseerd worde een generaal atelier van constructie voor de armee in Indië, heeft goedgevonden te bepalen, dat voor het voorschreven etablissement tegen taxatie zullen worden ingekocht de tuinen van den pangerang van Soemanap, en dat daar ter plaatse zoowel de verschillende ateliers, als magazijnen en logementen der ambachtslieden zullen worden geplaatst.
De gezaghebber in den Oosthoek wordt belast met den inkoop der tuinen en gebouwen daarop staande, volgens billijke taxatie, en de Kolonel de Kock met de organisatie van dit geheele etablissement’. [...]
De inrichting diende niet alleen voor confectie [in standaard maaqt vervaardigd artikel] , maar ook voor reparatie; er kon alles gemaakt worden wat voor leger, vloot, fortificatie, huisbouw, enz. noodig was. [...]
De oude fabriek stond op de plaats, waar zich nu eene open vlakte bevindt, aansluitende tegen de gebouwen van den Grooten Boom. [...]
In 1850 werd de fabriek ‘De Phoenix’ door het Gouvernement van den heer Baier overgenomen en het bedrijf ten deele met dat van den Constructiewinkel vereenigd. [...] De reden, dat in 1849 werd uitgezien naar een eigen fabriek voor het Leger lag daarin, dat de toenmalige Lands Constructie Winkel onmogelijk in alle behoeften van Leger en Vloot kon voorzien. Daarom werd besloten tot de splitsing der bedrijven. De fabriek de Phoenix werd voor het Leger aangekocht en bij Gouv. Besluit [...] bestemd om den zoogenaamden Artillerie Constructie Winkel te vormen met bepaling, dat die winkel op 1 Januari 1851 in werking zou treden. [...]
[...] in 1859 [werd] de inrichting bezocht door een reizenden Javaanschen regent, schrijver der ‘Reizen van Poerwo Lelônô’ en deze [verbaasde] zich met Inlandsche naïveteit over den stoomhamer, dien hij hier zag ‘neerdonderen’’. Een blok deugdzaam djatihout stoof onder den hamer in spaanders weg als pepernoten. Ook de machines voor ijzerbewerking werden door stoom gedreven. Hij zag een ijzeren plaat schaven alsof het een plank voor een kegelbaan was, en er was in te snijden als in een vilten hoedje. Hij zag er ook ijzeren kanonskogels gieten ter grootte van een kokosnoot en kogelpersen, waarmee men per dag dertigduizend looden geweerkogels kon maken. [...]
Vooral een koloniaal leger moet over goede legerwerkplaatsen kunnen beschikken. Gedurende den grooten wereldoorlog [1914-1918] is weder gebleken, hoe weinig men in oorlogstijd op aanvullingen van oorlogsmaterieel van elders kan rekenen. Een leger in de Koloniën is dan op zich zelf aangewezen. [...] Gedurende de laatste oorlogsjaren moest de Artillerie Constructie winkel dan ook [...] belangrijk worden uitgebreid. Het aantal werklieden, dat in 1905 nog ongeveer 500 à 600 bedroeg, nam tot 1500 toe.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 171

[Surabaya – Constructiewinkel] 

De oude werkplaatsen en gebouwen van de voormalige fabriek ‘de Phoenix’ waren daarop niet berekend. Overal moesten naast en tusschen de verschillende gebouwen, die toch al dicht op elkaar stonden, afdaken en loodsen worden bijgebouwd. Het overzicht en de controle op het werk, welke toch al, ten gevolge van de verouderde bouwwijze, te wenschen overlieten, werden daardoor nog meer bemoeilijkt.
Toen dan ook in begin 1918 door de Regeering werd besloten om de werkplaatsen naar Bandoeng over te brengen, werd deze gelegenheid benut, om te zorgen dat de nieuwe A.C.W. te Bandoeng over meer aan de moderne eischen beantwoordende en juist opgestelde fabrieksgebouwen zou kunnen beschikken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 293-294, 297-298

[Semarang 2 – Trammaatschappijen] 

 Aan de te ’s Gravenhage op 6 April 1895 opgerichte Semarang-Cheribon Stoomtram-Maatschappij werd op [...] 28 November 1896 eene gewijzigde concessie voor den aanleg en de exploitatie van een stoomtramweg van Semarang naar Cheribon verleend. [...]
De firma Friedriech Krupp te Essen leverde de rails, de ‘Union’ Actien-Gesellschaft fúr Bergbau, Eisen- und Stahl-Industrie te Dortmund kreeg de levering van den ijzeren bovenbouw voor bruggen. Door de firma Beyer Peacock Ltd. te Manchester werden achtereenvolgens de 20 bestelde locomotieven afgeleverd, waarvan de laatste twee in Juni 1897 aankwamen.
Door de Nederl. Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel [Werkspoor] te Amsterdam werden de aan haar opgedragen 100 gesloten en 60 open goederenwagens afgeleverd.
De firma Van der Zijpen en Charlier te Deutz bij Keulen leverde de haar gegunde 15 rijtuigen 1e en 2e klasse af, zoomede 15 rijtuigen 2e klasse.
Met de uitzending van het materieel was de Maatschappij niet fortuinlijk. Van de gesloten goederenwagons werden er 16, van de 1e en 2e klasse rijtuigen 3 en van de 2e klasse rijtuigen 3 verscheept met het stoomschip ‘Utrecht’, dat in den aanvang van 1897 verging.
Met het stoomschip ‘Gelderland’, dat te Hoek van Holland strandde, werden 5 rijtuigen 1e en 2e klasse geheel en de overige 6 van de 15 bestelde rijtuigen gedeeltelijk verscheept, zooals ook door de firma Beijnes geleverde twee model-rijtuigen. Bedoeld materieel werd later wel uit dit schip gelost, maar was door zeewater zoodanig beschadigd, dat het voor de Maatschappij zijne waarde had verloren.
Hoewel de bedragen, waarvoor dit materieel – zoowel als dat met de ‘Utrecht’ verscheept – was verzekerd, geheel werd uitbetaald, was er voor de op handen zijnde gedeeltelijke exploitatie geen voldoende materieel voorhanden. Bovendien boekte de Mij. eene directe schade van ongeveer f 7.000, wegens de hoogere bedragen, die voor de nieuw bestelde voertuigen betaald moesten worden.
[...]

  Aantal vervoerde reizigers Aantal vervoerde tonnen goederen
1900 1.157.840 222.713
1905 2.157.840 441.962
1910 3.157.159 583.798
1915 4.227.265 646.230
1920 7.764.670 1.020.711

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 373a

[Jakarta 6 – Middelbare] 

[1923] De Middelbare Technische school te Batavia, van 1906, genaamd Koningin-Wilhelmina School, oorspronkelijk bestaande uit een H.B.S. met 3 j.c. en daarbij aansluitende cursussen voor handel en zeevaart (Afd. A) en een 3-jarige technische cursus, Afd. B.
In 1911 werd Afd. A als H.B.S.-3 van de K.W.S. afgesplitst en bleef de laatste als zelfstandige M.T.S. bestaan. In 1912 werd de cursus vierjarig. Er zijn afdeelingen voor bouw-, werktuig- en mijnbouwkundigen, op ult. 1920 met resp. 332, 242 en 17 leerlingen, totaal 591, zijnde 356 Europeanen, 172 Inlanders en 63 Chineezen en met 37 leeraren.[…]
De oprichting van nog een M.T.S. is in voorbereiding; aan die te Batavia is een hoogere Technische Leergang ingesteld; voor enkele der beste leerlingen zal de gelegenheid worden opengesteld om te Bandoeng te gaan studeeren aan de Technische Hoogeschool en aan deze laatste is opgericht een cursus voor instrumentmakers en glasblazers en een leergang voor de akte Wiskunde Midd. Ond.
Van 1919 tot ’23 bestonden te Batavia, Semarang en Soerabaja tweejarige avondleergangen voor opleiding tot opzichter bij Waterstaat en B.O.W.; daarvoor in de plaats is nu te Batavia een éénjarige dagcursus ingesteld voor opleiding tot architect bij dien dienst.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 373

[Semarang – Technische School]

De Middelbare Technische school te […] Semarang, eene door het Gouvernemenent gesubsidieerde inrichting, ontstaan uit de Semarangsche Ambachtsschool van 1891. Deze heeft nog een 3-j. c. en telde op ult. 1920 69 Eur., 23 Inl. en 10 Chin. leerl., tot. 102.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 377

[Borobudur 0 – Boeddha] 

Vooral nadat op de wereldtentoonstelling te Parijs in 1900 de Boroboedoerreliefs zulk eene belangstelling gewekt hadden, vestigde zich bij de autoriteiten in Nederland de overtuiging, van welk eene veelzijdige waarde die monumenten waren, op Java vooral. Door opwekking uit Nederland werd in 1901 in Indië dan ook de Oudheidkundige Commissie voor Java en Madoera van regeeringswege opgericht en zoo geleerden en hun staf in staat gesteld de getuigen van de vroegere Javaansche grootheid te onderzoeken, beschrijven en afbeelden, zoo nodig te beschermen en te restaureeren.
Het beste denkbeeld van hetgeen dit beteekent, geven ons de werkzaamheden aan de grootsche Hindoeruïne in Midden-Java, de Boroboedoer verricht. Deze, hoewel reeds lang bekend, was eerst door IJzerman en Groneman *] onder de algemeene aandacht gebracht, maar eerst in deze eeuw zou dit voeren tot eene piëteitvolle verzorging. In de jaren 1907-1911 werden onder de bekwame leiding van Van Erp het herstel en de restauratie van dit bouwwerk ter hand genomen en later zijne beschrijving en uitvoerige afbeelding samen met N.J. Krom uitgegeven.
*] Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië – 1ste deel, 829 

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 377-378

[Jakarta 1 – Oostzijdse Pakhuizen] 

[1923] Sedert werd in 1913 deze [Oudheidkundige] Commissie uitgebreid tot een Oudheidkundigen Dienst in Indië, welke taak zich bovendien uitstrekt over Mohammedaansche, Chineesche en Europeesche oudheden van den geheelen archipel. Talrijk zijn de oude monumenten, in vervallen staat, maar voor een deel van groote schoonheid en waarde, aan de zorgen van technici van dezen dienst toevertrouwd. Vooral ook onze eigen oude vestigingen uit den Compagnie’s tijd vereischen eene reddende hand voor hare bewaring en haar herstel. Vandaar dat het tot stand komen van deze nieuwe Regeeringszorg in dezen tijd toejuiching verdient in breede kring.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 385

[Jakarta 6 – Middelbare] 

[1923] Voor het handelsonderwijs bestaat sedert 1906 aan de Kon. Wilh. School – na de reorganisatie van 1911 aan de Prins Hendrikschool – een tweejarige handelsdagschool; te Soerabaja sedert 1914 een driejarige handels-avondcursus van particuliere zijde, terwijl later ook te Semarang een handelscursus is opgericht.
Niet tot de laatste kwarteeuw beperkt is voor Indië het zeevaartkundig onderwijs. Van 1743 tot 1755 bestond te Batavia de ‘Académie de marine’; daarna te Semarang een Marine-school voor de zeevaart, de artillerie en de genie, die na 1808 tot de opheffing in 1826 als Militaire school bijna alleen landofficieren afleverde. In 1909 werd eerst weer aan de K.W.S. (1911: P.H.S.) een cursus voor zeevaartkunde ingericht, in samenwerking met de Gouvernementsmarine en de Kon. Paketvaart Mij. Eerst werd deze cursus bijna niet bezocht, maar thans schijnt er meer toeloop te zijn. Van meer belang is de in 1916 opgerichte Kweekschool voor Inlandsche schepelingen te Makassar, waar ook Nederlandsch wordt onderwezen en die bijna alleen door Menadoneezen en Amboneezen wordt bezocht.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 385-386

[Semarang 2 – Soldatenkinderen] 

Iedere Indische oudgast herinnert zich de Pupillenschool en het Korps Pupillen, in 1847 opgericht te Kedoeng Kebo (bij Poerworedjo), in 1854 verplaatst naar Gombong, bestemd om Europeesche soldatenkinderen op te leiden voor den militairen stand en hen ambachten te leeren. Zij werden toegelaten op den leeftijd van 7 – 10 jaar en gingen op hun 18de jaar over naar het leger. In 1897 werd bepaald, dat zij, die beneden 12 jaar waren, geplaatst zouden worden in bestaande liefdadigheidsgestichten; die van 12 – 16 jaar werden verder opgeleid te Gombong en de ouderen werden bij het leger gedetacheerd. In 1912 werd het Korps Pupillen opgeheven; de jongens gingen als Gouvernementspupillen over naar genoemde gestichten, voorzoover zij niet bestemd waren voor den cursus voor leerling-opnemer en -teekenaar bij den Topografischen Dienst; op 17 jaar konden zij dan overgaan tot het leger.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 386-387

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 
[Jakarta 7 – Inlandsche rechtsschool] 

Voor de opleiding van Inlandsche bestuursambtenaren bestonden in 1898 nog alleen de ‘Hoofdenscholen’ (sedert 1878) te Bandoeng, Magelang, Probolinggo en Tondano [Noord Celebes]. In 1900 werden de drie eerste omgevormd tot ‘Opleidingsscholen voor Inlandsche ambtenaren’ (Osvia) met groote uitbreiding van het leerplan. Die te Tondano werd later een Mulo-school.
Daarna zijn Osvia opgericht te Serang, Madioen, Blitar, Makassar (tevens Kweekschool voor ond.) en Fort de Kock en te Meester Cornelis een Leergang voor bestuursambtenaren voor Zuid-Sumatra.
In 1914 werd opgericht de Bestuursschool te Weltevreden voor de opleiding van Gezaghebbers bij het Binnenl. Bestuur en de verdere opleiding van reeds in functie zijnde Inlandsche bestuursambtenaren.
Deze instellingen tellen tezamen ver over de 800 leerlingen [1922]. De leerlingen der Osvia op Java ontvangen in de laatste twee leerjaren eene hoofdzakelijke rechtskundige opleiding. Gelegenheid tot voortzetting der rechtsstudie vinden degenen, die meer in het bijzonder bij Inl. rechtbanken zullen werkzaam zijn, op de in 1909 opgerichte Opleidingsschool voor rechtskundigen (Ovir), die ook na instelling van hooger juridisch onderwijs als Middelbare Rechtsschool zal blijven bestaan. Op ult. 1920 studeerden hier 79 jongelui van Java en 13 van Sumatra.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 387-388

[Bandung – Kweekschool] 
[Jakarta 7 – CAS] 

[1923] Voor opleiding van Inlandsche Gouvernementsonderwijzers vond men in 1898 nog alleen de Kweekscholen voor Inl. onderwijzers te Bandoeng, Djokjakarta, Probolinggo, Fort de Kock en Ambon, zonder Hollandsch op het leerplan en niet meer dan tezamen 180 leerlingen, benevens eenige Zendingskweekscholen.
Het was toen een tijd van reactie op het gebied van Inlandsch onderwijs. Tevoren waren er (van 1851 af) zelfs 9 kweekscholen geweest, mèt Hollandsch. Omstreeks 1906 kwam voorgoed de sterke uitbreiding, gepaard met differentiatie. De bestaande kweekscholen kregen een telkens uitgebreider leerplan en daarnaast kwamen eenvoudiger inrichtingen voor de opleiding van personeel voor de scholen der 2de klasse en de volksscholen, waar geen Hollandsch wordt onderwezen. De diploma's van Inl. kweekeling en hulponderwijzer voor niet-aan-een-school-opgeleiden zullen verdwijnen; evenzoo de als noodmaatregelen bedoelde normaalcursussen e.d.g., waar in middaglessen Inl. onderwijzers uit de buurt les gaven. Men heeft daarmee meer systeem verkregen en meer gelijkvormigheid en bovenal het groote voordeel dat alle leerkrachten een opvoedingstijd doormaken in de aan opleidingsrichtingen van dezen en soortgelijken aard bestaande internaten. Toch is er plaats voor twijfel of men de zoo sterk verscheiden deelen van Indië's eilanden en volken niet te veel heeft geschablonizeerd en gecentralizeerd.
Men heeft nu voor de opleiding van openbare Inlandsche onderwijzers in 't algemeen 4 graden:
a. de Hoogere Kweekscholen te Poerworedjo (1914) en Bandoeng (1920), aansluitend aan de Kweekscholen, uitsluitend voor personeel aan Holl.- Inl. scholen, elk voor 75 leerl. (w.o. enkele meisjes) in 3 jaarklassen.
b. 12 Kweekscholen, 8 op Java, 4 op de Buitengewesten, w.o. één (Salatiga) uitsluiten voor meisjes. Ult. 1920 telden deze 746 leerl., w.o. 113 meisjes en 56 leerkrachten w.o. 37 Europeanen. De meeste abiturienten komen aan de Holl.- Inl. scholen.
c. Normaalscholen, waarvan 15 op Java; van deze zijn er 3 op Java en 2 daarbuiten uitsluitend voor meisjes bestemd. Als regel wordt hier geen Nederlandsch onderwezen en is alleen de directeur een Europeaan. De cursus is vierjarig. Ult. 1920: 1210 jongens- en 222 meisjesleerlingen. Deze inrichtingen leveren het personeel voor de Inl. scholen der 2de klasse.
d. Ter opleiding van personeel voor het volksonderwijs bestonden ult. 1920 op Java 88 en op Sumatra 13 leergangen. [...]
De bijzondere inrichtingen voor opleiding van Inl. onderwijzers volgden hetzelfde spoor en conformeeren zich meer en meer naar de schooltypen genoemd onder a., b. en c. Op Java vindt men nu 4 bijzondere Kweekscholen van het niveau der Rijkskweekscholen, w.o. 3 van Zending en Missie en de Neutrale Kweekschool te Weltevreden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 388

[Bandung – Van Deventerschool]

Van het type der Gouvernementsnormaalscholen zijn nu 10 inrichtingen op Java en 10 op de Buitengewesten. Hieronder behooren de neutrale Meisjesnormaalschool te Bandoeng van de Van Deventer-stichting (met Nederlandsch) en de in een Kweekschool voor Fröbelonderwijzeressen omgezette meisjeskweekschool te Mendoet van de R.K. Missie. Deze particuliere 'kweekscholen op Normaalschool-niveau' telden ult 1920 een getal van 893 leerl. w.o. 124 meisjes en 26 Europ. en 57 Inl. leerkrachten. De hier genoemde Van Deventer-stichting staat in nauwe verbinding met de bekende Vereeniging 'Kartinifonds', opgericht in 1913 te 's Gravenhage. Deze heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt door de oprichting van neutrale Inlandsche meisjesscholen. Zij stelt zich tot ideaal naast den ontwikkelden Inlandschen man gelijkwaardige Inlandsche vrouwen en moeders te vormen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 391

[Bandung 2 – H.B.S.] 
[Semarang 2 – Burgerschool] 

In 1898 had Indië al een goed Middelbaar Onderwijs voor de Europeanen in de overvolle Hoogere Burgerscholen met 5-jarigen cursus te Batavia, Semarang en Soerabaja, volkomen naar het Hollandsche model, benevens eenige inrichtingen voor voortgezet onderwijs voor meisjes.
Afziende van de vermelding van vroegere pogingen om voortgezet onderwijs te verschaffen aan de Europeesche jeugd in Indië noteeren wij dat te Batavia in 1860 werd opgericht het Gymnasium Willem III, dat eigenlijk nooit een volledig gymnasium is geweest. In 1867 vond de reorganisatie plaats, waarbij werd gevormd de Afd. A als een gewone H.B.S- 5 en de Afd. B de [...] Afd. voor Ind. T., L. en V. [taal-, land- en volkenkunde voor a.s. bestuursambtenaren]. Sedert 1913 heet deze school nu gewoon: H.B.S. met 5-jarigen cursus Willem III. [...]
In 1875 werd opgericht de H.B.S.-5 te Soerabaja, in 1877 die te Semarang. In 1915 kwam de 4de H.B.S.-5 tot stand te Bandoeng. [...]
Wij [vermeldden] reeds de oprichting in 1906 van de H.B.S. met 3-jarigen cursus te Weltevreden, genaamd Koningin Wilhelminaschool, die sedert 1911 als H.B.S.-3 Prins Hendrikschool heet.
Deze 5 Gouvernements H.B. scholen zijn kolossale inrichtingen geworden. Op ult. 1920 telden zij 2464 leerlingen en 174 leeraren. Voor die te Weltevreden, Soerabaja en Bandoeng moesten zelfs filialen worden bijgebouwd (in een ander stadsgedeelte), omdat de bestaande lokalen geen plaats meer boden en van eigenlijke leiding van scholen met over de 700 leerlingen geen sprake kan zijn. Deze scholen zijn in organisatie, leerplan, bevoegdheidsverleeningen enz. geheel gelijk aan de gelijknamige inrichtingen in Nederland. Alleen zou men kunnen zeggen, dat zij meer dan deze worden bezocht door leerlingen, die in Nederland eene verwante of meer specialiseerende school zouden bezoeken. Zij dienen dus voor de behoeften van de Nederlanders in Indië. Toch waren de percentages niet-Nederlandsche leerlingen einde 1920 nog: Bandoeng 11%, Batavia 14%, Soerabaja 17%, Semarang 27 %, Prins Hendrikschool 20%. Naarmate het voor ‘Indiërs’ passende M.O. doorwerkt zullen deze percenten kleiner worden.
Verder zijn er nog een zevental particuliere H.B. scholen met 3-jarigen cursus en een met 5-jarigen cursus, met ongeveer 400 leerlingen. Wij leerden deze instellingen al kennen als gevende eene (goede) vóóropleiding voor het examen van onderwijzeres en daarin grootendeels haar bestaansreden vindend. Deze scholen gaan uit van R.K. Zusters, van eene Vereeniging voor neutraal onderwijs en van orthodox-Protestantsche zijde.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 437-438

[Bandung – Landraad]

[1923] De publieke belangstelling in Indië is geruimen tijd in beslag genomen door de behandeling van de zaak Nji Anah voor den Landraad te Bandoeng. Nji Anah was op de berg-onderneming 'Tjikembang' huishoudster van den heer G. Toen deze op een avond huiswaarts keerde, zag hij een Inlander zijn kamer verlaten en hij zond daarop zijne huishoudster heen. Toen werden alle middelen aangewend, welke de Inlandsche wereld kent om de genegenheid voor eene vrouw te doen herleven. Het slachten van een zwarte kip, het begraven van dierendeelen, het planten van levenbrengende stekken, het spuwen van gekauwde sirih, het sprenkelen van riekend water, waarover tooverwoorden gepreveld waren, het mengen van afgeveild nagelgruis in dranken – al deze door doekoens en wijze oude vrouwen aanbevolen handelingen werden volvoerd rondom dien nietsvermoedende planter, zooals nu eenmaal in Indië zich de wonderlijkste dingen om iemand kunnen voltrekken, sluiks en stil, zonder eenig vermoeden ervan te wekken.
De middelen echter baatten niet. En er werd warangan gekocht aan een waroeng. Dat is arsenicum, die hier in ruwen vorm allerwege voor een ieder op de pasar is te koopen; tien maal de doodelijke dosis voor een dubbeltje *). En het vergif werd door de verstooten Nji Anah gestampt in een vijzel en daarna aan Nji Antimah gegeven, die het mengde in de ochtendmelk van den heer G. Deze overleed twee dagen later onder verschrikkelijke pijnen en de doktoren constateerden de arsenicum vergiftiging.
Dat was in Maart 1922. Bij het vooronderzoek, voor den assistent-wedana en voor den mantri der politie en voor den assistent resident en later ook, toen de zaak voor den Landraad kwam, bekenden de getuigen: de man Dana had overspel gepleegd met Nji Anah en de baboe Nji Antimah had op haar last handelend het vergif den bedrogene toegediend. Waarop de Landraad Nji Anah veroordeelde ter dood.
In het vonnis echter was een fout geslopen en de Raad van Justitie vernietigde het en gelastte herbehandeling door den Landraad. De lange tijd, die voor het nieuwe onderzoek noodig was, werd echter door de leiders van de meest linksche politieke Inlandsche groepen , door den onderwijzer Meijer namelijk en door dr. Tjipto en vele anderen, benut om van de zaak in Inlandsche bladen en op volksvergaderingen een voorstelling te geven, waarin Nji Anah werd opgevoerd als slachtoffer van het concubinaat en eigenlijk ook van de rechtspraak in Indië. Er wierp zich een verdediger op en toen de zaak opnieuw in behandeling kwam was er zooveel beweging, dat duizenden het Landraadsgebouw omringden.
En de getuigen bleken, op de raadselachtige wijze, die men vooral bij dergelijke echt-Inlandsche zaken kent, eensklaps teruggekomen te zijn op hetgeen zij tot viermaal toe onder eede hadden verklaard. De hoofdgetuige zelfs, Nji Antimah, die men den soempah pangimbaran had laten afleggen, de plechtigste eed, die de Mohammedaan kent, kwam terug op alles wat zij had verklaard en zij beschuldigde zelfs, hetgeen al evenzeer bij groote Inlandsche rechtszaken een bekend verschijnsel is, den assistent-wedana en den politieman van bedreiging.
Thans is de geheele Nji Anah-zaak voor een drietal maanden uitgesteld, omdat Nji Antimah vervolgd wordt wegens meineed. Van het verder verloop van de zaak tegen Nji Anah, die zoo een diepen blik gegund heeft i het Inlandsch leven van het koele land der Soendaneezen, kan niets voorspeld worden, dan dat in elk geval geen doodvonnis aan haar zal worden voltrokken
*) zie ook [Van Maurik – Indrukken van een Tòtòk, 16, 17-18] 

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 517 

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Welk equivalent bezitten wij eigenlijk in het Nederlandsch voor onze Bataviaschen Pasar Gambir? Hebben we ons dikwijls afgevraagd. Een soortement van pasar-malem? Maar daarvoore is het Europeesche element in het bezoekerstotaal en onder de stand-houders veel-en-veel te groot.
Een Jaarmarkt dan? Dat klinkt veel te zakenachtig, omdat de bezoekers en bezoeksters naar den Pasar Gambir tijgen voornamelijk om eens vroolijk te genieten.
Een Jaarbeurs? Ai, ziet, lezer, daar kent ge den practischen Batavia-bewoner gansch niet goed genoeg voor. Wij houden van een Haagsch vleugje, in onze hôtels en andere amusementsplaatsen, dat we als een aangenaam hors d’oeuvre van het leven hebben leeren beschouwen. Maar die neiging doet ons aan den anderen kant niet uit het oog verliezen de werkelijke proporties van Indische toestanden en begrippen.
Maar wat dan?
Het best hebben we ons altijd bevonden bij een vergelijking met een dood-eenvoudige Hollandsche kermis. Het ‘Hollandsche’ schrappen we en dan houdt ge precies onzen Pasar Gambir over, met een klein sausje van koopmansgeest eroverheen gegoten. Niet te veel, daar dit de stemming zou bederven.
Doch het aller-merkwaardigste van de heele geschiedenis ligt wel in het feit, dat alle bewoners van ons braaf stedeke, ongeacht van welken landaard zij ook mogen zijn, met evenveel genoegen en in dichte drommen Pasar Gambirwaarts tijgen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 566-567, 573

[Jakarta 7 – Gas] 

[1923] Woning van den directeur der gasfabriek [daarachter lag, aan de Tjiliwoeng, de elektrische centrale] […]
Inmiddels was reeds op 1 Oct. 1905 in handen van de N.I.G.M. [Nederlandsch Indische Gas-Maatschappij] overgegaan de concessie, die in 1897 aan de N.I. Electr.-Mij. was verleend voor de exploitatie eener electrische centrale te Batavia. De concurrentie van het gas dwong de jonge maatschappij haar concessie aan de oudere mededingster over te doen. Deze zag zich spoedig geplaatst tegenover een drang tot vergrooting van het kracht-stroom-verbruik, die uitbreiding van de centrale noodzakelijk maakte, hiertoe kon echter eerst worden overgegaan, nadat lange onderhandelingen met de Regeering en met den Gemeenteraad van Batavia hadden geleid tot een nieuwe concessie, in 1913 voor den duur van veertig jaren toegestaan, die gerekend wordt op 6 Nov. 1953 te zullen eindigen. […]
Ter voldoening aan een contract, door de maatschappij met het havenbestuur van Tandjoeng Priok gesloten tot levering van alle benoodigde electrische energie voor de exploitatie dezer haven, werd van de centrale naar Tandjoeng Priok een dubbele kabelverbinding gelegd en op het haventerrein een transformatorenstation gebouwd, van waaruit de verdere stroomverdeeling over het haventerrein plaats had. De uitbreiding van 1913 werd dusdanig ruim opgezet, dat zij een reeks van jaren voldoende bleek.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 590-594

[Yogyakarta 1 – Kraton] 

Ten anderen hebben de Europeanen hun Latijnsch letterschrift in Indië gebracht en dat toegepast op de Inlandsche talen, zoowel op de weinige, die een literatuur en een letterschrift bezitten, als op de groote meerderheid, die deze zaken missen. [...] Nu is dat Latijnsche letterschrift weinig geschikt om de klanken in die talen weer te geven, zonder een aantal tekentjes boven of onder of achter de ons bekende letters te stellen, waarvan de uitspraak dan weer bij onderlinge afspraak moet worden vastgesteld. [...] maar als dat wat algemeen zou worden doorgevoerd kreeg men zeker een staking onder de letterzetters [...]
Nu is het niet zóó gelegen, dat de voor Indische talen gebruikte letterteekens, toch óók uit den vreemde afkomstig, alle zooveel beter de uitspraak kunnen afbeelden dan de Latijnsche – met het door de Maleiers overgenomen vereenvoudigde Arabische schrift is dit bijv. zeer zeker niet het geval – maar de Inlander staat er ànders vóór dan de vreemdeling. De eerste kènt de namen en behoeft die bij het lezen slechts uit de lettertekens te herkennen, de laatste moet de namen en derzelver goede uitspraak uit de letterteekens opdiepen. [...] Ten derde schreven Europeanen de namen op zooals zij die meenden te hooren en dus vaak zéér verschillend. [...] Men kreeg dan ook, soms van denzelfden auteur, allerlei schrijfwijzen te zien. [...] Djokjakarta, Djokjakarta, Djogjakerta, Jogjakerta, Jogyakarta enz. Zoek maar uit. [...]
Dan heeft men nog die kwestie van de klinkers: een a, die een klank heeft tusschen een heldere a en een doffe o in, die lijkt op de a zooals die ten onzent wel dialectisch luidt (vaoder), maar korter, zooals in bepaalde gevallen in het Javaansch en in het Minanngkabausch Maleisch, maar ook weer niet in het geheele Javaansche en Minangkabousche taalgebied [...]; of een oe, die tusschen onze korte o en onze oe rondzwemt, zoodat men zoowel Tandjoeng Prioek als Tandjongpriok [...] ziet. [...]
In ’t Javaansch beoosten de lijn Keboemèn-Dijèng-Pekalongan schrijft men trouw Soerabaja, Soerakarta, Salatiga, Ambarawa, Jogjakarta [...] met gewone a’s, maar even trouw daarnaast Probolinggo, Poerworedjo, Wonosobo met o’s, hoewel de onderstreepte letters alle de zelfde Javaansche klank voorstellen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 605-608

[Bandung – Van Deventerschool]

[1923] Het vijfjarig bestaan der Van Deventer-School te Bandoeng
De Van Deventer-scholen zijn als 't ware kinderen der Kartinischolen met dien verstande, dat de laatste Lagere scholen zijn, geschoeid op de leest der H.I.S. en de eerste 2de scholen met M.U.L.O. zijn en voor de hulpacte opleiden. Doch niet voor de hulpacte alleen!
De meisjes die de Van Deventerschool doorloopen hebben zullen pioniersters, propagandisten, baanbreeksters worden voor betere begrippen omtrent huishouding, hygiëne en kinderverzorging in de kampoeng. Deze meisjes worden dus voor iets beters klaar gemaakt dan voor een baantje alleen; zij krijgen eenmaal eene roeping tegenover hun landgenooten te vervullen en de zorgvuldige keuze èn van het leerplan èn van de onderwijzeressen, die haar de kundigheden zullen bijbrengen, zijn ons borg, dat deze opleiding vrucht moet dragen.
Reeds in de eerste klasse begint het onderwijs in de behandeling der wasch, want daar bijna alle huishoudelijke bezigheden door de meisjes zelf gedaan worden en de wasch nu eenmaal een integreerend deel van eene Indische huishouding is, moeten zij daar wel vroeg mee beginnen. In de 3de en 4de klassen begint het onderricht in 't koken, zóó, dat de leerlingen in 't 4de jaar onder toezicht en leiding der juffrouw van de huishouding en bijgestaan door eenige kokki's het middagmaal voor hunne medeleerlingen kunnen bereiden.
In de 4de klasse worden de meiskes ook belast met de verpleging hunner zieke kameraadjes en leeren zoodoende wat feitelijk iedere huisvrouw van verpleging weten moet. Dat in ernstige gevallen gediplomeerde hulp ingeroepen wordt, spreekt wel van zelf.
Het huiswerk doen de leerlingen zelf; zij worden daartoe in ploegen verdeeld, die elkaar op gezette tijden afwisselen, zoodat zij telkens een ander onderdeel van het werk leeren doen. In 't 4de jaar gaat de eene helft der meisjes als kweekelinge les geven op een der scholen van half 8 – 11; de andere helft is dan in de keuken bezig, terwijl voor beide om elf uur weer het schoolonderwijs aanvangt.
Hoezeer de bevolking deze wijze van opleiding op prijs stelt, blijkt wel uit het feit, dat er ieder jaar voor de 24 beschikbare plaatsen gemiddeld honderd candidaten zijn.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 669

[Jakarta 2 – Gamelan] 
[Yogya 1 – Gamelan] 

Het Javaansche orkest, de gamelan.
Voor een volledig orkest, dat trouwens tegenwoordig niet veel voorkomt, worden vier en twintig spelers vereischt, die vooral onderscheiden soorten van slaginstrumenten bespelen, maar verder ook schud-, snaar- en blaasinstrumenten. Zij worden door een orkestleider, die eene tweesnarige, staande viool, de rebab, bespeelt, aangevoerd en allen zijn erop aangewezen hun aandeel in de partij uit het hoofd ten beste te geven.
Daardoor ontbreekt dan ook een notenschrift, zooals wij dat kennen; eerst in den laatsten tijd ontstaat in intellectueele kringen het streven, om de Indische muziek door middel van zulk een schrift vast te leggen. Tot dusver moeten de muziekanten de stukken door toehoren en oefenen leeren uitvoeren.
De eigenaardige wijze van samenspelen bij zulk een orkest heeft nu op de volgende wijze plaats. De rebabspeler speelt het thema en met een fluit wordt dit versterkt, maar reeds eenigszins geparaphraseert. Alleen deze twee instrumenten zijn de dragers van de melodie, maar tegenover de andere slechts zwak van geluid. Daarnaast treden zes verschillende slaginstrumenten op, die zich bij den rhythmus van het stuk aansluiten en in zooverre de melodie volgen. Daarbij valt hun evenwel de rol toe door het ten gehoore brengen van eigen rhythmische figuren leven en beweging aan het muziekstuk te verleenen. Ook door hun luiheid overheerschen zij bij de uitvoering sterk. De arme melodie kan slechts zoo nu en dan, als het ware met een hand boven water, zich doen hooren en bewijzen, dat zij in deze zee van tonen niet geheel en al verdwenen is.
Behalve door deze van onze orkesten zoo sterk verschillende wijze van samenspel verschilt de Javaansche muziek ook nog door eene andere indeeling der octaven, zoodat het Europeesche oor inderdaad heel wat aanpassing zich dient eigen te maken, voor het in staat is zulk een gamelanspel te hooren en te waarderen, zooals de muzikale Javanen zulks doen.
Deze stellen aan reinheid der stemming van de verschillende instrumenten hooge eischen; als maatstaf daarvoor neemt men in de Vorstenlanden oude houten staven, zooals die op enkele der gamelan-eenheden voorkomen.
Welk een rijkdom van muziekstukken in den loop der tijden is ontstaan en bewaard gebleven, ondanks het feit, dat slechts het geheugen der menschen ze konden onthouden, blijkt wel daaruit, dat men in Djokjakarta een 300 der meest gebruikelijke heeft. Vele van deze hebben eene bijzondere bestemming; zij dienen bijv. voor de begroeting of het uitgeleide doen van gasten, worden ten gehore gebracht bij het optreden van dansers of danseressen of bij het aftreden van dezen. Andere stukken vervroolijken met hun opgewekten klank de geneugten van een maaltijd of geven de melodieën aan bij het plechtige optreden der serimpi’s of bedaja’s.
Zeer veelvuldig is het samenspel met de wajang-opvoering en met het wisselen der bedrijven van deze verandert ook de gamelan haar aard en kleur der tonen; sommige behooren bij het optreden van een held, andere verlevendigen den indruk van een strijd. Ook kan het echter voorkomen, dat de gamelan den marsch van een pradjoerit-korps moet begeleiden of wel een aantal bedienden, die bij plechtigheden de spijsoffers hofwaarts moeten brengen. Een ander maal dient zij om een strijdenden buffel aan te sporen of om een stervenden tijger op de kampplaats nog te verschrikken.
Zoo blijkt het wel, dat men voor eene ware beoordeeling zich moet hebben ingeleefd in deze muziekwereld en alleen dan de ten gehoore gebrachte stukken en de instrumenten naar den eisch genieten kan.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 675-678

[Bandung – Van Deventer] 
[Bandung – Van Deventerschool] 
[Jakarta 6 – Hollands-Inlandsche scholen] 

We kunnen de geschiedenis van het speciale onderwijs voor Inlandsche meisjes het beste laten beginnen met het streven van Radèn Adjeng Kartini, de begaafde regentsdochter van Djapara, later regentsvrouwe van Rembang, geboren 21 April 1879 en op slechts 25-jarigen leeftijd overleden op 17 September 1904. Zij bezocht tot haar twaalfde jaar de Europeesche school te Djapara. Bij het opwassen gloeide in haar de lust tot het ontwikkelen van de Javaansche vrouw en het hervormen van het Javaansche gezin. Het jeugdige meisje kon echter in haar tijd en omgeving weinig rechtstreeks doen voor haar idealen, zelfs niet eenmaal verder studeeren en volgens haar hartewensch onderwijzeres worden. Haar directe actie beperkte zich tot het oprichten, met haar beide zusters Radèn Adjeng Roekmini en Radèn Adjeng Kardinah, van een schooltje voor kleine meisjes in de ouderlijke keboepatèn. Haar zusters en andere adellijke Javaansche dames hebben dit werk voortgezet en zoo ontstonden er meer van die kaboepatèn-schooltjes voor meisjes, schooltjes die van stonde aan, hoe eenvoudig ook, meisjesscholen waren, omdat bijzondere vrouwenvakken er werden onderwezen. Maar, zooals het meer gaat, een schijnbare kleinigheid leidde na haar dood tot eene ruime en vruchtdragende verbreiding harer ideeën.
Kartini had in de jaren van 1900 tot haar dood briefwisseling aangehouden met gelijkgestemde en met haar idealen sympathiseerende Europeesche vriendinnen en vrienden. Een dezer, Mr. J.H. Abendanon, kwam op de gedachte de daarvoor geschikte brieven en gedeelten daarvan in het licht te geven en zoo verscheen in 1911 'Door duisternis tot licht'. Men kan gerust zeggen, dat dit boek, dat herhaalde malen herdrukt werd, geholpen door den geest des tijds, den grooten stoot heeft gegeven tot het ter hand nemen van de zorg voor speciaal onderwijs voor Inlandsche meisjes. De naam Kartini werd het symbool der beweging; de neutrale Inlandsche meisjesscholen kregen den naam Kartinischolen, zooals men spreekt van Fröbel- en Montessoriescholen; de vereenigingen, die de nieuwe idealen tot realiteit omzetten, noemden zich naar haar naam. Zóó leefde haar geest voort na haar dood. [...]
In 1900 stelt de Directeur van Onderwijs, [...] Mr Abendanon, een onderzoek in naar de behoefte aan meisjesonderwijs op Java en Madoera. De uitkomst is teleurstellend; geconstateerd wordt, dat die behoefte eigenlijk niet bestaat en dat de Javaansche adat zich tegen meisjesonderwijs verzet. [...]
In 1909 stelt de Directeur van Onderwijs Mr. Dr. Koster andermaal eene enquête in naar de zaak. Het blijkt nu, dat het vooraanstaande deel der Inlandsche maatschappij in hoofdzaak voor de gedachte aan verder gaand meisjesonderwijs is gewonnen. Mr.C. Th van Deventer vooral draagt deze gedachten verder uit. De volgende Directeur van onderwijs Dr. Hazeu brengt de zaak bij de Regeering voor. Deze meent, dat voorloopig aan het particulier initiatief in deze ruim baan moet worden gelaten, teneinde langs dien weg te komen tot de noodige ervaring omtrent den te volgen weg.[...]
Op 27 September 1915 overleed Mr. Van Deventer. Als hulde aan de nagedachtenis van dezen strijder voor Indië werd door de Vereeniging 'Kartinifonds' een Fonds gesticht, onder den naam 'Mr. C.Th. van Deventer-Stichting' en bedoelende: 'De bevordering van het voortgezet onderwijs voor Inlandsche meisjes in Nederlandsch-Indië'. Op 27 Juni 1917 trad de Stichting in werking. De Raad van Beheer der Vereeniging 'Kartinifonds' is belast met het beheer der stichting.
Van het begin stelde zij zich op het standpunt dit voortgezette meisjesonderwijs te zoeken [in het opleiden van onderwijzeressen, die sturing geven] in de voorbereiding van de meisjes voor haar wachtende taak als echtgenoote en moeder, en niet in eene eenzijdig-intellectualistische vorming. [...]
Toen de Van Deventerstichting haar taak zou aanvangen, sprak inmiddels ook de Regeering zich uit omtrent haar wenschen en plannen inzake meisjesopleiding. Ook zij meende dat de vrouw, om aan haar kinderen de gewenschte opvoeding te kunnen geven, wel kennis van het Nederlandsch noodig had, maar dat bij haar de harmonische ontwikkeling van geest en hart van meer waarde is te achten den dorre Westersche taalkennis. Zij wilde – het bestaansrecht der Kartini-scholen zooals zij bestaan erkennende – meisjesscholen op de basis der Inlandsche 2de klasse scholen en daarna eene opleiding met eenvoudig Nederlandsch, waarbij een groote plaats is ingeruimd aan de huishoudelijke vakken. Ook de Kartinivereeniging sprak het uit, dat zij naast het hoogere type van meisjesscholen datzelfde meer eenvoudige en doelmatige type wenschte.[...]
Zeker, Europeesche onderwijzeressen voor de Inlandsche meisjesscholen kan men altijd genoeg krijgen, maar het is eene algemeene overtuiging, dat het, met alle waardeering voor de door Europeesche dames betoonde toewijding en belangstelling in de opvoeding der Inlandsche meisjes, de voorkeur verdient, dat die opvoeding ligt in de handen van hoog staande Inlandsche vrouwen zelve. [...]
Scholen met zeven jaarklassen [HIS] eischen natuurlijk meer onderwijzeressen en kosten dan de gedachte scholen met korte, speciale meisjesopleiding nà de eenvoudige, lagere school en zoo kunnen deze laatste een véél uitgebreider kring van aanstaande Javaansche huisvrouwen ten goede komen, ook aan die, welke niet wonen op groote plaatsen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 678

[Bandung – Van Deventerschool]

De Van Deventer-vereeniging voor West-Java, 20 April 1918 te Batavia opgericht, opende in October 1918 de Van Deventerschool te Bandoeng en in 1919 werd het gebouw voltooid en plechtig ingewijd.
Deze school stelt zich ten doel de opleiding van Inlandsche hulpoonderwijzeressen.
Zij sluit aan bij de Inl. school der 2de klasse, de cursus is vierjarig. Per klasse worden 's weeks 5 lesuren in het Nederlandsch gegeven; verder 6 uren Soendaasch, 5 uren Maleisch, 13 uren aan andere gewone schoolvakken; teekenen, zang, paedagogiek, handwerken, batikken, wasschen, strijken, koken en spel staan verder op het leerplan.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 790-793

[Bandung – Regent] 

Dinsdagmorgen 22 Januari [1924] stroomden reeds zeer vroeg de inlandsche hoofden met hunne echtgenoten naar de Bandoengsche regentswoning aan den Aloen-Aloen om tegenwoordig te zijn bij de verlening van den Adipati-titel aan hun hoogste chef. De pendopo aldaar was met groen en witte margrieten versierd, terwijl zich in het midden de buste van de Koningin bevond. [...]
Een eerewacht van de veldpolitie sloot den ingang van de pendopo af, terwijl de muziek van het 15e bataljon, welke voor de bureaux was opgesteld, het Wilhelmus inzette, toen de Resident en de Legercommandant verschenen.
Resident Eyken sprak daarna als volgt:
'Hooggeachte regent. De Regeering heeft U den Adipati-titel verleend en dat is eene erkenning van Uwe verdiensten als Regent. [...]
De nieuwe Adipai sprak als volgt:
'Hooggeachte Resident, Dankbaarheid laat zich moeilijk uiten en ik ben dan ook niet in staat, om in juiste bewoordingen mijn gevoelens van welgemeenden dank kenbaar te maken. Een ding is zeker, Resident, U moge overtuigd zijn van mijn gevoelen en U zult mij ten zeerste verplichten, door aan de Regeering mijn diepe erkentelijkheid over te brengen voor Hare daadwerkelijk getoonde waardeering, welke door mij op zeer hoogen prijs wordt gesteld.
Want niet alleen, dat ik als mensch wel eens behoefte heb aan bijzondere waardeering voor mijn arbeid – een stimulans, om met blijmoedigheid de mij opgelegde plichten te kunnen blijven vervullen – maar ook het feit, dat vanaf 18 Januari 1788 reeds zes achtereenvolgende Regenten van Bandoeng uit mijn geslacht de onderscheiding Adipati hebben verworven, maakt dat ik – en met mij al mijne familieleden – deze onderscheiding hooglijk apprecieer.
Dat 't Regentsambt in deze bewogen tijden heel veel moeilijkheden met zich medebrengt, is, wij weten 't allen, een vaststaand feit, waaraan wij, ik zou haast zeggen, dagelijks worden herinnerd.
Ik behoef te dien opzichte nauwelijks aan te stippen de groote moeilijkheid om de Inlandsche beweging i.c. den drang naar meer medezeggenschap in het landsbestuur binnen zuiver omheinde perken te houden of hieraan leiding te geven.
Meer dan lastig is 't om hier leidend of bemiddelend op te treden, omdat eenerzijds het 'toegeeflijk zijn' vaak gretig wordt aangegrepen, om vergedreven en onbezonnen acties te voeren, terwijl anderzijds een al te streng afkeuren der ideeën, of een stuiten der handelingen, veelal eene ongewenschte tegenactie uitlokt of bevordert.
Het is echter mijn weloverdachte meening, dat alleen met veel geduld, omzichtigheid en tact hier het goede en noodzakelijke bereikt kan worden. Vooral geldt dit voor de onstuimigen, die nu al willen grijpen naar dat, wat nog mijlen ver van hen wegligt, doch hetwelk de toekomst hun niet alleen zeker eenmaal geven zal, maar hetwelk bij rustige en gepaste actie, ook veel eerder hun deel zal zijn, dan bij een ondoordacht en onbehoorlijk optreden. [...]

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 797-798

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

Een veel grooter nadeel dan de vermindering van het defensiewezen was de toenemende ongezondheid. De aanvankelijk onbeduidende strook gronds tusschen het Kasteel en de zee had zich, onder den voortdurenden slibafvoer der kustrivieren, verbreed tot een alluviaal terrein van 5 à 600 roeden. Behalve de nadeelen voor de scheepvaart schiep deze onverpoosde arbeid der natuur andere en grootere voor de gezondheid der bewoners; de moeraskoortsen schenen te zullen volbrengen wat noch aan de vorsten van Jakatra, Bantam en Mataram, noch aan de concurreerende Engelschen had willen gelukken: den Hollander van dezen grond te verdrijven. Tijdens de schout-bij-nacht Stavorius in 1774 het 'kerkhof der Europeanen' (Batavia) bezocht, stonden de woningen van den gouverneur-generaal en voornaamste overheidspersonen reeds geruimen tijd ledig. Zij waren de besmette atmosfeer ontvlucht; alleen de raadsvergaderingen werden nog in het Kasteel gehouden. De gebouwen werden bewoond door de mindere Comp. ambtenaren; personen, die niet de middelen bezaten om zich in de nieuwe en hooger gelegen wijken, op Molenvliet en Rijswijk, te vestigen. Stavorius schreef daarover:
‘De ongelukkige Comptoir-bedienden, die daarin moeten huishouden, zijn er de slagtoffers van, alsmede de Militairen, die voor een groot gedeelte in de barakken geïnkwartierd zijn en de zeevarenden, die zich op of omstreeks de daar tegenover gelegene Equipagewerf onthouden’.
Op het eind der 18de eeuw, onder het bestuur van den gouverneur-generaal v. Overstraten, was de toestand van dien aard, dat men de kostbare gezondheid der raden van Indië – die er niet woonden, maar er beurtelings nachtdienst hadden – niet langer wilde blootstellen. Het Ned.-Indisch Plakaatboek vermeldde daarover:
‘Daar de droevige ondervinding niet dan maar al te zeer doet zien hoe weinig menschen er gevonden worden, wier gezontheit bestant is tegens de geïnfecteerde lugt in het Kasteel, en van alle, die in hetzelfde hebben dienst gedaan gedurende de blokkade (door een Britsch eskader in 1800) twintig leden van het lichaam der hoge regeering, als alle anderen, tot het gantsche corps pennisten inclusive, niet dan een zeer klein getal bevonden worden, die niet reeds ziek geweest, of noch zijn, zoo is ’t dat’ – enz.
Bepaald werd, dat die nachtdienst vooreerst zou worden opgeschort. Twee leden van het hooge college, de raden Mom en Wiese, hadden er toen eene ‘heete coortse’ opgedaan; een derde, de raad van Indië Fetmenger, had er het leven bij ingeschoten. Acht jaar later, onder Daendels, werden de gouvernementsbureaux uit het Kasteel overgebracht naar het huis op Molenvliet, genaamd Gaanderijenburg, ‘t welk door de regeering voor 35.000 rijksd. gekocht werd van den raad van Indië Van Riemsdijk. In zijn brief van 19 Maart 1809 schreef Daendels aan de minister van koloniën v.d. Heim, ‘dat het zoolang verwenschte Kasteel van Batavia eindelijk door het Gouvernement-Generaal en alle de daartoe behoorende bureaux en bedienden geheel is verlaten en geremplaceerd door eene spatieuse woning aan de Molenvlietsche vaart’. Te voren op den 15den Februari van dat jaar, was het besluit gevallen, dat het Kasteel zou worden ‘gesteld en gelaten buiten onderhoud’; op 28 Maart d.a.v. werd besloten de historische sterkte af te breken en de nog bruikbare materialen aan te wenden voor den bouw van kazernes op de Waterplaats.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, 805

[Jakarta 2 – Rama] 
[Yogya 1 – Expositie] 

Een soort van snijwerk, beter wellicht beitelwerk, heeft zich op Java ontwikkeld, gedragen door het reeds eeuwenoude schimmenspel, de wajang, waarvoor het de à-jourbewerkte figuren van perkament moest leveren. Het zeer hooge standpunt, dat dit handwerk inneemt, is wel aan zijn ouderdom en aan zijne veelvuldige beoefening toe te schrijven. De met deze poppen voorgestelde wajang, de wajang poerwa en de wajang gedog, vooral de eerste, behooren tot de meest geliefde spelen der Javanen en vormen een belangrijk onderdeel van menig huiselijk feest. […]
Men laat de schaduwen van grillig soms monsterachtig gevormde perkamenten poppen vallen op een scherm van wit weefsel, gewoonlijk met een rooden rand en op een houten raam gespannen. Achter dit scherm hangt een koperen lamp en daarachter zit de vertoonder, die tegelijkertijd het verhaal doet van de tooneelen, die hij met zijne figuren voorstelt. Zij vormen te zamen de opvoering van oude heldendichten, die op het licht ontvlambare gemoed der toeschouwers een grooten indruk maken en algemeene belangstelling wekken. Van oudsher zitten de toeschouwers aan de zijde, waar zij slechts de schaduwen der poppen zien; tegenwoordig nemen de mannen ook wel aan de kant van den vertooner plaats.
Het vervaardigen der wajangfiguren boezemt ons hier het meeste belang in. Voor deze fijne lederbewerking is het noodig uitgekozen vellen van buffelkalveren of de nog dunnere van jonge, volwassen runderen te gebruiken. Deze worden op een vierkant raam gespannen, het slijmerige binnendeel er met een mes voorzichtig afgeschrapt, waarbij de gelijkmatige dikte der huid bewaard moet worden en is deze gedroogd, zoo neemt men er ook de haren van weg. Van groot gewicht is het, dat de vetdeelen worden verwijderd door wassching met kalkwater. De verdere bewerking is eigenlijk niets dan het fijnschuren en vlakmaken door middel van slijpsteen, bamboe- en nempelasbladen. Men wenscht de huid doorschijnend en licht geel te verkrijgen, hetgeen men door deze bewerking tot perkament inderdaad bereikt.
De menschen, die de wajangpoppen vervaardigen, doen dit als hun handwerk, waarvoor zij zich trouwens eene bijzondere oefening en bedrevenheid moeten hebben eigen gemaakt. Voor het uitbeitelen plaatst men het vel op een klein houten tafeltje, legt de pop, die nagemaakt moet worden erop, volgt hare verschillende uitsnijdingen en krast die op het onderliggende vel met een scherp puntig ijzertje. Eerst wordt de ruwe omtrek uitgesneden, dan het fijne binnenwerk uitgeslagen, waartoe de maker een vijftien verschillende beiteltjes van allerhande grootte en alle min of meer puntig bezigt. Dit uitslaan geschiedt op een houten aanbeeldje.
Is ook deze bewerking afgeloopen, dan wordt de geheele pop wit gemaakt met de asch van verbrande beenderen, aangemengd met lijmwater. Op dezen witten grond worden nu de gewenschte kleuren aan beide zijden aangebracht, hetgeen de grondstof geheel ondoorschijnend maakt. Dan worden er de handvatsels, die bij de vertooning dienst doen aangemaakt en bovendien moeten de losse ledematen eraan worden bevestigd.
Hoewel het beschilderen bij de beste poppen dikwijls zeer verdienstelijk gedaan wordt, is er in artistiek opzicht toch een groot verschil tusschen de beschildering en de uitgeslagen versieringen. Deze zijn bewonderenswaardig door hare fijnheid en karakteristieke vormen. Het is haast onbegrijpelijk, hoe met luttele, eenvoudig gevormde beiteltjes een dergelijk rijk ‘kantwerk’ ontstaan kan. Het zijn in hun soort meesterstukjes.
Een belangrijk deel van de voortreffelijkheid dezer wajangfiguren is gelegen in de door de traditie geijkte gedaanten, die zij moeten bezitten om de talrijke goden en helden met hunne wederhelften, verder potsenmakers, reuzen van verschillende rang en vele personen meer, voor te stellen. Zij zijn allen van ouds bij het geheele Javaansche volk bekend, vandaar dat welke ook de verschillen mogen zijn in grootte of fijnheid van bewerking, zij aan de kenmerkende trekken der voorgestelde toneelpersonen moeten beantwoorden.

Indië, geïllustreerd weekblad - 7, Bijblad 28-11-23, 8

[Jakarta 1 – Toko Merah] 

Dezer beide panden zijn toen door Van Imhoff voor de Compagnie aangekocht, en hier is de Marine-Academie, die het dreigend verval van de vloot zou moeten tegengaan, tientallen jaren achtereen gevestigd geweest. Maar, het gebouw […] is later in verval geraakt, en de Bank voor Indië heeft dan ook heel wat te restaureeren gevonden, toen zij het voor hare nieuwe instelling in eigendom verkreeg. Dat is geschied naar de aanwijzingen, die dienaangaande konden worden gegeven, en dank zij de nasporingen van Dr. De Haan, den bekenden archivaris […] waren dit er vele.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 9-13

[Bandung 2 – Topografische Dienst] 
[Malang – Aantekeningen]
 

Bij de beschouwing der werkzaamheden van den topografische dienst moeten wij onderscheiden:
A. De terreinwerkzaamheden.
B. De verveelvuldigingswerkzaamheden (officieel zoo genoemd, kortweg de reproductie).
Voor het verrichten der terreinwerkzaamheden, die zich vrijwel over den geheelen Archipel uitstrekken, dienen:
1. Opleidingsbrigade, momenteel in Jogja.
2. Triangulatiebrigade te Weltevreden.
3. Opnemingsbrigades te Bandoeng, Medan, Padang, Bengkoelen, Makassar.
4. Landrente [grond-opbrengst-belasting]-opnemingsbrigades te Bandoeng, Magelang, Malang, Padang. [...]
Hoewel de werkzaamheden der Opnemings- en Landrente-opnemingsbrigades grootendeels nog streng van elkaar gescheiden zijn, zijn maatregelen in voorbereiding en bij enkele brigades reeds ten uitvoer gelegd om in gebieden, waar zoowel topografische- als landrentemetingen moeten worden verricht deze door één en dezelfde brigade te doen verrichten. [...]
De opnemingsbrigades verrichten de topografische detailmeting tusschen de inligging bekende driehoekspunten, voor het behoorlijke verband steeds aansluitend op die punten.
De gemeten terreinen worden door de opnemers in kaart gebracht. Dit zijn de origineele bladen, die ter afwerking en reproductie naar de Topografische Inrichting worden opgezonden.
Waar noodig wordt door de opnemingsbrigades ook aanvullingstriangulatiewerk verricht. De Landrenteopnemingsbrigades verrichten overigens slechts opmetingen op grooter schaal ten behoeve der Landrenteberekeningen.
De schalen, waarop de detailmeting geschiedt en waarop de detailmeting geschiedt en waarop ook de origineele bladen worden gehanteerd, zijn voor de topografische kaart afhankelijk van de economische beteekenis van het gebied. Zoo is de schaal voor in cultuur gebrachte vlakte en heuvelterreinen 1:25.000, voor minder belangrijke gebiedsdeelen en bergterrein 1:50.000, terwijl de uitgestrekte met zwaar bosch begroeide bergstreken in de Buitengewesten nog slechts op een schaal 1:100.000 worden gekarteerd.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 21

[Jakarta 5 – Nitour] 

[1924] Toen ik in ’t jaar 1911 een reis over Java en Sumatra maakte, kon ik constateeren, dat een vrij groot toeristenverkeer, vooral op Java, bestond. Meestal waren het groepen Amerikanen, die een korte trip op Java maakten. Dat zij veel van ons schoone eiland zagen, betwijfel ik ten zeerste. Java is nu eenmaal geen landje, dat men in een 4- tot 10-tal dagen kan ‘bezichtigen’. Toen ik echter in 1922 wederom op Java toefde, bemerkte ik, dat, ondanks den slechten wereldtoestand, het toeristenverkeer zeer was toegenomen. Toch waren het wederom vooral vreemdelingen, welke onze schoone koloniën voor korten tijd bevolkten. De meesten onzer landgenooten halen in den warmen tijd een kouden neus op Tosari of in andere hoog gelegen bergstreken, maar het maken van een flinke trip op Java en daarbuiten behoort nog steeds tot de uitzonderingsgevallen. Wij weten ’t immers, dat vele Oud-Indisch Gasten, die 20 jaren en meer in de tropen hebben gezwoegd, dikwijls zoo ontzettend weinig van ons Indië hebben gezien en als zij in Patria teruggekeerd zijn, niet weten welk ‘paradijs’ zij hebben verlaten. Natuurlijk waren vroeger de communicatiemiddelen niet van dien aard, dat men zonder groote physieke inspanning de eilanden van onze archipel kon bezoeken, terwijl voor personen met een bescheiden beurs daaraan in ’t geheel niet te denken viel. Dit alles is echter in de laatste jaren geheel veranderd. Vooral op Java is het spoor- en tramverkeer uitnemend in orde en kan men vrij gemakkelijk de mooiste streken bezoeken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 35

[Bandung – Staatsspoorwegen]

[1924] De overbrenging van verschillende diensten van de S.S. naar Bandoen vangt vermoedelijk met 1 Juni aan.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 154

[Jakarta 3 – Jacatrasche weg] 

‘Men kan zich’, zoo roemde deze kroniekschrijver [Valentijn] , ‘geen vermakelijker stad in de wereld om te wandelen verbeelden, alzoo men hier langs de gragten niet alleen allerlei, en veel welriekende bloembomen, maar (’t geen men nergens anders zoo vind) die men het geheele jaar door groen heeft. En zoo men geneegen is zijn vermaak buiten de stad te gaan nemen, kan er geen schooner wandeling als langs de weg van Jakatra en zoo verder tot aan de Chineesche graven bedagt werden, alzoo die weg zeer breed en aan wederzijden met pragtige tuinen, waarop heerlijke huizen staan, bezet is’.
Zoo oud als de weg van Jacatra! Placht men in Indië wel te zeggen, gelijk in ’t vaderland: zoo oud als de weg van Kralingen!

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 159

[Jakarta 4 – Manga Besar] 
[Jakarta 4 – Molenvliet] 

In den eersten aanleg dagteekende dit kanaal van het jaar 1648, toen de kapitein-Chinees Bingam vergunning bekwam om, voor den afvoer van hout en producten, een lijn rechte vaart te graven van de Landpoort naar de Groote Rivier, en zich voor de kosten te verhalen door het heffen van een tol. Later nam de regeering het kanaal voor de som van 1000 realen over, maar nog lang daarna bleef het naar den stichter Binghamsgracht heeten. De naam Molenvliet kwam in zwang door de molens, waaronder vier buskruitmolens, welke zich van het water als beweegkracht bedienden.
Behalve voor die molens en voor den afvoer van producten, maakten de inlanders van het kanaal gebruik om er zich te baden en plunje te wasschen. Erger was ‘t, dat bij gebrek aan putten en pompen de bevolking zich hier tevens van drinkwater moest voorzien. Van daar het in 1685 uitgevaardigde verbod om in het Molenvliet te baden, te wasschen of vuilnis te werpen, ‘dewyl aen de suyverheyt van ’t algemeene drinckwater ten alderhoochsten gelegen is’. De wegen aan weerszijden van het kanaal werden spoedig bebouwd, eerst met inlandsche en Chineesche, daarna met Europeesche huizen. De notabelen, welke de koortswekkende atmosfeer van de benedenstad ontvluchtten, legden hier hunnen ‘thuynen’ of hofsteden aan. Omstreeks 1780 liet de raad van Indië D.J. Smith er het heerenhuis van het landgoed Berendrecht bouwen, dat sedert tot Weeskamer werd ingericht, en zijn ambtgenoot v. Riemsdijk bezat er de grootscheeps opgezette woning Gaanderyenburg, welke reeds door den naam hare structuur verried. Toen het historische kasteel van Batavia rijp voor slooping was geworden kocht, onder het bestuur van Daendels, de regeering dit groote perceel voor de som van 35000 rijksd., liet er voor nog 10703 rijksd. aan verbouwen en daarna, in 1809, de verschillende bureaux uit het kasteel herwaarts overbrengen. Over de latere physionomie van deze snel aangroeiende wijk schreef in 1832 P.P. Roorda van Eysinga:
‘De weg genaamd Molenvliet loopt loodregt van de stad Batavia tot Tanah Abang langs eene stroomende rivier, en is aan den waterkant met boomen beplant. Men gaat er voorbij de ruime, luchtige en aangename woningen der Europeërs, die niet in de stad verkiezen te wonen. Deze woningen liggen ver genoeg van elkander om er het buitenleven te genieten, den frisschen wind doortogt te verleenen en bekoorlijke tuinen, die met smaak zijn aangelegd, tusschenbeide te hebben. Fraaye hekken prijken voor dezelve, en het geheel heeft veel overeenkomst met zoodanige dorpen in ons vaderland, die voornamelijk uit buitenplaatsen bestaan’.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 159

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

Later, na het herstel van het Nederlandsch gezag, was Goenoeng Sari een van de wijken, die opgenomen werden in het defensieplan van den gouverneur generaal J. van den Bosch [1830 – 1833]. Volgens dat plan zouden [de wijken] Molenvliet, Rijswijk, Noordwijk, Goenoeng Sari en het Koningsplein omgeven worden door een gebastionneerden aarden wal, bij een vijandelijken aanval zooveel doenlijk gedekt door inundaties. Men begon toen met den bouw van het voornaamste bastion, de citadel van Weltevreden, dat het middelpunt van de geheele defensielinie zou worden. De jeugdige prins Hendrik, die als adelborst in 1837 Java bezocht, legde daarvoor den eersten steen en doopte alvast de toekomstige versterking met den naam Fort Prins Hendrik. Maar de onstandvastigheid en wisselvalligheid, aan zoovele gouvernements-ondernemingen in Indië eigen, kwamen ook hier tusschenbeide. Toen het fort met zijne bomvrije kazernes, artesische put, batterijen en veldwerken voltooid was, kwamen de autoriteiten op den inval (dien ze ook eerder hadden kunnen hebben) dat de uitvoering van het geheele defensieplan veel te duur zou worden. En daarna, dat de militaire waarde van zoo’n linie heelemaal twijfelachtig was. […] het Kamerlid Gevers Deynoot schreef er van: “Deze citadel ligt teekenachtig en kwam mij keurig afgebouwd en onderhouden voor, maar als verdedigingswerk tegen een buitenlandschen vijand, is, dunkt mij, de plaats allerondoelmatigst gekozen, daar men, om haar te bezigen, zou moeten beginnen met een der fraaiste gedeelten van Nieuw Batavia neer te schieten. Hierover bestond dan ook maar ééne meening, maar het is wel te betreuren dat op die wijze zulke schatten verspild zijn”.

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 160

[Jakarta 2 – Gracht] 

[…] de eenmaal zoo vermaarde Tijgersgracht in de benedenstad, waar gouverneursgeneraal en raden van Indië hunne spacieuse landhuizen hadden gehad, maar die in den tijd van Daendels reeds ontvolkt was, en aan het verval prijsgegeven. En waarvan Jan de Marre in zijn heldendicht Batavia gezongen had:
De Tijgergracht, waarop Batavia mag roemen,
En zich om dit sieraad de pronk van ’t Oosten noemen.
Werd van ons eerst beschouwd daar zij, zo rijk bevrucht,
Een reeks Paleizen trots doet stijgen in de lucht.
En prijkt ten einde toe met schoone Bouwjuweelen,
Wier witte muuren en doorwrochte kapiteelen,
Verrijkt en opgesierd met lijstwerk en festoen,
Beschaduwd door een dreef van eeuwig lentegroen,
Den geest des vreemdelings verbaazen door dien luister.[…]

Indië, geïllustreerd weekblad - 8, 225-227

[Surabaya – Akiz] 

[1924] De Theetentoonstelling, verbonden aan het Theecongres, zou oorspronkelijk beperkt blijven tor de grote Machinehal van de Jaarbeurs [te Bandoeng]. […]
De volgende stand wordt ingenomen door het Amsterdamsch Kantoor voor Indische Zaken (A.K.I.Z.) met een nieuw type tweetakt Dieselmotor. Deze Motor van geheel nieuwe constructie is door zijn eenvoudige uitvoering de aangewezen motor voor cultuurondernemingen, die niet over technisch onderlegd personeel beschikken.
De motor drijft hier op de tentoonstelling een dynamo aan van het alom bekende fabrikaat A.E.G., welke den stroom levert voor een groot aantal Argentalampen, die den stand als het ware in een zee van licht baden. De vele voordeelen dezer lampen, dier het oog als een gelijkmatig lichtende bol buitengewoon aangenaam aandoen en geen hinderlijke scherpe schaduwen vormen, komen hier wel bijzonder goed uit. Behalve de Argentalampen worden hier nog een groot aantal andere fabrikaten van Philips tentoongesteld. Dan wordt hier ook gedemonstreerd een nieuw model daglicht-armatuur van de A.E.G., speciaal geschikt voor sorteerkamers van theefabrieken en voorts treffen wij nog aan een aantal andere apparaten van A.E.G. (als schakelkasten, slijpmachines, een nieuw model electrische soldeerbout en een aantal verwarmingstoestellen), monsters van de bekende Mulcott kameelharen drijfriemen met de grondstoffen, waaruit deze riemen vervaardigd zijn, en ten slotte diverse accu’s van de Willard Storage Battery Cy., speciaal bekend om hun langen levensduur, vanwege de draadrubber tusschenschotten.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 103

[Bandung – Protestantsche Kerk]

In de latei, welke de opening van de zwarte tweevleugelige deur afdekt, leest men de woorden:
Christe tibi sit vota domus qui fine carentis
vitae verba ferens aperis mortalibus aegris.
De vertaling is:
Christus, U zij deze tempel gewijd, Die van 't eeuwig leven
Brengend de woorden, ze predikt en leert aan de lijdende menschheid.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 126-128

[Yogya 1 – Kroonprins] 

[1921] De troonsbestijging van Hamengkoe Boewono VIII.
Op 8 Februari ’s morgens te 9 uur verzamelden zich in het residentiehuis te Djocja de ambtenaren, officieren en particulieren, die vervolgens onder geleide van een escadron cavalerie kratonwaarts gingen.
Op de aloon-aloon stond een groote macht sultans-troepen verzameld in de meest vreemdsoortige en veelsoortige kleedij.
Langs de Siti Inggil, waar in de achterhoede de Europeesche dames zaten, die straks het gezicht zouden hebben op de plechtigheid, gingen de heeren naar het binnengedeelte van den kraton, de z.g. tratag van de Bangsal Kentjono, waar de Kroonprins hen opwachtte.
Tezamen met den Kroonprins kwam men terug naar de Siti Inggil, waar drommen volgelingen in hun bonte kleeding zich als een veelkleurig mozaïk om het hoofdmotief heen aaneensloten.
Het pièce de milieu was ... de Resident [P.W. Jonquière] op een verheven troon, met naast zich een leege plaats, waar nú de gouden kruk voor den a.s. Sultan geplaatst werd.
Deze zette zich echter voorloopig eerst een paar treden lager, rechts ter zijde vóór den Resident, op een vergulden stoel.
De Resident liet nu den Rijksbestuurder [...] en de boepati’s nader komen en deed het Gouvernementsbesluit en de Javaansche vertaling daarvan voorlezen, waarbij de Resident door de Regeering werd gemachtigd om Pangeran Adipati Anom Hamangkoe Negoro tot Sultan van Jogjakarta uit te roepen
Daarna verklaarde de Resident, in naam van het Gouvernement van Ned. Indië, dat de Kroonprins onder den naam van Hamengkoe Boewono VIII tot Sultan van Jogjakarta was uitgeroepen en gelastte in naam van het Gouvernement dat allen hem in die hooge waardigheid naar behooren zouden erkennen en gehoorzamen.
Nu werd de Sultan door den Assistent-Resident gehaald en naar den troonzetel ter rechterzijde van den Resident geleid, waarop de Resident hem toesprak en gelukwenschte, voor welken heilwensch de Sultan eveneens in een Maleische toespraak bedankte. Hierop had voorlezing plaats van de op de verheffing betrekking hebbende bekendmaking in ’t Nederlandsch en in ’t Javaansch.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 128-131

[Yogya 1 – Gouden koets] 

[1921] Rondgang van den nieuwen Sultan door de stad Jogjakarta.
[...] Dan een klein groepje in helgroene lakensche jasjes, een prachtkleur voor het teint van den Javaan. En dan: ... de cavalerie, de voorrijders van de ...gouden Koets!
Acht isabellen trokken het door het Europeesche publiek toegejuichte rijtuig. De Inlanders bleven een plechtig stilzwijgen bewaren en stonden slechts met open monden te kijken.
Een fraaie open koets met hoog op den bok een Europeesch koetsier in rood en goud. Achter glazen ruiten, heel duidelijk te zien, rechts de Sultan, fijn aristocraat in uniform, rijk met goud en diamanten bezet, het flatteuse hoofddeksel ook met goud en diamanten bewerkt, links de Resident, statige figuur, Europeesch sober.
De kap van het sierlijke rijtuig werd gevormd door een kussen, met gouden kroon en scepter.
Vier enorme kristallen lantaarns op de hoeken, vier gouden hoornen des overvloeds achter de zitplaats. De groote gouden pajong werd boven dit alles gehouden door onvermoeide dienende handen.
Achter den bezitter, kwamen de bezittingen, de rijkssieraden: gouden kris, gouden doos, gouden tempolong (spuwbak) enz., gedragen door in groen fluweel gedoste hovelingen, tezamen in twee rijtuigen gezeten. Ook dit alles onder den gouden Sultan’s pajong.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 175

[Jakarta 1 – Kleine Boom] 

Lang voordat Tandjong Priok het punt werd, waar de nieuwelingen uit het oude Europa voor ’t eerst den voet op Indischen bodem zetten, was de z.g. Kleine Boom de plek waar zij debarkeerden, wanneer na een maandenlange reis de sloep hen van het zeilschip naar den wal had gebracht.
Die plek heette zoo naar de afsluiting van het kanaal tusschen de stad en de reede door middel van een zwaren paal of boom., op de uren waarin geene vaartuigen in of uit mochten varen. Joan Nieuhof schreef in zijne ten jare 1682 verschenen ‘Zee- en Lantreize’: ‘De riviere (d.i. de gekanaliseerde Tji Liwong) is aen beide zyden met zware stukken van koraelsteen afgedykt tot dicht aen den boom, die allen avonts ten negen uuren toegeslooten en met soldaeten bewaert word, die omtrent het tolhuis een sterke krygswagt hebben’. In later tijd verdween zoowel die wacht als de afsluiting in de rivier; de namen Kleine Boom en Groote Boom bleven alleen behouden.
Valentijn berichtte dat zich tusschen den Kleinen Boom en het zeestrand eene fraaie wandelplaats uitstrekte langs de rivier, terwijl zich aan het uiteinde twee groote lantaarns bevonden. Het was echter niet geraden om zich te ver buiten dien wandelweg op het omliggende moerassige terrein te wagen, dewijl de krokodillen daar gansch niet zeldzaam waren. ’t Gebeurde in 1692 dat drie sinds kort in ’t land gekomen militairen in deze streek zoo vinnig door een kaaiman vervolgd werden, dat ze hun behoud moesten zoeken door in een galg te klauteren, welke zich destijds buiten den Boom bevond. Het verscheurende reptiel richtte zich op de achterpooten tegen de galg op, doch zijn scherpgetande bek kon de onvoorzichtige wandelaars niet bereiken. ‘Dit is het eerste voorbeeld’, schreef Valentijn, ‘dat ik ontmoete van luiden, die door de galg behouden zyn, daar zy anders voor zooveelen doodelyk is, en noit andere, die dezelve beklimmen, dan alleen de Scherpregter, levend weder beneden daalen’.
De passagiers der aangekomen schepen moesten aan den Kleinen Boom onder een open loods hunne bagage door de beambten van het tolkantoor laten visiteeren, en konden zich alsdan begeven naar de Nieuwe Stadsherberg. Men kon daar van den Chineeschen wagenverhuurder een rijtuig bekomen, om zich naar een logement op Rijswijk of Molenvliet te laten brengen […]
Vroeger stond in deze buurt tegenover de werfpoort, het huis van Levi, een Israelietischen tokohouder, die tevens scheepsleverancier, herbergier en wagenverhuurder was. Over het vertrek, waar de reizigers onder het genot eener verversching de komst der bestelde rijtuigen zaten af te wachten, en over hunne eerste indrukken in deze omgeving, schreef een tijdgenoot: ‘De kamer was nog minder dan die van een dorpsherberg in het vaderland, met roode bakken (vloersteenen) belegd, een groote lompe tafel in het midden, wat oude wrakke stoelen en verbleekte schilderijen aan de ruw gewitte wanden. Spinraggen in plaats van gordijnen voor de ramen, met hare kleine verduisterde ruiten. De pisangs, wat smaak of heerlijkheid was er toch aan; volmaakt beursche peren. En die kleine magere paarden, welke daarbuiten werden voorgespannen, en die Javanen welke voorbij kwamen, mannen met vrouwenrokken aan, foei! hoe leelijk. Voorts hagedissen en kakkerlakken’. […]
Inderdaad deed aan dezen Kleinen Boom de door Valentijn zoozeer geprezene ‘Koningin van het Oosten’ zich geenszins op het voordeeligst voor. Men zag er een lage moerassige kust, begroeid met een onaanzienlijke strandvegetatie, een land zoo vlak als een Hollandsche polder, een drabbig kanaal met inlandsche vaartuigen, een kleine vuurtoren, een paar aarden versterkingen, enkele steenen huizen en juist niet de aanlokkelijkste typen van de inheemsche bevolking. Slechts de wazige omtrekken van de Blauwe Bergen op den achtergrond, wanneer de lucht helder genoeg was om die te onderscheiden, verlevendigden eenigszins de voorstelling, welke men zich van tropisch natuurschoon gemaakt had.
In een lateren tijd [1871] werd de Kleine Boom door een zijtak verbonden met de spoorweglijn Batavia – Buitenzorg, zoodat de nieuw aangekomenen zich met een z.g. omnibustrein naar het station op Noordwijk of op het Koningsplein konden begeven.
In de 17de en 18de eeuw liet de gemeenschap [het contact] met de reede door een kanaal, dat met een moddermolen steeds op de vereischte diepte moest worden gehouden, veel te wenschen over, ook nadat er tegenover den Kleinen Boom een binnenhaven voor prauwen was aangelegd, en rails langs het kanaal ten behoeve van het goederenvervoer, terwijl ijzeren stoomscheepjes met geringen diepgang (voor het personenvervoer) in de plaats kwamen van de roeivaartuigen of tambangans. Want in den Westmoesson kon er op de bank vóór den nauwen ingang der rivier een zoo sterke branding staan, dat het binnenkomen ook voor die stoomscheepjes ongeraden was.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 187

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

Jaarbeurs Aantal betalende bezoekers Gemiddeld per dag
1920 58.220 2531
1921 75.734 3293
1922 95.024 4131
1923 78.843 4928
1924 124.269 7767
1925 146.348 9147

 

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 198, 199

[Surabaya – Akiz] 

[1925] Zesde Jaarbeurs in Bandoeng.
[…] Aangrenzend aan deze groote inzending was een kleine stand op aanverwant gebied, n.l. de inzending van Sterling radiotelefonie-apparaten. Deze waren medegebracht door den heer Van der Hoeven, die met een aantal monsters van Nederlandsch fabrikaat voor verschillende firma’s naar de Jaarbeurs was gekomen. De fabrikant dezer apparaten is de Sterling Telephone & Electric Co. te Londen, en de vertegenwoordiger in Indië is het Amsterdamsch Kantoor voor Indische Zaken (Akiz). Een keurig ontvangtoestel voor radio-omroep met 2 detectorlampen en 2 hoog-frequentie-versterkers, een aantal afstemspoelen en condensatoren om op verschillende golflengten in te stellen, de noodige hoofdtelefoons, alsmede een loudspeaker, deden het hart van den radio-amateur sneller kloppen. Met behulp van een buiten gespannen antenne werden van tijd tot tijd seinen opgevangen en door de geheele ‘machinehal’ hoorbaar gemaakt. […] Zoolang het luisterverbod in Ned.-Indië nog onbeperkt blijft bestaan, is er echter voor dergelijke toestellen nog slechts weinig afzet.[…]
Tijdens de Jaarbeurs werden ook demonstraties gegeven van radio-omroep, waartoe muziek werd uitgezonden uit het enkele kilometers verwijderde laboratorium. Door amateurs, die met hun ontvangtoestel hinderlijke varieerende golven uitzonden, werd het voortzetten daarvan echter herhaaldelijk onmogelijk gemaakt. Een dier spellebrekers werd echter ontdekt en op grond van het bestaande verbod vervolgd.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 204-205

[Bandung – GEBEO]

[1925] Zesde Jaarbeurs in Bandoeng.
Het Gemeenschappelijke Electriciteitsbedrijf Bandoeng en Omstreken, bij afkorting G.E.B.E.O. geheeten, trok met een groote stand in de achterhoek van de 'machinehal' steeds in ruime mate de belangstelling der bezoekers, en met recht. Deze door overheid en particulieren tezamen opgerichte, gemengde maatschappij heeft sinds enkele jaren op aandrang en in overleg met den Dienst voor Waterkracht en Electriciteit hare tarieven zoodanig ingericht, dat daardoor het algemeen gebruik van electriciteit sterk gepopulariseerd wordt. Reeds bereikte zij volgens een aan den wand gehangen tabel, dat van de inwoners van Bandoeng, zijnde 16000 Europeanen, 13000 Chineezen en ruim 100000 Inlanders, reeds 93.5% van de Europeanen en 60% van de Chineezen zijn aangesloten op het net, terwijl 95% van de industrie haar beweegkracht van het G.E.B.E.O. betrekt. Van de Inlanders zijn de cijfers nog niet zoo hoog, doch ook de aansluitingen in de kampoengs worden thans krachtig bevorderd. Welk een groei de electriciteitsvoorziening van Bandoeng en omstreken reeds heeft doorgemaakt, werd duidelijk door een grafische voorstelling van de jaarlijksche bruto-ontvangsten voor de stroomlevering, verlevendigd door een wisselend dooven en ontsteken van gloeilampjes. Bedroegen deze inkomsten in 1906 het eerste jaar van de voorgangster van het G.E.B.E.O., de vroegere Bandoengsche Electriciteitsmaatschappij, nog slechts rond f 34.000.-, in 1924 beliepen zij f 1.265.000.-, dus bijna het 40-voudige.
Als bijzondere tentoonstellingsattractie zette het G.E.B.E.O. een krachtige propaganda in voor een aanvullend tarief teneinde vooral het gebruik van dagstroom te bevorderen. Daartoe wordt naast de gewone tarieven gelegenheid gegeven om tegen den lagen prijs van 1 cent per 1 watt per maand zich het recht te verschaffen gedurende de daguren te beschikken over een zeker electrisch arbeidsvermogen voor verwarmingsdoeleinden, strijken, koken en andere huishoudelijke behoeften. Om het doel sneller te bereiken, verkoopt het G.E.B.E.O. zelf de benoodigde electrische water- en theeketels, eierkokers, kookplaten, dompelelementen, haardrogers, massage-toestellen, strijkijzers, fans, koffiekannen, krultangwarmers, stofzuigers, naaimachinemotoren, soldeerbouten, enz. tegen een zeer lagen prijs; ja heeft het zelfs een honderdtal strijkijzers bij wijze van reclamepremie gratis verstrekt. Er behoeft niet aan getwijfeld te worden, dat een en ander in de smaak zal vallen van het publiek en dat Bandoeng spoedig de meest electrische stad van Indië zal worden.
Als genoemde huishoudelijke electrische toestellen vond men in groote variëteit in den hoek van het G.E.B.E.O. op smakelijke wijze in werking tentoongesteld, en aan koopers ontbrak het niet. De leus: 'Doe het electrisch!' hing hier in de lucht en ieder onderging er de werking van waartoe de uitgave van een keurig en aantrekkelijk propagandaboekje 'Alles electrisch' het zijne bijdroeg. Daarin werden alle voordeelen van het gebruik van electriciteit uiteengezet en werd aangetoond, wat men met een maandelijksche uitgaaf van f 5.- door het nieuwe verwarmingstarief kan bereiken. Een aantal van de meest gebruikelijke toestellen stonden er met wattverbruik en prijs in vermeld, zoodat elk zich een volledig beeld kon vormen van de wijze, waarop hij zich electrisch zou kunnen inrichten en wat hem dat zou kosten.
Ter opluistering werd de werking vertoond van elctrische brandmelders, overbelastingsautomaten, electrische apparaten voor het merken van metalen voorwerpen en een universeele machine voor hotels en pensions voor kneden, klutsen, mengen, snijden, malen, roeren enz., natuurlijk aangedreven door een electromotor. Deze machine was van het merk Holart, de Amerikaansche zustermaatschappij van Van Berkel's Patent.
Tevens werd 'reclame' gemaakt voor het gebruik van 'lichtreclames'.
Een inzending, die zeer zeker haar vruchten zal afwerpen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 224

[Surabaya – van Dorp] 

[September 1925] De staking bij het prauwenveer te Semarang is volgens latere berichten aan het verloopen, 250 man van het oude personeel hebben zich aangemeld. De prauwenvoerders zijn niet weder in dienst teruggenomen. De werkzaamheden gaan vooruit.
Er is een algemeene staking bij de boekhandel en drukkerij voorheen G.C.T. van Dorp & Co. te Soerabaja uitgebroken wegens een loonkwestie. Volgens latere berichten is de toestand verbeterd middels afgestaan personeel van andere drukkerijen.
De leider van de staking in de haven te Semarang deed vruchteloos pogingen om te Soerabaja tot staking op te wekken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 229

[Surabaya 2 – Woning] 

Het [historisch residentiehuis te Semarang] werd althans niet aangekocht van een particulier, zooals bijv. te Soerabaja gebeurde, waar het gebouw op Simpang in 1809 met het meubilair werd overgenomen voor 18000 rijksd. En ter bewoning afgestaan aan den prefekt van den Oosthoek. (Een resident heette destijds prefect, later landdrost.)

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 229-235

[Semarang 2 – Officier van Justitie] 

In de Compagniestijd werden de residentiehuizen op Java gemeenlijk door de hoofden van gewestelijk bestuur zelve gebouwd, en werd het benoodigde kapitaal tegen borgstelling opgenomen bij de Weeskamer. [....]
Op die wijze werd het later voor residentiehuis gebezigde perceel te Semarang gebouwd, waarschijnlijk door Nicolaas Hartingh, die in 1754 optrad als gouverneur van Java’s N.-O. kust.[...]
De plek, waar het Samarangsche gouverneurshuis werd opgetrokken, heette vroeger Vreedestein; met den weg van Vreedestein werd waarschijnlijk de Bodjongsche weg bedoeld.
Hartingh, die reeds een jaar na zijn optreden benoemd werd tot raad-ordinair van N.-I. was de tweede gouverneur van Java’s Noord-Oostkust en bezat zeker wel de middelen om het groote gebouw op Bodjong deftig te meubileeren en te bewonen. Want ofschoon het officieele salaris, aan zijn ambt verbonden, slechts f 200,- ’s maands bedroeg, zoo vloeiden hem van alle kanten de emolumenten en de stille winsten toe. Alleen zijn aandeel in de winst op den verkoop van vogelnestjes werd op een ton gouds ’s jaars begroot. [...] het geheele inkomen werd op een half millioen ’s jaars geschat. Doch in 1808 werd deze vette brok aan de bevoorrechte Bataviasche mandarijnen door Daendels wegstibitzt. Het gouvernement van Java’s Noord-Oostkust werd toen bij regeeringsbesluit opgeheven. [...] Daendels zelf belastte zich met de functies van gouverneur, en streek tevens de emolumenten op; de winst op vogelnestjes bedroeg gedurende de drie jaren van zijn bewind 553.275 rijksd. [...]
Het gouvernementshuis, toen bekend onder den naam Groot Bodjong, werd voor 18000 rijksd. van [de laatste gouverneur] overgenomen ‘om te dienen tot verblijf van den gouverneur-generaal en zijn staf wanneer hij zich op Java (Midden-Java) bevindt’ [...] en daarmee in overeenstemming was de zorg, die aan het omringende park besteed [werd]. Stockdale schreef in zijn ‘Sketches’, dat zich in de nabijheid een uitkijktoren bevond, op een heuvel waar ook eene begraafplaats van Javaansche aanzienlijken was gelegen. Zijn aanteekening luidde: ‘On a steep rock, three quarters of a mile behind Bodyou is seen, from a bamboo observatory, all the neighbouring coast, mountains and ravines’.
Voorts eigende het kapitale heerenhuis zich uitnemend voor feesten en recepties en werd daarvoor ook meermalen gebruikt. [...]
Tegenover deze voordeelen van ligging en omgeving stond echter het nadeel, dat zich achter het uitgestrekte erf van het residentiehuis, aan den oever der rivier welke zich om den heuvel Barakotta heen boog, een kruitmolen bevond. ’t Was eene groep van lage, geelgepleisterde gebouwen met roode daken, te midden van een plantsoen van waroeboomen. En ’t gevaar, dat deze inrichting opleverde, was geenszins denkbeeldig, want in 1844 sloeg de bliksem in deze kruitfabriek, en bij de ontploffing kwamen acht mensen om het leven.
[...] in 1908 werd het historische huis wegens bouwvalligheid en werking van den grond afgebroken. Op het erf, oorspronkelijk 6½ bouw groot, werd een villa-park aangelegd, een plein met muziektent, terwijl er ook eenige openbare gebouwen verrezen zooals het Juliana-ziekenhuis, de hoofdkantoren van de Semarang-Joana-Stoomtram Mij. en Ned.-Ind. Spoorweg Mij. Op de plaats waar eenmaal de gouverneurs van Java’s N.-O. kust hunne luidruchtige feesten aanrichtten en waar op den verjaardag van koning George III de Engelsche vlag wapperde, kwamen in een lateren tijd de lijders aan Indische kwalen de besmette Semarangsche atmosfeer ontvlieden en ontwierp het moderne verkeer het net zijner ijzeren banen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 229-235a

[Semarang 2 – Bodjong] 
[Semarang 2 – ’s Lands Kas] 

Na het herstel van het Nederlandsch gezag in 1816 bleef Groot Bodjong aangewezen als residentiehuis; trouwens, het vroegere gouverneurshuis bij de rivier en aloon aloon [...] was toen reeds lang ingericht tot Militair Hospitaal. De weg welke van dit punt in de naaste omgeving der stad naar het residentiehuis leidde, was ongeveer 3 K.M. lang, en door de opvolgende residenten van Samarang zeer verbeterd en verfraaid. Notabelen bouwden daarlangs hunne villa’s, te midden van weelderige tuinen gelegen, en het bestuur zorgde voor eene beplanting met kanarie- en tamarindeboomen. Inzonderheid de resident G.L. Baud (later directeur van cultures) liet zich aan onderhoud en verfraaiing van deze weg veel gelegen liggen, zoodat die weldra bekend stond als een der mooiste villalanen van Java, geliefkoosde rijweg voor de Samarangsche notabelen, o.a. voor het maken van den z.g. ‘grooten toer’. Door ophooging, beplanting en bebouwing verkreeg deze groote toegangsweg naar het residentiehuis eerlang dat fraaie aanzien, ’t welk prof. Veth aanleiding gaf om dezen Bodjongschen weg de Lichtenthaler Allee van Java te noemen. Hij schreef daarover in zijn ‘Java’:
‘Samarang is schier nog meer onbewoonbaar dan het oude Batavia, en wie kan, ontvlucht hare hitte, haar stof, haar stank en hare muskieten in een der beter bedeelde buitenwijken en bij voorkeur in Bodjong, terwijl hij de stad slechts bezoekt voor zijne dagelijksche bezigheden, of voor de weinige vermaken die zij oplevert. Als de avond zijne in de tropische gewesten zoo hoog gewaardeerde koelte brengt, wemelt het in de Bodjongsche laan van fraaie equipages en van wandelaars te voet of te paard, en zou men wanen zich in eene wijk van Nieuw-Batavia verplaatst te zien’.
Deze voorstelling werd bevestigd door het reisverhaal van dr. Van Hoëvell, die den Bodjongschen weg beschreef als eene bijna 2 palen lange, 40 à 50 voet breede laan, aan beide zijden versierd met schoone Europeesche woningen, afgewisseld door nette kampongs; en het residentiehuis aan het eind van die laan als een ‘hoog en prachtig gebouw’,

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 248

[Bandung 2 – H.B.S.] 

Nu waren reeds vóórdat Minister Pleyte sprak aanwijzingen, dat een goede geest over Indië’s bestuurders wakker werd. Zoo noemde de toenmalige Directeur van Onderwijs en Eeredienst, dr. E. Moresco, op 1 Juli 1915 bij gelegenheid van de opening der Bandoengschje H.B.S., Bandoeng: ‘de snel zich ontwikkelende hoofdstad der Preanger, wellicht over eenige jaren hoofdplaats van een gouvernement West-Java en misschien – wanneer althans redelijke overweging wat meer invloed tegenover de inertie van het historisch gewordene verkrijgt – bestemd om in de toekomst de zetel der Regeering van Nederlandsch-Indië te worden’.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 249

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

Toen kwam, terwijl de overgang van ‘gouvernementsbedrijven’ naar Bandoeng in vollen gang was, de malaise, de nieuw opgetreden Gouverneur-Generaal Mr. Fock vond Batavia dè woon- en werkstad bij uitnemendheid. Het gevolg was, dat Bandoeng’s gemeentelijke bedrijven een heftige crisis doormaakten wijl de overbrenging der gouvernementsbureaux stop gezet werd. Doch dat niet alleen. Zelfs voor nieuwe onderwijsinrichtingen werd Batavia boven Bandoeng gekozen en hoewel men in laatstgenoemde stad een Technische Hoogeschool bezat, werd in het warme Batavia een juridische zusterinrichting geopend. Sterker nog […] het advies van den Volksraad legde de Regeering naast zich neer, aan ‘de stem van Indië’, zooals men dit college wel noemde, werd geen gehoor gegeven. […]
Behalve regeringspersonen lieten ook anderen zich hooren. Zoo een Semarang’s burger, de hygienist Tillema, die het volgende schreef:
‘Zeker men kan de ongezonde kuststeden assaineeren, en dat moet ook, maar de assaineering kost schatten, die voor een goed deel elk jaar weer moeten worden uitgegeven. En hoe grooter een dergelijke plaats, hoe grooter die jaarlijks terugkeerende kosten. Men make daarom die ongezonde oorden niet grooter dan noodzakelijk. Inrichtingen, die er niet strikt noodig zijn, plaatse men er niet. De havensteden van Java’s ongezonde kust kieze men daarom nooit uit voor regeerings-bureaux, hoofdkantoren van handel en industrie, onderwijsinrichtingen, enz. Men make die ongezonde steden zoo klein, als dit met het oog op de oeconomische eischen toelaatbaar is. Dan is men in staat om ze met betrekkelijk kleine middelen gezond te maken en gezond te houden! En alles wat daar niet strikt noodig is, plaatse men in de ‘goenoeng’, te midden van Java’s heerlijke bergen! Want daar is het gezond wonen, dáár is het goed werken!’

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 263

[Bandung – Resident]

[1925] Zoo is dan op 1 September j.l. de opheffing der Preanger Regentschappen als zelfstandige residentie een feit geworden. Op genoemden datum werd het gouvernement Preanger (West-Java) ingesteld met Batavia als bestuurszetel – dit laatste niettegenstaande de Volksraad zich voor Bandoeng uitgesproken had – en werd de Preanger verdeeld in drie afdeelingen: West-, Midden- en Oost-Preanger, met Soekaboemi, Bandoeng en Tasikmalaja als woonplaats der z.g. 'kleine' residenten.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 435

[Surabaya 2 – Pasar Turi] 

[1926] Het is thans ruim 30 jaren geleden, dat de doorgaande spoorwegverbinding over Java tot stand kwam. Op 1 November 1894 werd n.l. de laatste schakel, welke nog aan de stamlijn ontbrak, d.w.z. het baan vak Tjilatjap (Maos) – Preanger (Tasekmalaja), voor het publiek verkeer opengesteld. Wat dit beteekende kunnen slechts zij beseffen, die voor dien tijd de reis van Batavia tot Soerabaja òf per kustboot òf over land met gebruikmaking der locaaltreintjes en postkoetsen hebben meegemaakt.
Toch was ondanks de verbeterde communicatie nog dadelijk na de openstelling van het lijnvak geen ideale reisgelegenheid verkregen.
Immers geschiedde de reis van Batavia naar Soerabaja, onder de werking der van 1 November 1894 af gegolden hebbende regeling van den loop der treinen, in d r i e dagen, waarbij de reizigers te Tasikmalaja en te Djokjakarta moesten overnachten, de nieuwe dienstregeling, welke bij besluit van 6 November 1895 No. 28 werd goedgekeurd, maakte het mogelijk om met ingang van 5 Januari 1896 dien afstand in twee dagen af te leggen, met overnachting te Maos. [...]
Toch ging een zucht van verlichting op toen op 1 December 1909 de exprestrein Bandoeng – Soerabaja, oorspronkelijk bestaande uit een locomotief, een postrijtuig, een bagagewagen, een restauratierijtuig en twee eerste en tweede \klasse rijtuigen, werd ingevoerd, zoodat de reizigers van Batavia naar Soerabaja het traject in 1½ dag konden doen en in het koele Bandoeng in een der zeer goede hôtels konden overnachten. [...]
De toestand bleef dus zooals zij was; tusschen Batavia en Soerabaja zal de reis zoowel via Cheribon als via Djokja 1½ dag vorderen met een overnachting te Bandoeng of te Djokja.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 443-444

[Jakarta 4 – Rijswijk] 
[Jakarta 5 – Kali] 

Oorspronkelijk heette de vaart Bingamsgracht, omdat de kapitein-Chinees Bingam in 1648 vergunning bekwam tot het delven van een gracht ‘omtrent dese stadts landtpoorte en soo recht suyden aen loopende tot by het bosch (de post Apenwacht of Djaga Monjet) tot in de Groote Rivier (de Tji Liwong).
Bingham ondernam dit werk juist niet uit toewijding aan de openbare zaak, d.i. om het verkeer met de hoofdplaats, de hygiëne en irrigatie te bevorderen. Zulke belangen gingen het college van Heemraden aan; niet hem. Maar hij zag er voordeel in; de tolheffing op al wat langs dien waterweg werd afgevoerd zou de kosten wel dekken, en nog een zak realen aan winst overlaten. En inderdaad werd het kanaal reeds spoedig na de voltooiing druk bevaren; veldgewassen, boschproducten, levensmiddelen, materialen, veevoeder, vooral gras, werden langs dezen weg uit Bataviasche Ommelanden naar de hoofdplaats vervoerd.
Tien jaren later nam de regeering voor den som van 1000 realen (dit was eene afrekening; de Comp. kas had reeds het hare tot de onderneming bijgedragen.) de vaart over van Bingham, die klaagde dat men het water na ’t leggen van een overtoom of dam als beweegkracht gebruikte voor de Comp. molens, waardoor hij van tolheffing ‘versteecken’ werd. De regeering verpachtte toen dezen tol aan den meestbiedende.
Het Ned. Ind. Plakaatboek bevat ettelijke besluiten omtrent rechten en verplichtingen van den pachter; of ook omtrent onregelmatigheden, die zich ter zake voordeden. Aldus onder de regering van den voormaligen zilversmidsknecht Joannes Camphuis, toen er tegen zekeren Jan Francis klachten waren ingekomen over ‘veele extorsiën engewelden door desen pagter gepleegt, grootelyks tot syn voordeel en plaginge van verscheyde onnosele inlanderen’.
In 1661 had de regeering aan deze Binghamsgracht den vaderlandschen naam van Molenvliet gegeven, aangezien er toen reeds ettelijke koren-, papier-, houtzaag-, buskruit- en suikermolens langs de nieuwe vaart waren gebouwd. Doch het verlengde van die vaart, van de Apenwacht naar de Krokot-rivier, heette nog lang daarna Bingamsgracht, evenals de weg naar Tanahabang Binghamsweg werd genoemd, en de heuvel van Tanahabang, waar later de gouverneur-generaal Abraham van Riebeek zijn landhuis had, Bingamshoogte.
Allengs werden de molens, zoomede de steen- en pannebakkerijen, de bleekerijen, arakbranderijen, wassmelterijen en andere meest Chineesche trafieken, verdrongen door de woonhuizen, inlandsche en Europeesche. Bij de serie O.I. inktteekeningen van den majoor Joh. Rach, dagteekenend van de jaren 1765 tot 1780 en sedert op meer dan één Indische tentoonstelling geëxposeerd, bevond zich eene voorstelling van het zuidelijk gedeelte van Molenvliet met de nieuwe Waght Rijswijck, welke laatste zich bevond ter plaatse waar later het Marinehotel en daarna de toko van Eigen Hulp werd gevestigd. De overzijde van Molenvliet werd destijds nog ingenomen door kampongs en rijstvelden; […] waaraan Rijswijk zijn naam dankte. Sedert ontstond nog wel eens verschil van meening omtrent de afleiding van dien naam, waartoe bijdroeg het ontbreken van de letter t in het woord Rijswijk. Doch de spelling ‘rijs’ voor ‘rijst’ was in het koloniaal-hollandsch uit de dagen der Compagnie alleszins gebruikelijk; door een besluit van het jaar 1656 werd door de regeering de naam Rijs-wijck toegekend aan ‘de sterren-redout in de Crocotse velden’, een der kleine versterkingen in den omtrek van Batavia. Onder het bestuur van Daendels werd dit blokhuis, tegelijk met het fortje op het naburige Noordwijk, afgebroken.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 444

[Jakarta 4 – Arsip Nasional] 

[1926] Het gold tot op den huidigen dag als type van dien oudhollandschen bouwstijl, door de Nederlanders naar hunne overzeesche koloniën overgebracht. In later tijd diende dit spacieuse gebouw tot hoofdbureau van het Mijnwezen; in onzen tijd werd het ingericht voor Landsarchief, en er werden maatregelen genomen om het , na de ontsieringen door een vroeger geslacht, weder in den oorspronkelijken staat terug te brengen.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 444a

[Jakarta 4 – Berendrecht] 

De overzijde van Molenvliet werd destijds nog ingenomen door kampongs en rijstvelden; die buurt behoorde voor de bewoners van de aanzienlijke Amanus- en Tijgersgracht tot ‘Batavia inconnue’. Eerst omstreeks het jaar 1780 liet de raad van Indië, D.J. Smith, zich aan deze stille zijde een ruim en fraai heerenhuis van twee verdiepingen bouwen, met vleugels die tot danszaal en eetzaal waren ingericht. Het zou in later tijd betrokken worden door de Weeskamer, nadat de verdieping er afgenomen was. De buitenplaats of hofstede – zulke afmetingen had het perceel – was bekend onder den naam van Berendrecht. ‘Nog heden’, schreef dr. F. de Haan in zijn Priangan, ‘getuigt binnen Batavia van Smith’s bouwlust de tegenwoordige Weeskamer; het erf strekte zich destijds uit tot den hoek van Noordwyk (hotel Wisse) Gang Patjenongan en de Berendregtslaan’.
Later, in 1827, noemde J. Olivier in zijne ‘Land- en Zeetogten’ dit huis een sieraad van Molenvliet. Het werd toen bewoond door het oud-lid van den Raad van Indië, mr. W. van Hoesen, en men had boven den ingang wel de ‘Zoete Inval’ mogen schrijven. Want doorgaans zat hier de speelman op het dak, en was het huis vol gasten. Men vond er een talrijk slavenpersoneel om een ieder op zijne wenken te bedienen, en onder hen een tiental speeljongens of zwarte muzikanten. Paarden en rijtuigen stonden ter beschikking, zoomede roeivaartuigen voor het vervoer op het Molenvliet naar de stad. Aan den waterkant stond een ‘speelhuys’, waar men onder het genot van keur van ververschingen het verkeer op het water en den weg daarlangs kon gadeslaan, of zich verpoozen met ’t triktrakbord.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 444-445

[Jakarta 4 – Molenvliet] 

Gelijk zoovele andere wegen en grachten van het oude Batavia werd ook de weg langs Molenvliet al spoedig met boomen, veelal kanarie- en tamarindeboomen, beplant. Voorts werden de erven, die de heerenhuizen onderling scheidden, door tal van heesters en gewassen, tot de rijke Indische flora behoorende, verfraaid; niet zelden ook door monumentale hekken en inrijpoorten. ’t Was mede volgens de traditie, welke men van vaderlandsche buitenplaatsen herwaarts had overgebracht. Naarmate wegens de ongezondheid van de overbevolkte benedenstad, de Europeanen naar hooger gelegen oorden gingen, stegen ook de bouwgronden langs Molenvliet, Rijswijk, Noordwijk, Tanahabang, enz, in waarde, en verrees het eene heerenhuis na het andere. Deze exodus, waardoor de ‘tuynen’ van het oude Batavia allengs braak kwamen te liggen, dagteekende reeds geruimen tijd vóór het bestuur van Daendels (1808-1811) doch ’t was op zijn machtwoord dat aan het voortbestaan der oude stad als zetel der regeering een einde werd gemaakt.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 445

[Jakarta 5 – Rijswijk] 

Van een later tijdperk dagteekenden het Marinehotel [op de plaats van Eigen Hulp] en Hotel des Indes; het eerste bevond zich vlak over de brug, die naar Noordwijk voerde. Dit laatste punt duidde het eind van Molenvliet aan; daarna bevond men zich op het terrein van Rijswijk.
Prof. Veth schreef in zijn ‘Java’, dat van de Europeesche wijken van het nieuwe Batavia Molenvliet in de minst gunstige omstandigheden verkeerde, omdat de bodem er nog laag en alluviaal was; de toestand werd echter beter naarmate men zich verder van de benedenstad verwijderde. Van daar dat de woningen in het zuidelijk gedeelte ’t meest gezocht waren; men bouwde hier de grootste en fraaiste perceelen. Meer nog op Rijswijk, waar de grond zooveel droger was. Na ’t herstel van het Nederlandsche gezag in 1816 beleefde deze toenmaals nog nieuwe buurt Molenvliet-Rijkswijk haren bloeitijd.

Indië, geïllustreerd weekblad - 9, 446-447

[Jakarta 4 – Molenvliet] 

[Joh Olivier in ‘Land- en Zeetogten’ – 1827:] ‘Allerlei inlandschen doorwemelen dit schoone kanaal. Grasboeren, boter- en melkverkoopers, landlieden, Chinezen, inlandsche mannen en vrouwen roeyen met hunne ligte praauwen stadwaarts om de vruchten van hun veldarbeid of nijverheid te Batavia ter markt te brengen. Honderden zoo mannen als vrouwen baden zich langs de boorden der rivier, en talrijke groepen van vrolijke kinderen spelen en dartelen in het water, alsof dit hun eigen element ware. De breede weg ter zijde van het kanaal krioelt van menschen van allerlei natiën. Duizende bendies, barouchettes en andere rijtuigen, met een, twee of drie paarden bespannen, snellen onophoudelijk heen en weder naar de onderscheidene bureaux, kantoren, magazijnen en winkels. Enz.’
Intusschen bracht dit ‘doorwemelen’ van het water van Molenvliet door jong en oud belangrijk ongerief met zich, in de eerste plaats voor de openbare hygiene. Het talrijke slavenpersoneel van al die kapitale heerenhuizen leverde voor die honderde baders een aanzienlijk contingent, en een inlander beschouwde een stroomend water gaarne als openbare latrine. Voorts waren ’t niet alleen menschen, maar ook paarden en ander vee welke hier geregeld in ’t wed gedreven werden. Over deze verontreiniging van het water maakte de regeering zich terecht bezorgd. Er werden langs de Groote Rivier en hare vertakkingen toch reeds ongerechtigheden genoeg afgevoerd, afkomstig van de kampongs die hooger op de rivier gelegen waren. Tusschen krengen van dieren, door de bandjirs meegevoerde boomstronken en allerlei afval zag men niet zelden lijken van inlanders drijven. Het kostte moeite, in een tijd waarin het artesisch water ver te zoeken was, dit rivierwater zoodanig te filtreeren dat het drinkbaar werd. Vandaar dat de regeering reeds in 1685 een verbod uitvaardigde tegen het baden, kleerenwasschen, deponeeren van krengen of ander vuilnis in het Molenvliet ‘van de voorstadt af tot aen de fortresse Noordtwyck, dewyle aen de suyverheyt van ’t algemeene drinckwater voor dese stadt ten alderhoochsten gelegen is’.
Dit verbod werd op verschillende plaatsen langs het kanaal ‘geaffligeert’; ten spijt van de daadzaak, dat de groote massa der bevolking uit analphabeten bestond. Doch de kamponghoofden konden hunne onderhoorigen er niet van onderrichten, zoomede van de poene, die er op gesteld was. Overtreders kregen, wanneer zij vrije lieden waren, eene boete van 10 rijksd.; de slaven echter, die immers in den regel geen rijksdaalders bezaten, zouden ‘gelaerst’ (gegeeseld) worden en daarna gedurende 14 dagen veroordeeld tot ‘donckere gevangenisse’. En met dat al hield men de baders en de wasschers niet uit het water. Dit verbod van de Hooge Regeering bleek in de practijk onuitvoerbaar. De inlander was voor zijne dagelijksche, in een heet klimaat zoo noodwendige abluties op het dichtstbij zijnd stroomend water aangewezen, en een tegen de volkszeden indruischend verbod was op den duur niet te handhaven. In 1766, onder het bestuur van P.S. v.d. Parra, werd dit verbod dan ook weer ingetrokken, nadat het in de 80 jaren sedert de uitvaardiging juist geen wet van Meden en Perzen gebleken was.
In later tijd zag Justus van Maurik in dit kanaal het zelfde wat Roorda van Eysinga, Olivier en zooveel anderen er gezien hadden: een onbelemmerd pêle-mêle van menschen en vee, van plonsende en dartelende mannen, vrouwen en kinderen, en hij vond dat die bruine gestalten wonderwel pasten bij het gelig-drabberige water. Ook prees hij de nationale welgevoegelijkheid, die zich te water zoo min als te land verloochende. Doch dat de openbare hygiëne er bij in de knel kwam, erkende ook hij. Vooral wanneer in den Oostmoesson het water laag en zonder eenige strooming van beteekenis was, bevonden de baders in een kanaal, dat zooveel débris en faecaliën moest meevoeren, zich in een labyrinth van smerigheden. ‘Den reinen is alles rein’, schreef hij; ‘daarom houd ik de inlanders dan ook gaarne voor de reinsten onder de reinen – maar de lucht van de kali hebben zij bij zich’.