uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen onder redactie van A.L. van Hasselt en D. Gerth van Wijk, deel XXX, 1885 Batavia / s’ Hage.

Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, XXX, 412-442

[Yogya 1 – Wandeling] 

Het Waterkasteel te Jogjakarta.
[De samensteller heeft in enkele gevallen de plaats van de cijfers in de tekst in overeenstemming gebracht met de plaats die zij op de kaart hebben.]

[Blz. 412-413]
[...] Daar de mij bekende beschrijvingen van den lusthof zeer onvolledig en deels ook zeer onjuist zijn, dunkt het mij niet ongepast een betere beschrijving met den bovengenoemde plattegrond (een keurig geteekende plattegrond van ’t geheel, van de hand van den Javaanschen schrijver mas ngabéhi Sastra Oekara) of een kleine kopie daarvan aan ’t Bataviaasch Genootschap ter opneming in haar Tijdschrift aftestaan.

[Blz. 413]
[...] Door nameting van enkele nog in loco meetbare lijnen, op verzoek van den mijningenieur R.D.M. Verbeek door den ambtenaar bij ’t mijnwezen J.F. de Corte verricht, tijdens hun jongst verblijf alhier, is gebleken, dat ook de afmetingen der kaart niet geheel met de werkelijkheid overeenkomen, zooals nader in de hierbij gevoegde nota van den heer Verbeek is vermeld.
Er hebben vroeger twee waterkasteelen of lusthoven in den kraton van Jogjakarta bestaan. Van ’t eene, dat ten noordwesten [noordoosten] van den aloen-aloen kidoel gelegen was, en Poelo Gedong genoemd werd, is niets meer overgebleven dan enkele stukken van den buitenmuur.
Van ’t andere, dat een deel van de westelijke kratonhelft innam, vindt men nog de min of meer herkenbare overblijfselen van vele gebouwen, tuinen, baden en buitenmuren terug. De noordelijke helft heette (en heet nog) Taman Sari (= lusthof), en ’t eiland, midden in den grooten vijver van dat gedeelte en waarop de hoofdgebouwen staan, werd Poelo Kenanga geheeten, welke naam verkeerdelijk door anderen op ’t oostelijk waterkasteel overgebracht is. Vóór den bouw heette de zuidelijke helft eenvoudig alas bringan (glooiende boschgrond). Na de voltooiing kreeg het den naam van Taman Ledok (laag gelegen lusthof).

[Blz. 414]
[...] De lusthof is op last van den eersten Sultan van Jogjakarta, Hamengkoe Boewana I (en niet van den tweeden Sultan, zooals gewoonlijk beweerd wordt) gebouwd door den regent (boepati) kjahi toemenggoeng Mangoen Di Poera, met hulp van een door hem van Batavia medegebrachten Boeginees, loerah Dawelingi. Mangoen Di Poera had Batavia twee malen bezocht om er europeesche motieven voor zijn bouwplannen op te doen. Bijna alle gebouwen hebben daaraan een overwegend westersch karakter te danken. Alleen de houten bangsal pangelaran (5) en de van ’t zelfde materiaal gebouwde pasanggrahan, panggoeng sari (107) waren in javaanschen stijl opgetrokken.
De bouw werd aangevangen in ’t jaar Éhé,1684, van de mohamedaansche, of 1758 van onze jaartelling, en de gebouwen zijn dus niet veel ouder dan een eeuw. Behalve de pasgenoemde houten bangsal’s, zijn alle gebouwen uit baksteen opgemetseld, niet alleen wat de buiten- en binnenmuren en trappen betreft, maar zelfs de daken bestonden uit metselwerk,
[Blz. 415]
van boven door een pleisterlaag, in den vorm van zware houten sirappen bewerkt, bedekt. De baksteenen, voor deze daken gebezigd, waren niet horizontaal maar schuin, volgens de helling van ’t dak, op- en aaneen gevoegd, en van onderen met een pseudo-gewelf van pleister beplakt, zonder toepassing van westersche gewelf- of boog-bouwkunst, of van den eigenaardigen piramidalen dakbouwstijl der Hindoe’s.
Geen wonder dat de daken vooral te zwak waren, om aan tijd en aardbevingen weerstand te bieden. Zij zijn dan ook bijna alle ingestort en vele gebouwen zijn geheel verdwenen, van alle andere zijn alleen bouwvallen overgebleven, die jaarlijks meer en meer in puin verkeeren.
Van die bouwvallen bestaan enkele vrij goede fotogrammen, door den javaanschen fotograaf Cephas vervaardigd.
Inwendig en soms ook uitwendig zijn de muren der voornaamste gebouwen met half verheven en bontgekleurd pleisterwerk versierd, planten, takken met bladeren, bloemen en bloemknoppen en vogels voorstellend, en afgewisseld, vooral aan de gevels, door de afbeelding van den oud-indischen banaspati: een zeer rond aangezicht met wijdgeopende uitpuilende oogen en groote slagtanden in boven- en onderkaak, aan weerszijden van een groote ver uithangende tong.
Van houtwerk is er niet veel meer te vinden. Dat van de vloeren der bovenverdiepingen schijnt rood-bruin geverfd en met vergulde lijsten afgezet geweest te zijn. Houten deuren zijn, zoo ze ooit bestaan hebben, spoorloos verdwenen. Houten vensters, met gedraaide houten stijlen in plaats van glasruiten of metalen traliewerk, herkent men nog in de muren van ‘t hoofdgebouw op ’t Kenanga eiland.

[Blz., 416]
[...] De gezamenlijke gebouwen en tuinen dienden den Sultan en zijn gezinnen en hofhouding tot een lusthof of buitenverblijf. Wat er anders van verteld wordt, behoort tot het gebied der vertellingen zonder grond en zonder zin.
Stellen we ons voor door den westelijken hoofdingang de tuinen van Taman Ledok binnen te treden, dan komen we eerst aan: (1), de hoofdpoort, palenkoeng pagelaran, die een paar vertrekken bevat waar ammunitie van twaalf kleine kanonnen geborgen werd, die op de muren aan beide zijden van ’t poortgebouw geplaatst waren (2 en 3).
Binnen de poort staan twee wachthuisjes (4) voor ’t dienstdoende wachtvolk en daarachter een muurtje dat, volgens javaansche gewoonte, ’t gezicht van buiten naar binnen belet.
Wij bevinden ons nu op een plein (5), waarop een in javaanschen stijl opgetrokken pendapa staat, de bangsal pagelaran, een op houten stijlen, soekoe, rustend dak, met een afdak, tratag, om de vier zijden. Het is de wachtplaats voor de boepati’s, regenten, die ’t bevel voeren over al ’t wachtvolk.
Links en rechts van ’t plein zien we tuinen (6 en 7) met soekoen-, doeren-, koeweni- en pikel-boomen, welke tuinen naar hun ligging benoorden of bezuiden ’t plein kebon ler en kebon kidoel genoemd worden.
We gaan de tuinen voorbij en komen oostwaarts aan een tweede poort (8), de gapoerå panggoeng (Gapoera is een kratonpoort) dus genoemd naar een terras, panggoeng, dat men langs twee buitentrappen, aan de noord- en aan zuidzijde van ’t gebouw aangebracht, beklimmen
[Blz. 417]
kan en vanwaar men ’t plein en de buitenpoort zoomede een deel der tuinen overziet. Beneden in ’t gebouw vinden we twee over elkander gelegen wachtkamers en vóór den westergevel een afdak.
De poort doorgaande komen we op een achthoekig plein (9), met den gedong lopak-lopak als hoofdgebouw in ’t midden. Dit is een veelhoekige toren die in zijn benedenvertrek een groote ronde steenen tafel bevat, waarop de loonen voor ’t wachtvolk uitgeteld worden. Andere vertrekken in dezen toren dienen tot wachtkamers voor de boepati’s, panewoe’s en mantri’s van dienst.
Behalve de beide genoemde poorten heeft dit plein nog zes kleinere uitgangen, kori, waarvan er zich één in elk der zes overige zijden van den achthoek bevindt. Twee van die uitgangen (10 en 13) voeren ons naar bloementuinen en worden daarom kori kebon sekaran genoemd. In die tuinen worden alleen welriekkende bloemen gekweekt als melati, gambir, nagasari, sedep oelem enz. Twee andere poortjes (11 en 12) komen in vruchtboomgaarden uit, waarin pelem (mangga)-boomen en nanas-planten groeien. De beide nog ongenoemde uitgangen bevinden zich in den noorder- en zuidermuur en voeren langs ommuurde tuinpaden naar andere delen van den lusthof.
Gaan wij eerst door den zuidelijken uitgang naar den gedoong tjarik (14). Het pad daarheen is aan weerszijden, evenals alle andere paden, met groote steenen bloempotten bezet, waarin melati en andere geurige bloemen bloeien.
De gedong tjarik dient, zooals de naam aanduidt, den schrijvers tot bureel om de rapporten van ’t wachtvolk te ontvangen en op te teekenen.
Verder bevat de achterhelft van ’t gebouw een grooten steenen trap waar langs we zuidwaarts afdalen en onzen weg, eerst een weinig westwaarts afwijkend, naar ’t zuiden, tusschen twee ommuurde tuinen een voor sirih en de ander voor groenteteelt bestemd, vervolgen. Links of oostwaarts geeft de kori kebon soeroek (15) toegang tot den eersten en rechts of
[Blz. 418]
westwaarts, de kori kebon sajoeran (16) toegang tot den tweeden tuin.
Vlak vóor ons hebben we thans den gedong gerdji (17), waar, zooals de naam aangeeft, de kleermakers van den Sultan arbeiden en bovendien nog een plek gevonden wordt, waar de kinderen en kleinkinderen van den Voorst onderwezen worden door de prijaji soera nata.
Achter dit kleedermakers- en schoolgebouw dalen we weder verder zuidwaarts naar de baloembang gerdjen (18) af, een groote vijver, waarin al ’t water van de hooger liggende tuinen uitstroomt. Een met bloempotten beplant terras omringt den vijver en vergunt ons hem om te wandelen en den grooten steenen naga te zien, wiens geopende muil ’t onderaards voortgeleide water in den vijver uitstort.
In den zuidelijken muur van dit terras treffen we de kori peksi beri (19) aan, een in- en uitgang voor ’t werkvolk, dus genaamd naar den grooten steenen garoeda-vogel (ook beri geheeten) die boven op ’t poortgebouw door zijn vleugels aanwijst, dat men van hier in de buitenwereld ontwijken kan.
Buiten dezen muur en binnen den zuidelijken buitenmuur van Taman Ledok blijft nog een klein veld over (20), dat met pandan-wangistruiken beplant is en daarnaar genoemd wordt.
Ten westen daarvan en van den baloembang gerdjen ligt nog een namnam-tuin (21) en ten oosten een kleinere, lange en smalle pakel-tuin (22), en beoosten dezen eindelijk nog een moestuin (23).
Wij keeren natuurlijk langs den vijver (18) terug en vinden nu beoosten den gedong gerdji (17) een deur, die ons den toegang geeft tot een klein pleintje (24), waarop de gedong lawon, een kleedermagazijn voor de vorstelijke pradjoerit’s staat.
Ten zuiden daarvan geeft een andere deur niet aan ons, maar wel aan de bijvrouwen, selir, van den Sultan en hare jeugdige kinderen toegang tot een kleineren vijver (25), de baloembang oemboel sari, die hun tot badplaats dient, en, zooals de
[Blz. 419]
naam bewijst, water van onder den grond opvangt (oemboel). Ook deze vijver is door een klein terras met bloempotten omgeven.
Langs den gelong lawon (24) teruggaande, treden we nu noordwaarts een ander plein binnen, waarop drie gebouwen staan. Langs de noordzijde de kedaton pesarejan dalem (26) die een slaapvertrek voor den Sultan bevat en langs de oost- en westzijde een paar lange gebouwen (27 en 28), waarvan het eerste, de gedong pandjang kang wetan of ’t oostelijke lange huis (27), als aanrechtkamer voor den vorstelijken maaltijd dienst doet en ’t andere, de gedong pandjang kang kilen of het westelijke lange huis (28), voor ’t gereedmaken van de rijst en vleeschspijzen gebruikt wordt. Bovendien dienen beide gebouwen tot wachtkamer voor de bijvrouwen van den Vorst.
De daken van deze drie gebouwen zijn met grote banaspati’s bekroond.
De gedong dapoer of keuken (29) ligt bewesten, achter den gedong pandjang kilen (28), benoorden den sirihtuin (15).
Wij gaan nog eenmaal langs den gedong lawon (24) terug om van daar oostwaarts de trappen van een dergelijk gebouw (30) op te klimmen, als we in den gedong tjarik (14) hebben leeren kennen en dat tot wachtkamer dient van de prijaji soeranata en van de vorstelijke kleedermakers. Lichaam en geest worden wel gelijkelijk verzorgd!
Dit gebouw oostwaarts verlatende komen we op een breeden weg uit, die ons langs verschillende, altijd ommuurde tuinen voert. Links hebben we eerst de kebon koemoekoes (31), die de grondstof levert voor ’t vervaardigen van de oepet’s of lonten, die natuurlijk nooit in ’t gevolg van den sultan mogen ontbreken. (Koemoekoes beteekent echter rook, damp, de nevelige staart van een komeet enz.)
Rechts daartegenover ligt weder een groentenveld, kebon sajoeran (32).
[Blz. 420]
Dan volgt links nog een pepertuin, kebon mritja (33) en rechts een kampoeng (34) met woonhuizen voor ’t wachtvolk van de lusthof, de kontja taman.
Na deze tuinen rechts en links te hebben laten liggen, voert onze weg ons vóór en in een open wachthuis (35) voor de pradjoerit’s van den Sultan. Het gebouw heeft acht in- of uitgangen, twee in elk der vier zijden, die gezamenlijk met acht in de binnenmuren aangebrachte openingen vier elkander kruisende doorgangen vormen, welke aan ’t overigens laag overdekte gebouw eenige luchtigheid verzekeren.
Als we recht oostwaarts doorwandelen, tusschen een pinang- en sirihtuin, kebon djambe soeroeh (36) links en een kampoeng (37) voor de tandoe (draagkoets of draagstoel)-dragers, konta penandon, bestemd, rechts, dan zouden we op den weg (38) naar den aloen-aloen kidoel, ’t zuidelijke voorplein van den kraton, uitkomen en den lusthof verlaten hebben, waarvan we nog maar een klein deel bezochten. Wij gaan dus door een der noordelijke uitgangen van ’t wachthuis (35) naar buiten, op een even breeden weg, die ons tusschen de reeds genoemde peper en pinangtuinen (33 en 36) naar den scheidingsmuur tusschen de lagere zuidelijke en de hogere noordelijke tuinen van Taman Ledok voert.
Een poortje (39) in dezen muur vergunt ons den weg noordwaarts te volgen tusschen een vrij groot plein links (40), dat den ambtenaren, prijaji, van den Sultan tot verzamelplaats en den vorstelijken dansers tot oefenschool dient, en een vruchtboomgaard rechts, naar een tweede wachthuis (41), de gedong gandek, dat volkomen aan het eerste (35) gelijk is, en den zendelingen, gandek, van den Sultan ten verblijf strekt. Dit gebouw is eerst in de laatste jaren ingevallen. De bezoekers van ’t waterkasteel, die gewoonlijk van Jogjakarta uit door de lang verdwenen toegangspoort (44) binnenkwamen, vonden hun weg door dit wachthuis. Thans gaat men om zijn puinhoop heen, die veel minder schilderachtig is dan ’t niet onfraaie piramidale dak en de lage poortmuren van vroeger.
[Blz., 421]
Aan beide zijden van den oostelijken uitweg zien wij tuinen met vruchtboomen, kebon grodjogan (42 en 43), waarin pelem-madoe, kapoendoeng, pidjetan en kokosan en langs de zijden kelapa-poejoeh en –gading groeien.
De uitweg zelf is aan weerskanten met kenari-boomen beplant en de toegangspoort in den oostelijken buitenmuur (44) wordt daarom kori ing kenari genoemd. Buiten dien uitgang voerde een nu niet meer bestaand pad (45) verder oostwaarts, naar ’t zuidelijke tusschenplein van den kraton, mandoengan kidoel, terwijl de noordelijk loopende rijweg (46) een weinig benoorden de kori ing kenari, evenzoo oostwaarts omboog en naar de mandoengan kepel voerde. Dezen weg vinden we vermoedelijk terug in den tegenwoordigen rijweg naar ’t plein magangan.
Wij gaan echter van den gedong gandek (41) verder noordwaarts, om langs een tiental trappen [treden] (47) een breed terras (92) te beklimmen, dat op de scheidingsmuur tussen de beide Taman’s gebouwd is, en waarvan men een goed uitzicht heeft op den grooten vijver van Taman Sari en ’t Kenanga-eiland met zijn hoge gebouwen. Dit terras heet eenvoudig pongangan kidoel wetan, omdat het nabij den zuidoosthoek van Taman Sari ligt.
[Blz. 422]
Een zijpad (48) voert hier, westwaarts, langs den scheidingsmuur naar de kori oeroeng-oeroeng (91), een trappenhuis, dat naar den ingang van een op den vijverbodem gebouwden overdekten gang omlaag voert (88), dien we straks zullen leeren kennen. Eerst hebben we nog een voornaam gedeelte van Taman Ledok te bezichtigen.
Daarom gaan we midden door den boomgaard (49), onder pelem-madoe en doekoeboomen, naar den weg die van den gedong gandek (41) westwaarts leidt, en komen dien weg verder volgend, tusschen den pasgenoemden boomgaard (49) en de vroeger (50) reeds bezochte verzamelplaats van de ambtenaren en hofdansers (40), op een plein (51) uit, waarop rechts en links een wachthuis staat voor de vrouwelijke volgelingen, paranjahi, van den Sultan, die de wacht buiten hebben. Vóor ieder dezer wachthuizen staat een klein gebouwtje (52) met een banaspati gekroond, en dat een steenen gentong met drinkwater bevat.
De achterzijde (westkant) van ’t plein wordt weder ingenomen door een gedong gapoera panggoeng (53) of poortgebouw dat, evenals zijn vroeger genoemd evenbeeld (8) van de andere zijde, toegang geeft tot het binnenste gedeelte van Taman Ledok.
Vier vertrekken in dit gebouw dienen den volgelingen van den Vorst tot arrestkamers, gedong peteng.
Zoowel van de voorzijde, als van den achterkant van den boven ’t gebouw uitstekenden middenmuur bevindt zich een klein terras of balkon. Een poortje boven in den middenmuur stelt de beide terrassen in verbinding. Dat aan de vóor- of oostzijde beklimmen we langs een der beide zeer smalle steenen trappen, die aan beide zijden van de poort aangebracht zijn. Op de steenen leuning van ieder dezer trappen ligt een naga als poortwachter. ’T westelijke terras of achterbalkon heeft maar een enkele trap, die aan de zuidzijde naar beneden voert.
[Blz. 423]
Het gansche gebouw, maar vooral ’t hooge metselwerk van den middenmuur is met half verheven en bontgekleurd pleisterwerk bedekt, dat goed gevormde blad- en bloemfiguren en vogels voorstelt en veel meer dan menig ander gewrocht van den smaak des javaanschen bouwmeesters getuigt. ’T achterbalkon afdalende, of de poort zelf beneden doorgaande, betreden we een tweede achthoekig plein (54), geheel gelijkvormig aan dat waarop we bij het binnenkomen den gedong lopak lopak (9) hebben aangetroffen.
Op dit plein staan echter vier wachthuisjes van de paranjahi van den binnendienst, in de vier hoeken van een kruispad dat door steenen bloempotten afgebakend is.
De zes zijmuren van deze achthoek bevatten weder poortjes, evenals die van het westelijke plein (9). Twee (55 en 56) daarvan komen in tuinen uit, waarin ananassen en bloemen als andong, poering, poetra-menggala, met roode, gele en groene bladeren groeien.
De noord- en zuidpoortjes zullen we later bespreken.
De uitgang (57) in den noordwestelijken muur brengt ons in den bloementuin, dien we reeds genoemd hebben toen we van ’t plein van den gedong lopak-lopak den zuidwestelijken [noordoostelijke] toegang tot dien tuin (13) opmerkten.
De zuidwestelijke uitgang (58) van den oostelijken achthoek kan ons evenzoo in den bloementuin voeren, dien we door het zuidwestelijke [zuidoostelijke] poortje (10) van ’t westelijke plein gezien hebben.
Deze beide tuinen omgeven dus, met de westzijde van ’t oostelijke en de oostzijde van ’t westelijke plein een dieper gelegen rechthoekig terrein, dat van noord tot zuid veel langer is dan van oost naar west.
Van ’t westelijke plein hadden we door ’t oostelijke poortgebouw (59a) dat terrein reeds vroeger kunnen bereiken. Thans doen we dit door ’t overeenkomstige westelijke gebouw (59b) van onzen oostelijken achthoek.
Beide gebouwen bevatten een reeks van vijftien zeer breede
[Blz., 424]
steenen trappen [treden] en hebben groote banaspati’s in den gevel. Dalen we nu de 15 trappen [treden] onder het poortgewelf van ’t oostelijke trappenhuis af, dan betreden we ’t diepe terrein dat oemboel winangoen genoemd wordt, naar de drie aldaar zich bevindende vierkante waterbekkens, die door uit den bodem opwellende bronnen, oemboel, uit den grooten vijver van Taman Sari gevoed worden.
Wij zien echter slechts twee van die bekkens, omdat het derde en meest zuidelijke nog voor ons verborgen blijft achter een kruisvormig gebouw (60) met een vierkante toren (boven ’t kruispunt der beide deelen van den onderbouw), dat gedong panggoeng oemboel-winangoen genoemd wordt en ’t rechthoekige terrein in twee delen, een grooter noordelijk- en een kleiner zuidelijk gedeelte, scheidt. Treden we langs den oostkant van ’t middelste waterbekken (63) den met een banaspati gekroonde ingang van dat gebouw binnen, dan bevinden we ons in een vertrek dat den Sultan bij ’t bezoeken van deze badplaats tot slaapkamer dient, en den toren beklimmende kunnen we op de verschillende verdiepingen nog enkele bovenvertrekken bezoeken, die een betrekkelijk ruim uitzicht over een deel van Taman Ledok geven.
De oostelijke en westelijke armen van ’t kruis sluiten tegen de zijmuren van het rechthoekige terrein aan; de noordelijke en zuidelijke armen reiken tot aan den zuidelijken rand van het middelste en den noordelijken rand van het achter ’t gebouw gelegen zuidelijke waterbekken.
Tegenover dit gebouw, wordt het noordelijke gedeelte van het terrein ingenomen door een gebouw dat gedong patehan heet (61), en tot bereiding van de thee dient, die den Sultan in deze badplaats geschonken wordt.
Daarvóor ligt het noordelijke bekken (62) met een terras in ’t vierkant er omheen, dat, evenals de terrassen om de beide andere bekkens, met steenen bloempotten bezet is. Dit bad, oemboel moentjar (overloopende wel) genaamd, bevat, even als ’t volgende, een kunstmatige wel in ’t midden, en in elk
[Blz. 425]
der vier hoeken van ’t vierkant een steenen voetstuk, waarop weder een groote steenen bloempot staat.
De zuidelijke terraszijde scheidt het van ’t middenbad (63), baloembang koeras (koeras is doorspoelen of in dit geval misschien afspoelen), dat den Sultan als privaat dient, terwijl ’t zuidelijke waterbekken (64), achter ’t kruisvormige gebouw, het drinkwater voor den Sultan moet leveren.
Dit bekken, mede door eene wel midden op den bodem gevoed, heet oemboel winangoen (dit laatste woord beduidt in dezen zin ’t nieuwe, pas voltooide). Voor weinige jaren was de toren die boven den gedong panggoeng verrees nog in zijn geheel aanwezig en, met de noodige voorzichtigheid, beklimbaar. Thans ligt hij in puin.
We kunnen deze baden verlaten door ’t westelijke trappenhuis, dat ons op het plein van den gedong lopak-lopak terugvoert, en onze wandeling door Taman Ledok voltooien, door den noordelijken of den zuidelijken uitgang van dat plein te passeeren, en een met bloempotten beplant pad te volgen, dat ons, om de reeds genoemde tuinen heen, weder op ’t oostelijke achthoekige plein terechtbrengt, door een der poortjes in zijn noordelijke en zuidelijke muren (65 en 66), en vandaar het reeds genoemde trappenhuis kori oeroen-oeroeng (91) weer op te zoeken en langs zijn trappen naar den overdekten gang af te klimmen, die ons, over den vijverbodem, regelrecht naar ’t Kenanga-eiland voert.
Vooraf echter, van den grensmuur tusschen Taman Ledok en Taman Sari een blik over ’t laatste werpend, overtuigen we ons dat dit noordelijke gedeelte van den geheelen lusthof bijna geheel door een grooten vierkanten vijver, de segaran, ingenomen wordt. Midden in dien vijver ligt het eiland (poelo) Kenanga (groenbladerige, zeer geurige boombloem) in den vorm van een langwerpig vierkant terras, dat in ’t midden een kleiner en hooger terras van gelijken vorm draagt, waarop de hoofdgebouwen van den lusthof, de gedong panggoeng met zijn bijgebouwen, opgetrokken zijn.
[Blz. 426]
Evenals de reeds genoemde overdekte gang, die ’t eiland met den zuidelijken vijverkant (de scheidingsmuur tusschen de beide Taman’s) verbindt, voert een andere overdekte weg, eveneens over den vijverbodem, van den zuidwestelijken hoek van ’t eiland naar den westelijken vijveroever. Beide gangen liggen dus gedeeltelijk onder de oppervlakte van ’t water. Alleen hun zijmuren en de daken, die deze muren overdekken, verheffen zich daarboven. Boven deze daken rijzen nog van afstand tot afstand enkele vierkante torens op, die de noodige lucht- en lichtgevende vensters bevatten (in elk der vier muren een) en door piramidale daken gedekt zijn. (De zuidelijke gang bestaat nog in zijn geheel; van den westelijken gang zijn nog brokstukken van de toren overgebleven.)
Wij zijn den zuidelijken gang doorgewandeld en hebben de trappen van zijn noordelijke kori oeroeng-oeroeng (88) beklommen en staan nu op ’t Kenanga eiland aan den voet van den zuidelijken gevel van den middenbouw (67), de gedong panggoeng.
Breede trappen voeren ons omhoog over de beide terrassen en onder twee poorten door naar de benedenverdieping van ’t gebouw dat door vier deuren naar ’t zuiden en naar ’t noorden gemeenschap heeft met het hoogste terras (78).
Van binnen voeren, rechts en links, twee deuren naar slaapkamers van den Sultan.
De bovenverdieping, loteng, heeft aan de noordzijde drie vensters. In ’t midden van de zuidzijde voert een deur naar een overdekt balkon, dat door twee vensters een ruim uitzicht naar het zuiden heeft, en welks muur van buiten, om en tusschen de vensters, met half verheven en bont gekleurd beeldwerk, bloemen en banaspati’s, versierd is.
Naar dit balkon, panggoeng, draagt het gansche gebouw, en in engeren zin dit middengedeelte, zijn naam. Ook de muren van de verschillende vertrekken en de leuningen van de trappen die naar boven leiden zijn met beeldwerk bekleed.
[Blz. 427]
Aan beide zijden van dit gebouw grenzen smallere tusschengebouwen, die het met de beide eindvleugels in verbinding stellen, die weder even diep zijn als ’t middengedeelte.
De westelijke tusschenbouw (68) dient beneden tot oefenschool van de kalangenan dalem of vorstelijke danseressen en boven tot zit- en eetkamer van den Sultan en zijn vrouwen.
De westelijke eindvleugel, gedong pasaréjan dalem (69), waartoe deuren van den tusschenbouw uit den toegang geven, bevat op de bovenverdieping een slaapkamer van den Sultan aan de noordzijde, een zitkamer in ’t midden en een wachtkamer voor de Ratoe of vorstelijke gemalin, aan de zuidzijde.
In dit vertrek vinden wij nog de trap naar de benedenverdieping, wier middenvertrek den Sultan tot zitkamer dient wanneer hij de dansoefeningen van zijn kalangenan’s bijwoont.
Het oostelijke tusschengebouw (70) stelt den gedong panggoeng met den oostelijken vleugel in verbinding. Het benedengedeelte dient de bijvrouwen en jonge kinderen van den Sultan tot wachtkamer, wanneer zij hun opwachting bij de Ratoe maken, die de bovenverdieping als zitkamer gebruikt, terwijl ze haar eigenlijk slaapverblijf in de daaraan grenzende bel-etage (71) van den eindvleugel vindt, en wel aan de noordzijde. Het daarmede verbonden middenvertrek is weder een wachtkamer en de zuidelijke kamer herbergt de trap, die naar beneden voert in de ontvangkamers der Vorstin.
Tusschen de beide eindvleugels en het middengebouw blijven vóor en achter de tusschengebouwen vier ruimten over, die men als de deelen van een derde terras kan beschouwen. Op ieder van deze terreinen staat een klein gebouw (72), dat tot werkkamer van de bijvrouwen en dochters van den Sultan dient, en waar zij zich met haar onderhoorigen met batikwerk onledig houden.
[Blz. 428]
Naast drie van die vier gebouwen staan nog kleine badkamers (73) ten dienste van dezelfde personen.
Van den noordkant van ’t middengebouw klimmen twee groote buitentrappen langs de oostelijke en westelijke zijmuren naar de bovenverdieping omhoog, de westelijke trap (74) naar de vorstelijke slaapkamers, en verder, zuidwaarts, om den zuidwestelijken hoek van den gedong poenggoeng, naar den westelijken toegang tot het balkon en naar een tweede verdieping, waarvan de bestemming niet vermeld wordt.
De oostelijke trap (75) voert langs den anderen kant van het middengebouw naar dezelfde gedeelten er van, en bovendien naar de slaapvertrekken van de Ratoe in den oostelijken vleugel.
Zowel vóor als achter den gedong panggoeng verheffen zich twee poorten (dus vier in ’t geheel) boven de breede trappen (76), die van de vóor- en achteringangen van ’t gebouw over de beide terrassen naar de vijver afdalen. Aan beide zijden van ieder van die poorten staat op elk der beide terrassen nog een wachthuisje (77) voor het dienstdoende wachtvolk.
Met twee dergelijke wachthuisjes naast elk der beide poorten die de trappen overspannen, welke van de beide eindvleugels naar den oostelijken en den westelijken waterkant afdalen, zijn er dus twaalf wachthuisjes in het geheel.
Steenen bloempotten met geurige bloemen, taloeki, melati, menoer, gambir, sroeni en sedep oelem, omringen het hoogste terras (78), dat aan de vier zijden door de reeds genoemde trappen en poorten (79) het lagere gemeenschap heeft, hetwelk met manggisboomen beplant is (80), waarvan er 10 aan de noordzijde, 6 aan den oostkant, in ’t zuiden 7 en 6 aan de westzijde staan. Dit terras omwandelend zullen wij de kori kakoes ingkang wètan ¹) (81) liever niet binnen treden en evenzoo de deur van een dergelijke inrichting
¹) Smakelooze verbinding van hoogjavaansch met een zeer laag hollandsch woord [kakhoes], dat niet pleit voor de fijne beschaving van onze vroegere landgenoten die zulke woorden invoerden!
[Blz. 429]
aan de westelijke waterkant (82) voorbijgaan, om nog een vluchtigen blik aan de vier benedenuitgangen (83) te wijden, die alle op ’t water uitkomen
Vóor den westelijken uitgang betreden we nog een klein terras (84), dat zuidwaarts met de kori oeroeng-oeroeng (85) van den westelijken overdekten gang gemeenschap heeft. Wij dalen langs de trappen van dit gebouw naar den gang af en merken daar op dat de vloer van den gang die op de vijverbodem ligt, aan beide zijden door een kleine waterleiding begrensd wordt, welke tot afvoer van het door den bodem of de zijmuren heendringende water dient.
Drie vierkante torens (86) rijzen op geregelde afstanden boven ’t dak van dezen gang op en geven door een vierkant venster in elk hunner vier muren den vrijen toegang van lucht en licht.
Halverwege benoorden deze gang en grenzende aan den noordelijken muur van den middelsten toren vinden we een gebouw, dat alleen van dien toren uit betreden kan worden (87). Zijn uiterlijk heeft eenige overeenkomst met een klein rond fort en de vensters, die zeer veel op schietgaten gelijken, verhogen die illusie.
Dit gebouw is bekend onder den naam van soemoer goemoeling. Een poortje in de beide gemetselde muren voert ons uit den gang naar binnen en nu blijkt ons dat het vreemde gebouw uit twee concentrische ringmuren bestaat, door een nagenoeg plat dak onderling vereenigd. De cirkelvormige ruimte binnen den binnenste ringmuur blijft geheel open en dringt tot op een zekere diepte in den bodem onder den vijver door. De put die daardoor gevormd wordt geeft aan ’t gebouw den naam soemoer. Gemoeling, van goeling, plat nederliggen, kan met den lagen, afgeplatten vorm van ’t gebouw in verband gebracht worden.
Het gebouw bezit een ringvormige benedenverdieping, die slechts weinig boven het oppervlak van het putwater verheven is, en alleen door vier kleine poortjes gemeenschap met de ruimte boven
[Blz. 430-431]
den put heeft. Van elk dier poortjes stijgt een smal stenen trapje naar boven tot het middelpunt van de open ruimte, waar de vier trappen zich vereenigen en een vijfde trap naar een der binnenpoortjes van de mede ringvormige bovenverdieping uitzenden, die bovendien door geschutpoortvormige vensters, in den, even als de binnenwand zeer dikken, buitenmuur met de buitenlucht in gemeenschap blijft. Twee andere poortjes geven nog toegang tot halfrond uitgebouwde nissen, op welker vloerbodem een paar voetzoolvormige steenen gemetseld zijn. Als men zijn voeten op die steenen plaatst en nederhurkt, zal men begrijpen waartoe de opening in den bodem dient, die tusschen de steenen is aangebracht.
In strijd met andere fabelachtige uitleggingen, dienden de beide omgangen den hofdansers tot oefenplaats. Zij dansten op de bovenverdieping, terwijl de gamelan beneden opgesteld was en aldaar door de nijaga’s bespeeld werd.
De trappen van de westelijke kori oeroeng-oeroeng brengen ons op den westelijken segaran-oever, dien we straks zullen bezoeken. Eerst keren wij naar poelo Kenanga (88) terug, om door de kori oeroeng-oeroeng van zijn zuidelijken rand, in den zuidelijken overdekten gang af te dalen, die evenzoo gebouwd is als de westelijke, maar ’t eiland met den zuidelijken oever van de segaran, of den noordelijken grensmuur van Taman Ledok verbindt. In stede van drie heeft deze gang echter vijf torens [(89)] en beoosten den middelsten toren (90) een hooger en vierkant torengebouw, dat gedong tjemiti of zweephuis genoemd wordt. Deze naam blijft mij onverklaarbaar. Het heeft gemeenschap met en is alleen toegankelijk van uit den middelsten toren van den overdekten gang. Een ronde toren tegen zijn zuidzijde aangebouwd, maar ongeveer gelijk in doorsnede aan den gedong zelf (en dus veel grooter dan op den plattengrond is aangegeven), bevat een wenteltrap die naar beide bovenverdiepingen leidt.

[De tekst van de pagina’s 431-434 is niet overgenomen. Wel wordt hierbij een verklaring gegeven van de nummers op de plattegrond, die in dit tekstgedeelte zijn genoemd.
93. Brug over de afvoer van overtollig water;
94. Ingang van de reserve waterleiding, te gebruiken wanneer (105) verstopt mocht raken;
95. Ligplaats van een boot, die wordt gebruikt voor het voeren van de vissen;
96. Inlaat; water uit de Kali Tjodé;
97. Theehuis;
98. Waterpoort benoorden een trap vanwaar bezoekers worden overgezet;
99. Wachthuis met vijf kleine kanonnen op het dak; voor de dragonders van de Hollandse lijfwacht;
100. Theehuis;
101. Inlaat; water uit de Kali Winangaa;
102. Ligplaats van een boot, die wordt gebruikt voor het voeren van de vissen;
103. Bewaarplaats van de vorstelijke prauw, een geschenk van de VOC;
104. Het westelijk trappenhuis;
105. Ingang van de waterleiding die de bekkens van Taman Ledok van water voorziet;
106. Lucht- en lichtkokers t.b.v. de werklieden die de waterleiding moeten schoonhouden;
107. Pendopo, een rustplaats voor de Sultan;
108. Steiger langs de zuidkant van de vijver;
109. Lucht- en lichtkokers, boven de daar lopende waterleiding;
110. Terras;
111. Trappen naar de lager gelegen tuinen van Taman Ledok.]

[Blz. 434]
Ondanks den slechten staat van de nog overgebleven gebouwen, vooral van die welke het Kenanga-eiland nog tot een schilderachtig landschap verheffen, mag de lusthof geen de minste aanspraak maken op oudheidkundige of bouwkundige waarde. Maar hij behoort eenmaal tot de merkwaardigheden van Jogjakarta en getuigt, zij ’t ook in geen al te edelen zin, van den minder bevalligen dan bouwvalligen kunstsmaak der nakomelingen van de bouwmeesters van tempels als de reeds eeuwen tartende en onvergelijkelijk schoone Bara Boedoer.
Jogjakarta, Jan. 1884 J. Groneman *]
*] zie Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië – 1ste deel, 829 

ILW Yogyakarta 1B Waterkasteel Plattegrond

Nota behoorende bij de teekening van het Waterkasteel, door R.D.M. Verbeek.

[Blz. 435]
Uit de opmetingen van den heer De Corte is gebleken, dat de lengte EG = 176 meter is. Verder werd gevonden:
De lengte van den gang naar het eiland = 60 meter.
De lange zijde van het eiland Pº Kenanga = 46 meter.[98 meter]
De korte zijde van het eiland “ “ = 46 “
Op de kaart ontbreekt een vijver, lang 43, breed 27 meter, ongeveer liggende ter plaatse aangegeven met de letter H. [...]