door Graa Boomsma, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2017

Leven op de rand, 46-48

[Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 159-161] 

Halverwege september 1930 vernam Alberts dat hij behoorde tot de eenendertig eerstejaars die toegelaten waren tot de Oliefaculteit (het jaar daarop waren het er vijftien, waarna er – door een teveel aan Indische bestuursambtenaren én door de bezuinigingspolitiek – van 1932 tot en met 1934 een studentenstop kwam).
De Indologische faculteit was ondergebracht bij de Verenigde Faculteiten van Rechten en van Letteren en Wijsbegeerte. ‘Er kon gekozen worden voor een taalkundige en een juridisch-economische studie. In het laatste geval werd men voor zijn candidaats geëxamineerd in de vakken Maleis, Javaans, kennis der Islam, Volkenkunde en Koloniale Geschiedenis. [...] Vervolgens bestond het doctoiraal examen uit de vakken Nederlands staatsrecht, Indisch staatsrecht, koloniale economie en een keuzevak.
Waarom kreeg de Indologische faculteit, opgericht om het Leidse monopolie te doorbreken, meteen de bijnaam Oliefaculteit? Omdat de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), een dochtermaatschappij van de Koninklijke Shell, twintig procent van de kosten subsidieerde. Voor een iets uitgebreider antwoord moet eerst de ontstaansgeschiedenis van de faculteit geschetst worden. Die begon met een actie van Frederik Carel Gerretson (1884-1958), die als dichter Geerten Gossaert naam had gemaakt met Experimenten (1913). Gerretson had sociologie gestudeerd, was na een paar afgebroken studies in Heidelberg gepromoveerd, ontwikkelde zich tot amateurhistoricus en kreeg een ambtenaarsbaan bij het ministerie van Koloniën. In 1917 werd hij directiesecretaris van de BPM. Het was Gerretszon die, aldus Faseur, in 1923 het initiatief nam met een nota gericht aan de voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, oud-minister prof. M.W.F. Treub (1858-1931). Gerretson sprak zijn zorg uit over de negatieve invloed van Leidse hoogleraren op hun studenten. Onder de jongere ambtenaren zou een geest van ‘innerlijke abdicatie’ heersen en vanzelfsprekende gezagsuitoefening bestond nauwelijks meer. Die ontwikkeling had volgens Gerretson alles te maken met de Leidse ethische richting. Ander indologisch onderwijs zou Leiden tegenwerk kunnen bieden. De Leidse ethische beweging had veel te maken met het opkomende Indonesische nationalisme in de jaren twintig en de radicalisering van de Indonesische studentenbeweging in Nederland. De aanvankelijk apolitieke Indische Vereniging groeide in 1924 uit tot de strijdbare Perhimpunan Indonesia, en het verenigingsblad Hindria Poeta kreeg een nieuwe naam: Indonesia Merdeka (Vrij Indonesië). Gerretson, Treub en andere conservatieven zagen Leiden dus als de “ethische” boosdoener die het waagde begrip te hebben voor het streven naar Indonesische medezeggenschap. ‘Want de Leidse manier zou ons, dachten ze, duidelijk laten afglijden naar de kloof van Indië los van Holland. Ze zou ons onze heerserspositie doen verliezen’.
Gerretsons noodkreet kreeg gehoor. Enige tientallen Indische ondernemingen, onder wie de Nederlandsche Handelmaatschappij (NHM), de BPM, de Bond van Eigenaren van Nederlandsch-Indische Suikerondernemingen (BENISO), de Handelsvereeniging Amsterdam (HVA), de Koloniale Bank en enkele scheepvaartmaatschappijen, droegen financieel bij aan een op te richten Indologisch Fonds. Dat fonds bekostigde bijzondere leerstoelen voor het onderwijs aan aanstaande bestuursambtenaren. De niet-ethische, historische richting in Utrecht werd dus gefinancierd door grote bedrijven, waarbij het economisch belang vooropstond. De BPM bleek de grootste onderneming, vandaar dat de faculteit de bijnaam Oliefaculteit kreeg.
Onder druk van Colijn, die vanaf augustus 1925 zijn eerste kabinet leidde, kwam de koninklijke handtekening er, en op 2 september 1925 werd Gerretson benoemd tot bijzonder hoogleraar in de oude en jongere geschiedenis van Nederlandsch-Indië en vergelijkende koloniale geschiedenis aan de nieuwe ‘Oliefaculteit’. Tot de liquidatie in 1950 was hij de spil van de Indologie-faculteit. Op 7 oktober 1925 zei hij in zijn oratie over de historische vorming van de bestuursambtenaar, dat het Nederlands koloniaal gezag wat hem betrof nog lang in Indië mocht worden uitgeoefend. Colijn en Treub waren bij Gerretsons oratie aanwezig.
Was het zo dat het bedrijfsleven grote invloed kreeg op de Indologiestudie in Utrecht? Achtten de hoogleraren zich gebonden aan hun geldschieters en werden de toekomstige Indische ambtenaren opgeleid tot loopjongens voor de betrokken bedrijven? Zelfs Gerretson en Treub zagen dit gevaar en regelden dat de Raad van Toezicht van de geldschieters geen directe invloed kon uitoefenen op de hoogleraarsbenoemingen. Die waren voorbehouden aan het college van curatoren.
Alberts bagatelliseert de politieke betrokkenheid van de Indische ondernemers: ‘Uit wezenlijk gevoelde bezorgdheid over een mogelijke toenemende vooruitstrevende invloed binnen het Leidse monopolie, zijn mensen uit de onmiddellijke omgeving der eigenlijke ondernemers [...] te hoop gelopen’. De jaarlijkse financiële bijdrage was niet hoog. Van de vijftigduizend gulden per jaar moesten Gerretson (achtduizend gulden jaarsalaris) en negen andere (deeltijd)hoogleraren, twee lectoren, een secretaris en een bibliotheek worden bekostigd. Sommige professoren gaven zelfs gratis les.
De faculteit moest zuinig met geld omspringen. De bestuurspraktijk bleek sterk af te wijken van wat de term Oliefaculteit suggereerde. Er was geen sprake van indoctrinatie, want de Indische ambtenaren dienden zich te richten op de ‘bescherming van de materiële belangen der inheemse bevolking, ook en soms vooral tegen de belangen der ondernemers en soms zelfs van overheidsdiensten in’. De studenten hadden eerder uit praktische, topografische overwegingen voor Utrecht gekozen dan uit conservatieve idealen.

Leven op de rand, 86-87

[Alberts – Twee jaargetijden, 13-28] 

Jean Chrétien Baud (1780-1850) was de grote man van het Indische ambtenarenonderwijs, dat wil zeggen: de grondlegger van de Indologiestudie in de negentiende eeuw. In dat opzicht was hij zijn tijd ver vooruit. Maar hij bleek ook de drijvende kracht achter het Cultuurstelsel van koopman-financier-koning Willem I, het stelsel dat in 1830 door gouverneur-generaal J. van den Bosch werd ingevoerd en elk jaar een vorstelijk batig saldo opleverde voor Nederland. Door het Cultuurstelsel kwam het bestuur direct in contact met de inlandse hoofden, want via hen kwam de winstgevende export van koffie, suiker, indigo en thee op gang. Baud ging in 1831 als gouverneur-generaal naar Java om het Indisch bestuur te leiden, eerst naast Van den Bosch, na 1834 alleen. Maar Baud wilde kort op Java dienen, omdat hij weduwnaar was en zijn elf kinderen in Nederland had moeten achterlaten. Na de komst van gouverneur-generaal D.J. de Eerens (1836-1840) keerde hij terug. Als staatsraad in buitengewone dienst en koloniaal adviseur van minister van Koloniën Van den Bosch (1834-1840) bleef hij in de luwte, totdat hij hem op 1 januari 1840 als minister opvolgde. Als een van de meest invloedrijke ministers bleef hij tot maart 1848 aan.
Alberts benadrukt in Baud en Thorbecke *] dat Baud vorm en inhoud van de Javaanse cultures – grootschalige verbouw van tropische gewassen – bepaalde en dat hij als minister het Cultuurstelsel verder uitbouwde. Na felle Thorbeckiaanse kritiek in de Tweede Kamer op datzelfde stelsel, die Baud als parlementslid op 23 december 1850 aanhoorde, wilde hij hoogstpersoonlijk en onbezoldigd – maar wel als een soort super-gouverneur-generaal – naar Indië afreizen om eventuele misstanden daar te bestrijden. Thorbecke stak er echter een stokje voor. De kritiek op het Cultuurstelsel, tien jaar vóór de publicatie van Multatuli’s Max Havelaar (1860), was scherp. Op Java heerste een noodtoestand, dat wil zeggen hongersnood, als gevolg van overdrijving van cultures, landbouwkundige onkunde van residenten, knevelarijen van de inlandse hoofden, overdrijving van herendiensten, onderdrukking van Chinezen en het opstuwen van de landrente.
Alberts omschreef Baud als ‘een groot gezegger’ en een man van de wereld. Thorbecke zag hij meer als een kamergeleerde met Pruisische inslag (voordat hij in Leiden professor werd, was Thorbecke privaatdocent in de geschiedenis aan de universiteit van Göttingen geweest). Die twee in één kabinet samenbrengen bleek een onmogelijkheid. Dat laat Alberts’ proefschrift duidelijk zien. Het persoonlijke was tegelijkertijd politiek, en de een bleef autocraat, de ander was liberaal, maar geen van beiden werd democraat. Tegen de achtergrond van de Thorbeckiaanse grondwetsherziening van 1848, die het begin van de definitieve afbrokkeling van de koningsmacht inluidt, is de machtsstrijd tussen Baud en Thorbecke een strijd tussen de oude en de nieuwe politiek.
De politiek van Thorbecke won glorieus, ook in Nederlands-Indië. Het Cultuurstelsel verdween en het particulier initiatief heeft tussen 1870 en 1942 de Hollandse ondernemers geen windeieren gelegd. De ‘Javaan’ werd ook in die periode niets gevraagd.
*] A. Alberts, Baud en Thorbecke 1847-1851. Utrecht 1939. ‘Academisch proefschrift ter verkrijging van den graad van doctor in letteren en wijsbegeerte aan de rijksuniversiteit te Utrecht, op gezag van den rector magnificus Dr. E.H. Quix, hoogleraar in de faculteit der geneeskunde, volgens besluit van den senaat der universiteit in het openbaar te verdedigen op vrijdag 22 september 1939 des namiddags te 4 uur. Deel 18 van de Utrechtse bijdragen tot de geschiedenis, het staatsrecht en de economie van Nederlands-Indië’.

Leven op de rand, 100-102

[Jakarta 5 – Bestuur] 

De opkomst van de Perserikatan Nasional Indonesia (PNI) van Soekarno, Hatta en Sjahrir en de agitatie van de PKI beantwoordde de koloniale macht in de jaren twintig en dertig met systematische onderdrukking: huiszoekingen, vergaderverboden en verbanning naar het eiland Flores of Boven-Digoel. Als de Indonesische politieke elite monddood werd gemaakt, dan bloedde het nationalisme en het communisme vanzelf dood, meende men. Maar de voedingsbodem bleef: de tegenstellingen tussen de inheemse aristocratie en de gewone desabevolking was al groot, die tussen bezetter en de inlander was onoverbrugbaar. Een gemiddeld dorpsgezin van vier of vijf leden op Java en Madoera moest in 1939 van nog geen honderd gulden per jaar rondkomen (Alberts verdiende f 275,- per maand, de gouverneur-generaal meer dan f 6.500,-). Miljoenen kinderen waren ondervoed, de armoedige stadskampongs bleken een rijke bron voor ziektes. En hoewel de slechts achthonderd veelal fatsoenlijke BB-ambtenaren (vijfhonderd in de buitendienst) deden wat ze konden, waren zij te vaak afhankelijk van rapportages van inheemse gezagsdragers als het ging om de sociaaleconomische ontwikkelingen in de desa’s. De strekking van Max Havelaar bleef actueel. Oud-BB-ambtenaar C. Nooteboom heeft erop gewezen dat er ondanks goede bedoelingen, idealisme en onbaatzuchtigheid één grote fout werd gemaakt, ‘een fout waarvoor het begrip slechts langzaam is gegroeid en eerst laat tot rijping is gekomen [...] Deze fout (bestond) uit het niet komen tot het inzicht dat de mensen liever onder eigen bestuur een zwaarder leven hebben dan een geborgen bestaan onder vreemden. Iedere poging tot leiding geven, tot adviseren zelfs, en in nog veel sterker mate tot het invoeren van vernieuwingen onder groter of kleiner dwang, kwetst het gevoel van eigenwaarde dat weinig mensen vreemd is. Al dit pogen wordt als discriminatie ervaren’.
Alberts vormde hierop geen uitzondering. Direct contact met de gewone bevolking had ook hij niet. Zijn informatie haalde hij uit de maileditie van De Rotterdammer en uit het Soerabajasch Handelsblad, waarin met geen woord werd gerept van Soekarno, Hatta of andere politieke leiders. Ook Alberts bleef lang blind voor het nationalisme. Enkele voorvallen in 1941 verwarden hem. Een daarvan ontstond door een bezoek aan Alberts kantoor van Moeryono, onderwijzer op de Hollands Inlandse School (HIS) in Soemenep, die [...] bestemd was voor alle Europese en Madoerese kinderen die hogerop wilden. Moeryono had eerder toestemming gevraagd voor een vergadering van de nationalistische Parindra. Die moest worden aangevraagd omdat in verband met de staat van beleg vanaf 10 mei 1940 alle politieke vergaderingen waren verboden, al werden er uitzonderingen gemaakt. ‘Ik moet verder bekennen, dat het streven van de partij mij nooit enige belangstelling heeft ingeboezemd. Ik wist dat zij bestond, zoals ik wist, dat er achter mijn kantoor een bos klapperbomen stond.