Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw, 70-72

[Jakarta 5 – Paleis] 

Baron v.d. Capellen had zich bij zijne komst in 1816 moeten behelpen met eene gehuurde woning, telkens wanneer de zittingen van den Raad van Indië of andere aangelegenheden zijne tegenwoordigheid ter hoofdplaats vereischten. Dit huis was gelegen op Rijswijk, tusschen de Secretarielaan en Gang Pool, en gedurende het Britsche tusschenbewind gebouwd door den vermogenden Britschen koopman Hope. Van dezen ging het over op den raad van Indië v. Braam, die het in huur afstond aan commissarissen generaal, tijdens het herstel van het Nederlandsch gezag. In 1819 werd het weder voor drie jaren ingehuurd, als ambtswoning voor den gouverneur generaal, “bij gebrek aan een gevoeglijk landsgebouw”. Later werd het door de regeering overgenomen.
De physionomie van het gebouw, waarvan de voorgevel met een kolossaal Nederlandsch wapen prijkte, was weinig indrukwekkend. Het onderscheidde zich hoofdzakelijk door den omvang van eene groote particuliere woning, en deed eenigszins aan eene paardenposterij denken. De bovenverdieping werd, uit vrees voor de aardbevingen, wel niet geheel afgebroken, zooals bij het paleis te Buitenzorg, maar toch zoodanig verlaagd dat aan het aspect van het gebouw daardoor veel schade werd gedaan. Men moest zich in die bekrompen ruimte gevoelen als onder de looden daken van Venetië, die bovenverdieping werd dan ook niet meer bewoond. Wel is waar waren de met marmer bevloerde galerijen en ineenloopende zalen met veel smaak ingericht, maar ’t haperde aan ruimte voor het gezin en talrijk gevolg van den landvoogd, telkens wanneer deze van Buitenzorg kwam om hier audiëntie te verleenen of een openbaar feest bij te wonen.
Ten einde in dit gebrek aan ruimte te voorzien had men aan de bijgebouwen eene groote uitbreiding moeten geven, waardoor de tuin van het paleis, die reeds vroeger ten deele in beslag was genomen voor de bureaux der Algemeene Secretarie, nog bekrompener was geworden. Bij officieele feesten, welke eene talrijke opkomst van genoodigden ten gevolge hadden, moest de landvoogd een deel zijner eigene vertrekken afstaan, en zijne adjudanten in de bijgebouwen huisvesten.
Het meubilair werd van rijkswege verstrekt en onderhouden; de achterzijde van het gebouw gaf uitzicht op een verkleinden en ontsierden tuin, op stallen, keukens, provisiekamers en bijgebouwen. Vroeger had men dien tuin willen inrichten tot een soort van filiale van ’s lands Plantentuin te Buitenzorg, doch dit voorstel was afgestuit op geldelijke bezwaren. Echter moest het gebouw met den aankleve steeds dienen voor de bals, recepties en diners, welke het kortstondig verblijf van een gouverneur generaal te Batavia gemeenlijk kenmerkten.
De toestand werd allengs onhoudbaar, en zoo ging de regeering er toe over om aan de zuidzijde van de tuin een nieuw en grooter gouvernementshotel te bouwen, dat in 1879 voltooid werd.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 23-31

[Semarang 2 – Hoofdbureau] 
[Semarang 2 – Voorgevel] 
[Semarang 2 – Het dubbele dak] 
[Semarang 2 – Gebouw C.] 
[Semarang 2 – De uitbreiding] 
[Semarang 2 – De gebrandschilderde ramen] 
[Semarang 3 – Spoorlijn] 

Klinkhamer – Ouëndag schrijven: Administratiegebouw der Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij te Semarang.
Het is bekend dat de Ned.- Ind. Spoorweg-Maatschappij, wier nieuw Administratiegebouw te Semarang in het begin van Juli van 1907 in gebruik is genomen, [...] den eersten spoorweg op Java heeft aangelegd.
De eerste of stamlijn had ten doel de bloeiende Vorstenlanden Soerakarta (Solo) en Djokjakarta (Djokja) met hunne natuurlijke haven Semarang te verbinden.
Zoo is Semarang de zetel in Indië geworden en gebleven van de Maatschappij, die te ’s-Gravenhage gevestigd is en waaraan geheel Indië zooveel te danken heeft, daar zij den stoot heeft gegeven tot de verbetering van het verkeerswezen in Indië.
Deze hoofdlijn Semarang – Vorstenlanden met haar zijtak Kedoeng Djattie – Willem I, thans samen lang 206 K.M., werd wat haar laatste baanvak Solo – Djokja betreft, op 10 Juni 1872, en, wat betreft den zijtak, op 21 Mei 1873 voor algemeen verkeer opengesteld. Deze lijn is in Midden-Java gelegen.
Daarnaast werd bijna gelijktijdig in West-Java de 56 K.M. lange spoorweg Batavia – Buitenzorg aangelegd.
Waar nu in het Westen uitbreiding van de werkzaamheden der Maatschappij nagenoeg niet plaats had, wegens aanleg van de Westerlijnen door den Staat, is de lijn in Midden-Java sedert 1893 krachtig uitgebreid.
Allereerst met de lijn Djokja – Brossot, lang 25 K.M., en met de stoomtram Djokja – Willem I, lang 111 K.M., maar vervolgens door de groote uitbreiding naar het Oosten met den geheel op eigen baan aangelegden 245 K.M. langen stoomtramweg Goendih – Soerabaja.
[...] en nu stelde de Maatschappij zich in verbinding met Prof. Jacob F. Klinkhamer te Delft en den heer B.J. Ouëndag, architect te Amsterdam, en werd hun de opdracht gegeven voor het ontwerpen van dit gebouw, met verzoek den bouw uit Nederland te leiden, door alle teekeningen te maken en alle uitzendingen te bezorgen.
[...] de groote traphal, waar een monumentale trap naar de verdieping voert en het licht binnenvalt door de gebrandschilderde glazen, vervaardigd in het atelier van gebrand glas ’t Prinsenhof van J.L. Schouten te Delft, die te Delft en ’s-Gravenhage tentoongesteld, de algemeene aandacht hebben getrokken. [...]
De communicatie in de beide vleugels geschiedt door voor- en achtergalerijen, zooals in Indië gebruikelijk is, maar tevens door een ruime binnengang, die direct in de traphal uitmondt en het gebouw koel houdt. [...]
Boven de ingang in het front is de Vergaderzaal. [...]
Ten Zuiden wordt het erf begrensd door de kali, en de hof wordt afgesloten door een gebouw C dat als drukkerij dienst doet en waaraan verbonden is een fietsenbergplaats en een machinekamer.
Uit de reservoirs, zoo hoog mogelijk in de torens opgesteld, wordt het geheele gebouwencomplex van water voorzien, dat uit een groote put opgezogen wordt en ruim 20 M. hoog opgeperst in de torenreservoirs.
Bij het dak van het gebouw heeft het denkbeeld voorgestaan om een zoo eenvoudig mogelijken waterafvoer te verzekeren, met het oog op de geweldige tropische regens en daarbij de zolders, die archief en andere dienstruimten moeten bevatten, koel te houden. Dit laatste gaf aanleiding tot het toepassen van een dubbel dak. Het dakvlak boven de galerijen gaat als het ware door als binnendak boven de kantoorlokalen, doch is, zoover het galerijdak is, slechts met pannen afgedekt. De ruimte tusschen de beide afdekkingen boven de bureaulokalen komt architectonisch tot uitdrukking door een rij met roosters gesloten openingen, slechts onderbroken door vensters die de lokalen der zolders verlichten.
Ventilatoren op den nok versterken den luchtstroom in die tusschenruimte, die echter zoo hoog gehouden is dat schoonhouden zeer goed mogelijk blijft.
De krachtige schaduwwerking van dit dakmotief, gevoegd bij de in de schaduw liggende omloopende galerijen, geven het gebouw een ongezocht Oostersch karakter, wat verhoogd wordt door de witte kleur der muurwerken, slechts verlevendigd door gehouwen steen (Fichtelgebirgs graniet) en de schaars toegepaste kleurige verglaasde baksteen.
Uitwendig teekent zich de traphal af door den koepelvormigen bouw, waarin aan alle zijden smalle vensters de ventilatie geven.
Het boogveld boven het drielicht in het front is versierd met een decoratieve vulling van sectiel-aardewerk volgens ontwerp van Mej. Henr. A. Koopman te Amsterdam en vervaardigd in de Delftsche plateelbakkerij van Joost Thooft en Labouchere. Deze boogvulling geeft, met het roode pannendak en het groene patina van de koperen torenhelmen, tegen het met glazuursteen versierde witte gevelvlak een effect van rijkdom, wat nog verhoogd wordt door de bronzen topversiering, waarvan het model door den beeldhouwer L. Zijl is vervaardigd.
Op het met gazons getooide voorterrein staan nog bezuiden het hoofdgebouw een conciergewoning bij den tuiningang, [...]
Behalve de gebakken steen van de bouwmuren van het gebouw en de bijgebouwen en het hout voor de timmerwerken, zijn alle materialen voor dit belangrijk werk uit Europa aangevoerd en zal men zich een goed begrip kunnen vormen van de vele beslommeringen die daartoe noodig waren, wanneer men bedenkt dat niet enkel de materialen tijdig op het bouwterrein geleverd moesten worden, doch ook rekening gehouden moest worden met het eventueel te loor gaan van een lading daarvan, doch ook met breuk tijdens het transport en de uitlading te Semarang.
Alles werd naar teekeningen en modellen vervaardigd en met groote zorg uitgevoerd en dient nog vermeld dat aan graniet alleen een hoeveelheid van ruim 350 M³ is verwerkt en die levering op zulk eene bevredigende wijze naar teekeningen is uitgevoerd, dat niet een enkel stuk in Indië verhakt is moeten worden.
In het geheel hebben er gedurende een 4-tal jaren per dag gemiddeld 300 inlanders aan gewerkt, zonder hulp van Chineesche werkkrachten, zoodat daarmede een gunstige getuigenis is afgelegd van hetgeen met inlandsche werkkrachten onder Europeesche leiding gedaan kan worden.
En nu terwijl het gebouw betrekkelijk slechts een gering aantal jaren in gebruik is genomen, is de uitbreiding van den dienst zoo belangrijk gestegen, dat op het nog open gedeelte van het terrein, aan de Oost-zijde, een nieuw gebouw moet worden gesticht.
Dit nieuwe gebouw van rechthoekigen vorm, groot ruim 23 M. bij 77 M. lengte, bestaat in hoofdzaak uit een lange middengang waaraan de werklokalen zijn gelegen en is rondom omgeven door galerijen. Hoewel deze nieuwe bijbouw dus wat indeeling betreft niet afwijkt van het reeds bestaande gebouw zal de te volgen constructie eene geheel andere zijn.
Het geheele gebouw toch zal in geraamte en dus wat betreft de steunpunten en vloeren worden opgetrokken in gewapend beton, terwijl de gebakken steen slechts als dunne muren en als vlakvulling zal worden gebezigd.
De bedoeling is om voor het werk zooveel mogelijk materialen in Indië verkrijgbaar toe te passen en hoewel het ontwerp met de bestekken en de detailteekeningen van de gevels etc. op 1 à 20 van de ware grootte door den architect B.J. Ouëndag te Amsterdam (Prof. J.F. Klinkhamer, Adviseur) zijn vervaardigd, zal de verdere uitvoering en detailleering geschieden door het eigen personeel in Indië van de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 41, 42, 47

[Jakarta 1 – Kasteelgracht] 

In den tijd van den kroniekschrijver ds. François Valentijn vertoonde dit Kasteel zich ‘zeer hoog van muren’, te naastebij vierkant van vorm, verdedigd door vier bolwerken, alles van koraalsteen opgemetseld. Van de vier poorten gaf die aan de landzijde, met het jaartal 1631 er boven, toegang tot een binnenplein, begrensd door verschillende bureaux, woonhuizen en openbare gebouwen. Onder deze laatsten de zg. Kasteelkerk, en daarnaast stond de ‘generaalswoning’. Het was een gebouw van twee verdiepingen; het dak zoo hoog dat men het ver uit zee zien kon boven alle huizen en bolwerken uit, te meer omdat het torentje op het dak met een scheepje als windwijzer het kenbaar maakte.[…]
Ter zijde van den geplaveiden binnenhof bevond zich nog een andere galery met vensters van gevlochten rotan en dicht bij de rivier gelegen, waar 140 tot 150 menschen konden zitten. Hier werd gemeenlijk het ‘scheymaal’ gehouden, aan den vooravond van het vertrek eener naar ’t vaderland bestemde retourvloot. Er werd dan braaf geschranst en gepooierd op kosten van de Loffelijke Compagnie, aan welke zulk een officieele afscheidsmaaltijd op ruim f 2000 kwam te staan.[…]
’t Was begrijpelijk dat de gouverneursgeneraal, wanneer het officieele dagwerk voorbij was, zich liever verpoosden in eene spacieuse woning met omringend plantsoen in de stad, of op eene hofstede in den omtrek, dan binnen de muren van het Kasteel. De officieele generaalswoning aldaar geraakte als woonhuis dan ook meer en meer in onbruik, totdat eindelijk de maarschalk Daendels het gehele Kasteel liet sloopen. In het jaar 1809 werd het besluit uitgevaardigd dat ‘het Generaal Gouvernement met dies bijgebouwen zoude worden gesteld en gelaten buiten onderhoud.’ Spoedig daarop volgde de lastgeving om het historische complex van gebouwen, waarover als ’t ware de geest van Jan Pietersz. Coen zweefde, geheel af te breken. De nog bruikbare materialen moesten worden aangewend voor den opbouw van kazernes bij ’t Molenvliet.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 47-48, 63-64

[Bogor – Buitenzorg]

Ofschoon de ‘thuynen’ der indische landvoogden zich dikwijls op geruimen afstand van de stadspoorten bevonden, geen hunner had zich zijn buitenverblijf zoo ver gezocht als Gustaaf Willem baron van Imhoff.
Deze had het oog laten vallen op het land Kampong Baroe, het latere Buitenzorg, waar hij niet alleen een privé domein voor zichzelf en zijne nakomelingen wilde aanleggen, maar tevens een soort van proeftuin en modelhoeve als voorbeeld voor de europeesche landbouwers, wier immigratie hij zoozeer trachtte te bevorderen. In 1745 werd hem een gedeelte van Kampong Baroe afgestaan door den Raad van Indië; en aanstonds ving hij toen aan met de exploitatie der gronden en den bouw van een huis. Het duurde evenwel tot het jaar 1750 alvorens Heeren Meesters in ’t vaderland toestonden dat dit land, door hem Buitenzorg genoemd, in eigendom mocht worden overgenomen door hem of zijne erfgenamen. En tijdens deze beschikking betreffende Buitenzorg in Indië kwam, was v. Imhoff metterdaad ‘buiten zorg’, nl. op het kerkhof. Toen het bleek dat zijne erfgenamen niet in staat waren het landgoed te beheeren (hij liet slechts drie kinderen na, buiten huwelijk verwekt bij eene inlandsche vrouw) verviel de bepaling omtrent het eigendomsrecht en werd het goed, onder de oorspronkelijke voorwaarde de non alienando, voor 5500 rijksdaalders afgestaan aan v. Imhoff’s opvolger, Jacob Mossel. Het behoorde sedert, tot op den tijd van Daendels, tot den zg. ‘overneem’ der indische landvoogden.
Bij de overdracht op P.A. v.d. Parra in 1763 werd het land beschreven als ‘bebouwt met twee groote steenen huyzen met dubbele vleugels, waarin twee groote zaalen en diverse kamers benevens combuys, dispens enz., gelegen omtrent 12 uren ruym gaans zuydwaarts buyten dese stad’ (Batavia). Van Inhoff had tot model van zijn lusthuis genomen het paleis der hertogen van Marlborough bij Oxford, Blenheim House, en ofschoon hij ijverig voortbouwde was het zoo grootsch opgezet plan bij zijn overlijden nog verre van voltooid. Kort daarna, in 1572, deden stroopende Bantammers een inval op het land Kampong Baroe, waar zij plunderden en verbrandden ‘alles wat maar vuur wilde vatten’. Vermoedelijk ging bij die gelegenheid ook zijne stichting te gronde; de aan zijn opvolger Mossel uitgereikte eigendoms-acte gewaagde wel van de ontginning van den grond en den aanleg van een lusthof, maar niet van aanwezige gebouwen.
De schade werd echter allengs hersteld, en de stijl bleef behouden; althans, de raad van Indië J.C.M. Rademacher gewaagde eveneens van Blenheim House als type voor het gebouw te Buitenzorg. […] In eene resolutie van het jaar 1802 wordt melding gemaakt van verschillende onderdeelen en nevengebouwen tot het geheele complex behoorende, zooals een kerk, eene bakkerij, eene ‘coffijzaal na de thuin’, eene biljartkamer, een hospitaal, een kruithuis, eene kazerne enz. Doch eerst onder Daendels werd met de werkzaamheden voor het ontbrekende hoofdgebouw aangevangen, en onder het Engelsche tusschenbestuur (1811 – 1816) werden de werkzaamheden voortgezet.
Spoedig na het optreden van den Britschen luitenant gouverneur (Raffles) waren groote reparaties noodig aan het ‘groote coepelhuys’, d.i. het middengebouw, doordien onder Daendels ondeugdelijk hout als bouwmateriaal was gebruikt. Tegelijk werden de tuinen in Engelsche plantsoenen veranderd; Raffles haatte niet alleen de Hollandsche ‘Mijnheers’, maar zelfs hunne horticultuur. Vijf jaren later, toen het Nederlandsche gezag over den O.I. Archipel hersteld was en baron v.d. Capellen aan het bewind was, waren er alweer groote reparaties noodig, en toen eindelijk alles voltooid was kwam de aardbeving van het jaar 1834 en deed het paleis instorten. Slechts de zijgebouwen konden voor de stichting van het nieuwe benuttigd worden.[…]
Ten einde eene herhaling van de ramp van 1834 zooveel doenlijk te voorkomen, werd bij den wederopbouw de bovenverdieping van het paleis weggelaten. Dit kwam ten voordeele van de veiligheid (ofschoon zulk een aardbeving sedert niet meer voorkwam) maar het schaadde aan de schoonheidslijn en aan de physionomie van het gebouw. […]
Onder Daendels werd Buitenzorg van gouvernements weder tot particulier bezit, doch wederom tijdelijk. Door den directeur generaal v. IJsseldijk liet hij in 1808 aan de regeering het voorstel doen hem het land Buitenzorg in vollen eigendom af te staan tegen den prijs (39500 rijksd.), dien hij daarvoor volgens gebruik aan zijn voorganger Wiese betaald had, en die hem anders bij aftreden ook weer door zijn opvolger gerestitueerd zou zijn geworden. Daarentegen zou hij aan het gouvernement afstaan zijn landgoed Weltevreden met landerijen en wildbaan. Dit voorstel werd ook aangenomen; het was den leden van den Raad van Indië niet geraden een man als Daendels te dwarsboomen. ’t Volgend jaar werd deze transactie bij Koninklijke kabinetsorder goedgekeurd. Daendels verhoogde toen de waarde van Buitenzorg door verschillende vrijstellingen en monopoliën, hetgeen niet weinig in zijne eigen voordeel was, en in het nadeel van ’s lands kas. In zijne kwaliteit van gouverneur generaal en bij de volgzaamheid van den Raad van Indië had hij dit geheel in zijne hand.
Daarna verkocht hij Buitenzorg en de daaronder behoorende landerijen, te samen eene gansche provincie uitmakende, voor ongeveer een millioen rijksdaalders aan het gouvernement en aan particulieren, welke met het zoozeer in waarde verhoogd goed hun voordeel wenschten te doen. Zoo betaalde zekere P. Feney voor een gering gedeelte 70.000 rijksd.; het gouvernement zelf 400.000 rijksd. voor het paleis en het meubilair en den omliggenden grond. Daendels behoefde uit zijn verkocht paleis niet eens te verhuizen, want de regeering bestemde een en ander (men begrijpt onder welke pressie!) tot een officieel buitenverblijf voor de opeenvolgende gouverneurs-generaal.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 64

[Bogor – Paleis] 

Het paleis zelf verrijst tegenover den noordelijken of hoofdingang (van het park) waarvan het gescheiden is door een uitgestrekte grasvlakte, aan de beide zijden door hoogstammig geboomte ingesloten, en waaraan eene talrijke kudde volkomen tamme Javaansche herten leven en beweging schenkt. In het midden van het grasperk ligt een groote ovale vijver en daarachter rust de blik op het paleis zelf, dat uit eene uitgestrekte aaneenschakeling van gebouwen bestaat, waarvan de breedte in geen goede verhouding tot de hoogte staat, daar men ook hier het aanbrengen van verdiepingen heeft vermeden.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 68-70

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

[…] aan het Waterlooplein te Batavia het z.g. Groote Huis. Ook dit laatste was eenmaal bestemd tot eene woning voor de indische landvoogden, ofschoon het door den loop der omstandigheden die bestemming nimmer vervulde. Het verdiende zijn naam terecht; een grooter gebouw was nergens in den O.I. Archipel te bekennen. ’t Was eene stichting van Daendels, die te Batavia gemeenlijk zijn verblijf hield op het landgoed Weltevreden, gelegen in een bocht van de Tji Liwong, ter plaatse waar zich thans het Groot Militair Hospitaal bevindt. De grond had eene blijvende, zelfs eene stijgende waarde; het huis echter was bouwvallig geworden en door de gevreesde witte mieren ondermijnd. Door de ruiling van dit domein tegen het landgoed Buitenzorg was Weltevreden gouvernementseigendom geworden en nu werden de gronden voor eene aanzienlijke som verkocht behalve het huis en tuin, welke voor den dienst der regeering werden aangehouden. Doch daar dit huis ongeschikt was geworden voor generaalswoning, en het klimaat ongezond heette, liet Daendels in 1809 met den bouw van een nieuw ‘gouvernements-hotel’ aanvangen.
Het was bestemd in de eerste plaats als ambtelijke woning te worden van den gouverneur-generaal en zijn talrijk gevolg, terwijl er eveneens eenige gouvernementsbureaux gevestigd zouden worden. Met een gebouw van dien omvang was echter zooveel tijd en geld gemoeid, o.a. dewijl onderscheidene materialen en onderdeelen uit het moederland moesten komen, dat het Groote Huis bij Daendels’ vertrek in 1811 nog verre van voltooid was. Sedert bleef de bouw steken; onder zijne opvolgers was het geld voor de voltooiing niet te vinden. […]
Eerst onder v.d. Capellen’s opvolger, den burggraaf du Bus de Gisignies, kwam er schot in de zaak. Ofschoon bezuiniging het voornaamste punt was van de instructie, waarmee hij door de koning was uitgezonden, voor dit onvoltooide paleis maakte hij eene uitzondering. Hij liet het gebouw voltooien, echter niet om het zelf te betrekken, maar om het in te richten voor de verschillende gouvernementsbureaux, en daardoor de afdoening van zaken te bespoedigen. Het hoofdgebouw van twee verdiepingen, destijds nog eene zeldzaamheid te Batavia, werd aan weerszijden geflankeerd door een groot vleugelgebouw; het middengedeelte o.a. ingericht tot vergaderzaal voor den Raad van Indië, die hier op 28 Januari 1828 zijn eerste bijeenkomst hield.
De wanden van deze zaal waren toen versierd met een portret van koning Willem I en met de afbeeldingen der gouverneurs generaal die elkaar sedert Pieter Both hadden opgevolgd. Vroeger hadden deze portretten in het Kasteel van Batavia gehangen […]
Behalve deze vergaderzaal van de Hooge Regeering was ook de audientiezaal in dit middengedeelte van het Groote Huis gelegen, zoomede het kabinet van den gouverneur generaal. Verder diende het gebouw tot zetel van de Directie van Financiën en van het Hoog Gerechtshof. Later werd dit laatste college verplaatst naar een afzonderlijk gebouw, tevens bestemd voor de zittingen van het Hoog Militair gerechtshof. Ook waren in het Groote Huis gevestigd de Algemeene Rekenkamer, de Landsdrukkerij en meerdere instellingen, sedert voor een deel naar elders overgebracht.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 72

[Jakarta 7 – Paleis] 

[In de 19e eeuw moest het te kleine ‘Paleis Rijswijk’] steeds dienen voor de bals, recepties en diners, welke het kortstondig verblijf van een gouverneur generaal te Batavia gemeenlijk kenmerkten. De toestand werd allengs onhoudbaar, en zoo ging de regeering er toe over om aan de zuidzijde van de tuin een nieuw en grooter gouvernementshotel te bouwen, dat in 1879 voltooid werd.
Dit kwam derhalve achter het oude te staan, met het front naar het Koningsplein gekeerd. Doch architectonische waarde bezaten geen van beiden, hoezeer men thans de gelegenheid had gehad om een indisch paleis tot stand te brengen in overeenstemming met de positie van een onderkoning over een zoo uitgestrekt koloniaal eilandrijk.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 197

[Jakarta 6 – Roomschen] 

Van Ronkel: Rijke landsvorsten die grootsche gebouwen voor den eeredienst zouden kunnen stichten bezit Batavia niet, hier is het – zooals trouwens bijna overal – de gemeente of de opbrengst van een offerbus op een heilig graf die sticht en onderhoudt wat aan bouwwerk en bijbehooren voor de godsdienstoefening noodig is.
In het van jaar tot jaar mooier wordende Weltevreden, en de allengs ruimer gemaakte maar ook minder schilderachtig wordende ‘benedenstad’ Batavia, vindt men geen hoog uitstekende minarets; eigenlijk is het éénige domineerende de tweeling-toren van de Roomsch-Katholieke kerk aan het Waterlooplein, een knap bouwwerk, door een priester-bouwkundige ontworpen en, naar ik meen, ook door dien architect tevens geestelijke gedeeltelijk uitgevoerd.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 201

[Jakarta 4 – Mohammedaansche Chineezen] 

[Dr Van Ronkel 1916:] Nog meer kota-waarts, maar nu aan de Oostzijde der gracht, vinden wij een bedehuis, dat hoewel minaret of merkwaardigheid in bouworde missend, toch iets opvallends heeft, en wel iets dat in den islam verboden is, en dus aan een godshuis allerminst te verwachten ware. Evenals in het Oude Testament toch is het in de Heilige Wet des islams verboden levende wezens af te beelden; er komen uitzonderingen op dit verbod voor, er is allerwege tegen gezondigd, maar afbeeldingen van menschen en dieren aan den ingang eener moskee, het lijkt wel al te kettersch. Maar de zaak is wel te verklaren. Onder de moskeeën zijn sommige verbouwde huizen uit den Compagnies-tijd. De bewerkte dubbele deur, en de met oud-Hollandsche tegeltjes voorziene stoep zijn uit de dagen der Compagnie.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 294

[Jakarta 6 – Ambachtsschool] 

Als eerste stap in de goede richting [van het bestrijden van het pauperisme onder de Indo’s] is te noemen, de oprichting in 1886 der Bataviasche Ambachtsschool, teneinde minvermogende Europeanen practisch en technisch te bekwamen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 305-308

[Bandung – Van Deventer] 
[Bandung – Van Deventerschool] 
[Jakarta 6 – Hollands-Inlandsche scholen] 

De verschijning van de brieven, door Raden Adjeng Kartini gericht aan hare Europeesche vrienden tusschen 1899 en1904, heeft gewerkt als een electrische schok, niet alleen in Indië, maar ook hier te Lande. Het leed door haar gedragen, is gevoeld door duizenden, die zich tot plicht hebben gesteld verbetering te brengen in de toekomst der jongere en oudere meisjes behoorende tot de inheemsche maatschappij van Indië
Het wachtwoord voor die verbetering was door Kartini zelve aangegeven: opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van geest en gemoed, medewerking der vrouw aan de belangen van het algemeen, eerbiediging der persoonlijke vrijheid in het huwelijksleven.
Vóór alles scholen, waar de meisjes de noodige kennis zouden kunnen verwerven; zij vooral die krachtens den wil harer ouders niet gezamenlijk met jongens mogen schoolgaan.
Pogingen, in 1900 en 1901 in het werk gesteld om Inlandsche meisjesscholen op te richten hadden schipbreuk geleden. Niemand betreurde dit meer dan Kartini. Zij wanhoopte echter niet aan den eindtriomf. En zelve sloeg zij de handen aan het werk, eerst te Japara met hare zusters, later te Rembang, nadat zij gehuwd was met den Regent aldaar, om jonge meisjes om zich te verzamelen en haar de eerste beginselen van kunde bij te brengen.
Lang heeft dit niet mogen duren. Helaas reeds in 1904, nu juist 12 jaren geleden, stierf Kartini plotseling, vijf dagen nadat zij het leven had geschonken aan haar eerste kind. [...]
Wat Kartini niet zelve heeft kunnen volbrengen, geschiedt thans door anderen, en wel in steeds toenemende mate, maar toch is zíj de grondlegster van het gebeuren, want toen niet lang na de verschijning van het boek waarin hare gedachten werden geopenbaard onder den titel 'Door duisternis tot licht', de vereeniging 'Kartinifonds' te 's Hage ontstond, was de opbrengst der uitgave van voormeld werk de eerste inleg – aanvankelijk f 500, sedert, in verband met een tweeden en derden druk geklommen tot bijna f 4300. [...]
De reis van de heer en mevrouw Van Deventer in 1912 opende de gelegenheid om in Indië besprekingen te voeren, welke leidden tot de oprichting der Kartini-Vereeniging te Semarang, op 15 September 1913 gevolgd door het openen van de eerste Kartinischool aldaar. [...]
Het Haagsche fonds, welks statuten bij Kon. Besluit van 2 September 1913 No. 47 werden goedgekeurd, is sedert de oprichtingsvergadering op 27 Juni 1913 voorgezeten door Mr. C.Th. van Deventer. Hij sprak bij die gelegenheid een gevoelvol woord, dat spoedig daarna in druk verscheen, met den titel 'Onder de hoede van Kartini's naam' en naast zijn schoon gidsartikel, mede aan deze hoogstaande vrouw gewijd, veel bijgedragen heeft om hare gedachten bekend te maken. De heer van Deventer heeft van den aanvang af met veel beleid en de hem eigen toewijding de belangen der vereeniging bevorderd.[...]

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 306-307

[Semarang 3 – Kartini school] 

De Semarangsche Kartini-Vereeniging had bij oprichting tot voorzitter en ondervoorzitter den Resident H. de Vogel en den Regent Raden Mas Adipati-Ario-Poerboadiningrat; thans is voorzitter de Heer Z. Stokvis, directeur der H.B.S. Het secretariaat, aanvankelijk gevoerd door mevrouw Maclaine Pont-Gerlings, ging nader over op den Heer Mr. A.M. Joekes. Onder de Javaansche bestuursleden komt o.a. voor eene zuster van Kartini, mevrouw Raden Ajoe Sosroadikoesoemo. [...]
Op 11 Januari 1915 kwam de eerste Kartinischool ‘in eigen huis’, dank zij de subsidie van Regeringswege groot f 21.705, de bijdragen van verschillende zijden w.o. voormeld fonds [Kartinifonds gevestigd te ’s Gravenhage], en de technische hulp van den Heer Maclaine Pont.
De school staat op een zeer groot stuk grond, waarop later andere onderwijsinrichtingen en woningen voor onderwijzeressen kunnen komen. Ook de verkrijging van dezen grond is de vereeniging te Semarang verschuldigd aan de welwillende medewerking der overheid.
In het tweede jaarverslag van het Kartinifonds over 1914 vindt men als bijlage II eene opgewekte beschrijving van het openingsfeest, overgenomen uit het Dagblad De Locomotief. In het bijzonder van Javaansche zijde, bij monde van den Regent en van den Heer Atmodirono, architect te Semarang en mede-oprichter der Kartini-Vereeniging, werd groote vreugde uitgesproken over de totstandkoming van de school. [...]
Bij het einde van den cursus 1915 / 16 telde de school 131 leerlingen in vier klassen, waarvan een gesplitst. In Augustus 1916 begon een nieuwe cursus met vijf klassen; 28 nieuwe leerlingen werden toegelaten. Wegens plaatsgebrek moesten velen worden afgewezen, evenals in vorige jaren.
Het voornemen is de school uit zeven klassen te doen bestaan, met een leerplan overeenkomende met dat der hollandsch-inlandsche gouvernementsscholen. Met het Nederlandsch wordt reeds in de hoogste klasse aangevangen, terwijl in de derde en hoogere klassen ook onderwijs wordt gegeven in het Javaansch en Maleisch. Zang, gymnastiek, handwerken, en handenarbeid brengen afwisseling in de gewone schoolvakken, terwijl in de uitspanningsuren aardige gezelschapsspellen de kinderen bezighouden.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 308

[Jakarta 6 – Kartini] 

De Bataviasche school werd op 11 Januari 1914 geopend door eene bij Gouvernementsbesluit van 21 Nov. 1913 als rechtspersoon erkende Vereeniging […].
Een eigen schoolgebouw was nog niet verkregen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 309

[Bogor – Kartinischool] 

De Buitenzorgsche [Kartini] school was aanvankelijk op anderen voet ingericht, en wel zonder Nederlandsch. Hierin werd in 1915 verandering gebracht. Op verzoek van het bestuur ter plaatse, waarvan mevrouw M.C. Kooy-van Zeggelen voorzitster was, zond het Haagsche fonds eene voorlopige bijdrage.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 1, 409-422

[Semarang 3 – Kamp] 

Stichting Oranje Nassau te Magelang
[...] Het Militair Tehuis Oranje Nassau veranderde gaandeweg in de inrichting van ‘Pa’ van der Steur, waar vele actieve en ex-militairen aanklopten om hun kinderen voor goed of tijdelijk te deponeeren.
Vooral gedurende de Lombok-expeditie en de grootere excursies in Atjeh, werden vele kazernekinderen van der Steur toevertrouwd.
Langzamerhand konden door steun van vrienden in Nederland de bamboezen gebouwen in steenen worden veranderd en kwam de noodzakelijke vrouwelijke hulp uit Nederland, in de persoon van zijn zuster Marie van der Steur, die de ‘Moe’ werd der opgenomen kinderen.
In 1896 groeide het aantal tot 80 kinderen, zoodat van der Steur besloot, om méér organisch verband te verkrijgen, opdat zijn arbeid in de toekomst voortdurend zou gesteund kunnen worden, tot de oprichting van een Vereeniging [...] waarbij het doel dier Vereeniging thans is: ‘Weezen, verlatenen, verwaarloosde en hulpbehoevende kinderen van Europeesche afkomst, Christelijk op te voeden en arme Europeanen door het verschaffen van arbeid te ondersteunen en alzoo het voortwoekerend pauperisme tegen te gaan. De werkkring der Vereeniging bepaalt zich tot Ned. O.-Indië. Het doel, zal de Vereeniging trachten te bereiken, door:
a) De instandhouding van de bestaande Christelijke opvoedingsgestichten en werkinrichtingen te Magelang.
b) Het verleenen van steun aan inrichtingen, van gelijke strekking, elders gelegen.
c) Het letten op al de invloeden, die het pauperisme en de verwildering der Europeesche maatschappij in de hand werken en die zoo mogelijk weg te nemen. [...]
Sinds de oprichting van het gesticht tot 31 December 1907 opgenomen een totaal van 800 kinderen.
Hiervan waren uit de soldatenwereld 709, uit de burgermaatschappij 91.
Uit wettige huwelijken gesproten 53, uit concubinaat geboren 747.
Bij die 800 waren weezen 404, verlatenen, verwaarloosden en behoeftigen 396. [...]
In de eerste jaren van zijn arbeid werd voor de jongens de stelregel gehandhaafd: de lagere school afloopen, een vak leeren en na afgelegd examen het leger in; zij, die daarvoor niet geschikt zijn, kunnen burgerlijke vrije werklieden worden of in de gelederen gaan. [...] De tegenzin van den Indo, om handenarbeid te verrichten, moest overwonnen worden en dat is voorwaar geen gemakkelijke taak geweest. [...]
In het 15de Jaarverslag over 1911 [...] worden van 597 afgeleverden vermeld, dat zij werden: 136: militairen; 55: kader en militaire werklieden; 206: in burgerbetrekkingen; 35: overleden; 3: hoogstvermoedelijk mislukt; 10: weggeloopen of weggejaagd; 130: wedergegeven aan familieleden, welke weer in staat waren, voor hen te zorgen; 11: overgegaan naar Roomsche gestichten, tijdelijk opgenomen, omdat zij daar momenteel niet konden worden opgenomen; 1: krankzinnig.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 4

[Jakarta 5 – Hollandsch Inlandsche School] 
[Jakarta 6 – Hollands-Inlandsche scholen] 

Het volksonderwijs ten behoeve van de inheemsche bevolking van Nederlandsch-Indië kunnen wij in drie soorten onderscheiden, m.n. het onderwijs aan:
I. de Desa-scholen,
II. de Tweede klasse-scholen en
III. de Hollandsch-Inlandsche scholen.
I. De Desa-scholen.
Op de desa-scholen wordt in den regel aan 50 tot 100 leerlingen onderwijs gegeven door één enkelen onderwijzer van den leeftijd van 16 tot 20 jaren, die juist de 4-jarige 2de klasse school met vrucht heeft doorloopen en daarna binnen een half jaar voor zijn verantwoordelijk ambt van paedagogischen leider wordt klaargestoomd (Noot: Thans in 1917 is deze opleiding uitgebreid tot 2 jaar). Iedereen zal wel moeten toegeven, dat zoo’n jonge man geen recht heeft op den naam van onderwijzer, laat staan opvoeder. Het leerplan is op een desa-school al zeer primitief. Het omvat immers niet meer dan het lezen en schrijven in de landstaal (op Java met Javaansche en Latijnsche karakters en in de Buitenbezittingen met Latijnsche karakters) en rekenen met geheele getallen. […]
Op het einde van 1914 genoten zulk onderwijs 280.676 leerlingen.
II. De Tweede Klasse-scholen.
In N.I. waren op het eind van 1914 in het geheel 1166 2de klasse scholen met 174.415 leerlingen. Ongeveer 50 pCt. dezer scholen staat onder leiding van onderwijzers, die aan een Kweekschool hun opleiding hebben gehad, terwijl de hoofden der overige inrichtingen slechts de inlandsche hulpakte hebben; in beide gevallen worden zij bijgestaan door hulp-onderwijzers en kweekelingen.
De omvang van het onderwijs strekt zich uit tot het onderricht in:
a. lezen en schrijven in de landstaal en in het Maleisch met eigen en Latijnsche karakters;
b. rekenen met geheele getallen en eenvoudige breuken;
c. aardrijkskunde van het eiland der inwoning;
d. teekenen.
[…]
III. De Hollandsch-Inlandsche scholen.
Van deze soort scholen waren er in N.-I. op het einde van 1914 in het geheel 95 met 18.181 leerlingen. De leiding dezer scholen is toevertrouwd aan een Europeesch onderwijzer, bijgestaan door 2 Eur. Leerkrachten en plm. 4 Inlandsche onderwijzers, afkomstig van een Kweekschool. Met uitzondering van het onderwijs in de inlandsche talen, wordt op deze scholen ongeveer het zelfde onderwijs gegeven als op de niet-1ste klasse Eur. Lagere scholen, zoodat het peil geen reden tot ontevredenheid geeft. Het beantwoordt echter nog niet aan de eischen des tijds, aangezien het niet aansluit bij het vak- en middelbaar onderwijs.
In verband met het feit, dat er in Nederlandsch-Indië plm. 6 millioen jongens en meisjes zijn, die den schoolleeftijd hebben (van 6 tot 12 jaren) kunnen we de volgende groepeering maken:
4½ pCt. van hen geniet slechts onderwijs in de desa-scholen;
3 pCt. krijgt onvoldoend onderwijs in de 2de klasse-scholen en slechts
0,3 pCt. wordt vrij goed voor het leven voorbereid, d.i. op de Holl.-Inlandsche scholen.
Bovenstaande groepeering geldt weliswaar slechts voor het gouvernementsonderwijs, maar aangezien in het geheel 138.893 jongens en meisjes of 2 1/6 pCt. van het aantal kinderen van bovenbedoelden schoolleeftijd particulier onderwijs ontvangen, is derhalve niet minder dan 90 pCt. geheel verstoken van onderwijs
[In Nederland werd de leerplicht ingevoerd in 1900.]

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 59, 61

[Jakarta 1 – Tels] 
[Jakarta 2 – Gracht] 

Aanvankelijk, d.i. na de voltooiing van het historische Kasteel (gesloopt onder Daendels) bouwden de Nederlanders op Jakarta olim [eertijds] een stad, gelijk ze dat in ’t vaderland gedaan zouden hebben. Een stad met regelmatige straten, gevormd door aaneengesloten huizenrijen; met een net van grachten, welke door de Groote Rivier (de Tji Liwong) gevoed werden, en boomen daarlangs; met poorten, welke op de oude versterkte ‘poirthuusen’ van Amsterdam geleken, en evenzoo dubbele ophaalbruggen daarvóór; met muren van koraalsteen en met huizen ontworpen naar het vaderlandsch type. Slechts de torens ontbraken en de windmolens, om aan dit stadsbeeld een Nederlandsch cachet te geven.
‘Batavia’ zoo schreef Busken Huet in zijn Land van Rembrandt, ‘had in die dagen (der 17de eeuw) wat den bouwtrant der huizen en den aanleg van straten en grachten betreft, geheel het voorkomen eener hollandsche stad. De hoofdplaats van Nederlandsch Indië geleek een tweede uitgaaf van Amsterdam. Alleen was de levenswijs der bijzondere personen er overdadiger; deels omdat de verveling meer werk deed maken van den opschik, deels ten volge van het klimaat dat het nahouden van een stoet bedienden onvermijdelijk maakte’.[…]
Inderdaad had men zich de huizen op Pintoe Besaar, in de Binnen-Nieuwpoortstraat, de Theewaterstraat en elders in de oude stad, ook ergens in ’t vaderland kunnen denken; met voorbehoud misschien van het vooruitstekend dak. Die huizen hadden vlakke gevels (de balkons werden in een lateren tijd aangehecht), breede schuiframen met kleine ruiten, deuren met bovenpaneel van houtsnijwerk en een tweede verdieping, boven welke de daklijst als een luifel uitstak. Na de ontruiming der city werden zij meerendeels hervormd tot kantoren, magazijnen, werkplaatsen, pakhuizen, militaire gebouwen enz.
Geheel naar vaderlandsch model was ook de stoepbank, die zich vóór de woning bevond. In een tijd waarin de bouworde nog vreemd was aan ruime voor- en achtergalerijen, was die stoepbank de plek, waar de bewoner zich in de ochtend- en avondkoelte neerzette om een luchtje te scheppen.
De kroniekschrijver ds. Francois Valentijn bevestigt dit gebruik waar hij de Tijgergracht beschrijft, die als de fraaiste en deftigste gracht van het oude Batavia gold. Men hoort hem in zijn Oud en Nieuw Oost-Indiën roemen:
‘Schoon men te Amsterdam op de Heeregragt en elders schooner paleizen en breeder gragten dan hier heeft, geven zy nogtans dat genoegen en dat voldoende aangenaam gezicht niet dat deze gragt en andere hier geven, behalven de gewoonte van Indiën medebrengt dat de meeste lieden van fatzoen hier tegen 4 of 5 uuren òf in hunne stoepen, òf aan de waterkant onder de boomen op zekere banken, die zy daar vast hebben of wel brengen laten, zich verlustigen, gaande daar met hunne goede vrienden zitten om een pypje te rooken en een glas wijn te drinken; daar men in Holland alle die paleizen meest doorgaans gesloten ziet, en ook die lommer van de boomen zoo groot niet, en ’t gansch jaar door zoo groen niet, dan hier heeft.’

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 77

[Jakarta 2 – Wacht] 

Voor de slaven was dit trottoir verboden terrein; de Europeanen konden er vrijelijk gebruik van maken zonder dat zij dezelfde risico liepen als op het trottoir vóór het Stadhuis; dat na 9 ure ’s avonds alleen door den schildwacht betreden mocht worden, en dat zijn ‘loopplaats’ uitmaakte. Deze had het recht den onvoorzichtige, die zich op dit pad van graauwen arduinsteen waagde, met zijn piek op een dracht slagen te onthalen, zonder aanzien des persoons; en Bataviasche oudgasten maakten hiervan gebruik om den nieuweling een ‘koopje’ te bezorgen. Valentijn vertelt daarvan:
‘Ik kenne een Heer van zeer veel aanzien, die als Raad van Justitie pas op Batavia gekomen, en nog onkundig van deze gewoonte zynde, een dragt weg had eer hy ’t wist, en de Heer, die hy by zig had, een oud mede-lid van dien Raad, had hem, ik geloove met opzet, geen woord er af gezegd, gaande stillekens en tydig buiten de steenen en wat ter zyden af op ’t plein, om gelegenheid te hebben van daarover eens hertelyk by zig zelven te lagchen’.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 79

[Jakarta 2 – Gracht] 

Van de buitenverblijven echter, die eenmaal den roem van het oude Batavia uitmaakten en de vermaardheid van Amanus- en Tygergracht, van den Jakatraschen en den Antjolschen weg, bleef nog minder over dan van de buitenplaatsen in den naasten omtrek van Amsterdam.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 82

[Jakarta 7 – Resident] 

Met dit type van twee-verdiepingshuizen [Jakarta 4 – Huis Reinier de Klerk] werd gebroken toen de nieuwe wijken op Molenvliet, Rijswijk, Weltevreden, Noordwijk enz. werden aangelegd. De grondprijzen waren daar aanvankelijk nog gering, en men zocht het, gemakshalve, liever in de breedte dan in de hoogte – trappenklimmen was anti-indisch. In de tweede helft der 18de eeuw werd de drang ‘naar boven’ (d.i. land-inwaarts) steeds groter, en in verband daarmee de oude stad steeds meer ontvolkt. De huizen aldaar en de bij het zeestrand gelegen ‘thuynen’ of hofsteden daalden gestadig in waarde. Eindelijk werd onder het bestuur van Daendels (1808-1811) de exodus haast algemeen. Een ieder, die kon, ontvluchtte het spook der malaria op hooger gelegen terrein. De nieuwe huizen werden nu gebouwd zonder bovenverdieping, met open galerijen, en de bijgebouwen op eenigen afstand van het hoofdgebouw. Voorts met een erf vóór en achter, ’t liefst rondom het heele huis. Het veranda- en pendoposysteem werd bij dezen aanleg gehuldigd; eindelijk deed men zijn voordeel met den bouwtrant der inheemsche aanzienlijken. Doch de bouwmeesters dier dagen, veelal ‘pauvres sires’ in hun vak, hielden nu ook uitsluitend rekening met de eischen van het indisch klimaat en het indisch comfort; de eischen van de schoonheidslijn werden daarvoor ter zijde gesteld. En geen wonder! Van een os kan men niet meer verlangen dan rundvleesch, wat kon men verwachten van een gewezen opzichter van de genie, van een metselaarsbaas of timmerman-aannemer? Gezwegen nog van het stumperig inlandsch werkvolk, waarbij alleen Chineesche ambachtslui somtijds goed werk leverden.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 89

[Jakarta 3 – Jacatrasche weg] 

Vele Europeanen en europeesche vrouwen baadden zich destijds in de rivier achter een soort van staketsel, of ook zonder dat, derhalve geheel op z’n inlandsch. Een der oostindische-inkt-teekeningen van den majoor Rach vertoont een Europeaan, die zich aankleedt boven een trap aan de Amanusgracht, aan wier troebele wateren hij zooeven ontstegen is, terwijl een ander, die zijn toilet reeds voleindigd heeft, in een lange gebloemde kabaja en met een gouwenaar in den mond op den kant staat.
Somtijds kwam een ondernemend burger, die de plaatselijke gelegenheid in zijn voordeel had, op het denkbeeld eene openbare badinrichting te stichten en daaraan ’n soort van schafthuis te verbinden. In 1809 had zekere Louis Callé bij advertentie bekend gemaakt ‘den aanleg van publicque basen ten zijnen huise in de Nieuwpoortstraat binnen deze stad, alwaar bij de daartoe geschikte bediening een ieder naar verkiezing van eenige ververschingen kan gedient worden’.[…]
Volgens den Britschen veroveraar van den O.I. Archipel, lord Minto, had in 1811 ieder huis te Batavia, voor zoover aan het water gelegen, een boven het kanaal uitgebouwde ‘zitsteyger’, van waar een trap naar den waterkant afdeelde. Hier was een zekere oppervlakte afgeperkt door een staketsel, waarbinnen zoowel meesteres als dienstmaagd (op verschillende uren) een bad nam. Echter diende dit staketsel meer om het drijvend vuil, dan om onbescheidene blikken af te keeren, want, schreef hij: ‘here you may behold the handmaids of Diana sporting on and under the wave in sight of all passing Actaeons’. Zoo deed het riviergezicht zich des ochtends voor; des avonds liet men stoelen brengen naar den uitbouw boven het water, waar de dames dan in de koelte een luchtje konden scheppen, ‘and sit with their beaux in conversation and repose’.
Naar het schijnt bekwamen de badkamers, waar men zich door een schepbad uit een gemetseld reservoir verfrisschen kon, eerst onder het Engelsche tusschenbestuur hun vaste plaats in de bijgebouwen der europeesche woning.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 95, 98

[Yogyakarta 2 – Pakoe Alam] 

... den vijfden vorst van het Pakoe-Alamsche Huis. Want deze vorstelijke baanbreker is het geweest, die onder de hoogadelijke en conservatieve kringen, nu [1917] een goede menschenleeftijd geleden, het onderwijs ingang deed vinden en de geestelijke ontwikkeling der jeugd metterdaad aanmoedigde, waardoor het Huis Pakoe-Alam tot heden doorging voor de meest verlichte van Java’s vorstenhuizen. [...]
Wegens den gevorderden leeftijd van dezen [P.A. V] en den ziekelijken toestand van den kroon-pretendent was P.A. Noto Dirodjo goed beschouwd de bestuurder van het vorstendom, hoewel niet vergeten mocht worden, dat zijn vader, Pakoe Alam V, tot zijn dood toe in 1900, met krachtige hand de algemeene zaken leidde. Toen het volgende jaar Noto Dirodjo’s broeder, te voren Pangeran Ario Noto Koesoemo, tot Pakoe Alam VI werd verheven, kon P.A. Noto Dirodjo nog minder worden gemist, omdat eene wreede keelkanker den opgetreden vorst langzaam maar zeker naar het graf sleepte.
Na de dood van Pakoe-Alam VI in 1902, die slechts anderhalf jaar regeerde, werd de oudste pangeran, met name P.A. Sasraningrat, tijdelijk tot waarnemend hoofd van het Pakoe-Alamsche Huis benoemd. Na zijn dood kwam P.A. Noto Dirodjo weer aan het hoofd der leiding en werd hij tevens aangewezen als voogd van den jeugdigen pretendent, den tegenwoordigen regeerenden vorst, die toen nog op de Hoogere Burgerschool was.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 118-119

[Semarang – Kazerne] 

In de dagen van den Amerikaanschen vrijheidsoorlog bevocht Engeland de ‘rebellen’ met huurlingen die het ‘kocht’ van de kleine Duitsche vorsten. Deze die grootendeels onder schulden gebukt gingen of te arm waren om op vorstelijke wijze rond te kunnen komen, vonden in den verkoop hunner onderdanen een rijke bron van inkomsten.
In 1775 sloten de vorsten van Hessen-Nassau, van Hessen-Kassel, van Waldeck, van Brunswijk, van Anspach-Baireuth en van Anhalt-Zerbst een verdrag met Engeland waarin zij zich verbonden tegen betaling van 30 thaler per ‘stuk’ een zeker aantal soldaten aan den koning van Engeland te leveren.
De vorsten van Hessen stonden in de leverantie vooraan: in dat jaar toch leverden zij minstens 12.000 Hessen aan Engeland. Naar het groote aantal Hessen, noemden de Amerikanen alle Duitsche huurlingen, ‘the Hessians’.
Waarom zoude de hertog van Würtemberg, nu zijn regeerende collega’s hem zoo ‘nobel’ voorgingen, hun voorbeeld niet volgen?
Toen de ongunstige gezondheidstoestand en de bandelooze levenswijze van de soldaten in Indië een groote sterfte onder de Europeesche militairen aanrichtte, was het bestuur der Oost-Indische Compagnie bevreesd dat het steeds meer dreigende te kort aan soldaten niet aangevuld kon worden door zendingen uit Nederland.
De ‘Heeren XVII’ wendden zich tot en hertog van Würtemberg met verzoek hen aan een zeker contingent troepen te helpen.
Zooals uit de ‘capitulatie’ van 1787 blijkt had men niet aan doovemans deur geklopt.
De hertog van Würtemberg was zeer verheugd de ‘Heeren XVII’ van dienst te kunnen zijn en verbond zich – hij was beter kopman dan zijn ambtsbroeders! – tegen betaling van f 160 per soldaat, 1796 man, onder welk getal ook de officieren begrepen waren, voor het einde des jaars te leveren.
In die prijs – zoo bedong het bestuur der Oost-Indische Compagnie – moest de kleeding en de bewapening inbegrepen zijn, waarmede de hertog accoord ging.
Het legioen zoude geheel uit Duitschers bestaan van een leeftijd variëerende tusschen 17 en 40 jaar. Allen moesten recht van lijf en leden zijn en een lengte hebben van minstens 5 voet 1 duim.
Als inschepingsplaats was Vlissingen aangewezen.
Alvorens te embarkeeren moesten de leden van dit legioen voor een commissie uit ‘Heeren XVII’ de revue passeeren.
Daarna had de beëediging plaats ten overstaan van de Bewindhebbers der Compagnie.
De kolonel-kommandant, de officieren, de onderofficieren en de soldaten moesten ‘houw en trouw’ zweren aan: de Staten-Generaal, den Kapitein-Generaal der Unie, den Gouverneur-Generaal en de Bewindhebbers der Compagnie.
Ook moesten zij zweren de reeds gemaakte en nog te maken instructies en besluiten op te zullen volgen en hun tijd van 5 jaren uit te zullen dienen.
Nog zwoeren zij geen gevaren te water of te land te zullen ontzien en niets na te laten uit vrees voor hun lichaam en hun leven, maar zich in allen deele te gedragen als ‘vrome soldaeten’.
Het eerste verband van diegenen die geen officier waren duurde 5 jaar, ingaande met den dag waarop zij in Indië aankwamen. Was dit verband verstreken en wilden zij zich niet reëngageeren dan verplichtte de Compagnie zich hen voor haar rekening naar Holland terug te zenden en hen uit den dienst te ontslaan onder toekenning van een premie van honderd gulden.
Aan allen die in dit legioen dienst deden waren dezelfde rechten en voordeelen toegekend die de andere troepen hadden, met betrekking tot logies, rantsoenen, tractementen, oppassing en verpleging enz.
De hoofdofficieren van het leger kregen behalve het tractement van hun collega’s in denzelfden rang nog een toeslag, gelijkstaande met het tractement en de emolumenten van een kompagnieskommandant.
Aangezien de Oost-Indische Compagnie een goed onderlegd kader aan officieren en onder-officieren wenschte, had de hertog zich moeten verbinden alleen hoofdofficieren aan te wijzen die minstens 8 jaren actieven militairen Duitschen dienst hadden. Voor luitenants was de vereischte actieve Duitsche diensttijd op 4 jaren en voor onder-officieren op 3 jaren bepaald.
Bedongen was dat het legioen een eigen hospitaal en een eigen krijgsraad zoude hebben voor overtredingen van militairen aard. Doodvonnissen mochten echter alleen geveld worden met toestemming der Oost-Indische Compagnie.
Het aantal hoofdofficieren bestond uit den kolonel-kommandant, één overste en twee majoors.
Het legioen bestond uit infanterie en artillerie.
De bataljons voetvolk zouden bestaan uit compagniën grenadiers, jagers en de ‘zandhazen’ of te wel gewone infanterie.
Naar verkiezing van de Oost-Indische Compagnie konden de jagers die allen bereden waren, dienst doen als cavaleristen.
Elke compagnie bestond met de officieren uit 176 man, behalve compagnie der artillerie welke 10 man sterker was.
Omtrent hun tractement bepaalde de capitulatie dat de artilleristen het hoogste tractement zouden genieten, daarna de grenadiers en jagers en dan de gewone infanterie.
Omtrent de compagnie artillerie heette het in de capitulatie dat zij er niet alleen was ten behoeve der verdediging maar ook als kweekschool voor onderofficieren van de Indische genie en artillerie. De officieren en onderofficieren van deze compagnie waren dan ook ‘sehr tüchtig’ als zoodanig.
De kommandant der compagnie artillerie kreeg een aparte instructie rakende zijn verhouding en zijn overleg met den kommandant van het legioen.
Vermelden wij nog dat elk bataljon twee vaandels zoude hebben, voor de eene helft bestaande uit de kleuren en de wapens van Würtemberg en voor de andere helft uit die van de Oost-Indische Compagnie.
Zooals in die dagen in Duitschland gebruikelijk was hadden de tamboers een apart uniform. Zij droegen de liverei van den hertog afgewisseld met die van den ‘Oberst’.
Lang heeft dit legioen als zelfstandig corps niet bestaan. Daendels meende dat de capitulatie al lang als geëindigd moest beschouwd worden en dacht dat hij van deze troepen meer profijt kon trekken wanneer hij ze onder de andere soldaten verdeelde. Reden waarom hij in het begin van 1808 besloot het Würtembergsche legioen als zoodanig op te lossen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 203-206

[Semarang – Kazerne] 

De O.I. Compagnie bezigde duistere praktijken om aan soldaten te komen. Zij bediende zich o.a. van de tusschenkomst van ronselaars of zielverkoopers, welke door het volk ‘makelaars in de christelijke zeevaart’ werden genoemd. […]
Maar beter was ’t voor de belangen der Comp. wanneer in de plaats van zulke eenlingen, ’n heele golf kwam aanstrijken over de Duitsche grens; wanneer de heeren bewindhebbers met een buitenlandsch vorstje weer eens eene ‘capitulatie’ hadden gesloten voor de leverantie van een geheel regiment. Deze vreemdenlegioenen hadden veelal vorstelijke of adellijke chefs, die als eigenaars te boek stonden, die zich echter wel wachtten hun regiment aan te voeren, maar liever een hooggeboren avonturier in hun plaats zonden. Duitschland en Zwitserland waren de voornaamste soldatenmarkten der Loffelycke Compagnie, gelijk Madagascar, de kust van Guinea en de kust van Malabar hare voornaamste slavenmarkten. […]
In de indische krijgsgeschiedenis vormden deze vreemdenlegioenen een factor, die wel verdiende beter gekend en nagevorscht te worden dan het geval is. Zij droegen krachtig het hunne bij tot de uitbreiding van het Nederlandsche gezag in den lande van overzee; en behalve dat zouden uit hunne rijen mannen voortkomen, die zoowel den staat als de wetenschap dienden: reizigers, werktuigkundigen, natuuronderzoekers, schrijvers en geleerden. De ontcijferaar van zoovele kawi-opschriften [oud-Javaans], R. Friederich, was b.v. een der vele Duitschers, die niet anders kans zagen om de wereld te bekijken dan door zich in Holland als koloniaal te laten aanwerven. Van meer beteekenis nog zijn de namen van Rumphius en Junghuhn. (Rumphius kwam als gewoon soldaat, maar Junghuhn als offic. v. gez. in Indië.) Ook een drietal gouverneurs generaal kwamen uit die vreemdenlegioenen te voorschijn: A. Patras (uit Grenoble), Thedens (uit Sleeswijk) en A.H. Wiese (uit Bremen). Een vierde was G.W. van Imhoff, uit Leer in Westfalen, die echter niet als soldaat, maar als onderkoopman naar Indië vertrok.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 2, 265

[Architecten – Wolff Schoemaker]

De tempelwachter of rakshasa is over heel het oude Java, van de vroegste vestigingen der Hindoe's op het eiland tot de laatste uitloopers hunner cultuur, een bekende verschijning geweest. Bij de zoover bekend alleroudste Ciwaïtische tempelgroep, die op het Diëngplateau, is dit soort voorstellingen aangetroffen, evengoed als bij het vroegst gedateerde Boeddhistische heiligdom, te Kalasan bij Jogja, tempelwachters geplaatst waren. En zoo vindt men deze beelden dan verder, uit de ééne eeuw na de andere, tot de laatste exemplaren van de reeks in het verre Oosten van Besoeki verschijnen. Zelfs in de Soenda-landen met hun verwaterde Hindoebeschaving is het niet anders; welke types van Hindoe-goden daar ook mogen ontbreken, de tempelwachter is er behoorlijk vertegenwoordigd.
Ciwaiet en Boeddhist konden dan ook geleidelijk deze wezens vereeren. Voor den eerstgenoemde viel de nadruk op de overeenkomst in uiterlijk tusschen den tempelwachter en Kala, den Vernieler, één der verschijningsvormen van het Opperwezen, hetwelk hij Ciwa noemde. De Boeddhist daarentegen zag er vooral den Dharmapala, den beschermer der Wet in, één dier goddelijke wezens, welke zich in dienst van het Boeddhisme gesteld hadden om de zuiverheid der leer tegen alle overtreders, goden zoowel als menschen, te handhaven.
Dus zag men overal, bij het betreden van een tempelterrein of de nadering van een klooster of ook alleen maar bij een plek van eenige heiligheid, deze figuren de wacht houden. Er zijn er dan ook van de meest uiteenloopende soorten, woeste koningen der verschrikking, door slangen omkronkeld, als bij Prambanan, reusachtige geweldenaren, als bij Singasari, maar ook voorname vorstengestalten, als bij Panataran, verfijnde figuren [...] en zelfs vriendelijke beschermgeesten als het unieke exemplaar van Baraboedoer, in 1896 aan den koning van Siam weggeschonken. Daartegenover als andere uiterste de plompe slavenlichamen der latere berg-heiligdommen, het grove, verloopen type van het ten ondergang neigende Hindoeïsme in het einde der vijftiende eeuw. Maar hoe verschillend ook, vastgehouden werd steeds aan den eisch, dat deze wezens een afschrikwekkende bedoeling hadden, en zoo mist men nergens de uitpuilende oogen en de woeste, door slagtanden onderstreepte, gelaatsuitdrukking, en maar zelden het dezen wachters eigen wapen, de knots. Vandaar dan ook, dat de tempelwachters, die dienaren der gerechtigheid, spoedig vereenzelvigd zijn met de rakshasa's, de booze, demonische, menschenkwellende wezens, die in de Indische volksverhalen een zelfde rol spelen als de wildeman in onze sprookjes.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 3, 205

[Malang – R.k. kerk]

Noto Soeroto schrijft:
Pater G.D.A. Jonckbloet [geboren in 1848] [...] werd tenslotte in Juni 1897 tot pastoor benoemd te Malang. Het land heeft hij spoedig leeren liefhebben. Zijn groote belangstelling richtte zich vooral tot de monumenten van Oud-Java, waarom hij dan ook tallooze malen de Boro-Boedoor-, Mendoet- en Prambanan-tempels bezocht en van uit Soerabaja reizen ondernam naar Bali en Lombok. Geen archeologische verhandeling, maar een groot dichtwerk over den Boro-Boedoor droomde de geestelijke eenmaal het licht te doen zien. Helaas is de schets van dit groot poëem teloor gegaan en moedeloos heeft de dichter zich van zijn voorgenomen taak afgewend.
Te Malang is het, dat Pastoor Jonckbloet zijn grootste kracht heeft ontplooid in den dienst van zijn priesterlijken arbeid. Een mooie kerk, een pastorie en een pensionaat voor de zusters Ursulinen, alle door Pastoor Jonckbloet gebouwd, staan daar als getuigen van het werk van den beminden geestelijke en als blijken van groote liefde, die de priester het stadje en zijn parochianen toedroeg. In den loop der jaren heeft Pastoor Jonckbloet zich in Indië tallooze vrienden weten te verwerven zoowel onder Europeanen als onder Javanen. Groote goedheid en menschenliefde, zachtmoedigheid en opofferingsgezindheid zijn de grondtrekken van Jonckbloet's karakter, die den priester tot een waren Christen stempelen. Voeg daarbij een uiterst beminnelijk optreden in den gewonen omgang en het behoeft ons niet te verwonderen, dat Pastoor Jonckbloet niet alleen vrienden, maar ook vereerders telt in Indië zoowel als in Nederland. [...]
Ook in Indië heeft de geleerde pater steeds het letterkundig leven vereenigd met het leven van de geestelijkheid [...] Het ware te wenschen, dat van katholieke zijde pogingen werden in het werk gesteld om al de letterkundige opstellen van Pater Jonckbloet, die heinde en verre verspreid liggen in een paar bundels te verzamelen. [...] Merkwaardig is het te zien, hoe iemand, die opgevoed is in de ideeën van vóór '80 op zijn ouden dag langzaam aan begint om te slaan, zoodat hij soms loftuitingen schenkt aan de meest moderne poëten, welke even luid, misschien nog wel luider klinken dan de loftuitingen, welke hun worden toegevoegd door hun geestverwanten. Ten voorbeeld daarvan zouden kunnen strekken de 6 zeer uitvoerige en doorwrochte artikelen, die hij twee jaar geleden in 'Studiën' publiceerde over de socialistische dichteres Henriëtte Roland Holst.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 3, 317-318

[Jakarta 1 – Javasche Bank] 
[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 

[…] de Javasche Bank was bij hare oprichting in 1828 in werkelijkheid alleen voor Java bedoeld en in het eerste jaar van hare oprichting was zij zelfs alleen ter hoofdplaats, in Batavia gevestigd. De oprichting geschiedde bij Gouvernementsbesluiten […]. Aan vestigingen in de Buitenbezittingen dacht toen niemand. Een jaar later opende zij haar eerste agentschap en wel te Semarang, daarna te Soerabaja in 1829. Eerst in 1864 ging ze ook buiten Java voor het eerst een Agentschap vestigen en wel te Padang, het volgende jaar te Makassar; het lag in den geest des tijds dat zij, terwijl ze in de eerst volgende jaren er mede voortging op Java nog meerdere Agentschappen op te richten, gewacht heeft tot het jaar 1906 voordat zij verder op de buitenbezittingen hare eigen vertegenwoordigingen kwam stichten.[…]
In 1891 ging zij naar Europa met een eigen kantoor en wel te Amsterdam. In 1917 werd de internationale zijde van haar bedrijf nog meer geaccentueerd door het vestigen van agentschappen in de Vereenigde Staten van Noord Amerika en in Japan. Zij is daarmede geworden de eerste circulatiebank die in drie verschillende werelddeelen agentschappen heeft.[…]
Het hoofdbureau der Javasche Bank te Batavia, is van hare oprichting af, gevestigd geweest in het thans nog door haar geoccupeerde pand aan den oever der Tjiliwoeng tegenover het Chineesche kamp; het deed ten tijde van de compagnie voor ziekenhuis dienst, doch werd in den aanvang van de vorige eeuw verkocht en raakte toen in handen van de firma Mac Quoid Davidson & Co. De Bank nam het van haar in huur voor f 6000 per jaar en kocht het in het boekjaar 1831 voor f 45.000.-. Er werd verder in den loop der jaren voortdurend aan vertimmerd en verbouwd, […] in het verslag over 1917 verschijnt het hoofd ‘Gebouwen’ (op de werkelijke bouwkosten is in de loop der jaren reeds zeer aanzienlijk afgeschreven) met een bedrag van f 1.363.500 in de balans.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 3, 319

[Semarang – Bank] 

Ook te Semarang, haar oudste agentschap, was de Bank in den aanvang bescheiden gehuisvest en hoogst gemoedelijk vertelt het jaarverslag van de Javasche Bank hiervan als volgt: ‘uitbreiding der aangelegenheden van het agentschap te Samarang had het noodzakelijk doen voorkomen om tot bewaring van gelden, effecten en andere panden een gewelfde geldkamer in de woning van den agent te doen bouwen, door wien het vrij gebruik derzelve door de Bank wierd toegezegd, voor zoolang het agentschap die vereischen mocht’. En een jaar vroeger had de President van de Javasche Bank aan de jaarlijksche vergadering van aandeelhouders meegedeeld wat hetzelfde agentschap betreft: ‘dat de voorhanden ijzeren kisten geen toereikende bergplaats meer opleverden en de Directie dus heeft moeten besluiten om eene ruime geldkamer te doen bouwen; tot verhoeding echter vermits wij geen lokaal daar in eigendom bezitten, dat na voltooiing de vrije beschikking over dezelve in den vervolge wierd vermoeilijkt is eene overeenkomst met de eigenaars van het huis getroffen om volgens gegeven bestek een gewelf onder toezigt van eenen bouwkundigen te doen optrekken en dat de geimpendeerde kosten voor de eene helft dadelijk door de Bank zouden worden afgedragen, terwijl de andere uit een huur van f 25 ’s maands zoude worden aangezuiverd, mits het kantoor zoo lang het zal vereischt worden, ongestoord aan het agentschap geborgd wierd.’
Eenvoudige tijden voorwaar! Waar de circulatiebank al haar hebben en houden ter plaatse in ijzeren kisten, die overigens in een gewone kamer stonden, bewaarde en op afbetaling aan haren agent, eigenaar van het huis waarin de Bank hare zaken dreef, een kluis bouwde!
Het gebouw waarin thans de Javasche Bank te Semarang haar bedrijf uitoefent, werd door haar geheel nieuw gesticht en in 1908 voltooid.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 3, 327, 329

[Bandung – Javasche Bank] 
[Jakarta 2 – Hoofdkantoor] 

Wanneer men de weekstaten van de Javasche Bank gedurende den oorlogstijd ter hand neemt zoo vindt men dan ook daarin een bijna van week tot week wassende toename van het bedrag van bankbiljetten in omloop en van verstrekte credieten.
Laten wij twee uiterste termijnen nemen: Op 27 Juni '14, dus kort voordat de oorlog uitbarstte had de Javasche Bank f 110.293.00.- aan bankbiljetten in omloop en op 11 Mei '18 f 183.850.000.-.
Zij had credieten verstrekt op 27 Juni '14 tot een bedrag van f 76.000.000.- en op 11 Mei 1918 had zij credieten verstrekt tot een bedrag van f 129.300.000.-. Toenamen dus van meer dan drie en zeventig en drie en vijftig millioen gulden. In dien zelfden tijd nam haar opereerend kapitaal toe van ruim honderd twee en dertig millioen tot ruim twee honderd vier en zestig millioen gulden, een verdubbeling dus.
De Javasche Bank heeft aan die behoefte voldaan zonder verandering te brengen in haren discontovoet die reeds ruim een viertal jaren vóór den oorlog op het lage peil stond van 3½ %.
Zij is de eenige circulatiebank ter wereld die deze onveranderd heeft kunnen laten.
[...] de vrijheid in het totaalcijfer aan biljetten in omloop, hare emissievrijheid dus en de vrijheid om een gedeelte van haar metaalschat buiten de landspalen te houden, stelden de Javasche Bank in staat ook in dezen wereldoorlog ernstige storingen in de liquiditeit van Nederlandsch Indië en daarmede stoornis in de geheele Indische samenleving te voorkomen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 37-38

[Jakarta 2 – Erberveld] 
[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

Wie de dagregisters van het kasteel van Batavia opslaat en zich niet door de dorre lezing laat afschrikken maar doorleest, kan daaruit zien dat in Batavia in één week tijds 48 personen ter wille van de algemene veiligheid, hun leven moesten laten.
Vóór wij het geval Erberfeld vermelden, willen wij nog even mededelen welke arbeid die Batavia’sche scherprechters op den 25 April 1722 te verrichten hadden.
Een negental dienaren van de Compagnie had zich schuldig gemaakt aan het ontvreemden van specerijen uit schepen aan dit lichaam toebehoorende. Bovendien hadden zij gestolene verkocht. Allen werden tegelijk met het krieken van den dag opgehangen. Daarna kwam de beurt aan een veertiental inlanders, de heelers.
Na deze zware inspanning werd een ogenblik pauze gehouden.
Toen kwamen vóór een tweetal zeelieden als hoofdaanleggers van een diefstal in kruit, mede aan de Compagnie toebehoorende. Toen zij hun daad met het leven geboet hadden, werden een drietal matrozen – die eerst getuigen moesten zijn van dit ophangen – door den beul en zijn handlangers ‘geleerst’ [gegeseld] en daarna gebrandmerkt.
Wederom een pauze; waar wat korter dan de vorige.
Thans werd een Europeesch soldaat gedood.
Tot slot: geeseling en brandmerking van eenige andere inlanders.
Eerst toen was het den moede geworden ‘dienaeren van den gerechte’ vergund uit te rusten van hun dagtaak.
Eindigen wij de straffen te vermelden die toegepast werden op Elberfeld en op diegenen die met hem samengespannen hadden om op 1 Januari 1722 alle Europeanen in en buiten Batavia te vermoorden.
Erberfeld – ook wel Elbervelt genoemd – was een Indo en een bemiddeld man. Zijn vader was een Duitscher en zijn moeder een inlandsche vrouw. Als onwettig kind werd hij toen vrij wel door de kolonisten als paria beschouwd. Dat dit hem geducht hinderde is duidelijk en evenzeer dat hij de Europeanen haatte.
Geloofs- en rassenhaat bracht hem in nauw contact met tal van Islamitische priesters en gegoede inlanders. De bedoeling van Erberfeld en zij rotgenooten [bendeleden] was: alle Europeanen vermoorden; hijzelf zoude koning van Java worden, waarna zijn voornaamste medestanders zouden beloond worden met hooge winstgevende betrekkingen. De Oost-Indische Compagnie wist – dank zij de zeldzame wijze waarop alles geheim gehouden werd – niets van dit complot af, ook niet toen het aantal samenzweerders de 10.000 verre te boven ging.
Drie dagen voor het uitbarsten van het complot kreeg de Gouverneur-Generaal Zwaerdecroon het bericht daarvan in handen. Toen volgden er arrestaties op groote schaal. Onder de gearresteerden waren ook Erberfeld en zijn Javaansche intimus Kartoe Dria.
Over beiden werd het volgende vonnis voltrokken: het hart werd uit het lichaam gehaald en in het aangezicht geslagen, nadat te voren de rechterhand afgeslagen was en met gloeiende tangen op verschillende plaatsen het vleesch uit het lichaam geknepen was. Vervolgens werd beiden het hoofd afgekapt en daarna werden zij gevierendeeld. De afgeslagen lichaamsdeelen werden op verschillende plaatsen in Batavia opgehangen tot schrik en voorbeeld van de anderen.
Een drietal inlandsche vrouwen, concubines van de hoofdaanleggers, werden geworgd omdat zij het complot kennende, dit niet aan de regeering medegedeeld hadden.
Een veertiental andere inlandsche samenzweerders werden ter dood gebracht òf door het verbrijzelen van armen en beenen òf door hen met gloeiende tangen het vleesch uit het lichaam te halen en ze dan verder allen aan hun lot over te laten.
Dit gebeurde op den 22 April 1722.
Voorwaar een zware week voor de justitie.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 47-64

[Semarang 2 – Randoesari] 

[Maclaine Pont over De Koloniale Tentoonstelling Semarang 1914]
De Chineesche groot-grondbezitter-millionair Oei-Tiong-Ham bleek [...] zijne belangen in dezen ter dege te kennen. Hij stelde op zijn particulier land, gelegen tusschen de stad en de gemeentelijke heuvelterreinen in, den grond kosteloos beschikbaar, en maakte het de onderneming zelfs zeer gemakkelijk door haar een groot renteloos voorschot te verleenen.
Ook stelde hij aan de gemeente kosteloos den grond beschikbaar voor het doortrekken van een weg van de stad naar de gemeentelijke bouwterreinen, in aansluiting aan [...] [de] nieuwen [Tjandi] weg.
Daarmede bereikte hij voor zijne terreinen 1e eene belangrijke verbetering der wegen, 2e een schitterende reclame, 3e een geslaagd begin van bebouwing en ten laatste een onmiddellijke belangrijke waardevermeerdering van den grond, hetgeen voor hem vooral veel beteekende met het oog op de door de regeering gekoesterde plannen tot naasting der particuliere landerijen. [...]
... deze tentoonstelling [is] geweest van groote beteekenis doch – kon het anders – met veel gebreken. De eerste groote uiting was ze van ons Indië, doch een uiting waarin niet alle stemmen tot volle uiting kwamen. Zoo was ze ook, om er aan te werken, een heerlijkheid, doch met veel decepties.
Van hare gebouwen is niets blijven bestaan. De gemeente, aan wie een uitstekende gelegenheid geboden was om uit keur van ethnografica aankoopen te doen, die hadden kunnen strekken tot kern voor een blijvend museum, die in het zoo typisch Semarangsche paviljoen, zij het op eene andere plaats, had kunnen worden geherbergd, heeft gemeend om finantieele redenen zelfs dit te moeten nalaten. Ook van het plan tot stichting van een open-lucht museum, waarin een aantal der gewestelijke paviljoens zouden worden opgenomen is niets gekomen. Het meerendeel dezer fraaie gebouwen is voor ’n appel en ’n ei verkocht.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 69

[Jakarta 3 – Godsdienst] 

Onder de regeering van den gouverneur generaal Camphuys, in 1686, kwam het college van predikanten de regeering weer aan boord met het verzoek om in een land, waar de ‘ware gereformeerde religie’ de godsdienst van staat was, die Baäls-altaren der Chinezen neer te halen. Waarop Zijn Edelheid den eerwaarden broederen den raad gaf om ‘soodanigen minsamen ijver tot inwinning en bekeering van de herten der Heydenen en Mooren aan te wenden, dat den verderen aanwas dier tempels daaruyt van selfs vervallen, en met geen rigueur in dese dangereuse tyden sal behoeven ondernomen te worden’.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 74-75

[Jakarta 5 – Tanah Abang] 

De oudste dezer [Chinese] graven dagteekenden uit een tijd lang vóór het jaar 1668, waarin de regeering dit terrein aan de Chineesche gemeente in eigendom schonk. ’t Was niet zoo lang na den aanleg van den weg, leidende naar het fort met den historischen naam Jakatra; en deze weg voerde terug tot de eerste jaren na de stichting van Batavia in1619. “Zoo oud als de weg van Jakatra” placht men in Indië te zeggen, in gelijken geest als men in ’t vaderland zei: “zoo oud als de weg van Kralingen”. En zeker was het mede aan dien ouderdom, te samen met de afgezonderde ligging en het teekenachtig aspect toe te schrijven, dat een latere bezoeker er zich over kon uitlaten:
Heel wat rustiger, heel wat plechtiger is het hier dan op de christelijke kerkhoven, zooals dat b.v. van Batavia op Tanah-Abang met zijn “presse papier-achtige” grafsteenen van gepolijst graniet of glimmend marmer, met letters als van kruideniers-nota’s, met al dien kinderachtigen opschik van bloempotten, gebroken zuilen, huilende engeltjes of metalen hardgekleurde kransen in gelakte blikken banketbakkerstrommels met bolle glazen. En al dat schoons onder afdakjes van vanielje-ijskarretjes, en omzoomd met omgekeerd in den grond gestoken cognacflesschen of bierkruiken.’

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 75

[Jakarta 6 – Baroe] 

Chineesche winkelwijken gelijk die van Pasar Baroe en Pasar Senin waren zooveel minder typisch dan die in het zuidwestelijk deel der oude stad; hun karakter was eerder internationaal te noemen, dewijl hier, behalve Chineesche, ook tal van Klingaleesche, Arabische, Japansche en Europeesche toko’s te vinden waren.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 77-80

[Jakarta 1 – Utrechtsche straat] 

Echter was dit Chineesche Kamp niet hetzelfde als dat, waar de ‘gele vrijburgers’ vóór het jaar 1740 gevestigd waren. Dit vroegere Kamp besloeg toen de wijk Kali Besar, aan beide zijden van Roea Malakka; het reikte ten zuiden tot aan de Bacharachtsgracht. [Jl Pangeran Tabagus Angke] ’t Was een met bloed gedrenkte grond, want hier werd in ’t genoemde jaar een Chinezenmoord aangericht, die voor altijd een schandvlek zou blijven voor Nederland als koloniale mogendheid. De moord ontstond ten deele uit de vrees onder de burgerij van Batavia voor een Chinezen-oproer en algemeene verdelging der Hollanders; […]
Ten deele was ook de oorzaak te zoeken in rassenhaat, naijver op het Chineesche kapitaal en de plunderzucht van europeesch gepeupel, gevoegd bij de anti-Chineesche gezindheid van het bestuur.
Waar was ‘t, dat in den loop der jaren vele slechte elementen uit zuidelijk China de kolonie waren binnengedrongen. Emigranten, welke tot het schuim der natie behoorden, welke zonder middelen van bestaan waren en geen kans zagen tot eene fusie met de gevestigde bevolking van het Chineesche Kamp, vereenigden zich tot benden en maakten den omtrek van Batavia onveilig. […]
Doch tegenover deze benden van Chineesche ‘outlaws’ buiten de stad stond eene nijvere en rustige bevolking in de stad, en juist deze werd uitgeroeid in het bloedjaar 1740. Gouverneur generaal was destijds Adriaan Valckenier, een telg van het Amsterdamsche regeeringsgeslacht van dien naam. […]
Een Chineesche avonturier, Tayoewan Soei Oei, was een der voornaamste hoofden van de benden […] in een zijner onderschepte brieven stofte hij er op, dat hij 60.000 man onder zijne vanen had en dat de tijd gekomen was om zijne landgenooten op Java te bevrijden van het ondragelijk juk der Hollanders. […] In den avond van 8 October kwam men Valckenier boodschappen, dat de Chinezen op de Diestpoort [oostelijk begin Jl Telepon] aanrukten. Garnizoen en burgerwacht trokken aanstonds uit en raakten met de aanvallers slaags, doch eerst de kanonnen van de punt Zeelandia, een der bolwerken […] van Batavia [westelijk begin Jl Telepon], beslisten het pleit. Wederom moesten de benden van Tayoewan Soei Oei afdeinzen.[…]

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Utrechtsche straat 02
Links huidige Jl Nelayan, onder Jl Roa Malaka. Rechts op ¼ van boven: deel van het stadhuis en deel van de spits van de kerk.
[Jaarboek van Batavia en Omstreken. Weltevreden 1927, 34]

Den 9 October ontstond er een brand in een blok Chineesche huizen in de Utrechtsche straat [Jl Kopi]. Volgens Du Bois waren ’t de Chinezen zelve, die dezen brand hadden gesticht, omdat ze op het vuur hoopten als op een bondgenoot. Het moest den aanslag hunner landgenooten op de stad in de hand werken. In den Raad van Indië werd dien morgen door Valckenier het voorstel gedaan om alle Chineezen uit de stad te drijven; en aldus iedere samenwerking te verhinderen tusschen een openbaren vijand buiten, en een heimelijken binnen de stadspoorten. Doch het advies van het lid v. Imhoff behield de overhand, nl. om bij proclamatie tot rust en kalmte aan te sporen, en tegelijk de huiszoekingen [naar wapens] voort te zetten. ’t Scheen derhalve als zou eene uitdrijving met het zwaard, als door Valckenier gewild, nog voorkomen worden – toen de brand in de Utrechtsche straat uitbrak. Dit werd het sein tot eene generale ‘massacre’. Alsof ’t afgesproken werk was snelde het schuim van Batavia’s Europeesche bevolking naar het Chineesche kwartier en vermengde zich daar met plunderzieke varensgasten en krijgsknechten. ’n Soort van moordenaarswaanzin scheen al deze lieden bevangen te hebben, en niet minder een aandrift tot rooven en brandstichten. De dag van afrekening met de gele heidenen was eindelijk gekomen.
Waar de vonk gloorde, werd ze aangewakkerd tot vlam. Waar eenige kostbaarheid voor den dag kwam werd ze gegrepen met honderd begeerige handen. Waar een Chineesch hoofd zich vertoonde, werd het afgehouwen; de lange haarvlecht was een geschikt aanvattingspunt. Uit hunne schuilhoeken werden de slachtoffers bij tientallen te voorschijn gesleurd, de straat op, en afgemaakt gelijk men ongedierte afmaakt. De kreet van sla dood ! ging alom van deze blanke amokspuwers uit. En ze lieten zich doodslaan, de verbijsterde Mongolen, ondanks hun groot aantal, ondanks de wapenen die sommigen nog hadden. […]
Dien ganschen dag duurde het moorden. In wilde vlucht ijlden de Chineezen naar de uitgangen van het kamp, doch tevergeefs. De dood stond er op post; de gewapenden der Comp. dreven hen naar de slachtbank terug. […] Volgens sommige bronnen werd er drie dagen lang gemoord, geplunderd en geblakerd. Een paar kompagniën ruiters en grenadiers; zuiverden’ den omtrek en doodden zooveel Chineezen als zij machtig konden worden. Op tienduizend lijken werd de gansche oogst geschat. Zooveel nu waren er niet eens in de stad geweest, maar het cijfer werd vol gemaakt door de talrijke verslagenen onder de benden van Tayoewan Soei Oei, buiten de poorten der stad.
Acht dagen lang, van den 11 tot 19 October, was men bezig met het opruimen der lijken, welke tusschen de puinhopen lagen. Maar nog na den 12den loofde de regeering eene premie uit van twee dukaten voor iederen Chineeschen kop, buiten de stad afgehouwen. Van die binnen de stad behoefde geen sprake te zijn.
Eerst op den 22 October vonden de omgekeerde Christenen, welke toenmaals het erf der O.-I. Compagnie regeerden, goed om een amnestie uit te vaardigen, waarbij aan de insurgenten een termijn van een maand werd gesteld om terug te keeren onder het gezag van de E. Maatschappij. En ruim eene maand later werd een openbare dank- en bededag uitgeschreven voor de gelukkige onderdrukking van dezen opstand, waarbij Johannes Wagardus predikte naar aanleiding van I Samuel VII 10 – 13*. […] Een der voornaamste bewerkers van deze gruweldaad, de gouverneur generaal Adriaan Valckenier, werd terwijl hij reeds op de terugreis naar ’t vaderland was, op last van bewindhebbers gevankelijk naar Batavia teruggebracht, en een strafrechtelijk proces tegen hem ingesteld. Doch hij stierf vóór de uitspraak in den kerker van het Kasteel.[…] de Hollandsche Furie van het jaar 1740 [vorderde] niet minder dan 10.000 levens. Zulke sombere heugenissen kleven aan de Chinezenwijk van Batavia, zulk een onuitwischbare bloedvlek kleeft aan de geschiedrollen van het Nederl. bestuur in Indië. Een vlek als die op de hand van lady Macbeth, en waarbij men eveneens zou willen uitroepen; ‘Out, out, damned spot !’

*) 10 Terwijl Samuël het brandoffer opdroeg, naderden de Filistijnen om de Israëlieten aan te vallen. Maar Jahwe liet die dag met machtig geluid de donder rollen over de Filistijnen en Hij bracht hen in paniek, zodat zij tegen de Israëlieten de nederlaag leden. 11 De Israëlieten gingen uit Mispa de Filistijnen achterna en dreven hen onder zware verliezen tot beneden Bet-Kar terug. 12 Toen richtte Samuël Tussen Mispa en Sen een steen op, gaf die de naam Eben-Haëzer en verklaarde: ‘De hulp van Jahwe heeft ons tot hier gebracht’. 13 De macht van de Filistijnen was gebroken, zij vielen het grondgebied van Israël niet meer aan. En zolang Samuël leefde, bleef de hand van Jahwe op de Filistijnen drukken.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 81-91

[Surabaya – Tempel] 
[Yogyakarta 2 – Vihara] 

Henri Borel: De ‘klentengs’ in Indië verschillen in hoofdzaak weinig van die in China. Even zij nog opgemerkt dat ‘klenteng’, juister ‘kelenteng’ volstrekt geen chineesch, maar een javaansch woord is. Het chineesche woord is ‘bio’ in het door de meeste peranakan chineezen in Indië gesproken Amoy-dialect, en in ’t mandarijn-chineesch ‘miao’.[...]
Het zal in Indië – en in China is dit ook zoo – iederen belanda opgevallen zijn, dat chineesche klentengs zoo laag zijn, in contrast met onze hoog optorenende kerken, en ook, dat zij zoo op groote chineesche woonhuizen gelijken, zoodat zij zelfs wel eens op ’t eerste gezicht nauwelijks van huizen te onderscheiden zijn. [...]
Chineesche boeddhistiesche tempels zijn dan ook geheel chineesch van architectuur, al komen de goden, of juister boeddha’s die er vereerd worden, oorspronkelijk uit Indië.
[...] de pagode – in ’t chineesch ‘t’ah’ genaamd – die veelal voor een echt chineesche architectuur wordt aangewezen, maar van indischen oorsprong is, daar zij zich uit de boeddhistische ‘stupa’ heeft ontwikkeld, en zoo ook de eerepoorten of bogen ‘ph’ai lou’s’ genaamd, die zich eveneens ontwikkeld hebben uit de latere ‘stupa’s’ en wel uit den z.g. ; toran’ er van. [...]
De chineesche tempel komt in architectonischen aanleg, evenals de grieksche, op het woonhuis terug. De Griek nam het huis van de smalle, de Chinees van de breede zijde, zoodat in het eerste geval de gevel, in het tweede het dak formeel den uitslag geeft.
Het voornaamste aanzicht van een chineesch huis en dus ook een chineeschen tempel is het dak, dat algemeen den z.g. ‘th’ing’ vorm heeft. Het is een massief dak met opgebogen hoeken, rustende op korte pilaren of kolommen. Deze kromlijnige helling van de dakhoeken is toegeschreven aan den invloed van nomaden-tenten, waarvan zij een overblijfsel zouden zijn. Nomaden-tenten van canvas werden n.l. aan de hoeken opgehouden door speren. Ik vind deze theorie zeer aanvechtbaar, daar van een nomaden-leven der oude chineezen niets bekend is, en alleen deze vorm der daken er aan zou herinneren. [...]
Hoe dit alles ook zij, de ‘th’ing’ vorm is er, al is die niet met juistheid tot een bepaalden oorsprong terug te brengen, en de ‘th’ing’ is het voornaamste aanzicht van huis en tempels gebleven, tot op deze tijden. De kwaliteiten van dit dak geven grandeur of eenvoud, kracht of gratie van het gebouw aan. Om het aspect te varieeren wordt dit ‘th’ing’ dak wel eens verdubbeld, een enkelen keer zelfs wel eens verdriedubbeld, bij huizen zoowel als bij tempels.
Deze overwegendheid van een gedeelte, het dak, dat in Westersche architectuur een meer ondergeschikte rol speelt, wordt gerechtvaardigd door de geringe verticale elevatie van het geheele plan. De architect maakt bizonder veel werk van de decoratie van het dak door toevoeging van ornamenten en het opleggen van eene bedekking met geglazuurde tegels van schitterende kleur. De vele draken en feniksen, en andere groteske dieren, die men, somtijds in rijen naast elkaar, op de randen en goten ziet zitten, de gekleurde tegels die het dak bedekken en die zonderling en bizar lijken, zijn er alle op aangebracht volgens vaste wetten, en duiden ook den rang aan van den bewoner van het huis, of duiden bij een tempel op den stichter.
Het groote gewicht van het dak maakt het veelvuldige gebruik van de zuil, de kolom, noodig, die een functie van t grootste belang heeft in een huis of tempel. Die kolommen zijn van hout [...].De schacht is meestal cylindrisch, een enkele keer polyhedrisch, nooit uitgehold, het kapiteel is slechts een soort console, vierkant aan de hoeken, of in den vorm van drakenkoppen, het piedestal is een vierkant brok steen, van boven afgerond tot een cirkelvormige basis, waarop de schacht staat.
De chineezen hebben stellig het besef wel gehad van de armoede hunner architectonische teekening, en trachtten daarom steeds hun weinige, eenvoudige lijnen te breken door een overvloed van decoratieve détails. De ruggen en hoeken der zwaar neerhangende daken ziet men dan ook bedekt met loofwerk en lange rijen fantastieke beesten, die er op zijn aangebracht met het oog op een zeer ingewikkelde symboliek.
De dakranden zijn onderlegd met rijk snijwerk, dikwijls glanzend verlakt, de muren hebben in den omtrek terra-cotta lijsten met reliefs en banden met figuren en takken van bloemen. [...]
Het principe, dat het projectie-plan determineert is dat van symmetrie. De hoofdgebouwen, de vleugels, de zij-gebouwen van een tempel, de lanen er in, de hoven, de paviljoens, de motieven van décoratie, en alle details zijn symmetrisch aangelegd.
In Ned. Indië ziet men vele chineesche tempels van steen opgetrokken, maar hout is in China het voornaamste materiaal van de tempels. [...]
De chineesche ‘ph’ailou’ eerepoort die men eveneens in tempels aantreft, is ook meestal van hout, en waar zij van steen is, is zij toch imitatie van een origineel van hout. [...]
Wat de stabiliteit der structuur van een chineeschen tempel, zoowel als van een huis betreft, deze berust geheel op het houten frame-werk. De muren, die later ingevuld worden met blokken van steen of brikwerk, zijn niet als steun bedoeld. [...]
De geheele chineesche cultuur is zóó aangepast aan den grond en het land, dat ook de bouwkunst niet op zich zelf, maar altijd in samenhang met het land of het stadbeeld moet worden besproken. De omringende bergen, het land, de rivieren enz. zijn als ’t ware een deel van het bouwwerk. Dit staat in verband met een zeer ingewikkeld systeem, het z.g. ‘Feng Shui’, waarover ik hier niet kan uitweiden, en dat, zou men kunnen zeggen, de religieus-astrologische ligging van het gebouw of graf bepaalt. [...]
Wanneer wij een chineeschen tempel – en ook met deftige chineesche huizingen is dit het geval – willen binnengaan treft het ons meestal, dat wij eerst om een muur moeten heengaan, die er niet om maar in ’t zuiden er voor staat, en waarvan den oningewijde het nut onbegrijpelijk voorkomt. Dit is de z.g. schaduwmuur – ‘shao pi’ – ook wel geestenmuur genoemd. Het populaire volksgeloof meent, dat deze muur dient als een beschermende borstwering tegen booze geesten, maar naar waarheid ligt aan dezen muur, zooals aan alle kunst en architectuur in China, een veel diepere, symbolische beteekenis ten grondslag, dan men zoo oppervlakkig wel zou denken.
De chineesche tempel, evenals het chineesche huis, geeft in zijn symboliek de structuur weder van het Heelal, zooals de oude chineesche kosmogonie zich die voorstelt. Volgens de kosmogonie is de mensch, evenals alle andere wezens en verschijningen, een stuk van den kosmos. De kosmische krachten, die in de geheele natuur werken, werken ook in den mensch. De afhankelijkheid van al het bestaande aan de kosmische (geestelijk-mystieke) Eenheid heeft zich van een kosmologische wereldbeschouwing tot een bijna religieuze idee ontwikkeld. En de architect heeft de behoefte gevoeld, bij den ingang deze idee door symbolische vormen tot zichtbare expressie te brengen. Dit geschiedt ten deele in subjectief aanzicht, om voor zichzelf steeds de aanwijzing te hebben op den waren inhoud van het leven, maar ook in objectief aanzicht om de goden, of de Boeddha’s (die in hun gezamenlijkheid zooiets als de Geest der wereld beteekenen) in deemoed te betuigen, hoe nietig de menschelijke dingen zijn tegenover het wezen van het goddelijke.
De schaduw-muur, of juister ‘weerspiegelingsmuur’ heeft een negatieve en een positieve beteekenis. De negatieve is de afsluiting van alle vreemde invloeden, het zich terugtrekken, in eenzaamheid uit den strijd en het gewoel buiten (symbolisch ook al weer: het afsluiten van de ziel voor den warrelenden strijd der hartstochten). Het grove volksgeloof heeft deze beteekenis doen ontaarden in het afsluiten van het gebouw voor kwade geesten. De positieve beteekenis is de herinnering aan de kosmogonische idee, de muur moet n.l. de gedachte aan het eeuwige weerspiegelen, geconcentreerd als in een tooverspiegel, in welke men de geheimen der natuur herkent. Daarom zijn op die muur toepasselijke afbeeldingen aangebracht, die aan deze wereldbeschouwing herinneren. Omgekeerd moet ook de er in geconcentreerde wereldgedachte weer terugstralen en in de bewoners van tempel of huis terug-spiegelen. [...]
Zóó beelden de Chineezen op deze manier hun wereldaanschouwing plastisch uit door er de metaphysische elementen van hun ornamentiek op aan te brengen.
Zóó ziet men er dikwijls een geweldig, legendarisch tijger-dier te midden van water, bergen en wolken, in gestijleerde vormen. Dit beteekent geen bedreiging of verschrikking enkel maar, zooals oningewijden dikwijls denken, maar het is de symbolische uitdrukking van een mysterieus, geweldig, maar alles beheerschend principe van den kosmos, het is de aanwijzing dat de mensch ondergeschikt is aan de groote, universeele kosmische kracht, die over worden en vergaan beschikt. De tijger beteekent geen gewone tijger, maar een kosmische kracht, waaraan de stoffelijke mens ondergeschikt is.
De twee kosmische oerkrachten, die alles in den kosmos doordringen zijn [...] ‘Yang’, het mannelijke, lichte, ook wel geestelijke genoemd en ‘Yin’, het vrouwelijke, duistere, ook wel met stoffelijke aangeduid.
De Tijger wordt genomen voor het stoffelijke, Yin, de Draak voor het geestelijke, Yang. Zoo stelt de Tijger op zulk een muur het stoffelijke principe voor. [...]
Men vindt op dien schaduwmuur dikwijls nog fijnere symbolen. Bijvoorbeeld een grooten cirkel, plastisch versierd, met verhoogden rand. In dien cirkel zijn twee draken gebeeldhouwd of geschilderd, die met een parel spelen, dien zij met hun open muilen maar niet bereiken kunnen. Die draken vliegen in wolken over bergen en water. [...] Water, lucht en aarde zijn de elementen, waaruit alles bestaat. Alle schepselen, ook de mensch, gaan maar een korte spanne tijds in individueelen vorm door het leven, en gaan dan weder op in de elementen. Het worden en vergaan, de eeuwige omwisseling en omvorming der dingen, dat alles wordt bewerkt door kosmische krachten, het Yang en het Yin, het eerste dikwijls gesymboliseerd in den Draak, het tweede in den Tijger. De draak symboliseert tevens het vochtige natuurprincipe in wolken, wateren en nevelen, de tijger het vaste, in bergen rotsen en aarde. Waar echter twéé draken worden afgebeeld, stellen deze twee de beide kosmische principen Yang en Yin voor, evenals dit het geval is als b.v. twee leeuwen worden voorgesteld.
Wat is nu hier de beteekenis van dien parel, waar die twee draken mede spelen? De meer populaire beteekenissen (b.v. die van maan of zon, die door draken, wolken schaduwen, nevelen verslonden worden en dus maans- of zonsverduisteringen enz.) voorbijgaande, zou deze de volgende zijn: Alle dingen zijn onvolkomen en sterfelijk. Maar nu en dan licht daar boven een ideaal op, een verheven, geestelijke Waarheid, die niet wisselt of sterft, maar eeuwig blijft. Dit ideaal, dit stuk volkomenheid, dat, in groote zeldzaamheid, nu en dan oplicht boven de éphemère verschijnselen, dat is de Parel, waarmede de draken spelen, zonder hem te grijpen, die Waarheid, waar alle sterfelijke verschijningen omheen draaien, waarnaar de menschen smachten en streven, zonder haar te kunnen bereiken. Dit geheimenis is het kostbaarste dat in den kosmos besloten ligt, daarom spelen de draken er mede, maar grijpen het niet, want dan zou het aan de menschen bekend worden.
In denzelfden cirkel, onder den draak, ziet men dikwijls nog een visch, zwemmend in het water, dat de draak uitspuwt, die visch benuttigt dat water als haar element en voedt zich er mede. Indien die visch daar maar steeds mede dóórgaat zal zij eenmaal zelf een draak worden. Ook dit is een symbolische voorstelling, symboliseerend, ook voor den mensch, den terugkeer tot de natuur, zooals die terugkeer ten allen tijde als heilmiddel tegen menschelijke afdwalingen gepredikt is. In dat draken (natuur) water (wezen) baden, dat water drinken, beteekent het bad, de verreiniging, de inwijding tot erkentenis en wijsheid genieten. Men ziet ook in den cirkel nog wel eens, in thibetaansche karakters, de boeddhistische machtspreuk ‘Om Mane Padme Hum’, ‘De Dauwdrop is in den Lotus’, esoterisch ongeveer beteekenend: ‘de eeuwige gedachte van de onzichtbare Godheid van het abstracte, onzichtbare overgaande in den zichtbaren, concreten vorm’ of ‘de emanatie van het zichtbare, objectieve uit het verborgene, subjectieve’. [...]
Als men den Spiegelmuur van een tempel gepasseerd is komt men meestal voor een z.g. Ph’ai Lou, een soort eerepoort, van hout of graniet. Meestal wordt het model van zulk een eerepoort, die men in China aan ’t eind van straten, op landwegen en bij tempels en andere gebouwen aantreft, voor zuiver chineesch gehouden. De Phái Lou is echter van [Voor-] Indischen oorsprong, daar zij ontwikkeld is uit de z.g. ‘toran’ van de boeddhistiesche Stupa.
Aan den ingang van een tempel beteekent zij heel wat meer dan enkel een gedachtenis of eerbewijs, maar symboliseert zij een doorgaan door de poort van erkentenis, een inwijding. Gewoonlijk staan achter deze poort twee vlaggemasten, die ritueel zijn voor ieder ambtsgebouw en iederen tempel, en van boven een doorgebroken mastkorf hebben voor vlaggen of lichten, en aan ’t uiteinde een punt met een kap uit metaal of geglazuurde potaarde. Hier heeft men ’t idee der Pylonen, zooals ook in de ‘stèlen’ met leeuwen voor particuliere woningen uitgedrukt is. [...]
Meestal vindt men, onder aan een trap, die thans volgt en naar de z.g. ‘Hal der vier Hemels-Koningen’ leidt, twee steenen leeuwen, uit graniet of marmerachtigen steen, op een laag piedestal. De uiterste klauw van den Oostelijken leeuw, het mannelijk kosmisch principe, Yang, symboliseerend, rust op een bal; deze leeuw heeft gewoonlijk een klokje om den hals, en in den opengesperden muil een – somtijds beweeglijken – steen. De Westelijke leeuw, het vrouwelijke principe, Yin symboliseerend, steunt met den binnensten klauw op een soort vlechtwerk en met den buitenste houdt hij, als met een hand een bal vast.
Ook hier vinden we dus, in deze leeuwen, weer een herinnering aan de beide kosmische principes van de natuur aan het eeuwige wisselen en transformeeren. Deze beide leeuwen houden de gedachte aan die kosmische principes vast, en werken dus niet alleen monumentaal, door de styleering, maar ook belevendigend door de uitdrukking van een innerlijk Idee. [...]
De Vier Hemelskoningen (Sz’Th’ien Wang), de ‘Catur Maharaya’s’ of dewa-Koningen van het Boeddhisme, dier de wereld beschermen tegen de Asoera’s (reuzen-demonen) en die als beschermers van den tempel worden aangemerkt, zijn geweldige figuren, in woeste houding, die iets afschrikwekkends hebben, dat oningewijden aan heidensche afgoden zou doen denken.
[...] die wilde, geweldige uitdrukking [zou] echter de ontzettende kracht van het geloof aanduiden. De kolossale strijd in die figuren uitgedrukt, zou ook symboliseeren den strijd, innerlijk in den mensch, tegen de hartstochten en begeerten. Na deze grimmige figuren voorbij te zijn gegaan (symbolisch: na, gesterkt door het geloof, den verschrikkelijken strijd te hebben doorstaan tegen hartstochten en demonen) komt men dan eindelijk in een stillen tempelhal. [...]
Het voornaamste deel van zulk een klenteng is altijd de zg. ‘Ta Tien’, de groote gebedshal, het hoofd-heiligdom. [...]
De Ta Tien, de groote Gebedshal is echter altijd het centrum van eeredienst en aanbidding. In China ligt deze Ta Tien altijd in het midden van den wijden hof, tusschen omgevenden kleine gebouwen, waar de kloosterlingen wonen. In Ned. Indië treft men slechts weinige inwonende monniken aan. Men vindt in deze Ta Tien niet alleen het beeld van de eigenlijke godheid aan wien de tempel gewijd is, maar ook van andere. [...]
In zulk een Ta Tien tredend onthoude men goed, dat men hier weer omringd is van diepzinnige symboliek, en dat men niet alleen op het uiterlijk te letten heeft. Meestal zijn b.v. de voetstukken der acht middelste zuilen uit steen, somtijds in den vorm van trommels, en rijk gebeeldhouwd. Op vier er van zijn op elk twee draken ingemetseld, die met de parel spelen [...].
Op de vier middelste zweeft de parel niet vrij tusschen de wolken, maar is hij binnen een soort poortgebouw, waarnaar de draken de koppen reiken. Dit is de idee van de z.g. Drakenpoort (Lung Men). Wil een mensch de volkomenheid het ideaal van Wijsheid verkrijgen, zoo moet hij eerst door de Drakenpoort gaan d.i. den weg afleggen door het eeuwige gewissel en getransformeer der natuurprincipes.
Men ziet, zooals uit ’t bovenstaande blijkt, de oer-cosmogonische ideeën van de oude wijsheid der chineezen steeds in den boeddhistisch-chineeschen eeredienst ingeslopen. [...]
Ook ziet men in tempels onder aan die zuilen, of elders, veelal een visch afgebeeld die door de Drakenpoort zwemt. Dit wordt dan later haar transformatie in den Draak, het bereiken der Wijsheid. [...]
Ter zijde van de altaar-tafel nog hooge kaars-standaarden en voetstukken met ketel-gongen. De toon van den gong, als deze aangeslagen is, wordt verondersteld door zijn trillingen den Boeddha, die vereerd wordt naderbij te roepen. [...]
De vier middelste zuilen van het hoofdfront dragen meestal lange hout-tabletten met gouden schriftteekens op zwart gelakt fond, die aldus vier spreuken vormen. Deze tabletten heeten ‘toei tsz’; en vormen samen een toepasselijk gedicht. [...]
De wierookvaten in een tempel zijn dikwijls prachtige kunstwerken van brons of koper. Zij heeten dan ook ‘hiang lou’ (wierook-toren). [...]
Men lette ook op een lamp, boven vóór het altaar, in rijk besneden houten huisje, waarom kleine zuiltjes, met draken besneden.
Deze lamp, in Boeddhistische tempels te vinden, herinnert aan de eeuwige lampen in de Katholieke kerken. [...]
Men zal ook opmerken, dat in zulk een tempel talrijke gordijnen hangen, en vele lappen zijde, met gouden karakters, die verhinderen, de geheele tempelruimte direct te overzien. Dit is in overeenstemming met het principe, dat kunstwerken niet direct voor ’t bloote oog tentoongesteld moeten worden, maar als ’t ware omsluierd, verborgen moeten blijven. [...] die gordijnen en lappen, alle in zuivere harmonie met elkaar, en met vele symbolische ornamenten [...]
Met het oog op de beelden zelve in den tempel houde men in herinnering, dat het geen imitatieve afbeeldingen maar symbolen van ideeën zijn, waarvan niet anatomische structuur maar styleering hoofddoel is.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 135-139

[Yogyakarta 2 – Rijksbestierder] 

De pendopo. De vloer is in den regel met cement bepleisterd. Het hooge middengedeelte wordt omgeven door een laag gedeelte van 0.30 à 0.50 M. Hierop staan de buitenste stijlen (soko laré = kinderstijlen) rustende op een steenen voetstuk, de oempak geheeten, in den vloer gemetseld en waarin ter versiering eenige lijsten zijn uitgehouwen. De stijlen zelf hebben als versiering eenvoudige lijstjes, waardoor meteen de scherpe kanten worden weggenomen.
De volgende rij stijlen (soko gotjo) hebben eenigszins grootere afmetingen zoowel in doorsnede als in lengte of hoogte. Het voetstuk is meer bewerkt terwijl eventueele bekroning bestaat in een uit hout gesneden kapiteel (gondjo).
De volgende en laatste groep stijlen, vier in getal, de grootste en voornaamste, dragen het zware middelste gedeelte van het dak. De oempaks zijn versierd met ornamenten. Soms zijn de hoofdstijlen (soko goeroe) langs hun heele lengte uitgesneden terwijl de figuren met goudbrons en andere kleuren zijn beschilderd. De kapiteelen zijn eveneens met zorg uitgesneden.
De vier stijlen zijn boven door vier dwarsbalken met elkaar verbonden, waarvan twee met vierkante pennen (soendoek kili) en twee met platte pennen (soendoek kolong) waar de vierkante doorgestoken zijn. Behalve aan de bovenzijde, die toch niet zichtbaar is, zijn de soendoeks aan de uiteinden versierd.
Het middenplafond, dat met veel zorg bewerkt is, bestaat uit twee gedeelten, van elkaar gescheiden door een rijk versierde dwarsbalk, dodo peksi (vogelborst) genaamd. De twee ruimten, die door deze scheiding ontstaan zijn, worden aangevuld met geprofileerde en bewerkte balken, op elkander gelegd telkens met een kleinen voorsprong. [...]
Dit aantal, dat steeds oneven is, varieert tusschen 3 en 9. Een op dergelijke wijze gevormd trapgewelf draagt den naam van singoep. Overeenkomstig het aantal opgelegde balken spreekt men van singoep teloe (3 balken), die men aantreft bij aanzienlijken, singoep limo (5) en singoep pitoe (7) bij den hoogeren adel, terwijl de singoep songo (9) slechts in de kraton (woning van den vorst) mag worden toegepast.
Het ananasvormige stuk, dat op de dwarsbalken rust heet santen.
Het hoofddak wordt gedragen door een architraaf, waarop een breede architraaf en soms meer architraven, telkens uitspringende, zoodat daar ook trappen te zien zijn. Deze opeenstapeling heet toempang.
Het gebroken dak bestaat uit twee deelen, een steil middengedeelte omgeven door een minder hellend deel. De ondersteuning geschiedt door twee eenvoudige dakstoelen, bestaande uit twee makelaars, waarop de molo (nok) rust.
De vier doedoers (hoekkepers) bestaan ieder uit twee stukken, die twee verschillende hellingen hebben.
Boven de buitenste stijlenrij loopt een rondgaande architraaf, dat het dak daar ter plaatse ondersteunt en den naam draagt van blandar of pengeret. Er is een onderscheid tussen deze beide benamingen.
Men spreekt van blandars, wanneer zij zich bevinden aan de lange zijde van een rechthoekige pendopo. Die aan de korte zijden heeten pengeret.
De oesoeks (dakribben) loopen straalsgewijs naar de vier zijden uit en worden door de rengo (horizontale panlatten) verbonden, waaraan de sirappen worden bevestigd. Het materiaal bestaat uit djatihout, de beste houtsoort in de tropische gewesten. Heeft men een pannendak, dan kunnen de dakribben evenwijdig aan elkaar loopen. In dit geval wordt een plafond aangebracht bestaande uit beschilderde planken waardoor de dakribben niet meer zichtbaar zijn.
De balken die de buiten- en binnenstijlen verbinden heeten sentèngs.
Ten einde de tampoeh (het inregenen) te voorkomen kan het dak worden verbreed, dat geschiedt òf door middel van een breed overstek door schoren ondersteund, òf door de doedoers en sentengs aanzienlijk te verlengen, zoodat men weder gebruik moet maken van blandars gesteund door een stijlenrij. Deze stijlen, die nog kleiner afmetingen hebben dan de overigen rusten op eenvoudige oempaks, thans niet in den vloer van de pendopo gemetseld , doch hun ondersteuning vindende op een gemetselde fundeering. Op deze manier wordt eveneens de tratag aan de voorzijde van de pendopo ondersteund

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 185

[Jakarta 4 – Gajah Mada] 

Een onrustig tijdperk in de geschiedenis van Madjapahit. Een gevaarlijke opstand is uitgebroken en de regeerende koning Djajanagara ziet zich zelfs genoodzaakt zijn hoofdstad heimelijk te verlaten, slechts vergezeld door de juist dienstdoende afdeeling der lijfwacht. De bevelvoerende officier dier afdeeling keert, als de koning in veiligheid is gebracht, alleen naar Madjapahit terug, polst daar de achtergebleven rijksgenooten, organiseert, als hij trouw bevonden heeft, een samenzwering tegen den opstandeling en veroorzaakt zoo diens dood. De koning betrekt den kraton weder, en de verdienstelijke officier ziet zich den weg geopend tot een schitterende carrière.
Op die wijze heeft de opstand van 1319 de opkomst ten gevolge gehad van den beroemden Gadja Mada, , want die verdienstelijke officier was geen ander dan hij. Na verschillende hooge ambten bekleed te hebben, werd hij twaalf jaar later geroepen tot het rijksbestuurderschap en meer dan dertig jaar heeft hij in die hoedanigheid het lot van Java in handen gehad. Groote hervormingen in het binnenlandsch bestuur gingen gepaard met krachtige expansie naar buiten: de geheele Archipel moest gaandeweg het oppergezag van Java erkennen en Gadja Mada’s beleid maakte het Madjapahitsche rijk tot de groote zeemogendheid van Zuid-Oost Azië.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 4, 269

[Yogya 1 – Bastaman] 

[1920, Noto Soeroto:]
[De vereniging] Boedi Oetomo heeft bij het 100ste geboortejaar van Raden Saleh een ‘Raden Saleh fonds’ gesticht, ten doel hebbende om de studie van ontluikende Javaansche schilders te bekostigen. Niet Raden Saleh echter zou ik tot voorbeeld willen aanwijzen voor toekomstige Javaansche schilders. In de richting van Raden Saleh kan een Javaan het zeker wel heel ver brengen, maar niet zal daardoor een eigenlijke Javaansche schilderkunst ontstaan. Hiervoor is noodig bewuste kennis van den eigen aard, liefdevolle bestudeering der eigen tot reeds zoo groote volkomenheid gegroeide wayang-beeldkunst en levendige belangstelling in de kunst van onze eigen broeders, de Baliërs.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 5, 362-365

[Semarang 3 – Avondschool] 

Te Semarang overleed op 23 Juli 1920 een inheemsch technicus, die een man van beteekenis was in de Indische maatschappij.
Mas Aboekassan Atmodirono werd geboren te Wonosobo op 187 Maart 1860, als zoon van Atmodirono, hoofddjaksa te Poerworedjo, residentie Kedoe. Hij bezocht aldaar de Europeesche lagere school en daarna de Koningin Wilhelminaschool te Batavia.
Hij kreeg in 1878 een aanstelling als opzichter 3de klasse bij den Waterstaat en ’s Lands Burgerlijke Openbare Werken. Hij was daardoor een der eerste Javanen, die volledig met Europeanen werd gelijk gesteld, in positie, zoowel als in salaris. Hij werd achtereenvolgens opzichter 2de en 1ste klasse [...]
Hoewel hij nooit schoolonderwijs in de Westersche moderne talen deelachtig was geworden, wist hij zich door zelfstudie zóó te ontwikkelen, dat hij Fransch, Engelsch en Duitsch niet alleen kon lezen en schrijven, doch zelfs gesprekken in die talen kon voeren.
Maar zijn technische loopbaan kreeg een hoogere richting, nadat hij in 1898 te Semarang het examen voor architect bij den Waterstaat had afgelegd. Het duurde nog 3 jaar vóór, ten gevolge van een vacature in laatstgenoemde rang, die boven dien van opzichter staat, zijn benoeming tot architect bij den Waterstaat en ’s Lands Burgerlijke Openbare Werken afkwam. Hij heeft dat ambt 19 jaar vervuld. Zijn ambtelijke arbeid ondervond waardeering bij zijn chefs, zooals bleek, toen hij in 1912 benoemd werd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau.[...]
Verschillende vereenigingen hebben haar ontstaan aan hem te danken. Zoo stichtte hij in 1911 de vereeniging voor inheemsche ambtenaren ‘Mangoen Hardjo’ die thans 2000 leden telt en 24 afdeelingsbesturen op Java en Madoera. [...]
Geruimen tijd was hij commissaris van het hoofdbestuur der bekende vereeniging Boedi Oetomo, en was ook voorzitter. Maar hij was een zelfstandige persoonlijkheid en hij kon zich moeilijk vereenigen met het betrekkelijk scherp belijnd programma van Boedi Oetomo, want hij volgde een eigen lijn in het streven tot bevordering van de belangen van zijn landgenoten.
Een stichting van groote beteekenis was de Technische Avondschool te Semarang, die door Atmodirono is opgericht.
Zij geeft aan hoofdzakelijk inheemsche jongelieden van voldoenden aanleg gedurende 5 dagen der week in de avonduren onderwijs in technische en aanverwante vakken. Na 4-jarigen cursus kunnen de leerlingen, na afgelegd examen, geplaatst worden als onder-opzichters, respectievelijk opzichters bij den Waterstaat, bij locale werken of bij particulieren. De betrokken chefs dezer jongelieden laten zich over het algemeen gunstig uit over hun bruikbaarheid in de practijk. Aan deze school zijn thans 3 ingenieurs der B.O.W., 1 architect, 4 opzichters, 1 onderwijzer met hoofdacte en 1 candidaat-notaris als leeraren verbonden. Zij telt thans 70 leerlingen en zij mag zich verheugen in jaarlijksche subsidie van het gouvernement, de gemeente en van andere lichamen en personen. [...]
Hij was lid van den gemeenteraad van Semarang van af de instelling der gemeente. Wars van tribune-reclame, sprak hij weinig in het openbaar, maar in de technische commissie van den gemeenteraad heeft hij degelijk en goed werk verricht.
In 1898, bij de instelling van den Volksraad, werd hij tot lid van dit college gekozen.

Nederlandsch Indië - Oud & Nieuw - 6, 105-106

[Surabaya 2 – Hotel] 

[1921] Het verkeer onderscheidt zich van dat in menige Europeesche stad hierdoor, dat het gebruik van automobiel betrekkelijk groot is, waartoe o.m. de groote afstanden ten gevolge van de ruime bebouwing en den uitgerekten vorm der Indische steden (althans bij de drie groote havenplaatsen op Java) meewerken. Daarbij komt, dat het verkeer vaak op enkele hoofdwegen geconcentreerd wordt en daardoor zeer intensief wordt. In het Oranje Hotel te Soerabaja deed ik eens, omstreeks vijf uur ’s namiddags, toen de terugkeer van de benedenstad naar de woonwijken in gang was, een telling van het aantal auto’s, rijtuigen en motorfietsen. In een kwartier kwamen er 175 voorbij, hetgeen neerkomt op een gemiddelde opeenvolging 5 seconden, en ik wil gaarne aannemen, wat mij eens medegedeeld werd, dat bij de Roode Brug in Soerabaja op sommige uren van den dag een verkeer gaande is, even druk als op de drukste punten in Londen.
Het eerste werk van den ontwerper van een uitbreidingsplan zal dus wel zijn te zorgen, dat het auto- en rijtuigverkeer meer verspreid wordt en niet aangewezen blijft op één of twee hoofdverkeerswegen. Maar dit niet alleen. Hij zal, ook in verband met de te verwachten toeneming van dit verkeer, vele dier wegen zoo breed moeten kiezen dat b.v. in vier, in plaats van in twee rijen de voertuigen, ongerekend de trams, kunnen rijden. Vooral in Soerabaja lijkt dit een belangrijk punt.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 125

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

De inwijding der Portugeesche Buitenkerk in 1695, door V.I. van de Wall:
[…] Een paar jaren terug, den 19en October zestienhonderd-drie-en-negentig, werd de eerste steen gelegd (Volgens het herinneringsbord, thans nog in de kerk aanwezig, door het zoontje van den Visiteur-Generaal Govert van Hoorn ter presentie van den heere Directeur-Generaal Joan van Hoorn, diens broeder.) en hoewel er voor de algeheele voltooiing reeds in gepredikt was, zou thans eerst de inwijdingsplechtigheid plaats vinden.
In de Mardijkerbuurten, achter de Kerk [in 1921 gezien vanuit Weltevreden, dus buurten gelegen noord van de kerk], de Verburgsgracht, de Kroonegracht, de Speelmansgracht en andere, sinds lang verdwenen, heerschte dan ook vreugde en dankbaarheid, dat aan hun ‘sieltoogent verlangen’ voldaan was. Bij den ochtenddienst, waarbij de Opperlandvoogd, mitsgaders de Raden van India tegenwoordig zouden zijn, zou bij uitzondering in het Nederlandsch gesproken worden, des avonds ten behoeve der Portugeesche gemeente in het Portugeesch, zooals destijds gebruikelijk was.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 128

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Vele oude bouwwerken zijn gevallen onder de de sloopende hand der voorzaten, of bezweken in de loop der tijden door invloeden van het tropisch klimaat, doch het nederig bedehuis bleef Godlof! voor ons gespaard. Als sprekend monument ter nagedachtenis aan de roemrijke dagen der Oost-Indische Compagnie, sluimert het tezamen met de graven harer dienaren, waaronder een der hoogste (De Gouverneur-Generaal Hendrik Zwaardecroon (1720-1724), die bij ‘t ‘gemeen’ begraven wilde zijn), onder ’t ritselende loover der boomen, eene dierbare herinnering aan lang vervlogen tijden […] het sluimert en wacht op het nieuwe kleed. (Bij Gouvernementsbesluit van 22 Mei 1920 No. 6 werd de restauratie der Portugeesche Buitenkerk aan den Oudheidkundigen Dienst in Nederlandsch-Indië opgedragen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 147-149

[Semarang 3 – Oud Tjandi] 

[1921] Ir A.Plate, voordracht voor het Indisch Genootschap:
Het uitbreidingsplan van Semarang, door den gemeenteraad vastgelegd, bestaat uit drie deelen, min of meer door natuurlijke grenzen onderling gescheiden. De drie ontwerpen kwamen echter ongeveer gelijktijdig tot stand, waardoor het noodige verband geheel gewaarborgd wordt. De kaart van Semarang beschouwend, valt dadelijk op de merkwaardige vorm der bestaande stad. Evenals de beide andere groote noordkustplaatsen van Java is de oude stad van af het havengebied land-inwaarts gegroeid, van de lage ongezonde kust af. Maar waar die groei in Batavia en Soerabaja met de jaren in hoofdzaak in één richting landwaarts geschiedde, waardoor zeer lange gerekte steden ontstonden, groeide Semarang langs twee hoofdrichtingen, bepaald door de twee groote postwegen naar Kendal [west] en Ambarawa [zuid], welke in het hart der benedenstad hun punt van uitgang hebben.
Ten Zuiden van de stad verheft zich, zeer scherp boven de vlakte, een uitgestrekt heuvelland, den overgang vormend tot de verder zuidelijk gelegen bergen. Op het meest oostelijk deel van dit heuvelland, doorsneden door den grooten postweg naar Ambarawa [Jl Haryono – Jl Mataram – Jl Wahidin], zette zich in vroeger jaren reeds langs dien weg de bebouwing voort. Hier ontstond het bekende Tjandi, waar menig Europeaan zijn woonplaats koos. Door stelsellooze aanleg van woonwegen en bebouwing is deze villawijk niet gegroeid tot wat ze in verband met de prachtige terreinligging had kunnen worden.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 149-151

[Semarang 3 – Nieuw Tjandi] 

[1921] Ir A.Plate, voordracht voor het Indisch Genootschap:
De bebouwing van de benedenstad toont een groot hiaat, gevormd door uitgestrekte sawahterreinen (Peterongan, Pekoenden)
*] binnen de beide beenen van de vork, waarlangs de bebouwing plaats vond. De aanleg van ongeveer 2 K.M. lange rechte weg west-oost loopend (Pieter Seijthoff-Hoogenraadlaan) [Jl Pandanaran – Jl Yani] door het gouvernement destijds dwars door die onbebouwde terreinen aangelegd, bracht een hoog noodige verbetering voor het verkeer tusschen zuid-west en zuid-oost Semarang. Maar er is niet heel veel stedenbouwkundige kennis voor noodig om in te zien dat het groote braakliggend bouwterrein op den duur geëxploiteerd zou moeten worden. Niet alleen was het door ligging aangewezen om te helpen voorzien in de dringende behoefte aan bouwterrein, maar hygiënische eischen dwongen er toe om het groote sawahvlak behoorlijk droog te leggen. Vooral bij langdurig onderwater staan in den regentijd ontstaan vaak ontoelaatbare toestanden.
De eigenaars van deze terreinen, welke administratief, als particuliere landerijen, behoorend aan twee Chineesche eigenaren, bestuurd worden, waren aanvankelijk weinig geneigd om tot bouw-exploitatie over te gaan, maar bepaalden zich tot den bouw van eenige huizen langs de, hun land doorsnijdende groote wegen (door de gemeente van het gouvernement overgenomen). Semarang kreeg hierdoor evenals menige Europeesche stad, die het voorrecht heeft een monopolistisch groot-grondbezitter in haar midden te hebben, zijn speciale grondpolitiek. Semarang had echter een groote streep voor. Het had een prachtig gelegen heuvelland in de nabijheid, waarop, dank zij het initiatief van twee zijner burgers, Dr de Vogel en Tillema, in de ure des gevaars, tijdig beslag gelegd werd door het afkoopen der bezitsrechten en een energieke raad voelde later zich belast met een eereschuld aan genoemde burgers en zorgde dat het heuvelland grootendeels gemeentelijk eigendom werd, waartoe de regeering haar medewerking verleende.
Semarang kreeg echter in eigen boezem haar strijd te strijden, hierdoor ontstaan dat één partij vóór alles een exploitatie van het heuvelland wenschte en de andere partij daarvan een mislukking voorspelde en het geneesmiddel zocht in assaineering en uitbreiding van bouwterrein in de benedenstad, het laatste desnoods door onteigening der particuliere landerijen Peterongan en Pekoenden. Het pleit werd beslist op exploitatie van het heuvelland en het nageslacht zal daarvoor dankbaar zijn. Inmiddels hebben de omstandigheden er toe geleid, dat ook het vraagstuk van het gezond maken der benedenstad en ook het gaandeweg voor bouwexploitatie geschikt maken van terreinen, niet over boord geworpen werd. Zelfs mag ook dit vraagstuk, niettegenstaande het succes met de gemeentelijke exploitatie in het heuvelterrein verkregen, thans een bizondere belangstelling genieten. De eigenaren der particuliere landerijen (Pekoenden en Peterongan) toonden gaandeweg meer te gevoelen voor een exploitatie als bouwterrein van hun landen, waaraan misschien een zachte dwang van gemeentelijke zijde niet vreemd was. Zij kwamen met het voorstel om een bekwaam bouwkundig ingenieur, den heer Karsten, het bouwplan van hun landen, dat anders door de gemeentelijke diensten zou worden gemaakt, te doen ontwerpen. Dit plan in den vorm, zooals het ten slotte na onderhandelingen bij den Raad werd ingediend en door dat college werd vastgelegd, wordt nu allereerst aan een beschouwing, welke slechts algemeen en zeer oppervlakkig zijn kan, onderworpen.
*] Het terrein aan de noordzijde begrensd door de Kali Semarang en vervolgens door Jl Haryono – Jl Mataram – Jl Sriwijaya – Jl Kyai Saleh – Jl Pandanaran.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 154-155

[Semarang 3 – Sompok] 

[1921] Ir A.Plate, voordracht voor het Indisch Genootschap:
Een tweede uitbreidingsplan, minder omvangrijk, betreft het terrein in het zuid-oostelijk deel van de benedenstad, tegen den voet der Tjandiheuvels gelegen. De betreffende terreinen, bekend onder den naam Sompok *], zijn gedeeltelijk door de gemeente opgekocht. Het ligt in de bedoeling deze gronden voor een klein deel ter beschikking te stellen van de vereeniging voor woningbouw voor min-gegoede Europeanen. De plannen dezer vereeniging zijn in uitvoering.
Voor het overige, grooter deel, is Sompok bestemd voor kampongbouw, waartoe het terrein, dat gemakkelijk te assaineeren is en door ligging ten opzichte van de tramlijn gunstig ligt, zich goed leent. Een beginsel-besluit van den gemeenteraad (begin 1907) om tot den bouw van 5000 gemeentelijke woningen over te gaan (de pest dwingt tot maatregelen inzake volkshuisvesting) zal een spoedige exploitatie van Sompok in de hand werken.
Het gehele Sompokplan kan voorzien in de volkshuisvesting van 11000 tot 12000 zielen.
*] In het noorden begrensd door Jl Katamso en vervolgens door het Banjir Kanel Barat – Jl Mrican – Jl Wahidin – Jl Komp. Maksum.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 155-156

[Semarang 3 – Nieuw Tjandi] 

[1921] Ir A.Plate, voordracht voor het Indisch Genootschap:
Belangrijker dan het Sompokplan is het bouwplan voor het gemeentelijk heuvelland in Semarang, waarnaar sedert enkele jaren een geheel nieuwe bovenstad gebouwd wordt. Het plan omvat een oppervlak van meer dan 400 H.A. gemeentelijken grond en omsluit ook een klein deel van het zuidelijk daaraan grenzend nog onbebouwde particuliere land Tjandi. Is dit plan geheel in exploitatie gebracht – wat naar het tempo van uitgiften van perceelen in de eerste jaren binnen zeer afzienbaren tijd het geval zou zijn – dan kunnen de uitgestrekte, meer zuidwaarts gelegen terreinen zoo noodig na aankoop of onteigening voor bouwterrein in aanmerking komen.
Het bouwplan in groote trekken beschouwend, in verband ook met de benedenstad, toont aan hoe nadeelige verspreiding in bebouwing van de ree af in de benedenstad, in de ontworpen bovenstad weer tot samentrekking gedwongen wordt. De door het heuvelland slingerende Nieuwe Tjandiweg [Jl Riniani > Jl Parman] – in 1914 voltooid – loopt weer [Jl Sultan Agung] naar den grooten postweg naar Oengaran, Ambarawa toe en maakt dat de bebouwing, welke om deze hoofdwegen gegroepeerd is en in de bovenstad weer meer tot een geheel groeit. Uit een algemeen stedenbouwkundig oogpunt is deze concentratie zeer gewenscht. Voor Semarang, dat in verhouding tot zijn werkelijk bebouwd oppervlak abnormaal groote verkeersafstanden heeft, is deze samensnoering in de nieuwe stadsuitbreiding zelfs dringend noodzakelijk te noemen.
Het geheele plan is zoo angstvallig mogelijk aangepast aan de terreinomstandigheden, d.w.z. dat belangrijke uitzichtpunten waar mogelijk aan de openbare wegen gekoppeld en op markante wijze in het ontwerp verwerkt zijn, dat de traceering der wegen zoo oeconomisch mogelijk geschied is, dat de verschillende wijken eveneens naar terreinomstandigheden gevormd zijn. Bij het maken van dit plan heeft dus het streven, om tot een logischen opzet, om tot min of meer van zelf uit de gegevens voorkomende oplossingen te komen, even sterk voorgezeten als bij het plan Pekoenden. Het sterk verschil in terreinvorm bracht van zelf groot verschil in oplossing bij beide plannen te weeg. Treedt bij het plan voor het vlakke terrein in de benedenstad de rechte lijn bij meer dan één verkeersweg van zelf op den voorgrond, bij het heuvelland daarentegen zou deze oplossing nagenoeg een zeer gedwongene en zeker een onoeconomische zijn. In plaats van harmonisch gegroeid, zou een stelsel van rechte wegen hier in werkelijkheid als sterke willekeur gebrandmerkt moeten worden en noch tot een schoon, noch tot een oeconomisch, noch tot een klaar plan geleid hebben.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 156-158

[Semarang 3 – De Iongplein] 

[1921] Ir A.Plate, voordracht voor het Indisch Genootschap:
Als een der beide voornaamste centra, eigenlijk wel het voornaamste, wordt genoemd het Raadsplein [Taman Diponegoro], gelegen aan den Nieuwen Tjandiweg [Jl Parman]. Hierop zal uitkomen een nieuwe, thans ook reeds gedeeltelijk in aanleg zijnde, nieuwe hoofdweg, de Sirandaweg [Jl Sudhiarto] geheeten, geheel voor tramverkeer ontworpen, welke zich omlaag slingert en met den hiervoor genoemde Oei Tiong Hamweg [Jl Pahlawan] een korte verbinding vormt met het groote centrum in het bouwplan der benedenstad (vijfsprong aan Pieter Seythofflaan [Simpang Lima]) en daarover met den Chineeschen kamp en de kantoorbuurten.
De zich slingerende Sirandaweg (door afwisselende uitzichten bijzonder mooi) wordt op eenige plaatsen door afsnijdingen met sterker helling belangrijk verkort. Voor het automobielverkeer en afgaand tramverkeer, welke niet aan de regelmatige vier percentshelling van den Sirandaweg gebonden zijn, beteekent dit tijdsbesparing.
Een derde hoofdweg gaat van het Raadsplein uit in oostelijke richting en zal in de toekomst verder ontworpen worden [Jl Kawi – Jl Tegal Sari] naar Djomblang, aan de voet van Tjandi gelegen. Op de teekening staat slechts het bovengedeelte van den weg bij het Raadsplein aangegeven. Ook over dezen weg zal tramverkeer mogelijk zijn.[...]
Het plein is langwerpig en hellend volgens de lengteas. Twee wegen, wier helling onderling een weinig verschilt, omsluiten een schuin oploopend grasveld met kleine waterpartij in het midden. Aan het zuid-westelijk einde ontwikkelt zich een soort bastion, van waaruit over den nieuwen Tjandiweg [Jl Parman] heen een prachtig uitzicht op het achterliggende heuvelland en de vulkaangroep zich voor den toeschouwer ontwikkelt. [In het bebouwingsplan was dit gedeelte van de heuvel vrij gelaten] Aan het tegenovergestelde, het noord-oostelijk einde van het plein is een groot erf met belangrijke woning, b.v. eene burgemeesterswoning, gedacht. Aan weerszijden van het plein worden slechts groote perceelen uitgegeven, zoodat rondom aanzienlijke tuinaanleg te wachten is. De waterpartij [...] eindigt met een kleine val in een bekken onder het bastion. Het water wordt vervolgens in een buisleiding omlaag gevoerd naar een zuid-westelijk gelegen vijvertje, de Lotosvijver, waarin het in een fontein omhoog spuit. Het water kan dan verder gebruikt worden voor doorspoeling van een kleine kali, waarop later rioolstoffen geloosd worden.
Bij het ontwerp van het Raadsplein is de eisch van zoo min mogelijk grondverzet vooropgesteld. De verbinding der op het plein samenkomende hoofdwegen is zoodanig ontworpen, dat uit verschillende richtingen tramverkeer samen kan komen en om het plein geleid kan worden.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 229-236

[Jakarta 6 – Gedung Kesenian] 

Toch zou het, na die herschepping van den O.-I. Archipel in eene Britsche kolonie, niet lang meer duren of er kwam weer eenig leven in de tooneelspeelkunst, al was dat ook geen vaderlandsche kunst. Want onder de nieuwe meesters des lands had zich reeds in 1814 eene vereeniging gevormd van officieren en ambtenaren, die in de buurt van het latere Waterlooplein een theater had opgericht van de eenvoudigste constructie, bamboewanden en atapdak. Bij de burgerij was het bekend als het nieuwe militaire theater te Weltevreden; het werd op 17 October 1814 geopend met eene opvoering van ‘The heir at law’ (De wettige erfgenaam). […] Hier werden tal van Engelsche toneelproducten voor het voetlicht gebracht; men waagde zich zelfs aan Shakespeare. Niet ver van de plek waar eenmaal de soudeniers van Jan Pietersz. Coen den ‘Hamlet’ verknoeid hadden, werd thans, bijna twee eeuwen later, door beter geschoolde acteurs ‘Henry the Fourth’ ten tooneele gebracht. […]
Spoedig na ’t herstel van het Nederlandsch gezag en het vertrek der Engelschen vormde zich eene vereeniging van tooneelliefhebbers onder de zinspreuk van Ovidius ‘Ut desint vires, tamen est laudanda voluntas’ (waar de krachten ontbreken, is nog de goede wil te prijzen). Op 21 April 1817 gaf deze tooneelvereeniging hare eerste voorstelling in hetzelfde bamboe-theater […] Opgevoerd werd ‘De Brandschatting’, een vertaald tooneelspel van Kotzebue, en daarna eene vaudeville naar het Fransch.
Gedurende een twintigtal jaren bleef dit genootschap, in de wandeling ‘Ut desint’ genaamd, eene populaire instelling in de Bataviasche samenleving. […] Meer dan aan medewerkers schortte het Ut desint echter aan medewerksters. […] Dit gemis van het vrouwelijk element moest aan de toneeluitvoeringen niet weinig afbreuk doen; al vermomden de jeunes premiers van het gezelschap zich ook zooveel mogelijk als leden van de vrouwelijke kunne, de identiteit was te onderkennen en bleef doodend voor de illusie. Hierin hadden de Fransche tooneelondernemers, welke van tijd tot tijd Java bezochten, een groot voordeel; zij brachten actrices en danseuses met zich, aan welke het vrouwelijk, en meer in ’t bijzonder het Fransche cachet onmiskenbaar was.
Onder den invloed van moderne begrippen, mede om hare prioriteit en recht van bestaan te handhaven, besloot nu de vereeniging Ut desint een steenen schouwburg te stichten. [….] Binnen korten tijd was daarvoor uit vrijwillige bijdragen een fonds van f 43.600 bijeen. De regeering hielp met het terrein en de materialen, Bij besluit van 6 Juli 1820 werd kosteloos afgestaan de grond gelegen in den hoek, die gevormd werd door den weg van Noordwijk naar Goenoeng Sari en den z.g. Middenweg, langs het (destijds nog onvoltooide) paleis van Weltevreden. Voorts werd beschikbaar gesteld […] eene som van ruim f 9000 als provenu van den voor afbraak verkochten stadsschouwburg. Een Chineesche aannemer belastte zich voor de som van f 22.000 met den opbouw van het nieuwe theater, terwijl f 36.000 besteed werd voor de inwendige inrichting, de décors, toneelrekwisiten enz. Een tekort van circa f 6000 op de beschikbare geldmiddelen werd gedekt door eene leening, waarin door den gouverneur generaal Baron v.d. Capellen en eenige handelsfirma’s werd deelgenomen. De werkzaamheden werden zoo spoedig verricht, dat het gebouw ter lengte van 144 en breedte van 60 voet op 7 December 1821 geopend kon worden met de opvoering van ‘Othello of de Moor van Venetië’, gevolgd door het vaderlandsch blijspel ‘De Trommelslager’.
De Duitsche scheepsdoctor Dr. Strehler, die omstreeks 1828 voor de eerste maal te Batavia kwam. Schreef in zijn dagboek over den nieuwen schouwburg: Dit gebouw vertoont zich van buiten zeer schoon en deftig; […] Langs de voorzijde loopt eene op zuilen rustende galerij, tot welke men met eenige trappen opklimt. Boven het portaal de bescheiden zinspreuk ‘Si desunt vires, tamen est laudanda voluntas’. Dit gebouw heeft geenerlei ander in zijne nabijheid. De voornaamste ingang, dien men langs de gezegde trappen bereikt, is zoo ruim dat men door denzelven in geval van brand het gevaar schielijk kan ontvluchten. Men vindt in dezen schouwburg geene loges, maar slechts een parterre, en rondom hetzelve eene galerij, die een weinig hooger ligt en welke de vrouwen bezetten, met openlating van ruimte voor de heeren, die achter haar willen heen en weer wandelen. […] Het gebouw is zeer hoog en voorzien van groote vensterramen, die in de plaats van glas slechts zwart muggengaas hebben […] Tusschen bedrijven gaat men in de open lucht, roept zijne bedienden en ververscht zich met wijn, punch, arak en andere dranken […] Men neemt die ververschingen mede van huis, dewijl men hier geen kastelein bij den schouwburg vindt.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 278

[Semarang 3 – Spoorlijn] 

De uitbreiding van den suikerhandel deed vooral het onhoudbare van den toestand [het vervoer met karren] het eerst inzien. Omstreeks 1860 kwamen de suikerplanters in Midden-Java tot de overtuiging, dat hun bestaan er mede gemoeid was. De suikerproductie van Java, die in 1849 nog maar 1.2 millioen pikols bedroeg, was reeds in 1860 geklommen tot 1.7 millioen pikols. Het gebrek aan trekdieren begon toen reeds nijpend te worden. De karrevrachten tusschen Solo en Semarang met een gemiddelde belasting van 6 pikol (360 K.G.) stegen geleidelijk van f 15 tot f 30. Thans, nu de suikerproductie intusschen meer dan vertienvoudigd is, zou vervoer naar de afscheepplaatsen met de oude vervoermiddelen ten eenenmale ondenkbaar zijn.
[...] zoo kwam toch in 1873 de eerste spoorlijn in Indië tot stand, met regeeringsgarantie, en gedeeltelijk met Fransch en Engelsch kapitaal

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 279-280

[Semarang 2 – Trammaatschappijen] 

Waren de spoorwegen onmisbaar als hoofdafvoerder, niet minder gewichtige beteekenis kregen de tramlijnen als secundair spoor, dus als bloedvaten van het gehele stelsel, dat menschen en producten onophoudelijk over Java zou verplaatsen, en, onder al de toevoerlijnen neemt voorzeker een stelsel van vier trammaatschappijen op Java met recht eene eereplaats in. Wij bedoelen de zustermaatschappijen Semarang-Joana, Semarang-Cheribon, Oost-Java en Serajoedal, die ieder op zich zelf geheel zelfstandige vennootschappen vormen, zonder vermenging van geldelijke belangen, en welker band uitsluitend van persoonlijken aard is.
Eén Directie bestuurt het geheele stelsel en één vertegenwoordiger in Indië neemt aldaar aller belangen waar, en treedt in plaats van de Directie in Nederland, wanneer de omstandigheden niet toelaten deze te raadplegen. De exploitatiechefs der verschillende maatschappijen hebben echter niets met elkander te maken en gedragen zich als bestuurders van onderling samenwerkende, doch niet als die van concurreerende maatschappijen. Het ambtenaarskorps van alle maatschappijen is samengesmolten, waardoor de positie der ambtenaren beter verzekerd is dan bij kleine maatschappijen in het algemeen het geval kan zijn.
Uit den aard der zaak blijft uitwisseling van personeel alleen beperkt tot ambtenaren van hoogeren rang; in de lagere rangen, en in het bijzonder bij het inlandsche personeel komt eene overplaatsing van dezen aard slechts bij uitzondering voor.
De chefs der verschillende diensten in Indië houden jaarlijks eenige bijeenkomsten om de bedrijfsresultaten te vergelijken en elkaar hunne ervaringen mede te deelen, waarmede elke maatschappij zich haar voordeel kan doen. Een en ander verplicht die chefs echter niet tot gelijkvormigheid in de dienstuitoefening. [...]
De vier maatschappijen hebben een gezamenlijk net van 896 K.M. of ruim 2½ maal den afstand van Vlissingen naar Groningen, en hiervan is de grootste de Semarang-Cheribon-maatschappij, met een lengte van 369 K.M., die zoowel door hare ligging als werking niet tot de eigenlijke voedingslijnen mag worden gerekend, doch de ontbrekende schakel vormt, die de West-Java en Oost-Java-spoorlijnen langs de lage noordkust verbindt.
De gehele kuststrook met achterland tusschen Semarang en Cheribon dankt voorts hare ontwikkeling van de laatste jaren aan deze tram, die de vier hoofdplaatsen Semarang, Pekalongan, Tegal en Cheribon met elkander verbindt, en die met behulp van tal van kleine voedingslijnen en verbindingen, alsmede van laad- en losgelegenheid bij de in haar gebied gelegen rubber-, koffie- en suikerondernemingen het geheele achterland aan de afvoerhavens heeft aangesloten en ook een groote uitwisseling van producten onderling en uitvoer daarvan naar het Westen en het Oosten heeft bevorderd.
Deze maatschappij heeft den ombouw van haar trambaan in een spoorbaan in den loop van dit jaar voltooid en wordt zoodoende een schakel in de spoorsnelverbinding van Soerabaja naar Batavia, welke wel binnen een paar jaren haar beslag zal krijgen.
Tusschen Koeripan en Tjelong wordt deze lijn door het kustgebergte haast in zee gedrongen en zijn de rails slechts door een smallen dijk van de kabbelende golven gescheiden. Hier ziet men de fraaiste afwisseling van strandflora en fraaie en grillige inhammen in het land, terwijl men tevens een schoonen aanblik heeft op de wijdse Javazee met talrijke prauwen op hare blauwe oppervlakte.
De Semarang-Joanatram sluit de geheele landstreek Japara in alle richtingen aan het bestaande spoor- en tramwegennet aan, terwijl de Serajoedaltram de vruchtbare landstreek van Bandjarnegare met de Zuidelijke Oceaanhaven Tjilatjap verbindt, en eindelijk de vierde zuster drukte en vertier in en om Soerabaja brengt en tevens de rijke suikerdistricten in het Kedirische met deze afvoerhaven verbindt.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 6, 355

[Semarang – Tillema]

Toen de zaken in Semarang floreerden werd hij een onvermoeid strijder voor de volksgezondheid, waarbij hij onder meer propageerde om de hygiëne van de inlandse bevolking tot een regeringszaak te maken. Naast vele andere geschriften was hij de auteur van “Kromo-Blanda over het vraagstuk van het wonen in Kromo's groote land” waarin hij de heersende toestanden betreffende de woningbouw aan de kaak stelde. Tillema financierde het uitgeven van zijn geschriften zelf en hij zorgde voor een goede distributie. Regering, Volksraad, Staten Generaal, pers allen wisten spoedig van zijn denkbeelden en zijn naam werd een begrip.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 7, 131-132

[Architecten – Hulswit] 
[Jakarta 5 – Hulswit]
 

Verleden jaar, 10 Januari 1921, overleed te Batavia M.J. Hulswit, die voor de Indische bouwkunde bijzondere verdiensten heeft gehad; zijn dertigjarig werken in de tropen is toch ten nauwste samengeweven met de Indische architectuur-ontwikkeling.
Geboren den 2en Januari 1862 te Amsterdam, genoot hij aldaar zijn vakopleiding aan de toen bestaande kunstnijverheidschool ‘Quellinus’.
Daarna werd hij geplaatst op het architectenbureau van Dr. P.J.H. Cuypers bij den bouw van het Rijksmuseum. Vervolgens werd hij tot leeraar aan de Quellinusschool aangesteld.
In 1880 vertrok hij naar Indië […] Hoe was in die dagen de toestand in Indië? Deze kan kortweg aller-bedroevendst worden genoemd. Indië kon in dien tijd geen enkelen bouwkundigen ingenieur aanwijzen. De ingenieurs van den Waterstaat hielden zich bezig met bruggen, duikers en stuwdammen. Zij die den titel van architect bij dien dienst voerden, waren wat beter onderlegde opzichters; voor bouwwerken van eenigen omvang zorgde de Genie, die in het werk van Storm van ’s-Gravesande de vastgestelde modellen vond voor al wat zij noodig had. Wie bovendien ‘liefhebberij’ had in kunst greep naar de orden van Vignola, die hem tot in de nietigste onderdelen, de recepten gaf voor kroonlijsten, zuilen, kapiteelen en lijstwerk.
Zoo was het toen Hulswit in Indië kwam. Zijn eerste groote werk was de uitvoering van het gebouw voor den Raad van Justitie te Soerabaja, waarvan het ontwerp was samengesteld door een liefhebberende opzichter bij den Waterstaat. […] Hulswit was geen scheppend kunstenaar, maar de bouwkunde had geheel zijn liefde en warme belangstelling.
Die hebben het hem ook mogelijk gemaakt om met volmaakt ongeschoolde inlandsche werklieden een werk uit te voeren als de katholieke kerk aan het Waterloo-plein te Weltevreden, in wier détails zijn kunstzin en zuiver stijlbegrip volop gelegenheid vonden zich te uiten.
Intusschen ijvert hij waar mogelijk voor beter en meer algemeen vakonderwijs en voor meerdere waardering van het handwerk.
Hij bevordert de inlandsche kunstnijverheid door een werkplaats in te richten voor houtsnijders uit Japara, die hij met voorlichting hielp bij de technische uitvoering, maar die hij in hun artistieke opvatting overigens geheel vrij laat.
Zijn onvermoeid streven in die richting werd met warmte gesteund door den Heer Zeilinga. Directeur en later president van de Javasche Bank, waarvoor Hulswit, die zich intusschen geassocieerd had met den architect Ed. Cuypers, een reeks van monumentale bouwwerken tot stand bracht. Dit nu was het denkbeeld dat hij daarin trachtte te verwezenlijken: om, met behoud van distributie en opzet, die door de bestemming van het bouwwerk worden beheerscht, de aan de oude Javaansche monumenten ontleende motieven, zooals de naga [slang of draak], de banaspati [bosgeest] en het makara-ornament [gestileerd dierbeeld of kreeft] daarin een passende plaats te geven.
Het is hier niet de plaats om dat denkbeeld aan kritische beschouwing te onderwerpen; wel mag worden vastgesteld, dat het een nieuwe prikkel vormde om aan de overblijfselen der Indische kunst meerdere aandacht te schenken.
De groote verdienste echter van Hulswit is wel deze, dat hij een der eersten is geweest die ons in Indië heeft geleerd wat bouwen beteekent, dat dat meer is dan het op- en naast elkander stapelen van steen en ander materiaal.
Toen hij in Indië kwam, bouwde daar iedereen, ziekenvaders en gepensionneerde schouten, assistent-residenten in ruste en hun vrouwen of weduwen, doctoren en opzichters in ‘het landelijke’, zooals men toen veelal de cultures noemde. Alles bouwde. […]

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 7, 140-143

[Jakarta 1 – Chartered Bank Building] 
[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 

Langen tijd hadden de handelsloodsen en kantoorgebouwen in Indië een semi-permanent karakter. Architectuur werd overbodig geacht; men had immers te doen met utiliteitsgebouwen en dan behoefde men niet zoo kieskeurig te zijn. De tijden zijn sedert veranderd. De geest is anders geworden. Er kwam een ander ras van Hollandsche kooplui naar Indië. De handelsscholen in Nederland vormden kooplui met nieuwe eischen en bijzonder initiatief. De geest ook onder de Oostersche rassen veranderde. De geest van gemoedelijkheid verdween. […] Zij willen iets grootsch zien en geïmponeerd worden. Dit is een in zekeren zin psychologische factor van zeer groote beteekenis. Zij speelt ook haar belangrijke rol in Indië. De Chineesche handelsman heeft de [...] – noem het een ietwat kinderlijke – behoefte […] geïmponeerd te worden. Het versterkt zijn vertrouwen, hij houdt er van zaken te doen in een wijdsch milieu. Het is de behoefte naar pracht en schittering, die zich zoo sterk uitspreekt bij alle Oostelijke en ook Zuidelijke rassen.
De koopman in Indië heeft begrepen daarmede rekening te moeten houden. En als gevolg hiervan en mede natuurlijk ook als gevolg van den toenemenden handel en het steeds uitgebreider verkeer is de architectuur in Indië een steeds belangrijker rol gaan spelen. Dat deze rol in Indië een geheel andere is dan die in Europa is nog steeds niet voldoende doorgedrongen. Niet alleen kan men nooit in Indië met een voor Europa ontworpen gebouw hetzelfde resultaat bereiken, maar ook zal het den beschouwer nooit den indruk geven van een in de omgeving passend geheel. Kunst is voor alles openbaring, en zoo ook hier zal men slechts dan slagen om een voor Indië passende architectuur tot stand te brengen, indien het den westerschen ontwerper geopenbaard wordt hoe een gebouw onder de eischen der tropen èn in de uitbeelding der ruimte naar binnen èn in de omsluiting der ruimten naar buiten geheel anders moet zijn. De ontwerper zal zich daartoe kunnen inspireeren op wat ouden reeds tot stand brachten zonder te vervallen, ook in de vormgeving, tot een slaafsch volgen der oude gegevens. Er van leeren hoe men onder de tropische gegevens de werking van een gebouw en zijn vormgeving zal moeten zien, is een kunst op zich zelf en dit te vereenigen met de voor de groote handelsbedrijven noodzakelijke moderne eischen en hulpmiddelen is een opgaaf die alleen een werkelijk architect als kunstenaar in staat is op te lossen.
Als men nu de laatste kantoorpaleizen eens beziet die in Indië gebouwd zijn, zooals de Javasche Bank […], van de Chartered Bank of India […] om slechts weinige te noemen, scheppingen van het Architecten- en Ingenieursbureau Hulswit & Fermont, Ed. Cuypers, Amsterdam, dan kan men bespeuren dat deze gedachtengang in alle nuanceeringen ook hier de leidende was. De zeer gelukkige combinatie van het Indische lokale en Europeesche architectenbureau, dat zich voortdurend kan oriënteeren over de moderne gemakken, hulpmiddelen en nieuwere materialen, was hier voor het verband van Indische en Europeesche eischen in een bijna ideale aanpassing waarschijnlijk wel de aangewezen stap in de bovengeschetste richting en is dit in de practijk gebleken.
Nog andere groote handel- en scheepvaartondernemingen in Indië hebben plannen voor de oprichting van ware paleizen als zetels van het bedrijf. De oorlog heeft in de uitvoering vertraging gebracht, maar op het oogenblik wordt er weer energiek aan gewerkt. En dan denken wij in de eerste plaats aan de bouwplannen van de Handelsver. Amsterdam, de Nederl. Handel-Mij, de Javasche Bank en de Nederl.- Ind. Handelsbank.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 7, 356

[Bogor – Protestantsche Kerk] 

Coen bepaalde o.a. dat op zon- en feestdagen zonder speciale vergunning geen markt gehouden mocht worden, geen winkel geopend zijn en geen ‘coopmanschappen ofte handelingh’ gedreven mocht worden. Des voor- zoowel als des namiddags was er kerk, niet slechts aan den wal maar ook op het grootste schip dat ter reede lag.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245

[Borobudur 2 – Tien reliëfs] 

Voorstellingen van vaartuigen op reliëfs van den Boroboedoer, door T. van Erp.
[• Het woord “afbeelding” in deze tekst is in een aantal gevallen vervangen door het woord “reliëf”.
• Het woord “ïndische” in deze tekst moet men verstaan als “Indiaas”.
• De originele afbeeldingen waren niet beschikbaar en zijn vervangen door foto’s van de huidige situatie van de samensteller.]
Allereerst dient dan de aandacht gevestigd te worden op een hoofdkaraktertrek der Indische plastiek. Deze streeft niet naar de uitbeelding der werkelijkheid, want de werkelijkheid is den Indiër slechts toevallige schijn van het daarachter verborgen wezen. Zij tracht een breede, samenvattende voorstelling te geven en daarbij de karakteristiek der dingen tot hun recht te doen komen; het niet tot het wezen behoorende detail blijft achterwege.
De Hindoe-Javaansche plastiek heeft tijdens de Midden-Javaansche bloeiperiode dit Indische, dit Hindoesche karakter ongerept gehandhaafd. Laten wij ons nu verder bepalen tot het concrete geval der vaartuigen. Een vluchtige blik [...] zegt het reeds: de voorstellingen geven geenszins het reële beeld te zien. De verhoudingen der afmetingen van mensch en vaartuig spotten met de werkelijkheid en zoo geven ook de proporties der samenstellende deelen van een schip [...] evenmin getrouw de werkelijkheid weer [...]
Niemand zal wel betwijfelen dat de inheemsche scheepvaart op Java ten tijde van de komst der Hindoesche kolonisten op een betrekkelijk lagen trap van ontwikkeling stond. Zeer zeker zal zij zich onder den invloed der Hindoesche beschaving geleidelijk hebben ontwikkeld, doch ten tijde van den bouw van den Boroboedoer-stoepa, omstreeks de 2e helft der achtste eeuw, zal zij nog verre van gelijkwaardig zijn geweest met het zooveel oudere Hindoesche bedrijf. Het ligt o.i. voor de hand dat de beeldhouwers hunne martieme tafreelen hebben gestoffeerd met het voor dien tijd ongetwijfeld aan de behoeften voldoende Hindoesche en niet met het minderwaardige Javaansche vaartuig. Waar wij voorts zien dat op de Boroboedoer-tafreelen de wagens, de staatsiekarossen, de draagstoelen, al of niet gemonteerd op olifanten, kortom al wat vervoermiddel te land was, met al den aankleve, een uitgesproken Indisch karakter draagt, zou dan niet het vervoermiddel te water evenzeer het Hindoesche type weergeven? Wij gelooven het ten stelligste, te meer waar de episode in de gewijde teksten zich immers geheel afspeelt in Indische sfeer. Hierbij is de mogelijkheid natuurlijk niet uitgesloten dat in de details der voorstellingen inheemsche invloeden merkbaar zijn. [...]
De voorgestelde vaartuigen zijn terug te brengen tot drie verschillende typen, te weten:
A. Het primitiefste vaartuig, de uitgeholde boomstam.
Dit meest eenvoudige vaartuig (Jav. djoekoeng) is twee maal afgebeeld [...][ Zie 1 en 2]
B. Het opgebouwde vaartuig zonder vlerken.
De afbeeldingen 3, 4 en 5 geven voorstellingen van grootere vaartuigen, alle drie voorzien van één mast. Gelet op de logge, hoog opgaande rompen, hebben we hier te doen met opgebouwde schepen, die dus samengesteld zijn uit een tegen een houten geraamte getimmerde buitenhuid. Wel is waar zien we nergens naden der beplanking, doch in verband met de breede schematische voorstellingswijze, mogen we niet verwachten dat dit detail zou zijn weergegeven. De vaartuigen hebben blijkbaar voldoende stabiliteit om de in het Oosten zoo gebruikelijke uitleggers, de vlerken, te kunnen ontberen. Ze komen uiterlijk eenigszins overeen met de ‘djangolan’, de beurtprauw, zooals die voorkomt in Madoera en Oost-Java, met Soerabaya als centrum. De overeenkomst spreekt o.m. in de rij blokjes, die men op het buitenboord ziet. We moeten in het midden laten of we hierin een puur versiersel hebben te zien, dan wel koppen der dwarsbalken, waarop het scheepsdek rust.
Wanneer we een vergelijking zouden willen maken met voorstellingen van Indische schepen, dan komen daarvoor in aanmerking de afbeeldingen [...] van [...] schepen [...] zonder vlerken en boegspriet, met hellende voor- en achtersteven, dubbele stuurspaan en twee masten. [...] [Verondersteld wordt] dat dit scheepstype, afkomstig van Kaling en Orissa, overeenkomt met dat van de vaartuigen, waarmede de Hindoesche kolonisten in de eerste eeuwen onzer jaartelling naar den Archipel zeilden. Het karakteristieke van de Boroboedoervaartuigen is dat de voor- en achtersteven onderscheidelijk schuin en verticaal oploopen – geheel in overeenstemming dus met het djoekoeng-type – en dat de mast bestaat uit een enkele boom, niet dus uit een tweebeenigen bok, zooals we dien bij de nog grootere vaartuigen met vlerken steeds aantreffen.
Wat de stuurinrichting betreft, laten de afbeeldingen ons in den steek. Op afb. 3 en 4 is er niets van een roer te zien, uit afb. 5 is niet met zekerheid op te maken hoe de samenstelling is.
C. Het opgebouwde vaartuig met vlerken.
[...] de grootere opgebouwde schepen, welker rompen zonder meer niet voldoende stabiliteit hebben [...] en die daarom voorzien zijn van uitleggers, de z.g. vlerken. Het hier bedoelde type is op de afbeeldingen vijf maal vertegenwoordigd, [6 – 10]. Vier der voorstellingen geven een tweemaster te zien, de vijfde een éénmaster.
Dat wij hier inderdaad te doen hebben met opgebouwde vaartuigen, waarvan de romp is samengesteld uit een wand, die tegen een geraamte van scheepsspanten is bevestigd, zal wel niet betwijfeld behoeven te worden. Wij hebben hier toch het grootste type van schepen voor ons. Dit blijkt reeds dadelijk uit de aanwezigheid van een tweede mast en een boegspriet; uit den vakwerkbouw van den romp, boven de waterlijn, het daarin voorkomen van patrijspoorten, beter gezegd roeipoorten, waardoor hier en daar de hoofden der roeiers zichtbaar zijn, zoomede uit het voorhanden zijn van een roef op het opperdek.
Aangezien tegenwoordig zoowel bij Hindoesche vaartuigen als bij die uit den Archipel typen voorkomen met één enkele vlerk en andere met dubbele vlerken, rijst dadelijk de vraag tot welk type de op den Boroboedoer voorgestelde schepen behooren. Op het eerste gezicht geven [de afbeeldingen] daarop geen antwoord, want de beeldhouwers, die steeds er op uit zijn van een ding de meest karakteristieke uitbeelding te geven, laten telkens het profiel en dus slechts één enkele zijde van het schip zien. Bij nauwkeurig toezien trekt het evenwel de aandacht dat afb. 6, 7, 8 en 10 de bakboordzijde en dat afb. 9 de stuurboordzijde naar den toeschouwer keert. Hieruit menen wij de gevolgtrekking te mogen maken dat de hier afgebeelde vaartuigen alle voorzien waren van dubbele vlerken.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 1

[Borobudur 2 – 115] 

1. Hoofdmuur eerste gaanderij – bovenste reeks – 115.
De afbeelding verplaatst ons in een der laatste episoden der levensgeschiedenis van den Boeddha, zooals die opgeteekend is in de beroemde soetra van het Mahayana, de Lalitawistara. De Tathagata bevindt zich op weg naar Benares om voor het eerst zijn Verlossende Leer te prediken en komt voor den sterk gezwollen Ganges-stroom te staan. Hij verzoekt den veerman hem over te zetten, doch deze eischt dat eerst veergeld betaald wordt. Met de woorden: ‘Ik heb geen geld, mijn waarde’, zweeft de Meester door de lucht, naar de andere oever. De bedremmelde veerman valt bewusteloos ter aarde. Wanneer hij later de gebeurtenis vertelt aan koning Bimbisara, stelt deze alle monniken vrij van betaling van het veergeld.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet Lalitawistara
Op de rechterzijde van het paneel is de aanlegplaats uitgebeeld. Onder een boom zit de onthutste veerschipper, zijn hoofd steunend met de rechterhand. Op den anderen oever staat de Tathagata op een lotuskussen; een aureool achter het hoofd. De gezwollen stroom is verlevendigd met visschen en een paar schildpadden. De hellende waterlijn op den rechteroever doet den ‘banjir’ aanvoelen. Op genoemden oever teekent zich het gestileerde rotslandschap, gestoffeerd met een herten-, zwijnen- en een hoenderpaar. In mangga-, ficus- en broodbomen zitten ganzen en op de visch beluste reigers.
Het tegen den aanlegsteiger gemeerde vaartuigje vertoont een schuin oploopenden, horizontaal afgeplatten voorsteven en een verticaal opgaanden, doch schuin afgeplatten achtersteven. Deze vormen vindt men nog heden terug in het overigens zeer gevarieerde djoekoeng-type uit verschillende deelen van den Archipel. Aan de buitenzijde van den achtersteven ziet men een uitstekende ribbe, die natuurlijk niet als kieleinde moet beschouwd worden, want deze vaartuigen hebben min of meer ronde bodems en geen kiel. Dit uitsteeksel, dat we duidelijker terugvinden op afbeelding 2 zal wel een constructieve bedoeling hebben en dienen tot verzwaring van den achtersteven. Deze heeft inderdaad versterking noodig, want hier doet zich de druk van het roer gevoelen.
Het roer bestaat uit een dubbele stuurspaan, tusschen twee uitstekende dollen wederzijds tegen den achtersteven bevestigd. Vermoedelijk werden de spanen met rotan-stroppen vastgemaakt. Het veerschuitje is voorzien van een zonnetent, rustende op vier stijlen. De bij dergelijke djoekoengs vaak gebezigde pagaaien of schepriemen ontbreken; blijkbaar werd het vaartuig voortgeboomd. Een lange boom is zichtbaar tegen de achterzijde van de zonnetent. Het uiteinde is gevorkt. Duidelijker is deze gaffel zichtbaar bij den tweeden boom, die vertcaal op het aanlegsteigertje is geplant bij wijze van meerpaal. De djoekoeng is hieraan vastgesjord met een reep van touw of rotan. Het gevorkte einde dient natuurlijk om bij het boomen het indringen van den zetstok in den modderigen bodem te voorkomen. We vinden deze gaffels terug bij de boomen, waarmede nog heden ten dage de laadprauwen op de rivieren worden voortgestuwd.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 2

[Borobudur 2 – 82] 

2. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 82.
Deze afbeelding geeft reliëf no.82 der awadhana-tafereelen der onderste reeks van den hoofdmuur in de eerste gaanderij. [...]
Het behoort tot een serie van 25 paneelen, waarin de Roedrayanawadana is afgebeeld. Het verhaal geeft de lotgevallen van Roedrayana, Koning van Roroeka, die de nieuwe heilsleer omhelst, afstand doet van den troon ten behoeve van zijn zoon en vervolgens het arhat-schap bereikt. De ontaarde zoon laat zich door slechte raadslieden wijsmaken dat Roedrayana nog eens het koningschap zal hernemen en wordt overgehaald tot het begaan van den dubbelen misdaad: vadermoord en heiligenmoord. Het tafereel geeft den geprofeteerden zesdaagschen juweelen-regen te aanschouwen, welke voorafgaat aan den noodlottigen zandregen en de bedelving van de ontrouwe stad Roroeka.
ILW Borobudur Mendut Tempelvoet laadprauwtjeDe rechterhelft van het paneel is gevuld met een paleis of tempel en een pendopo. In deze laatste zit de ontaarde koning met vrouw en dienares. Tegen de bovenzijde van het reliëf zien we een gestileerde wolkenpartij waarin elf juweelenpotten, uit welker benedenwaarts gerichte openingen de schatten neervallen. De geldstukken, vingerringen enz. worden door de menigte gretig ontvangen en geborgen in schatvazen, welke geladen zijn op een op het droge liggend vaartuig.
De tekst maakt hier ook uitdrukkelijk melding van een schip, waarmede twee goede ministers, raadslieden van wijlen Roedrayana, straks zee zullen kiezen. Dit schip is hier niet voorgesteld, doch wij zullen het straks nog tegenkomen bij de vlerkvaartuigen (6 en 7).
In het door den beeldhouwer uitgebeelde vaartuigje zullen we dus het laadprauwtje hebben te zien, waarmede de kostbaarheden naar het zeeschip moeten worden vervoerd. Hoe dit zij, het vaartuig komt nagenoeg geheel overeen met [dat op afbeelding] 1; alleen is de voorsteven niet afgeplat doch puntig. Begrijpelijk dat bij deze op het droge liggende djoekoeng het roer achterwege bleef.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 3

[Borobudur 2 – 23] 

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet awahanas3. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 23.
Deze afbeelding geeft een fragment van reliëf no. 23 der onderste reeks van den hoofdmuur der eerste gaanderij en behoort dus tot de illustraties der awahana’s. Het reliëf is tot nu toe onverklaard gebleven, niettegenstaande het deel uitmaakt van de groep, waarin de zoo markante episodes zijn uitgebeeld van de overhandiging van een omlijst portret, eerst van een mannelijk, daarna van een vrouwelijk persoon. Het onderwerpelijke paneel geeft de aanbieding te zien van het conterfeitsel der vrouw, dat aangebracht is of vervoerd zal worden met het ter linkerzijde afgebeelde vaartuig. Het reliëf is juist in den linkerhoek niet geheel voltooid geworden. De achtersteven van het schip en het water zijn deels nog slechts schetsmatig aangeduid. De golven zijn weer rijkelijk gestoffeerd met visschen. De flank van het vaartuig is behalve met den reeds vermelden blokkenband, versierd met een paar cirkelvormige schijven. Mogelijk moeten deze laatste opgevat worden als oogen, waarvan, zooals we bij de vlerkprauwen zien, de voor- en achtersteven van grootere schepen steeds zijn voorzien.
De enkelvoudige mast eindigt in een rechthoekig schijfblok. De bemanning is deels bezig het zeil te hijschen of te strijken. Een der mannen vischt met een hengel, een andere houdt een lijn vast met enkele visschen. Tegen den voorsteven zit een figuur onder iets, dat aan een zonnescherm doet denken.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 4

[Borobudur 3 – 54] 

4. Balustrade eerste gaanderij – No 54.
Deze afbeelding is ontleend aan reliëf No 54 der bovenste reeks van de balustrade der eerste gaanderij. Het is het middelste van drie tafreelen, die te samen de geschiedenis illustreeren van den stuurman Soeparaga, No XIV der guirlande van verhalen der vroegere levensgeschiedenissen van den Boeddha [...]
Het ligt in de natuur der Bodhisattwa’s dat zij, welken tak van wetenschap of kunst zij ook beoefenen, daarin steeds uitmunten. Zoo was het ook toen de Bodhisattwa de stuurman Suparaga was. Hij kende sterren en zeeën en wist alles, wat noodig was; bovendien was hij waakzaam en onvermoeid. Geen wonder dat ook, toen hij al oud was, de handelaars, die een voorspoedige reis wenschen te hebben, hun best deden om hem op hun schepen te krijgen. Zoo kwamen er ook eens eenige kooplieden hem verzoeken met hen scheep te gaan en hoewel hij zich daaraan wilde onttrekken, omdat hij bijna niet meer zien kon en te zwak was geworden voor zijn werk, zij lieten niet af en verzekerden, dat hij hem nooit eenigen arbeid zouden laten doen, doch zijn tegenwoordigheid alleen reeds voldoende was voor een gelukkigen afloop der reis. Toen zij na eenigen tijd in open zee gekomen waren, werden zij overvallen door een vreeselijken orkaan en het schip, uit den koers geraakt, werd door weer en wind en storm verder gevoerd; Suparaga wist echter den moed bij de bemanning er in te houden. Eindelijk zagen zij in de zee wezens opduiken als menschen in zilveren wapenrusting; Suparaga, die het zelf niet zien kon, doch wien het verteld werd, herkende er een soort visschen in en begreep meteen, hoever zij reeds afgedreven waren. Hij raadde dus aan terug te keeren, doch zee en wind verzetten zich. Zoo dreven zij steeds verder, door allerlei zeeën, wier beschrijving Suparaga meer en meer ongerust maakte, en niet ten onrechte, want ten slotte hoorden zij een donderend geluid en zagen in de verte den oceaan als in een afgrond naar beneden storten; zij waren aan de helle-ingang Wadawamukha. Radeloos smeekten zij allerlei goden om hulp, doch het schip snelde voort. Alleen Suparaga kon misschien nog helpen. Hij knielde neer op het dek, vereerde de Tathagata’s en sprak: ‘Gij zeehandelaars en gij goden zijt mijn getuigen: ik herinner mij niet ooit eenig levend wezen onrecht gedaan te hebben. Door de macht dezer waarheid en de kracht mijner verdiensten moge het schip veilig terugkeeren.’ En zie, nauwelijks had hij dat gezegd, of stroom en wind draaiden en het schip voer terug.
ILW Borobudur Mendut Tempelvoet SuparagaSuparaga liet snel de zeilen hijschen en zoo vlogen ze over de zee, weer huiswaarts. In de verre zeeën gaf hij bevel zand en steenen van den bodem op te halen en er het schip mee te vullen; zoo zou het vast liggen en zij zouden er voordeel bij hebben. Aldus deden zij. En toen op een morgen de dag aanbrak, zagen zij dat al het zand en die steenen goud en zilver en edelgesteenten waren en dat zij in hun land terug waren. Uitgelaten van vreugde prezen zij toen hun redder.
Het reliëf is zeer beschadigd, zoodat we niet kunnen zien hoe de achtersteven van het vaartuig verloopt. De romp is versierd met een rij blokken. De bewogen zee is volgens oud recept weer gestoffeerd met visschen. Het dreigende gevaar wordt gesymboliseerd door een zeemonster, dat in den rechter benedenhoek zijn vervaarlijken muil openspert. In de linker bovenhoek een wolkenpartij. In het beschadigde bovengedeelte vinden we nog de aanduiding van een mast en een sterk bollend vierkant zeil, op welks beneden-ra een matroos staat. We zien een enkele vrouw onder de schepelingen. Sommigen hebben pakken in handen. Achter den voorsteven staat een man die een bronzen offervaas vasthoudt; mogelijk Soeparaga zelf, die een offerhandeling
verricht en den zegen inroept van den hemelheer. In dit verband zij er op gewezen dat de voorsteven de gewijde plaats is van het schip. Daar hebben de ceremonies plaats, daar wordt de wijlamp bewaard en de heilige kinkhoorn.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 5

[Borobudur 4 – 193] 
[Borobudur 4 – 194] 

5. Balustrade eerste gaanderij – bovenste reeks – No 193.
Dit reliëf is het tweede van een reeks van vier tableaux, die gezamenlijk een illustratie geven van de Kacchapawadana, de geschiedenis van de schildpad, voorkomend in de bovenste reeks der balustrade van de eerste gaanderij, No. 192-195. [...]
De Bodhisattwa verschijnt hier in de gedaante van een reusachtige zee-schildpad, die de bemanning redt van een ten ondergang gedoemd schip. De schildpad neemt alle schepelingen op den rug en na hen veilig aan land gebracht te hebben, valt ze, door uitputting overmand, in slaap. De door den honger geteisterde schipbreukelingen willen nu hun redder dooden en zich met diens vleesch voeden. De schildpad ontwaakt en gedreven door medelijden, zet ze de kroon op haar daden door zich zelf te offeren.
ILW Borobudur Mendut Tempelvoet krokodil achtige kopOns reliëf geeft het schip weer in de volle zee, als gewoonlijk verlevendigd met visschen. Uit den rechter benedenhoek duikt het gevaar op, belichaamd in een reusachtig zeemonster, de makara met krokodil-achtige kop. Het vaartuig onderscheidt zich van de beide voorgaande doordat aan voor- en achtersteven een buiten het boord uitgebouwd gedeelte voorkomt. De blokkenlijst is onzichtbaar. Uit de stuurinrichting kunnen we niet wijs worden. Op de achterwaarts uitgebouwde kampagne staat mogelijk de roerganger, doch het is niet duidelijk hoe het roer is aangebracht. De sterk voorover hellende mast is naar voren en naar achteren met touwen getuid en voorzien van een vierkant zeil. De beeldhouwer is er in geslaagd den noodtoestand te doen aanvoelen. Het zeil flappert naar voren en is gewis onklaar geraakt; de onderste ra steekt als boegspriet naar voren. De bemanning klampt zich met armen en beenen aan al wat houvast biedt. Een der schepelingen is te water geraakt en wordt door een ander aan dek geheschen. Uit den aard der zaak heeft hij zijn heupkleed verloren; vandaar dat ’s mans ‘heimelijckheydt’ te zien is, ongekend verschijnsel overigens op de bij uitstek kuische Boroboedoer-reliëfs, waar, enkele voorstellingen van kinderen en zuigelingen uitgezonderd, nimmer een naaktfiguur voorkomt.
Het tafereel 194, dat de schildpad weergeeft met negen
drenkelingen op den rug, is uiterst merkwaardig omdat het onder de 1460 sprekende sculpturen van den Boroboedoer het éénige is, dat bij de huidige bevolking in reuk van heiligheid staat en door haar vereerd wordt. Uit den aard der zaak ontgaat haar de ware beteekenis en interpreteert zij het naar eigen opvatting. Zij ziet de drenkelingen aan voor kindertjes en de Javaansche of Chineesche vrouw, die kinderzegen verwacht, gaat naar dit reliëf om te offeren en vervulling van haar wenschen af te smeken. Het is een in wijden omtrek verbreide traditie en men vindt de kindertjes, alias drenkelingen dan ook altijd rijkelijk besmeerd met borèh-zalf.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 6

[Borobudur 2 – 86] 

6. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 86.
[De] voorstelling [...] is bizonder beeldend en expressief. In beknopten, bondigen vorm geeft zij, met weinig middelen naast de illusie, een goed denkbeeld van de samenstelling van het schip met zijn opgebouwden romp, hoog opgaanden voor- en achtersteven, zijn vlerken en tuigage.[...]
Reliëf No. 86 der onderste reeks van den hoofdmuur in de eerste gaanderij vertolkt een latere episode uit die zelfde geschiedenis van Roedrayana, welke hierboven reeds ter sprake gebracht werd naar aanleiding van afbeelding 2.
Een der beide uit de bedolven stad Roroeka gevluchte ‘goede ministers’, Hiroe genaamd, bezeilt een nieuw land en sticht de stad Hiroeka.
Het paneel heeft steeds ten zeerste de aandacht getrokken door zijn prachtige compositie en zijn meesterlijk beeldhouwwerk. Uit den aard der zaak mag bij dezen grootschen stoepa, die niet minder dan 1460 sprekende en ruim 1200 decoratieve tableaux telde, niet verwacht worden dat elk reliëf gewrocht werd door den begenadigden kunstenaar. Wie in de Boroboedoer-gaanderijen toeziet met scherp keurend oog, zal ervaren dat een betrekkelijk klein deel der reliëfs de hand verraden van den artiest en dat het gros gebeiteld werd door den artisan, zij het ook dat de gemiddelde arbeid van dezen laatste op een hoog peil stond. Het hier uitgebeelde tafereel mag zonder twijfel gerekend worden tot de meesterstukken. Het is geen realistische nabootsing, doch een synthetische uitbeelding, die op voortreffelijke wijze het wezen van het vaartuig benadert. Men lette op de suggestieve wijze, waarop het voortsnellen van het schip is aangeduid door de voorover hellende masten, de gebogen ra’s met de sterk gezwollen zeilen en de actie van enkele schepelingen; op de eenvoudige mise en scène: de met visschen gestoffeerde, bewogen zee en de beide wolken. [...]

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet Roedrayana

De romp vertoont boven de waterlijn behalve een parelrand, een vijftal langsscheepsche ribben, waarvan de beide bovenste als railing schijnen dienst te doen. Op de beide onderste berghouten zijn de vlerken uitgebouwd. Deze bestaan uit een drietal uithouders, elk samengesteld uit een rechten en een gekromden spriet. Waar deze laatsten elkaar kruisen is een tweetal langsche koppelingen aangebracht, onderling verbonden door een viertal dubbele dwarsche koppelbouten. Aan het einde van de drie gebogen sprieten bevindt zich een tweede paar langsche verbindingsstukken, de eigenlijke drijvers, die steeds met het water in aanraking zijn. Bij het ‘voor-de-wind’ gaan, wanneer het schip slechts weinig zijwaarts helt, zal het eerstgenoemde paar langshouten zich vermoedelijk boven het wateroppervlak bevinden. Wanneer scherp ‘bij-de-wind’ wordt gezeild, zal het aan de lij-kant natuurlijk ondergedompeld worden en dan mede als drijver dienst doen.
Tusschen de tweede en derde der langsribben, van onderen af gerekend, bevinden zich 12 roeipoorten, hetgeen wijst op een ploeg van 24 roeiers. In dit geval wordt er niet geroeid, doch op afb. 7, 8 en 10 steken de roeiriemen buiten boord en [op 8 en 10] ziet men de hoofden der roeiers achter de roeipoorten te voorschijn komen. We mogen hieruit wel besluiten tot de aanwezigheid van een dek in het ruim, waar bij windstilte of tijdens een landing, de roeiers hun taak vervullen. Boven de derde langsrib ziet men 13 schuin binnenwaarts gerichte balkjes, welke oploopen tegen de onderzijde der railing. Met de langsribben vormen ze vakken, welke overeenkomen met de roeipoorten. Mogelijk hebben we hierin het geraamte te zien van een afdak, dat met matten of zeil kan worden ingedekt, wanneer de roeiers tegen de felle zon moeten worden beschut. De overige platen geven hieromtrent geen opheldering.
Voorts wordt de aandacht getrokken door drie tegen de uithouders geplaatste verticale posten, welker boveneinde door een horizontaal balkje met den scheepsromp verbonden is. Vermoedelijk hebben ze een zuiver constructieve beteekenis en dienen ze om het verband tusschen de beide sprieten der uithouders onderling en dat tusschen uithouders en scheepsromp te versterken. We missen deze onderdelen op afb. 7, 8 en 10, die overeenkomstige vlerken met dubbele sprieten vertoonen.
Men krijgt den indruk alsof de railing ietwat naar binnen helt; deze indruk wordt versterkt door de afb. 7 en 9. [...]
In het oog vallend zijn de oploopende voor- en achterplecht, doch bovenal de tegen den voor- en achtersteven aangebrachte bundel rondhouten, die zich waaiervormig naar boven toespitst. Wij menen er een versterking en bescherming der stevens in te zien [...] [of] om bij hooge zee de voor en achter inslaande golven te breken. Men vindt ze onveranderlijk terug bij 7 tot en met 10. º]
Wederzijds van deze bundels rondhouten vindt men tegen de stevens een raamwerk van ribben met ojief-vormige bovenafsluiting. Ook dit onderdeel keert terug bij alle volgende afbeeldingen.
Bij afb. 8 is het raamwerk tevens benut voor het aanbrengen van een geometrisch ornament. Het is duidelijk dat deze raamwerken de bedoeling hebben om bij woelige zee het voor en achter inslaande water te weren. ¹]
Voorts valt onze aandacht op de aan voor- en achtersteven uitgebeelde vleugels, die wederom bij alle volgende afbeeldingen terugkeeren en o.i. opgevat moeten worden als emblemen van de snelheid. [...]
Zeer opmerkelijk zijn ook de onder de vleugels voorkomende cirkelvormige versieringen, die wederom nergens ontbreken. Het is duidelijk dat wij hierin het waakzame oog hebben te zien, dat immer over de watervlakte tuurt en gedacht wordt het schip een veilige haven te verzekeren. Op afb. 9 vooral zijn die oogen bijzonder sprekend doordat ook de pupillen werden uitgebeeld. Men vindt ze nog heden ten dage, hetzij geschilderd, dan wel ‘en reliëf’, terug op tal van inheemsche vaartuigen in den Archipel. ²] [...]
Buiten het achterschip is nog een kampanje of ‘schavotje’ uitgebouwd, waarop een schepeling zit. Dit onderdeel vinden we nog eens terug bij afb. 7. [...] De bouw der schepen [...] brengt mede dat de lading vrij hoog komt te liggen; voor de bemanning blijft er maar weinig plaats beschikbaar en de buiten boord uitgebouwde ruimte is dus een groote aanwinst. [...] [Tevens leent] de uitbouw zich in het bizonder [...] voor het bedienen van de ankers.³] [...]
Onmiddellijk achter den voorsten mast is een roef aangebracht, afgedekt met een zadeldak, welks schilden de gedaante hebben van een trapezium. Op overeenkomstige wijze afgedekte roeven vindt men op de afb. 7, 8 en 10.
De stuurinrichting bestaat naar Indischen trant uit twee roerbladen, aangebracht ter weerszijde van den achtersteven. Weliswaar is op onze afb. slechts één der roerbladen zichtbaar, doch dat er inderdaad twee zijn, mag opgemaakt worden uit de onderlinge vergelijking der reliëfs: Afb. 6, 7, 8 en 10 geven de bakboordzijde te zien van het schip en vertoonen allen een roer. Alleen afb. 9 laat de stuurboordzijde zien, doch eveneens met een roer. Uit laatstgenoemde leeren we tevens welke gedaante het roerblad heeft; het bestaat uit een ronden stok, welke overgaat in een blad, dat zich naar beneden toe verbreedt. [...]
Het vaartuig heeft een grooten mast en een kleinere mast. Beide bestaan uit voorover hellende tweebenige bokken, die naar voren en achteren met touwen geschoord worden. [...]
Uit de afb. 7, 8, 9 en 10 blijkt overtuigend dat de bokken voorzien zijn van sporten; dit geschiedde om ze te versterken, doch tevens om ze gemakkelijk te kunnen beklimmen. Vooral afb. 10 laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Waar beide mastbenen tezamen komen, zijn ze gevat in een koppeling. Duidelijker is dit te zien op de afb. 7, 8, 9 en 10. Afb. 8 leert ons tevens hoe die koppeling dienst doet als schijfblok, waardoor de zeilsvallen loopen.
De toppen der masten zijn naar achteren gekromd en eindigen in versieringen, die bij de verschillende afbeeldingen eigenaardige variaties vertoonen. [...]
Aan elk der masten bevindt zich een rechthoekig razeil, waarvan, ook blijkens de volgende afbeeldingen, de ra’s een schuine stand hebben. Aan de voorsteven ontwaren we nog een boegzeil. Indien wij goed zien is dit driehoekig en is de top bevestigd aan het einde van den hoogoploopenden steven; een der beide schoten is blijkbaar bevestigd aan den boegspriet, de andere loopt langs bakboord. Dit boegzeil of blindzeil vinden we nog eenmaal terug op afb. 8.
Enkele opmerkingen nog over de bemanning. Velen zijn in actie. Een der schepelingen beklimt den boegspriet, een ander zit in het topje van den voormast, een derde trekt aan een touw, een ander weer zit op de achterwaarts uitgebouwde kampanje. Op de voorplecht bevindt zich een groep menschen, die blijkbaar een of andere gewijde offerhandeling verrichten; één van hen heft de handen in ‘sembah' boven het hoofd. Bizondere vermelding verdient nog de schepeling die buitenboord op het roerblad gehurkt zit om zijn gevoeg te doen. Deze zelfde ‘instantané’ vinden we nog eens terug op afb. 7; ze verdient onze aandacht, want uit dit detail leeren we, dat de beeldhouwers van den Boroboedoer, bij alle gedragenheid en kuischheid hunner uitbeeldingen, de realistische speelsche anecdote niet uit het oog verloren.

º] Mij dunkt, dat in de eerste plaats de korven noodig zijn om een goed verband tusschen de beide roeigalerijen te kunnen krijgen en is er verbinding van de eene galerij naar de andere mogelijk. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-12, 350-352] 

¹] Bezien we de zeer kwetsbare galerijen buitenboords, de houten korven rond voor- en achtersteven en de lange vlerken, dan kunnen we met zekerheid zeggen, dat deze prauwen geen zeegang kunnen verdragen. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-12, 349] 

²] De einden van de dwarsbalken waarop de roeren rusten en welke dwars door het voorschip gaan, zijn meestal versierd met eene zonneschijf. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-12, 357] 

³] Er bestaan weer vele gissingen omtrent het doel van dit platje; mijne onderzoekingen hebben mij de overtuiging geschonken, dat hier de kookplaats of de kombuis is opgesteld. [Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw-12, 350-352] 

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 227-245 – 7

[Borobudur 2 – 88] 

7. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 88.
Afbeelding van reliëf No. 88 van den hoofdmuur der eerste gaanderij, onderste reeks; het vervolg en tevens het slot der geschiedenis van Roedrayana. De tweede ‘goede minister’, Bhiroe genaamd, zeilt uit en sticht de stad Bhiroeka of Bhiroekaccha.
Reliëf No. 88 vertoont een groote overeenkomst met het voorafgaande No. 86. Beide geven ter rechter zijde een tafereel in volle zee te zien en ter linker zijde een episode te land, Zoo worden we ook getroffen door de groote gelijkenis der beide hier uitgebeelde vaartuigen. De vlerken zijn op dezelfde wijze geconstrueerd; alleen missen we op het bovenste paar drijvers de dwarskoppelingen.
Ook hier zit een mannetje op den boegspriet en op de achterwaarts uitgebouwde kampanje; beide figuren zijn evenwel tot onherkenbaar wordens toe gehavend. Opvallend is hier ook de herhaling van het anecdotische geval, dat zich afspeelt op het roerblad. Doch daarnaast zijn er eenige verschillen. De vleugels en het oog zien we alleen op den voorsteven. De romp is minder gedetailleerd; het aantal roeipoorten is kleiner. De roeiers zijn blijkbaar in actie. Weliswaar blijven ze zelve onzichtbaar, doch uit de poorten komt een achttal roeiriemen te voorschijn met lepelvormig blad. Uit reliëf 10 blijkt dat het schepblad eenigszins puntig toeloopt.
Daar de roeiers zelve niet zichtbaar zijn, zouden we hier in het midden hebben te laten of er trekkend dan wel duwend wordt geroeid. Afbeelding 8 en 10 geven hieromtrent evenwel de noodige opheldering. Uit den stand van de hoofden der roeiers ten opzichte van de bewegingsrichting van het vaartuig blijkt duidelijk dat daar duwend wordt geroeid. Deze methode is in het Oosten ook de meest gebruikelijke; vooral wanneer er staande geroeid wordt, heeft het duwen het voordeel dat de roeier veel kracht kan bijzetten door het gewicht van zijn lichaam.[...]
ILW Borobudur Mendut Tempelvoet roeiersOpvallend zwaar zijn hier de halfcirkelvormige benedenafsluitingen van de bundels rondhouten tegen den voor- en achtersteven. Men krijgt den indruk alsof ze omwoeld zijn met een of andere vezelstof ten einde een stootkussen te vormen.
Alleen de groote voormast bestaat uit een tweebeenigen bok, voorzien van sporten; de kleinere achtermast vertoont slechts één enkel been. Voorts treedt een variatie op in de bekroning van de masten; de met houtsnijwerk versierde toppen hebben eenige gelijkenis met die, welke men thans nog terugvindt bij tal van inlandsche vaartuigen[...]
Sterker dan de hierboven aangewezen verschillen in de details spreekt echter het mindere kunstgehalte van de geheele uitbeelding. Vergelijken we afb. 7 met het voorafgaande, dan behouden we dezen eindindruk: het reliëf dat den zeiltocht van den goeden minister Hiroe verbeeldt is gewrocht door een kunstenaar, het tafereel dat de zeereis van den anderen goeden raadsman Bhiroe vertolkt, is gebeiteld door den artisan. We kunnen de gedachte niet van ons afzetten, dat het beeldhouwwerk van den scheppenden artiest hier als voorbeeld gediend heeft voor den minder begaafden navolger. [...]
Wij [moeten] nog even terugkomen op de achterwaarts uitgebouwde kampanje. Daarop zat oorspronkelijk een schepeling, doch het reliëf is hier [...] beschadigd – men lette er op dat het figuurtje toevallig doorsneden werd door een loopende voeg èn een stootvoeg [...]. Het is [...] aannemelijk dat bedoelde kampanje benut werd voor het uitbrengen van de ankers [...] [en] voor het ophalen van de roerbladen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 245-247 – 8

[Borobudur 2 – 108] 

8. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 108.
In een zevental tafreelen is hier een Karma-legende uitgebeeld, de geschiedenis van Maitrakanyaka. De held van het verhaal, de jongen met de meisjesnaam, verloor op jeugdigen leeftijd zijn vader; deze vond den dood op een overzeesche handelsreis. Toen Maitrakanyaka volwassen werd, begon hij handel te drijven. Zijn goede inborst dreef hem er toe de eerste 4, 8, 16 en 32 gouden ducaten, die hij bij verschillende ondernemingen achtereenvolgens verdiende, ten geschenke te geven aan zijn moeder. Deze goede daden vinden volgens de onontkoombare karma-wet later hare belooning. Doch éénmaal vergeet Maitrakanyaka zich tegenover zijn moeder. Deze maakte zich bezorgd dat haar zoon evenals zijn vader op zee zou gaan varen en had het beroep van den laatste voor Maitrakanyaka verborgen weten te houden. Doch kooplieden, die afgunstig waren op Maitrakanyaka’s succes en die hun mededinger gaarne wilden kwijt raken, verklapten het geheim en spoorden hem aan een zeereis te ondernemen. Maitrakanyaka’s moeder kon nu niet langer ontkennen, doch zij smeekte haar zoon bij haar te blijven. Deze stoorde zich niet aan haar bede en rustte een karavaan uit, die in de naastbijgelegen haven scheep zou gaan. Even voor Maitrakanyaka’s vertrek valt de moeder voor haar zoon op de knieën en doet een laatste poging om hem van zijn plan terug te houden. Dan wordt Maitrakanyaka driftig en geeft zijn moeder een schop tegen het hoofd. Deze wandaad zal zich volgens de karma-wet weldra wreken. Nauwelijks heeft de karavaan zich ingescheept. Of de rampspoed begint. Maitrakanyaka’s schip gaat naar de kelder, doch hij zelve weet zich op een stuk wrakhout te redden. Hij belandt op een eiland en daar begint de veeljarige zwerftocht, die kleur krijgt door de vreugdevolle ontmoetingen, achtereenvolgens met 4, 8, 16 en 32 hemelnymfen; belooningen voor het schenken van de 4, 8, 16 en 32 ducaten aan zijn moeder. Daarna komt de eindafrekening; de ontmoeting met een schuldige, die eveneens zijn moeder beleedigd heeft en die gefolterd wordt door een gloeiend rad, dat op zijn hoofd wentelt en hem den schedel openrijt.
Het helsche rad verplaatst zich op Maitrakanyaka’s schuldig hoofd en de ongelukkige verneemt dat hij het rad zal hebben te dragen tot zich een ander zal voordoen, die zich aan hetzelfde vergrijp heeft schuldig gemaakt. Dan volgt ten slotte de bevrijding doordat Maitrakanyaka’s nobele inborst hem den wensch doet uitspreken dat hij ten eeuwige dage het rad zal mogen dragen, wat in zich sluit dat de menschheid zoover moge komen, dat nimmer meer een kind zijn ouders zal beleedigen. Het gloeiend rad rijst ten hemel en de Bodhisattwa Maitrakanyaka sterft om herboren te worden in den hemel der gelukzaligen.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet Maitrakanyaka

Het reliëf beeldt de episode uit van den ondergang van Maitrakanyaka’s handelsvloot. Behalve een klein vaartuig, dat veel overeenkomst heeft met [3, 4 en 5] – men lette op het tentdakje op de voorplecht en het oog op den voorsteven – vertoont ze een groot, gevlerkt schip, dat in nood verkeert. In den awadhana-tekst wordt gewag gemaakt van een zeemonster, dat het schip doet omslaan. Dit gedrocht is hier niet uitgebeeld, doch de beeldhouwer heeft den noodtoestand uitgedrukt door de actie der schepelingen; enkelen zijn te water geraakt. Eén van hen klampt zich in horizontale houding vast aan den bovensten drijver van de vlerk. Deze telt vier paar uithouders en niet drie, zooals bij alle andere voorstellingen van dit type het geval is. Een andere variatie bestaat hierin dat de bovenste drijver enkelvoudig is, iets wat zich herhaalt bij afb. 10. [...]
Op den voorsteven vinden we den vleugel en het oog terug, op den achtersteven alleen het oog; dit laatste is hier uitgebeiteld als een uitstekende cirkelvormige schijf en het lijkt wel alsof dit oog ook nog een practische bedoeling heeft n.l. een steunpunt te bieden voor het roer. Het roerblad toch rust op het oog, wat zeer duidelijk ook spreekt uit afb. 9.
Het reliëf is helaas vrij sterk verweerd, doch we zien toch dat er geroeid wordt. We tellen een achttal riemen en ontwaren hier en daar een menschelijk hoofd, dat uit de roeipoorten te voorschijn komt.
De uit rondhouten samengestelde waaiervormige bescherming van de stevens is alleen aan de voorzijde goed zichtbaar. Op het naast die bescherming zich afteekenende, met houtsnijwerk versierde raamwerk, dat dient om bij hooge zee het inslaande boegwater tegen te houden, werd reeds hiervoren de aandacht gevestigd.
De tweebenige masten zijn beide voorzien van sporten. Het zeiltuig komt in hoofdzaak overeen met dat van de beide voorgaande afbeeldingen; beide masten hebben een rechthoekig zeil met twee ra’s. Alleen het boegzeil vertoont hier een variatie. Het is niet driehoekig doch vierkant en is bevestigd aan twee ra’s, welke nagenoeg een verticalen stand hebben; duidelijk zien we de vier brassen, waarmede de uiteinden der ra’s bevestigd zijn. Het is duidelijk dat een boegzeil van de hier beschreven gedaante een tweevoudigen boegspriet vereischt. Op den eenen zichtbaren spriet, welke een geringere helling heeft dan die der beide voorafgaande reliëfs, zit een schepeling, die een der brassen van het boegzeil vasthoudt. Voorts zien we nabij het einde van den spriet een cirkelvormig voorwerp met een rozet-versiering. In eenigszins gewijzigden vorm vinden we dit nogmaals terug op relief 9; de bedoeling er van ontgaat ons.
Midscheeps bevindt zich de roef; op het achterdek zien we nog een klein tentdak, dat vermoedelijk dient om den roerganger te beschutten. Ten slotte dient nog de aandacht gevestigd te worden op de eigenaardige topversiering van den voorsten mast, en de wimpels, waarbij er één is met vijf tongen. Opmerkelijk zijn voorts de vlaggen op den voor- en achtersteven, waarvan nog een duidelijke afbeelding voorkomt op afb. 10.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 247

[Borobudur 2 – 53] 

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet twee master9. Hoofdmuur eerste gaanderij – onderste reeks – No 53.
[...] een tot nu toe nog onverklaard gebleven tafereel, No. 53 der awadhana-reliefs van de onderste reeks van den hoofdmuur in de eerste gaanderij.
Blijkbaar hebben we hier te doen met een twee-master van kleiner type dan de drie hiervoor behandelde. De vlerken toch zijn minder samengesteld; ze bestaan uit enkelvoudige gekromde uithouders met twee drijvers, voorzien van vier koppelingen, waarvan alleen de beide middelste dubbel zijn. De vleugels en de oogen, zoowel aan voor- als achtersteven, zijn hier het duidelijkst uitgebeeld. Dat de scheepsromp inderdaad is opgebouwd uit een tegen een geraamte getimmerde beplanking, blijkt uit enkele naden van planken, zichtbaar aan voor- en achtersteven.
In het oog vallend zijn de oploopende voor- en achterplecht, doch bovenal de tegen den voor- en achtersteven aangebrachte bundel rondhouten, die zich waaiervormig naar boven toespitst. Wij menen er een versterking en bescherming der stevens in te zien [...] [of] om bij hooge zee de voor en achter inslaande golven te breken.
Wederzijds van deze bundels rondhouten vindt men tegen de stevens een raamwerk van ribben met ojief-vormige bovenafsluiting. Zeer duidelijk teekenen zich de roeipoorten, de naar binnen hellende railing, de bescherming met rondhouten aan vóór- en achtersteven en de zijwaarts daarvan aangebrachte raamwerken. De midscheepsche dekkajuit ontbreekt, doch op het voorschip zien we een lage roef uitsteken, op welks dak een schepeling zit, die blijkbaar bezig is met de zeilen. Een roerganger hanteert het roer. De tweebeenige masten zijn voorzien van sporten. In den voormast zit een schepeling, die wellicht doende is het voorzeil op te rollen. Het reliëf toont duidelijk dat elke ra voorzien is van twee brassen. Het boegzeil is blijkbaar geborgen. Op het einde van den boegspriet teekent zich weer het eigenaardig voorwerp, waarvan de bedoeling ons ontgaat.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 247-249

[Borobudur 4 – 41] 

10. Hoofdmuur tweede gaanderij – No 41.
Het tiende vaartuig is een fragment van reliëf No. 41 van den hoofdmuur der tweede gaanderij.
Krom heeft aangetoond dat hier de Gandawyoeha is uitgebeeld. Deze heilige tekst behoort met de Lalitawistara tot de ‘negen Dharma’s’ en schildert de lotgevallen van den geestelijken zwerver Soedhana Koemara, die op zoek is naar de Waarheid. Het hier bedoelde tafereel geeft volgens Krom op de linker helft het bezoek te zien van den held dezer cyclus bij den slaaf Paisa van Koelagara. Op de rechter helft is het schip uitgebeeld, waarmede de reis volbracht werd.

ILW Borobudur Mendut Tempelvoet vaartuig ILW Borobudur Mendut Tempelvoet Gandawyoeha
[Borobudur, 192] Anno 2017


Ook dit vaartuig is blijkbaar van een kleiner type dan dat der afb. 6, 7 en 8; het heeft immers slechts één mast. Overigens komt de constructie der vlerken overeen met die van afb. 8; in plaats van vier paar uithouders zijn er hier slechts drie. Er wordt duwend geroeid; de koppen der roeiers zijn duidelijk zichtbaar. Ter plaatse van de achterzijde van het schip is het reliëf erg verweerd, zoodat het roer zich slechts onduidelijk afteekent en de vleugel en het oog ter nauwernood te herkennen zijn. Beide laatstgenoemde onderdeelen zijn evenwel aan den voorsteven duidelijk uitgebeeld, zoo ook de bekleeding met rondhouten en daarnaast het raamwerk, dat dien tot wering van de inslaande golven. Dit raamwerk heeft hier een opmerkelijk groote hoogte. Op de roef met het markante dak is reeds de aandacht gevestigd.
Bijzondere vermelding verdienen de vierbeenige standaards, welke zich verheffen op den voor- en achtersteven. Op de laatstgenoemde is de eigenaardige vlag bevestigd, welke bij het vorige afbeelding reeds ter sprake werd gebracht. Scherp teekenen zich de sporten af, waarmede de tweebeenige mast is voorzien.. Een matroos is blijkbaar bezig het vierkante ra-zeil op te rollen; een der brassen hangt slap naar omlaag. De stand van de vlag op den achtersteven bewijst, dat er niet gezeild wordt. In de topversiering van den mast treedt wederom een variatie op. Boven het schijfblok is een kussenvormige versiering aangebracht, die men in de Boroboedoer-reliëfs herhaaldelijk terugvindt op standaards, welke den aanzienlijken door volgelingen worden nagedragen. Op dat kussen ziet men dan vaak het ‘juweel’, een spakenrad, een schelp, al of niet gevleugeld, een drietand, waarvan de uiteinden voorzien zijn van wimpels enz. Het zelfde kussen vindt als onderdeel van een bekroningsmotief ook een ruime toepassing in de bouwkunst. We treffen het b.v. aan bij den Boroboedoer-stoepa en wel in de bekroningen van de nissen van den ondersten terras-muur. Uit het kussen van den mast komt een gekromde staaf te voorschijn, welke eindigt in een eigenaardig versierde peervormige kwast, waarvan de grondvorm doet terugdenken aan de masttoppen van afb. 6.
Het is opvallend dat afb. 10 het eenige vlerkvaartuig te zien geeft, waarbij de boegspriet ontbreekt. Wij achten het zeer waarschijnlijk dat dit verband houdt met de compositie van het reliëf. Onmiddellijk naast den voorsteven van het schip begint het tafereel te land en zooals op de Boroboedoer-reliëfs gebruikelijk is, werd op de grens een boom geplaatst, die ten doel had de eene episode van het verhaal af te scheiden van de volgende. De beeldhouwer stoort zich in dergelijke gevallen niet aan de eischen der werkelijkheid. Voor den boegspriet was er eenvoudig geen plaats!

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 8, 253

[Borobudur 2 – Vaartuigen] 

De Boroboedoer is het eenige Hindoe-Javaansche monument, waarop voorstellingen voorkomen van vaartuigen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 9, 85-87

[Yogya 1 – Masjid] 

[Aanteekeningen bij reisschetsen door Dr. H.P. Berlage.] Het verzoek van dit tijdschrift, een zestal schetsen van mijn reis door Java, Bali en Sumatra af te staan, en bovendien daarbij iets te schrijven, aanvaard ik gaarne. [...]
Onder de drie godsdienstige gebouwen is opzettelijk geen Hindoe-Javaansch gekozen, omdat dit, als Boeddhistisch bouwwerk, buiten het geestesleven der tegenwoordige Javanen staat. Hun tempel is sinds eeuwen de Missigit, dus Mohammedaansch, met al de eigenaardige kenmerken daarvan. Want, hoewel het Mohammedanisme niet vrij bleef van Boeddhistischen invloed, blijkt toch, vooral in Oost-Java, dat het Hindoe-element belangrijk is ontaard en het Javaansche zich heeft ontwikkeld.
De Javaansche Missigit wijkt dan ook af van die in alle andere Mohammedaansche landen. Dit openbaart zich op machtige wijze aan het silhouet, het drieledige dak, een vorm die zelfs ook voorkomt op afbeeldingen van gebouwen op de reliefs van den Boeddhistische Tjandi-Toempang. En is ten slotte dit silhouet niet hetzelfde als dat van de Javaansche pendoppo? Vergelijkt men daarbij den Boeddhistischen tempel op Bali, dan blijkt uit den aanleg daarvan wel het oorspronkelijk Boeddhistisch karakter, o.a. de omwalling, die ook aan de Prambanan en Sewoetempels voorkomt, die langzamerhand hoofdzaak wordt, ten koste van het eigenlijke tempelgebouw, dat tot een klein offerhuis inkrimpt. Maar bovendien overheerscht daar ook het Javaansche stijlelement, zooals aan de meroes, de slanke torentjes, waaraan een bizondere vorm voor het gelede dak wordt teruggevonden.
Deze verschillende godsdienstige gebouwen zijn van een zeldzame bekoring. Streng eenvoudig zooals de Mohammedaansche tempel op Java, en weelderig decoratief op Bali.
En vooral is het er heerlijk rusten binnen de ommuring, in fel zonnige of donker beschaduwde afzondering.
Wanneer men door de waringinlaan tot den kraton van Djocja is genaderd en de lichte aloon-aloon heeft betreden, dan trekt het gepunte tempeldak van den Missigit den beschouwer als vanzelf naar de heilige plaats. Bovendien is het plein van Djocja met twee omrasterde heilige boomen, als het vorstelijke, van meer beteekenis dan dat van een gewone stad. En dan ligt de Missigit binnen een tweede ommuring, waardoor dubbel gewijd, zooals elke ommuring een gewijde ruimte schept.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 11-18

[Jakarta 1 – Toko Merah] 

Toko Merah, door V.I. van de Wall.
Deze fraaie woning, waarin de Bank voor Indië gevestigd was, […] wordt in de wandeling ‘Toko Merah’ genoemd. Een naam, dien zij dankt aan de herinnering van ramen en deuren, donkerrood geverfd en afgezet, naar het destijds heerschend gebruik, met een verguld biesje. Deze restauratie, welke onder leiding van den heer Jansz, destijds leeraar aan den Koningin Wilhelmina-school en verbonden aan den Oudheidkundigen Dienst alhier, werd ten uitvoer gebracht, is bijzonder gelukkig uitgevallen. Het huis herbouwd met behulp van talrijke fragmenten van reeds verdwenen oude huizen, deels bedrieglijk nagebootst, deels echt, vormt een harmonisch geheel, waarvan de achttien-eeuwsche oud-Hollandsche stijl op voortreffelijke wijze is bewaard gebleven. […]
Aan den voorgevel van dit dubbelhuis werd weinig veranderd, alleen zullen de bovenlichten van de beide deuren oorspronkelijk wel niet voorzien zijn geweest van de eenvoudige glazen ruiten, maar van weelderiger versieringen. Het dak met topgeveltjes is hetzelfde gebleven, alleen heeft de architect, om het oud-Hollandsch aanzien van het geheel te verhoogen, de muren aan de buitenzijde opgetrokken van roode in metselwerk gevoegde baksteen, hetgeen oorspronkelijk niet zoo geweest is. Deze muren waren gewoon wit gepleisterd, zonder eenige versiering.
Evenals alle oude woningen heeft ook dit dubbelhuis hare geschiedenis […]
Nadat het […] van af 1730 in het bezit van Baron van Imhoff was geweest […] bleef de Academie de Marine er van 1743-1755 in gehuisvest. […] [Daarna] loopt de geschiedenis der beide nevenhuizen uiteen, daar elk huis apart nieuwe bewoners en eigenaars kreeg.. Een van de bekendste bewoners uit dien tijd was wel de verdienstelijke Gouverneur van Java’s Noord-Oostkust Nicolaas Hartingh […] Nadien schijnt het noordelijk-nevenhuis overgegaan te zijn in handen van den Raad-extra-ordinair van Ned.-Indië Reinier de Klerk, den lateren Gouverneur-Generaal (1777-1780). Het huis moet door de Klerk zijn verbouwd of hersteld, in ieder geval belangrijk veranderd. Zeker is, dat hij de daartoe benoodigde erven in 1759 had gekocht van de douairière Geertruida Margaretha Goossens, de weduwe van den Gouverneur-Generaal Thedens. De schatrijke dame […] stond met de Klerk in familierelatie. Haar dochter Sophia Francina Westpalm […] was met hem gehuwd. […] gezien de weelderige levenswijze van de voorname Compagnie’s dienaren, die elkander in pracht en weelde den loef trachtten af te steken, zal het binnen zijne muren menig feestelijke bijeenkomst hebben gezien.
De Gouverneur-Generaal de Klerk overleed in 1780 op zijn landhuis op Molenvliet bij Batavia in den hoogen ouderdom van zeventig jaren en werd met het gebruikelijk ceremonieel in de Hollandsche kerk ter aarde besteld. Zijn weduwe stierf op den laatsten dag van het jaar 1785 en werd op 1 Januari 1786 uit dit huis begraven. Zij had niet altijd hierin gewoond – haar gewoon verblijf was het landhuis te Molenvliet – maar ook wel op andere uitgestrekte landgoederen w.o. Grogol en Buitenzorg.[…]
Wat betreft het zuidelijk-nevenhuis, dit werd na de opheffing der Academie bewoond door den Directeur-Generaal Petrus Albertus van der Parra, den lateren Gouverneur-Generaal (1761-1775). Hij was voor de tweede maal gehuwd met Adriana Johanna Bake […] De familie van der Parra stond bekend om haar vroomheid, maar ook om haar prachtlievendheid. […] Toen van der Parra Gouverneur-Generaal geworden was, verliet het gezin vermoedelijk deze woning om een nog veel grootscher en luisterrijker verblijf te Weltevreden, meer in overeenstemming met zijn hooge waardigheid, te betrekken. Het huis bleef echter in zijn bezit en daar beiden veel familie hadden, zoo zal het bij tijden wel wederom bewoond zijn geworden. […]
[Omstreeks 1786] had de Hooge Regeering besloten om het Stads Heeren-logement wegens zijn ongezonde plaats bij het Vierkant aan de Moorsche gracht ergens anders te huisvesten. Haar keuze viel op het dubbelhuis, en zij haastte zich na den dood van Mevrouw de Klerk zich met hare testamentaire executeurs daaromtrent te verstaan […] Deze […] waren genegen het huis […] af te staan. Zij wendde zich toen tot […] Mevrouw van der Parra, met het verzoek of zij het zuidelijk-nevenhuis wilde verkoopen. Zij had hier wel ooren naar, en zoo […] kwam het dubbelhuis voor de tweede maal in het bezit der Compagnie.
Het vlotte niet al te best met het Stads Heeren-logement, […] want in 1808 werd het logement wederom verplaatst.
Waarschijnlijk zal toen het huis verkocht en in andere handen zijn overgegaan, in verband met de algemeene uittocht der voorname families naar Weltevreden, als gevolg van de slechte gezondheidstoestand der oude stad, in het begin der 18e eeuw.
Het deelde toen het lot van zoovele patricierswoningen uit dien tijd, die eenvoudig aan zich zelven werden overgelaten en een kwijnend bestaan leidden, onder sloopershamers kwamen, of in een gunstig geval tot loodsen of pakhuizen werden ingericht.
Thans na een eeuw van verval en verguizing straalt het dubbelhuis, de Toko Merah, weder in hernieuwden luister […].

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 67-68

[Malang – Javasche Bank]

1927 – In Memoriam Eduard Cuypers, door G. Vissering
Op 18 April 1859 is hij geboren te Roermond in een milieu, waarin hij reeds op jeugdig leeftijd bekend werd met kunst. Zijn vader voerde daar een atelier, en de alom vermaarde Dr. P.J.H. Cuypers, een broer van zijn vader, was in dien tijd reeds een kunstenaar van aanzien geworden; in zijn jonge jaren is Eduard bij zijn oom werkzaam geweest. [...]
Eduard Cuypers leefde in een tijd, waarin eene bijzondere evolutie in de bouwkunst plaats vond.[...] Cuypers kon zich vaak niet daarmede vereenigen; niet, dat hij geen oog voor het nieuwe mooie had, maar hij was zóó vol bewondering voor de prachtige oude bouwstijlen in onze oude Hollandsche steden[...] dat het hem een grief was, dat het mooie van vroeger op niet weinige plaatsen werd verdrongen door bouwwerken, welke hoogstens een blijk konden geven van een zoeken en een streven, maar nog niet van een bereiken van inderdaad nieuw mooi.[...]
De denkwijze van Eduard Cuypers zou nog een geheel nieuwe richting verkrijgen door zijne reis naar Nederlandsch-Indië in 1909. Onze koloniën hebben een diepen indruk op hem gemaakt en in zijne latere bouwwerken is dikwijls de inspiratie uit Indische motieven terug te vinden. Hij heeft genoten van den artistieken zin, welke overal in Indië tot ons komt uit de natuurlijke sierkunst van de inlanders van verschillend ras, en die bijna altijd mooi is, zoolang Europeesche invloeden zich niet hebben doen gelden. Bovenal werd hij getroffen door de Balische kunst, en zoowel alleen als in samenwerking met Dr. Krause heeft hij door illustraties als door tentoonstellingen in breeden kring ook in ons land waardeering voor die schoone kunst trachten op te wekken.
Uit die Indische reis vloeide voort de vestiging van een bepaald Indisch architectenbureau, dat in den loop der jaren in staat is geweest een grooten invloed ten goede ook in de bouwkunst van onze koloniën uit te oefenen. Voor de Javasche Bank bouwde hij vele kantoren,

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 67-69

[Architecten – Cuypers]

[1927] In Memoriam Eduard Cuypers, door G. Vissering
[...] Op 18 April 1859 is hij geboren te Roermond in een milieu, waarin hij reeds op jeugdig leeftijd bekend werd met kunst. Zijn vader voerde daar een atelier, en de alom vermaarde Dr. P.J.H. Cuypers, een broer van zijn vader, was in dien tijd reeds een kunstenaar van aanzien geworden; in zijn jonge jaren is Eduard bij zijn oom werkzaam geweest. [...]
Eduard Cuypers leefde in een tijd, waarin eene bijzondere evolutie in de bouwkunst plaats vond.[...] Cuypers kon zich vaak niet daarmede vereenigen; niet, dat hij geen oog voor het nieuwe mooie had, maar hij was zóó vol bewondering voor de prachtige oude bouwstijlen in onze oude Hollandsche steden [...] dat het hem een grief was, dat het mooie van vroeger op niet weinige plaatsen werd verdrongen door bouwwerken, welke hoogstens een blijk konden geven van een zoeken en een streven, maar nog niet van een bereiken van inderdaad nieuw mooi.[...]
De denkwijze van Eduard Cuypers zou nog een geheel nieuwe richting verkrijgen door zijne reis naar Nederlandsch-Indië in 1909. Onze koloniën hebben een diepen indruk op hem gemaakt en in zijne latere bouwwerken is dikwijls de inspiratie uit Indische motieven terug te vinden. Hij heeft genoten van den artistieken zin, welke overal in Indië tot ons komt uit de natuurlijke sierkunst van de inlanders van verschillend ras, en die bijna altijd mooi is, zoolang Europeesche invloeden zich niet hebben doen gelden. Bovenal werd hij getroffen door de Balische kunst, en zoowel alleen als in samenwerking met Dr. Krause heeft hij door illustraties als door tentoonstellingen in breeden kring ook in ons land waardeering voor die schoone kunst trachten op te wekken.
Uit die Indische reis vloeide voort de vestiging van een bepaald Indisch architectenbureau, dat in den loop der jaren in staat is geweest een grooten invloed ten goede ook in de bouwkunst van onze koloniën uit te oefenen. Voor de Javasche Bank bouwde hij vele kantoren,
Voor de Hongkong Bank, de Factorij te Weltevreden, Van der Linde & Teves, en in de latere jaren vooral ook de Handelsvereeniging 'Amsterdam', heeft hij gebouwen gesticht, welke thans onder de schoonste van Indië te rangschikken zijn. In al deze bouwwerken trachtte hij de sierlijkheid en den praktischen zin van de Oostersche bouwkunst tot haar recht te doen komen.
De Gouverneur-Generaal van Heutsz vroeg hem een schets te maken van de mogelijke bebouwing en verfraaiing van het reusachtige Koningsplein te Weltevreden; ware zijne algemeene aanwijzingen destijds maar gevolgd, dan zou van dat groote plein heel wat anders te maken geweest zijn dan wat nu daarvoor staat te vreezen.[...]

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 345-357

Commentaar op het artikel Voorstellingen van vaartuigen op reliëfs van den Boroboedoer, door G.J. van der Heide:

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 349

[Zeegang] 

Tweemast Vlerkprauw (afbeelding 6,7,8, en 9)
Bezien we de zeer kwetsbare galerijen buitenboords, de houten korven rond voor- en achtersteven en de lange vlerken, dan kunnen we met zekerheid zeggen, dat deze prauwen geen zeegang kunnen verdragen. Vooral de vlerken wijzen op kustvaart bij vrij kalm weer; gedurende mijne lange rondzwervingen in de Indische wateren, heb ik in volle zee nimmer een prauw met vlerken gezien. Door de aanschietende golven zou het houten verband van de uithouders spoedig loswerken en dit ware het begin van vergaan.
Het aantal roeipoorten geeft ons een klein houvast; schatten we de lengte van elke poort op één meter dan komen we tot een totale lengte van 12 tot 15 M. Uit gegevens in oude handschriften hebben indologen de lengte van het hindoevaartuig op het dubbele en meer gesteld. Ik kan niet aannemen, dat de Indische scheepsbouw in de 8e eeuw op zulk een hoog peil stond, dat er een zeeschip van 25 tot 35 M. met een stevig langsverband kon gebouwd worden.
De zeer lange vlerken, met aan elke zijde vier drijvers, wijzen er op, dat de breedte klein is, ik schat dat deze tusschen 2 en 3 M. ligt.
Bij deze geringe breedte zou de diepgang vrij groot worden en ik stel me voor, dat dit ernstige bezwaren zou opleveren bij het passeeren van ondiepten en banken voor de rivieren. Om daaraan tegemoet te komen brengt men vele en lange drijvers aan, hierdoor wordt het drijfvermogen vergroot,
Het gedeelte van den romp boven de waterlijn, de uitwatering, is bijzonder hoog, wat noodzakelijk is om nog een voldoende bergruimte te kunnen krijgen. De afstand van kiel tot reeling schat ik op 2,5 M.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 350-352

[Kookplaats] 
[Korven]
 

Een geheel aparten bouwtrant vormen de korven rond de stevens, de raamwerken en de roeigalerijen. We moeten dit als één geheel, gebouwd tegen de gesloten romp van het schip, beschouwen; deze constructie komt nergens meer voor en eene uitvoerige beschrijving is zeker op haar plaats. Doordat we een vijftal afbeeldingen daarvan bezitten, zijn we in staat met eenige zekerheid dit samenstel te construeeren.
De boegkorf rust van onderen op een ronden balk, dwars door het voorschip; langs den boeg, meestal steunend op de einden van de dwarsbalk, bevestigt men aan elke zijde een krommer, welke den onderkant van den korf aan de voorzijde steunt. De korf bestaat uit elf ribben, van boven en onderen door kromme houten lijsten bijeengehouden. Boven den boegkorf steekt de voorsteven nog een flink stuk uit; hieraan worden offers bevestigd.
Er bestaan eenige veronderstellingen omtrent het doel van den korf; aangezien dit een mooiweer-scheepje is, komt de meening van beveiliging tegen aanschietende zeeën mij niet aannemelijk voor. Mij dunkt, dat in de eerste plaats de korven noodig zijn om een goed verband tusschen de beide roeigalerijen te kunnen krijgen en is er verbinding van de eene galerij naar de andere mogelijk. Verder heb ik het vermoeden, dat boogschutters zich achter deze korven verdekt opstellen, wanneer er op zee oorlog gevoerd moet worden.
De spiegelkorf is lichter, er zijn zeven ribben en de onderkant rust ook hier op een ronden balk, dwars door het achterschip.
Het heeft veel inspanning gekost om een goed inzicht van de samenstelling van de roeigalerij te krijgen. Dat deze ver buiten den romp uitsteekt, ziet men duidelijk op het relief bij stuurboordsboeg, waar vleugel en raamwerk dwarsuit staan. De achterste poorten hebben mij de meeste gegevens [...] verstrekt. [...]
Wat is nu de noodzakelijkheid dat zulk een ingewikkelde roeigalerij langs elk boord wordt aangebracht?
We hebben reeds gemeld dat de prauw hoog moet worden opgebouwd ten einde over voldoende laadruimte te kunnen beschikken. Hierdoor komt het bovenste dek te hoog boven de waterlijn te liggen om van daar met succes te kunnen roeien. Ofschoon dit een zeilprauw is, moet men toch wel bedenken dat de voortbeweging door middel van roeiriemen even belangrijk is, daar de prauw langs de kusten vaart en meestal bij kalm weer wordt gebruikt. Op [reliëf 6] treft men dan ook 24 roeipoorten aan en om nu het nuttigste effect van het roeien te kunnen verkrijgen, is men verplicht dit ingewikkelde uitbouwsel dicht bij de wateroppervlakte te timmeren.
De roeigalerij is door het voorraamwerk aan den boegkorf verbonden; het bestaat uit een ojiefvormige afsluitlijst, 3 horizontale en 2 vertikale balken, terwijl de onderste steunbalk in den vorm van een vleugel is uitgebeiteld.
Het achterraamwerk is op eenvoudiger wijze samengesteld en vormt de buitenzijde van het stuurhuis.
Een zeer merkwaardig uitbouwsel bij deze prauw vormt het achterplatje tegen de buitenzijde van de spiegelkorf. Er bestaan weer vele gissingen omtrent het doel van dit platje; mijne onderzoekingen hebben mij de overtuiging geschonken, dat hier de kookplaats of de kombuis is opgesteld. Op het platform ligt een groote steenen plaat en duidelijk ziet men, dat de daarop zittende man met zijn rechterhand een eind hout op deze vuurplaat legt. Hij houdt het gelaat daarbij afgewend.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 12, 357

[Zonneschijf] 

De einden van de dwarsbalken waarop de roeren rusten en welke dwars door het voorschip gaan, zijn meestal versierd met eene zonneschijf. Zij is samengesteld uit twee concentrische cirkels; de ring tusschen deze cirkels is bij eenige prauwen tot een parelrand uitgesneden. Daar dit versiersel eenige overeenkomst heeft met een oog, wordt het dikwijls zoo aangeduid; maar op onze schepen zien we een schijf omgeven door een parelrand, en ik vermoed dat het de zon omgeven door een stralenkrans voorstelt; een lichtsymbool. [...]
Nabij voor- en achtersteven worden nog vleugelvormige versierselen aangebracht; men heeft hierin een embleem van snelheid willen zien. Het komt mij evenwel voor, dat we er een oostersche beteekenis in moeten zoeken. De vleugel is naast de zonneschijf geplaatst en dwingt eerder een verband met den gevleugelden bol van de Egyptenaren er in te zoeken.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 13, 71

[Semarang 3 – Petroleum] 

Nog werd het noodig gevonden eene kleine raffinaderij te bouwen te Semarang met blikkenfabriek, opslagplaatsen, pakhuizen, enz., die het ruwe product verwerkte, dat in den beginne van Tjepoe werd aangevoerd, maar later hare grondstof kreeg uit de Concessie Djepon, eveneens in de Residentie Rembang.
Zoo naderde 1896, het jaar waarin Ir. A. Stoop voor goed naar Holland vertrok. Ir. J.A. Stoop verhuisde naar Soerabaja en kreeg de geheele leiding van de D.P.M.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 13, 81

[Jakarta 7 – Natuurkundige Vereeniging] 

De wending naar taal-, land- en volkenkunde was in het midden der vorige eeuw [19e] een duidelijk verschijnsel in het genootschapsleven. Werd daarmee een afscheid gegeven aan de natuurkundige wetenschap? Eenigermate wel, maar allerminst wegens een tekort aan waardeering en ook geenszins zonder gezette overweging. Een tegenstander van de afscheiding was er destijds in eigen kring: niemand minder dan Dr. P. Bleeker, van wien verscheidene opstellen nog steeds belangstelling verdienen, heeft de scheiding ontraden. Zij werd evenwel rond 1850 voltrokken, waar de meening overhand had, dat naast beoefening van taalkunde, historie, ethnologie door het Bataviaasch Genootschap de zelfstandige bevordering van natuurwetenschappen haar eigen tenten mocht opslaan. Van die dagen dagteekent de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging met zijn Natuurkundig Tijdschrift voor Ned.-Indië.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 13, 81-82

[Jakarta 7 – Binnenhof] 
[Jakarta 7 – Hindoe-bronzen] 

Voor zij eigen arbeid behield het [Bataviaasch] genootschap [voor kunsten en wetenschappen] de uitgave zijner ‘Verhandelingen’, waarmee al in 1778 was aangevangen. De verschijning er van was ongeregeld, kende lange tusschenpoozen, omdat er niet geregeld stof was ter verhandeling. De uitgave werd in stand gehouden, maar ten behoeve van werk op kleiner schaal kwam in 1853 er naast het Tijdschrift voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië. De vele jaargangen zouden een toenemenden schat van kennis bergen, toenemend voor hen, wien later juist het oudere Indië lief werd.

Het gebouw aan de Rijswijksche straat bleek een te kleine behuizing geworden voor de verzamelingen. […] Gekozen is toen het rustig Koningsplein, waar de gambirstruiken al wel teniet waren doch de statigheid van het Indisch heerenhuis nog niet in vier rijen werd uitgesproken langs het groote vierkant […]. Het gouvernement richtte aan de westzijde een gebouw op voor de verzamelingen van het Bataviaasch Genootschap, dat in 1867 werd betrokken. En dat op zijn beurt te klein zou worden, al werd er aan bijgebouwd. […]
De boeddha’s en andere beelden van Borobodoer en van onderscheidene vindplaatsen van Hindoe bouw- en beeldwerk werden opgespoord, ontvangen, geplaatst in de zaal, overdekte binnenplaats en galerij en een iegelijk kon er vlak bij komen. De ethnologische voorwerpen stonden meerendeels in kasten achter glas behoed tegen een al te kinderlijke of al te vurige bewondering. Want, eere wien eere toekomt, alle jaren is de grootste belangstelling voor de archeologische en ethnologische verzameling bewezen door inlandsche bevolking. Daartegenover is pijnlijk het tekort aan belangstelling bij ons, westerlingen, die toch bij wege van lectuur het genot der aanschouwing kunnen opvoeren. Geen Javaan, geen Indiër van andere eilanden zal te Batavia verblijven zonder het museum op Gambir te bezoeken. […]
Tal van pronkstukken […] bleven bewaard, verborgen, totdat in 1913 een bovenbouw gereed kwam, waar de fijn bewerkte sieraden, van goud en edele steenen, zwaar, eerwaardig van herkomst en ouderdom, ter bezichtiging werden gesteld. En tegenover die ‘goudkamer’ is er in den bovenbouw een andere, waar een misschien kostbaarder verzameling toegankelijk werd: het is die der Hindoe-bronzen, de fijnste en rijkste ter wereld.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 13, 355-379

[Jakarta 7 – Petroleummaatschappij] 

[Betreffende] de Koloniale, de N.K.P.M., wier reusachtig hoofdgebouw ‘Petrola’ aan den Benoordenhoutschenweg te ’s-Gravenhage den meesten onzer lezers wel bekend zal zijn, […] doet het ons toch even pijnlijk aan te moeten bekennen, dat deze onderneming niet in het leven kon worden geroepen door een zuiver Hollandsche Maatschappij, maar dat tegenover de in Nederlandsch-Indië overmachtige positie der Koninklijke daartoe de hulp der Standard Oil Co. (New Jersey) onontbeerlijk was.
Tijdens een inspectietocht aan het einde van 1926 werd deze Raffinaderij [Soengai Gerong bij Palembang] door een der Directeuren officieel geopend. […] Spreker verheelde ’t niet, dat het voor zijn onderneming misschien een vrij groot waagstuk is om tot dusverre slechts steunende op eene belovende petroleumconcessie zulk een omvangrijk raffinagebedrijf te vestigen. Maar men hoopt, dat het mogelijk zal zijn op den duur de vleugels verder uit te slaan en de petroleumproductie hooger op te voeren, daarbij vertrouwende op den juisten kijk onzer regeering inzake de ‘open deur’ politiek in Nederlandsch-Indië, wat betreft de ruime en vrije deelneming van buitenlandsch kapitaal, de ‘Koloniale’ zoodoende gelegenheid gevende ook haar aandeel ter ontwikkeling der petroleum-industrie in onze koloniale gewesten bij te dragen. […] De Maatschappij is eene sedert 15 jaren in Nederland gevestigde Naamlooze Vennootschap met uitsluitend Nederlandsche bestuurders..

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 15, 77, 79

[Mendut – Boeddhisten] 

De Mendoet. – Om de belichtingskwestie, die bij de restauratie van deze tempel rees, is veel te doen geweest. Men heeft zelfs gemeend, dat door een venster oorspronkelijk een hooge lichtstraal het in deze tempel zetelend Boeddhabeeld verlichtte. Van Erp toonde aan, dat voor deze aanname geen voldoende grond aanwezig was. Inderdaad is de lichtbundel, die ook na dichting van het z.g. lichtgat nog in den tempel valt alsnog te sterk en te veel van boven invallend; door een aanzienlijken portaalbouw is het vroeger getemperd geweest. [...]
Om vorengeschetste redenen komt dan ook het modelé der zijbeelden: der Boddhisattwa’s in deze tempelruimte veel fraaier uit, dan dat van de middenfiguur. Deze staat in den veel te bruten lichbundel, die schamplichten werpt op ’t veel te teere, in groote, gebogen, in elkander overgaande vlakken gehouden modelé. [...]
Ten einde een indruk te verkrijgen van de juiste belichtingsverhoudingen in dezen tempel werden ook hier kunstlichtstudies gemaakt. Daarbij werden lampen aangebracht in de daarvoor oorspronkelijk bestemde wandnissen en bovendien in de ingehakte sleuven, die in de muilen der bij de Boeddha’s troon behoorende makara’s werden aangetroffen, en voor het inplaatsen van fakkels of het ophangen van lampen door middel van staken kunnen hebben gediend. Misschien werd aldus een beeld verkregen, dat de oorspronkelijke feestverlichting nabij komt. Omdat het laatste echter niet zeker is – aan de in de Makara-muilen geplaatste staken kunnen ten slotte wel zwevende figuren of bloemstukken bevestigd zijn geweest, in plaats van lampen.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 15, 80, 84-85, 87

[Borobudur 0 – Kala-Makara] 
[Borobudur 5 – Poort] 

In de Baraboedoer vindt men een Prambanan verwanten opzet. Maar in deze stoepa zonder betreedbare binnenruimten is niet een beeld der schepping neergelegd als een manifestatie uit het niet der steeds verder zich verdeelende, in steeds meer verscheidene vormen aan den dag tredende Godheid. Niet de neerdalende lijn, maar de opgaande is er verbeeld: die der steeds verder gaande verreining uit het grofstoffelijke naar het vergeestelijkte, dat ten slotte in de Oostersche ideologie in het Nirwana afstand doet van al het accidenteele.
In tallooze, telkens hooger sferen uitbeeldende, verhalende, reliefs der vier ommegangen, aan de hand waarvan de geestelijke oefeningen gedaan werden, vindt men ook aan de Boeddhafiguur alles verstild: alleen de geestelijke concentratie werd verbeeld in de handhouding. Op meesterlijke wijze werd de verheven figuur onderscheiden van de uitbeelding der volgelingen, in wier houding het accidenteele nog groote beteekenis heeft.
Maar het modelé, ook der Boeddhafiguren, is er ten slotte pittig geteekend en hier en daar scherp ingesneden.
In de open nissen, die Baraboedoer’s omwallingen bekronen, geplaatste Boeddhafiguren, vertoonen meer het vervlakte modelé. Maar deze beelden zijn zeer diep ingezet, zoodat zij nagenoeg den geheelen dag in een zwaren slagschaduw verkeeren. Bijna steeds worden deze beelden dus door zeer sterk, van onder op, reflecteerend licht beschenen: het interieur-modelé is hier dus zeer op zijn plaats. [...]
Op elk der vier ommegangen had men – afgesloten van het uitzicht in de wereld – bij de reeksen verhalende reliefs zijn geestelijke oefeningen te doen: meditatie voor meditatie, tot men een kringloop volbracht had en rijp was om tot een hoogeren ommegang op te klimmen.
Duiden de monsterkoppen der Kala-Makara Poortomlijstingen, die men daarbij door moest, niet op het geweld (de Kala), dat men zijn van den goeden weg afleidende neigingen had aan te doen, om den hoogeren geestelijken trap te bereiken? De sloome dierfiguren der Makara’s worden door den Kala verslonden. [...] Komt men door die poorten op de ronde, bovenste terrassen, dan is alles verstild: men heeft er geen handleiding van verhalende reliefs meer noodig voor zijn meditaties, maar beziet – voor het eerst weer het volle uitzicht genietend en de mistroostigheid der eerste oefeningen achter zich latend – de wereld als van een hoger plan.
De Boeddhafiguren zijn hier opgesloten in nog opengewerkte klokken, die in drie concentrische ringen rondom het centrum geplaatst zijn, waar een groote, volmaakt gesloten stoepa het heiligste voor alle aanraking met het onreine beschermt; die klokvorm sluit al het accidenteele, en daardoor kenbare buiten en vormt zoo de meest volmaakte verzinnebeelding van het Nirwana.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 16, 374-375

[Jakarta 6 – Sentiong] 

[…] het Huis Goenoeng Sarie […] is sinds 1762 in handen van den Chineeschen Raad. Het behoeft geen betoog, dat het bezit van landgoederen – de meeste vooraanstaande Compagniesdienaren waren groot-grondbezitters en als zoodanig niet altijd sympathiek – een kostbare liefhebberij was en in deze kwaliteit een luxueuse train-de-vie met zich medebracht. Het was volstrekt geen zeldzaamheid, dat Bataviasche families in den omtrek der stad verscheidene landgoederen bezaten met zich daarop bevindende geheel of gedeeltelijk ingerichte woningen, stallingen, slaven, enz. enz., waarvan het onderhoud veel geld kostte. Dit was dan ook de oorzaak, dat in het einde der 18de en begin der 19de eeuw, bij de versobering der Europeesche levenswijs met Weltevreden als wooncentrum, vele landgoederen werden verkocht, en in handen geraakten van Chineezen en Arabieren. […] In onzen tijd [1932] is nog maar een klein gedeelte in bezit van Europeesche particulieren gebleven en is het oude ras der Bataviasche landheeren aan het uitsterven en daarmede ook het echte oud-Indisce landleven, waarvan zoovele schrijvers gewagen en dat nu bijna spreekwoordelijk geworden is.

Nederlandsch Indië – Oud & Nieuw - 16, 292

[Jakarta 4 – Gajah Mada] 

In 1334 werd de koning geboren, die onder den naam Hayam Wuruk (jonge haan) over Java zou heerschen als de machtigste van alle vorsten, die ooit in de Indonesische eilandenwereld geleefd hebben. Zijn geboorte valt samen met het begin van een krachtige buitenlandsche politiek [o.l.v. rijksbestuurder Gajah Mada]. Java is nu sterk genoeg om zich naar buiten te doen gelden. Zijn bondgenootschappen met China, Annam, Cambodja, Siam en een aantal andere staten maken elke inmenging van buitenaf onmogelijk.