door Liesbeth Dolk, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam / Antwerpen, 2012

Vindplaatsen, 65

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Gesprek met F. Springer: Toen de capitulatie had plaatsgevonden, werden de meeste mannen krijgsgevangen gemaakt. Mijn vader werd geïnterneerd in het voormalig hoofdkwartier van het KNIL in de Technische Hogeschool in Bandoeng. Eind maart 1942 kwam hij voor het laatst een uurtje thuis. Kort daarna werd hij met andere krijgsgevangenen tijdelijk geconcentreerd buiten de stad in het ’s Lands Opvoedingsgesticht, het LOG. Daar fietsten wij dan heen, om de kans te krijgen hem nog even te zien of een pakje te geven. Van het LOG is mijn vader een maand later getransporteerd naar het Treinkampement Tjimahi ten noordwesten van Bandoeng. Ook daar hebben we hem nog enkele malen bezocht. Daarna is hij uit ons zicht verdwenen. Nu waren we alleen met de vrouwen en kinderen thuis. Tot november 1942 deden we ongestoord van alles en werden ook niet belaagd door Japanners die ons huis binnenkwamen. Af en toe fietste er een door de straat. De bedienden bleven ook gewoon komen. Mijn moeder regisseerde toneelstukjes, zoals Het land waar alles mag van D.A. Cramer Schaap, waarin ik de hoofdrol vervulde als huiskabouter. Iedereen uit de buurt kwam daarnaar kijken! We speelden, we zwommen, er was alleen niet veel geld omdat de Europese rekeningen door de Japanners waren bevroren en er uiteindelijk geen salaris meer binnenkwam.

Vindplaatsen, 67

[Bandung 3 – Emma Hofje] 

Gesprek met F. Springer: In april 1942 moesten we ons door de Japanse autoriteiten laten registreren. Pas in oktober kregen we een adres toegewezen: Verlengde Djeroeklaan in de wijk Tjihapit. Mijn moeder is met een vriendin die met drie kinderen inmiddels uit Buitenzorg bij ons was komen wonen, vanuit de Kistlaan gaan kijken waar dat was. Wie kwam er nou in de Tjihapit-buurt? Daar woonden de kleine Indische ambtenaren in Europese huizen met bijgebouwtjes, dat was niet de wijk met grote riante villa’s en bungalows waar de hogere ambtenaren en hogere officieren woonden. Toen mijn moeder terugkwam had ze in het Emma Hofje, een christelijk ouden van dagen hofje, een huisje getjoept (gereserveerd) voor de twee gezinnen. In totaal waren we met z’n tienen. We hebben een keuze gemaakt: wat nemen we mee, welke meubels, veldbedden, een bank, een spenkast (provisiekast), een eettafel met stoeltjes. Het meeste kon natuurlijk helemaal niet mee. In december 1942 zijn we het kamp in getrokken, maar toen was de poort nog open. Er liepen nog mensen in en uit, de bedienden kwamen nog, je kon bij warongs en kleine winkeltjes buiten het kamp nog dingen kopen. In het kamp zelf was in die periode wekelijks een pasar van Indische en Indonesische verkopers. Wij vroegen dan altijd aan mijn moeder: ‘Gaan we nog naar Deetje?’ Dat was een grote Indische meid die fruit en lekkere hapjes verkocht. Ik ben in die tijd op de fiets een paar keer teruggegaan naar de Kistlaan, maar daar bleek algauw alles leeggestolen. Dan logeerde ik wel bij Indische vriendjes die niet het kamp in gingen.

Vindplaatsen, 70

[Bandung 3 – Corry Vonk] 

ILW Bandung 3 Gedung Sate Tjihapit Opvoedingsgesticht Corry Vonk Wim KanAan het eind van het stenen pad met lilliputterhuisjes was een zaaltje waar in betere tijden de bejaarde bewoners van heet hofje samenkwamen voor kerkdiensten. Twintig rijen klapstoeltjes, een lessenaar voor de voorganger, een klein toneelpodium, een harmonium, zelfs een piano. Onder de bewoners van ons kamp bevonden zich ook vrouwen die uit de vooroorlogse wereld van toneel, cabaret, ballet en muziek afkomstig waren [...] Bekende namen uit het Indische culturele leven traden op. Corry Vonk en haar vrouwelijke collega’s van Wim Kans ABC-cabaret, dat door het uitbreken van de oorlog in Indië gestrand was, gaven vele voorstellingen in “t Zaaltje’ en mij (waarom weet ik niet meer, het zal wel toeval geweest zijn) mij had ze uitgekozen uit de jongetjes en meisjes die met hun neuzen tegen de ramen van “t Zaaltje’ geplakt haar repetities begluurden, om haar ‘assistent’ te zijn. Zo noemde zij dat: ‘Jij bent mijn assistent’. Ik trok achter het toneeltje aan touwen om het doek open of dicht te schuiven. Ik droeg de tas met schminkspullen van en naar haar optrekje even buiten het hofje. Zij brak haar been, maar ze bleef optreden, en ik flanste van een paar planken een vervoermiddel in elkaar, op houten wieltjes van een kapotte kinderwagen, en sleepte haar zo achter mij aan naar de voorstellingen. Zij was een vederlicht klein vrouwtje, maar met de diepe stem van een dragonder, en één keer verloor ik haar zonder het meteen te bemerken. ‘Hé, koetsier kejje niet uitkaike’, brulde ze, op straat liggend, gipsbeen in de lucht, maar ze was niet boos. [Springer, F., ‘Lezen in Indië.]

Vindplaatsen, 73

[Bandung 3 – Schneider] 

In november 1944 worden Corrie Schneider en haar twee jongste zoons op transport gezet naar het vrouwenkamp Adek te Batavia, Ze vertrekken met alleen een koffer en een rugzak. Carel Jan blijft achter in Bandoeng. De Japanners vonden jongens van twaalf jaar ‘mannen’ en dus moest hij met zijn vriendjes naar een mannenkamp.
Dagboek Carel Jan Schneider, 1945:
23 november 1944. Vandaag is mammie weggegaan. Het regende verschrikkelijk toen ik haar wegbracht naar de bussen. Nu ben ik alleen in het lege huis waar we eerst met z’n allen hebben gewoond. Alles staat er nog, zoals ze het hebben verlaten. In de kast hangen de kleren nog die ze niet mee konden nemen. Ik vind het rot en vooral de aanblik van die lege kamer, waar ze een paar uur van tevoren nog hadden gewoond. Vanmorgen toen ze er nog waren, leek het me lang zo erg niet toe. Maar pas toen ik terugkwam van de kamppoort besefte ik het. Bij het afscheid heb ik niet gehuild, anderen wel. Ik weet eigenlijk niet waarom ik het niet deed. Maar pas toen ik weer thuis was in het lege kamertje dat eens zo gezellig was, en nu zo kaal, barstte ik in tranen uit en wist eerst niet wat te doen. Gelukkig kwam G. me halen om te helpen met mijn koffer en rugzak.

Vindplaatsen, 74-75

[Bandung 3 – Garage] 

Nu de meeste vrouwen en kinderen zijn vertrokken, wordt eind november 1944 een klein deel van het kamp ingericht als jongenskamp voor de achthonderd achter gebleven jongens, onder leiding van een aantal vrouwen. Carel Jan verhuist met zes leeftijdgenoten uit het Emma Hofje naar een garage op de Begawanlaan 57. Het Tjihapitkamp wordt voorts in een noord- en een zuidhelft verdeeld. De Japanners geven opdracht eerst de noordhelft van het kamp te ontruimen.
Gesprek met F. Springer: In de garage zaten geen ramen. Er was wel elektrisch licht, dat hadden we daarvoor in het vrouwenkamp ook. We lagen op een matrasje met aan het hoofdeind een koffertje met spulletjes die we nog hadden. Op de muur had ik allerlei plaatjes geplakt en naast mijn hoofd een foto van mijn moeder. In mijn papier-maché koffertje zaten wat kleren, mijn postzegelalbum, mijn dagboek, een bijbeltje. Mijn dagboek is later afgepakt toen we naar het jongenskamp in Tjikoedapateuh [Depot Bataljon] gingen. In de Bengawanlaan waren vijf of zes van die naast elkaar gelegen grote Indische huizen volgestopt met jongetjes, onder leiding van een paar dames. We organiseerden er nog wel bonte avonden en hardloopwedstrijden. Dat deden we op blote voeten. Een paar jongens gingen dagelijks in de gaarkeuken eten halen, andere moesten gras snijden en de goten schoonmaken en wij van de sjouwploeg trokken er iedere ochtend met grote fouragekarren op uit om het andere deel van het kamp te ontruimen. De spullen moesten op het Oranjeplein worden verzameld.

Vindplaatsen, 77

[Bandung 2 – Tjihapit] 

Gesprek met F. Springer: Begin mei 1945 moesten we verzamelen op het Oranjeplein. Toen was ik alweer een beetje opgeknapt en zijn we als jongensgroep daarvandaan te voet via de Noorder Kampementstraat – niet ver van het Tjihapitkamp – begeleid door Japanners op fietsjes naar het voormalige kampement van het KNIL gelopen. De route was helemaal afgezet met bilik (bamboe vlechtwerk), je liep tussen blinde muren door. Een onderdeel van dat grote kamp was het 1ste Depot en dat was in 1944-1945 een burgermannenkamp, verdeeld in wijken en barakken. In dat kamp was een scheiding aangebracht tussen het mannen en jongenskamp om de jongens te beschermen tegen homofiele toenaderingen. Dat deel noemden ze Jongensland. Ik heb bij aankomst een nacht bij een pastoor op de brits gelegen in het mannenkamp en toen werden we naar dat jongenskamp gebracht. In Bandoeng Bandung heb ik daar een dominee van gemaakt.

Vindplaatsen, 79

[Bandung 2 – Dysenterie] 

Gesprek met F. Springer: Ik ben vanuit het mannenkamp begonnen in barak L5, een barak met grote zalen en met kleine kamertjes die voor de officieren waren geweest. Ik sliep in een grote zaal, maar werd daar algauw weer ziek, hongeroedeem en dysenterie. Kort daarna ben ik eventjes naar O11 overgebracht, de barak voor hongeroedeem, en toen naar barak O13. Daar ben ik bijna vier maanden, tot het eind van de oorlog, gebleven. Toen ik in die dysenteriebarak terechtkwam, voelde ik me ineens heel erg beschermd en veilig. Mijn held daar was een katholieke verpleger, broeder Nicolaas. Die man heeft mijn leven gered. Het beeld van de broeder die in de halfduistere barak naar de lamp bij de tafel loopt waar hij nachtzuster speelde, is me altijd bijgebleven. Dat beeld heb ik in mijn geheugen opgeslagen en ik heb altijd geweten dat ik dat op een of andere manier wilde blijven koesteren. De man was een soort houvast toen ik daar in de dysenteriebarak lag. Laat in de avond ging broeder Nicolaas als laatste baden. Op de terugweg kwam hij langs mij en gaf me dan een aai over mijn hoofd. Altijd. Daar wachtte ik op. Dat vergeet je niet. Bij de beschrijving van de kamp-tijd in Bandoeng Bandung kon ik niet om hem heen. In de roman heb ik hem broeder Laurens genoemd.

Vindplaatsen, 81

[Bandung 2 – Dysenterie] 

Gesprek met F. Springer: O13 was een grote, lange barak met aan het ene eind een overdekte emper (galerij), die uitkwam op een sloot met snelstromend water, de ‘latrine’. Via een bruggetje over de sloot kwam je op een soort wasplaats met mandi-bakken, waar ook de overledenen werden afgelegd. Aan het andere eind van de barak was een gordijntje. Daarachter was het slaapverblijf van broeder Nicolaas en zijn collega-verplegers. ’s Avonds gingen in de barak de lichten uit. Een broeder had voor het gordijntje de nachtwacht. Hij zat achter een tafeltje met een lampu tempel (muurlampje) en maakte ’s nachts patrouilles door de zaal. In de dysenteriebarak kwamen geen Japanners. De barak was ‘gesloten’. Niemand mocht er zomaar in of uit vanwege besmettingsgevaar. Maar het was een tropenbarak en dus waren er overal ramen. Alle barakken waren onderling ook weer door overdekte empers met elkaar verbonden. De jongens in O13 werden ’geadopteerd’ door de grotere jongens van achttien, twintig jaar uit de gaarkeuken in het mannenkamp. Ik had een zekere Kees als keukenvriend, die mij af en toe kwam opzoeken op de stoep van zo’n emper. Hij bracht dan altijd wat extra te eten voor mij mee. Kees kookte ook regelmatig mijn kleertjes uit om ze te ontluizen – ik had nog een lange slobberbroek, een pendek (korte broek) en een twee bloesjes. De wandluizen in O13 waren niet zo erg, maar de kledingluizen wel: die jeukten verschrikkelijk.