door Liesbeth Dolk, Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam / Antwerpen, 2012

Vindplaatsen, 77

[Bandung 2 – Tjihapit] 

Gesprek met F. Springer: Begin mei 1945 moesten we verzamelen op het Oranjeplein. Toen was ik alweer een beetje opgeknapt en zijn we als jongensgroep daarvandaan te voet via de Noorder Kampementstraat – niet ver van het Tjihapitkamp – begeleid door Japanners op fietsjes naar het voormalige kampement van het KNIL gelopen. De route was helemaal afgezet met bilik (bamboe vlechtwerk), je liep tussen blinde muren door. Een onderdeel van dat grote kamp was het 1ste Depot en dat was in 1944-1945 een burgermannenkamp, verdeeld in wijken en barakken. In dat kamp was een scheiding aangebracht tussen het mannen en jongenskamp om de jongens te beschermen tegen homofiele toenaderingen. Dat deel noemden ze Jongensland. Ik heb bij aankomst een nacht bij een pastoor op de brits gelegen in het mannenkamp en toen werden we naar dat jongenskamp gebracht. In Bandoeng Bandung heb ik daar een dominee van gemaakt.

Vindplaatsen, 79

[Bandung 2 – Dysenterie] 

Gesprek met F. Springer: Ik ben vanuit het mannenkamp begonnen in barak L5, een barak met grote zalen en met kleine kamertjes die voor de officieren waren geweest. Ik sliep in een grote zaal, maar werd daar algauw weer ziek, hongeroedeem en dysenterie. Kort daarna ben ik eventjes naar O11 overgebracht, de barak voor hongeroedeem, en toen naar barak O13. Daar ben ik bijna vier maanden, tot het eind van de oorlog, gebleven. Toen ik in die dysenteriebarak terechtkwam, voelde ik me ineens heel erg beschermd en veilig. Mijn held daar was een katholieke verpleger, broeder Nicolaas. Die man heeft mijn leven gered. Het beeld van de broeder die in de halfduistere barak naar de lamp bij de tafel loopt waar hij nachtzuster speelde, is me altijd bijgebleven. Dat beeld heb ik in mijn geheugen opgeslagen en ik heb altijd geweten dat ik dat op een of andere manier wilde blijven koesteren. De man was een soort houvast toen ik daar in de dysenteriebarak lag. Laat in de avond ging broeder Nicolaas als laatste baden. Op de terugweg kwam hij langs mij en gaf me dan een aai over mijn hoofd. Altijd. Daar wachtte ik op. Dat vergeet je niet. Bij de beschrijving van de kamp-tijd in Bandoeng Bandung kon ik niet om hem heen. In de roman heb ik hem broeder Laurens genoemd.

Vindplaatsen, 81

[Bandung 2 – Dysenterie] 

Gesprek met F. Springer: O13 was een grote, lange barak met aan het ene eind een overdekte emper (galerij), die uitkwam op een sloot met snelstromend water, de ‘latrine’. Via een bruggetje over de sloot kwam je op een soort wasplaats met mandi-bakken, waar ook de overledenen werden afgelegd. Aan het andere eind van de barak was een gordijntje. Daarachter was het slaapverblijf van broeder Nicolaas en zijn collega-verplegers. ’s Avonds gingen in de barak de lichten uit. Een broeder had voor het gordijntje de nachtwacht. Hij zat achter een tafeltje met een lampu tempel (muurlampje) en maakte ’s nachts patrouilles door de zaal. In de dysenteriebarak kwamen geen Japanners. De barak was ‘gesloten’. Niemand mocht er zomaar in of uit vanwege besmettingsgevaar. Maar het was een tropenbarak en dus waren er overal ramen. Alle barakken waren onderling ook weer door overdekte empers met elkaar verbonden. De jongens in O13 werden ’geadopteerd’ door de grotere jongens van achttien, twintig jaar uit de gaarkeuken in het mannenkamp. Ik had een zekere Kees als keukenvriend, die mij af en toe kwam opzoeken op de stoep van zo’n emper. Hij bracht dan altijd wat extra te eten voor mij mee. Kees kookte ook regelmatig mijn kleertjes uit om ze te ontluizen – ik had nog een lange slobberbroek, een pendek (korte broek) en een twee bloesjes. De wandluizen in O13 waren niet zo erg, maar de kledingluizen wel: die jeukten verschrikkelijk.