door Hans G. Visser, Uitgeverij Lunet, Naarden 1989

Groeten van Java, 81-85

[Yogyakarta 3 – Code] 

Romo Mangun is weg, maar de rehabilitatie van de allerarmsten in een illegale kampong op steile oevers van de Kali Code, waarmee hij eind jaren zeventig begon, wordt voortgezet. Het project, dat hem landelijk bekend maakte, heeft hij overgedragen aan studenten. En wie weet wat die straks, elk op eigen houtje, met de opgedane ervaring ergens anders gaan beginnen.
Eigenlijk heet hij Yusuf Bilyarta Mangunwijaya, maar in de kampong wordt deze katholieke priester respectvol aangesproken als Romo Mangun.
De kampong zelf maakt een allesbehalve rijke, maar wel frisse indruk. Overal bloeiende planten in afgedankte blikken en bij het gemeenschapshuis hebben altijd wel een paar vrouwen iets te koop of ze houden tenminste een oogje op de kinderen, die zich aan de waterkant vermaken met een kleine wip. ‘Speeltuin’ staat er met sierlijke letters op een bord. Verderop doen vrouwen de was. Ze kijken op naar wie passeert. Eerst verbaasd, maar dan met een verraste glimlach. Europeanen komen hier niet elke dag.
Toch weet iedereen in Yogya dat dit, voor Romo Mangun hier kwam, een onherbergzame krottenwijk was, waar zich tussen de dichte begroeiing heel wat gespuis schuilhield. De buit van menige overval was hier, mits snel werd ingegrepen, nog wel te achterhalen. Een samenleving van prostituees en halve criminelen, die zichzelf als mens al hadden afgeschreven, heeft de priester een nieuw gevoel van eigenwaarde gegeven. Wie er nu komt, gelooft niet, dat de bewoners ook vandaag nog gelden als paupers.
Ondanks zijn witte, golvende haar, maakt Romo Mangun een jonge, ontspannen indruk, Hij praat charmant en open over deze toch pijnlijke dingen. Hoe hij in een paar jaar tijd van deze nederzetting een op het oog normale stadskampong maakte. Niet nadrukkelijk met veel bravoure, maar langzaam, heel langzaam, langs de weg der geleidelijkheid. Door er te gaan wonen, te helpen bij ziekte, te adviseren als er moeilijkheden zijn en mee te doen bij het bouwen van huizen en allerlei voorzieningen. Maar vooral ook door de schakel te zijn tussen deze bewoners en de overheid.
Wandelend langs de huisjes vertelt hij, dat deze mensen nooit zijn begrepen of gewaardeerd.
“Natuurlijk was er heel wat op hen aan te merken, maar het publiek vergeet, dat ze toch heel nuttig werk doen. Ze leven voornamelijk van het verzamelen van weggeworpen plastic, aluminium, blik en ander afval, dat opnieuw kan worden gebruikt in allerlei grote en kleine fabrieken: ‘recycling!’ Dat geeft hun een inkomen en maakt hen tot een belangrijke schakel in onze economie. Dat zouden ze zichzelf ook moeten realiseren. Altijd zijn ze beschouwd als afval, als het schuim van de maatschappij, telkens weggejaagd van de plaatsen waar ze woonden en hun bestaan vonden. Ze zaten de samenleving in de weg, ten onrechte. Daarom ging ik helpen. Niet met woorden, maar met practisch werk. Mijn helpers en ik willen de wereld laten zien, dat deze mensen weliswaar arm zijn, maar dat je hen beslist geen schuim mag noemen. Net als iedereen hebben ze het recht om ergens te wonen en te werken. Voor mij verschillen ze niet van de dorpelingen die naar de stad komen om voor arts of econoom te studeren en daar later ook hun beroep uit te oefenen. Natuurlijk zullen ze geen dokter of professor worden, maar toch hebben ze een taak. Daarom is het onze opdracht hun rechten te verdedigen, zodat ze zichzelf en de wereld kunnen laten zien wat ze werkelijk waard zijn.”
Daarom begon Romo Mangun met het veroveren van de publieke opinie. Via de media liet hij de inwoners van Yogya zien, dat het daar aan de oevers van de Kali Code veiliger werd. Bijna een gewone kampong. Ook bij de autoriteiten groeide de erkenning. Zelfs afgevaardigden van de Verenigde Naties heeft hij al mogen rondleiden, net als diverse leden van het Indonesisch parlement.
Hoe belangrijk die publieke opinie is, bleek in het voorjaar van 1986. Ondanks alles werd op hoog niveau besloten dat de kampong weg moest. ‘Leuk initiatief daar van die priester Mangunwijaya’, zo werd kennelijk geredeneerd, ‘maar zou het toch echt niet beter zijn voor iedereen, als die mensen ergens anders een nieuwe kans kregen, op grond die niet steeds in de natte tijd gevaar liep te overstromen?’
Romo Mangun vond van niet. De mensen woonden hier nu immers eindelijk goed, hervonden langzamerhand hun zelfrespect en een verhuizing zou alles weer kapot maken. Hij dreigde zelfs met een hongerstaking als de plannen door zouden gaan en verklaarde bereid te zijn om ‘net als Christus te sterven tussen de zondaars’.
Verhalen in de pers maakten de positie van Romo Mangun schier onaantastbaar. De overheid zag zich daardoor gedwongen de zaak nog eens te bekijken en uiteindelijk werd zelfs, onder druk van nog hoger niveau besloten niet in te grijpen.
“De overheid beseft steeds meer, dat er voor het wegjagen uit de stad een alternatief bestaat. De mensen moeten altijd maar weg uit het centrum. Dat lijkt er tot dusver slechts te zijn voor hotels, banken en kantoren. Toen ik hier kwam, woonden ze nog in hutjes waar de regen letterlijk doorheen stroomde. Ik wist, dat als ik hun woonomstandigheden kon verbeteren, de overheid hun moeilijk nog zou kunnen wegvagen. Daarom stelde ik de mensen voor, met mij en de studenten samen een echte wijk te vormen. ‘Als dat lukt’, zo hield ik hun voor, ‘mogen we hier misschien blijven wonen, anders komt vroeg of laat de bezem. Want als hier straks bloemen bloeien is het moeilijk ons nog weg te krijgen, ook al wonen we hier nog zo illegaal”.
De kleine veranda voor het huis, waar hij al die tijd heeft gewoond, biedt een prachtig gezicht op de kampong en de rivier. Het geheel ligt er nu zo mooi bij, dat het lijkt alsof een tuinarchitect hier de hand in had. Nuchter stelt hij vast, dat het niet anders kan. Hij wil de wereld laten zien, dat zelfs een arme buurt mooi kan zijn. Enkel een behoorlijke woonomgeving kan de mensen het gevoel van eigenwaarde teruggeven. Het is hun uiterlijk tegenover de samenleving, dat respect afdwingt. En om het zover te krijgen is hij begonnen de mensen te laten leven en werken in een soort coöperatief verband.
“Natuurlijk zouden ze ergens anders van de overheid een stukje grond kunnen krijgen, maar de kans is dan groot, dat ze met hun bezit gaan speculeren. Ze zouden hun geld kunnen verliezen, de grond verkopen en daarmee weer in handen vallen van benden en syndicaten. Ze zijn dan weer net zo ver als toen we met dit project begonnen. Daarom wil ik hier een soort commune. Dat klinkt misschien communistisch, maar ik heb dat tevoren allemaal besproken met de verantwoordelijke instanties en enkele ministers. Ze weten, dat ik hier geen marxistische gemeenschap heb, maar juist een kleine samenleving, gebaseerd op oude Javaanse tradities”.
Zo ontleent Romo Mangun zijn collectiviteitsgedachte voor de grond van de kampong aan de adat, die leert dat de bedding van een rivier van iedereen is. En volgens die gedachte kan hij mensen ook aanspreken op ieders verantwoordelijkheid voor de kampong.
“Iedereen kan hier wonen en alles gebruiken. Bezit en erfrecht bestaan hier niet. Ze wonen en werken hier, de kinderen krijgen gezamenlijk les en om de twee weken helpt iedereen op zondag bij het onderhoud. Ach, het zijn geen stakkers, ook al zijn ze arm. Ze hebben nu als tukang becak, als handelaar in afval of verkoper van etenswaren een geregeld bestaan en een redelijk vast inkomen. Niet veel, maar genoeg om van te leven”.[...]
Veel geld heeft Romo Mangun niet nodig. Mooi en duur hoeven niet samen te gaan.
“Ik ben schrijver, journalist en wetenschapper, dus heb ik mijn eigen inkomsten. Er is mij wel geld aangeboden, maar gelukkig heb ik altijd nog kunnen zeggen ‘Nog niet, nog niet’. Want stel, dat er te veel komt, dan ga ik misschien deze kampong verwennen en er zijn nog zo veel andere plaatsen waar je met een beetje geld een dergelijk project zou kunnen beginnen”. [...]
Het ontwikkelen van dit project had voor Romo Mangun op zeker moment de consequentie, dat hij moest stoppen met zijn dagelijks werk aan de universiteit. Twee dagtaken werd hem te druk. Bovendien zegt hij in de wetenschap voor zichzelf weinig toekomst meer te zien. Daarnaast begon hij steeds meer in kranten te schrijven, waarmee hij een groter publiek kon bereiken, dan met zuiver wetenschappelijk werk. [...]
Geboren in 1929, als zoon van een katholieke onderwijzer in Ambarawa, was hij pas zestien jaar toen hij zich meldde bij de Tentara Pelajar, het fameuze studentenleger uit die dagen. Bij gevechten rond Magelang en zijn geboorteplaats Ambarawa voelde hij hoe bitter en wreed de oorlog kon zijn. Maar belangrijker vindt hij de les die hij later leerde bij de TRIP van zijn commandant, majoor Isman. Die hield zijn jongens voor, dat niet zij, als bewapende revolutionairen, als de helden moesten worden gezien, maar de bevolking. Die zag er immers in die zware tijden niet tegenop de soldaten te onderhouden, ofschoon dat vaak geen lieverdjes waren. Dezelfde bevolking, die na een guerrilla-aanval, een Nederlandse vergeldingsactie kon verwachten.
Die strijd was nodig en hij deed er van harte aan mee. Maar toen de revolutie voorbij was besloot hij zich in te zetten voor de opbouw van het land. De beste mogelijkheden daarvoor zag hij binnen de Kerk. In 1959 werd hij gewijd, mocht vervolgens in Duitsland architectuur gaan studeren en werd na terugkomst aangesteld als hoogleraar in Yogyakarta. Daar ontwikkelde hij zijn ideeën over een nieuwe vorm van kampongbouw voor dit soort illegale nederzettingen van mensen die maatschappelijk tussen wal en schip zijn geraakt. [...]