jaargang 2 mei 86 – Indonesia 1900-1958, uitgave van geschiedenisstudenten Leiden 6.

Leidschrift, 34-35

[Woordenlijst Exorbitante rechten] 

Sedert 1920 hadden de communisten in Indonesië zich georganiseerd in de “Partai Kommunis Indonesia” (PKI). Men sloot zich aan bij de Derde Internationale van Moskou (Komintern), die de bevrijding der onderdrukte volken in de koloniën van het kapitalisme nastreefde. Een sociale revolutie lag in het verschiet. In de oren van het Nederlandse gouvernement moest dit wel als dreigende taal klinken. Het antwoord op het toenemende georganiseerde verzet was de uitvaardiging van stakings- en vergaderverboden. Daarnaast werden vakbondsleiders en vooraanstaande PKI-leden gearresteerd en met behulp van de exorbitante rechten verbannen.
Deze ‘exorbitante rechten’, sinds 1854 opgenomen in de artikelen 35 t/m 36 en 160 lid 3 van de Indische Staatsregeling, geven de gouverneur-generaal het recht personen die hij gevaarlijk achtte voor de openbare rust en orde, zonder vorm van proces te interneren. Het ging om een politieke, administratieve maatregel, niet om een door de rechter opgelegde straf. Toepassing behoefde niet met redenen te worden omkleed en was voor onbepaalde tijd. Belangrijkste waarborg die excessen en willekeur van de kant van het gouvernement moest voorkomen was de pers, die in zulke gevallen door mobilisatie van de publieke opinie corrigerend zou optreden. Nog in 1919 en 1925 sprak het Nederlandse parlement zich uit vóór handhaving van de exorbitante rechten in Nederlands-Indië. In Nederland zelf zou een dergelijke maatregel ondenkbaar zijn, maar voor een kolonie achtte men instandhouding noodzakelijk en verantwoord. Numeriek sterk in de minderheid wilden de Nederlanders zich verzekerd weten van ruime bevoegdheden.
Degenen die door de interneringsmaatregel getroffen werden kregen eerst nog toestemming zich in het buitenland te vestigen. Maar dit bleek al spoedig een vergissing te zijn. Door de moderne communicatiemiddelen bleef het contact tussen de verbannen leiders en hun volgelingen in Nederlands-Indië bestaan. In regeringskringen overwoog men daarom een speciale verblijfplaats in te richten voor de te interneren revolutionaire elementen. In 1925 introduceerde J.J. Schrieke, regeringsgemachtigde voor algemene zaken, deze gedachte bij gouverneur-generaal D. Fock. Hij stelde voor

“... een niet bewoond (dan wel te ontruimen), niet ongezond, niet te groot, in diepe zee gelegen, gemakkelijk te bewaken eiland, ruimte biedend aan ± 100 gezinnen, zonder postkantoor, waar aan iedere geïnterneerde een huisje en een stuk grond ter permanente bewoning kan worden afgestaan”,

in te richten. Tijdens een bestuursconferentie in maart 1926 van Fock met de hoofden van gewestelijk bestuur in de gewesten buiten Java en Madoera, kreeg het plan van Schrieke opnieuw aandacht.
Het waren echter de op instigatie van de communisten ontketende onlusten op Java in november van hetzelfde jaar die tenslotte leidden tot het definitieve besluit een massa-interneringskamp op te richten. In hoog tempo volgde een reeks maatregelen die moesten leiden tot de complete vernietiging van de PKI. Van de circa 13.000 arrestanten werd ongeveer de helft vrijgelaten, vier werden ter dood veroordeeld en meer dan 4.500 anderen werden tot gevangenisstraffen veroordeeld. In overleg met de raad van Nederlands-Indië besloot gouverneur-generaal Jhr. Mr. A.C.D. de Graeff, dat de communisten van wie niet bewezen kon worden dat zij direct bij de rellen betrokken waren geweest, op grote schaal te interneren. Zij werden er van verdacht een gevaar te zijn voor de bestaande orde, maar kwamen niet in aanmerking voor strafvervolging. De afschrikwekkende werking die van een dergelijke toepassing van de exorbitante rechten zou uitgaan moest groot zijn.
De massa-internering in Boven-Digoel leidde tot een omslag in de tactiek van de nationalistische beweging. In 1927 werd onder leiding van ir. Soekarno de “Perserikatan Nasional Indonesia” (PNI) opgericht. Deze non-coöperatieve, maar geweldloze massabeweging werd ook al vrij spoedig monddood gemaakt. Het Nederlands-Indische bestuur maakte daarbij veelvuldig gebruik van de exorbitante rechten. Onder de Nederlanders zat de schrik er zo in dat de strenge houding van het bestuur niet alleen vrij algemeen werd goedgekeurd, maar zelfs aangemoedigd. Conservatieve Europese groeperingen zoals de in 1920 opgerichte “Vaderlandsche Club”, konden op grote sympathie rekenen. In het streven naar zelfstandigheid bleven zo tenslotte alleen de gematigde, coöperatieve Indonesische nationalisten over, die onder andere zitting hadden in de Volksraad. Zij zouden tot het begin van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in 1941, vruchteloos streven naar een groter aandeel in de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de eigen natie.