Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, onder redactie van Lex Heerma van Voss e.a., Ambo / Anthos Amsterdam, 2018

Wereldgeschiedenis, 480-485

[Jakarta 9 – Perhimpoenan] 
[Jakarta 9 – Hatta] 

1908 Indonesische studenten leggen basis voor internationaal antikolonialisme.
Op 25 oktober kwamen om twee uur ’s middags op een studentenkamer in Leiden vijftien Javanen, Ambonezen en Sumatranen bijeen om de Indische Vereniging op te richten. De vereniging had ten doel ‘het bevorderen der gemeenschappelijke belangen van de Indiërs in Nederland, en voeling houden met Nederlands-Oost-Indië’. Onder ‘Indiërs’ verstond men ‘de inheemse bewoners’ van de Indonesische Archipel. Hoewel de Indische Vereeniging – vanaf 1925 bekend onder de Maleise vertaling Perhimpoenan Indonesia – aanvankelijk vooral een gezelligheidsvereniging was, kan de oprichting in 1908 als beginpunt gelden van Indonesische politieke organisatie in Europa. De organisatie was niet alleen van belang voor de ontwikkeling van antikoloniaal denken in Nederland maar ook voor de vorming van de nationalistische beweging in Nederlands-Indië zelf. Veel leden verwierven later vooraanstaande posities binnen verschillende Indonesische politieke organisaties en in het postkoloniale Indonesië. Mohammad Hatta, die jarenlang voorzitter was van de Perhimpoenan Indonesia, werd bijvoorbeeld de eerste vicepresident van Indonesië en voormalige leden als Soetan Sjahrir, Ali Sastroamidjojo en Mohammed Nazir Datoek Pamontjak kregen posities als premier, minister of ambassadeur.

Studeren in Nederland.
Hoewel in Nederland al vanaf de zeventiende eeuw gezanten, bedienden en individuele studenten en avonturiers uit het gebied van het huidige Indonesië rondliepen, begon pas vanaf het begin van de twintigste eeuw de Indonesische migratie naar Nederland een regelmatig karakter te krijgen. Vanaf 1897 kwam een bescheiden stroom studenten op gang, om in Europa het onderwijs te krijgen dat in Nederlands-Indië niet beschikbaar was. Tot 1920 waren er, behalve twee scholen voor ‘inlandse artsen’, geen hoger-onderwijs-instituties in de kolonie, en ook daarna bleven de mogelijkheden voor zogenaamde ‘inlanders’ beperkt. In Nederland gingen de meeste Indonesische studenten rechten studeren in Leiden of medicijnen in Amsterdam maar ook indologie, technische en literatuurstudies waren populair. Het exacte aantal studenten is moeilijk vast te stellen maar groeide van enkele tientallen in de eerste decennia van de twintigste eeuw tot 175 in 1931 waarna het aantal weer iets afnam ten gevolge van de economische depressie.
In die tijd werkten al vele honderden Indonesische huisbedienden, restauranteigenaars en havenarbeiders in steden in het westen van het land, met name in Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam en Amsterdam woonden ongeveer tweeduizend Chinese scheepslieden en havenarbeiders naast vele tientallen Chinees-Indonesische en Surinaamse studenten in de universiteitssteden, die zich apart van de Indonesische studenten organiseerden. Elk van deze groepen had een eigen verenigingsleven en politieke cultuur. Zo werd bijvoorbeeld in 1911 de vereniging Chung Hwa Hui opgericht door Chinees-Indisch studenten en in 1932 de Perkoempoelan Islam, een sociaal-religieuze vereniging voor islamitische Indonesische arbeiders in Nederland.
Wat de Indonesische studentengemeenschap speciaal maakte, en dan vooral de groep binnen de Perhimpoenan Indonesia, is dat zij zich openlijker dan andere groepen ging bezighouden met politiek en met de toekomst van de koloniën. In de eerste jaren gebeurde dat nog op een loyale en niet-confronterende manier. De meeste studenten kwamen immers uit hoge adellijke families en onderhielden van huis uit warme banden met de Nederlandse koloniale elite. De Indische Vereniging organiseerde openbare discussiemiddagen en lezingen waarin de nadruk lag op de beschaafde uitwisseling van ideeën over bijvoorbeeld onderwijsmogelijkheden in de kolonie, de democratisering van het koloniaal bestuur en de toenadering tussen ‘Oost’ en ‘West’.
Na de Eerste Wereldoorlog begon het karakter van de Indische Vereniging te veranderen. De nieuwe generatie studenten die na het opheffen van de zeeblokkades in Nederland aankwam, had meer politieke ervaring dan de generaties daarvoor. Omdat ze vaker afkomstig was uit lagere adellijke kringen of de handelselite was ze niet langer verzekerd van een goede positie in de koloniale overheid. Deze generatie was daarom pessimistischer over haar toekomstkansen. Langzaam maar zeker begon de kritiek op het koloniale bestuur toe te nemen en verloren de studenten het geduld en vertrouwen dat de koloniale overheid werk zou gaan maken van ontwikkelingen en democratisering van Nederlands-Indië. In plaats daarvan kwamen ze tot de conclusie dat Nederlands-Indië zo snel mogelijk onafhankelijkheid moest verwerven.
Deze koerswijziging werd symbolisch gemarkeerd met een naamswijziging van Indische Vereniging naar Indonesische Vereniging in 1922 en de vertaling naar het Maleise Perhimpoenan Indonesia drie jaar later. Ook het tijdschrift werd omgedoopt van Hindia Poetra (Zonen van Indië) naar Indonesia Merdeka (Indonesië Vrij). Het was de eerste keer dat de term ‘Indonesië’ werd gebruikt als een politieke uitdrukking voor het streven naar volledige onafhankelijkheid. Hoewel de organisatie van de eerste helft van de jaren twintig niet groot was, zo’n vijftig personen, trok ze de aandacht met felle aanklachten tegen het kolonialisme en sympathiebetuigingen met antikoloniale bewegingen in Brits-Indië, China, Marokko en elders.

Internationale beïnvloeding.
Van belang was de toegang tot de wijdere antikoloniale wereld. De studenten gebruikten hun verblijf in Nederland namelijk om zich te oriënteren op talloze antikoloniale bewegingen elders. In Indonesia Merdeka verschenen artikelen over Gandhi en de Indiase Congrespartij, over de strijd van de nationalist Sun Yat-Sen in China en over onderwijs op de Filipijnen en in Japan. De studenten vergeleken de situatie in Nederlands-Indië voortdurend met die in andere gekoloniseerde gebieden. Ze ontleenden er inspiratie uit en beseften dat ze deel uitmaakten van een wereldwijde beweging tegen kolonialisme en voor nationale onafhankelijkheid.
Bovendien probeerden de Indonesische studenten vanuit Nederland in contact te komen met antikoloniale activisten en organisaties uit andere gekoloniseerde landen die op dat moment eveneens in Europa verbleven. De eerdergenoemde Indiase Congrespartij had filialen in Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. In Parijs en Berlijn verbleven honderden Chinese activisten van verschillende politieke stromingen, en ook de Algerijnen hadden met Mesali Hadj en de Etoile Nord-Africaine in Parijs een voet aan de grond. In januari 1925 stuurde de Perhimpoenan Indonesia haar vicepresident, Arnold Mononutu, naar Parijs om contact te leggen met deze bewegingen en met Indonesiërs die op dat moment in Parijs verbleven. In diverse politieke kringen trachtte Mononutu steun te verwerven voor de Indonesische zaak, en hij was onder meer betrokken bij de oprichting van een politiek-culturele organisatie met de naam Association pour l’etude des civilisations orientales. Daarvan waren ook Vietnamezen, Indiërs, Chinezen en andere Aziaten lid. Via deze organisatie maakte de toekomstige vicepresident Hatta bovendien zijn eerste entree op een grote internationale conferentie, namelijk het pacifistische Congrès Democratique International dat in augustus 1926 gehouden werd nabij Parijs.
De Perhimpoenan Indonesia nam uitnodigingen aan uit iedere politieke hoek om de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië te bepleiten, De belangrijkste organiserende kracht van antikoloniale bewegingen ging evenwel uit van transnationale organisaties als de Communistische Internationale (Komintern) en de Internationale Arbeidershulp. Vanaf 1924 probeerde de Komintern met geld, infrastructuur en voorzieningen actief steun te verwerven onder antikoloniale bewegingen voor de nieuwe Sovjet-Unie. Ze nodigde mensen uit de gekoloniseerde wereld uit om in de Sovjet-Unie te studeren en organiseerde internationale congressen waar kopstukken uit de antikoloniale wereld en de linkse arbeidersbeweging samenkwamen. Hoewel de Perhimpoenan Indonesia vóór 1931 geen communistische organisatie was, maakte ze dankbaar gebruik van deze mogelijkheid om nieuwe mensen te leren kennen.
Het toonaangevende Congres tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking dat in februari 1927 in Brussel plaatsvond, was georganiseerd door de Duitse communist Willi Münzenberg en met geld van de Komintern. Voor de Indonesiërs betekende het vooral een mogelijkheid om in contact te komen met antikoloniale beroemdheden als Jawaharlal Nehru van de Indiase Congrespartij, Messali Hadj van de Algerijnse Etoile Nord-Africaine en Liau Huanxing van de Chinese Kwomintang-beweging. Ook kreeg de Perhimpoenan Indonesia drie kwartier de tijd om het congres, waar vertegenwoordigers van 137 organisaties uit 34 landen aanwezig waren, toe te spreken. Bovendien werd Mohammad Hatta verkozen in de bestuurscommissie van de nieuw opgerichte Liga tegen Imperialisme.
De Nederlandse autoriteiten zagen deze ontwikkelingen van de Perhimpoenan Indonesia met lede ogen aan. Zeker na een mislukte communistische opstand op Java en Sumatra in november 1926 vreesden zij dat de Nederlandse studenten een verbindende schakel vormden tussen de Sovjet-Unie en communisten in Nederlands-Indië. Om deze reden deed de politie in 1927 een inval in een aantal Indonesische studentenhuizen in Leiden en Den Haag, gevolgd door de arrestatie van Mohammad Hatta en drie anderen drie maanden later. Ze werden aangeklaagd voor opruiing in Indonesia Merdeka, maar uit de verhoren bleek dat de autoriteiten vooral geïnteresseerd waren in de buitenlandse banden van de Perhimpoenan Indonesia en de vermeende connectie tussen Moskou en Nederlands-Indië. Maar die verbinding was juridisch niet te bewijzen en de studenten werden vrijgesproken van alle aanklachten.

Repressie en bevrijding.
De arrestatie en het proces waren ingrijpende ervaringen voor de studenten, maar het betekende ook hun definitieve doorbraak als vaandeldragers van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. In Nederland en Europa voerden linkse en antikoloniale organisaties campagne voor de vrijlating van de studenten en kwam de Perhimpoenan Indonesia uit haar relatieve isolement als radicale studentenvereniging. In Nederlands-Indië kregen Hatta en de andere studenten nu grote bekendheid. Toen Hatta in het begin van de jaren dertig terugkeerde naar Nederlands-Indië werd hij meteen gekozen als leider van de nieuwe nationalistische partij PNI Baru.
Toch was het politieoptreden op de lange termijn fataal voor de Perhimpoenan Indonesia. De ouders van veel studenten werden onder druk gezet om hun zonen in bedwang te houden of zelfs terug te doen keren naar Nederlands-Indië. Nieuwe studenten durfden zich bovendien niet meer aan de Perhimpoenan Indonesia te verbinden uit angst voor hun carrière. Vanaf 1929 leidde de organisatie een kwakkelend bestaan. In 1931 werd ze overgenomen door een nieuwe groep studenten die de vereniging in stalinistisch vaarwater loodsten. In de jaren dertig was de Perhimpoenan Indonesia een mantelorganisatie van de Communistische Partij Holland, en vervulde ze niet langer de verbindende functie met antikoloniale bewegingen elders. In de Tweede Wereldoorlog speelden Indonesische studenten van de Perhimpoenan Indonesia een opmerkelijke rol in het Leidse studentenverzet. Acht studenten moesten dat met hun leven bekopen, en een aantal van hen belandde bovendien in Duitse concentratiekampen.
Enkele leden van de eerste generatie Perhimpoenan Indonesia gingen een leidende rol spelen in de Indonesische politiek. In de jaren dertig slaagden de autoriteiten erin deze organisaties monddood te maken en velen belandden in de cel. Dat neemt echter niet weg dat deze generatie direct na het arriveren van de Japanners in 1942 haar plaats aan het hoofd van de onafhankelijkheidsbeweging in Indonesië opeiste.
In 1949 keerde Hatta naar Nederland terug, dit keer niet om te studeren maar om als vertegenwoordiger van de nieuwe Indonesische staat de soevereiniteit in ontvangst te nemen.
[Klaas Stutje.]