Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, onder redactie van Lex Heerma van Voss e.a., Ambo / Anthos Amsterdam, 2018

Wereldgeschiedenis, 480-485

[Jakarta 9 – Perhimpoenan] 
[Jakarta 9 – Hatta] 

1908 Indonesische studenten leggen basis voor internationaal antikolonialisme.
Op 25 oktober kwamen om twee uur ’s middags op een studentenkamer in Leiden vijftien Javanen, Ambonezen en Sumatranen bijeen om de Indische Vereniging op te richten. De vereniging had ten doel ‘het bevorderen der gemeenschappelijke belangen van de Indiërs in Nederland, en voeling houden met Nederlands-Oost-Indië’. Onder ‘Indiërs’ verstond men ‘de inheemse bewoners’ van de Indonesische Archipel. Hoewel de Indische Vereeniging – vanaf 1925 bekend onder de Maleise vertaling Perhimpoenan Indonesia – aanvankelijk vooral een gezelligheidsvereniging was, kan de oprichting in 1908 als beginpunt gelden van Indonesische politieke organisatie in Europa. De organisatie was niet alleen van belang voor de ontwikkeling van antikoloniaal denken in Nederland maar ook voor de vorming van de nationalistische beweging in Nederlands-Indië zelf. Veel leden verwierven later vooraanstaande posities binnen verschillende Indonesische politieke organisaties en in het postkoloniale Indonesië. Mohammad Hatta, die jarenlang voorzitter was van de Perhimpoenan Indonesia, werd bijvoorbeeld de eerste vicepresident van Indonesië en voormalige leden als Soetan Sjahrir, Ali Sastroamidjojo en Mohammed Nazir Datoek Pamontjak kregen posities als premier, minister of ambassadeur.

Studeren in Nederland.
Hoewel in Nederland al vanaf de zeventiende eeuw gezanten, bedienden en individuele studenten en avonturiers uit het gebied van het huidige Indonesië rondliepen, begon pas vanaf het begin van de twintigste eeuw de Indonesische migratie naar Nederland een regelmatig karakter te krijgen. Vanaf 1897 kwam een bescheiden stroom studenten op gang, om in Europa het onderwijs te krijgen dat in Nederlands-Indië niet beschikbaar was. Tot 1920 waren er, behalve twee scholen voor ‘inlandse artsen’, geen hoger-onderwijs-instituties in de kolonie, en ook daarna bleven de mogelijkheden voor zogenaamde ‘inlanders’ beperkt. In Nederland gingen de meeste Indonesische studenten rechten studeren in Leiden of medicijnen in Amsterdam maar ook indologie, technische en literatuurstudies waren populair. Het exacte aantal studenten is moeilijk vast te stellen maar groeide van enkele tientallen in de eerste decennia van de twintigste eeuw tot 175 in 1931 waarna het aantal weer iets afnam ten gevolge van de economische depressie.
In die tijd werkten al vele honderden Indonesische huisbedienden, restauranteigenaars en havenarbeiders in steden in het westen van het land, met name in Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam en Amsterdam woonden ongeveer tweeduizend Chinese scheepslieden en havenarbeiders naast vele tientallen Chinees-Indonesische en Surinaamse studenten in de universiteitssteden, die zich apart van de Indonesische studenten organiseerden. Elk van deze groepen had een eigen verenigingsleven en politieke cultuur. Zo werd bijvoorbeeld in 1911 de vereniging Chung Hwa Hui opgericht door Chinees-Indisch studenten en in 1932 de Perkoempoelan Islam, een sociaal-religieuze vereniging voor islamitische Indonesische arbeiders in Nederland.
Wat de Indonesische studentengemeenschap speciaal maakte, en dan vooral de groep binnen de Perhimpoenan Indonesia, is dat zij zich openlijker dan andere groepen ging bezighouden met politiek en met de toekomst van de koloniën. In de eerste jaren gebeurde dat nog op een loyale en niet-confronterende manier. De meeste studenten kwamen immers uit hoge adellijke families en onderhielden van huis uit warme banden met de Nederlandse koloniale elite. De Indische Vereniging organiseerde openbare discussiemiddagen en lezingen waarin de nadruk lag op de beschaafde uitwisseling van ideeën over bijvoorbeeld onderwijsmogelijkheden in de kolonie, de democratisering van het koloniaal bestuur en de toenadering tussen ‘Oost’ en ‘West’.
Na de Eerste Wereldoorlog begon het karakter van de Indische Vereniging te veranderen. De nieuwe generatie studenten die na het opheffen van de zeeblokkades in Nederland aankwam, had meer politieke ervaring dan de generaties daarvoor. Omdat ze vaker afkomstig was uit lagere adellijke kringen of de handelselite was ze niet langer verzekerd van een goede positie in de koloniale overheid. Deze generatie was daarom pessimistischer over haar toekomstkansen. Langzaam maar zeker begon de kritiek op het koloniale bestuur toe te nemen en verloren de studenten het geduld en vertrouwen dat de koloniale overheid werk zou gaan maken van ontwikkelingen en democratisering van Nederlands-Indië. In plaats daarvan kwamen ze tot de conclusie dat Nederlands-Indië zo snel mogelijk onafhankelijkheid moest verwerven.
Deze koerswijziging werd symbolisch gemarkeerd met een naamswijziging van Indische Vereniging naar Indonesische Vereniging in 1922 en de vertaling naar het Maleise Perhimpoenan Indonesia drie jaar later. Ook het tijdschrift werd omgedoopt van Hindia Poetra (Zonen van Indië) naar Indonesia Merdeka (Indonesië Vrij). Het was de eerste keer dat de term ‘Indonesië’ werd gebruikt als een politieke uitdrukking voor het streven naar volledige onafhankelijkheid. Hoewel de organisatie van de eerste helft van de jaren twintig niet groot was, zo’n vijftig personen, trok ze de aandacht met felle aanklachten tegen het kolonialisme en sympathiebetuigingen met antikoloniale bewegingen in Brits-Indië, China, Marokko en elders.

Internationale beïnvloeding.
Van belang was de toegang tot de wijdere antikoloniale wereld. De studenten gebruikten hun verblijf in Nederland namelijk om zich te oriënteren op talloze antikoloniale bewegingen elders. In Indonesia Merdeka verschenen artikelen over Gandhi en de Indiase Congrespartij, over de strijd van de nationalist Sun Yat-Sen in China en over onderwijs op de Filipijnen en in Japan. De studenten vergeleken de situatie in Nederlands-Indië voortdurend met die in andere gekoloniseerde gebieden. Ze ontleenden er inspiratie uit en beseften dat ze deel uitmaakten van een wereldwijde beweging tegen kolonialisme en voor nationale onafhankelijkheid.
Bovendien probeerden de Indonesische studenten vanuit Nederland in contact te komen met antikoloniale activisten en organisaties uit andere gekoloniseerde landen die op dat moment eveneens in Europa verbleven. De eerdergenoemde Indiase Congrespartij had filialen in Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. In Parijs en Berlijn verbleven honderden Chinese activisten van verschillende politieke stromingen, en ook de Algerijnen hadden met Mesali Hadj en de Etoile Nord-Africaine in Parijs een voet aan de grond. In januari 1925 stuurde de Perhimpoenan Indonesia haar vicepresident, Arnold Mononutu, naar Parijs om contact te leggen met deze bewegingen en met Indonesiërs die op dat moment in Parijs verbleven. In diverse politieke kringen trachtte Mononutu steun te verwerven voor de Indonesische zaak, en hij was onder meer betrokken bij de oprichting van een politiek-culturele organisatie met de naam Association pour l’etude des civilisations orientales. Daarvan waren ook Vietnamezen, Indiërs, Chinezen en andere Aziaten lid. Via deze organisatie maakte de toekomstige vicepresident Hatta bovendien zijn eerste entree op een grote internationale conferentie, namelijk het pacifistische Congrès Democratique International dat in augustus 1926 gehouden werd nabij Parijs.
De Perhimpoenan Indonesia nam uitnodigingen aan uit iedere politieke hoek om de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië te bepleiten, De belangrijkste organiserende kracht van antikoloniale bewegingen ging evenwel uit van transnationale organisaties als de Communistische Internationale (Komintern) en de Internationale Arbeidershulp. Vanaf 1924 probeerde de Komintern met geld, infrastructuur en voorzieningen actief steun te verwerven onder antikoloniale bewegingen voor de nieuwe Sovjet-Unie. Ze nodigde mensen uit de gekoloniseerde wereld uit om in de Sovjet-Unie te studeren en organiseerde internationale congressen waar kopstukken uit de antikoloniale wereld en de linkse arbeidersbeweging samenkwamen. Hoewel de Perhimpoenan Indonesia vóór 1931 geen communistische organisatie was, maakte ze dankbaar gebruik van deze mogelijkheid om nieuwe mensen te leren kennen.
Het toonaangevende Congres tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking dat in februari 1927 in Brussel plaatsvond, was georganiseerd door de Duitse communist Willi Münzenberg en met geld van de Komintern. Voor de Indonesiërs betekende het vooral een mogelijkheid om in contact te komen met antikoloniale beroemdheden als Jawaharlal Nehru van de Indiase Congrespartij, Messali Hadj van de Algerijnse Etoile Nord-Africaine en Liau Huanxing van de Chinese Kwomintang-beweging. Ook kreeg de Perhimpoenan Indonesia drie kwartier de tijd om het congres, waar vertegenwoordigers van 137 organisaties uit 34 landen aanwezig waren, toe te spreken. Bovendien werd Mohammad Hatta verkozen in de bestuurscommissie van de nieuw opgerichte Liga tegen Imperialisme.
De Nederlandse autoriteiten zagen deze ontwikkelingen van de Perhimpoenan Indonesia met lede ogen aan. Zeker na een mislukte communistische opstand op Java en Sumatra in november 1926 vreesden zij dat de Nederlandse studenten een verbindende schakel vormden tussen de Sovjet-Unie en communisten in Nederlands-Indië. Om deze reden deed de politie in 1927 een inval in een aantal Indonesische studentenhuizen in Leiden en Den Haag, gevolgd door de arrestatie van Mohammad Hatta en drie anderen drie maanden later. Ze werden aangeklaagd voor opruiing in Indonesia Merdeka, maar uit de verhoren bleek dat de autoriteiten vooral geïnteresseerd waren in de buitenlandse banden van de Perhimpoenan Indonesia en de vermeende connectie tussen Moskou en Nederlands-Indië. Maar die verbinding was juridisch niet te bewijzen en de studenten werden vrijgesproken van alle aanklachten.

Repressie en bevrijding.
De arrestatie en het proces waren ingrijpende ervaringen voor de studenten, maar het betekende ook hun definitieve doorbraak als vaandeldragers van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. In Nederland en Europa voerden linkse en antikoloniale organisaties campagne voor de vrijlating van de studenten en kwam de Perhimpoenan Indonesia uit haar relatieve isolement als radicale studentenvereniging. In Nederlands-Indië kregen Hatta en de andere studenten nu grote bekendheid. Toen Hatta in het begin van de jaren dertig terugkeerde naar Nederlands-Indië werd hij meteen gekozen als leider van de nieuwe nationalistische partij PNI Baru.
Toch was het politieoptreden op de lange termijn fataal voor de Perhimpoenan Indonesia. De ouders van veel studenten werden onder druk gezet om hun zonen in bedwang te houden of zelfs terug te doen keren naar Nederlands-Indië. Nieuwe studenten durfden zich bovendien niet meer aan de Perhimpoenan Indonesia te verbinden uit angst voor hun carrière. Vanaf 1929 leidde de organisatie een kwakkelend bestaan. In 1931 werd ze overgenomen door een nieuwe groep studenten die de vereniging in stalinistisch vaarwater loodsten. In de jaren dertig was de Perhimpoenan Indonesia een mantelorganisatie van de Communistische Partij Holland, en vervulde ze niet langer de verbindende functie met antikoloniale bewegingen elders. In de Tweede Wereldoorlog speelden Indonesische studenten van de Perhimpoenan Indonesia een opmerkelijke rol in het Leidse studentenverzet. Acht studenten moesten dat met hun leven bekopen, en een aantal van hen belandde bovendien in Duitse concentratiekampen.
Enkele leden van de eerste generatie Perhimpoenan Indonesia gingen een leidende rol spelen in de Indonesische politiek. In de jaren dertig slaagden de autoriteiten erin deze organisaties monddood te maken en velen belandden in de cel. Dat neemt echter niet weg dat deze generatie direct na het arriveren van de Japanners in 1942 haar plaats aan het hoofd van de onafhankelijkheidsbeweging in Indonesië opeiste.
In 1949 keerde Hatta naar Nederland terug, dit keer niet om te studeren maar om als vertegenwoordiger van de nieuwe Indonesische staat de soevereiniteit in ontvangst te nemen.
[Klaas Stutje.]

Wereldgeschiedenis, 558-563

[Jakarta 11 – Monumen] 

1945 Proklamasi
Iedere Indonesiër weet waar ’17 augustus 1945’ voor staat: de Proklamasi, het uitroepen van de onafhankelijkheid door Soekarno en Mohammad Hatta, twee dagen na de Japanse capitulatie. In Nederland zijn die datum en de erop volgende oorlog minder bekend. De oorlog die tot ver in 1949 voortduurde werd hier gepresenteerd als een tweetal korte ‘politionele acties’; een misleidende en achterhaalde benaming. Die framing werd ingezet om de internationale opinie te overtuigen dat Nederland geen koloniale oorlog voerde, maar binnenlandse onrust onderdrukte terwijl aan de onderhandelingstafel werd gewerkt aan de overdracht van de soevereiniteit.

Berichtgeving en visies.
De gewelddadigheid van deze oorlog is lang buiten beeld gehouden en dat begon tijdens de oorlog zelf, er was nauwelijks vrije nieuwsgaring. En dit was het pre-tv-tijdperk; Nederlanders werden niet gevoed met bewegende beelden van de oorlog in zwart-wit, laat staan in kleur. Zo belangrijk als de dagelijkse tv-rapportages waren voor de ontwikkeling van het verzet tegen latere dekolonisatieoorlogen en vooral de Vietnamoorlog, zo irrelevant waren beelden van de oorlog in Indonesië. De Nederlandse krijgsmacht orkestreerde in beelden, via accreditatie en censuur. Het Polygoonnieuws in de bioscopen presenteerde het beeld van een opbouw- en vredesmissie. Dat gold ook voor de foto’s die kranten en tijdschriften incidenteel plaatsten. Recent onderzoek heeft weinig duidelijke foto’s, laat staan film, van oorlogshandelingen opgeleverd, en nog minder van Nederlandse oorlogsmisdaden. ‘Ontsporingen’ werden nauwelijks vastgelegd. Alleen geschreven getuigenissen daarover bereikten sporadisch een groter publiek, voornamelijk door publicaties in de linkse pers. Die media werden in het verzuilde Nederland echter beperkt gelezen, en in de mainstreampers en politiek van misleiding beschuldigd. *]
De Proklamasi werd indertijd in Nederland niet begrepen als een mijlpaal in de koloniale en daarmee nationale geschiedenis. Nederland was amper bevrijd van de Duitse bezetting, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië werd opgevat als de ouverture voor een terugkeer van het koloniale gezag. Tijdens de bezetting waren door het oorlogskabinet bij monde van koningin Wilhelmina beloftes gedaan over hervormingen en geleidelijke ontmanteling van het koloniale stelsel, maar dat had geen prioriteit. Eerst de veiligheid van de kleine Europese minderheid in de archipel verzekeren en het gezag hernemen. Daartoe was Nederland afhankelijk van de Britten, die pas in de tweede helft van 1946 het gezag overdroegen aan Nederland; inmiddels was er veel bloed gevloeid. In de Bersiap-periode, die duurde van oktober 1945 tot begin 1946, werd grof geweld gebruikt tegen de (Indo-)Europese bevolking maar ook tegen Chinezen en ‘inheemsen’ die van koloniale sympathieën werden verdacht. De Britten hadden in verschillende steden, vooral Surabaya, bloedige strijd geleverd met Indonesische troepen, zij wilden niet verder in een koloniale oorlog betrokken raken en waren blij het land te verlaten.
Vanuit het toenmalig Nederlands perspectief was de Proklamasi onwettig en het werk van collaborateurs met ‘de jap’ die nauwelijks steun hadden onder de bevolking. Het nationalisme werd weinig serieus genomen, de legitimiteit van het koloniale gezag niet in twijfel getrokken. Het gold als vanzelfsprekend dat Nederland leiding zou geven aan een geleidelijke hervorming. Dat er hervormd moest worden, werd wel aanvaard. Al een jaar na de Proklamasi tekende zich in Nederland een politieke meerderheid af voor de overdracht van de soevereiniteit, zij het in een door de kolonisator bedachte constructie: in een unie met Nederland, waarin Indonesië niet de eenheidsstaat zou zijn die Soekarno en de zijnen voor ogen hadden, maar een federale republiek. Maar eerst moesten ‘orde en vrede’ worden hersteld. Daartoe, oordeelden de Haagse politiek en de weer aangetreden Nederlands-Indische regering, was militaire inzet geboden.

Een echte oorlog.
Zo werden de jaren tussen die 17e augustus 1945 en de uiteindelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 niet alleen jaren van moeizame onderhandelingen, maar ook van permanente, grootschalige oorlogsvoering. Zeker, er waren twee ‘politionele acties’ waarin de Nederlandse krijgsmacht delen van Java en Sumatra weer formeel onder Nederlands gezag bracht, maar de meeste slachtoffers vielen in de tussenliggende periode en na de tweede, toen Nederland er niet in slaagde daadwerkelijk gezag uit te oefenen in de veroverde gebieden. Ook eerder was al ervaring opgedaan met meedogenloze pacificatie, waarbij duizenden Indonesiërs standrechtelijk werden gedood. Het was een vuile oorlog, van alle kanten ongetwijfeld, maar dat doet niets af aan de conclusie dat Nederland met de framing van ‘politionele acties’ een veel te rooskleurig beeld heeft neergezet.
Oorlog dus. Nederland zette bijna 220.000 militairen in, onder wie 100.000 dienstplichtigen, ruim 20.000 vrijwilligers en ruim 70.000 lokaal geworven manschappen. Het aantal doden van de Nederlandse krijgsmacht was nog geen 5000. Cijfers van de Nederlandse krijgsmacht wijzen op ten minste 100.000 Indonesische slachtoffers – een treffend bewijs van de asymmetrie van de oorlogvoering. Hoe deze Indonesiërs stierven is onduidelijk. Velen in militaire confrontaties, maar ontelbare anderen ten gevolge van ‘mechanisch geweld’ door de inzet van tanks en vliegtuigen; dit grof geschut eiste een hoge tol, ook onder de burgerbevolking, ook waar argumenten van ‘militaire noodzaak’ geen stand hielden.
Inmiddels is wel duidelijk dat vele ethische grenzen werden overschreden. Terwijl van overheidszijde nog lang werd beweerd dat ‘ontsporingen van geweld’ hooguit incidenteel voorkwamen, wijst recent onderzoek erop dat massageweld en oorlogsmisdrijven een structureel onderdeel waren van de oorlogvoering.
De soevereiniteitsoverdracht in 1949 betekende niet het begin van een warme bilaterale betrekkingen met de Republik Indonesia. Nederlands ressentiment en gekwetste trots speelden daarbij zeker een rol – er is wel gesproken van een Haags dekolonisatietrauma. Wat meer opvalt is hoe schielijk de oorlog en eigenlijk het hele koloniale verleden werden stilgezwegen. Werkelijke trauma’s leefden elders, binnen de ‘Indische generatie’ die de overtocht naar Nederland maakte: de ‘Indische’ Nederlanders, de Molukkers, de gedemobiliseerde militairen. De Indische generatie bepaalde lang het denken over kolonie en oorlog. Daar leefde wrok, over het verloop van deze geschiedenis en over de onwil van de Nederlandse politiek en samenleving terug te kijken. Handreikingen naar Indonesië werden met grote argwaan gevolgd. Daarom duurde het tot 2005 voor de Nederlandse regering sprak van een ‘oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ en althans de facto de Proklamasi als de stichtingsdatum van de republiek erkende. Het duurde tot 2017 voordat de overheid financiële middelen vrijmaakte voor onderzoek naar het Nederlands militair geweld.

Uniek?
Dit is geen uniek verhaal. Natuurlijk heeft deze geschiedenis specifieke kenmerken, maar er zijn veel parallellen met andere landen aanwijsbaar. Het Europese kolonialisme werd overal primair gedreven door economische en geopolitieke motieven, de rechtvaardiging van het kolonialisme stoelde impliciet op eurocentrisme en dus racisme. Wel werd hieraan allengs plichtsbesef gekoppeld. Of het nu the white men’s burden, de mission civilisatrice of de ethische roeping heette, de kolonisator moest wat teruggeven aan de koloniën, van bruggen en spoorwegen tot onderwijs. Wat bleef was de overtuiging dat de gekoloniseerden nog lang niet klaar waren om zelf het heft in handen te nemen – en dat zij dat zelf ook heel goed beseften en daarom, enkele onverantwoordelijke revolutionairen daargelaten, niet vijandig stonden tegenover het koloniale stelsel. Dit paternalisme deelden de Nederlander met andere koloniale mogendheden, en deze houding bleek overal onhoudbaar.
Dat wil niet zeggen dat alle koloniale mogendheden evenveel moeite hadden als Nederland om te begrijpen en vooral te aanvaarden dat de koloniale tijd echt voorbij was. De Amerikanen, pas vanaf 1900 een formele kolonisator, hadden dat eerder door. Zo ook de Britten. Nederland behoorde meer in de categorie van Frankrijk en Portugal – al hielden die landen nog langer vast aan hun koloniale bezittingen. De Nederlandse paradox was dat een land dat dankzij de koloniën een wereldspeler was in het streven om die positie te behouden juist een sterk naar binnen gericht wereldbeeld toonde. Weer hielp het niet dat dit de wereld van vóór de moderne massamedia en het supersonisch vliegverkeer was: de meeste Haagse politici hadden geen idee van de Indonesische werkelijkheid.
Naoorlogse dekolonisatieoorlogen bleken steeds weer aanzienlijk complexer dan simpelweg een strijd tussen kolonisator en gekoloniseerd volk. Eerstgenoemden lieten zich leiden door een mengeling van economisch en geopolitiek eigenbelang, het besef dat de dagen van het traditionele kolonialisme voorbij waren, de angst om in de internationale arena als reactionaire paria te worden afgeschilderd en de wens de aan het koloniale bewind verbonden minderheden in de kolonie te beschermen. Gaandeweg werd ook de context van de Koude Oorlog belangrijk – dit motief speelde in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog vooral een rol op de achtergrond, maar was dominant in de door de Amerikanen van Frankrijk overgenomen oorlog in Indochina, in Brits-Maleisië en in de laatste, Portugese dekolonisatieoorlogen in zuidelijk Afrika.
Vergelijkbaar is ook de toenmalige verdeeldheid onder de gekoloniseerde bevolking – een heel andere historische werkelijkheid dan achteraf gepropageerde oorsprongsmythe van de nieuwe staat als uitkomst van de heroïsche strijd waarin een ondubbelzinnig verenigd volk de kolonisator het land uitschopte. Wat de bevolking in de koloniën werkelijk dacht, is nauwelijks vast te stellen. Wel kennen wij de belangrijkste strijdende partijen en hun denkbeelden. In Indonesië deelden zij de roep om onafhankelijkheid. Verder was er verdeeldheid, langs politieke, etnische en regionale lijnen, een verdeeldheid die onder het koloniale regime was versterkt. Dat is een patroon dat wij in veel andere koloniën zien, en dat de strijd om onafhankelijkheid aanmerkelijk compliceerde – zie bijvoorbeeld Brits-Indië, waar de Partition tussen het overwegend hindoeïstische India en het islamitische Pakistan een extreem bloedige episode opleverde, of Congo met de afvallige provincie Katanga.
Een ander terugkerend fenomeen is de grootschalige inzet van ‘inheemse’ militairen tegen de eigen bevolking. Dit fenomeen had een lange traditie, vaak werden martial races uitverkoren voor dienst in het koloniale leger, zoals de ‘Ambonezen’ in Indië en de Gurkha’s in het Britse leger. Ook in de slotfase bleven koloniale legers lokale soldaten rekruteren. Het imago van zulke inheemse troepen was ambigu – moedig maar bloeddorstig volgens de kolonialen, verraders voor de tegenpartij. Ook hier passen de Molukkers in Nederland in een patroon. Grote aantallen koloniale manschappen waren na de oorlog gedwongen een veilig heenkomen te zoeken in moederlanden die hen geenszins hartelijk onthaalden.
Gruwelijk was de wreedheid waarmee dekolonisatieoorlogen werden uitgevochten. De vraag naar de aard en de omvang van dit geweld kan analytisch best worden losgekoppeld van de vaststelling dat de kolonisator per definitie de eerste agressor was. Wanneer het om cijfers gaat verbleken de aantallen slachtoffers van de oorlog in Indonesië nog bij die van andere oorlogen, zoals de Algerijnse oorlog of de oorlogen in Indochina. Maar vergelijkingen doen niets af aan de schokkende conclusies die historici inmiddels trekken over het Nederlandse geweld in Indonesië. Vergelijken staat niet gelijk aan (weg)relativeren.
Van latere dekolonisatieoorlogen werd directer en beeldender verslag gedaan in nieuwe, intensief bekeken massamedia. De ruimte voor eenzijdige framing werd kleiner, oorlogen werden in binnen- en buitenland veel kritischer gevolgd dan voorheen. De onevenwichtige berichtgeving over 1945-1949 had de mythe gevoed waarin Nederland een zekere morele verhevenheid boven andere koloniale landen wordt toegedicht. Dat positieve zelfbeeld strookt niet met de werkelijkheid. (Dat ‘exceptionalisme’ is overigens niet voorbehouden aan Nederland: vrijwel elke voormalige koloniale natie bracht mythes voort waarin het eigen kolonialisme, de eigen slavernij, de eigen omgang met andere rassen en religies enzovoorts menslievender zou zijn dan elders.)
Ook de naoorlogse verwerking van de oorlog geeft vele parallellen met andere landen te zien. De ‘repatriëring’ van met het kolonialisme verbonden groepen; het mede hierdoor ontstaan van een herinneringscultuur waarin wrok lang de boventoon voert en kritische bezinning op kolonialisme en oorlogsvoering moeizaam van de grond komt en bijgevolg het opbouwen van goede bilaterale betrekkingen lastig is. Vermoedelijk zit de Republik Indonesia niet te wachten op excuses of herstelbetalingen – en nog veel minder op Nederlandse suggesties voor de herschrijving van haar nationale geschiedenis. Wel, nog steeds, op een onomwonden, liefst koninklijke erkenning van de Proklamasi op 17 augustus 1945.
Geert Oostindie.

*] Er was, anders gezegd, niémand in Nederland politiek werkzaam die niet wist dat er in Indië excessen werden gepleegd. Het onderwerp kwam in het kabinet-Beel en het kabinet-Drees/van Schaik tienmaal ter sprake. Soms kregen de ministers sneller en meer informatie dan anderen. Hetzelfde gold voor sommige parlementariërs. [Het Koninkrijk der Nederlanden, 12, 1026-1028]