Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra’s Oostkust in het begin van de twintigste eeuw,
Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde 123, door Jan Breman, tweede druk, Floris Publications, Dordrecht-Holland / Providence-U.S.A., 1987.

I Koelies, Planters en Koloniale politiek door Jan Breman;  3-232
II De millioenen uit Deli door Mr. J. van den Brand 233-310
III Rapport van de resultaten van het mij bij Gouvernements Besluit 
van 24 Mei 1903 No.19 opgedragen onderzoek door J.L.T. Rhemrev 
311-408

 

Koelies, planters en koloniale politiek, 48-49

[Jakarta 11 – Emigratiekntoor] 

De groeiende betekenis van Java als leverancier van koelies – rond de eeuwwisseling schommelde de aanvoer rond de zevenduizend per jaar – maakte het noodzakelijk de werving ter plaatse zelf ter hand te nemen. De commerciële kantoren waaraan dit tot dan toe was overgelaten gingen zo meedogenloos te werk dat voortzetting van de samenwerking ermee, niet in de laatste plaats met het oog op een goede verstandhouding met het plaatselijk bestuur, niet langer opportuun was. Enkele rechtszaken op Java brachten aan het licht dat dorpshoofden en regenten zich lieten betalen voor de uitgifte van passen, nodig om koelies op transport te stellen. Daar kwam nog bij dat de plantages aan S.O.K. bij de bevolking van Java in een kwade reuk stonden, zoals Van Kol in het parlement vaststelde. 'Deli is in de binnenlanden van Java de schrik geworden onder de bevolking en wordt door haar beschouwd als ballingsoord'. Om hierin verbetering te brengen namen de ondernemingen de werving zelf ter hand. Vele jaren van overleg resulteerden tenslotte in de oprichting in 1912 van een eigen bureau op Java, met agenten in een groot aantal plaatsen. Hieruit is tenslotte in 1919 het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor (A.D.E.K.) voortgekomen. Maar zoals eerder in China probeerden de werkgevers zelf ook op Java nieuwe arbeiders te werven door vertrouwde krachten van de eigen onderneming op te dragen in de streek van herkomst nieuw werkvolk te contracteren. Zij die naar Java werden teruggestuurd om nieuwe contractanten te strikken, moesten hun vrouwen en kinderen op de onderneming achterlaten, zodat de planters van hun terugkeer verzekerd waren. Het aanbod van arbeid op het dichtstbevolkte eiland van de archipel begon overvloedige afmetingen aan te nemen. In Malakka, Indo-China, Australië, Nieuw-Caledonië en Suriname groeide de belangstelling voor Javanen als werkkrachten. Zij trokken verder in kleinere contingenten naar Duits Nieuw-Guinea, Serawak, de Christmas- en Cocoseilanden, Réunion, Duits Oost-Afrika; zelfs Mexico kwam ooit als mogelijke bestemming aan aanmerking. Deze verruiming van de arbeidsmarkt viel bij de kapitalistische werkgevers in Indië allerminst in goede aarde. In de pers nam dit verzet de vorm aan van bezorgdheid over de slechte werkomstandigheden die de Javanen in het buitenland tegemoet gingen. Het relaas over het verdere verloop van de arbeidsmigratie uit Java blijft in deze studie, die niet verder gaat dan tot het begin van de twintigste eeuw, buiten beschouwing.

 

De Millioenen uit Deli, door Mr. J. van den Brand.
Boekhandel voorheen Höveker & Wormser, Amsterdam / Pretoria.

Koelies, planters en koloniale politiek, 238-239

[Jakarta 11 – Emigratiekantoor] 

[Van den Brand:] Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als slaven beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over.
Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeeringswege als zoodanig beschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit de model-werkcontracten°] , beide vastgesteld door den Gouverneur-Generaal.
Wij vinden, bijvoorbeeld, in de koelie-ordonnantie in artikelen 9 en 10 straffen van boete of tenarbeidstelling voor den kost zonder loon bedreigd tegen desertie, tegen voortgezette weigering om te werken, verregaande luiheid, dienstweigering en dergelijke. Allemaal zaken, die een vrij werkman hoogstens zijne betrekking zouden kunnen kosten en misschien eene civiele actie tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.
Immers wij vinden in het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië artikel 1239, luidende:
“Alle verbintenissen om iets te doen of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval de schuldenaar niet aan zijne verplichting voldoet.”
Dit is dus het wetsartikel, dat toepasselijk zou zijn op een vrij werkman, die inbreuk zou maken op een werkcontract. In de koelie-ordonnantie wordt dit artikel eenvoudig op zij gezet en, zonder nu te willen beoordeelen of de tegen de contract-koelies deswegen bedreigde straffen zwaar of licht zijn, komt het mij voor, dat rechtspreken buiten de wet om, die voor vrije menschen geldt, alleen ten opzichte van slaven kan geschieden.
Ook kan alleen een slaaf zich tegenover een particulieren werkgever aan “desertie” schuldig maken.
°] koelie-ordonnantie, zie Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310; het model-contract voor Javaansche vrouwen zie Koelies, planters en koloniale politiek, 298-303.

Koelies, planters en koloniale politiek, 239-240

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 11] 

[Van den Brand:] In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van slaaf bijzonder duidelijk uit. Daar namelijk wordt onder meer straf bedreigd tegen degene, die een weggeloopen koelie huisvesting verleent.
Dit huisvesting verleenen aan iemand, die van een particulieren werkgever is weggeloopen kan, dunkt mij, alleen ten opzichte van een slaaf een van overheidswege strafbaar feit opleveren. Het herinnert levendig aan de dagen der Amerikaansche “underground railway”.
Uitgemaakt hebbende dat het contract-koeliedom een vorm van slavernij is, is daarmede de vraag of vrije immigratie van werklieden wenschelijk is, van zelf in bevestigende zin beantwoord.
De vraag of zij ook mogelijk is, is minder gemakkelijk met enkele woorden te beantwoorden.
Maar zelfs aangenomen, dat het totaal onmogelijk zou zijn, de eene of andere cultuur of nijverheid met vrije arbeiders winstgevend te drijven, wordt dan uit die mogelijkheid het recht geboren om haar met slavenarbeid te drijven?

Koelies, planters en koloniale politiek, 271, 273-274

[NRC] 

[Van den Brand:] Er is een tijd geweest, dat men de beroepen onderscheidde in eerlijke en oneerlijke en hoewel die tijd reeds lang achter onze rug ligt, het is nog zoo heel lang niet geleden, dat het lang niet hetzelfde was, waarmede men geld verdiende. En nog worden er eenvoudigen gevonden, die ronselarij afschuwelijk en handel in koelies een minder waardig bedrijf vinden.
Welnu, zij hebben ongelijk, want er is een goed stuk geld mee te verdienen.
Ik wil erkennen, dat ik tot die eenvoudigen behoor en dat tot voor korten tijd ik in de dwaling verkeerde, dat mijne meening in overeenstemming was met de publieke opinie. Van deze opvatting ben ik evenwel genezen, sinds ik als directeur van een zogenaamd emigratie-kantoor (een winkel, waar men koelies kan koopen) een welbekend advocaat zag optreden. Het kan toch niet zijn, dat deze Meester in de Rechten meent, dat de schande van het bedrijf vervalt, doordat het wordt uitgeoefend door eene naamlooze vennootschap en hij nu ook moraliter beperkte aansprakelijkheid wil pleiten? Wel komt zijn naam als directeur nooit voor in de advertentie, waarbij het emigratie-kantoor zijn vee en koelies aanprijst.
Zou het mogelijk zijn, dat toch diep in zijn gemoed eene stem afkeurend fluistert en dat hij in de eenzaamheid, alleen met zichzelf, de tinteling der schaamte voelt op voorhoofd en wang. Kom, geen bespiegelingen, feiten!
“Waarlijk, Mark Twain merkt terecht op, dat in eene maatschappij, waar slavernij bestaat, zelfs de meest elementaire begrippen van recht bij de slavenhoudende klasse ontbreken”, schreef D.E. Liaan, of om hem bij zijnen werkelijken naam te noemen, de heer C. de Coningh. En de bewijzen?
Ziehier eene advertentie, geknipt uit de Sumatra-Post van 7 Mei 1902.
ILW Jakarta 11 Tjikini Oranje Boulevard Sumatra PostMen ziet het: Sierlijk geëtaleerd tusschen trekvee en slachtstieren links en rij- en wagenpaarden rechts, stelt de koopman zijne mannen en vrouwen ten toon. Hij levert ze u tegen de laagste prijzen! Koopt toch, koopt! Ziet, zij zijn allen flink, jong en gezond, geschikt voor land- en voor mijnbouw! Mannen of vrouwen naar keuze! Voor de kleinigheid van zestig gulden per stuk zijt gij de man! Wees gerust, zij zijn allen volwassen! Geen kalveren ... och, kinderen bedoel ik! Koopt er wat en hij zendt ze u thuis. Franco, van wege de concurrentie!
Men vraagt zich af, of de steller deze advertentie alle menschelijke gevoel heeft afgeschud en er zelfs niet in zijne ziel meer gloort een vonkje van betamelijkheid. Zie ik wil toegeven, dat het menschelijk is, door den nood gedrongen, niet te kieschkeurig te zijn in het middel om zijn brood te verdienen. Ik wil erkennen, dat de zorg voor vrouw en kind den man kan drijven tot het doen van daden, waarvan anders zijn eergevoel hem zou terughouden. Ik begrijp den diefstal uit honger, den moord uit haat, de schending der wet in drift of dood. Ik kan me zelfs voorstellen, dat iemand ronselaar wordt of slavenhandelaar. Maar niet kan ik mij indenken, dat iemand zijne medemenschen kan behandelen als, kan rangschikken onder het gedierte des velds. Hoe dor, hoe dood moet het gemoed zijn van wie de Javaansche mannen en vrouwen eene plaats gaf tusschen het gecastreerde trekvee uit Madura en de Savoeneesche rij- en wagenpaarden!
De man beveelt zich minzaam aan.

Koelies, planters en koloniale politiek, 281-285

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 1] 

[Van den Brand:] Reeds bij het aanwerven der koelies op Java speelt bedrog, i.c. het voorspiegelen van valsche feiten, een hoofdrol. De praktijken der ronselaars zijn ieder min of meer bekend. Ik moet erkennen, niet van alle finesses van het ronselvak op de hoogte te zijn – het onderwerp is niet uitlokkend –, doch ik durf gerust te beweren, dat bij de werving op Java het verschil in beteekenis van het woord ringgit aldaar en in Deli velen een contract doet sluiten. Onder ringgit verstaat men n.l. op Java een rijksdaalder en ter Oostkust een Mexicaanschen dollar.
De laatste heeft eene afwisselende koerswaarde, welke gedurende het laatste viertal jaren niet hooger steeg dan f 1.30 en niet lager daalde dan f 1.01. Als gemiddelde koers voor dat tijdperk zou men ongeveer f 1.15 kunnen aannemen. Nu behoeft niet verteld te worden, dat de ronselaar wel en de onnoozele Javaan niet op de hoogte is van dit niet onbelangrijke verschil. Waar den laatsten dus een maandloon van zes ringgit wordt beloofd, ziet hij in het vooruitzicht f 15.-, doch ontdekt later dat hij ± f 7.- ontvangt.
Wel leest men in de contracten, dat de dollar tegen den koers van f 2.- berekend wordt, doch wat helpt dat het slachtoffer, dat in dollars en niet in Nederlandsche munt wordt uitbetaald?
Een bedrog waaraan de Delische planters niet schuldig zijn, meent gij? Niet schuldig; maar medeplichtig? Waarom dan niet aan de tusschenpersonen last gegeven, de werkelijke waarde in het contract te vermelden, daar men niet bij aankomst der koelies den schijn wil hebben in hun oog, hen te hebben bedrogen? En waarom, als het werkelijk met dien aangenomen koers van f 2.- ernst is, een schip met contract-koelies uit Java terug gestuurd (dit geschiedde in ’t jaar 1900), in wier contract niet de dollar als betaalmiddel stond opgegeven, doch het equivalent ad f 2.- in Hollandsch geld?
Het schijnt mij toe, dat over deze praktijk de scrupuleuze planter zijne handen niet in onschuld kan wasschen.
Men zal mij tegenwerpen, dat de lage koers van den dollar van geen belang is voor den Javaan, daar de dollar in Deli het geregelde ruilmiddel is, en dus verlaging van koers nog geen vermindering van koopkracht medebrengt. Dit zou dan echter hoogstens kunnen gelden voor die waren, welke òf in het land zelf geproduceerd worden, òf afkomstig zijn uit landen, waar de Mexicaansche dollar het uitsluitend ruilmiddel is, dus voornamelijk China en de Straits. Dit zelfs echter is niet juist, doch bepaald misgezien blijkt de bewering, wanneer er sprake is van goederen uit Europa en Java ingevoerd. De importeurs berekenen hun prijzen in Nederlandsch Courant en verlaging van den dollarkoers brengt dus ten opzichte dezer goederen terstond en onvermijdelijk vermindering van koopkracht van den dollar mede. En onder deze goederen vallen om maar iets te noemen, alle kledingstukken van den Javaan.
Bij de Deli Maatschappij en misschien ook bij sommige andere ondernemingen worden bij terugkeer van koelies naar Java, doch ook alleen aan dezen, de spaarpenningen – s’il y en a – uitgekeerd in N.-Indisch Courant tegen den koers van f 2.-. Een weinig wol wordt het schaap gelaten ... voor reclame.
En kreeg nu nog maar altijd de koelie het hem toekomend loon in dollars, d.i. in zilver of in gangbaar papier. Maar op hoeveel ondernemingen ziet de koelie zich niet op den dag der uitbetaling afgescheept, meestal gedeeltelijk, soms geheel, met estate-bons of bons op de kedei ! In de Deli-Courant van 5 Mei 1902 lezen wij, hoe op Ramboeng-Estate eenige koelies den administrateur hadden aangevallen, omdat ze “sakit hati” waren (wrok voelden) over die $ 2.60 papieren geld (lees: bons op de kedei) in plaats van $ 1.- zilver en $ 1.50 bons zooals gewoonlijk.
“Wat een tuig toch, niet waar, om zulk eene daad te volvoeren wegens een dergelijke kleinigheid!”, vervolgt de gevoelvolle schrijver.
Eene kleinigheid! In het zweet zijns aanschijns heeft de werkman veertien dagen achtereen, van des morgens zes tot elf en van des middags van een tot zes, het land bewerkt. Gedurende al die dagen mocht hij de onderneming niet verlaten, doch op den vijftienden dag, den dag der uitbetaling, die tevens rustdag is, zal hij vrij zijn en een bezoek gaan brengen aan een ouden kennis, een dessagenoot, die een kleine warong bezit in de naburige kampong. Op zijn verzoek heeft deze het feest der besnijdenis van zijnen oudsten zoon gesteld op dien dag. Van den dollar, dien hij in zilver ontvangt, zal hij twee koepang geven als bijdrage tot het feest ...
Of wel, hij wil tabak en strootjes koopen bij een ander dan bij de kedeihouder op de onderneming die te duur is, of wiens artikelen hem niet bevallen ...
Of hij wil – het doet er niet toe, wat hij wil. Hij is één dag vrij, los van den knellenden band der slavernij en dien dag wil hij vieren naar zijn genoegen, het komt er niet op aan, welk dat genoegen is, al hopen wij, dat het een geoorloofd genot zij. Misschien zelfs wil hij de onderneming niet eens verlaten, maar eens echt uitrusten van zoo lang een arbeid, en het geld, de contanten, die hij ontvangt, sparen, ten minste een koepang of vijf centen ...
Ik tracht in de verste verte geen romannetje te schrijven, of door sentimentaliteit op het gevoel mijner lezers te werken. Mij dunkt, dat in alles wat ik veronderstelde, niets buitengewoons, niets minder dagelijks wordt gevonden.
Maar wie onzer gevoelt niet, hoe diep de teleurstelling van den arme moet zijn, toen hij in plaats van het hem toekomend geld, den dollar in zilver, waar hij recht op had, te ontvangen, zich zag afgescheept met een bonnetje op den winkel der onderneming?
De Deli-Courant moge deze zaak eene kleinigheid noemen, zij blijft een daad van schandelijke willekeur van de zijde van den administrateur.
Nog sterker voorbeeld van willekeur, dat ten duidelijkste bewijst, hoe onrechtmatige macht van den mensch over den mensch leidt tot verdorring van de ziel en verharding van het gemoed van den meester, vinden wij in den afschuwelijken toestand, waarin een tweetal jaren geleden de Javaansche vrouwen verkeerden op eene der ondernemingen in Padang en Bedagei.
Volgens het werkcontract wordt aan de vrouwen geen loon uitgekeerd voor de dagen, dat zij niet werken.
Nu was er voor de vrouwen op die onderneming gedurende eene zekere maand geen werk. Werk elders gaan zoeken, mochten zij niet, natuurlijk niet, want zij waren niet vrij. Nu zou, indien er bij den beheerder der onderneming nog een vonkje menschelijk gevoel had gegloord, ten minste levensonderhoud aan die vrouwen gegeven zijn, wier schuld het toch waarlijk niet was, dat er niet gewerkt werd. Zij wilden immers werken, indien de meester maar zoo genadig wilde zij n, haar wat te doen te geven. En hoe licht, ik zou zeggen, immers altijd, kan er op eene onderneming van landbouw werk worden gevonden, al zij het dan ook minder noodzakelijk werk. Maar neen, deze ellendeling, op het feit der werkloosheid der Javaansche vrouwen door zijn assistent opmerkzaam gemaakt, antwoordde cynisch:
“Laat ze d’r centen maar op d’r eigen manier verdienen er zijn genoeg Chineezen op de estate.”
Kan het lager, kan het weerzinwekkender?

Koelies, planters en koloniale politiek, 295-297

[Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310 – Art. 7] 

[Van den Brand:] Gelijk in vroegere eeuwen een veldheer bij het begin van den winter zijne troepen terug- en bijeentrok, teneinde de winter-kwartieren te betrekken, zoo concentreert in de maanden September of October, bij het begin van den zoogenaamden schuurtijd, de beheerder eener tabaksonderneming zijne koelies op het hoofd-etablissement, ook wel emplacement genaamd.
Daar bevindt zich de fermenteerschuur, alwaar de tabak, na gedroogd te zijn, wordt gefermenteerd, gesorteerd en gebundeld, om daarna geperst, in balen verpakt naar Europa te worden gezonden. Om dezen tijd – het einde van het oogstjaar – loopt ook van de meeste koelies het contract af en heeft de afrekening plaats.
De verschillende kongsie’s (werkploegen) worden in pondoks (tijdelijke woningen) onder dak gebracht en er heerscht overal groote bedrijvigheid.
Nu is het voor de onderneming van het grootste belang, dat zoo weinig mogelijk arbeiders gebruik zullen maken van de vrijheid, die hun reeds tegenlacht en zoovelen mogelijk zich opnieuw zullen verbinden. Hoe echter dit doel te bereiken? Geen koelie, die reeds eenmaal de zegeningen der koelie-ordonnantie heeft ondergaan, is bereid, voor de tweede maal zijne vrijheid te offeren, zoo hij nog eenige kans ziet op andere wijze aan den kost te komen. Er dient dus voor gezorgd te worden, dat de koelie vóór de afrekening, die hem met een zeker bedrag in dollars ook de vrijheid hergeeft, reeds het hem toekomende heeft opgemaakt en in geldverlegenheid is.
Ziehier, tot welke middelen om dit edele doel te bereiken de planter, die er overigens op staat, voor een gentleman te worden gehouden, zijn toevlucht neemt. Men zal de koelies in de gelegenheid stellen, na verrichten arbeid wat afleiding te zoeken in gepaste vermaken. Daartoe worden gelegenheden tot dobbelen opengesteld, terwijl ook, wat anders nooit geoorloofd is, beroeps-prostituées op de onderneming worden toegelaten. Een wajang gezelschap slaat op het etablissement zijne tenten op en geeft dagelijks voorstellingen. De hoofdtandil beweegt zich zoo vriendschappelijk als nooit onder de koelies en is bereid, ieder die er om vraagt, geld te leenen, dat ingehouden zal worden bij de finale afrekening, welke de koelie binnen kort van de administratie ontvangen zal. De hoofdtandil geniet bij deze gelegenheid een bijna onbeperkt crediet bij de onderneming, daar men weet, waarvoor de aangenomen gelden dienen zullen. Hoewel men dat niet altijd uitdrukkelijk zegt, is het namelijk eene stilzwijgende voorwaarde, dat die gelden zullen strekken, om uitgeleend te worden aan de koelies, wier werkcontract verstreken is, of wier toekomstig aandeel hunne schuld aan de onderneming overtreft.
Vrouwen, dobbelspel en tooneel, welke koelie kan op den duur aan die trits van verleidingen weerstand bieden? Hoevelen zijn sterk genoeg, niet voor de verzoeking te bezwijken? En het geld is zoo gemakkelijk te krijgen! De hulpbereide hoofdtandil is steeds bij de hand en zijn vertrouwen in den koelie in deze dagen onbegrijpelijk groot. Maar, niet waar, waarom ook zou hij niet, tegen een billijke vergoeding natuurlijk in den vorm van rente, den koelie, die zoovele maanden gezwoegd heeft, een pleiziertje gunnen?
En zoo hoereert en dobbelt de koelie gedurende den schuurtijd naar hartelust, terwijl van tijd tot tijd een tooneelvoorstelling zijn geest verheffend bezig houdt.
Helaas, wanneer de dag der afrekening is aangebroken, zal hij te laat inzien, wat hem zijne lichtzinnigheid heeft gekost! Zijne schuld aan den hoofdtandil toch zal gewoonlijk grooter blijken dan het hem toekomend saldo. Wat te doen? De ondernemer alleen kan helpen en wil helpen, indien de werkman van zijnen kant slechts wil sjoekoeliën, d.i. een nieuw contract sluiten. Terstond kan de koelie dan opnieuw het gebruikelijke voorschot ontvangen.
Wat blijft den man in deze omstandigheden anders over? Hij aanvaardt dus het aanbod van de onderneming, teekent een nieuw contract en betaalt den hoofdtandil het restant van zijne schuld.
De hoofdtandil restitueert aan de onderneming de hem renteloos voorgeschoten gelden en heeft de door den koelie betaalde renten als rechtmatige oentoeng.
De vrucht van een jaar arbeids is voor den werkman verloren gegaan.

Koelies, planters en koloniale politiek, 298-303

[Koelies, planters en koloniale politiek, 238-239] 

[Van den Brand:] Hoe verdient eene Javaansche vrouw haar sarong?
Alvorens tot het beantwoorden dezer detail-vraag over te gaan, wensch ik den Lezer het model-contract voor Javaansche vrouwen voor te leggen, zooals dit door de liefderijke zorg van den Gouverneur-Generaal is vastgesteld. De invullingen, welke cursief zijn gedrukt, zijn uit den aard der zaak van mijne hand.
“Wij ondergeteekenden, de Javaansche vrouw Sarina, oud zestien jaar, lang 143 c.M., geboren te Serang, behoorende tot den stam der Soendaneezen, ter eenre en Jan Tabak, beheerder der onderneming Tanah Kringet, handelende als gemachtigde van Pieter Voetblad, eigenaar der onderneming Tanah Kringet, gelegen in de afdeeling Medan, landschap Deli, ter andere zijde, verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
I. De contractante ter eenre zal ten behoeve van de onderneming Tanah Kringet zich onledig houden met het sorteeren en bundelen van tabak en verder allen arbeid verrichten, die redelijker wijze van haar kan worden gevorderd.
II. Het aantal werkuren, gedurende welke de contractante ter eenre ten behoeve van de onderneming Tanah Kringet moet arbeiden, bedraagt op elken werkdag tien.
III. De contractant ter andere zal betalen aan de contractante ter eenre één $ cent voor het grofbundelen van 10 bossen tabak; 3 $ centen voor het fijn sorteeren en bundelen van 10 bossen goed blad; 3 $ centen voor 10 bossen stukblad, of, indien zij in dagloon werkt, een loon van 15 $ centen per dag.
IV. Als voorschot erkent de contractante ter eenre van den contractant ter andere ontvangen te hebben een bedrag, als achter haar naam vermeld, dat verrekend zal worden door maandelijksche kortingen op het uit te betalen loon, de som van één dollar niet te boven gaande, zulks tot den koers van twee gulden per dollar.
Contractante ter eenre zal geen loon ontvangen gedurende de dagen, dat zij het werk verzuimt, hetzij door ziekte, straftijd of onwil.
V. Van de contractante ter eenre kan geen arbeid gevorderd worden op de volgende dagen: 1en en 16en van iedere maand en algemeenen erkende moh. feestdagen.
VI. De contractant ter andere zijde voorziet te zijnen koste in voldoende huisvesting en vrije geneeskundige behandeling van de contractante ter eenre en haar gezin.
VII. De contractant ter andere zijde zal de contractante ter eenre niet tegen haren wil van haar gezin scheiden.
VIII. De contractante ter eenre zal zich op den eersten dag der maand Juli des jaars 1900 en twee op de onderneming bevinden en bij den beheerder aanmelden.
IX. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor den tijd van drie achtereenvolgende jaren, gerekend van de dagteekening dezer akte.
Aldus overeengekomen te Medan op heden den 27sten dag der maand Juni des jaars 1900 en twee.
Hieronder volgen de handteekeningen met de opgave van het genoten voorschot, dat gewoonlijk 15 dollar en die van het loon, dat meestal minder, nooit meer dan 4.50 dollar per maand bedraagt.

Bij eene aandachtige beschouwing van dit model-contract, treft in de eerste plaats de hoffelijkheid van Zijne Excellentie. Honneur aux dames, zegt Z. E. met eene vriendelijke handbeweging en geeft der Javaansche vrouw de eerste plaats bij het contract. Allerminzaamst ordonneert hij, dat zij zich ten behoeve der onderneming Zweetveld onledig zal houden met het sorteeren en bundelen van tabak, een stijlbloempje, dat het oog aangenaam aandoet bij het ontmoeten in dit staalstuk. Verder behoeft zij blijkbaar alleen dien arbeid te verrichten, die redelijker wijze van haar gevergd kan worden, eene uitdrukking, die wel rekbaar is, doch met het oog op de nobiliteit van den planter, niet waar, geen reden tot ongerustheid kan geven.
De hoffelijkheid tegenover het zwakkere geslacht doet evenwel den Grooten Heer te Buitenzorg niet de belangen van den werkgever vergeten.
Het aantal werkuren bedraagt op elken werkdag tien.
Gelukkig herinnert zich Zijne Excellentie onmiddellijk, dat hier tegenover een behoorlijk loon moet staan en bepaalt edelmoediglijk, dat deze tien uren arbeids betaald zullen worden met 15 centen, d. w. z. deze 15 centen zijn geen minimum, doch ook geen maximum. De werkgever is vrij in de bepaling van de hoegrootheid van het loon; 15 centen is dus blijkbaar het bedrag, dat den Landvoogd behoorlijk toeschijnt.
Bij zulk eene weelderige inrichting is dan ook eene korting van meer dan twintig percent, tot terugbetaling van het genoten (?) voorschot, in alle opzichten billijk en evenredig te noemen. Op dezelfde gronden kan ook geen uitkeering van loon geschieden bij ziekte, straftijd of onwil. Het moet ieder duidelijk zijn, dat waar zulk eene schitterende gelegenheid bestaat tot overlegging van een groot deel van het loon, het allerminst noodzakelijk, ja zelfs ongeraden zou zijn, bij ziekte ondersteuning te geven.
Laat ons aannemen, dat de planter zich stelt op het standpunt van den illustren modelmaker en dus per maand aan de Javaansche contractvrouw betaalt $ 4.50. Hiervan gaat dan af, 1 dollar ter aflossing van het voorschot. Laat ons veronderstellen, dat zij gemiddeld (met het oog op haar geslacht) 2 dagen per maand ziek is en daardoor dus 30 centen moet missen. Dan blijft er voor haar over $ 3.20, zegge drie dollar en twintig centen, of nog geen elf centen per dag!
Deze voorstelling is echter nog boven het gemiddelde. Het is mij bekend, hoe bij eene der grootste maatschappijen geregeld iedere maand in doorsnee $ 2.20 per Javaansche vrouw wordt uitbetaald.
Dat is zeven centen per dag!!
Een onderzoek door mij ingesteld, leerde mij, dat te Medan eene Javaansche vrouw – buiten snoeperij en sirih – per dag 13 centen voor hare voeding noodig heeft. Daar alles op de kebon duurder is, mogen wij het minimum dat de Javaansche vrouw aldaar voor levensonderhoud moet verdienen, minstens op 15 dollarcenten stellen.
Hieruit volgt zonneklaar, dat, waar zij niet genoeg heeft om van te eten, de Javaansche vrouw niets kan wegleggen om kleeding te koopen.
Vandaar de vraag aan het hoofd van dit opstel: „Hoe verdient eene Javaansche vrouw haar sarong?”
Laat ik kort zijn in het beantwoorden dezer vreeselijke vraag : de Javaansche vrouw verdient, moet verdienen, het geld voor haar sarong door hoererij. Vijf centen is het bedrag, dat zij ontvangt elken keer, dat zij zich overgeeft aan den Chinees. Om dus genoeg bij elkaar te hebben voor den aankoop van het onmisbaar kleedingstuk, moet zij twintig malen...
O God! het is ontzettend.
Er is meer, er is erger.
Jaarlijks worden er honderden Javaansche meisjes ingevoerd, die den Chineezen worden voorgeworpen. Scharen van jonge meisjes worden gekocht en den Chineezen ten offer gebracht.
Ieder weet, dat zij niet genoeg verdienen, de meisjes bedoel ik, om te kunnen eten. De planter in de eerste plaats. Toen een beheerder van eene der grootste maatschappijen mij rondleidde over de onderneming en mij de huizen voor de Chineezen en die voor de Javanen had laten zien, vroeg ik hem, waar de ongetrouwde Javaansche vrouwen woonden. Het antwoord moest er ten slotte uit, dat deze geen woning hadden, doch “zich maar ergens op moesten schieten.”
Een inspecteur der Deli Maatschappij deelde in de vergadering, in het begin van dit boekje besproken, mede, dat zijne maatschappij jaarlijks honderden Javaansche vrouwen voòr de Chineezen laat uitkomen.
Het doel zou voornamelijk zijn, aldus de tegennatuurlijke ontucht onder de Chineezen te bestrijden.
De bestrijding van het crimen nefamdum is zeker te loven, doch is het middel niet erger dan de kwaal?
In de tijden van Nero werden de Christenmaagden den leeuwen voorgeworpen. Haar lijden was spoedig voorbij en werd duldbaar gemaakt door de wijding, welke de dood ontving, waar hij de martelaarskroon medebracht. Hier zijn de jonge meisjes blootgesteld aan de lage lusten der Chineezen, drie jaren lang, ten einde ... hoererij te stellen in plaats van sodomie.
En tot dit werk dwingt de meester zijne slavin, door haar uit te hongeren.
Tegelijk verschaft deze wijze van bekeering der Chineezen tot ... een ander pad van ondeugd goedkoope werkkrachten aan de onderneming en kan het dividend weder een tiende procent hooger zijn. De gedachte moet streelend wezen, bij het opsteken dezer meerdere winst, dat men die verkreeg door bevordering der zedelijkheid van den Chineeschen arbeider.
Dat de Javaansche vrouw zedelijk en lichamelijk er bij te gronde ging, telt niet mede en mag voor den meester geen hinderpaal zijn.
“Zij zijn toch allen hoeren van nature,” zoo verzekert u de planter.
Deze even gemoedelijke als wijsgeerige opmerking doet ons vol bewondering voor de kieschheid en het fijn gevoel van den zegsman dit hoofdstuk sluiten.

Koelies, planters en koloniale politiek, 304-310

[Kousbroek – Oostindisch kampsyndroom, 153-166] 

KOELIE-ORDONNANTIE.
Vastgesteld bij Besluit van Z. E den Gouverneur Generaal dato 13 Juli 1889 (Stbl. No. 138)
en herzien bij Besluit van 11 Maart 1898 (Stbl No 78).

 

Artikel 1.

Werklieden afkomstig van buiten den Nederlandsch-Indischen Archipel, worden ten behoeve van eenige onderneming van land- of mijnbouw in de residentie Oostkust van Sumatra door den eigenaar of den administrateur der onderneming slechts in dienst genomen krachtens eene schriftelijke overeenkomst.
Dergelijke overeenkomsten kunnen ook gesloten worden met werklieden, afkomstig uit andere delen van den Nederlandsch-Indischen Archipel °] dan de residentie Oostkust van Sumatra.
_______
°] [Van den Brand:] Reeds bij het aanwerven der koelies op Java speelt bedrog, i.c. het voorspiegelen van valsche feiten, een hoofdrol. [Koelies, planters en koloniale politiek, 281-285] 

“En wie ,méégaat naar dat nieuwe land .... Deli .... die kan veel goud koopen. Want dáár is het goud goedkoop. En er zijn veel jonge en mooie vrouwen! En men mag er dobbelen ook!”
[Székely-Lulofs – Koelie, 17-21] 

“We gaan nu weg,” fluisterde de vreemdeling. „Ga jij ook mee?”
[Székely-Lulofs – Koelie, 22-24] 

 

Art. 2.

De werkcontracten vermelden:
1e . den naam of de namen, den ouderdom (naar gissing), de nationaliteit, de geboorteplaats, en, zoo mogelijk, den stam van den werkman;
2e . den naam van den werkgever en van de onderneming of de maatschappij, waarvoor de werkman is gehuurd, zoomede van het landschap, waarin de onderneming ligt;
3e . de soort van arbeid, waarvoor de werkman is aangenomen, en het aantal werkuren, hetwelk niet meer zal mogen bedragen dan tien uren per etmaal;
Onder dit aantal werkuren moet mede worden geteld de tijd gedurende welken de arbeider voor extra-werkzaamheden wordt gebezigd, als transporten, wachtdiensten enz.
Bij nadere, mede op den voet van artikel 3 te registreeren overeenkomst tusschen werkgever en werkman, kan de arbeid op andere wijze worden geregeld, mits het getal van tien werkuren per etmaal niet worde overschreden;
4e . de wijze, waarop de loonen worden berekend en betaald ¹];
5e . het bedrag en de verrekening der genoten voorschotten;
6e . den duur der overeenkomst, welke den tijd van driejaren niet mag te boven gaan;
8e . de verplichting van den werkgever om op zijn kosten te voorzien in de huisvesting en geneeskundige behandeling ²] van den werkman en diens gezin;
9e . het beding, dat de werkman niet tegen zijn wil van zijn gezin zal worden gescheiden;
10e . het tijdstip, waarop de arbeider zich op de onderneming behoort te bevinden en bij den beheerder behoort aan te melden.
De werkcontracten worden opgemaakt volgens een door den Gouverneur-Generaal vast te stellen model.
De tijd, gedurende welken de werkman wegens verlof of ziekte van meer dan één maand, dan wel wegens desertie of het ondergaan van straf, niet heeft gewerkt, wordt bij de berekening van den duur der verrichte diensten of van de overeenkomst niet medegerekend.
_______
¹] De uitbetaling gebeurde vlug, met militaire orde. Eerst waren de mannen aan de beurt. De krani las uit de loonboeken de namen en het uit te betalen bedrag voor, John betaalde het geld uit.
[Székely-Lulofs – Rubber, 13-14] 

²] Kromoredjo strekte zich, keek even naar de lucht. Toen zei hij: “De toewan dokter is erg pienter. Hij geeft je medicijn, daarvan sterf je. Dan snijdt hij uit je lichaam een deel van je ingewanden en dan maakt hij je weer levend.”
“Ts .... ts .... wah!!” .... Roekí vergat te werken.
“Maar ik ben er bang voor,” zei Kromoredjo.
“Ik ben er ook bang voor,” zei Roeki. “Ik wil ook niet naar het hospitaal.”
[Székely-Lulofs – Koelie, 106-108] 

 

Art. 3.

Met uitzondering van hetgeen overeengekomen is ingevolge No. 10 van het vorige artikel, zijn de werkcontracten en de daarin met inachtneming van de voorschriften dezer ordonnantie gebrachte wijzigingen eerst van kracht, na registratie door het hoofd van plaatselijk bestuur.
De werkgever is verplicht binnen acht dagen nadat de werkman op de onderneming is aangekomen, of, indien hij zich daar reeds bevond, na het aangaan der overeenkomst, of der daarin gebrachte wijziging, de akte der overeenkomst in duplo ter registratie aan te bieden aan het hoofd van plaatselijk bestuur, binnen welks ressort de onderneming gelegen is.
Indien de overeenkomst is gesloten op eene plaats in het buitenland, waar, volgens de uitdrukkelijke en openlijke verklaring der Regeering, voldoende controle op de landverhuizing wordt uitgeoefend, weigert het hoofd van plaatselijk bestuur alleen dan de registratie, als de overeenkomst niet voldoende aan de vereischten, gesteld bij artikel 2 dezer verordening.
Indien de overeenkomst elders is gesloten, gaat het hoofd van plaatselijk bestuur tot de registratie niet over, alvorens zich door ondervraging te hebben overtuigd, dat de werkman vrijwillig tot de overeenkomst is toegetreden en met hare voorwaarden behoorlijk bekend is.
Hij weigert de registratie, zodra er gegrond vermoeden bij hem bestaat dat de werkman niet vrijwillig tot de overeenkomst is toegetreden of wel de overeenkomst niet voldoet aan de bij artikel 2 dezer verordening voorgeschreven vereischten.
Als de registratie wordt geweigerd, kan de werkgever de beslissing inroepen van het hoofd van gewestelijk bestuur, wanneer de weigering niet van dezen als plaatselijk bestuurder is uitgegaan.
Bij weigering van de registratie van het werkcontract (dus niet van de daarin gebrachte wijziging), wordt de werkman, tenzij hij verlangt te blijven en ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoont, genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen, met de eerst mogelijke gelegenheid voor rekening van den werkgever door het plaatselijk bestuur naar de plaats van aanwerving teruggezonden, wanneer dit althans niet door den werkgever zelven wordt gedaan.
De werkgever blijft aansprakelijk voor het onderhoud van den werkman tot het oogenblik, waarop deze wordt teruggezonden.
In dit artikel bedoelde contracten zijn vrij van zegel en worden ingeschreven in een register, ingericht volgens een door den Gouverneur-Generaal vast te stellen model.
Van de registratie wordt door het betrokken Hoofd van Plaatselijk Bestuur op beide exemplaren aanteekening gehouden, met vermelding van den datum, op welke zij heeft plaats gehad.
Een exemplaar wordt daarna teruggezonden aan den werkgever, terwijl het andere blijft berusten bij den ambtenaar, die het heeft geregistreerd.
Bij de registratie moet voor rekening van den werkgever één gulden betaald worden voor elken werkman, die zich bij het te registreeren contract heeft verbonden. Deze gelden worden maandelijks door de betrokken ambtenaren in ’s lands kas gestort.

 

Art. 4.

De werkman mag zich van den onderneming, waar hij werkzaam is, niet verwijderen zonder schriftelijke vergunning ³], afgegeven door den ondernemer, diens administrateur, of iemand door of van wege den ondernemer daartoe aangesteld, behalve op vrije dagen, en wanneer hij wegens slechte behandeling klachten tegen den werkgever of diens personeel gaat uitbrengen.
Hij is verplicht geregeld zijn arbeid te verrichten, de hem door den werkgever of diens personeel gegeven bevelen getrouw na te komen, en in alles zich overeenkomstig zijn contract te gedragen.
_______
³] Hij wist nauwelijks waar hij ging. Iets, dat méér was dan hij, riep hem .... De vulkaan, het grasland riep hem .... en ál de zonnige dagen, dat hij gezeten had op het warm doorgloeide karbouwenlíjf, riepen hem.
[Székely-Lulofs – Koelie, 136] 

 

Art. 5.

De werkgever is verplicht zijn werklieden goed te behandelen, hun geregeld de bedongen loonen te betalen °], hun kosteloos eene voegzame huisvesting en behoorlijke geneeskundige verpleging ¹] met inbegrip der nodige medicamenten te verschaffen, ook in geval van verwondingen niet in zijn dienst ontstaan, en zorg te dragen voor goed bad- en drinkwater.
Hij is tevens verplicht zijne werklieden te voorzien van een kaart, waarvan het model door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur wordt vastgesteld en waarop de naam of de namen, de landaard of stam, de werkelijke of gegiste ouderdom, de lichaamslengte in centimeters, de kenbare teekenen, de datum van indiensttreding en de duur der overeenkomst van den betrokken werkman moeten worden aangeteekend, benevens de naam van de onderneming waartoe hij behoort, en de dagen, waarop hij vrij is.
De werklieden zijn verplicht die kaart steeds bij zich te dragen als zij zich van de onderneming verwijderen en dezelve op aanvraag van het bestuur te vertoonen.
Op het overeengekomen loon van den arbeider mag geen andere inhouding plaats vinden dan die, welke bij de overeenkomst bepaald is, en die wegens betalingen, waartoe de arbeider bij rechterlijke uitspraak veroordeeld is zoomede het opvatloon bij desertie.
Desverlangd is de ondernemer verplicht aan de besturende ambtenaren inzage te geven van het boek, dat de rekening courant der arbeiders bevat.
_______
°] Een voor een, gebogen, kwamen de koelies voor de tafel, namen het geld in ontvangst. Ze keken ternauwernood hoeveel ze kregen. Ze hadden er ook bijna geen van allen besef van hoeveel zij moesten ontvangen. Toewan, een blanke, gaf het hun, dan zou het wel in orde zijn. En al zou het niet in orde zijn!
[Székely-Lulofs – Rubber, 13-14] 

¹] “Als de mandoer het ziet, zegt hij het tegen mijnheer en dan moet ik naar het hospitaal.”
“Ik ben bang voor den dokter,” zegt Roeki.
“Ik ben ook bang. Daarom zeg ik het niet.”
[Székely-Lulofs – Koelie, 106-108] 

 

Art. 6.

Geschillen over de uitlegging van het contract worden zooveel mogelijk bij minnelijke schikking, zonder vorm van proces, door het hoofd van plaatselijk bestuur vereffend.
Waar zulks niet mogelijk is, verwijst hij de partijen, zoo noodig, naar den burgerlijken of den strafrechter.

 

Art. 7.

De werkgever is verplicht den werkman bij het einde van het contract een ontslagbriefje te geven. ²]
Het model van dat ontslagbriefje wordt vastgesteld door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur.
De werkgever is verplicht op het ontslagbriefje te vermelden den naam of de namen, den landaard of stam, den werkelijken of gegisten ouderdom, de lichaamslengte in centimeters en de kenbare teekenen van den werkman, ten wiens behoeve het is afgegeven.
Binnen acht dagen na het ontslag geeft de werkgever daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van plaatselijk bestuur, dat van het ontslag aanteekening houdt in het register.
_______________
²] Nu is het voor de onderneming van het grootste belang, dat zoo weinig mogelijk arbeiders gebruik zullen maken van de vrijheid, die hun reeds tegenlacht en zoovelen mogelijk zich opnieuw zullen verbinden. [Koelies, planters en koloniale politiek, 295-297] 

Ook die achttien maanden gingen voorbij en nog eens teekende Roeki bij. Hij wist het nu al uit zichzelf: arm kon je niet terug gaan .... Nog eens kreeg hij twintig gulden. Ditmaal dobbelde hij niet. Hij ging naar de maleische kampong om een baadje te koopen en een hoofddoek, want als dit contract zou zijn afgeloopen, wilde hij terug. Maar in een chineesche kedeh zag hij een klok.
[Székely-Lulofs – Koelie, 157-161] 

‘De vloek van Deli’ zei John, ‘dat gegok!’ ‘Waarom wordt het dan toegelaten?' ‘Waarom?' John glimlachte cynisch. ‘Er moet toch een trekpleister zijn voor de koelies. En zo raken ze ook hun loon weer gemakkelijk kwijt. Als ze geld sparen, gaan ze terug naar Java, na het aflopen van hun contract! Als ze het niet sparen, recontracteren ze hier, dat is goedkoper voor de maatschappijen, dan telkens nieuwe koelies te laten uitkomen.'
[Székely-Lulofs – Rubber, 149-150] 

 

Art. 8.

Bij behoorlijk geconstateerde voortdurende ongeschiktheid tot den arbeid, waarvoor de werkman zich verbonden heeft, kan de werkgever, met voorkennis van het hoofd van plaatselijk bestuur, het aangegaan contract als ontbonden beschouwen.
Werklieden, die wegens het eindigen van hun werkcontract zijn ontslagen, of wier werkcontract door den werkgever niet is nagekomen, dan wel tengevolge van behoorlijk geconstateerde voortdurende ongeschiktheid tot den arbeid, waarvoor zij zich verbonden hebben, als ontbonden wordt beschouwd, worden – tenzij zij verlangen te blijven en ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoonen genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen – met de eerstmogelijke gelegenheid door het plaatselijk bestuur voor rekening van den werkgever naar de plaats hunner aanwerving teruggezonden, wanneer dit althans door den werkgever zelven niet wordt gedaan. Deze blijft voor het onderhoud van den werkman aansprakelijk tot het oogenblik van terugzending.

 

Art. 9.

Elke willekeurige inbreuk op het werkcontract wordt gestraft: aan den kant van den werkgever met een geldboete van ten hoogste f 100 (één honderd gulden), zullende bij herhaling het hoofd van gewestelijk bestuur bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren;
aan den kant van den arbeider met een geldboete van ten hoogste f 50 (vijftig gulden), of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste één maand.
De arbeider, die reeds éénmaal wegens willekeurige inbreuk op het werkcontract is veroordeeld, wordt bij herhaling van het feit gestraft met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden, zullende het hoofd van gewestelijk bestuur ook in dit geval bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren, indien de werkgever zulks verlangt.
De feiten, waardoor de werkman geacht wordt op zijn werkcontract willekeurig inbreuk te maken, zijn:
a. niet voldoening aan de verplichting, omschreven in No. 10 van artikel 2;
b. desertie;
c. voortgezette weigering om te werken. ³]
_______
³]‘Wil je werken of niet?' herhaalde Joop weer. 'Ik wil niet werken!' ‘Waarom wil je niet werken?’ De koelie zweeg.
‘Antwoord!' snauwde de mandoer. Toekimin hield de ogen neergeslagen. Hij had zijn sarong wat laten zakken. Daardoor was één arm vrijgekomen. Hij tekende met een wijsvinger figuren in het zand.
[Székely-Lulofs – Rubber, 134-137] 

 

Art. 10.

Verzet, beleediging of bedreiging tegen de werkgevers of hun personeel, rustverstoring, verregaande luiheid, dienstweigering, opruiing tot desertie of tot dienstweigering, vechterij °], dronkenschap en dergelijke vergrijpen tegen de goede orde, worden, indien het feit niet als misdrijf is aan te merken, gestraft met eene geldboete van ten hoogst f 25 (vijf en twintig gulden), of met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.
_______
°] “Wie heeft dat gedaan ....? Wie heeft den Chinees vermoord?”
[Székely-Lulofs – Koelie, 123-126] 

‘Frank!!' Bleek leunde Marian tegen de wand. ‘Ja, wat is er ?' “Jij, in de plaats van Johansen?' ‘Ja, wat zou dat'?’ ‘Met dezelfde koelies?' ‘Ach god, ja! Wat doet dat er nou toe?! De moordenaar is gepakt! En koelies zijn koelies. Het had net zo goed hier kunnen gebeuren! Dat is nu eenmaal het risico van het baantje.
[Székely-Lulofs – Rubber, 68-70] 

 

Art. 11.

Het aanmoedigen tot nietnaleving van werkcontracten, of het begunstigen daarvan door het verleenen van huisvesting aan- of het indienstnemen van een werkman, die niet door een behoorlijk ingevuld ontslagbriefje of door een van wege het Bestuur aan hem uitgereikt schriftuur heeft bewezen geheel vrij te zijn van dienstverplichtingen tegenover anderen, wordt, elke overtreding op zich zelve, gestraft, voor zooveel Europeanen of met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 100 (één honderd gulden) of gevangenisstraf van ten hoogste acht dagen, en voor zooveel Inlanders of met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 50 (vijftig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste één maand.
_______
[Van den Brand:] In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van slaaf bijzonder duidelijk uit. [Koelies, planters en koloniale politiek, 239-240] 

 

Art. 12

Willekeurige inbreuk op het contract, door den werkman gepleegd, wordt alleen vervolgd op aanklacht van den eigenaar of administrateur der onderneming, waartoe de werkman behoort.
De werkman, die voor de eerste maal ter zake van desertie terecht staat, kan de straf voorkomen, indien hij met goedvinden van den aanklager, vóór de oplegging vrijwillig naar zijn meester terugkeert.

 

Art. 13.

Overtreding van de geschriften dezer ordonnantie, waartegen geen bepaalde straffen zijn bedreigd, worden gestraft voor zooveel Europeanen en met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 100 (een honderd gulden); voor zooveel Inlanders en daarmede gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 25 (vijf en twintig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.

 

Art. 13a.

Arbeiders, die tijdens den duur der overeenkomst buiten de onderneming terechtgestaan of eene vrijheidsstraf ondergaan hebben, dan wel zij, die na eene afwezigheid wegens verlof, ziekte of anderszins, niet derwaarts binnen den toegestanen of door het plaatselijk bestuur voldoende geachten tijd terug keeren, kunnen op kosten van den werkgever door de politie, of namens deze door personeel van den werkgever naar de onderneming teruggevoerd worden. Deze bepaling geldt mede ten aanzien van werklieden bij den bouw van den Staatsspoorweg ter Sumatra’s Westkust en bij spoor- en tramwegondernemingen voor publiek verkeer in de Residentie Oostkust van Sumatra, die op den voet der ordonnantiën van 18 Augustus 1889 (Staatsblad No. 182) en 24 December 1891 (Staatsblad No. 264) krachtens eene schriftelijke overeenkomst in dienst zijn genomen.

 

Art. 14.

Deze ordonnantie treedt in werking den 1en October 1889.