door G.F.E. Gonggryp e.a., Leidsche Uitgeversmaatschappij, Leiden 1934

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 8-10

[Jakarta 7 – Petroleummaatschappij] 
[Jakarta 7 – Koninklijke] 

De opkomst der olie-industrie begint pas in 1888 met de oprichting der Dortsche Petroleum Maatschappij door den mijningenieur A. Stoop. In 1889 werd hem concessie verleend voor een terrein bij Soerabaia (Concessie Djabakotta) en 3 jaar later voor het terrein De Twaalf Desa’s en in 1896 voor Lidah Koelon. De ruwe olie werd verwerkt op de raffinaderij te Wonokromo, die in 1891 in bedrijf kwam. In 1889 werd door de Dortsche de eerste olie, in Indië gewonnen, op de markt gebracht. De eerste boring naar aardolie op Sumatra werd verricht bij Kollok in de Padangsche Bovenlanden. Deze boring leverde 6000 l. per dag; de olie was paraffine houdend, waarmede men toen geen weg wist; het terrein werd verlaten. In 1883 wist A.J. Zijlker concessie te verkrijgen van den Sultan van Langkat voor een terrein aan de Lepan rivier. Het Grondpeilwezen verrichtte in 1885 de eerste boring op dat terrein onder leiding van den mijningenieur R. Fennema; op 100 m. diepte werd olie aangeboord. In 1890 werd deze concessie ingebracht in de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch Indië (de “Koninklijke” bij afkorting). In 1891 werd een tweede put geboord. Een jaar nadat men met de exploitatie was begonnen, werd dagelijks 1300 kisten olie geproduceerd. De raffinaderij was te Pangkalan Brandan opgericht. Voor Borneo is de mijningenieur J.H. Menten de pionier der olie-industrie geweest. Hij verkreeg in 1891 van den Sultan van Koetel de concessies Louise en Mathilde aan de Sangga Sangga rivier en richtte met Engelsch kapitaal de Nederlandsch Indische Industrie en Handel Maatschappij op, waaruit later de Shell Trading Company is ontstaan. Door deze gunstige resultaten ontstond in die jaren een ware oliekoorts; petroleummaatschappijen verrezen als paddestoelen uit den grond. In Langkat werden nog de concessies Boeloe Telang en Boekit Tinggi verleend en geëxploiteerd met Engelsch kapitaal. In Palembang werkten: de Petroleum Mij. Sumatra Palembang (Sumpal) in de afd. Iliran en Banjoe Asin, in 1898 begon deze maatschappij te raffineeren: Petroleum Mij. Moeara Enim met concessieterreinen Ma. Enim in Midden Palembang en Babat in Noord Palembang. De ruwe olie werd door een 140 km. lange pijpleiding naar de raffinaderij te Pladjoe gepompt. De capaciteit dezer leiding bedroeg 600 ton ruwe olie per dag. Ook de olie van Babat werd per pijpleiding naar Pladjoe gevoerd: Petrol. Mij. Moesi Ilir met eigen raffinaderij te Bagoes Koening naast Pladjoe. Op Java: Petrol. Mij. Rembang opgericht in 1895, werkende in de afd. Blora; in 1899 de Petrol. maatschappijen: Japara, Tegal, Madoera. Op Borneo Petrol. Mij. Balongan, werkende in de afd. Amoetai in Z.O. Borneo. In 1907 vereenigden de Shell en de Koninklijke zich tot één maatschappij: de “Bataafsche Petroleum Mij.”, waarin in1911 de Dortsche werd opgenomen. Al de kleine maatschappijen hadden voordien hunne terreinen in exploitatie overgedragen aan de Koninklijke. In 1921 werd de Nederlandsche Koloniale Petroleum Mij. opgericht en daarmede verscheen Amerikaansch Kapitaal in Indië. Deze maatschappij is nl. een dochtermaatschappij der Amerikaansche Standard Oil Company. De olie harer terreinen op Java wordt verwerkt in hare raffinaderij te Kapoean bij Tjepoe (Rembang).

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 43-44

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

[…] onder gouv.-gen. Van der Wijck werd, door den opstand van Toekoe Oema, de politiek van lijdelijkheid verlaten.
Generaal Vetter kwam er als regeeringscommissaris ter tuchtiging van de in verzet gekomen hoofden; ook werd intusschen ingezette actieve politiek verder uitgebreid. De 3 sagi’s (sagi = zijde) van Groot-Atjeh werden beheerscht door uitgezette steunpunten, welke door een stoomtram met de geconcentreerde linie werden verbonden (1897). Dit bracht echter niet het gewenschte succes. Dr. Snouck Hungronje werd adviseur voor Inlandsche zaken in Atjeh (1898-1908); in hetzelfde jaar werd kolonel J.B. van Heutsz, die in Atjeh zijn sporen reeds had verdiend met het civiel- en militair bestuur belast. Hiermede was een nieuwe aera ingeluid. Overal werd actief opgetreden en den vijandelijken elementen werd geen rust gelaten. Toekoe Oema sneuvelde in 1908. Bevolkingsregistratie, passenstelsel, verbod van dragen van wapenen, van ladangbouw [uitgekapte plek woeste grond], van verblijf in de bergen werden ingevoerd, het verleenen van huisvesting en hulp aan kwaadwilligen, het vernielen van openbare werken, enz. werd beboet. Hierdoor verbeterden de toestanden zoozeer dat op last van het bestuur door de bevolking wegen en bruggen werden gebouwd en een telefoonverbinding met Sigli werd aangelegd. Rustig in het geheele gewest was het echter nog lang niet; ononderbroken werd tegen de verzetslieden geageerd en met groot succes. […] Van Heutsz zelf maakte de excursie langs Noord- en Oostkust, op dien tocht onderwerping en medewerking afdwingende. Begin 1900 waren vrijwel alle landschapshoofden onderworpen. Juni 1899 kreeg Tapak Toean een civiel gezaghebber, de luit. H. Colijn, tevens commandant van het detachement aldaar. […]
Vermeld dient nog de tocht van majoor Van Daalen naar het Gajoland [waarbij in dat gebied bloedige gevechten werden geleverd] ter opsporing van den nog steeds in verzet zijnden, overal opgejaagden Soeltan Alaoedin Mohammad Dawot Sjah. Eerst in 1903 meldde hij zich te Sigli vrijwillig op genade of ongenade. Daarmede was het verzet evenwel nog niet gebroken. In hetzelfde jaar meldde zich de machtige panglima Polem, na de achtervolgingen van Christoffel en Colijn. Hun voorbeeld werd door tal van andere hoofden gevolgd. Zoodoende was de toestand in 1904 zeer bevredigend. Aan de verlenging van de tramlijn (tot de Oostkust van Sumatra) werd voortdurend gewerkt. Onder Van Heutsz’ opvolger gen.-maj. Jhr. J.C. van der Wijck werd de toestand weer veel slechter. Eerst onder diens opvolger overste G.C.E. van Daalen (1905-1908) klaarde de toestand zeer geleidelijk op.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 95-96

[Bandung – Javasche Bank] 
[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 
[Semarang 2 – Javasche Bank] 
[Surabaya – De Javaasche Bank] 

De Javasche Bank is opgericht bij besl. van den commissaris-generaal van 24 Jan. 1828. Haar octrooi werd na herhaaldelijk te zijn vernieuwd, vervangen door de Javasche Bankwet 1922, waarbij deze bank wordt gemachtigd wederom voor een tijdvak van 15 jaar, ingaande 1 April 1922, als circulatiebank werkzaam te zijn. De J.B. fungeert als kassier voor het gouvernement. Zij geeft bankbiljetten uit van 1000, 500, 300, 200, 100, 50, 40, 30, 25, 20, 10 en 5 gulden, welke in Ned.-Indië wettig betaalmiddel zijn. Verder verricht zij alle bankzaken, inzonderheid het overmaken van gelden; het in disconto nemen van bepaalde waardepapieren; het koopen en verkoopen van buiten Nederl.-Indië betaalbaar handelspapier; het in beleening nemen van, danwel het verleenen van credieten of voorschotten in rekening-courant tegen onderpand; de tijdelijke uitzetting in prolongatie van eventueel te Amsterdam overtollige middelen (De J.B. heeft te Amsterdam een bijkantoor); den handel in muntmateriaal en uitheemsch munt- en bankpapier; het ontvangen en weder uitbetalen van gelden in rekening courant; het in bewaring nemen van effecten en goederen. De bank heeft haar hoofdzetel te Batavia en agentschappen te Soerabaja, Semarang, Padang, Makassar, Cheribon, Soerakarta, Jogjakarta, Pontianak, Medan, Bandjermasin, Tandjoengbalai [Riouw Arch.], Bandoeng, Palembang, Menado. Malang, Koetaradja, Kediri en Madiun, Zij heeft buiten Ned.-Indië correspondenten te Londen, Parijs, Hamburg, Berlijn, Singapore, Jokohama, San Francisco en New York, benevens te Amsterdam haar reeds genoemde bijbank onde directeuren. De directie der bank bestaat uit een president en ten minste twee directeuren , waarvan er één als secretaris optreedt. Zij worden op aanbeveling van directie en commissarissen benoemd door den gouv.-gen., de president onder nadere koninklijke goedkeuring.
Er is een raad van 5 commissarissen, die Nederlandsch onderdaan moeten zijn, gekozen door stemgerechtigde aandeelhouders. De J.B bevordert ook het giroverkeer in Ned.-Indië.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 96, 99

[Bandung – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 
[Semarang – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Surabaya – Handel Maatschappij] 

De Nederlandsche Handelmaatschappij, op initiatief van Koning Willem I te Amsterdam opgericht in 1824 (de Koning garandeerde een rente van 4½ % en teekende in voor 4 millioen gulden), is een naamlooze vennootschap van koophandel. Haar werkkring omvat den goederenhandel, den handel in geld, wissels en edele metalen en al wat tot het bankiersbedrijf behoort, het geven van voorschotten, het verschaffen van bedrijfskapitalen aan en het deelnemen in ondernemingen van landbouw, visscherij, nijverheid, handel, scheepvaart en vervoer te land en, in overzeesche gebieden van den staat het tot stand brengen en het drijven van zoodanige ondernemingen. In hare hoedanigheid van commissionair heeft zij krachtens overeenkomst met den staat op zich genomen de Indische gouvernementsproducten af te schepen, te vervoeren, op te slaan, te beheren en te verkoopen. (Dit monopolie was vooral van belang ten tijde van het cultuurstelsel: de maatschappij die tot dat tijdstip een kwijnend bestaan had gehad kwam hierdoor in een bloeiende positie[...]). Van de door haar verkochte gouvernementsproducten krijgt de maatschappij 1½ % van de bruto opbrengst (van kinabast 1 %).Het hoofdbestuur der maatschappij is gevestigd te Amsterdam [Vijzelstraat 32] en bestaat uit een president, twee directeuren en een secretaris. Te Batavia wordt het vertegenwoordigd door een bestuur van een president, twee leden en een secretaris, onder de benaming van Factorij. Een bijkantoor is gevestigd te Batavia-Centrum, agentschappen te Semarang, Soerabaja, Semarang, Medan, Shanghai, Hongkong, Singapore, Rangoon, Calcutta, Bombay, Kobe en Djeddah, subagentschappen te Cheribon, Tegal, Pekalongan, Tjilatjap, Palembang, Bandjermasin, Penang, Makassar, Bandoeng, Djember, Soerakarta, en Jogjakarta.
Het maatschappelijk kapitaal bedraagt 80 millioen gulden, volgestort."

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 99

[Surabaya – Koloniale Bank] 

De Koloniale Bank, N.V., maatschappelijk kapitaal ƒ25.000.000 waarvan geplaatst en volgestort ƒ16.500.000. Hoofdkantoor te Amsterdam. Hoofdagentschap te Soerabaja, agentschappen te Semarang en Bandoeng.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 105

[Jakarta 7 – Koninklijke] 

Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM)
Opgericht 28 Juni 1907; kapitaal f 300.000.000 volgestort
Duur tot ulto. 1997
Doel: het opsporen en exploiteeren van petroleumbronnen en delfstoffen in Ned. Indië en elders.
Is bevoegd tot oprichting van en deelneming in andere ondernemingen met soortgelijk doel en tot den handel in genoemde producten.
Ingebracht zijn van de ‘Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot exploitatie van petroleumbronnen in Ned. Indië’ en van de ‘Shell Transport en Trading Comp.Ltd.’de bij overeenkomsten vastgestelde activa.
Het bestuur berust bij een raad van beheer van 15 leden. De directeur-generaal der ‘Koninklijke’ en twee directeuren voeren als gedelegeerde leden van genoemden raad de dagelijksche leiding.
In Ned. Indië wordt het beheer gevoerd door: den hoofdvertegenwoordiger te Batavia, administrateurs te Balikpapan, Pladjoe, Tjepoe, Pangkalan Brandan, Tarakan en den terreinchef te Boela.
De verkoop van de producten in Indië geschiedt door de afdeeling ‘Handelszaken’ met hoofdzetel te Soerabaja onder den vertegenwoordiger aldaar.
De maatschappij heeft een raffinaderij, paraffine-, smeerolie-, en zwavelzuurfabriek te Balikpapan, een raffinaderij te Pladjoe, een id., paraffine-, en kaarsenfabriek te Tjepoe en een raffinaderij te Pangkalan Brandan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 144, 146-147

[Aantekeningen Algemeen – Rechtswezen]

De bevolking*]
De bevolking van Indië bestaat uit Nederlandsche onderdanen en vreemdelingen. De eerste zijn leden van den Nederlandschen Staat. [...]
Het Nederlanderschap verkrijgt men door geboorte, naturalisatie en, wat de vrouw betreft, ook door huwelijk.[...]

In art. 163 I.S. wordt de bevolking van Ned.–Indië in drie zelfstandige groepen verdeeld, [...] In elke groep zijn zooveel mogelijk samengebracht zij, die ongeveer dezelfde rechtsbehoefte hebben. Juist om aanpassing te verkrijgen aan onderling verschillende rechtsbehoeften der bevolkingsgroepen is er verschil gemaakt in den rechtstoestand, in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen der onderscheiden catagorieën van de bevolking.
Aan de bepalingen voor 'Europeanen' zijn onderworpen:
1. – alle Nederlanders;
2. – alle niet-Nederlanders, uit Europa afkomstig;
3. – alle Japanners;
4. – alle van elders afkomstigen welke in hun land onderworpen zouden zijn aan het familierecht in hoofdzaak berustende op dezelfde beginselen als het Nederlandsche;
5. – de in Indië geboren afstammelingen van de onder 2/4 genoemden.
Aan de bepalingen voor 'Inlanders' zijn onderworpen degenen die behooren tot de inheemsche bevolking van Indië.
Aan de bepalingen voor 'Vreemde Oosterlingen' zijn onderworpen allen die niet vallen in de twee reeds omschreven groepen, bijv.: Chineezen, Arabieren, Klingaleezen.
Overgang naar de bevolkingsgroep der Europeanen kan plaats hebben voor Inlanders en Vreemde Oosterlingen door het verkrijgen der nationaliteit van Nederlander of Japanner of door toepasselijkverklaring door den Gouverneur – Generaal.[...en] voor de vrouw tengevolge van huwelijk. [...]
*] Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 99-103 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 146-147

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

In art 163 I.S. wordt de bevolking van Ned.-Indië in drie zelfstandige groepen verdeeld, nl. in: hen, die aan de bepalingen voor Europeanen; hen, die aan de bepalingen voor inlanders en hen, die aan de bepalingen voor Vreemde Oosterlingen zijn onderworpen.
In elke groep zijn zooveel mogelijk samengebracht zij, die ongeveer dezelfde rechtsbehoefte hebben. Juist om aanpassing te verkrijgen aan de onderling verschillende rechtsbehoeften der bevolkingsgroepen is er verschil gemaakt in den rechtstoestand, in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen der onderscheiden categorieën van de bevolking (het stelsel van het dualisme).
Aan de bepalingen voor “Europeanen” zijn onderworpen:
1. alle Nederlanders;
2. alle niet-Nederlanders, uit Europa afkomstig;
3. alle Japanners;
4. alle van elders afkomstigen welke in hun land onderworpen zouden zijn aan het familierecht in hoofdzaak berustende op dezelfde beginselen als het Nederlandsche;
5. de in Indië geboren afstammelingen van de onder 2/4 genoemden.
Aan de bepalingen voor “Inlanders” zijn onderworpen degenen die behooren tot de inheemsche bevolking van Indië.
Aan de bepalingen voor “Vreemde Oosterlingen” zijn onderworpen allen die niet vallen in de twee reeds omschreven groepen, bijv.: Chineezen, Arabieren, Klingaleezen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 155-156

[Woordenlijst – Boedi Oetomo] 

Boedi Oetomo. Vereeniging van Javanen, opgericht 20 Mei 1908 door leerlingen der voormalige artsenschool te Batavia, als gevolg van de door den Indischen arts Mas Wahidin Soediro Hoesodo gepropageerde denkbeelden over de middelen om het volk op te heffen. Onder zijn leiding werd op 5 October 1908 te Jogja het eerste Javanen-Congres gehouden, o.m. ter bespreking van de mogelijkheid om het Inlandsch onderwijs te bevorderen.
Volgens hare statuten zou Boedi Oetomo – d.i. schoon streven – zich ten doel stellen: de harmonische ontwikkeling van land en volk van Java en Madoera, door bevordering van onderwijs, landbouw, veeteelt, handel en industrie, kunsten en wetenschappen en al wat strekken kan tot verzekering van een waardig volksbestaan. Later werd het arbeidsveld uitgestrekt tot Bali en Lombok, terwijl vervolgens bepaald werd, dat gestreefd zou worden naar verwezenlijking van de ‘Indonesische eenheids- en vrijheidsgedachte’.
Met de oprichting van Boedi Oetomo was het moderne vereenigingsleven onder een deel der Inlandsche bevolking tot ontwaking en openbaring gekomen. Weldra kwamen andere organisaties der volksbeweging tot stand, hetgeen tot gevolg had dat B.O.’s aanhang sterk terugliep.
Aanvankelijk bepaalde de vereeniging haren arbeid tot sociaal-cultureel terrein, terwijl zij haren aanhang zocht onder den ambtenarenstand en bij den landsadel op Java. De instelling van den Volksraad (1918) noopte haar weldra een politieke richting in te slaan en steun te zoeken bij de volksmassa.
Boedi Oetomo, de ‘moedervereeniging der Javanen’, heeft temidden van de verschillende stroomingen der Inlandsche Beweging tot dusver haar zelfstandigheid en over het algemeen gematigd Javaansch intellectueel karakter behouden. Pogingen om het volk in hare actie te betrekken konden geen verwezenlijking vinden. Uitbreiding van het ledental was evenmin mogelijk, door de oprichting van vakorganisaties voor Inlandsche ambtenaren, alsmede door de opkomst van Indonesisch-nationalistische stroomingen. Hare belangstelling en werkzaamheid bleven zich in hoofdzaak bewegen op het gebied van het onderwijs en van verschillende andere maatschappelijke belangen, z.a. internaten, reclasseering, woekerbestrijding, bibliotheekwezen, poliklinieken en coöperatieve organisaties.
De vereeniging omvat en 40-tal afdeelingen, voor het grootste gedeelte op Java, met ongeveer 2000 leden. Het hoofdbestuur is te Jogja gevestigd.
Op het 23ste jaarcongres, dat B.O. onder leiding van den voorzitter van het hoofdbestuur R.M.A.A. Koesoemo Oetoyo, Lid van het College van Gedelegeerden van den Volksraad, oud-regent van Japara, van 3-5 Juni 1933 te Semarang hield, werd het 25-jarig bestaan der Inlandsche Beweging herdacht.
Van het sedert 1923 uitgegeven officieel partij-orgaan Boedi Oetomo verscheen in April-Mei 1933 een jubileum-, tevens congres-nummer, waarin het ontstaan en de ontwikkeling der vereeniging is beschreven.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 195

[Jakarta 6 – Du Bus] 

Du Bus de Gisignies (Leonard Pierre Joseph, burggraaf) geb. 1 Maart 1780 op het kasteel Dottignies (Oost-Vlaanderen), overl. 31 Mei 1849 op het kasteel Oostmalle (Antwerpen), Lid (1815), voorzitter (1818) 2e Kamer, gouverneur van Antwerpen (1820), van Z.-Brabant (1823), commissaris-generaal des Konings in Ned.-Indië (1825 – 1830), moest sterk bezuinigen na het kostbare bestuur van Van der Capellen. Tijdens zijn bestuur werd o.m. de opstand van Dipo Negoro bedwongen, de rust ter Sum. W.k. (Padri’s) bewaard, in West-Borneo en Z.-Celebes met succes geageerd, munthervorming ingevoerd, de landbouw ontwikkeld en de vestiging van Europeanen bevorderd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 231

[Surabaya – Suikersyndicaat] 
[Surabaya – Landbouw-syndikaat] 

Cultures. De regeering heeft een drietal commissies ingesteld die de belangen der groote cultures bij haar, de departementshoofden en hoofden van gewestelijk bestuur kunnen voorbrengen. Voor de suikerindustrie zijn die werkzaamheden opgedragen aan het dagelijksch bestuur van het algemeen syndicaat van suikerfabrikanten in Ned.-Indië, voor de bergcultures aan het bestuur van het algemeen landbouwsyndicaat en, voor zoover Noord-Sumatra betreft aan een commissie bestaande uit de besturen der algemeene vereeniging van rubberplanters ter Oostkust van Sumatra en de Deliplantersvereeniging. Voor Zuid- en West-Sumatra zijn die werkzaamheden opgedragen aan het bestuur van het Z.- en W.-Sumatrasyndicaat.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 231-233

[Bandung – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 
[Semarang – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Surabaya – Handel Maatschappij] 

Toen de toch al deplorabele toestand van 's Lands financiën door den Java-oorlog nog verergerd was moest naar nieuwe middelen worden omgezien. Volgens het bestaande landenstelsel moest de inheemsche landbouwer een bepaald deel van de opbrengst van zijn grond aan het gouvernement afstaan. Toen nu in 1830 de gouv.-gen. Van den Bosch optrad werd het door hem aan de hand gedaan cultuurstelsel – een gewijzigd stelsel der geforceerde cultures der voormalige compagnie – ingevoerd, om tot onmiddellijke baten ter geraken.
Volgens dit stelsel moest de Javaan (het gold alleen voor Java) één vijfde van zijn grond voor het gouvernement beplanten met de door de overheid bepaalde producten, uit den aard die welke de Europeesche markt vroeg, nl. koffie, suiker en indigo. De niet-landbouwers moesten één vijfde deel van het jaar, dus 66 dagen voor het gouvernement arbeiden. Behalve dat de Javaan daardoor niet meer vrij was in zijn teelt van gewassen, waren de genoemde cultures hem vreemd en kostte hem meer tijd en moeite dan dier waaraan hij gewend was, nl. rijst en tweede gewassen.
De Europeesche en Inlandsche ambtenaren die met het toezicht op de cultures waren belast genoten cultuurprocenten, wat tot misbruiken leidde. Bovendien werd naast het cultuurstelsel de landrente gehandhaafd tegen de uitdrukkelijke toezegging der regeering. Ook de heerendiensten voor het onderhoud van weger en bruggen bleven gehandhaafd. De Javaan kwam zoodoende onder zwaren druk en was aan willekeur overgeleverd.
Financieel voldeed het stelsel uitstekend. Reeds in 1833 bracht het een batig saldo van 3.000.000 gulden, hetwelk jaar op jaar toenam. Aldus genoot het moederland in totaal 900.000.000 gulden aan batige saldi, welke gelden het gebruikte voor aflossing van staatsschulden en voor de aanleg van spoorwegen. Indië zelf had er weinig of geen baat bij, in tegendeel de nadeelige gevolgen lieten zich gelden. In Midden-Java heerschte hongersnood (1848-1850).
De Nederlandsche Handelmaatschappij had van de regeering het monopolie verkregen voor het vervoer naar Nederland en voor den verkoop aldaar der gouvernementsproducten, tegen een voorschot op de opbrengst aan het gouvernement. Dusdoende kwam dit noodlijdende lichaam tot grooten bloei. Intusschen was door de genoemde ongunstige factoren een strijd ontketend tegen het cultuurstelsel.
Bij de grondwetsherziening van 1848 kregen de Staten-Generaal medezeggenschap in het beheer der koloniën, hetwelk tot dusver uitsluitend bij den Koning berustte. De indiening van het koloniaal verslag door den Koning aan de Staten-Generaal en het voorschrift tot vaststelling door dit college van een regeeringsreglement ingevolge de nieuwe grondwet, gaven de publieke meening gelegenheid tot uiting. In de IIe Kamer was het vooral de voormalige Indische predikant Dr W.R. baron van Hoëvell met zijn aanhang, die krachtig opkwam voor de belangen van Indië, daarbuiten Multatuli (E. Douwes Dekker) die met zijn boek 'Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij' beroering wekte (1860). Intusschen was in 1854 het nieuwe regeeringsreglement tot stand gekomen hetwelk voorschreef dat de bescherming der Inlandsche bevolking tegen willekeur tot de plichten van den gouv.-generaal behoorde. Vooral onder minister Fransen van de Putte werden vele verbeteringen ingevoerd (1863-1866). In 1867 kwam de comptabiliteitswet tot stand, volgens welke de Indische begrooting door de Staten-generaal moest worden vastgesteld, welke alzoo hoe langer hoe meer invloed kregen op het bestuursbeleid in Indë. Een en ander had ten gevolge dat in 1870 de verplichte aanplant van suikerriet werd afgeschaft. De verplichte koffiecultuur werd, ontdaan van de misbruiken, gehandhaafd tot 1915. Dit was het einde van het eertijds zoo beruchte en gehate cultuurstelsel, bij welks tot standkoming de beste bedoelingen hadden voorgezeten."

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 234-235

[Daendels] 

Daendels (Mr. Herman Willem), geb. te Hattem 21 Oct. 1762, overl. St. George del Mina 2 Mei 1818. Werd in 1795 luit-generaal, gouverneur van Oost-Friesland 1806. Gouv.-generaal van N.I. en opperbevelhebber van ’s Konings land- en zeemacht 1807-1811, werd in dat jaar maarschalk van Holland. Een zeer despotisch en wreed man, gespeend van takt en diplomatieke talenten en daardoor ongeschikt met Inlandsche vorsten om te gaan. Wel maakte hij zonder aanzien des persoons een einde aan vele misbruiken, maar schroomde niet zich zelf onrechtmatig te verrijken. De zware eischen den Sultan van Bantam gesteld voor den aanleg van wegen en de maritieme werken aan de ongezonde Meeuwenbaai leidden tot verzet, waarop Daendels zelf met een leger naar Bantam trok, den sultan afzette, den rijksbestuurder liet fusilleeren en het rijk inlijfde. Hij hief het gouv. Java’s Noord-oostkust op en schafte de vernederende eerbewijzen van de residenten aan de vorstenhoven op Java af. Den ons vijandig gezinden sultan van Jogjakarta zette hij, na een expeditie derwaarts, af; nieuwe, voordeelige contracten met den nieuwen sultan en den soenan van Solo werden afgesloten (doch kwamen niet tot uitvoering). Het binnenlandsch bestuur en het rechtswezen hervormde hij; ten koste van schatten geld en vele menschenlevens legde hij den grooten postweg op Java aan. De hoofdplaats Batavia werd van assaineeringswerken voorzien. Weltevreden werd als woonplaats en zetel der gouvernementskantoren gesticht. Zijn bestuur kostte schatten, die niet werden gedekt door den verkoop der produkten der gedwongen cultures. Daarom verkocht hij uitgestrekte stukken land aan particulieren, hetgeen de oorsprong was der particuliere landerijen. Onder zijn bestuur werd de nederzetting te Bandjermasin opgeheven en gingen de Molukken verloren. Na zijn terugkeer in 1811 maakte hij als maarschalk in het Fransche leger den tocht naar Rusland mee. Na herstel in Nederland bood hij zijn diensten aan Koning Willem I aan, die hem benoemde tot gouv.-gen. Der Nederlandsche bezittingen ter kust van Guinea, alwaar hij in 1818 overleed.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 253-254

[Jakarta 5 – Justitie] 

Tot den werkkring van het departement van justitie behooren: het personeel der rechterlijke macht; advocaten en procureurs; deurwaarders; notarissen; tolken en translateurs; weeskamers; voogdijraden; reispassen naar het buitenland, de toelating van Nederlanders en vreemdelingen in Ned.-Indië; de verwijdering van personen uit geheel Ned.-Indië of uit een bepaald gedeelte daarvan en de aanwijzing van bepaalde verblijfplaatsen; het gevangeniswezen; de gerechtelijke statistiek in Ned.-Indië; de voorlichting van den gouv.-gen. in zake van gratie, amnestie, abolitie en dispensatie, voor zooveel rechtszaken betreft, verzoeken om wettiging, handlichting en derg., een en ander voor zoover de gouv.-gen. het advies van den directeur verlangt na dat van het hooggerechtshof van Ned.-Indië; verzoeken tot naamsverandering en naams-aanneming en verzoeken betreffende rechtspersoonlijkheid en naamlooze vennootschappen; van toepassing-verklaring van de bepalingen voor Europeanen op personen niet daaraan onderworpen; verzoeken om naturalisatie; de burgerlijke-, handels- en strafwetgeving en alle daarmede en in het algemeen met het rechtswezen in verband staande verordeningen; de buitenlandsche dagvaardingen en rogatoire commissiën; de strandvonderij; de slavernij en pandelingschap; de legalisatiën, de uitlevering van vreemdelingen; het toezicht op de drukpers; het toezicht op het recht van vereeniging en vergadering; het uitbrengen van rechtskundig advies in alle zaken, waarover dat advies door den gouv.-gen. wordt verlangd; overheidsbemoeienis ten aanzien van de arbeidsverhoudingen tusschen werkgevers en werknemers in Ned.-Indië; dactyloscopie; bestrijding van den zoogenaamden handel in vrouwen en kinderen en van dien in ontuchtige uitgaven; het tucht- en opvoedingswezen en het armwezen; het kadaster; kantoor voor den industrieëlen eigendom.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 254-255

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Tot den werkkring van het departement van financiën behooren: het algemeen toezicht op de ontvangsten en uitgaven en de behoorlijke inning der inkomsten, alsmede over de ontvangsten en uitgaven voor rekening van derden; de bevordering van een deugdelijk financieel beheer en van een doelmatig gebruik der landsmiddelen; de financieele statistiek; de samenstelling van de algemeene begrooting; het opmaken van de begrooting van uitgaven en inkomsten, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; de uitvoering van de begrooting, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; de samenstelling van de algemeene rekening van ontvangsten en uitgaven; het opmaken der rekeningen van ontvangsten en uitgaven in Ned.-Indië, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; het bank- en muntwezen; het beheer van de vlottende en vaste schulden; het beheer en voorziening in de behoefte van ’s Lands kassen; den gouvernements-accountantsdienst; de belastingen en middelen, verpachte en niet-verpachte, voor zoover niet tot eenig ander departement behoorende; de landelijke inkomsten; de in- en uitvoerrechten en accijnzen; het venduwezen; den pandhuisdienst; de opiumregie; de zoutregie; de fabriekmatige bereiding en verpakking van opium; het reiswezen; de toekenning van non-activiteits-tractementen, wachtgelden en onderstanden, voor zoover niet aan andere gezaghebbenden opgedragen; de toekenning van pensioenen aan burgerlijke ambtenaren, aan de leerkrachten bij het bijzonder onderwijs, alsmede aan de weduwen van niet-Europeesche burgerlijke ambtenaren; de bemoeienis met de onder Landstoezicht staande pensioenfondsen, voor zoover niet tot den werkkring van andere departementen behoorende.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 255

[Jakarta 5 – B.B.] 

Tot de werkkring van het departement van binnenlandsch bestuur behooren: de bestuurshervorming; het gewestelijk en plaatselijk bestuur; de decentralisatie; de algemeene en gewapende politie; de particuliere landbouw; de heerendiensten; de gemeentediensten; het volkscredietwezen; de agrarische aangelegenheden; de reispassen en legitimatie-(aanduidings-)kaarten; het toezicht op landverhuizers; de kolonisatie; de fabrieken; de uitvoering van bouwwerken van eenvoudige constructie; de bouw en het onderhoud van triangulatie-pilaren en andere merkteekens en het toezicht op den invoer en de vertooning van bioscoopfilms.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 268

[Dièngformatie] 

Diëng-Plateau. Dit ruim 2000 M. hooge plateau, gelegen in de res. Kedoe is de verbinding van den Slamatketen en de Sendoro en de Soembing. Hierop worden vele Hindoeoudheden van Cawaïtischen oorsprong gevonden, een soort tempel- of priesterstad, waartoe reusachtige steenen trappen (van Wonosobo en van het Noorden uit) leiden. Van de steenen inscripties dateert één 731 Ҫaba-jaartelling (801 van onze jaartelling). In 1210 bestond de priesterkolonie nog. Uit een inscriptie op een koperen plaat blijkt dat de oude naam is Diyang (d.i. godenverblijfplaats). Midden in de tempelgroep is een grootere tempel. Een en ander is ontdekt door Raffles. Ook zijn er gevonden steenen, het mannelijk en het vrouwelijk teeldeel voorstellende; soms het mannelijke in het vrouwelijke. Dit stelt voor de bevruchting van het heelal. Van het Diëng-plateau uit begint een keten van Hindoe-oudheden over Midden- en Oost-Java. Ook is er een drainage-inrichting van loodrechte ronde putten die van onderen door een riool zijn verbonden. Het plateau heeft kraters, kratermeren en stikstofvalleien, o.a. de Segoro-wedi (woeste zee) en de Pakaramnang. Het ligt zoowat in het midden van Java.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 297-298

[Jakarta 2 – Erberveld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

Erberfelt (Pieter) was een vermogende halfbloed Europeaan die (naar op de pijnbank verkregen bekentenissen) een uitgebreide samenzwering op touw zette om alle Europeanen te vermoorden en daarna zelf hoofd van de regeering te Batavia te worden. Zijn voornaamste helper Karta Drya zou met den titel raden het bestuur over de Ommelanden voeren. Ook zou hij in verbinding hebben gestaan met Soerapati en andere ontevreden Javaansche hoofden. Door mededeeling van enkele slaven van Erberfelt kwam de samenzwering 28 Dec. !721 aan het licht. Erberfelt en 18 zijner medewerkers werden ter dood gebracht. Zijn huis aan de Oostzijde van de Jacatraweg werd gesloopt en de verwoeste plaats omheind met een hoogen muur waarin een zerk boven welke als schandmerk een doodshoofd waardoor een ijzeren pin steekt. Daaronder de inscriptie: “ Uyt een verfoeylijke gedagtenisse teegen den gestraften Land Verraader Pieter Erberveld sal niemand vermoogen te deeser plaatse te bouwen, timmeren, metselen off planten, nu ofte ten eenige dage. Batavia den 14 April 1722’. Dit monument is nòg aanwezig.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 298-300

[Woordenlijst Exorbitante rechten

Exorbitante Rechten. Het totaal der toepassingen van de z.g.n. exorbitante rechten, loopende van 1855-1920, wordt in eene in 1921 over dit onderwerp verschenen dissertatie van Mr. P.H.C. Jongmans, op ongeveer 1150 geschat. Toepassingen uit den lateren tijd zijn o.m. die op de leden der sedert verdwenen Indische Partij Douwes Dekker, Tjipto en Soewardi, in 1913, en die op de communisten Sneevliet, Van Buurink, Brandsteder, Baars, Bergsma, Semaoen Tan Malakka, enz. (1918-1922). Een massa-interneering te Boven-Digoel (Nieuw-Guinea) had plaats van deelnemers aan de bekende in 1926/27 in West-Java en ter Sumatra’s Westkust voorgevallen relletjes.
Laatstelijk werd nog het eiland Flores als verblijfplaats aangewezen voor den bekenden Volksleider, den ingenieur Soekarno.
De bevoegdheid tot uitoefening der exorbitante rechten is in de art. 35-38 I.S. neergelegd en werd den Gouverneur-Generaal toegekend omdat een samenleving van zeer verschillende rassen gelijk de Indische, meer gevaar oplevert voor verstoring van rust en orde, dan waar een homogene bevolking woont.
De Gouverneur-Generaal kan namelijk in overeenstemming met den Raad van Indië aan personen, die gevaarlijk worden geacht voor de openbare rust of orde, indien zij buiten Ned.-Indië zijn geboren, het verblijf in het geheele gebied of in bepaalde gedeelten daarvan, ontzeggen; indien zij in Ned.-Indië zijn geboren, een bepaalde plaats aldaar tot verblijf aanwijzen, dan wel het verblijf in bepaalde gedeelten daarvan ontzeggen, een en ander mits de betrokken persoon vóór die beslissing in zijne verdediging gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen is (art. 35-38 I.S.)
Wordt het verblijf in geheel Indië ontzegd, dan pleegt men van “uitzetting” of “externeering” te spreken; wordt het verblijf in een deel van Indië ontzegd, dan noemt men dit “politieke verbanning”; wordt een verblijfplaats aangewezen, dan spreekt men van “interneering”.
“Externeering” werd ook wel gebruikt voor een in de praktijk somtijds toegepaste maatregel, waarbij de betrokkene de vrijheid verkreeg Indië te verlaten op voorwaarde anders geïnterneerd te worden.
Zoowel in Parlement als in Volksraad is herhaaldelijk gewezen op de vergaande bevoegdheid van de Overheid in deze exorbitante rechten neergelegd. Toch werd algeheele afschaffing daarvan zonder meer in het algemeen ontraden en ook niet mogelijk geacht.
De toepassing der exorbitante rechten is een maatregel van politiedwang en geen strafmaatregel, welke van de rechter zou moeten uitgaan.
Teneinde echter de mogelijkheid na te gaan om dezen politiemaatregel met meer rechtszekerheid te omringen dan thans het geval is, stelde de Indische Regeering in 1931 eene Commissie in om te onderzoeken in hoeverre de bij de uitoefening dezer rechten thans gevolgde procedure verbetering zou kunnen ondergaan.
Uitzetting uit Indië, zonder toepassing van art. 35 I.S. vindt plaats ten aanzien van personen, die geen ingezetenen zijn. Wordt een tot Ned.-Indië “toegelatene” geacht gevaar op te leveren voor de openbare rust en orde, dan vaardigt de Gouverneur-Generaal eenvoudig met intrekking van zijn toelatingskaart een bevel tot zijn verwijdering uit.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I., 393-394

[Semarang – Artesische put]

Grondpeilwezen. Onderdeel van het Mijnwezen, hoofddoel van deze Dienst is, het verrichten van boringen naar drinkwater door zgn. artesische boringen. In 1884 werden in Indië reeds boringen door de Genie uitgevoerd voornamelijk voor drinkwatervoorziening van militaire kampementen o.a. te Weltevreden, te Ambarawa en te Semarang. De Burgerlijke Openbare Werken verrichten in dien tijd evenzoo boringen voor civiele doeleinden. Nadat echter eenige boringen mislukten, doordat steeds zoutwater werd aangeboord, werden deze werkzaamheden in 1871 bij besluit van den Gouverneur-Generaal aan het mijnwezen toevertrouwd. […]
Voor de drinkwatervoorziening heeft de dienst veel gedaan, tot 1931 werden ruim 1000 boringen verricht, waarvan een gering percentage geen resultaat leverden. […]
Op Java neemt het zoutgehalte der waterlaag dikwijls naar de kust toe. In den regel spuit het water na aanboring uit de boorbuis, de stijgkracht neemt wegens verstopping langzamerhand af. Het water wordt in een gemetseld reservoir opgevangen en door middel van hydranten [staande aansluiting op de waterleiding op straat, waaraan men in Europa bij brand slangen kan schroeven] gedistribueerd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 436-437

[Surabaya – Passar] 
[Woordenlijst – Hoëvell]
 

Hoëvell (Dr. Wolter Robert Baron van), geb. te Deventer 15 Juli 1812, overl. te ’s-Gravenhage 10 Febr. 1879, was predikant te Batavia toen hij zich door zijn vooruitstrevende ideeën op koloniaal-politiek gebied, blijkende uit zijn publicaties, het ongenoegen van de Indische regeering op den hals haalde. Hierdoor gedwongen in het moederland terug te keeren zette hij zijn actie voort en wist zoodanig de aandacht op zich te vestigen dat hij in 1849 tot lid der tweede kamer werd verkozen. Tot de nieuwe richting in het koloniaal bestuur, die zich toen in Nederland baan brak heeft Van Hoëvell in groote mate bijgedragen. Ook op de samenstelling van het nieuwe reglement op het beleid van de regeering in Ned.-Indië (1854) heeft hij grooten invloed uitgeoefend. Door zijn krachtig opkomen voor de belangen van de inheemsche bevolking legde het reglement den gouverneur-generaal den plicht op de Inlandsche bevolking tegen willekeur te beschermen. Mede door zijn invloed werden de ergste misbruiken tegen het cultuurstelsel weggenomen. De gehate passarbelasting werd afgeschaft en aan de slavernij werd bij de wet een einde gemaakt (1859) alles dank zij de actie van Van Hoëvell. Hij was een man van groote welsprekendheid en veelomvattende kennis. Van zijn hand verschenen tal van publicaties

Geïllustreerde Encyclopaedie voor N-I, 450, 487-488

[Semarang – Imam] 

Imam beteekent leider, voorganger. Het woord wordt gebruikt als titel en als ambt. [...] Als ambt voor den moskeebeambte die voorgaat in den sembahjang (het ritueele mohammedaansche “gebed”). [...]
De vrijdagpreek in de moskee wordt gehouden door den chatib. Verder zijn aan de moskee verbonden de modin (verbastering van het Arab. Moadzin), die van de minaret (menarah) de bevolking oproept. In den archipel heeft de moskee meestal geen minaret, maar gebeurt de oproeping op een trom. De modin is verder belast met het schoonhouden van de moskee. Een eigenlijke geestelijkheid kent de Islam niet. Het aantal moskeebeambten hangt af van de grootte van het dorp en van de moskee (masdjid). Soms is er helemaal geen masdjid. Dan komt men samen in de bali deso of in de woning van het dorpshoofd. Het moskeepersoneel verricht o.m. diensten bij huwelijksvoltrekking, bij begrafenissen, besnijdenissen; bij maaltijden zeggen zij de gebeden op; bij boedelscheidingen treden zij op als adviseur, wat echter weinig voorkomt, daar het percentage voor deze adviseurs zoo hoog is, dat men het maar liever volgens de adat doet (dorpshoofd). De zakat wordt speciaal door den Imam geïnd; zij wordt opgebracht van het hoofdproduct van den landbouw (rijst) en van alle andere producten. De betaling van zakat en pitrah (Ar. Fitr), eene vrijwillige gave, heet te zuiveren van zonden. Deze belastingen worden opgebracht op het einde der maand Ramadan, na het vasten. In Atjeh werden deze belastingen destijds opgebracht ten behoeve van den heiligen oorlog; de zakat is verder bestemd voor bekeerlingen en reizigers; in de archipel vaak tot stijving der moskeefondsen. Deze fondsen bestaande uit velden staan onder toezicht van de imams. De imams stonden vroeger onder controle der vorsten, die de instellingen veelal stichten of steunden. Tegenwoordig staan de imams op Java onder controle der regenten, die ook met andere zaken den Mohammedaanschen godsdienstbetreffende, bemoeienis hebben (bestemming van de huwelijksgelden, geschillen in verband met den Vrijdagsdienst). De moskeekassen staan onder beheer van beheerscommissiën bestaande uit een of meer schriftgeleerden en uit door den regent aan te wijzen notabele vertegenwoordigers van niet-ambtelijke ingezetenen, bij voorkeur tot den handelsstand of tot het bedrijfsleven behoorende. De regent heeft tevens controle op het beheer dezer commissiën. Bouw en reparatie van moskeeën gebeurt veelal door de bevolking buiten de fondsen om. De kas wordt gestijfd door giften van de bevolking (er is een offerbus in de moskee); bij geloften en het bezoeken van graven wordt vaak gestort. Voor een moskee is het dus zaak een heilig graf te hebben. De moskeebeambten oefenen, wanneer de godsdienstige inkomsten niet voldoende zijn, vaak een gewoon wereldlijk beroep uit. De moskee wordt, behalve voor het houden van godsdienstoefeningen, gebruikt tot het geven van godsdienstonderwijs.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 460

[Woordenlijst – I.E.V.] 

Indo-Europeesch Verbond (I. E.V.). Opgericht in 1919 stelt het I.E..V. zich ten doel de bevordering van de sociale, moreele, intellectueele en economische ontwikkeling der Indo-Europeanen in Ned.-Indië. De bond verricht in hoofdzaak arbeid op algemeen maatschappelijk gebied. De organisatie omvat 14000 leden, verspreid over een 100-tal afdeelingen in den Indischen Archipel.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 464

[Jakarta 6 – Nijverheidsonderwijs] 

Voor het nijverheidsonderwijs op Westerschen grondslag zijn de Europeesche ambachtschool te Batavia en de openbare ambachtscholen van technisch onderwijs te Batavia, Soerabaja, Jogjakarta en Bandoeng ter opleiding voor de lagere middelbare betrekkingen van technischen en industrieelen aard. Te Semarang is een particuliere technische school (met gouvernements subsidie). De gemeente Soerabaja heeft een dagschool met burger-avondschool voor bouw- en werktuigkundigen. Ook Semarang heeft een particuliere technische avondschool (‘mangoenhardjo’). Te Soerabaja nog de suikerschool van den bond van geëmployeerden bij de suikerindustrie. Ook bij het leger worden kinderen van Europeesche afkomst opgeleid tot ambachtslieden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 475-476 

[Yogya 1 – Steen] 

Het Java-Instituut te Batavia stelt zich ten doel de ontwikkeling van de inheemsche cultuur van Java, Madoera en Bali te bevorderen. Het secretariaat is gevestigd te Jogjakarta.
De [andere] wetenschappelijke instituten welke op Ned.-Indië betrekking hebben zijn:
1. Het Koloniaal Instituut te Amsterdam [...]
2. Het Batak-Instituut te Leiden [...]
3. Het Koninklijk Instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië te ’s-Gravenhage [...]
4. De Afdeeling Nederlandsch-Indië van het Koninklijk Instituut voor ingenieurs gevestigd te Batavia [...]

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 497

[Jakarta 7 – Consul Generaal] 

Japanners worden reeds sedert eeuwen in den archipel aangetroffen. Een intensief handelsverkeer tusschen Japan en Ned.-Indië dateert echter eerst van de laatste decennia. Vooral in den wereldoorlog is die handel, doordat het verkeer met Europa vrijwel was verbroken, belangrijk toegenomen. Japansche lucifers, goedkoop aardewerk, rijwielbanden en lampeglazen zijn vaste importartikelen. Japansch cement verdrong het inheemsche product van Indaroeng [De eenige Portlandcement fabriek, gelegen te Indaroeng op Sumatra.] zoodanig dat thans maatregelen zijn genomen om het Indisch cement te beschermen.
Japan betrekt uit Indië aardolie en suiker. Stookolie voor zijn vloot haalt het uit Tarakan. Eenige Japansche bankinstellingen, -handelshuizen en een 30-tal –cultuurondernemingen zijn in den archipel gevestigd. Ook wordt in de Indische wateren veel door Japanners gevischt. De Japansche scheepvaart op Indië is belangrijk.
Japan heeft een consul-generaal te Batavia en consuls te Soerabaja en Medan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I., 498, 502-503

[Mendut – Hindoecultuur] 
[Borobudur 0 – Boeddha] 

Van de oorspronkelijke bevolking, die een duizendtal jaren vóór Christus den archipel bewoonde, is heel weinig bekend. Enkele steenen wapenen en gereedschappen uit dien tijd zijn in West-Java gevonden. Ongeveer 500 jaar vóór Christus zijn volksstammen, waarschijnlijk afkomstig uit Achter-Indië, via Malakka naar den archipel getrokken. Deze volksstammen stonden reeds op een hoogeren trap van beschaving. In de eerste eeuw na Christus kwamen Hindoes en Chineezen in den archipel handel drijven en vooral de eersten bleven op Sumatra, Java en Borneo gevestigd. De oudste kenteekenen der Hindoebeschaving op Java werden in het Westen gevonden. In de 4de of 5de eeuw na Christus bestond daar een Hindoesch rijk, dat Taroema heette en geregeerd werd door een koning Poernawarman. Van dien tijd af is iets meer van de geschiedenis van Java bekend uit inscripties op steen en op koperplaten, uit andere archeologische gegevens, uit oud-Javaansche geschriften en uit mededelingen van Arabische, Portugeesche en vooral van Chineesche reizigers.
In de zevende eeuw was Midden-Java het centrum van de Hindoecultuur geworden, Chineesche berichten van dien tijd spreken van het rijk Kaling. Van het jaar 750-850 stond Midden-Java onder den invloed van de Hindoevorsten van Palembang. Uit dien tijd en iets later dateren vele belangrijke Hindoemonumenten, die men op Midden-Java aantreft, de Boroboedoer, de Mendoet, het Prambanan-complex enz. De oude heersers van het rijk Kaling waren intusschen naar Oost-Java uitgeweken en brachten daar de Hindoe-Javaansche cultuur. In de tweede helft der negende eeuw keerden zij weer naar Midden-Java terug, waar de Palembangvorsten hun invloed verloren hadden. Het strekte zich uit over Midden- en Oost-Java. De kern van het rijk lag eerst in Midden-Java, doch verplaatste zich in het begin der tiende eeuw naar het Oosten ( Kediri). Mpoe Sindok, de toen regeerende vorst, was de stamvader van een reeks vorsten, die tot het begin der dertiende eeuw over Java heerschten en ook over andere eilanden Bali, Ternate, Zuid-Celebes, Zuid-Borneo enz. hun macht uitbreiden. In 1222 maakte een opstandeling Keng Angrok een einde aan het rijk van Kediri en stichtte een nieuw rijk Toemapel met Singasari als hoofdplaats. Dit laatste ging op het einde dier eeuw te niet.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 521-522

[Bandung – Resident] 
[Semarang 2 – Gouverneurskantoor] 

Tot de invoering van de bestuurshervorming [1925] was Java en Madoera verdeeld in residentiën onder het bestuur van een resident. Elke residentie (gewest) was wat het Europeesch bestuur betreft verdeeld in assistent-residentiën of afdeelingen met een assistent-resident of de resident zelf aan het hoofd. De residenten en de assistent-residenten voor hun afdeeling waren het hoofd van bestuur en politie. In hun bestuursfunctie (in sommige gevallen ook in hun politietaak) werden zij bijgestaan door Controleurs bij het Binnenlandsch Bestuur als hoofd van een contrôleafdeeling. Alvorens tot controleur te worden benoemd maakte men een leertijd door als aspirant-controleur en ambtenaar ter beschikking. Elke afdeeling bestond uit een of twee regentschappen onder Inlandsch bestuur, meestal onder een regent, soms onder een zelfstandigen patih, een Inlandsch bestuursambtenaar, die anders optreedt als vervanger van den regent. In de residentie Batavia alleen had men een enigszins afwijkenden bestuursvorm; eerst in den laatsten tijd zijn daar ook regenten aangesteld. Elk regentschap was verdeeld in districten, onder een districtshoofd of wedana, en die districten weer in onderdistricten onder een onder-districtshoofd of assistent-wedana. Elk onderdistrict bestaat uit een aantal Inlandsche gemeenten of desa's waarover een hoofd is aangesteld.
Sedert de laatste jaren is het Gouvernementsgebied van Java echter verdeeld in drie Gouvernementen. Het Gouvernement West-Java werd in 1925, Oost-Java in 1928 en Midden-Java in 1929 ingesteld. [...]
Het hoofd van gewestelijk bestuur, vroeger de Resident, is thans de Gouverneur, met naast zich de Provinciale Raad, met een college van Gedeputeerden voor de dagelijksche leiding. De provincie is verdeeld in residenties, welke thans afdeelingen zijn geworden, bestuurd door een resident, die, behoudens eenige uitbreiding van bevoegdheden, thans ongeveer dezelfde positie heeft, als vroeger de assistent-resident. De controleurs, aspirant-controleurs en ambtenaren ter beschikking zijn de helpers van de Europeesche bestuurshoofden. Een groot deel van hun vroegere taak is thans overgenomen door het Inlandsch bestuur. Het hoofd van het Inlandsch Bestuur is thans overal een regent, met naast zich een regentschapsraad, waaruit soms een College van Gecommitteerden wordt gekozen voor de dagelijksche leiding en onder zich een patih, wedana's, assistent-wedana's en lager Inlandsch bestuurspersoneel. Verschillende plaatsen zijn Europeesche stadsgemeenten geworden met een burgemeester aan het hoofd, bijgestaan hier en daar door wethouders. Naast de burgemeester of het College van B. en W. staat de gemeenteraad.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 528

[Pasuruan – Noordkust] 

Goed geoutilleerde havens vindt men te Batavia (Tandjoeng Priok) en Soerabaja. Tjilatjap is de eenige groote haven aan de Zuidkust. Aan de Noordkust kunnen groote zeeschepen laden en lossen op de verschillende reeden. Cheribon, Tegal, Pekalongan, Semarang, Pasoeroean en Probolinggo hebben een goede reede, waar bijna altijd gelost en geladen kan worden. Alleen als de West- of Oostmoesson krachtig doorstaan is het zeer tijdelijk soms niet mogelijk, dat de schepen behandeld worden. Voor dat laden en lossen wordt gebruik gemaakt van goede zeewaardige prauwen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 657

[Surabaya – Tempel] 

Klenteng is het algemeene woord voor een Chineeschen tempel, welks bouwstijl ook in Indië geheel Chineesch is en hetzelfde aanzicht heeft onverschillig of hij voor Boeddha of voor Confusius is. Ook is er weinig verschil tusschen een tempel en een aanzienlijk Chineesch huis. De voornaamste uiterlijke architectuur van een klenteng is het dak met gebogen lijnen, waaraan de daken der huizen der Minangkabauers doen denken. Deze krommingen en andere deelen dragen ornamenten en fraai versierde tegels welke de speciefieke schoonheid zeer verhoogen. In den tempel vindt men tal van goden: de bekende Kwoan Yin (Godin der genade), enz. Behalve voor den godsdienst wordt de tempel ook wel benut voor het beëedigen van Chineesche getuigen in ernstige gedingen en het installeeren van Chineesche officieren, enz.”

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 669

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Die koffie werd te Mokka ingekocht en bracht goede prijzen op, zoodat de Oost-Indische Compagnie tegen het einde der zeventiende eeuw besloot een poging te doen de teelt naar Java over te brengen, Daartoe werden koffieplantjes verkregen in Voor-Indië, op Java uitgeplant. Deze proef mislukte, doch werd eenige jaren later met meer succes herhaald. Langzamerhand werden de zaden onder de Inlandsche bevolking van Batavia, Preanger en Cheribon verspreid en weldra breidde de koffieaanplant zich uit. In 1712 werd een duizendtal ponden Javakoffie in Nederland verkocht, […]

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 691-692

[Jakarta 7 – Vliegtuigen] 

Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaartmaatschappij (K.N.I.L.M.)
Met deze te Amsterdam gevestigde naamlooze vennootschap heeft het Indische gouvernement een subsidieovereenkomst. Het toezicht op de naleving hiervan, alsmede de overheidszorg met betrekking tot het burgerlijk luchtverkeer is opgedragen aan het onder het departement van verkeer en waterstaat ressorteerende, te Bandoeng gevestigde, afdeeling Luchtvaart.
Gedurende het jaar 1931 waren van deze maatschappij in Indië de volgende luchtlijnen in bedrijf:

Batavia-Bandoeng v.v. 
Batavia-Semarang-Soerabaja v.v. 
Batavia-Palembang v.v. tot 1 Mei 1931 
Singapore-Medan v.v. v. 5 Aug. 1931 

Batavia-Palembang-Pakanbaroe-Medan v.v. 

110 K.M. dubbeldagelijks;
670 K.M. dagelijks;
585 K.M. wekelijks;
620 K.M. wekelijks;

1881 K.M. wekelijks.

Eind 1931 bedroeg de wekelijks gevlogen afstand 17.896 K.M.
Van eene geleidelijke uitbreiding welke in normale tijden niet achterwege had kunnen blijven, moest onder de huidige omstandigheden worden afgezien. Zoo moest de inrichting der luchtroute Batavia-Benkoelen-Padang welke grootendeels reeds verkend en voorbereid was, en van eene luchtverbinding Soerabaja-Makassar worden uitgesteld.
De wekelijkse verbinding Batavia-Palembang werd opgeheven omdat de beide overige verbindingen van deze plaats met Batavia voldoende bleken. Daarentegen werd de lijn Batavia-Singapore in Augustus 1931 doorgetrokken tot Medan. De lijn Singaspore-Medan echter moest wegens de teleurstellende resultaten begin 1932 worden stopgezet.
Het vervoer had plaats met 7 F VII B- en 2 F XII-vliegtuigen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 758

[Bandung 2 – Leger des Heils] 

Leger Des Heils. Deze organisatie werkt reeds sedert een 40-tal jaren in den archipel. Zij verricht er zendings- en maatschappelijk werk onder alle landaarden en op elk gebied. Bovendien voert zij het beheer over een viertal melaatschen-kolonies.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I., 822

Mataram.
I. Sjiwaitisch rijk in Midden-Java, met hoofdplaats Medang, gesticht omstreeks 900 onzer jaartelling. De sjiwaitische tempelgroep Lara-Djonggrang en de Boeddhistische tempelgroep Ploasan (deze beide godsdienstige richtingen bestonden op vreedzame wijze naast elkaar) dateeren uit dien tijd van dit rijk. In 928 werd dit gebied als centrum verlaten en vestigden de vorsten zich in Kediri.
II. Het bekende Islamitische rijk Mataram is ontstaan uit Madjapait; in 1575 maakte de regent van Mataram (Soetowidjojo) zich onafhankelijk en wist zijn gezag te vestigen over Demak, Padjang, Kediri en andere rijkjes. Toen de Nederlanders in den archipel kwamen was Mataram een der beide groote rijken (het andere was Bantam) op Java. De panembahan van Mataram (Sepati) had het grootste deel van Java, benevens Madoera onder zijn gezag. In 1755 werd het door de O.I. Compagnie verdeeld in de beide thans nog bestaande rijken Soerakarta en Jogjakarta. De afdeeling Mataram in laatstgenoemd gebied is bij de invoering der bestuurshervorming opgeheven.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I., 829

[Surabaya 2 – Merkus] 

Merkus (Mr. Pieter), geboren te Naarden 18 Maart 1787, overleden te Simpang (bij Soerabaja) 2 Augustus 1844, was van 6 Januari 1841 tot 14 Februari 1843 waarnemend gouverneur-generaal en van 14 Februari 1843 tot 2 Augustus 1844 gouverneur-generaal van Ned. Indië. Gedurende zijn bewind hadden geen gebeurtenissen van bijzonder belang plaats. Als lid van den Raad van Indië maakte hij met Van Sevenhoven en Van Nahuys van Burgst, na den opstand van Dipo Negoro (1830) de regeling waarbij de gewesten Banjoemas, Bagelèn, Madioen en Kediri onder rechtstreeksch bestuur werden gebracht. In 1839 regelde hij, in dezelfde functie, de zaken ter Sumatra’s Westkust na beëindiging van den padri-oorlog.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 915-916

[Jakarta 2 – Gamelan] 
[Yogya 1 – Gamelan] 

De inheemsche muziekinstrumenten in den archipel zijn, behoudens enkele uitzonderingen zeer primitief en gebrekkig vervaardigd. Zij beantwoorden echter volkomen aan hun doel en aan de eischen die de Inlander er aan stelt. Het doel is ook niet de muziek als zoodanig maar dient meer ter begeleiding van den dans of ter opluistering van feestelijkheden.
De meest volmaakte muzikale uiting vindt men in de gamelan, het Javaansche orkest. De hoofdrol van dit orkest wordt vervuld door slaginstrumenten; hiervan weer is het allerbeheerschende instrument de bonang, de zeer eigenaardige welluidende metalen gong, waarvan er in het orkest twee maal vijf of twee maal zeven aanwezig zijn [ketels, die ondersteboven in twee rijen, naast elkaar op een laag rek liggen]. Men onderscheidt namelijk, naar den toonaard enkele soorten van gamelan, waarvan de bekendste zijn de salèndro en de pélog. De salèndro vereischt twee maal vijf, de pélong twee maal zeven bonangs. De bonang wordt vervaardigd van drie deelen rood koper en een deel tin en wordt bespeeld met hamertjes (taboeh’s) of omwikkelde stokjes. Zij worden onderscheiden in mannelijke (hooger gebouwd en meer uitgebold) en vrouwelijke (lager gebouwd en vlakker). Het salèndro-octaaf heeft vijf, het pélog-octaaf 7 tonen.
Verder behooren bij de gamelan een viertal soorten xylophoons, nl. de saron’s, vier in getal en verschillend in grootte en in toonhoogte; de gambang gangsa, de gèndèr en de gambang kajoe. De drie eerste hebben metalen klankstaven, de laatste houten.
Andere slaginstrumenten van de gamelan zijn de gong, een groot metalen bekken, waarvan een twee of drietal aanwezig is, de kempoel, een kleine gong waarvan er maar een is, de kenong, waarvan er 3 (salèndro) of 4 (pélog) zijn en de ketoeg, alle kleine gongs. Er zijn ook nog andere soorten gongs.
Een tweesnarig instrument is de rebab, een klagelijk instrument dat als een cello wordt bespeeld. De rebabspeler is de leider van het orkest. Dit is niet compleet zonder de volgende instrumenten: de soeling, een fluit, de selomprèt, afgeleid van trompet, doch in werkelijkheid meer een hobo, de kendang en de ketipoeng, twee tromsooorten, de tjelèmpoeng, een soort citer, eenige rinkelinstrumenten, een houten doos, houten plankjes, enz.
Deze instrumenten kunnen eenvoudig van uiterlijk zijn maar zijn ook veelal fraaie kunstuitingen; dit heeft uiteraard invloed op den prijs, maar niet op de muzikale qualiteit van het instrument.
Tot het gamelan-orkest behooren ook de zangeressen, gezeten achter de voorste instrumenten. Zij begeleiden nu en dan de instrumenten; de gezongen teksten zijn ontleend aan pantoes en zijn willekeurig. Alleen bij piano of pianissimo doen alle instrumenten mede; bij forto of fortissimo zwijgen de zwakke als de rebab, de gambang kajoe, gèndèr, tjelèmpoeng en soeling.
Voor een volledige gamelan-bezetting zijn 24 personen noodig. De bezetting kan varieeren, zoodat men ongeveer een 20-tal gamelan-soorten heeft.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 990-991

[Pasuruan – Eiffeltoren] 
[Woordenlijst – Pajong]
 

Regenten met het praedicaat toemenggoeng voeren een half witten en half groene pajong of songsong (zonnescherm) met drie vergulde randen en die met het praedicaat adipati een witten pajoeng met drie vergulde randen. Voor trouwe diensten of buitengewone verdiensten kan hun de gele pajoeng worden toegekend. Dit onderscheidingsteeken in het klein wordt door de regenten gevoerd op den automobiel. Ook onderscheidene andere categorieën Inlandsche ambtenaren voeren een pajong. Het voeren van een zonnescherm als onderscheidingsteeken is een zeer oud gebruik, naar men meent ontleend aan de Chineezen. Alle Europeesche gezagvoerende ambtenaren en de regenten hebben de Nederlandsche vlag (grootte naar den rang; de hoofden van gewestelijk bestuur alle dagen, de overigen op Zon- en feestdagen) op hun erf vóór de ambtswoning.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1019-1023

[Jakarta 6 – Prinses Julianaschool 
[Jakarta 6 – Prins Hendrik School] 
[Jakarta 7 – CAS] 
[Malang - A.M.S.]
 
[Semarang 2 – Burgerschool] 

Middelbaar en Voorbereidend Hooger onderwijs
Dit onderwijs wordt gegeven aan twee soorten scholen: de hoogere burgerscholen (H.B.S.) en de algemeene middelbare scholen (A.M.S.). De H.B.S. is geheel georiënteerd op het middelbaar onderwijs in Nederland; het leerplan is nagenoeg gelijk aan dat der hoogere burgerscholen aldaar, zoodat tusschentijdsche overgang van leerlingen mogelijk is. De A.M.S. is meer gericht op specifiek Indische eischen en behoeften; aan het diploma der hoogste afdeeling zijn niettemin voor de verdere studie en voor het bekleeden van betrekkingen in het algemeen dezelfde rechten verbonden als aan dat der H.B.S. met vijfjarigen cursus en dit laatste is wederom gelijkgesteld met gelijksoortige einddiploma's in Nederland.

Hoogere burgerscholen en lycea.
Openbare H.B.S.-en met 5-jarigen cursus zijn gevestigd te Batavia (Koning Willem III-school) waaraan verbonden een literair-economische afdeeling, Soerabaja, Semarang, Bandoeng, Malang en Medan. Te Batavia is ook nog een particuliere 5-jarige meisjes H.B.S. met hetzelfde programma als de openbare vijfjarige H.B.S., alsmede een particulier lyceum, een particuliere Roomsch-Katholieke en een Christelijke afd. B. der A.M.S. en een openbare gemengde H.B.S. met 3-jarigen cursus met daaraan verbonden tweejarige handelsschool (Prins Hendrikschool), welke met ingang van 1 Juli 1932 geleidelijk is omgezet in een Literair Economische H.B.S. Te Bandoeng is een Christelijk Lyceum. Het eindexamen der H.B.S.-afdeelingen der genoemde particuliere instellingen is gelijkwaardig verklaard aan dat der openbare vijfjarige H.B.S.
Particuliere driejarige meisjes-H.B.S.-en zijn te Batavia (3), Soerabaja (2) en Bandoeng (1). Al deze particuliere middelbare scholen worden van Landswege gesubsidieerd.
Voor de toelating tot de eerste klasse der 5-jarige H.B.S. leggen de leerlingen der lagere scholen een door het schoolhoofd ingevulde vragenlijst over. Bovendien leggen alle candidaten een schriftelijk examen af in het Nederlandsch, het rekenen, de geschiedenis en de aardrijkskunde en een mondeling examen. Tot de hoogere klassen worden extraneï alleen toegelaten na een examen, behalve wanneer zij afkomstig zijn van een andere vijfjarige H.B.S. in Nederland of Ned.-Indië en een schriftelijke verklaring overleggen van de directeur der inrichting, die zij verlieten.
Het einddiploma van de openbare driejarige H.B.S. (Prins Hendrikschool) geeft zonder examen toegang tot de 4e klasse eener vijfjarige H.B.S., indien de directeur der P.H.S. den bezitter overigens geschikt acht voor het volgen van het onderwijs in die klasse. Aan de P.H.S. is een éénjarige schakelklasse verbonden, om abituriënten van de muloscholen, die tot de aan deze school verbonden handelsschool (of Litt. Ec. H.B.S. waarin deze geleidelijk wordt omgezet) willen worden toegelaten de noodige kennis in het Fransch en Duitsch bij te brengen.
Het aantal leerlingen der zeven vijfjarige H.B.S.-en bedroeg in 1931 – 2743, waarvan ongeveer 84% van Europeeschen landaard was. Het aantal niet-Europeanen onder de leerlingen stijgt langzaam.
De belangstelling voor de Litt. Economische afdeelingen, die aan vier openbare H.B.S.-en waren verbonden, bleef gering, in verband waarmede die afdeelingen te Bandoeng en Soerabaja geleidelijk werden opgeheven, zoodat thans alleen te Batavia en Semarang zoodanige afdeelingen bleven voortbestaan. Van de 245 abituriënten der vijfjarige H.B.S.-en in 1931 verwierven er slechts 20 het diploma der litt. econ. afdeeling.
Het eindexamen der Indische vijfjarige H.B.S.-en is van 1932 af in overeenstemming met dat in Nederland. Anders dan in Nederland, waar de groote meerderheid van de abituriënten der vijfjarige H.B.S.-en niet verder gaat studeeren, is dit bij het meerendeel van de abituriënten der Indische scholen wèl het geval.
De twee bijzondere lycea te Batavia en te Bandoeng hadden in 1931 – 459 leerlingen, tegen 393 in het voorgaande jaar. Nagenoeg alle abituriënten studeerden verder aan een hoogeschool of universiteit.
Het totaal aantal leerlingen der 7 driejarige H.B.S.-en (waarvan 6 uitsluitend voor meisjes zijn bestemd) bedroeg in 1931 – 733, waarvan 630 Europeanen, 34 Inlanders en 69 Chinezen. Het meerendeel der meisjes-abituriënten zet de studie voort aan de Europeesche kweekscholen.

Algemeene middelbare school (A.M.S.)
De A.M.S. is gesplitst in een wis- en natuurkundige afdeeling (B) te Jogjakarta, te Batavia, te Malang en te Semarang, een Westersch klassieke afdeeling (A II) en een Oostersch-letterkundige afdeeling (A I) te Jogjakarta. Voorts zijn te Batavia een particuliere Roomsch-Katholieke en een Christelijke afd. B der A.M.S., welker einddiploma gelijkwaardig is aan dat eener openbare A.M.S.
Het leerplan der afd. A I omvat: Javaansch, Maleisch, Indische cultuurgeschiedenis, Indische kunstgeschiedenis, Nederlandsch, Fransch, Engelsch, Duitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting, staathuishoudkunde, wis-, natuur-, scheikunde, plant- en dierkunde, teekenen en lichamelijke oefeningen. Het einddiploma geeft toelating tot de studie der rechtshoogeschool te Batavia en de faculteit der letteren en wijsbegeerte betreffende de studie van de Arische (Indo-Iraansche) en van de Indonesische taal en letterkunde der universiteit te Leiden en van vereenigde faculteiten der rechtsgeleerdheid en der letteren en wijsbegeerte betreffende de studie van het Ned.-Indische recht en de Indologische studie, voorts na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Latijn, tot die van de faculteit der rechtsgeleerdheid der universiteiten te Leiden en te Utrecht, na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Grieksch en in het Latijn ook tot die van de faculteiten der Godgeleerdheid en der letteren en wijsbegeerte en na het afleggen van een aanvullingsexamen ten overstaan van betrokken faculteit tot die van de faculteiten der geneeskunde en der wis- en natuurkunde.
Het leerplan der afd. A II omvat: Latijn, antieke cultuur, Nederlandsch, Fransch, Engelsch, Hoog-duitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting, volkshuishoudkunde, wis- en natuurkunde, scheikunde, plant- en dierkunde, teekenen en lichamelijke oefeningen. Het einddiploma is gedeeltelijk gelijkgesteld met het einddiploma gymnasium bedoeld in art. 11 der hooger onderwijswet. Het geeft toelating tot de examens in de faculteit der rechtsgeleerdheid, der veeartsenijkunde, tot die in de vereenigde faculteiten der rechtsgeleeerdheid en der letteren en wijsbegeerte en tot die in de vereenigde faculteiten der wis- en natuurkunde en der letteren en wijsbegeerte, alsmede na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Grieksch, tot de examens in de faculteit der Godgeleerdheid en tot die in de faculteit der letteren en wijsbegeerte en na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in de wiskunde (behalve in de planimetrie), de natuurkunde, de scheikunde en de natuurlijke historie, tot die in de faculteit der geneeskunde en tot die der wis- en natuurkunde.
Het leerplan der afd. B. omvat dezelfde vakken als op de vijfjarige H.B.S. in de 3 hoogste leerjaren worden onderwezen, met uitzondering van Fransch (facultatief) en met toevoeging van een of meer Inlandsche talen (facultatief). Het einddiploma is gelijkgesteld met dat der vijfjarige H.B.S.
Het aantal leerlingen der afd. A I bedroeg in 1931 – 94 tegen 119 in 1913, dat der afd. A II respectievelijk 97 en 111. Het totaal aantal leerlingen der 7 B-afdeelingen (5 openbare en 2 bijzondere) steeg van 713 in 1930 tot 860 in 1931, grootendeels van inheemschen landaard. Het aantal vrouwelijke leerlingen op deze scholen is gering.
Meer nog dan die der H.B.S. volgen de abituriënten der A.M.S. een instelling van hooger of van vakonderwijs.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1054-1056

[Jakarta 5 – Istana Negara] 

Opperbestuur. Vóór de grondwetsherziening van 1848 had de Koning “bij uitsluiting” het Opperbestuur, waaronder mede begrepen de opperwetgeving, over de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. Bij die grondwetswijziging vervielen echter de woorden “bij uitsluiting” uit de Grondwet en werd, in den geest van dien tijd, de deur geopend voor medewerking van de Staten-Generaal, welke voor bepaalde onderwerpen zelfs geëischt werd.
Overigens bleef het Opperbestuur zelf, ook tegenover de Indische Regeering, nog onbeperkt tot regeling en bestuur bevoegd.
In de Grondwetswijziging van 1922 en de daarop rustende Indische Staatsregeling van 1925, is de verhouding tusschen de wetgevende macht in Nederland (Koning met Staten-Generaal), den Koning en de Indische Regeering opnieuw geregeld.
Kenmerk dezer nieuwe verhoudingsregeling is het terugdringen van den Koning als wetgever voor Indië tot bepaald aangewezen onderwerpen van imperiaal belang en het overbrengen van het zwaartepunt van het Plein [te Den Haag] naar Buitenzorg, voor de inwendige aangelegenheden met het verleenen daarin van medezeggingsschap aan de ingezetenen van Ned.-Indië. De Indische Staatsregeling van 1925 heeft echter èn inzake wetgeving èn inzake bestuur en financiën gewaakt voor een sterk contact, c.q. overwicht van Opperbestuur en Staten-Generaal in Nederland.
Art. 60 der Grondwet van 1922 legt evenals tevoren het Opperbestuur in handen des Konings. Dit Opperbestuur komt sedert 1922 echter neer op een algemeene supervisie van het door den Gouverneur-Generaal uitgeoefende algemeene bestuur in Ned.-Indië, welke haar sanctie vindt in de verantwoordelijkheid van den Landvoogd aan den Koning en zijne verplichting om ’s Konings aanwijzingen in acht te nemen (art 1, lid 1 I.S.).
De Opperwetgeving is in art. 61 der Grondwet, deels aan de wetgevende macht in Nederland, deels aan den Koning opgedragen. Zoo moet de staatsinrichting van Ned.-Indië zelve door den wetgever in Nederland (Koning met Staten-Generaal) worden geregeld, en andere onderwerpen worden door de wet geregeld zoodra daaraan behoefte blijkt te bestaan. Ook het eindoordeel over de Indische begrooting blijft in handen van diezelfde wetgevende macht in Nederland.
’s-Konings wetgevende bevoegdheid voor Indië strekt zich sedert 1922 uit tot die onderwerpen of die gevallen, welke door de wet aan den Koning zijn voorbehouden, (art. 61² = Gw. En 91 I.S.); zoo b.v. de toelating en vestiging in Ned.-Indië, de uitlevering van vreemdelingen, al hetgeen betreft de met vreemde mogendheden gesloten verdragen, de verdediging van het grondgebied van Ned.-Indië en derhalve is sedert dien ’s-Konings wetgevende bevoegdheid beperkt tot de meer imperiale aangelegenheden.
Het gebied der inwendige aangelegenheden is daarentegen sedert 1922 voor den wetgever in Ned.-Indië voorbehouden, zij het onder supervisie van Opperbestuur en Nederlandschen wetgever. (art. 61² en 62 Gw., art. 82, 91, 99 I.S.).
Ingeval van conflict van Gouverneur-Generaal en Volksraad inzake wetgeving kan uiteindelijk regeling bij algemeenen maatregel van bestuur plaats hebben (art. 89, 90 I.S.).
Koning en Staten-Generaal oefenen tenslotte een repressief toezicht uit op de wetgeving van Gouverneur-Generaal en Volksraad (schorsings- en vernietigingsrecht, art 99, 100 I.S.).
Elke daad van Opperbestuur of Opperwetgeving der Konings vereischt naar den grondregel van ons staatsrecht (onschendbaarheid des Konings – ministerieele verantwoordelijkheid), medewerking van den Minister van Koloniën, die daarvoor dan verantwoordelijk is tegenover de Staten-Generaal. Kan de Minister van Koloniën zich vereenigen met het beleid van den Landvoogd, hetzij handelende op zijn last, met zijn medeweten of zelfstandig, dan zal een eventueel afkeurend votum van de Staten-Generaal hem (den Minister) treffen, c.q. tot aftreden nopen. Dekt de Minister den Gouverneur-Generaal in zijne handelingen niet, dan kan daarin reden zijn den Gouverneur-Generaal te ontslaan, c.q. hem tot aftreden te brengen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I., 1095-1096

[Woordenlijst – Padri] 

Padri’s; aldus noemde men een orthodoxe Mohammedaansche secte in de bovenlanden van Sumatra’s Westkust welke de nauwgezette volging der Moslimse wet der bevolking met geweld wilde opdringen ten koste der daarmede geheel strijdige inheemsche instellingen en van het toenmalige zedenbederf aldaar.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1196, 1201 

[Priangan] 

Priangan, residentie (afdeeling) der provincie West-Java, omvattende de regentschappen Bandoeng, Soemedang, Tasikmalaja, Tjamis en Garoet. De residentie telt bijna 3.500.000 inwoners, waaronder 27.000 Europeanen en 33.000 Chineezen. De naam Priangan is de samentrekking van para hijangan, d.i. de verblijfplaats der goden of geesten. Het gebied is zeer bergachtig: op de grens met de residentie Batavia de Tangkoebanprahoe-keten; in het centraal gedeelte een bergketen met vele toppen, met uitlopers naar het Zuiden. Tussen deze bergketens het stroomgebied van de Tjitaroem, die naar het Noorden stroomt ren in de residentie Batavia in de Java-zee uitmondt. Een andere belangrijke aan de Noord-kust van Java uitmondende rivier is de Tjimanoek, die op de Zuidelijke helling van de Papandajan ten Zuiden van Garoet ontspringt en in het gewest Cheribon ten Noorden van Indramajoe in zee uitmondt. In den Indischen oceaan monden tal van kleine rivieren uit. Hiertoe behoort de Tjitandoej, de grensrivier met de residentie Banjoemas, tevens ongeveer de grens van de Soendaneesche en Javaansche taalgebieden. Hier zijn de moerassige Lakbokstreken, waar nog rhinocerossen huizen en die zich uitstrekken tot aan de zee. De woningen zijn hier op palen gebouwd.
De hoofdplaats Bandoeng ligt op een plateau, vroeger een meer, afgetapt door de Tjitaroem. Als resten van dat meer zijn nog enkele rawah’s (moerassen) aanwezig. Ook Garoet ligt op een plateau. Priangan is in het algemeen een vruchtbaar gebied met vele erfpachtsperceelen. De voornaamste cultures zijn er koffie, thee en kina. De residentie wordt doorsneden door den spoorweg Batavia-Soerabaja, met een 5-tal zijlijnen naar Zuidelijk gelegen plaatsen o.a. naar de Pinandjoeng-baai en de daarbinnen gelegen Dirk de Vries-baai en Maurits-baai.
De bevolking is Soendaneesch.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1214-1215

[Raad van (Nederlandsch-)Indië]

De Indische Staatsregeling voegt den Gouverneur-Generaal een van hem onafhankelijk, zelfstandig lichaam, den Raad van Ned.-Indië, toe, dat bestemd is hem van advies te dienen of in sommige bestuursaangelegenheden zelfs met hem mede te werken.
Het College bestaat uit een vice-president en zes leden die Nederlandsche onderdanen moeten zijn, ten minste 30 jaar oud en die door de Koning worden benoemd en ontslagen.
Het aantal leden werd in 1929 van vier op zes gebracht, ten einde een tweetal onderdanen niet-Nederlanders en wel speciaal inheemschen in den raad te kunnen opnemen.
Het werd echter tevens noodig geoordeeld te bepalen dat de leden hun ambt niet langer dan vijf jaren zullen bekleeden en dat zij niet dadelkijk opnieuw benoembaar zijn.
De Gouverneur-Generaal kan het voorzitterschap van het College zoo dikwerf hij dit noodig acht, bekleeden. Hij heeft dan raadgevende steun.
Bij ziekte of afwezigheid van den Gouverneur-Generaal kan deze het dagelijksch beleid van zaken tijdelijk opdragen aan 's Raads vice-president en deze niet aanwezend zijnde, aan het oudste lid in benoeming.
De Gouverneur-Generaal kan ambtenaren en officieren der land- en zeemacht gelasten de vergaderingen van den Raad bij te wonen tot het geven van mondelinge inlichtingen.
De hoofden der departemeenten*) van algemeen bestuur worden opgeroepen tot bijwoning der vergaderingen van den Raad, voorgezeten door den Gouverneur-Generaal, tenzij deze om bizondere redenen anders beslist. Zij worden verder in de gelegenheid gesteld, om, zoo zij dit wenschen, deel te nemen aan de behandeling, in andere vergaderingen van den Raad, van voorstellen, behorende tot den werkkring van het betrokken departement. In beide gevallen hebben zij alleen een raadgevende stem.
De Raad heeft in wetgevende zaken alleen adviseerende bevoegdheid en wel ten aanzien van ontwerp-regeeringsverordeningen en ontwerp-ordonnanties, door den Gouverneur-generaal aan den Volksraad voorgelegd of door den Volksraad ontvangen en aan Gouverneur-Generaal aangeboden, zoomede door ordonnanties, welke door den Landvoogd op eigen gezag en verantwoordelijkheid worden vastgesteld. Overigens vraagt de Gouverneur-Generaal het advies van den Raad over alle zaken van algemeen of bizonder belang, waar hij dit noodig oordeelt en is hij tot die raadpleging in verschillende in de betrekkelijke bepalingen van de Indische Staatsregeling nader aangegeven belangrijke aangelegenheden, zelfs verplicht. De Landvoogd beslist alleen, behalve in enkele gevallen, waarin de Staatsregeling overeenstemming met den Raad voorschrijft. Wordt deze overeenstemming niet verkregen dan kan den Gouverneur-Generaal de beslissing des Konings inroepen en intusschen de vereischte voorzieningen dadelijk treffen indien dringende omstandigheden dit eischen.
*) Aantekeningen Algemeen - Departementen 

Geïllustreerde Encyclopaedie, 1268-1271

[Surabaya 2 – Sarekat Islam] 

Sarekat Islam.
Met den Islam als symbool der volkseenheid werd deze volksvereeniging einde 1911 door Mas Hadji Samanhoedi, batikhandelaar, te Solo opgericht, aanvankelijk met het doel de belangen van den Inlandschen middenstand te bevorderen. Daar het optreden der leden meermalen aanleiding gaf tot straatrelletjes, werd de volksbeweging door het gewestelijk bestuur gestuit.
In September 1912 werd de vereeniging opnieuw, thans te Soerabaja, opgericht door R. Oemar Said Tjokroaminoto, destijds handels-geëmployeerde, mede namens eenige Soloneezen, w.o. Hadji Samanhoedi.
De beweging breidde zich over geheel Java uit, maar ook daarbuiten. Talrijke kringen vormen zich onder leiders, wier actie plaatselijke ongeregeldheden veroorzaakte. Daar het verenigingsbestuur niet bij machte bleek om de beweging binnen wettelijke perken te houden, werd ingevolge Regeeringsvoorschrift de organisatie op deze wijze ingericht, dat verschillende Sarekats Islam zoude worden gevormd, elke voor een beperkt ressort, terwijl een centraal lichaam voor de onderlinge samenwerking zou kunnen zorgen. Voor de plaatselijke organisaties werden modelstatuten vastgesteld, volgens welke het doel der Sarekat Islam naast bevordering van het godsdienstig leven zou zijn: behartiging van de belangen der bevolking op het gebied van landbouw, handel en nijverheid, gezondheid, opvoeding en onderwijs. In 1913 kwam een Centraal Sarekat Islam tot stand.
Aan het 1ste Nationaal Congres, dat in 1916 te Bandoeng plaats vond, werd deelgenomen door afgevaardigden van een 80-tal dier vereenigingen, vertegenwoordigende 360.000 leden.
In den tot nog toe door de S.I.-leiding gevolgden loyalen koers openbaarde zich onder revolutionnair-socialistischen invloed allengs aanmerkelijke wijzigingen. In 1917 werd in het beginselprogram een politieke strijd aangekondigd tegen het ‘zondig kapitalisme’; in 1918 werd besloten front te maken tegen de Regeering en het Bestuur, voor zoover zij optreden als ’beschermers van het kapitalisme’. Midden 1919 kwamen revolutionnaire stroomingen aan den dag, toen een crisis van schaarschte en duurte een voor volksagitatie gunstige gelegenheid bood. Allereerst door een actie in Midden-Java, ingezet tegen de suikerindustrie; vervolgens door een opstandige beweging in Toll-Toll op Celebes; ten slotte door een verzetsactie nabij Garoet, waarbij een samenzwering aan het licht kwam, op touw gezet door een z.g. Afd. B-organisatie.
Langzamerhand ondervonden de door Tjokroanimoto en zijn medeleiders, w.o. Hadji A. Salim en Abdoel Moeis, aangewende pogingen om de breede volksmassa te omvatten krachtige tegenwerking door nieuw opgetreden leiders, die communistische beginselen onder den S.I.-aanhang predikten. Uit Semarang, waar in 1920 een Indische Communistische Partij was opgericht, werd door propagandisten, w.o. Semaoen, sedert 1918 bestuurslid der Centrale S.I., een actie ingezet ter verovering van het terrein der volksbeweging. Zwichtend voor den uitgeoefenden aandrang, werd in de godsdienstige organisatie een plaats ingeruimd voor het communisme, dat nevens het socialisme en de democratie in het stelsel van den Islam te vinden zou zijn.
Van de aldus geboden gelegenheid om de S.I.-vereeniging van binnen uit te bewerken maakten de propagandisten der communistische partij een gretig gebruik. Ter voorkoming van een ineenstorting der organisatie werd in 1921 het beginsel der partijdiscipline toegepast, volgens hetwelk S.I.-leden niet tevens lid mochten zijn van een andere politieke vereeniging. Het gevolg van het, op het in dat jaar te Soerabaja gehouden congres aanvaard beginsel was, dat de communisten uit de S.I. traden. Talrijke rode S.I.-organisaties – later Serekat Rajat geheeten – schaarden zich onder de communistische leiders.
Ook op het gebied der arbeidersbeweging verloor de Serekat Islam, als gevolg van de scheuring, veel terrein. De godsdienst-nationale eenheid was wel hersteld, doch ten koste van een groot deel van den aanhang. Ondanks een krachtig ingezette en in alle richtingen, ook onder de vrouwen en de jeugd, gevoerde propaganda van de S.I.-beginselen, kon het verloren terrein niet worden herwonnen.
De vernietiging van de communistische organisaties na de onderdrukking van de door haar veroorzaakte en geleide ongeregeldheden van 1926/1927 bracht geen uitbreiding van de sterk geslonken S.I.-aanhang. Zoowel uit geloovige als godsdienstig-neutrale kringen ondervond de S.I.-leiding tegenwerking en bestrijding. Sedert de opkomst in 1927 van de ten aanzien van de godsdienst neutrale ‘Indonesisch-nationalistische’ eenheidsbeweging is de belangstelling der bevolking voor de Sarekat Islam nog in sterker mate verflauwd.
Op het in 1929 te Batavia gehouden jaarcongres werd besloten de S.I.-beweging, in strijd met de statutaire grondslagen, te organiseeren in één vereenigingsverband onder den aam Partai Sarekat Islam Indonesia (P.S.I.I.), terwijl in het zelfde jaar de inrichting der organisatie aldus plaats vond. De wetgevende macht werd in handen gelegd van een partijraad, die tezamen met de leiders der S.I.-departementen en de gedelegeerden der afdeelingen een congres vormen. De uitvoerende taak werd opgedragen aan een Exécutief Comité, gevormd uit de leiders dier departementen.
De Partai Sarekat Islam Indonesia telt 135 afdeelingen met een 30.000-tal leden, waarvan het grootste gedeelte op Java en 5000 op Sumatra.
Nadat H.A. Salim in 1924 is afgetreden als Lid van den Volksraad, waarin vóór hem (1918-1921) de leiders Tjokroaminoto en Abdoel Moeis zitting hadden, is de volkspartij niet meer in het college vertegenwoordigd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1324-1325

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

Spaarbanken. De voornaamste spaarbank in Ned.-Indië is de postspaarbank, die rechtspersoon is en dus een afzonderlijk vermogen heeft, afgescheiden van het Landsvermogen. Aan het hoofd der instelling, die ressorteert onder het departement van verkeer en waterstaat, staat een directeur. Het ingelegd bedrag was ultimo 1932 bijna 20.300.000 gulden. Uitbetaald werd in dat jaar bijna 19.000.000 gulden.
Het aantal andere spaarinstellingen in Ned.-Indië is zeer beperkt. De oudste is de spaarbank te Semarang, opgericht in 1853; daarna volgden de Bataviasche spaarbank (1857), de spaarbanken te Soerabaja (1859), Makassar (1876), Padang (1879), Menado (1896) en Bandoeng (1903). De spaargelden en disposito’s op deze banken bedroegen ultimo 1932 in totaal circa 18.500.000 gulden

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1426, 1437-1439

[Jakarta 2 – Topèng] 
[Yogya 1 – Topèng] 

Tooneel. Het tooneelspel kenden alleen de Javanen, van wie de Maleiers en Balinezen het hebben overgenomen. Het is vrij ontwikkeld. Het bestaat voornamelijk uit de wajang (=schim). De zielen van de overledenen laat men door middel van platte poppen van leer (vandaar de naam wajang koelit) of hout ten tooneele brengen. De schaduwen worden geprojecteerd op een scherm, waarachter een lamp is geplaatst. De schaduw is door de afbeelding van de voorouders geworpen, dus ook van dier ziel. Hier wordt dus weer vereenzelvigd de werkelijkheid en de voorstelling daarvan. De wajang wordt opgevoerd door den dalang, die op den grond zit achter het scherm. De lamp, bolontjeng genoemd is een zaak van veel gewicht en van veel bijgeloof. Voor het scherm zitten de toeschouwers, de vrouwen aan den eenen, de mannen aan den anderen kant. Er is een schotel met wierook voor de zielen der voorouders. Van de poppen wordt veel werk gemaakt; deze zijn soms zeer duur. Zij zijn meestal het eigendom van den dalang, soms ook zijn zij gehuurd. De pop heet ringgit (beteekent ook rijksdaalder); de plaats heet paringgitan. De stukken die worden opgevoerd zijn o.a. hindoesche heldensagen, door overlevering in stand gehouden, dikwijls door den dalang bewaard gebleven. De Mahabarata, verkort weergegeven in de Bharata Yoedda, d.i. de strijd van de Bharata’s, leeft ook hierdoor voort. Een ander heldendicht is de Ramayana. Naar een der helden Poerwo genaamd, heet de wajang welke de oude helden ten tooneele voert wajang poerwo. Een tweede klasse van stukken die worden opgevoerd zijn de oud-Javaansche heldendichten. Hierin is een ruimer keuze. Deze wajang heet wajang gedog (de beteekenis van het woord gedog is onzeker). De held heet Pandji.
De dalang moet hebben vindingrijk vernuft, want hij geeft de stukken niet letterlijk weer. Toch moet hij belezenheid hebben. Daardoor komen in de voorstellingen vaak veel platheden voor, tooneelen uit slaapkamers, verkeer met vrouwelijke halfgoden, enz. Ook de goden zijn soms plat en onfatsoenlijk. Veelal zijn ook de verhalen uiterst langdradig. De Javaan uit het volk is er verzot op. De wajang wordt ’s nachts opgevoerd (de schimmen komen natuurlijk alleen ’s nachts). De wajang wordt altijd opgevoerd, wanneer de zegeningen van de goden worden ingeroepen, zooals bij een voornaam huwelijk. Daarom ook moet de voorstelling plaats hebben op een gelukkigen dag. De dalang is dus ook een soort priester, dus tusschenpersoon tusschen goden en menschen. Meestal heeft hij een leerling, tjantrik genoemd, die hem moet opvolgen. Soms gaan vorsten de wajang vertoonen. Het tooneel is dus in groot aanzien. Van de literatuur behoeft de dalang alleen de hoofdtrekken te weten. Soms wordt het een soort opera, want de gamelan kan ook aanwezig zijn. Men bestelt den dalang op eigen kosten bij een feest, dat dus een godsdienstig feest is. Voor de grooten echter wordt de wajang gratis vertoond bij wijze van heerendienst. Deze laten namelijk de wajang dikwijls spelen ten behoeve van het gemeen. Toen de heerendiensten nog bestonden ontlastte de bevolking dikwijls den dalang van zijn heerendiensten.
Onder de poppen van de wajang komen clowns voor, die omgeving of toestanden ridiculiseeren. Zij worden tot opwekking tusschen de tooneelen ingeschoven. Deze scènes vormen vaak de clous.
Deze soorten wajang zijn echt Javaansch en niet uit Hindostan ingevoerd, want daar komen zij in het geheel niet voor en ook de uitdrukkingen zijn echt polynesisch.
De wajang is inheemsch op Java en Bali; in de buitengewesten is zij door Javanen ingevoerd. Ook in Siam is de wajang zeer populair; het lijdt echter geen twijfel of de Javanen hebben haar daar gebracht. Hoe dat gebeurd is, is niet bekend. Ook in China kent men een schimmenspel (Chineesche schimmen) maar het is veel minder ontwikkeld dan de Javaansche wajang en is er niet populair. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de Chineezen het op Java zouden hebben ingevoerd. Ook bij de Chineezen is het een godsdienstig tooneel.
Er bestaat ook een wajang poppensppel, dat overdag wordt opgevoerd. De naam wajang deugt hiervoor echter niet. In de wandeling wordt het wajang karoetjil (=klein) of kelitik (ook=”klein”) [genoemd]. Deze is van veel minder allooi en niet godsdienstig. Of dit spel wel zoo oud is, is niet zeker. Mogelijk is het van de Chineezen afgezien; in China is dit Jan Klaasenspel zeer ontwikkeld.
Het tooneel zooals wij dat kennen komt ook voor, nl. de zg. topèng (=masker), gespeeld door mannen en vrouwen, die telkens van masker verwisselen. Het masker wordt vastgehouden door een pinnetje in den mond. Soms spreekt één persoon voor allen. Hier worden opinie’s op bestuur en toestanden ten beste gegeven en vaak geridiculiseerd. Dit spel komt vooral in de Soendalanden veel voor.
Een gewijzigd tooneel is de wajang bèbèr (=ontrold). Door den dalang worden teekeningen ontrold; daarbij zingt hij wat ze voorstellen. Dit zijn ook vaak legenden van voorouders.
De meeste overeenstemming met ons tooneel heeft de wajang wong (=mens) of ringgit tiang (=menschenpoppen). Het wordt veel aan de hoven gespeeld en is niet zeer populair. Hierin komen ook clowns voor, badoets geheeten. Het dateert van na 1750.
Verder heeft men nog de wajang golèk, vertoond met aangekleede, ronde houten poppen. Er wordt geen scherm gebruikt en het wordt overdag gespeeld. Ook hier worden de Hindoesche heldensagen opgevoerd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1477-1480

Volksraad

Sedert Mei 1918 bestaat in Ned.-Indië een Volksraad, d.i. een vertegenwoordigend lichaam, dat aan Nederlandsche onderdanen ingezetenen van Ned.-Indië*) gelegenheid geeft tot medewerking aan de behartiging van 's Lands belangen.
De Volksraad bestaat uit een lid tevens Voorzitter door den Koning benoemd, en 60 leden, waarvan 30 inheemsche onderdanen niet-Nederlanders, ten minste 25 onderdanen Nederlanders en ten hoogste vijf en ten minste drie uitheemsche onderdanen niet-Nederlanders.
Door de eerste worden 20, door de tweede 15 en voor de derde drie leden verkozen. De overige leden worden door den Gouverneur-Generaal benoemd.
De 20 te verkiezen inheemschen worden door twaalf kieskringen, waarvan vier op Java en acht in de buitengewesten, afgevaardigd.
In deze kieskringen zijn kiezers de inheemsche onderdanen niet-Nederlanders, die lid zijn van een localen of regentschapsraad dan wel eene der bij ordonnantie voor de betrokken kieskring nader aan te geven waardigheid bekleeden, welke in beteekenis voor het volksleven bij bedoeld lidmaatschap niet achterstaan.
De onderdanen-Nederlanders en 3 uitheemsche onderdanen niet-Nederlanders worden gekozen, onderscheidelijk door de tot hun eigen groep behoorende leden van locale- of regentschapsraden in geheel Ned.-Indië die daartoe tezamen elk één kiezerscorps vormen.
De leden van den Volksraad worden voor een tijdvak van vier jaar verkozen en benoemd. Aan het einde dezer periode treden de leden tegelijk af. Zij stemmen zonder last- of ruggespraak met hen, door wie zij zijn benoemd of verkozen. De Volksraad houdt zijn vergaderingen in het openbaar te Batavia. De deuren worden gesloten als minstens vijf leden het vorderen dan wel als de voorzitteer het noodig keurt.
De vergadering beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd; zoodanige beraadslaging is echter niet toegelaaten over de begrooting, het slot van rekening en geldleeningen.
In elk zittingsjaar worden twee gewone zittingen gehouden. De eerste vangt aan op 15 Juni en duurt uiterlijk tot 15 September. De tweede op 10 Januari en duurt uiterlijk tot 20 Februari.
Ook kunnen buitengewone zittingen worden gehouden. In spoedeischende gevallen ter behandeling van ontwerpen van aanvullingsbegrootingen kan hierbij volstaan worden met de oproeping der op Java en Madoera metterwoon gevestigde leden.
De Gouverneur-Generaal kan de beraadslagingen van den Volksraad in persoon bijwonen of door gemachtigden doen bijwonen teneinde namens hem voorlichting te verschaffen.
De Raad mag noch beraadslagen noch beslissen als niet minstens de helft der leden, het lid-voorzitter niet medegerekend, tegenwoordig is.
Voor de vaststelling van de algemeene begrooting, de aanvullingsbegrootingen en het slot van de rekening is in het algemeen noodig overeenstemming tusschen Gouverneur-Generaal en Volksraad.
De Gouverneur-generaal stelt de begrootingen vast, voor zoover hij zich met het gevoelen van den Volksraad vereenigt. Om te kunnen werken behoeven de betrekkelijke besluiten van den landvoogd goedkeuring bij wet, dus van koning en Staten-Generaal.
Verleent de Nederlandsche wetgever zijne goedkeuring niet dan geschiedt de vaststelling van het betrokken begrootingsdeel bij de wet zelf.
Wat aangaat ontwerp wetten en ontwerp algemeene maatregelen van bestuur, dient de Volksraad van raad, voorzoover deze Nederlandsch-Indië uitsluitend of in belangrijke mate betreffen.
Onderwerpen, de inwendige aangelegenheden van Ned.-Indië betreffende worden vastgesteld bij ordonnantie, waartoe in het algemeen overeenstemming tusschen Gouverneur-Generaal en Volksraad noodig is. De werkzaamheden op dit gebied worden echter voor den Volksraad als regel verricht door het College van Gedelegeerden.
Bij deze wetgeving heeft de Volksraad het recht van initiatief en van amendement.
Wordt geen overeenstemming tusschen het College en den Landvoogd verkregen dan neemt op uitnoodiging van laatstgenoemde de Volksraad de betrokken ontwerpordonnantie opnieuw in behandeling.
Helpt ook dit niet dan kan de regeling bij algemeenen maatregel van bestuur geschieden. Deze algemeene maatregel van bestuur kan ten allen tijde bij ordonnantie worden gewijzigd, aangevuld, ingetrokken of door eene andere vervangen.
De Landvoogd kan eene door hem aan den Volksraad toegezonden ontwerp-ordonnantie op eigen gezag en verantwoordelijkheid vaststellen, indien de Volksraad in gebreke blijft binnen den vastgestelden termijn mede te deelen of hij zich al dan niet met het ontwerp vereenigt, dan wel indien geen overeenstemming met den Volksraad werd verkregen, doch dringende omstandigheden eene onverwijlde voorziening eischen. Doet alsdan binnen twee maanden na den dag van inwerkingtreding der ordonnantie de Volksraad daartoe het verzoek, dan kan de regeling nader bij algemeenen maatregel van bestuur geschieden.
Ten slotte kan de Volksraad de belangen van Ned,-Indië en zijne ingezetenen voorstaan bij den Koning, de Staten-Generaal en den Gouverneur-Generaal.
Het College kan den Landvoogd uitnoodigen nopens zaken, Ned.-Indië betreffende, inlichtingen aan den Raad te geven, die door hem verschaft worden wanneer dit, naar des Landvoogds meening, kan geschieden zonder schade voor de hem toevertrouwde belangen.
*) Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 144, 146-147 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1520-1521

[Huet – Brieven II, 97] 

Weeskamers zijn colleges van staatswege ingesteld, welke ten aanzien van Europeanen en Chineezen, in hoofdzaak de volgende taak vervullen:
a. het, zoo nodig, voorzien in het beheer van den persoon en de goederen van minderjarigen, in alle gevallen, waarin benoeming van een voogd moet plaats hebben, zoowel voor als na die benoeming, totdat de voogdij is begonnen;
b. toeziende voogdij;
c. beheer van het vermogen van minderjarigen, aan wier voogden dat beheer is ontnomen;
d. curatele over de ongeboren vrucht;
e. toeziende curateele;
f. beheer van het vermogen van curandi, aan wier curators dat beheer is ontnomen;
g. beheer der goederen van afwezigen;
h. beheer der aan boords van Ned.-Indische zeeschepen na- of achtergelaten goederen van overleden, vermiste of achtergebleven passagiers en schepelingen;
i. registratie en opening van uiterste willen;
j. beheer van onbeheerde nalatenschappen;
k. curateele bij faillissement.

De weeskamers zijn verder belast met de functiën der voormalige boedelkamers, als hoedanig zij in hoofdzaak de volgende taak vervullen:
A. ten aanzien van vreemde oosterlingen:
a. uitoefenen der voogdij bij gebreke van een anderen voogd;
b. beheer van het vermogen van minderjarigen tot aan de behoorlijke zekerheidsstelling voor dat beheer door den voogd;
c. registratie en opening van uiterste willen’
d. beheer van onbeheerde nalatenschappen;

B. ten aanzien van Inlanders:
a. tijdelijk beheer van boedels, bedoeld in art. 231 I.R.;
b. beheer der nalatenschappen van Inlandsche militairen, bij ontstentenis van daarop rechthebbenden;
c. beheer der opbrengst van de na- of achtergelaten goederen van overleden, gedeserteerde of vermiste Inlandsche schepelingen der gouvernements- of der Nederlandsche marine;
d. beheer der aan boord van Ned.-Indische zeeschepen na- of achtergelaten goederen van overleden, vermiste of achtergebleven passagiers en schepelingen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1565-1566

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Zwaardecroon […] werd […] in 1718 gouverneur-generaal, welke waardigheid hij tot 1725 bekleedde. Onder zijn bewind breidde de – toen nog jonge – koffiecultuur op Java zich aanzienlijk uit […]