door G.F.E. Gonggryp e.a., Leidsche Uitgeversmaatschappij, Leiden 1934

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 8-10

[Jakarta 7 – Petroleummaatschappij] 
[Jakarta 7 – Koninklijke] 
[Semarang 3 – Petroleum] 

De opkomst der olie-industrie begint pas in 1888 met de oprichting der Dortsche Petroleum Maatschappij door den mijningenieur A. Stoop. In 1889 werd hem concessie verleend voor een terrein bij Soerabaia (Concessie Djabakotta) en 3 jaar later voor het terrein De Twaalf Desa’s en in 1896 voor Lidah Koelon. De ruwe olie werd verwerkt op de raffinaderij te Wonokromo, die in 1891 in bedrijf kwam. In 1889 werd door de Dortsche de eerste olie, in Indië gewonnen, op de markt gebracht. De eerste boring naar aardolie op Sumatra werd verricht bij Kollok in de Padangsche Bovenlanden. Deze boring leverde 6000 l. per dag; de olie was paraffine houdend, waarmede men toen geen weg wist; het terrein werd verlaten. In 1883 wist A.J. Zijlker concessie te verkrijgen van den Sultan van Langkat voor een terrein aan de Lepan rivier. Het Grondpeilwezen verrichtte in 1885 de eerste boring op dat terrein onder leiding van den mijningenieur R. Fennema; op 100 m. diepte werd olie aangeboord. In 1890 werd deze concessie ingebracht in de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch Indië (de “Koninklijke” bij afkorting). In 1891 werd een tweede put geboord. Een jaar nadat men met de exploitatie was begonnen, werd dagelijks 1300 kisten olie geproduceerd. De raffinaderij was te Pangkalan Brandan opgericht. Voor Borneo is de mijningenieur J.H. Menten de pionier der olie-industrie geweest. Hij verkreeg in 1891 van den Sultan van Koetel de concessies Louise en Mathilde aan de Sangga Sangga rivier en richtte met Engelsch kapitaal de Nederlandsch Indische Industrie en Handel Maatschappij op, waaruit later de Shell Trading Company is ontstaan. Door deze gunstige resultaten ontstond in die jaren een ware oliekoorts; petroleummaatschappijen verrezen als paddestoelen uit den grond. In Langkat werden nog de concessies Boeloe Telang en Boekit Tinggi verleend en geëxploiteerd met Engelsch kapitaal. In Palembang werkten: de Petroleum Mij. Sumatra Palembang (Sumpal) in de afd. Iliran en Banjoe Asin, in 1898 begon deze maatschappij te raffineeren: Petroleum Mij. Moeara Enim met concessieterreinen Ma. Enim in Midden Palembang en Babat in Noord Palembang. De ruwe olie werd door een 140 km. lange pijpleiding naar de raffinaderij te Pladjoe gepompt. De capaciteit dezer leiding bedroeg 600 ton ruwe olie per dag. Ook de olie van Babat werd per pijpleiding naar Pladjoe gevoerd: Petrol. Mij. Moesi Ilir met eigen raffinaderij te Bagoes Koening naast Pladjoe. Op Java: Petrol. Mij. Rembang opgericht in 1895, werkende in de afd. Blora; in 1899 de Petrol. maatschappijen: Japara, Tegal, Madoera. Op Borneo Petrol. Mij. Balongan, werkende in de afd. Amoetai in Z.O. Borneo. In 1907 vereenigden de Shell en de Koninklijke zich tot één maatschappij: de “Bataafsche Petroleum Mij.”, waarin in1911 de Dortsche werd opgenomen. Al de kleine maatschappijen hadden voordien hunne terreinen in exploitatie overgedragen aan de Koninklijke. In 1921 werd de Nederlandsche Koloniale Petroleum Mij. opgericht en daarmede verscheen Amerikaansch Kapitaal in Indië. Deze maatschappij is nl. een dochtermaatschappij der Amerikaansche Standard Oil Company. De olie harer terreinen op Java wordt verwerkt in hare raffinaderij te Kapoean bij Tjepoe (Rembang).

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 19

[G.G – Alting] 
Alting (Mr. Willem, Arnold). Gouv.-Gen. van Ned.-Indië van 1780-1797. Zijn bestuursperiode kenmerkte zich door schromelijke misbruiken en diep verval.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 36-47

Atjeh. Het gouvernement Atjeh en onderhoorigheden telt ruim één millioen zielen (hoofdplaats Koetaradja) en is verdeeld in zes afdeelingen: 1. Groot-Atjeh; 2. Pidië; 3. Noordkust van Atjeh; 4. Oostkust van Atjeh; 5. Gajo- en Alaslanden; 6.Westkust van Atjeh, elk onder een assistent-resident. Koetaradja is door een tramlijn verbonden met de spoorlijn ter Oostkust van Sumatra. De voornaamste uitvoerproducten zijn: zwarte peper, pinangnoten, rubber, copra, damar, rottan, kapok, rijstcultuur; bevloeiïng wordt van gouvernementswege verbeterd. In 1907 werd te Langsa-Soengei op initiatief van gouv.-gen. Van Heutsz een gouvernements rubber onderneming geopend, dra gevolgd door tal van particuliere ondernemingen. Onze eerste aanraking met Atjeh dateert van 1587 door een Zeeuwsch eskader onder Cornelis [de] Houtman, die daarbij sneuvelde. Zijn broeder Frederik werd gevangen genomen. Na verdere weinig fortuinlijke pogingen werd in 1601 aan Le Roy en Bicker, bevelhebbers van een Zeeuwsch eskader toegestaan er een factorij te vestigen.
Frederik [de] Houtman werd uitgeleverd en zelfs werd een Atjehsch gezantschap naar Prins Maurits gezonden. In de eerste decennia der 17e eeuw en ook later breidde Atjeh zijn gezag zeer uit, o.a. ter Westkust van Sumatra, alwaar ook de O.I.C. factorijen vestigde. Toen na het Engelsche tusschenbestuur de Nederlandsche bezittingen ingevolge de Londensche conventie (1814) moesten worden teruggegeven, werd de tenuitvoerlegging door Raffles zoodanig tegengewerkt dat het tot 1824 (Londensch tractaat) duurde eer Engeland afzag van alle aanspraken op Sumatra. Intusschen had Engeland in 1819 met Atjeh een handelsovereenkomst gesloten, hetwelk evenwel door het Londens tractaat van 1824 werd te niet gedaan. Van Nederlandsche zijde werd echter zeer ondoordacht erkend dat geen staatkundig oppergezag werd beoogd, terwijl ten aanzien van Atjeh werd beloofd dat het niets van zijn onafhankelijkheid zou inboeten, en handel en scheepvaart de meest mogelijke veiligheid werd gewaarborgd. En dat terwijl zeeroof enz. door Atjehers aan de orde van den dag waren. Onze handel en de vestiging van ons gezag op Sumatra’s Westkust werden door de Atjehers op allerlei wijzen belemmerd en tegengewerkt; ook de zeeroof bleef bestendigd. Ook elders op Sumatra werd ons gezag door Atjeh gewelddadig bestreden.
Zoo bleef het tot 1870, toen van Engelsche zijde op krachtige maatregelen tegen Atjeh werd aangedrongen. In 1871 werd met Engeland wederom een tractaat gesloten waarbij Nederland werd ontslagen van de belofte van garantie van Atjeh’s onafhankelijkheid. Atjeh zocht intusschen steun bij onderscheidene buitenlandsche mogendheden(Turkije, Frankrijk, Italië enz.). Toen werd eindelijk ingegrepen. De vice-president van den Raad van Ned.-Indië J.F.N. Nieuwenhuijzen ging als regeeringscommissaris naar Atjeh, gevolgd door een troepenmacht onder generaal-majoor G.M. Köhler (1873). Toen geen voldoening werd gekregen, werd 26 Maart van dat jaar de oorlog verklaard. Tal van expedities hadden plaats, gepaard gaande met volharding en daden van veel moed van weerszijden en met tallooze menschenoffers. Generaal Köhler sneuvelde. De volgende expeditie, 6000 man sterk, stond onder luitenant-generaal J. van Swieten en generaal-majoor Verspyck. Groot-Atjeh werd gouvernementsgebied en generaal Van Swieten de eerste bestuurder. Hij werd opgevolgd door kolonel (later generaal) J.L.J.H. Pel als civiel- en militair gezaghebber. Zijn opvolgers waren de generaals G.B.F. Wiggers van Kerchem en A.J.E. Diemont. Gouv.-gen. Van Landsberge bezocht in 1877 persoonlijk Atjeh. De destijds door de Nederlanders bij de gevechten vernielde moskee werd op gouvernementskosten herbouwd. Het duurde echter tientallen jaren voordat de Atjehers deze door “ongeloovigen” (“kafirs”) gebouwde moskee wilden gebruiken. Na een periode van inzinking werd in 1878 de bekende generaal Karel van der Heijden gouverneur van Atjeh en onderhoorigheden, tevens militair bevelhebber, onder wien – nadat het verzet was gebroken – een periode van rust intrad. Van der Heijden werd in 1881 opgevolgd door den eersten civielen gouverneur Pruijs van der Hoeven, die werd opgevolgd door gouverneur P.F. Laging Tobias (1883). Daarna werd weer een militair bestuur ingesteld onder kolonel Demmini. Men trok zich terug binnen de geconcentreerde linie [rond Koetaradja], waardoor de opstand weer oplaaide. Onder zijn opvolger generaal Van Teijn werd de periode van lijdelijkheid bestendigd, onder diens opvolger kolonel Deykerhoff, bijgestaan door resident G.A. Scherer werd de scheepvaartregeling ingevoerd, waardoor de in- en uitvoer onder gouvernementscontrole werd gebracht. In 1891 en 1892 had een politiek-religieuze verkenning plaats door Dr. C. Snouck Hungronje (in 1893 verscheen zijn bekend werk “De Atjehers”). Diens advies werd niet opgevolgd vanwege de financieele consequenties verbonden aan een actieve politiek. Eerst onder gouv.-gen. Van der Wijck werd, door den opstand van Toekoe Oema, de politiek van lijdelijkheid verlaten.

Generaal Vetter kwam er als regeeringscommissaris ter tuchtiging van de in verzet gekomen hoofden; ook werd intusschen ingezette actieve politiek verder uitgebreid. De 3 sagi’s (sagi = zijde) van Groot-Atjeh werden beheerscht door uitgezette steunpunten, welke door een stoomtram met de geconcentreerde linie werden verbonden (1897). Dit bracht echter niet het gewenschte succes. Dr. Snouck Hungronje werd adviseur voor Inlandsche zaken in Atjeh (1898-1908); in hetzelfde jaar werd kolonel J.B. van Heutsz, die in Atjeh zijn sporen reeds had verdiend met het civiel- en militair bestuur belast. Hiermede was een nieuwe aera ingeluid. Overal werd actief opgetreden en den vijandelijken elementen werd geen rust gelaten. Toekoe Oema sneuvelde in 1908. Bevolkingsregistratie, passenstelsel, verbod van dragen van wapenen, van ladangbouw [uitgekapte plek woeste grond], van verblijf in de bergen werden ingevoerd, het verleenen van huisvesting en hulp aan kwaadwilligen, het vernielen van openbare werken, enz. werd beboet. Hierdoor verbeterden de toestanden zoozeer dat op last van het bestuur door de bevolking wegen en bruggen werden gebouwd en een telefoonverbinding met Sigli werd aangelegd. Rustig in het geheele gewest was het echter nog lang niet; ononderbroken werd tegen de verzetslieden geageerd en met groot succes.

ILW Bandung 1B Station Gemeentehuis Van Deventerweg Oude Inlandsche brug bij Sigli

Oude Inlandsche brug bij Sigli.

Tusschen Padang Tidji en Sigli werd een tramverbinding gemaakt (1899). Een wegverbinding van West tot Oost, alsmede een weg langs de Oostkust werden tot stand gebracht. Van Heutsz zelf maakte de excursie langs Noord- en Oostkust, op dien tocht onderwerping en medewerking afdwingende. Begin 1900 waren vrijwel alle landschapshoofden onderworpen. Juni 1899 kreeg Tapak Toean een civiel gezaghebber, de luit. H. Colijn, tevens commandant van het detachement aldaar. De staatkundige verhouding tot de hoofden, tot dusver beheerscht door de “verklaring” van 18 artikelen werd opnieuw geregeld door de z.g. “korte verklaring” van 3 artikelen (die later als voorbeeld diende voor aldus in den archipel gesloten politieke contracten). Vermeld dient nog de tocht van majoor Van Daalen naar het Gajoland [waarbij in dat gebied bloedige gevechten werden geleverd] ter opsporing van den nog steeds in verzet zijnden, overal opgejaagden Soeltan Alaoedin Mohammad Dawot Sjah. Eerst in 1903 meldde hij zich te Sigli vrijwillig op genade of ongenade. Daarmede was het verzet evenwel nog niet gebroken. In hetzelfde jaar meldde zich de machtige panglima Polem, na de achtervolgingen van Christoffel en Colijn. Hun voorbeeld werd door tal van andere hoofden gevolgd. Zoodoende was de toestand in 1904 zeer bevredigend. Aan de verlenging van de tramlijn (tot de Oostkust van Sumatra) werd voortdurend gewerkt. Onder Van Heutsz’ opvolger gen.-maj. Jhr. J.C. van der Wijck werd de toestand weer veel slechter. Eerst onder diens opvolger overste G.C.E. van Daalen (1905-1908) klaarde de toestand zeer geleidelijk op. De ex-Soeltan werd verbannen. De inmiddels als gouv.-gen. opgetreden gen. Van Heutsz bezocht eind 1907 persoonlijk het gewest. Onder Van Dalen en diens opvolger gen. H.N.A. Swart werd veel aandacht besteed aan en gedaan voor den economischen en hygiënischen toestand. De 5 afdeelingen werden alle door civiele assistent-residenten bestuurd en ook het onderafd. bestuur werd zooveel mogelijk op civielen leest geschoeid. De gunstige toestand werd bestendigd onder de opeenvolgende civiele gouverneurs. Atjeh zal het eerste decennium nog wel een uit politiek oogpunt lastig gewest blijven door den fanatieken aard der Atjehers en door den haat tegen de ongeloovigen, gevoed door den langdurigen krijg. Dit kan slechts slijten door den tijd en door toename van welvaart en ontwikkeling, waartoe het gouvernement krachtig meewerkt. In het gouvernementsgebied wordt het Inlandsch bestuur uitgeoefend in de afd. Groot-Atjeh en in de VII Moekims Pidië (onderafd. Padangtidji, afd. Pidië) door panglima’s sagi, zelfstandige en ondergeschikte oeléëbalangs en zelfstandige en op zich zelfstaande moekimhoofden, in de onderafdeeling Singkil door districts- en onderdistrictshoofden. Verder zijn nog een tiental onderafdeelingshoofdplaatsen onder rechtstreeks bestuurd gebied gebracht. Het overige gebied van Atjeh bestaat uit zelfbesturende landschappen, onder oeléëbalangs. De taal is het Atjehsch.

 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 43-44

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

[…] onder gouv.-gen. Van der Wijck werd, door den opstand van Toekoe Oema, de politiek van lijdelijkheid verlaten.
Generaal Vetter kwam er als regeeringscommissaris ter tuchtiging van de in verzet gekomen hoofden; ook werd intusschen ingezette actieve politiek verder uitgebreid. De 3 sagi’s (sagi = zijde) van Groot-Atjeh werden beheerscht door uitgezette steunpunten, welke door een stoomtram met de geconcentreerde linie werden verbonden (1897). Dit bracht echter niet het gewenschte succes. Dr. Snouck Hungronje werd adviseur voor Inlandsche zaken in Atjeh (1898-1908); in hetzelfde jaar werd kolonel J.B. van Heutsz, die in Atjeh zijn sporen reeds had verdiend met het civiel- en militair bestuur belast. Hiermede was een nieuwe aera ingeluid. Overal werd actief opgetreden en den vijandelijken elementen werd geen rust gelaten. Toekoe Oema sneuvelde in 1908. Bevolkingsregistratie, passenstelsel, verbod van dragen van wapenen, van ladangbouw [uitgekapte plek woeste grond], van verblijf in de bergen werden ingevoerd, het verleenen van huisvesting en hulp aan kwaadwilligen, het vernielen van openbare werken, enz. werd beboet. Hierdoor verbeterden de toestanden zoozeer dat op last van het bestuur door de bevolking wegen en bruggen werden gebouwd en een telefoonverbinding met Sigli werd aangelegd. Rustig in het geheele gewest was het echter nog lang niet; ononderbroken werd tegen de verzetslieden geageerd en met groot succes. […] Van Heutsz zelf maakte de excursie langs Noord- en Oostkust, op dien tocht onderwerping en medewerking afdwingende. Begin 1900 waren vrijwel alle landschapshoofden onderworpen. Juni 1899 kreeg Tapak Toean een civiel gezaghebber, de luit. H. Colijn, tevens commandant van het detachement aldaar. […]
Vermeld dient nog de tocht van majoor Van Daalen naar het Gajoland [waarbij in dat gebied bloedige gevechten werden geleverd] ter opsporing van den nog steeds in verzet zijnden, overal opgejaagden Soeltan Alaoedin Mohammad Dawot Sjah. Eerst in 1903 meldde hij zich te Sigli vrijwillig op genade of ongenade. Daarmede was het verzet evenwel nog niet gebroken. In hetzelfde jaar meldde zich de machtige panglima Polem, na de achtervolgingen van Christoffel en Colijn. Hun voorbeeld werd door tal van andere hoofden gevolgd. Zoodoende was de toestand in 1904 zeer bevredigend. Aan de verlenging van de tramlijn (tot de Oostkust van Sumatra) werd voortdurend gewerkt. Onder Van Heutsz’ opvolger gen.-maj. Jhr. J.C. van der Wijck werd de toestand weer veel slechter. Eerst onder diens opvolger overste G.C.E. van Daalen (1905-1908) klaarde de toestand zeer geleidelijk op.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 95-96

[Bandung – Javasche Bank] 
[Jakarta 2 – Binnenhospitaal] 
[Semarang 2 – Javasche Bank] 
[Surabaya – De Javaasche Bank] 

De Javasche Bank is opgericht bij besl. van den commissaris-generaal van 24 Jan. 1828. Haar octrooi werd na herhaaldelijk te zijn vernieuwd, vervangen door de Javasche Bankwet 1922, waarbij deze bank wordt gemachtigd wederom voor een tijdvak van 15 jaar, ingaande 1 April 1922, als circulatiebank werkzaam te zijn. De J.B. fungeert als kassier voor het gouvernement. Zij geeft bankbiljetten uit van 1000, 500, 300, 200, 100, 50, 40, 30, 25, 20, 10 en 5 gulden, welke in Ned.-Indië wettig betaalmiddel zijn. Verder verricht zij alle bankzaken, inzonderheid het overmaken van gelden; het in disconto nemen van bepaalde waardepapieren; het koopen en verkoopen van buiten Nederl.-Indië betaalbaar handelspapier; het in beleening nemen van, danwel het verleenen van credieten of voorschotten in rekening-courant tegen onderpand; de tijdelijke uitzetting in prolongatie van eventueel te Amsterdam overtollige middelen (De J.B. heeft te Amsterdam een bijkantoor); den handel in muntmateriaal en uitheemsch munt- en bankpapier; het ontvangen en weder uitbetalen van gelden in rekening courant; het in bewaring nemen van effecten en goederen. De bank heeft haar hoofdzetel te Batavia en agentschappen te Soerabaja, Semarang, Padang, Makassar, Cheribon, Soerakarta, Jogjakarta, Pontianak, Medan, Bandjermasin, Tandjoengbalai [Riouw Arch.], Bandoeng, Palembang, Menado. Malang, Koetaradja, Kediri en Madiun, Zij heeft buiten Ned.-Indië correspondenten te Londen, Parijs, Hamburg, Berlijn, Singapore, Jokohama, San Francisco en New York, benevens te Amsterdam haar reeds genoemde bijbank onde directeuren. De directie der bank bestaat uit een president en ten minste twee directeuren , waarvan er één als secretaris optreedt. Zij worden op aanbeveling van directie en commissarissen benoemd door den gouv.-gen., de president onder nadere koninklijke goedkeuring.
Er is een raad van 5 commissarissen, die Nederlandsch onderdaan moeten zijn, gekozen door stemgerechtigde aandeelhouders. De J.B bevordert ook het giroverkeer in Ned.-Indië.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 96, 99

[Bandung – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 
[Semarang – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Surabaya – Handel Maatschappij] 

De Nederlandsche Handelmaatschappij, op initiatief van Koning Willem I te Amsterdam opgericht in 1824 (de Koning garandeerde een rente van 4½ % en teekende in voor 4 millioen gulden), is een naamlooze vennootschap van koophandel. Haar werkkring omvat den goederenhandel, den handel in geld, wissels en edele metalen en al wat tot het bankiersbedrijf behoort, het geven van voorschotten, het verschaffen van bedrijfskapitalen aan en het deelnemen in ondernemingen van landbouw, visscherij, nijverheid, handel, scheepvaart en vervoer te land en, in overzeesche gebieden van den staat het tot stand brengen en het drijven van zoodanige ondernemingen. In hare hoedanigheid van commissionair heeft zij krachtens overeenkomst met den staat op zich genomen de Indische gouvernementsproducten af te schepen, te vervoeren, op te slaan, te beheren en te verkoopen. (Dit monopolie was vooral van belang ten tijde van het cultuurstelsel: de maatschappij die tot dat tijdstip een kwijnend bestaan had gehad kwam hierdoor in een bloeiende positie[...]). Van de door haar verkochte gouvernementsproducten krijgt de maatschappij 1½ % van de bruto opbrengst (van kinabast 1 %).Het hoofdbestuur der maatschappij is gevestigd te Amsterdam [Vijzelstraat 32] en bestaat uit een president, twee directeuren en een secretaris. Te Batavia wordt het vertegenwoordigd door een bestuur van een president, twee leden en een secretaris, onder de benaming van Factorij. Een bijkantoor is gevestigd te Batavia-Centrum, agentschappen te Semarang, Soerabaja, Semarang, Medan, Shanghai, Hongkong, Singapore, Rangoon, Calcutta, Bombay, Kobe en Djeddah, subagentschappen te Cheribon, Tegal, Pekalongan, Tjilatjap, Palembang, Bandjermasin, Penang, Makassar, Bandoeng, Djember, Soerakarta, en Jogjakarta.
Het maatschappelijk kapitaal bedraagt 80 millioen gulden, volgestort."

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 99

[Surabaya – Koloniale Bank] 

De Koloniale Bank, N.V., maatschappelijk kapitaal ƒ25.000.000 waarvan geplaatst en volgestort ƒ16.500.000. Hoofdkantoor te Amsterdam. Hoofdagentschap te Soerabaja, agentschappen te Semarang en Bandoeng.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 105

[Jakarta 7 – Koninklijke] 

Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM)
Opgericht 28 Juni 1907; kapitaal f 300.000.000 volgestort
Duur tot ulto. 1997
Doel: het opsporen en exploiteeren van petroleumbronnen en delfstoffen in Ned. Indië en elders.
Is bevoegd tot oprichting van en deelneming in andere ondernemingen met soortgelijk doel en tot den handel in genoemde producten.
Ingebracht zijn van de ‘Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot exploitatie van petroleumbronnen in Ned. Indië’ en van de ‘Shell Transport en Trading Comp.Ltd.’de bij overeenkomsten vastgestelde activa.
Het bestuur berust bij een raad van beheer van 15 leden. De directeur-generaal der ‘Koninklijke’ en twee directeuren voeren als gedelegeerde leden van genoemden raad de dagelijksche leiding.
In Ned. Indië wordt het beheer gevoerd door: den hoofdvertegenwoordiger te Batavia, administrateurs te Balikpapan, Pladjoe, Tjepoe, Pangkalan Brandan, Tarakan en den terreinchef te Boela.
De verkoop van de producten in Indië geschiedt door de afdeeling ‘Handelszaken’ met hoofdzetel te Soerabaja onder den vertegenwoordiger aldaar.
De maatschappij heeft een raffinaderij, paraffine-, smeerolie-, en zwavelzuurfabriek te Balikpapan, een raffinaderij te Pladjoe, een id., paraffine-, en kaarsenfabriek te Tjepoe en een raffinaderij te Pangkalan Brandan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 110-117

[Jakarta 7 – Resident] 

Batavia I. De stad – is gesticht op de puinhoopen van Jakatra, alwaar een pangeran zetelde die afhankelijk was van den vorst van Bantam. In 1610 stichtten de Hollanders te Jacatra een factorij, in 1619 herschapen in een fort op instigatie van J.P. Coen die tijdens den bouw werd benoemd tot gouverneur-generaal. De O.I.C. zag meer heil in de hoofdvestiging te Jakarta dan te Bantam. De Engelschen die ook een kantoor te Jakarta hadden sloten een overeenkomst met Bantam om de Hollanders te Jacarta te verjagen. Coen veroverde de Engelsche loge te Jacatra, waarmede de oorlog was verklaard en de strijd begon.. Daar Coen gebrek aan ammunitie had ging hij na een onbeslisten zeeslag tegen de Engelschen te hebben geleverd naar Ambon om versterking te halen. Het commando over het fort droeg hij op aan Pieter van den Broecke. Door een list werden Van den Broecke en eenige anderen door den pangeran gevangen genomen. Van Raay volgde Van den Broecke in het commando op. In den benarden tijd die hierop volgde werd het fort op feestelijke wijze gedoopt “Batavia”. Toen Coen met versterking terugkeerde ontzette hij het fort en verwoestte Jacatra. Onmiddellijk begon hij met de bouw van een nieuwe stad op de plaats waar Jakarta had gestaan (1619). De bewindhebbers heetten de stad officieel Batavia. Aan de zeezijde werd tegenvijandelijke aanvallen een kasteel gebouwd, waarbinnen de hooge regeering der compagnie en het bestuur der stad werden gevestigd. De stad breidde zich gaandeweg uit en kreeg wallen en grachten, bastions enz. Blijkbaar werden de stad en de huizen op Hollandsche wijze gebouwd. Veel later ontstonden de buitenwijken Noordwijk, Rijswijk, Weltevreden. Het thans nog bestaande stadhuis (kantoor van den gouverneur der prov. West-Java) werd in 1710 voltooid. Kerken werden gebouwd, een scheepstimmerwerf enz. Hooge compagniesdienaren en anderen bouwden fraaie landhuizen aan de buitenwegen. [...]
II – res. (afd.) (regentschap en district) der prov. West-Java, onder een resident, bestaande uit de regentschappen Batavia, Meester-Cornelis en Krawang. De residentie telt ruim 1.600.000 inwoners, waaronder bijna 38.000 Europeanen en bijna 140.000 Chineezen. De bodem is alluviaal. Voor de kust liggen de z.g. Duizend eilanden, zwak- of onbevolkte koraaleilandjes. Tandjong Priok, de haven van Batavia is zoo’n vastgeslibd eilandje. Op het eilandje Onrust dat een goede haven had was vroeger een scheepstimmerwerf (thans te Soerabaja), tegenwoordig quarantaine-station. Krawang was vroeger een gewest, hoofdpl. Poerwakarta. [De residentie] Batavia bestaat grootendeels uit particuliere landerijen. Producten: rijst, koffie, thee, rubber, kina.
De bevolking is van Soendaneschen oorsprong. Op de hoofdplaats echter is zij zoodanig vermengd dat zij een eigen cachet heeft. Men spreekt van Batavianen evenals van Bataviaasch Maleisch, de lingua franca van den archipel.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 119

[G.G. – Baud] 

Baud (Jean Chrétien), geb. ’s-Gravenhage 24 Octr. 1789, overl. aldaar 27 Juni 1859. Met ingang 1 Jan. 1840 minister van koloniën, 21 Juli 1840 minister van marine en koloniën, met ingang 1 Jan. 1842 minister van koloniën, 16 Jan.1830 – 2 Juli 1833 waarnemend gouv.-gen. van Ned. Ind.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 144, 146-147

[Aantekeningen Algemeen – Rechtswezen]

De bevolking*]
De bevolking van Indië bestaat uit Nederlandsche onderdanen en vreemdelingen. De eerste zijn leden van den Nederlandschen Staat. [...]
Het Nederlanderschap verkrijgt men door geboorte, naturalisatie en, wat de vrouw betreft, ook door huwelijk.[...]

In art. 163 I.S. wordt de bevolking van Ned.–Indië in drie zelfstandige groepen verdeeld, [...] In elke groep zijn zooveel mogelijk samengebracht zij, die ongeveer dezelfde rechtsbehoefte hebben. Juist om aanpassing te verkrijgen aan onderling verschillende rechtsbehoeften der bevolkingsgroepen is er verschil gemaakt in den rechtstoestand, in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen der onderscheiden catagorieën van de bevolking.
Aan de bepalingen voor 'Europeanen' zijn onderworpen:
1. – alle Nederlanders;
2. – alle niet-Nederlanders, uit Europa afkomstig;
3. – alle Japanners;
4. – alle van elders afkomstigen welke in hun land onderworpen zouden zijn aan het familierecht in hoofdzaak berustende op dezelfde beginselen als het Nederlandsche;
5. – de in Indië geboren afstammelingen van de onder 2/4 genoemden.
Aan de bepalingen voor 'Inlanders' zijn onderworpen degenen die behooren tot de inheemsche bevolking van Indië.
Aan de bepalingen voor 'Vreemde Oosterlingen' zijn onderworpen allen die niet vallen in de twee reeds omschreven groepen, bijv.: Chineezen, Arabieren, Klingaleezen.
Overgang naar de bevolkingsgroep der Europeanen kan plaats hebben voor Inlanders en Vreemde Oosterlingen door het verkrijgen der nationaliteit van Nederlander of Japanner of door toepasselijkverklaring door den Gouverneur – Generaal.[...en] voor de vrouw tengevolge van huwelijk. [...]
*] Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 99-103 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 146-147

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

In art 163 I.S. wordt de bevolking van Ned.-Indië in drie zelfstandige groepen verdeeld, nl. in: hen, die aan de bepalingen voor Europeanen; hen, die aan de bepalingen voor inlanders en hen, die aan de bepalingen voor Vreemde Oosterlingen zijn onderworpen.
In elke groep zijn zooveel mogelijk samengebracht zij, die ongeveer dezelfde rechtsbehoefte hebben. Juist om aanpassing te verkrijgen aan de onderling verschillende rechtsbehoeften der bevolkingsgroepen is er verschil gemaakt in den rechtstoestand, in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen der onderscheiden categorieën van de bevolking (het stelsel van het dualisme).
Aan de bepalingen voor “Europeanen” zijn onderworpen:
1. alle Nederlanders;
2. alle niet-Nederlanders, uit Europa afkomstig;
3. alle Japanners;
4. alle van elders afkomstigen welke in hun land onderworpen zouden zijn aan het familierecht in hoofdzaak berustende op dezelfde beginselen als het Nederlandsche;
5. de in Indië geboren afstammelingen van de onder 2/4 genoemden.
Aan de bepalingen voor “Inlanders” zijn onderworpen degenen die behooren tot de inheemsche bevolking van Indië.
Aan de bepalingen voor “Vreemde Oosterlingen” zijn onderworpen allen die niet vallen in de twee reeds omschreven groepen, bijv.: Chineezen, Arabieren, Klingaleezen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 155-156

[Woordenlijst – Boedi Oetomo] 

Boedi Oetomo. Vereeniging van Javanen, opgericht 20 Mei 1908 door leerlingen der voormalige artsenschool te Batavia, als gevolg van de door den Indischen arts Mas Wahidin Soediro Hoesodo gepropageerde denkbeelden over de middelen om het volk op te heffen. Onder zijn leiding werd op 5 October 1908 te Jogja het eerste Javanen-Congres gehouden, o.m. ter bespreking van de mogelijkheid om het Inlandsch onderwijs te bevorderen.
Volgens hare statuten zou Boedi Oetomo – d.i. schoon streven – zich ten doel stellen: de harmonische ontwikkeling van land en volk van Java en Madoera, door bevordering van onderwijs, landbouw, veeteelt, handel en industrie, kunsten en wetenschappen en al wat strekken kan tot verzekering van een waardig volksbestaan. Later werd het arbeidsveld uitgestrekt tot Bali en Lombok, terwijl vervolgens bepaald werd, dat gestreefd zou worden naar verwezenlijking van de ‘Indonesische eenheids- en vrijheidsgedachte’.
Met de oprichting van Boedi Oetomo was het moderne vereenigingsleven onder een deel der Inlandsche bevolking tot ontwaking en openbaring gekomen. Weldra kwamen andere organisaties der volksbeweging tot stand, hetgeen tot gevolg had dat B.O.’s aanhang sterk terugliep.
Aanvankelijk bepaalde de vereeniging haren arbeid tot sociaal-cultureel terrein, terwijl zij haren aanhang zocht onder den ambtenarenstand en bij den landsadel op Java. De instelling van den Volksraad (1918) noopte haar weldra een politieke richting in te slaan en steun te zoeken bij de volksmassa.
Boedi Oetomo, de ‘moedervereeniging der Javanen’, heeft temidden van de verschillende stroomingen der Inlandsche Beweging tot dusver haar zelfstandigheid en over het algemeen gematigd Javaansch intellectueel karakter behouden. Pogingen om het volk in hare actie te betrekken konden geen verwezenlijking vinden. Uitbreiding van het ledental was evenmin mogelijk, door de oprichting van vakorganisaties voor Inlandsche ambtenaren, alsmede door de opkomst van Indonesisch-nationalistische stroomingen. Hare belangstelling en werkzaamheid bleven zich in hoofdzaak bewegen op het gebied van het onderwijs en van verschillende andere maatschappelijke belangen, z.a. internaten, reclasseering, woekerbestrijding, bibliotheekwezen, poliklinieken en coöperatieve organisaties.
De vereeniging omvat en 40-tal afdeelingen, voor het grootste gedeelte op Java, met ongeveer 2000 leden. Het hoofdbestuur is te Jogja gevestigd.
Op het 23ste jaarcongres, dat B.O. onder leiding van den voorzitter van het hoofdbestuur R.M.A.A. Koesoemo Oetoyo, Lid van het College van Gedelegeerden van den Volksraad, oud-regent van Japara, van 3-5 Juni 1933 te Semarang hield, werd het 25-jarig bestaan der Inlandsche Beweging herdacht.
Van het sedert 1923 uitgegeven officieel partij-orgaan Boedi Oetomo verscheen in April-Mei 1933 een jubileum-, tevens congres-nummer, waarin het ontstaan en de ontwikkeling der vereeniging is beschreven.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 184

[G.G. – Van den Bosch] 

Bosch (Johannes graaf van den), geb. 1780, overl. 1844. Aanvankelijk genie-officier; werd 1827 Commissaris-generaal voor West-Indië, 26 Jan. 1830 luitenant-generaal en gouverneur-generaal van Ned.-Indië; 1834-1839 Minister van Koloniën. Hij geniet de meeste bekendheid door de invoering van het cultuurstelsel; een groot deel van de Vorstenlanden werd bij het gouvernementsgebied ingelijfd; een kleine opstand in Benkoelen werd onderdrukt; een aanval op Bondjol in den padri-oorlog door onze troepen, bijgewoond en gelast door van de Bosch mislukte volkomen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 186

[G.G. – Both] 

Both (Pieter), eerste gouverneur-generaal in Indië, geb. te Amersfoort, overl. 1615 op de kust van Mauritius, op welk eiland hij begraven is. Was gouv.-gen. 1609-1614.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 190

[Woordenlijst – Bronbeek] 

Bronbeek heet het koloniaal militair invalidenhuis te Arnhem.
                 Aanvulling overgenomen uit Grote Winkler Prins, 1991, 5, 168:
Bronbeek villa bij Arnhem, werd in 1853 eigendom van koning Willem III, die het in 1862 afstond aan de Staat. In 1863 werd het in gebruik genomen als Koloniaal Militair Invalidenhuis (waaraan in 1883 het predikaat ‘koninklijk’ werd verleent), aanvankelijk bestemd voor invalide militairen van de koloniale landmacht, later ook voor die van de Koninklijke Marine, het korps Mariniers en de troepen in Suriname en Curaçao en nog later ook voor degenen die in Indonesië, Korea of waar ook tussen de keerkringen hadden gediend. In 1970 werd het tehuis herdoopt in Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en opengesteld als verzorgingstehuis voor oud-militairen van alle krijgsmachtonderdelen.

Maar ook Nederlandsch-Indië kende een Bronbeek. Het “Indisch Bronbeek” lag in noordwest Bandoeng;

westelijk van de huidige Jl Sukajadi
en noordelijk van de Jl Sukagali.

Detail van Kaart van Gemeente Bandoeng (1933-1938) in Grote Atlas van Nederlands Oost-Indië, Asia Maior 2004, 260 →

Foto van een verzamelgraf van slachtoffers van de Bersiaptijd op het Ereveld Pandu, Bandung. →→

Zie ook
Indië geïllustreerd weekblad-7, 748-751 en
Indië geïllustreerd weekblad-8, 199-201
ILW Bandung 3 Gedung Sate Tjihapit Opvoedingsgesticht detail kaart Gemeente Bandoeng ILW Bandung 3 Gedung Sate Tjihapit Opvoedingsgesticht verzamelgraf Bersiaptijd Ereveld Pandu

 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 195

[Jakarta 6 – Du Bus] 

Du Bus de Gisignies (Leonard Pierre Joseph, burggraaf) geb. 1 Maart 1780 op het kasteel Dottignies (Oost-Vlaanderen), overl. 31 Mei 1849 op het kasteel Oostmalle (Antwerpen), Lid (1815), voorzitter (1818) 2e Kamer, gouverneur van Antwerpen (1820), van Z.-Brabant (1823), commissaris-generaal des Konings in Ned.-Indië (1825 – 1830), moest sterk bezuinigen na het kostbare bestuur van Van der Capellen. Tijdens zijn bestuur werd o.m. de opstand van Dipo Negoro bedwongen, de rust ter Sum. W.k. (Padri’s) bewaard, in West-Borneo en Z.-Celebes met succes geageerd, munthervorming ingevoerd, de landbouw ontwikkeld en de vestiging van Europeanen bevorderd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 196-201

[G.G. – Van der Capellen] 

Capellen (Godert Alexander Gerard Philip baron van der) geb. Utrecht 15 Dec. 1778, overl. De Bilt 10 April 1848. Na in Nederland onderscheidene hooge ambten te hebben bekleed (o.a. was hij staatsraad en minister van eeredienst en binnenlandsche zaken) werd hij, toen tot overneming der koloniën uit de handen der Engelschen was besloten, met Elout en Buyskes tot commissaris-generaal benoemd, met die taak belast. Hij zelf werd tevens tot gouverneur-generaal benoemd, belast met het dagelijksch bestuur. De hooge commissie voerde het bewind van 1816-1819, van der Capellen als gouv.-gen. alleen van 1819-1826. Zijn bestuur kenmerkte zich door tal van belangrijke gebeurtenissen: de opstand van Dipo Negoro op Java; expedities tegen en inlijving van het sultanaat Palembang; ter Westkust van Sumatra de strijd tegen de padri’s; op de Westkust van Borneo tegen de Chineezen; de actie op Zuid-Celebes. Deze oorlogen en andere door hem getroffen maatregelen maakten zijn bewind zeer kostbaar. Hij ging de vestiging van ondernemers en de landverhuur in de Vorstenlanden tegen, omdat hij deze nadeelig achtte voor den Inlander. In 1824 bezocht hij Celebes en de Molukken, alwaar hij respectievelijk het Bongaalsch tractaat vernieuwde en uitnemende hervormingen invoerde. Hij bevorderde onderwijs en wetenschappen en veersterkte de positie van het Inlandsch bestuur op Java. Een van de meest op den voorgrond tredende landvoogden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 217-218

[G.G. – Coen] 

Coen (Jan Pieterszoon) werd 8 Januari 1587 te Hoorn geboren. Van 1601 tot 1607 was hij om den handel te leeren werkzaam op een Vlaamsch kantoor te Rome. In laatstgenoemd jaar ging hij als onderkoopman in dienst der Compagnie naar Indië, vanwaar hij in 1611 terugkeerde. In 1612 vertrok hij wederom derwaarts, nu als opperkoopman, om al spoedig te worden benoemd tot directeur-generaal over alle comptoren van negotie in Indië. Hij was er gouverneur-generaal van 1619 tot 1623 en ten tweede male van 1627 tot 1629. Voor de stichting van Batavia zie aldaar. Het was in den brief aan bewindhebbers om hem te steunen om Jacatra in een sterkte te herscheppen dat Coen de gevleugelde woorden schreef: “dispereert niet, ..... daer can in Indiën wat groots verricht worden”. Bestuur en rechtswezen werden door hem in het nieuw verworven gebied uitstekend geregeld. In 1621 ging Coen naar de Banda eilanden om den sluikhandel aldaar te breken: de eilanden werden tot onderwerping gebracht. Na zijn aftreden in 1623 in het vaderland teruggekeerd werd hij tot bewindhebber benoemd. In 1624 wederom tot gouverneur-generaal aangesteld duurde het tot 1627 eer hij deze waardigheid aanvaardde. Gedurende zijn tweede ambtsperiode werd Batavia tweemaal zonder succes door Mataram belegerd. Gedurende het tweede beleg overleed Coen 21 September 1629. Coen was niet alleen een krachtig en beleidvol bevelhebber, maar was ook een uitmuntend bestuurder met groote organisatorische talenten. Met recht wordt hij beschouwd als de grondlegger van het Nederlandsch gezag in den Indischen Archipel.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 218-220

Commissaris-Generaal is in het algemeen de titel van een of meer hoogste regeeringspersonen in Ned.-Indië, met buitengewone macht bekleed en staande boven de Indische regeering. De eerste c.g. R. van Goens heeft waarschijnlijk die macht niet gehad (1678). De volgende c.g. was H.A. van Reede tot Drakestein (1680-1682), wiens opdracht echter betrekking had op gebiedsdeelen gelegen buiten het huidige Ned.-Indië. Overeenkomstig de gewone beteekenis was de opdracht aan S.C. Nederburgh en S.H. Frijkenius. Deze vormden met den gouv.-gen. Alting en den directeur-generaal H. van Stockum (overleden voordat hij zijn functie aanvaardde) de hooge commissie (1791-1799). Van Stockum werd vervangen door J. Siberg, schoonzoon van Alting. Daar deze beide personen belang hadden bij het voortbestaan der in deze periode heerschende wantoestanden was van medewerking hunnerzijds geen sprake. Deze omstandigheid alsmede de veranderingen welke sedert 1795 in de republiek hadden plaats gehad, waren oorzaak dat de commissie bij haar ontbinding niets had uitgericht.
De hooge commissie C. H. van Grasveld en Mr. C.T. Elout werd op weg naar Indië te New York (waar Van Grasveld overleed) door koning Lodewijk teruggeroepen.
De volgende commissarissen-generaal (1814-1819) waren Mr. C.T. Elout (voornoemd), G.A.G.P. baron van der Capellen en A.A. Buyskes, benoemd door den soevereinen vorst. Eerstgenoemde zou fungeeren als president, van der Capellen als gouv.-gen. De taak dezer commissie was de bezittingen van de Engelschen overnemen en een nieuw bestuur inrichten. Daarna waren nog Commissaris-generaal L.P.J. burggraaf du Bus de Gisignies (1826-1830) en J. graaf van den Bosch (1833-1824).
In het huidige staatsbestel zouden commissarissen-generaal slechts kunnen worden benoemd indien daartoe bij wet eene voorziening zou worden getroffen aangezien de bij wet vastgestelde I.S. den gouv.-gen. als hoogste overheid in Indië en als des Konings vertegenwoordiger aanwijst.
Naamlijst van de Commissarissen-Generaal:
1684-92 Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein
1791-99 Mr. Sebastiaan Cornelis Nederburgh, Simon Hendrik Frijkenius en Mr. Willem Arnold Alting
1793-99 Johannes Siberg
1796-99 Mr. Pieter Gerardus van Overstraeten
1805-06 Mr. C.Th. Elout en C.H. van Grasveld
1816-19 Mr. Cornelis Theodorus Elout, Godert Alexander Gerard Philip baron van der Capellen en Arnold Adriaan Buijskes
1826-30 Leonard Pieter Jozef burggraaf du Bus de Gisignies
1833-34 Johannes graaf van den Bosch.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 231

[Surabaya – Suikersyndicaat] 
[Surabaya – Landbouw-syndikaat] 

Cultures. De regeering heeft een drietal commissies ingesteld die de belangen der groote cultures bij haar, de departementshoofden en hoofden van gewestelijk bestuur kunnen voorbrengen. Voor de suikerindustrie zijn die werkzaamheden opgedragen aan het dagelijksch bestuur van het algemeen syndicaat van suikerfabrikanten in Ned.-Indië, voor de bergcultures aan het bestuur van het algemeen landbouwsyndicaat en, voor zoover Noord-Sumatra betreft aan een commissie bestaande uit de besturen der algemeene vereeniging van rubberplanters ter Oostkust van Sumatra en de Deliplantersvereeniging. Voor Zuid- en West-Sumatra zijn die werkzaamheden opgedragen aan het bestuur van het Z.- en W.-Sumatrasyndicaat.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 231-233

[Bandung – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 
[Semarang – Nederlandsche Handel Maatschappij] 
[Surabaya – Handel Maatschappij] 

Cultuurstelsel. Toen de toch al deplorabele toestand van 's Lands financiën door den Java-oorlog nog verergerd was moest naar nieuwe middelen worden omgezien. Volgens het bestaande landenstelsel moest de inheemsche landbouwer een bepaald deel van de opbrengst van zijn grond aan het gouvernement afstaan. Toen nu in 1830 de gouv.-gen. Van den Bosch optrad werd het door hem aan de hand gedaan cultuurstelsel – een gewijzigd stelsel der geforceerde cultures der voormalige compagnie – ingevoerd, om tot onmiddellijke baten ter geraken.
Volgens dit stelsel moest de Javaan (het gold alleen voor Java) één vijfde van zijn grond voor het gouvernement beplanten met de door de overheid bepaalde producten, uit den aard die welke de Europeesche markt vroeg, nl. koffie, suiker en indigo. De niet-landbouwers moesten één vijfde deel van het jaar, dus 66 dagen voor het gouvernement arbeiden. Behalve dat de Javaan daardoor niet meer vrij was in zijn teelt van gewassen, waren de genoemde cultures hem vreemd en kostte hem meer tijd en moeite dan dier waaraan hij gewend was, nl. rijst en tweede gewassen.
De Europeesche en Inlandsche ambtenaren die met het toezicht op de cultures waren belast genoten cultuurprocenten, wat tot misbruiken leidde. Bovendien werd naast het cultuurstelsel de landrente gehandhaafd tegen de uitdrukkelijke toezegging der regeering. Ook de heerendiensten voor het onderhoud van weger en bruggen bleven gehandhaafd. De Javaan kwam zoodoende onder zwaren druk en was aan willekeur overgeleverd.
Financieel voldeed het stelsel uitstekend. Reeds in 1833 bracht het een batig saldo van 3.000.000 gulden, hetwelk jaar op jaar toenam. Aldus genoot het moederland in totaal 900.000.000 gulden aan batige saldi, welke gelden het gebruikte voor aflossing van staatsschulden en voor de aanleg van spoorwegen. Indië zelf had er weinig of geen baat bij, in tegendeel de nadeelige gevolgen lieten zich gelden. In Midden-Java heerschte hongersnood (1848-1850).
De Nederlandsche Handelmaatschappij had van de regeering het monopolie verkregen voor het vervoer naar Nederland en voor den verkoop aldaar der gouvernementsproducten, tegen een voorschot op de opbrengst aan het gouvernement. Dusdoende kwam dit noodlijdende lichaam tot grooten bloei. Intusschen was door de genoemde ongunstige factoren een strijd ontketend tegen het cultuurstelsel.
Bij de grondwetsherziening van 1848 kregen de Staten-Generaal medezeggenschap in het beheer der koloniën, hetwelk tot dusver uitsluitend bij den Koning berustte. De indiening van het koloniaal verslag door den Koning aan de Staten-Generaal en het voorschrift tot vaststelling door dit college van een regeeringsreglement ingevolge de nieuwe grondwet, gaven de publieke meening gelegenheid tot uiting. In de IIe Kamer was het vooral de voormalige Indische predikant Dr W.R. baron van Hoëvell met zijn aanhang, die krachtig opkwam voor de belangen van Indië, daarbuiten Multatuli (E. Douwes Dekker) die met zijn boek 'Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij' beroering wekte (1860). Intusschen was in 1854 het nieuwe regeeringsreglement tot stand gekomen hetwelk voorschreef dat de bescherming der Inlandsche bevolking tegen willekeur tot de plichten van den gouv.-generaal behoorde. Vooral onder minister Fransen van de Putte werden vele verbeteringen ingevoerd (1863-1866). In 1867 kwam de comptabiliteitswet tot stand, volgens welke de Indische begrooting door de Staten-generaal moest worden vastgesteld, welke alzoo hoe langer hoe meer invloed kregen op het bestuursbeleid in Indë. Een en ander had ten gevolge dat in 1870 de verplichte aanplant van suikerriet werd afgeschaft. De verplichte koffiecultuur werd, ontdaan van de misbruiken, gehandhaafd tot 1915. Dit was het einde van het eertijds zoo beruchte en gehate cultuurstelsel, bij welks tot standkoming de beste bedoelingen hadden voorgezeten."

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 234-235

[G.G. – Daendels] 

Daendels (Mr. Herman Willem), geb. te Hattem 21 Oct. 1762, overl. St. George del Mina 2 Mei 1818. Werd in 1795 luit-generaal, gouverneur van Oost-Friesland 1806. Gouv.-generaal van N.I. en opperbevelhebber van ’s Konings land- en zeemacht 1807-1811, werd in dat jaar maarschalk van Holland. Een zeer despotisch en wreed man, gespeend van takt en diplomatieke talenten en daardoor ongeschikt met Inlandsche vorsten om te gaan. Wel maakte hij zonder aanzien des persoons een einde aan vele misbruiken, maar schroomde niet zich zelf onrechtmatig te verrijken. De zware eischen den Sultan van Bantam gesteld voor den aanleg van wegen en de maritieme werken aan de ongezonde Meeuwenbaai leidden tot verzet, waarop Daendels zelf met een leger naar Bantam trok, den sultan afzette, den rijksbestuurder liet fusilleeren en het rijk inlijfde. Hij hief het gouv. Java’s Noord-oostkust op en schafte de vernederende eerbewijzen van de residenten aan de vorstenhoven op Java af. Den ons vijandig gezinden sultan van Jogjakarta zette hij, na een expeditie derwaarts, af; nieuwe, voordeelige contracten met den nieuwen sultan en den soenan van Solo werden afgesloten (doch kwamen niet tot uitvoering). Het binnenlandsch bestuur en het rechtswezen hervormde hij; ten koste van schatten geld en vele menschenlevens legde hij den grooten postweg op Java aan. De hoofdplaats Batavia werd van assaineeringswerken voorzien. Weltevreden werd als woonplaats en zetel der gouvernementskantoren gesticht. Zijn bestuur kostte schatten, die niet werden gedekt door den verkoop der produkten der gedwongen cultures. Daarom verkocht hij uitgestrekte stukken land aan particulieren, hetgeen de oorsprong was der particuliere landerijen. Onder zijn bestuur werd de nederzetting te Bandjermasin opgeheven en gingen de Molukken verloren. Na zijn terugkeer in 1811 maakte hij als maarschalk in het Fransche leger den tocht naar Rusland mee. Na herstel in Nederland bood hij zijn diensten aan Koning Willem I aan, die hem benoemde tot gouv.-gen. der Nederlandsche bezittingen ter kust van Guinea, alwaar hij in 1818 overleed.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 253-254

[Jakarta 5 – Justitie] 

Tot den werkkring van het departement van justitie behooren: het personeel der rechterlijke macht; advocaten en procureurs; deurwaarders; notarissen; tolken en translateurs; weeskamers; voogdijraden; reispassen naar het buitenland, de toelating van Nederlanders en vreemdelingen in Ned.-Indië; de verwijdering van personen uit geheel Ned.-Indië of uit een bepaald gedeelte daarvan en de aanwijzing van bepaalde verblijfplaatsen; het gevangeniswezen; de gerechtelijke statistiek in Ned.-Indië; de voorlichting van den gouv.-gen. in zake van gratie, amnestie, abolitie en dispensatie, voor zooveel rechtszaken betreft, verzoeken om wettiging, handlichting en derg., een en ander voor zoover de gouv.-gen. het advies van den directeur verlangt na dat van het hooggerechtshof van Ned.-Indië; verzoeken tot naamsverandering en naams-aanneming en verzoeken betreffende rechtspersoonlijkheid en naamlooze vennootschappen; van toepassing-verklaring van de bepalingen voor Europeanen op personen niet daaraan onderworpen; verzoeken om naturalisatie; de burgerlijke-, handels- en strafwetgeving en alle daarmede en in het algemeen met het rechtswezen in verband staande verordeningen; de buitenlandsche dagvaardingen en rogatoire commissiën; de strandvonderij; de slavernij en pandelingschap; de legalisatiën, de uitlevering van vreemdelingen; het toezicht op de drukpers; het toezicht op het recht van vereeniging en vergadering; het uitbrengen van rechtskundig advies in alle zaken, waarover dat advies door den gouv.-gen. wordt verlangd; overheidsbemoeienis ten aanzien van de arbeidsverhoudingen tusschen werkgevers en werknemers in Ned.-Indië; dactyloscopie; bestrijding van den zoogenaamden handel in vrouwen en kinderen en van dien in ontuchtige uitgaven; het tucht- en opvoedingswezen en het armwezen; het kadaster; kantoor voor den industrieëlen eigendom.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 254-255

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Tot den werkkring van het departement van financiën behooren: het algemeen toezicht op de ontvangsten en uitgaven en de behoorlijke inning der inkomsten, alsmede over de ontvangsten en uitgaven voor rekening van derden; de bevordering van een deugdelijk financieel beheer en van een doelmatig gebruik der landsmiddelen; de financieele statistiek; de samenstelling van de algemeene begrooting; het opmaken van de begrooting van uitgaven en inkomsten, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; de uitvoering van de begrooting, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; de samenstelling van de algemeene rekening van ontvangsten en uitgaven; het opmaken der rekeningen van ontvangsten en uitgaven in Ned.-Indië, voor zoover niet behoorend tot den werkkring van een ander departement; het bank- en muntwezen; het beheer van de vlottende en vaste schulden; het beheer en voorziening in de behoefte van ’s Lands kassen; den gouvernements-accountantsdienst; de belastingen en middelen, verpachte en niet-verpachte, voor zoover niet tot eenig ander departement behoorende; de landelijke inkomsten; de in- en uitvoerrechten en accijnzen; het venduwezen; den pandhuisdienst; de opiumregie; de zoutregie; de fabriekmatige bereiding en verpakking van opium; het reiswezen; de toekenning van non-activiteits-tractementen, wachtgelden en onderstanden, voor zoover niet aan andere gezaghebbenden opgedragen; de toekenning van pensioenen aan burgerlijke ambtenaren, aan de leerkrachten bij het bijzonder onderwijs, alsmede aan de weduwen van niet-Europeesche burgerlijke ambtenaren; de bemoeienis met de onder Landstoezicht staande pensioenfondsen, voor zoover niet tot den werkkring van andere departementen behoorende.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 255

[Jakarta 5 – Bestuur] 

Tot de werkkring van het departement van binnenlandsch bestuur behooren: de bestuurshervorming; het gewestelijk en plaatselijk bestuur; de decentralisatie; de algemeene en gewapende politie; de particuliere landbouw; de heerendiensten; de gemeentediensten; het volkscredietwezen; de agrarische aangelegenheden; de reispassen en legitimatie-(aanduidings-)kaarten; het toezicht op landverhuizers; de kolonisatie; de fabrieken; de uitvoering van bouwwerken van eenvoudige constructie; de bouw en het onderhoud van triangulatie-pilaren en andere merkteekens en het toezicht op den invoer en de vertooning van bioscoopfilms.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 268

[Dièngformatie] 

Diëng-Plateau. Dit ruim 2000 M. hooge plateau, gelegen in de res. Kedoe is de verbinding van den Slamatketen en de Sendoro en de Soembing. Hierop worden vele Hindoeoudheden van Cawaïtischen oorsprong gevonden, een soort tempel- of priesterstad, waartoe reusachtige steenen trappen (van Wonosobo en van het Noorden uit) leiden. Van de steenen inscripties dateert één 731 Ҫaba-jaartelling (801 van onze jaartelling). In 1210 bestond de priesterkolonie nog. Uit een inscriptie op een koperen plaat blijkt dat de oude naam is Diyang (d.i. godenverblijfplaats). Midden in de tempelgroep is een grootere tempel. Een en ander is ontdekt door Raffles. Ook zijn er gevonden steenen, het mannelijk en het vrouwelijk teeldeel voorstellende; soms het mannelijke in het vrouwelijke. Dit stelt voor de bevruchting van het heelal. Van het Diëng-plateau uit begint een keten van Hindoe-oudheden over Midden- en Oost-Java. Ook is er een drainage-inrichting van loodrechte ronde putten die van onderen door een riool zijn verbonden. Het plateau heeft kraters, kratermeren en stikstofvalleien, o.a. de Segoro-wedi (woeste zee) en de Pakaramnang. Het ligt zoowat in het midden van Java.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 268a

[G.G. – Van Diemen] 

Diemen (Anthony van), geb. Culemborg 1593, overl. Batavia 19 April 1645. Was gouv.-gen. van1636-1645. Onder zijn bewind werd de opstand in de Molukken bedwongen, waartoe hij zich tweemaal derwaarts begaf; werd het wetboek ”de Bataviasche Statuten” ingevoerd, werd Malaka op de Portugeezen veroverd, werd het monopolie van den handel op Japan verkregen, werd een groot deel van Australië ontdekt ( o.a. Van Diemensland) en werden door hem te Batavia een tweetal kerken en een Latijnsche school opgericht.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 284

[G.G. – Durven] 

Durven (Mr. Diederik), geb. 1676, overl. 1740, was gouv.-gen. van Ned.-Indië van 1729-1732. Van zijn korte bestuursperiode valt niets van genoegzaam belang te melden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 291-292

[G.G. – De Eerens] 

Eerens (Dominique Jacques de) ge. Alkmaar 17 Maart 1781, overl. Buitenzorg 30 Mei 1840 werd na een schitterende militaire loopbaan, waarin hij den rang van luitenant-generaal bereikte, benoemd tot gouverneur-generaal van Ned.-Indië (1836-1840) Daar hij nimmer in Indië was geweest en zijn hoofdtaak bestond in de verwezenlijking der denkbeelden van Van den Bosch, ging er weinig zelfstandigheid van hem uit. Onder zijn bewind kwam een einde aan den Padri oorlog ter Westkust van Sumatra.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 297-298

[Jakarta 2 – Erberveld] 
[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 
[Jakarta 5 – Pieter Erberveld] 

Erberfelt (Pieter) was een vermogende halfbloed Europeaan die (naar op de pijnbank verkregen bekentenissen) een uitgebreide samenzwering op touw zette om alle Europeanen te vermoorden en daarna zelf hoofd van de regeering te Batavia te worden. Zijn voornaamste helper Karta Drya zou met den titel raden het bestuur over de Ommelanden voeren. Ook zou hij in verbinding hebben gestaan met Soerapati en andere ontevreden Javaansche hoofden. Door mededeeling van enkele slaven van Erberfelt kwam de samenzwering 28 Dec. !721 aan het licht. Erberfelt en 18 zijner medewerkers werden ter dood gebracht. Zijn huis aan de Oostzijde van de Jacatraweg werd gesloopt en de verwoeste plaats omheind met een hoogen muur waarin een zerk boven welke als schandmerk een doodshoofd waardoor een ijzeren pin steekt. Daaronder de inscriptie: “ Uyt een verfoeylijke gedagtenisse teegen den gestraften Land Verraader Pieter Erberveld sal niemand vermoogen te deeser plaatse te bouwen, timmeren, metselen off planten, nu ofte ten eenige dage. Batavia den 14 April 1722’. Dit monument is nòg aanwezig.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 298

Europeanen. In Nederl.- Indië wonen rond 240.000 Europeanen, nl bijna 130.000 mannen en ruim 110.000 vrouwen.
Hiervan wonen op Java en Madoera ruim 100.000 mannen en ruim 90.000 vrouwen; totaal ruim 190.000.
In de bezittingen daarbuiten zijn bijna 27.000 mannen en 22.000 vrouwen, totaal bijna 50.000.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 298-300

[Woordenlijst Exorbitante rechten

Exorbitante Rechten. Het totaal der toepassingen van de z.g.n. exorbitante rechten, loopende van 1855-1920, wordt in eene in 1921 over dit onderwerp verschenen dissertatie van Mr. P.H.C. Jongmans, op ongeveer 1150 geschat. Toepassingen uit den lateren tijd zijn o.m. die op de leden der sedert verdwenen Indische Partij Douwes Dekker, Tjipto en Soewardi, in 1913, en die op de communisten Sneevliet, Van Buurink, Brandsteder, Baars, Bergsma, Semaoen Tan Malakka, enz. (1918-1922). Een massa-interneering te Boven-Digoel (Nieuw-Guinea) had plaats van deelnemers aan de bekende in 1926/27 in West-Java en ter Sumatra’s Westkust voorgevallen relletjes.
Laatstelijk werd nog het eiland Flores als verblijfplaats aangewezen voor den bekenden Volksleider, den ingenieur Soekarno.
De bevoegdheid tot uitoefening der exorbitante rechten is in de art. 35-38 I.S. neergelegd en werd den Gouverneur-Generaal toegekend omdat een samenleving van zeer verschillende rassen gelijk de Indische, meer gevaar oplevert voor verstoring van rust en orde, dan waar een homogene bevolking woont.
De Gouverneur-Generaal kan namelijk in overeenstemming met den Raad van Indië aan personen, die gevaarlijk worden geacht voor de openbare rust of orde, indien zij buiten Ned.-Indië zijn geboren, het verblijf in het geheele gebied of in bepaalde gedeelten daarvan, ontzeggen; indien zij in Ned.-Indië zijn geboren, een bepaalde plaats aldaar tot verblijf aanwijzen, dan wel het verblijf in bepaalde gedeelten daarvan ontzeggen, een en ander mits de betrokken persoon vóór die beslissing in zijne verdediging gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen is (art. 35-38 I.S.)
Wordt het verblijf in geheel Indië ontzegd, dan pleegt men van “uitzetting” of “externeering” te spreken; wordt het verblijf in een deel van Indië ontzegd, dan noemt men dit “politieke verbanning”; wordt een verblijfplaats aangewezen, dan spreekt men van “interneering”.
“Externeering” werd ook wel gebruikt voor een in de praktijk somtijds toegepaste maatregel, waarbij de betrokkene de vrijheid verkreeg Indië te verlaten op voorwaarde anders geïnterneerd te worden.
Zoowel in Parlement als in Volksraad is herhaaldelijk gewezen op de vergaande bevoegdheid van de Overheid in deze exorbitante rechten neergelegd. Toch werd algeheele afschaffing daarvan zonder meer in het algemeen ontraden en ook niet mogelijk geacht.
De toepassing der exorbitante rechten is een maatregel van politiedwang en geen strafmaatregel, welke van de rechter zou moeten uitgaan.
Teneinde echter de mogelijkheid na te gaan om dezen politiemaatregel met meer rechtszekerheid te omringen dan thans het geval is, stelde de Indische Regeering in 1931 eene Commissie in om te onderzoeken in hoeverre de bij de uitoefening dezer rechten thans gevolgde procedure verbetering zou kunnen ondergaan.
Uitzetting uit Indië, zonder toepassing van art. 35 I.S. vindt plaats ten aanzien van personen, die geen ingezetenen zijn. Wordt een tot Ned.-Indië “toegelatene” geacht gevaar op te leveren voor de openbare rust en orde, dan vaardigt de Gouverneur-Generaal eenvoudig met intrekking van zijn toelatingskaart een bevel tot zijn verwijdering uit.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 369

[G.G – Van Goens] 

Goens (Rycklof van), geb. te Rees (Kleef) 24 Juni 1619, overl. te Amsterdam 14 Nov. 1682, trad reeds jong in dienst der O.I.C. Volbracht belangrijke zendingen en bekleedde hooge en gewichtige functiën, was o.m. drie maal gouverneur van Ceylon, was raad van Indië, directeur generaal enz. Als krijgsoverste te land en ter zee oogstte hij onvergankelijke lauweren. Hij was gouverneur-generaal van 10 Jan. 1678 – 25 Nov. 1681. Onder zijn bestuur werd de opstand van Troeno Djojo beëindigd, werd de Panembahan van Giri onderworpen, een contract met Cheribon gesloten en Ternate veroverd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I, 393-394

[Semarang – Artesische put]

Grondpeilwezen. Onderdeel van het Mijnwezen, hoofddoel van deze Dienst is, het verrichten van boringen naar drinkwater door zgn. artesische boringen. In 1884 werden in Indië reeds boringen door de Genie uitgevoerd voornamelijk voor drinkwatervoorziening van militaire kampementen o.a. te Weltevreden, te Ambarawa en te Semarang. De Burgerlijke Openbare Werken verrichten in dien tijd evenzoo boringen voor civiele doeleinden. Nadat echter eenige boringen mislukten, doordat steeds zoutwater werd aangeboord, werden deze werkzaamheden in 1871 bij besluit van den Gouverneur-Generaal aan het mijnwezen toevertrouwd. […]
Voor de drinkwatervoorziening heeft de dienst veel gedaan, tot 1931 werden ruim 1000 boringen verricht, waarvan een gering percentage geen resultaat leverden. […]
Op Java neemt het zoutgehalte der waterlaag dikwijls naar de kust toe. In den regel spuit het water na aanboring uit de boorbuis, de stijgkracht neemt wegens verstopping langzamerhand af. Het water wordt in een gemetseld reservoir opgevangen en door middel van hydranten [staande aansluiting op de waterleiding op straat, waaraan men in Europa bij brand slangen kan schroeven] gedistribueerd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 396

[G.G. – De Haan] 

Haan (Mattheus de) (1663-1729) was gouv.-generaal van Ned.-Indië 1724-’25. Zijn bestuursperiode was onbelangrijk.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 427

[Bandung 1 A – Hervormingen]  

Herzienings-Commissie 1918. In 1918 benoemde de Gouverneur-Generaal Van Limburg Styrum eene commissie tot herziening der Staatsinrichting van Ned.-Indië, welke in 1920 een lijvig verslag uitbracht met een ontwerp van wet op de Staatsinrichting van Ned.-Indië, ontwerp-voorstellen tot wijziging der Grondwet en verdere bijlagen. Het in het leven roepen dezer Commissie hield verband met de politieke onrust der Novemberdagen van 1918 en den aandrang van den Volksraad om ten spoedigste tot eene radicale hervorming der Staatsinrichting van Nederl.-Indië over te gaan.
De Commissie, waarin ook vertegenwoordigers van sterk vooruitstrevende politieke organisaties zitting kregen, werd voorgezeten door prof. Mr. J. H. Carpentier Alting.
Zij stelde eene algeheele Staatsrechtelijke reorganisatie van Ned.-Indië voor met toekenning van eene vergaande autonomie aan dit Staatsdeel en groote medezeggenschap der bevolking.
Van dit rapport is ongetwijfeld groote doch niet overwegende invloed uitgegaan op de daarop volgende Grondwetsherziening van 1922, welke eene radicale vernieuwing der koloniale artikelen (60 en 61) bracht.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 427-428

[G.G. – Van Heutsz] 

Heutsz (Johannes Benedictus van), geb. te Coevorden 3 Febr. 1851, overleden te Montreux 10 Juli 1924. Na de officiersrangen tot en met kolonel der infanterie te hebben doorloopen en zich daarin op een bijzondere wijze, voornamelijk in Atjeh, te hebben onderscheiden, werd Van Heutsz in 1898 benoemd tot civiel- en militair gouverneur van Atjeh en Onderhoorigheden. Voor het door hem aldaar gevoerde beleid zie Geïllustreerde Encyclopaedie, 36-47. Na in 1898 te zijn benoemd tot generaal-majoor, gewerd hem in 1900 den rang van luitenant-generaal. In 1902 werd hij benoemd tot adjudant-generaal van H.M. de Koningin met den rang van groot-officier van de Kroon. Alle klassen van de militaire Willemsorde doorliep hij, tot hij in 1903 werd benoemd tot grootkruis van die orde (in 1899 was hij benoemd tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw). In 1904 werd hij benoemd tot gouv.-generaal van Ned.-Indië, welk ambt hij in October van dat jaar aanvaardde en hetwelk hij bekleedde tot Dec. 1909. Deze periode kenmerkte zich door de openlegging der buitengewesten, d.w.z. dat in vele streken waar wij geen- of een schijngezag uitoefenden, het gezag van het gouvernement effectief werd gevestigd. (Midden-Sumatra, Centraal-Borneo, Celebes, Bali, Soembawa, Soemba, Flores, Timor en de Molukken). Doordat daardoor orde, veiligheid en rust werden gevestigd, werd daarmede tevens de grondslag gelegd voor den welvaart die in de daarop volgende decennia Indië kenmerkte. Bij zijn aftreden werd hij benoemd tot grootkruis van den Nederlandschen Leeuw. Van Heutsz is ongetwijfeld een groot man geweest, die als gouv.-generaal in één adem mag worden genoemd met J.P. Coen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 436-437

[Surabaya – Passar] 
[Woordenlijst – Hoëvell]
 

Hoëvell (Dr. Wolter Robert Baron van), geb. te Deventer 15 Juli 1812, overl. te ’s-Gravenhage 10 Febr. 1879, was predikant te Batavia toen hij zich door zijn vooruitstrevende ideeën op koloniaal-politiek gebied, blijkende uit zijn publicaties, het ongenoegen van de Indische regeering op den hals haalde. Hierdoor gedwongen in het moederland terug te keeren zette hij zijn actie voort en wist zoodanig de aandacht op zich te vestigen dat hij in 1849 tot lid der tweede kamer werd verkozen. Tot de nieuwe richting in het koloniaal bestuur, die zich toen in Nederland baan brak heeft Van Hoëvell in groote mate bijgedragen. Ook op de samenstelling van het nieuwe reglement op het beleid van de regeering in Ned.-Indië (1854) heeft hij grooten invloed uitgeoefend. Door zijn krachtig opkomen voor de belangen van de inheemsche bevolking legde het reglement den gouverneur-generaal den plicht op de Inlandsche bevolking tegen willekeur te beschermen. Mede door zijn invloed werden de ergste misbruiken tegen het cultuurstelsel weggenomen. De gehate passarbelasting werd afgeschaft en aan de slavernij werd bij de wet een einde gemaakt (1859) alles dank zij de actie van Van Hoëvell. Hij was een man van groote welsprekendheid en veelomvattende kennis. Van zijn hand verschenen tal van publicaties.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 449-451

[G.G. – Van Imhoff] 

Imhoff (Gustaaf Willem Baron van), geb te Leer 8 Aug. 1705, overl. te Batavia 1 November 1750, vertrok op 20-jarigen leeftijd als onderkoopman naar Indië. In 1736 werd hij gouverneur van Ceylon, waar hij uitstekend werk verrichte. In 1739 raad-ordinair van Indië geworden kreeg hij hoogloopende oneenigheid met den gouv.-generaal Valckenier, die hem en zijn medeleden E.de Haaze en S.I. van Schinne in militair arrest stelde en ieder afzonderlijk gevankelijk naar Nederland zond. Daar wist Van Imhoff zich bij bewindhebbers vrij te pleiten en de schuld op Valckenier af te wentelen. In 1740 tot gouv.-generaal benoemd, aanvaarde hij dat ambt in 1743. Zijn bestuur kenmerkte zich door belangrijke gebeurtenissen, mede dank zij zijn groote werkzaamheid en voortvarendheid. Echter beging hij ook grove fouten, waardoor hij de Compagnie in groote moeilijkheden bracht. Hij bevorderde den landbouw en de kolonisatie in de ommelanden van Batavia; werd zelf de stichter van het landgoed Buitenzorg, hetwelk sedert steeds in particulier bezit overging op opvolgende landvoogden, totdat Daendels het in kavelingen verkocht aan particulieren (het gouvernement kocht het paleis met inboedel en omgeving en bestemde het tot ambtswoning van den landvoogd).
Hij maakte een reis over Java, waarop werden bezocht Soerabaja, Madoera, Semarang, Soerakarta, Banjoemas, Tegal. Deze reis had groote gevolgen. Met Mataram werd een verdrag gesloten waardoor de N.O.-kust van Java, van Cheribon tot Banjoewangi onder de Compagnie kwam. Dit gebied werd een gouvernement. Den broeder van den Soesoehoenan, Mangkoe Boemi, die met den Soenan in onmin leefde, gaf Van Imhoff in het openbaar een ernstige berisping, welke bovendien zeer waarschijnlijk niet was verdiend. Deze grove onhandigheid was oorzaak van een langdurigen krijg, den 3den Javaanschen Successie-oorlog, welke eerst onder Van Imhoff’s opvolger eindigde (1757). Een andere fout, welke verstrekkende gevolgen had voor de republiek was de eigenmachtige zending van een paar schepen naar Mexico ten einde in het gebrek aan zilver te voorzien, waardoor hij het monopolie van Spanje schond. De verkoop te Batavia van Fransche schepen, door Engelschen gekaapt bracht eveneens de republiek in moeilijkheden. Met Bantam sloot hij een contract waardoor een gedeelte van dat rijk aan de Compagnie kwam. Zijn bemoeiingen met de troonsopvolging in dat rijk echter leidden tot een opstand, die eveneens eerst onder zijn opvolger werd bedwongen. De meeste zijner overige zeer talrijke en goedbedoelde maatregelen mislukten en moesten wederom worden te niet gedaan. Op zijn reizen bracht hij overal verbetering in het bestuur en trof maatregelen om de Inlandsche bevolking te beschermen tegen haar hoofden. Ook behartigde hij den landbouw der Inlanders.

Geïllustreerde Encyclopaedie voor N-I, 450, 487-488

[Semarang – Imam] 

Imam beteekent leider, voorganger. Het woord wordt gebruikt als titel en als ambt. [...] Als ambt voor den moskeebeambte die voorgaat in den sembahjang (het ritueele mohammedaansche “gebed”). [...]
De vrijdagpreek in de moskee wordt gehouden door den chatib. Verder zijn aan de moskee verbonden de modin (verbastering van het Arab. Moadzin), die van de minaret (menarah) de bevolking oproept. In den archipel heeft de moskee meestal geen minaret, maar gebeurt de oproeping op een trom. De modin is verder belast met het schoonhouden van de moskee. Een eigenlijke geestelijkheid kent de Islam niet. Het aantal moskeebeambten hangt af van de grootte van het dorp en van de moskee (masdjid). Soms is er helemaal geen masdjid. Dan komt men samen in de bali deso of in de woning van het dorpshoofd. Het moskeepersoneel verricht o.m. diensten bij huwelijksvoltrekking, bij begrafenissen, besnijdenissen; bij maaltijden zeggen zij de gebeden op; bij boedelscheidingen treden zij op als adviseur, wat echter weinig voorkomt, daar het percentage voor deze adviseurs zoo hoog is, dat men het maar liever volgens de adat doet (dorpshoofd). De zakat wordt speciaal door den Imam geïnd; zij wordt opgebracht van het hoofdproduct van den landbouw (rijst) en van alle andere producten. De betaling van zakat en pitrah (Ar. Fitr), eene vrijwillige gave, heet te zuiveren van zonden. Deze belastingen worden opgebracht op het einde der maand Ramadan, na het vasten. In Atjeh werden deze belastingen destijds opgebracht ten behoeve van den heiligen oorlog; de zakat is verder bestemd voor bekeerlingen en reizigers; in de archipel vaak tot stijving der moskeefondsen. Deze fondsen bestaande uit velden staan onder toezicht van de imams. De imams stonden vroeger onder controle der vorsten, die de instellingen veelal stichten of steunden. Tegenwoordig staan de imams op Java onder controle der regenten, die ook met andere zaken den Mohammedaanschen godsdienstbetreffende, bemoeienis hebben (bestemming van de huwelijksgelden, geschillen in verband met den Vrijdagsdienst). De moskeekassen staan onder beheer van beheerscommissiën bestaande uit een of meer schriftgeleerden en uit door den regent aan te wijzen notabele vertegenwoordigers van niet-ambtelijke ingezetenen, bij voorkeur tot den handelsstand of tot het bedrijfsleven behoorende. De regent heeft tevens controle op het beheer dezer commissiën. Bouw en reparatie van moskeeën gebeurt veelal door de bevolking buiten de fondsen om. De kas wordt gestijfd door giften van de bevolking (er is een offerbus in de moskee); bij geloften en het bezoeken van graven wordt vaak gestort. Voor een moskee is het dus zaak een heilig graf te hebben. De moskeebeambten oefenen, wanneer de godsdienstige inkomsten niet voldoende zijn, vaak een gewoon wereldlijk beroep uit. De moskee wordt, behalve voor het houden van godsdienstoefeningen, gebruikt tot het geven van godsdienstonderwijs.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 460

[Woordenlijst – I.E.V.] 

Indo-Europeesch Verbond (I. E.V.). Opgericht in 1919 stelt het I.E..V. zich ten doel de bevordering van de sociale, moreele, intellectueele en economische ontwikkeling der Indo-Europeanen in Ned.-Indië. De bond verricht in hoofdzaak arbeid op algemeen maatschappelijk gebied. De organisatie omvat 14000 leden, verspreid over een 100-tal afdeelingen in den Indischen Archipel.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 464

[Jakarta 6 – Nijverheidsonderwijs] 

Voor het nijverheidsonderwijs op Westerschen grondslag zijn de Europeesche ambachtschool te Batavia en de openbare ambachtscholen van technisch onderwijs te Batavia, Soerabaja, Jogjakarta en Bandoeng ter opleiding voor de lagere middelbare betrekkingen van technischen en industrieelen aard. Te Semarang is een particuliere technische school (met gouvernements subsidie). De gemeente Soerabaja heeft een dagschool met burger-avondschool voor bouw- en werktuigkundigen. Ook Semarang heeft een particuliere technische avondschool (‘mangoenhardjo’). Te Soerabaja nog de suikerschool van den bond van geëmployeerden bij de suikerindustrie. Ook bij het leger worden kinderen van Europeesche afkomst opgeleid tot ambachtslieden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 475-476 

[Yogya 1 – Steen] 

Het Java-Instituut te Batavia stelt zich ten doel de ontwikkeling van de inheemsche cultuur van Java, Madoera en Bali te bevorderen. Het secretariaat is gevestigd te Jogjakarta.
De [andere] wetenschappelijke instituten welke op Ned.-Indië betrekking hebben zijn:
1. Het Koloniaal Instituut te Amsterdam [...]
2. Het Batak-Instituut te Leiden [...]
3. Het Koninklijk Instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië te ’s-Gravenhage [...]
4. De Afdeeling Nederlandsch-Indië van het Koninklijk Instituut voor ingenieurs gevestigd te Batavia [...]

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 496-497

[G.G. – Janssens] 

Janssens (Jhr. Jan Willem), geb. Nijmegen 12 Oct. 1762, overl. te ’s-Gravenhage 23 Mei 1838, had aanvankelijk een militaire loopbaan, was daarna in civielen dienst, laatstelijk (1800) secretaris-generaal bij het ministerie van oorlog, toen hij in 1802 gouv.-generaal werd van Kaap de Goede Hoop met den rang van luitenant-generaal, waar hij het bestuur van de Engelschen overnam in 1803. In 1806 reeds moest hij de kolonie, na dappere verdediging weer aan de Engelschen overgeven. In 1810 werd hij door Napoleon benoemd tot gouv.-generaal der O.-I. bezittingen en opperbevelhebber van land- en zeemacht. In 1811 aanvaardde hij het bestuur om reeds in Sept. van hetzelfde jaar de bezittingen, wederom na moedigen tegenweer, aan de Engelschen over te geven. Hijzelf werd als krijgsgevangene naar Engeland gevoerd, doch spoedig weer uitgeleverd. In het moederland bekleedde hij nog onderscheidene belangrijke ambten. In 1815 werd hij in den Nederlandschen adelstand verheven (Napoleon had hem reeds verheven tot baron de l’Empire); in 1828 verkreeg hij den rang van generaal der Infanterie.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 497

[Jakarta 7 – Consul Generaal] 

Japanners worden reeds sedert eeuwen in den archipel aangetroffen. Een intensief handelsverkeer tusschen Japan en Ned.-Indië dateert echter eerst van de laatste decennia. Vooral in den wereldoorlog is die handel, doordat het verkeer met Europa vrijwel was verbroken, belangrijk toegenomen. Japansche lucifers, goedkoop aardewerk, rijwielbanden en lampeglazen zijn vaste importartikelen. Japansch cement verdrong het inheemsche product van Indaroeng [De eenige Portlandcement fabriek, gelegen te Indaroeng op Sumatra.] zoodanig dat thans maatregelen zijn genomen om het Indisch cement te beschermen.
Japan betrekt uit Indië aardolie en suiker. Stookolie voor zijn vloot haalt het uit Tarakan. Eenige Japansche bankinstellingen, -handelshuizen en een 30-tal –cultuurondernemingen zijn in den archipel gevestigd. Ook wordt in de Indische wateren veel door Japanners gevischt. De Japansche scheepvaart op Indië is belangrijk.
Japan heeft een consul-generaal te Batavia en consuls te Soerabaja en Medan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 498

Java. Administratief onderscheidt men in Nederlandsch-Indië de eilanden Java en Madoera en het overig deel van het eilandenrijk, d.z. de gewesten buiten Java en Madoera of de Buitengewesten. Onder Java wordt dus gewoonlijk verstaan: Java, Madoera en de kleinere eilanden daaromheen, d.z. de Kangean- en de Sapoedi-eilanden, de Duizend-, de Boompjes- en de Karimoendjawa eilanden, Bawean, Noesa Kembangan, Noesa Baroeng, eenige kleine eilanden in Straat Soenda en ten Zuiden van Java gelegen.
Java alleen is 125.500 vierkante K.M. groot, met Madoera en de andere eilanden erbij 131.350 vierkante K.M. De oppervlakte is ongeveer vier maal zoo groot als Nederland en een zestiende deel van heel Nederlandsch-Indië. Door zijn talrijke bevolking en in vergelijking met de andere eilanden van den archipel grootere ontwikkeling op bijna elk gebied is Java het voornaamste eiland van Nederlandsch-Indië. Voor verreweg het grootste deel worden Java en Madoera rechtstreeks bestuurd door het Nederlandsche Gouvernement, slechts een klein gedeelte, de Javaansche Vorstenlanden, is in het genot van zelfbestuur gelaten.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 498, 502-503

[Mendut – Hindoecultuur] 
[Borobudur 0 – Boeddha] 

Geschiedenis Van de oorspronkelijke bevolking, die een duizendtal jaren vóór Christus den archipel bewoonde, is heel weinig bekend. Enkele steenen wapenen en gereedschappen uit dien tijd zijn in West-Java gevonden. Ongeveer 500 jaar vóór Christus zijn volksstammen, waarschijnlijk afkomstig uit Achter-Indië, via Malakka naar den archipel getrokken. Deze volksstammen stonden reeds op een hoogeren trap van beschaving. In de eerste eeuw na Christus kwamen Hindoes en Chineezen in den archipel handel drijven en vooral de eersten bleven op Sumatra, Java en Borneo gevestigd. De oudste kenteekenen der Hindoebeschaving op Java werden in het Westen gevonden. In de 4de of 5de eeuw na Christus bestond daar een Hindoesch rijk, dat Taroema heette en geregeerd werd door een koning Poernawarman. Van dien tijd af is iets meer van de geschiedenis van Java bekend uit inscripties op steen en op koperplaten, uit andere archeologische gegevens, uit oud-Javaansche geschriften en uit mededelingen van Arabische, Portugeesche en vooral van Chineesche reizigers.
In de zevende eeuw was Midden-Java het centrum van de Hindoecultuur geworden, Chineesche berichten van dien tijd spreken van het rijk Kaling. Van het jaar 750-850 stond Midden-Java onder den invloed van de Hindoevorsten van Palembang. Uit dien tijd en iets later dateren vele belangrijke Hindoemonumenten, die men op Midden-Java aantreft, de Boroboedoer, de Mendoet, het Prambanan-complex enz. De oude heersers van het rijk Kaling waren intusschen naar Oost-Java uitgeweken en brachten daar de Hindoe-Javaansche cultuur. In de tweede helft der negende eeuw keerden zij weer naar Midden-Java terug, waar de Palembangvorsten hun invloed verloren hadden. Het strekte zich uit over Midden- en Oost-Java. De kern van het rijk lag eerst in Midden-Java, doch verplaatste zich in het begin der tiende eeuw naar het Oosten ( Kediri). Mpoe Sindok, de toen regeerende vorst, was de stamvader van een reeks vorsten, die tot het begin der dertiende eeuw over Java heerschten en ook over andere eilanden Bali, Ternate, Zuid-Celebes, Zuid-Borneo enz. hun macht uitbreiden. In 1222 maakte een opstandeling Keng Angrok een einde aan het rijk van Kediri en stichtte een nieuw rijk Toemapel met Singasari als hoofdplaats. Dit laatste ging op het einde dier eeuw te niet.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 503-508

[G.G. – Both] 

[Vervolg geschiedenis van Java] Widjaja, een achterkleinzoon van Angrok, later genaamd Kertarajasa, werd in 1294 heerscher van het nieuwe machtige rijk Modjopahit, het belagrijkste der Javaansche Hindoerijken, dat tot 1520 bleef bestaan. De meest bekende vorst is Hajam Woeroek (1350-1389), die met zijn rijksbestuurder Gadja Mada het rijk tot grooten bloei bracht. In 1333 werd in West-Java het rijk Padjadjaran gesticht, dat ondanks oorlogen met Modjopahit als zelfstandige staat bleef bestaan. De invloed van Modjopahit over vele onderhoorigheden in de Buitengewesten was voorts zeer groot. Onder de opvolger Wikramawardhana den schoonzoon van Hajam Woeroek, ging de bloei van het rijk weer verloren, door allerlei onderlinge twisten en vooral ook door de opkomst van het schiereiland Malakka, dat Java en Sumatra op handelsgebied begon te overvleugelen. Ook de doordringende Islam werkte tot de verbrokkeling van het Javaansche rijk mede.
De volgelingen van Mohammed begonnen na diens dood in 632 zijn leer te verbreiden. In het begin der veertiende eeuw waren Malakka en ook reeds eenige havenplaatsen op Sumatra tot den Islam overgegaan en vandaar uit brachten handelaren dien godsdienst over Palembang naar Oost-Java. In het begin der 15e eeuw hadden vele inwoners in de kustplaatsen van Java den Islam aangenomen. Malik Ibrahim, Soenan Ngampel en Soenan Giri waren de voornaamste predikers, die den Islam op Java verder verbreidden. De regenten, die bekeerd werden, gedroegen zich als onafhankelijke vorstjes, het rijk Modjapahit werd meer en meer verzwakt en bestond in het begin der zestiende eeuw uit een aantal rijkjes, dat onderling oorlog voerde.
In 1575 slaagde Soetowidjogo, regent van Mataram erin zijn gebied tot een vrijen staat te maken en zijn invloed uit te breiden, zoodat bij zijn dood in 1601 het nieuwe rijk Mataram zijn gezag over bijna geheel Midden- en Oost-Java had gevestigd.
In West-Java bleef het rijk Padjadjaram bestaan. Soenan Goenoeng Djati, die in het begin der zestiende eeuw in West-Java den Islam verbreidde, maakte zich met behulp van de vorst van Demak meester van Bantam en Jacatra. Zijn zoon Hassan Oedin scheidde zich in 1568 af van Demak en stichtte het sultanaat Bantam, dat ook gezag uitoefende over een deel der Lampongsche districten en later ook over het vroegere rijk Padjadjaran.
Naast Mataram en Bantam vond men op het einde der zestiende eeuw op Java nog het zelfstandige Hindoesche rijkje Balambangan. De andere rijkjes waren opgelost in de eerstgenoemde rijken of boden, toen de Nederlanders in 1596 op Java kwamen, nog een laatsten tegenstand.
In 1292 bereikte de eerste Europeaan, de Venetiaan Marco Polo, den Indischen Archipel (Noord-Sumatra). De handel in Oostersche producten liep toen over Malakka en Perzië en verder over land of over zee naar Klein-Azië en Egypte, van waaruit West-Europa werd bediend. Toen de Turken dien handel gingen bemoeilijken, trachtten de Portugeezen, toenmaals de beste zeelui, een rechtstreeksche verbinding met het verre Oosten te verkrijgen. Vasco da Gama bereikte in 1498 Voor-Indië. De Portugeezen wisten zich te handhaven en stichtten handelskantoren op vele plaatsen. Onder den tweeden Portugeeschen onderkoning d’Albuquerque werd in 1509 voor het eerst de Indische archipel (Atjeh) bereikt. Malakka werd in 1511 genomen, waardoor de handel in Portugeesche handen kwam. Op Java kregen de Portugeezen weinig invloed. De toen nog machtige Javaansche vorsten beschouwden deze concurrenten bij de handel als vijanden. Alleen met Balambangan werden vaste betrekkingen aangeknoopt. Meer succes hadden zij in de Molukken, doch op het einde der zestiende eeuw, nadat Portugal door Spanje in 1580 was veroverd, ging de Portugeesche macht in den archipel sterk achteruit en werden hun handelsbelangen verwaarloosd.
De Nederlanders waren intusschen de vrachtvaarders van Europa geworden en haalden o.a. specerijen en andere Oostersche producten uit Lissabon, dat de stapelplaats van die producten was. Toen deze handel bemoeilijkt werd, besloot men zelf de producten uit Indië te halen. Na eenige voorbereidingen werd in 1594 de Compagnie van Verre door eenige kooplieden opgericht, welke de eerste vloot naar Indië zou uitrusten. Den 2den April 1595 vertrok die vloot, bestaande uit vier schepen, onder leiding van den opperkommies Cornelis de Houtman wat betreft de handelszaken. 23 Juni 1596 werd de reede van Bantam bereikt. Oorspronkelijk had men eenig succes met het aanknoopen van handelsbetrekkingen doch al spoedig waren de Hollanders gedwongen Bantam te verlaten. Zij voeren Oostwaarts, deden verschillende plaatsen aan, doch wegens het geringe succes en de vele ziekten op de vloot, werd besloten terug te keeren. In Augustus 1597 kwamen drie van de vier schepen met nog geen 40 % van de uitgevaren bemanning in het vaderland terug. Ondanks de zeer matige verkregen voordeelen, vertrok 1 Mei 1598 de tweede vloot van acht schepen onder den admiraal Jacob van Neck, waarvan het eerste deel van drie schepen tegen het einde van het jaar Bantam bereikte, weldra gevolgd door de vijf andere onder van Waerwijck. Vier schepen konden spoedig volgeladen terugkeeren, de andere zetten de reis voort langs Java en de Molukken en kwamen in 1599 in het vaderland terug. Ruime winsten werden behaald en van dat ogenblik af werden tal van maatschappijen voor de vaart op Oost-Indië opgericht, die veel goeds tot stand brachten, veel winsten behaalden, doch elkaar ten slotte op zoodanige manier beconcurreerden, dat de groote winsten begonnen uit te blijven. In 1602 gelukte het daarop Van Oldenbarneveldt de bestaande maatschappijen te vereenigen tot een enkele maatschappij, die den naam ontving van Vereenigde Oost-Indische Compagnie en het monopolie kreeg van den handel op de landen beoosten Kaap de Goede Hoop. De vereeniging kreeg groote macht. Zij mocht op allerlei gebied namens de Nederlandsche regeering optreden. Het bestuur bestond uit 76 bewindhebbers, waarover de regeering eenige controle had en uit wier midden 17 personen werden gekozen, die de algemeene leiding hadden. Dit college droeg den naam van de “Heeren XVII”.
Reeds in het jaar van oprichting zond de nieuwe Compagnie de eerste vloot uit onder Van Waerwijck, die werd gevolgd door vele andere vloten. Overal werden handelsbetrekkingen aangeknoopt en factorijen gesticht, welke laatste ten doel hadden producten op te koopen en ter verzending gereed te houden. Verdragen met allerlei Indische vorsten werden gesloten. Tegenwerking had men overal van Portugeezen en Spanjaarden en vooral van de Engelschen, die in 1600 ook een Oost-Indische Compagnie hadden opgericht. De Molukken waren toen van het meeste belang en het kostte de Compagnie veel moeite zich daar te handhaven.
De ondervonden moeilijkheden maakten het noodig over de verschillende kantoren en factorijen, die meestal zelfstandig handelden en voor verdediging enz. zorgden, zonder zich veel aan de belangen van andere factorijen gelegen te laten liggen, een eenhoofdig bewind aan te stellen. In 1609 besloten Heeren XVII Pieter Both als eerste Gouverneur-Generaal naar Indië te zenden. Hij vestigde zich te Ambon en herstelde in de Molukken spoedig de orde. In 1613 bezocht hij Java, waar hij verdragen sloot met de Javasche vorsten.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 508-509

[G.G. – Coen] 

[Vervolg geschiedenis] De grondlegger van ons gezag op Java is echter geweest de vierde Gouverneur Jan Pieterszoon Coen, die in 1619 als zoodanig optrad, na onder zijn voorganger Laurens Reael reeds belast te zijn geweest met het bestuur over de kantoren op Java. Vooral in Bantam was de vijandschap tussen Engelschen en Nederlanders groot. Ook de Bantamsche rijksbestuurder was de Nederlanders niet genegen, zoodat Coen reeds onder Reael besloot de hoofdvestiging naar Jacatra (tegenwoordig Batavia) over te brengen en die te versterken. Toen Coen Gouverneur-Generaal was geworden, brak de strijd met de Engelschen uit, die met de Bantammers een overeenkomst hadden gesloten om de Nederlanders uit Jacatra te verdrijven. Naar aanleiding van de inbeslagneming van een Nederlandsch schip door de Engelschen, werd de loge der Engelschen te Jacatra aangevallen en verbrand. Een ontmoeting tusschen de Engelsche en de Nederlandsche vloten bleef onbeslist, een aanval op de Nederlandsche versterking door de Inlanders werd afgeslagen, maar door gebrek aan ammunitie moest Coen besluiten versterking te gaan halen in de Molukken. Het fort werd achtergelaten onder bevel van Pieter van den Broecke. Deze, die zijn sporen had verdiend in Voor-Indië, gedroeg zich te Jacatra echter minder moedig. Nadat hij door verraad in handen van de Jacatranen was gevallen, spoorde hij de bezetting tot overgave aan. Was die bezetting onder van Raay eerst genegen van verderen weerstand af te zien, onder bepaalde voorwaarden, later besloot men zich tot het uiterste te verdedigen in het fort, dat 12 Maart 1619 Batavia werd genoemd. Toen oneenigheid ontstond tusschen Bantammers en Engelschen moest de Engelsche vloot vertrekken en Coen, die na een viertal maanden met een versterkte vloot terugkwam, kon het fort ontzetten. Jacatra werd geheel verwoest en op deze eerste vaste bezitting der Nederlanders op Java werd een nieuwe stad gesticht, waar zoowel Nederlanders als Chineezen en Inlanders zich konden vestigen, Aan de zeezijde werd het Kasteel van Batavia gebouwd, waarin de regeering der Oost-Indische Compagnie voortaan zou zetelen. Batavia, zooals de stad door de Heeren XVII genoemd was, werd voortdurend versterkt en uitgebreid. Coen wilde daarna afrekenen met de Engelschen, maar werd door het moederland tot samenwerking met deze concurrenten gedwongen, hetgeen Coen niet belette hun zooveel mogelijk afbreuk te doen. In 1623 vertrok Coen naar Nederland, opgevolgd door Pieter de Carpentier. De Engelschen moesten spoedig daarop de Molukken verlaten, maar bleven op Batavia gevestigd. Later brachten zij hun loge naar Bantam over. Met de Javaansche vorsten trachtte De Carpentier op goeden voet te komen, doch de verhouding met Bantam en Mataram bleef gespannen. In laatstgenoemd rijk regeerde van 1613 af Soenan Ageng, een berucht despoot, die echter zijn macht in Midden- en Oost-Java sterk uitbreidde. In 1627 keerde Coen als Gouverneur-Generaal naar Indië terug en al spoedig openden de Bantammers de vijandelijkheden, welke echter geen gevolgen hadden. Ernstiger was het optreden van den Soenan van Mataram, die, nadat Coen een door den vorst voorgesteld, voor de Nederlanders minder gewenscht verdrag verworpen had, in 1628 en 1629 Batavia aanviel. De aanvallen werden echter afgeslagen en daarna begon Mataram’s macht hoe langer hoe meer te verminderen. Uitgeput door de buitengewone inspanning werd Coen ernstig ziek en overleed te Batavia op 21 September 1629.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 509-510

[G.G. – Van Diemen] 

[Vervolg geschiedenis] Na een tweetal minder beteekenende Gouverners-Generaal werd onder Antonie van Diemen het Nederlandsche gazag overal weer krachtig versterkt (1636-1645). Aan de macht der Portugeezen werd een einde gemaakt ook in Voor-Indië en vooral de verovering van Malakka was voor Java van belang. Soenan Ageng was na de mislukte aanvallen van 1628 en 1629 vijandig gebleven en trachtte de Compagnie zooveel mogelijk afbreuk te doen o.a. door uitvoer van rijst naar Batavia te verbieden. Na den val van Malakka waren de Javaansche handelaren weer op Batavia aangewezen en moest de houding van Soenan Ageng tegenover de Compagnie wel verbeteren. Echter eerst door zijn opvolger Amangkoerat I werd in 1646 een verdrag van vriendschap met de Compagnie gesloten. Ook met het voortdurend vijandige Bantam kwam in 1645 een verdrag tot stand.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 510-511

[G.G. – Maetsuyker] 

[Vervolg geschiedenis] Van belang voor Java is dan het bewind van den Gouverneur-Generaal Mr. Johan Maetsuyker (1653-1678). Soesoehoenan Amangkoerat, met wien het vriendschapsverdrag gesloten was, was een tyran, die door zijn vele wreedheden groote ontevredenheid verwekte. De Compagnie zond geregeld gezantschappen naar den Vorst om de goede verstandhouding te bewaren en den handel niet te benadeelen. In 1674 begon Troenodjojo, een Madoereesche prins, een opstand, waarop Amangkoerat de hulp van de Compagnie inriep. Na lang aarzelen ging de Indische regeering over tot het zenden van een expeditie, die weinig succes had. Troenodjojo veroverde daarna Oost-Java en Kediri, waar hij zich vestigde. De Compagnie zond nu Speelman met een groote krijgsmacht naar het Oosten. Na mislukte onderhandelingen met Troenodjojo sloot Speelman een nieuw verdrag met Amangkoerat, waarbij vergoeding van oorlogskosten, belangrijken afstand van grondgebied en groote handelsvoordeelen werden verkregen. Soerabaja werd door Speelman genomen, doch Troenodjojo veroverde daarna de hoofdplaats van Mataram. De rijkssieraden vielen hem daarbij in handen. Amangkoerat moest vluchten en stierf bij dien vlucht in Tegal (1677). De nieuwe vorst Amangkoerat II zocht opnieuw steun bij de Compagnie en wendde zich tot Speelman, die ook met hem een tractaat sloot in 1677. Intusschen was Troenodjojo nog niet verslagen en hij kreeg te Kediri hoe langer hoe meer aanhang. Speelman wist den opvolger van Maetsuyker den Gouv.-Gen. Rijklof van Goens te overtuigen, dat ingrijpen noodig was. Kediri werd veroverd, de vroeger meegenomen rijkssieraden van Modjopahit werden teruggewonnen en in 1678 werd Amangkoerat II door de Compagniehersteld op den troon van Mataram. Troenodjojo was gevlucht, maar werd later gevangen, naar de nieuwe hoofdplaats Kartasoera gebracht en daar eigenhandig door den vorst gedood.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 511-512

[G.G. – Speelman] 

[Vervolg geschiedenis] Nadat de opstand onder Pangeran Poeger, een broeder van den Soesoehoenan, in 1681 onderdrukt was, werd het gezag van Amangkoerat niet verder bedreigt. De grens tusschen het gebied van de Compagnie en Mataram, die vroeger door de Tjitaroem [west van Bandung] was gevormd, was intusschen naar het Oosten verlegd tot de Indramajoerivier [west van Cirebon] en vele handelsvoordeelen waren verkregen. De Compagnie verkreeg bovendien Semarang en omgeving.
In Bantam werd het handelsmonopolie voor dat rijk en de Lampongs in 1684 verkregen na een hevigen strijd tusschen den krachtigen Sultan Ageng en zijn zoon Sultan Hadji, welke laatste steun zocht bij den Gouv.-Gen. Cornelis Speelman (1681-1684). In 1683 viel Sultan Ageng in handen van zijn zoon, die hem overbracht naar Batavia. Sultan Hadji was nu erkend sultan van Bantam. Hij deed afstand van de vroegere aanspraken der Bantamsche sultans op Cheribon. Alle Europeanen behalve de Nederlanders moesten Bantam verlaten. De Tji Sedane [loopt door Tangerang] werd de grens tusschen het gebied van de Compagnie en Bantam. Hiermede was de suprematie van de Compagnie over heel Java behalve den uitersten Oosthoek bevestigd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 512

[G.G. – Camphuys] 

[Vervolg geschiedenis] Onder den opvolger van Speelman, den Gouverneur-Generaal Johannes Camphuys (1648-1691) begint het optreden van Soerapati, een Balineeschen slaaf, die in dienst van de Compagnie tot luitenant over een afdeeling Balineezen was opgeklommen. Uit wraak over een ondervonden beleediging keerde hij zich tegen de Compagnie. Door haar strijdmacht gedwongen de Preanger, waar hij duchtig had huisgehouden, te verlaten, week hij uit naar Kartasoera, de hoofdplaats van Mataram, waar hij met open armen werd ontvangen. De krijgsoverste Tak werd aan het hoofd van een gezantschap naar Amangkoerat II gezonden om de uitlevering van Soerapati te eischen, doch bij een verraderlijken aanval vonden overste Tak en veele compagniesoldaten den dood. De Soenan bood daarvoor zijn verontschuldigingen aan. Maatregelen werden niet genomen en later vroeg de Soenan, daar hij zelf last van Soerapati begon te krijgen, den steun van de Compagnie. Deze steun werd hem echter na het gepleegde verraad niet gegeven, ook in verband met een sterke anti-Europeesche, Mohammedaansche beweging, die zich over heel Java openbaarde en veel onrust verwekte. Soerapati was naar Oost-Java uitgeweken, van waaruit hij Mataram bestookte. De Compagnie hield zich echter buiten de Mataramsche kwesties tot in 1703 de Soenan overleed en opgevolgd werd door zijn zoon Amangkoerat III, later genoemd Soenan Mas.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 512-513

[G.G. – Van Hoorn] 

[Vervolg geschiedenis] De jonge Soenan was een echt Oostersch despoot. Hij kreeg twist met zijn oom, Pangeran Poeger, aan wien na zijn onderwerping in 1681 na den opstand, de bescherming van de Compagnie was toegezegd. Toen bleek, dat Soenan Mas met Soerapati tegen de Compagnie heulde, werd Poeger als Pakoe Boewono I door de Compagnie als Soenan erkend. Dit leidde tot de eersten Javaanschen Successieoorlog (1704-1708). Voor de hulp daarbij door de Compagnie verleend, werd de grens van het Compagniesgebied in West-Java tot de Tji Losari en Tji Donan [ongeveer de grens tussen west en midden-Java] uitgebreid, waarvoor dus Mataram afstand deed van alle aanspraken op Cheribon en de Preanger. Ook Oost-Madoera werd Compagniesgebied. In Kartasoera zou de Compagnie een bezetting mogen leggen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 513

[G.G. – Zwaardekroon] 

[Vervolg geschiedenis] Soenan Mas was uitgeweken naar Soerapati in Oost-Java. Het leger der Compagnie veroverde in 1706 de hoofdplaats Bangil, waarbij Soerapati doodelijk werd gewond. Hij overleed kort daarna. Het volgende jaar moest ook Soenan Mas zich overgeven, die naar Ceylon werd verbannen. Tot 1719 duurden de woelingen van de Soerapati-partij nog voort in Oost-Java.
Pakoe Boewono I werd in dat jaar opgevolgd door zijn zoon Amangkoerat IV. Diens broers verzetten zich daartegen, waardoor de tweede Javaansche Successieoorlog begon (1719-1723), waarbij de Compagnie den Soenan wist te handhaven. In 1733 werd met den opgetreden nieuwen Soenan Pakoe Boewono II een nieuw verdrag gesloten, waarbij de Compagnie voor haar hulp aan zijn vader weer nieuwe voordeelen bedong.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 513-514

[G.G. – Valckenier] 

[Vervolg geschiedenis] De rust, die in het begin der achttiende eeuw, in het Westen van Java heerschte, maakte het mogelijk, dat Batavia en omstreken zich voortdurend kon ontwikkelen. O.a. de suikercultuur nam in die streken zeer toe. Het gevolg was, dat talrijke Chineezen zich op Java kwamen vestigen en voor zoover zij geen middelen tot levensonderhoud hadden allerlei wandaden pleegden. De Indische regeering onder Gouv.-Gen. Valckenier wijdde te weinig aandacht aan deze volksgroep en werd ten slotte door een oproerige beweging onder de Chineezen verrast. De Europeesche bevolking, soldaten en mastrozen maakten zich ongerust en 9 October 1740 werden de Chineezen in Batavia bijna allen vermoord. De opstand had zich intusschen naar het Oosten verbreid. De Chineezen maakten zich meester van de Noordkust van Java en in 1741 koos Mataram hun zijde. Het Nederlandsche fort te Kartasoera werd veroverd en de bezetting vermoord of gevangen genomen. In 1742 bracht een krijgsmacht van de Compagnie, met hulp van den Madoereeschen regent Tjakra-Ningrat, verbetering in den toestand. De Soenan knoopte onderhandelingen aan. De Chineezen verklaarden Pakoe Boewana II echter vervallen van den troon en riepen een kleinzoon van den verbannen Soenan Mas tot vorst uit. Pakoe Boewono moest vluchten, riep de hulp van de Compagnie in, die na eenigen strijd de hoofdplaats veroverde en Pakoe Boewana in zijn macht herstelde. Bij een verdrag van 1743 deed de vorst daarna afstand van de strandgewesten, van den Oosthoek en het resteerend deel van Madoera. De Compagnie kreeg het muntrecht en mocht voortaan den rijksbestuurder aanwijzen. Voorts werden eenige nieuwe verplichte leveringen bedongen. De hoofdplaats van het rijk werd Soerakarta. Pakoe Boewana erkende, dat hij zijn rijk alleen aan de ‘barmhartigheid en mededoogendheid’ van de Compagnie verschuldigd was. Tjakra Ningrat, de helper van de Compagnie was niet tevreden met de voor zijn hulp ontvangen belooning. Hij wilde onafhankelijk vorst worden over eenige gewesten in Oost-Java en Madoera. De Compagnie moest tegen hem optreden en ten slotte vluchtte Tjakra Ningrat naar Bandjermasin. Toen hij de Compagnie in handen viel werd hij naar de Kaap verbannen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 514-515

[G.G. – Van Imhoff] 

[Vervolg geschiedenis] Onder Gouv.-Gen. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1743-1750) begon de 3de Javaansche successieoorlog. Tijdens de Javaansch-Chineesche onlusten had de Javaansche prins Mangkoe Negoro, bekend als Mas Said, zich verzet tegen Pakoe Boewono, toen deze steun zocht bij de Compagnie en zich in het landschap Soekawati als onafhankelijk heerscher gevestigd. De broer van den Soenan Mangkoe Boemi trad tegen hem op en ontving het landschap Soekawati als belooning. Op dit landschap werd echter ook aanspraak gemaakt door den rijksbestuurder Pringgalaja en toen de Soenan, gesteund door Van Imhoff, diens aanspraken erkende, week Mangkoe Boemi uit en stelde zich aan het hoofd van de ontevredenen. Mas Said sloot zich bij hem aan. In 1749 stierf Pakoe Boewono II. De Compagnie erkende zijn zoon als Pakoe Boewono III als wettig vorst, niet krachtens erfrecht en geboorte, doch bij wijze van gunst van de Compagnie. De Javaansche grooten sloten zich echter voor het meerendeel aan bij Mangkoe Boemi, die door hen als Soenan werd uitgeroepen. Zoo ontstond de 3de Javaansche successieoorlog (1749-1757) waarbij Mangkoe Boemi en Mas Said zich van een groot deel van Mataram meester maakten en later ook van een deel der Noordkust. Toen ook Mas Said aanspraak maakte op den vorstentitel ontstond oneenigheid tussen hem en Mangkoe Boemi, waardoor de Compagnie rust kreeg.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 515-516

[G.G. – Mossel] 

[Vervolg geschiedenis] Onder Gouv.-Gen. Mossel slaagde de Compagnie er ten slotte in onderhandelingen te openen met de opstandelingen. Mangkoe Boemi onderwierp zich en kreeg in 1755 ongeveer de helft van het Mataramsche rijk als leen van de Compagnie. Mangkoe Boemi vestigde zich als Sultan Amengkoe Boewono te Jogjakarta. Mas Said onderwierp zich in 1757 en werd als prins Mangkoe Negoro leenman van den Soenan over de Mangkoe Negorosche landschappen.
Intusschen waren in 1750 ook in Bantam ernstige onlusten uitgebroken. Toen in 1749 de Sultan Zeinoel Arifin krankzinnig werd, werd met voorbijgang van den wettigen troonopvolger Pangeran Goesti een neef van Ratoe Fatima de echtgenote van den sultan, onder goedkeuring van Van Imhoff als opvolger erkend met Ratoe Fatima als regentes. De bevolking van Bantam onder Kjahi Tapa verzette zich hiertegen en kwam in opstand. Gouverneur-Generaal Mossel, die in 1750 was opgetreden, wijzigde de politiek van zijn voorganger echter geheel. Hij erkende de oude dynastie. Ratoe Fatima en haar neef werden opgelicht en verbannen en Pangeran Goesti, die in 1749 naar Ceylon was gebracht, werd als wettige troonopvolger erkend. In 1753 werd met hem een verdrag gesloten, waarbij Bantam een leen van de Compagnie werd en de Lampongs geheel aan haar werden afgestaan. Kjahi Tapa bleef vijandig en viel met zijn benden zelfs het gebied van Batavia binnen, doch moest tenslotte zijn verzet opgeven.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 516

[G.G. – Van der Parra] 

[Vervolg geschiedenis] In den Oosthoek van Java was het nog woelig, doch in 1772 waren ook daar de opstandelingen bedwongen. Op Java was overal de rust hersteld, de Javaansche vorsten waren leenmannen van de Compagnie en heel Java was onder haren invloed. De kracht van de Compagnie was intusschen hoe langer hoe meer afgenomen. In haar gebied buiten Java werd zij op verschillende plaatsen door de Engelschen verdrongen en in het algemeen ontbrak het haar aan voldoende geldmiddelen om zich nog krachtig te doen gelden. Op Java bleef het echter rustig. Alleen in de Vorstenlanden had men voortdurend twisten tusschen den Soenan, den Sultan en Mangkoenegoro. In 1792 kwam hieraan een einde, waarbij Mangkoenegoro verkreeg, dat hij zijn gebied niet langer in leen van den Soenan zou hebben, doch onafhankelijk van den Soenan zou zijn. Van de laatste levensdagen der Compagnie valt voor Java weinig belangrijks te vermelden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 516-518

heerendienst 

[Vervolg geschiedenis] Na de omzetting van de republiek in het Koninkrijk Holland, werd Maarschalk Daendels als Gouverneur-Generaal uitgezonden. Deze krachtige figuur, die als eerste taak had, Java in staat van verdediging te brengen en de toestanden, ook wat de corruptie der ambtenaren betreft te verbeteren, moest al spoedig tegen Bantam optreden. Toen Daendels bij de uitvoering van de verdedigingswerken aan de Meeuwenbaai [zuidoost kant van de Panaitan Strait] te weinig medewerking van den Sultan en diens rijksbestuurder kreeg, liet hij door Dupuy de uitlevering van dien rijksbestuurder vragen. Dupuy en zijn gevolg werd echter in den Kraton vermoord. Daendels zelf veroverde daarop den Kraton, de Sultan werd verbannen, de rijksbestuurder gefusilleerd en een gedeelte van het rijk, waaronder de Lampongs, werd bij het Nederlandsche gebied gevoegd. Het bleef in Bantam nog verder onrustig, maar eerst in 1813 werd aan het sultanaat voor goed een einde gemaakt.
In Cheribon was het in het begin der negentiende eeuw ook voortdurend onrustig door het wanbeheer der vorsten, kwesties over troonsopvolging enz. In 1806 moest een opstand worden gedempt. In 1809 vond Daendels het noodig den toestand beter te regelen. De sultans werden ambtenaren en een deel van het gebied ingelijfd. Onder Raffles werd aan het Sultanaat geheel een einde gemaakt, doch eerst in 1818 was het land voor goed in rust.
Ook tegen de Vorstenlanden moest Daendels optreden. Hij begon met het vernederende ceremonieel af te schaffen, dat voor de Nederlandsche vertegenwoordigers aan de Javaansche hoven was ingevoerd. Om een einde te maken aan eenige erfopvolgingskwesties, eischte hij de uitlevering van eenige prinsen en trok, toen een dier prinsen met behulp van den Sultan van Jogjakarta wist te ontwijken, tegen den Sultan op. Sultan Sepoeh deed in1812 afstand van den troon ten behoeve van zijn zoon en werd verbannen. De afstand van Kedoe werd bedongen.
Daendels trad ook verder met groote kracht op. De gedwongen koffiecultuur werd uitgebreid en allerlei hervormingen op het gebied van bestuur en rechtswezen werden uitgevoerd. Veel hadden de Javanen te lijden onder den aanleg in heerendienst van den grooten weg van het Westen naar het Oosten van Java en andere wegen en van den bouw van versterkingen in heerendienst. Duizenden Javanen zijn daarbij van ziekte en ellende omgekomen. Om aan geldmiddelen te komen, ging Daendels over tot den verkoop van uitgestrekte landgoederen in de omstreken van Batavia en elders op Java op groote schaal. In het klein was verkoop van zulke uitgestrekte landgoederen reeds in den Compagniestijd voorgekomen, maar het grootste deel der Javasche particuliere landerijen is in den tijd van Daendels en Raffles afgestaan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 518-519

[Yogyakarta 2 – Pakoe Alam] 

De Engelschen kwamen op Java, toen Daendels dit eiland reeds verlaten had. Hij werd door Janssens opgevolgd, die Java op 17 September 1811 na een regeering van een viertal maanden aan de Engelschen moest overgeven. Het Engelsche tusschenbestuur heeft belangrijke hervormingen tot stand gebracht. Raffles brak geheel met het stelsel van verplichte leveringen en voerde de landrente in. Voor niet-grondbezitters een huistaks. De macht der Inlandsche hoofden werd ingeperkt, het rechtswezen werd verbeterd enz. Alleen de koffiecultuur, die groote inkomsten opleverde, bleef gehandhaafd. Vooral in de Preanger was die van belang. Ook de macht der Inlandsche vorsten werd verder beknot. Aan het Sultanaat van Cheribon werd als gezegd een einde gemaakt. Met Soerakarta werd in 1811 een nieuw verdrag gesloten, waarbij eenige nieuwe voordeelen werden bedongen, doch de landafstand, waartoe de Soenan zich onder Daendels had verbonden, werd te niet gedaan. In Jogjakarta was de oude Sultan Sepoeh na de komst der Engelschen weer op den voorgrond getreden en hield zich niet aan het nieuwe met Raffles gesloten verdrag. In 1812 drongen de Engelschen den Kraton binnen met behulp van den prins-regent, die daarna door de Engelschen als Amangkoe Boewono III tot sultan werd aangesteld. Ook Soerakarta, dat in het geheim den ouden Sultan Sepoeh tot verzet had aangespoord, moest een nieuw verdrag sluiten. Beide vorsten moesten belangrijke landstreken afstaan, zij mochten geen militaire macht meer onderhouden en allerlei andere voordeelen werden bedongen. In Jogjakarta werd bovendien een zelfstandig prinsdom, Pakoe Alam in het leven geroepen, zooals in 1755 Mangkoenegoro in Soerakarta. Natakoesoemo een broer van Sultan Sepoeh werd in 1813 de eerste Pangeran Pakoe Alam. Hij moest een ruiterkorps van 100 man onderhouden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 519-520

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

In 1814 kwam Java weer onder Nederlandsch bestuur. De commissarissen-generaal Elout, Van der Capellen en Buyskes zouden het bestuur voeren in den liberalen geest van Raffles. Van der Capellen werd later Gouverneur-Generaal. Onder zijn bewind brak de Javaoorlog uit (1825-1830), die Midden-Java jaren lang veel nadeel heeft gedaan.
Na de verbanning van Sultan Sepoeh in 1812 was Sultan Radja op den troon gekomen en na diens overlijden in 1814 zijn minderjarige zoon Djarot. Deze stierf in 1822 en werd opgevolgd door zijn zeer jeugdigen zoon Menol, onder voogdijschap van een broeder van zijn grootvader Mangkoe Boemi en een halfbroer van zijn vader Diponegoro. Deze laatste maakte zelf eenige aanspraak op den troon en werd door de verheffing van Menol dus teleurgesteld. Verder heerschte in de Vorstenlanden groote ontevredenheid, de Javaansche grooten waren verarmd, ook door de opheffing van de landverhuur aan Europeanen, op de Javanen drukten zware lasten, kortom de Javaansche maatschappij was rijp voor een opstand. In Soerakarta was Raden Mas Saperdan, een onechte zoon van den vorigen Soenan als Pakoe Boewono VI aan de regeering gekomen, die, hoewel den opstand in het geheim bevorderde, zich voorloopig afzijdig hield. In 1825 begon Diponegoro den opstand, Mangkoe Boemi sloot zich daarbij aan. Van Nederlandsche zijde werd de strijd, die voornamelijk in de Vorstenlanden en Kedoe gevoerd werd, geleid door Luitenant-generaal Merkus de Kock. Deze wist den Soenan en Mangkoe Negoro op onze zijde te krijgen en liet door hen gewapende corpsen vormen. Troepen werden uit de Buitengewesten teruggeroepen, Madoereesche hulp werd aanvaard en in 1827 werden zelfs uit Nederland troepen gestuurd. Diponegoro en zijn onderbevelhebber Sentot streden met afwisselend succes. Ten slotte werd de strijd door de Nederlanders gewonnen met toepassing van het bèntèngstelsel. Als in een streek de vijand verslagen was werd daar een versterking, bèntèng, opgericht, die als steunpunt diende voor verdere krijgsverrichtingen en ook voor patrouilles, die in de onderworpen streken het behaalde succes moesten handhaven. De beëindiging van den oorlog kostte groote krachtsinspanning. In Februari 1829 werd met Diponegoro en Sentot een wapenstilstand gesloten, doch spoedig daarop werden de vijandelijkheden hervat. Diponegoro werd overal vervolgd en verslagen, maar wist steeds te ontsnappen. In September gaf Mangkoe Boemi den strijd op, in October ook Sentot, die daarop onze zijde koos, terwijl Diponegoro zich in Februari 1830 in handen stelde van de Nederlanders. Naar Magelang gebracht, stelde hij den eisch tot hoofd van den Mohammedaanschen godsdienst te worden benoemd met den titel van sultan, waarop De Kock besloot hem gevangen te nemen. Diponegoro werd naar Manado verbannen, waar hij in 1855 overleed. De oorlog had veel slachtoffers geëischt, vooral aan de zijde der Inlandsche bevolking.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 521-522

[Bandung – Resident] 
[Semarang 2 – Gouverneurskantoor] 

Tot de invoering van de bestuurshervorming [1925] was Java en Madoera verdeeld in residentiën onder het bestuur van een resident. Elke residentie (gewest) was wat het Europeesch bestuur betreft verdeeld in assistent-residentiën of afdeelingen met een assistent-resident of de resident zelf aan het hoofd. De residenten en de assistent-residenten voor hun afdeeling waren het hoofd van bestuur en politie. In hun bestuursfunctie (in sommige gevallen ook in hun politietaak) werden zij bijgestaan door Controleurs bij het Binnenlandsch Bestuur als hoofd van een contrôleafdeeling. Alvorens tot controleur te worden benoemd maakte men een leertijd door als aspirant-controleur en ambtenaar ter beschikking. Elke afdeeling bestond uit een of twee regentschappen onder Inlandsch bestuur, meestal onder een regent, soms onder een zelfstandigen patih, een Inlandsch bestuursambtenaar, die anders optreedt als vervanger van den regent. In de residentie Batavia alleen had men een enigszins afwijkenden bestuursvorm; eerst in den laatsten tijd zijn daar ook regenten aangesteld. Elk regentschap was verdeeld in districten, onder een districtshoofd of wedana, en die districten weer in onderdistricten onder een onder-districtshoofd of assistent-wedana. Elk onderdistrict bestaat uit een aantal Inlandsche gemeenten of desa's waarover een hoofd is aangesteld.
Sedert de laatste jaren is het Gouvernementsgebied van Java echter verdeeld in drie Gouvernementen. Het Gouvernement West-Java werd in 1925, Oost-Java in 1928 en Midden-Java in 1929 ingesteld. [...]
Het hoofd van gewestelijk bestuur, vroeger de Resident, is thans de Gouverneur, met naast zich de Provinciale Raad, met een college van Gedeputeerden voor de dagelijksche leiding. De provincie is verdeeld in residenties, welke thans afdeelingen zijn geworden, bestuurd door een resident, die, behoudens eenige uitbreiding van bevoegdheden, thans ongeveer dezelfde positie heeft, als vroeger de assistent-resident. De controleurs, aspirant-controleurs en ambtenaren ter beschikking zijn de helpers van de Europeesche bestuurshoofden. Een groot deel van hun vroegere taak is thans overgenomen door het Inlandsch bestuur. Het hoofd van het Inlandsch Bestuur is thans overal een regent, met naast zich een regentschapsraad, waaruit soms een College van Gecommitteerden wordt gekozen voor de dagelijksche leiding en onder zich een patih, wedana's, assistent-wedana's en lager Inlandsch bestuurspersoneel. Verschillende plaatsen zijn Europeesche stadsgemeenten geworden met een burgemeester aan het hoofd, bijgestaan hier en daar door wethouders. Naast de burgemeester of het College van B. en W. staat de gemeenteraad.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 522-523

In de Vorstenlanden wordt het bestuur gevoerd door de Inlandsche vorsten, in Soerakarta door den Soesoehoenan Pakoe Boewono X. in Jogjakarta door den Sultan Amangkoe Boewono VIII, in de Mangkoenegorosche landen door Pangeran Mangkoenegoro VIII, in de Pakoe Alamsche landen door Pangeran Pakoe Alam VII.
De Soesoehoenan of Soenan en de sultan worden bijgestaan door rijksbestuurders, die door de Indische Regeering worden aangesteld. In Soerakarta en Jogjakarta zetelt een Nederlandsche Gouverneur (vroeger resident), die bijgestaan wordt door residenten (vroeger assistent-residenten) en controleurs. De vier zelfbestuurders hebben ieder voor hun eigen gebied de wetgevende en uitvoerende macht behouden. Hun verhouding met het Gouvernement is geregeld door vroeger en later gesloten politieke contracten, die voor Soerakarta en Jogjakarta verschillende punten uitvoerig regelen.
De zelfbestuuders Mangkoe Negoro en Pakoe Alam hebben verklaard in allen deele en oprechtelijk en zonder eenige afwijking te zullen nakomen en doen nakomen alle schikkingen en bepalingen door of namens het gouvernement gemaakt en vastgesteld of nog te maken en vast te stellen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 528

[Pasuruan – Noordkust] 

Goed geoutilleerde havens vindt men te Batavia (Tandjoeng Priok) en Soerabaja. Tjilatjap is de eenige groote haven aan de Zuidkust. Aan de Noordkust kunnen groote zeeschepen laden en lossen op de verschillende reeden. Cheribon, Tegal, Pekalongan, Semarang, Pasoeroean en Probolinggo hebben een goede reede, waar bijna altijd gelost en geladen kan worden. Alleen als de West- of Oostmoesson krachtig doorstaan is het zeer tijdelijk soms niet mogelijk, dat de schepen behandeld worden. Voor dat laden en lossen wordt gebruik gemaakt van goede zeewaardige prauwen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 657

[Surabaya – Tempel] 
[Yogyakarta 2 – Vihara] 

Klenteng is het algemeene woord voor een Chineeschen tempel, welks bouwstijl ook in Indië geheel Chineesch is en hetzelfde aanzicht heeft onverschillig of hij voor Boeddha of voor Confusius is. Ook is er weinig verschil tusschen een tempel en een aanzienlijk Chineesch huis. De voornaamste uiterlijke architectuur van een klenteng is het dak met gebogen lijnen, waaraan de daken der huizen der Minangkabauers doen denken. Deze krommingen en andere deelen dragen ornamenten en fraai versierde tegels welke de speciefieke schoonheid zeer verhoogen. In den tempel vindt men tal van goden: de bekende Kwoan Yin (Godin der genade), enz. Behalve voor den godsdienst wordt de tempel ook wel benut voor het beëedigen van Chineesche getuigen in ernstige gedingen en het installeeren van Chineesche officieren, enz.”

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 669

[Jakarta 3 – Zwaardecroon] 

Die koffie werd te Mokka ingekocht en bracht goede prijzen op, zoodat de Oost-Indische Compagnie tegen het einde der zeventiende eeuw besloot een poging te doen de teelt naar Java over te brengen, Daartoe werden koffieplantjes verkregen in Voor-Indië, op Java uitgeplant. Deze proef mislukte, doch werd eenige jaren later met meer succes herhaald. Langzamerhand werden de zaden onder de Inlandsche bevolking van Batavia, Preanger en Cheribon verspreid en weldra breidde de koffieaanplant zich uit. In 1712 werd een duizendtal ponden Javakoffie in Nederland verkocht, […]

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 691-692

[Jakarta 7 – Vliegtuigen] 

Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaartmaatschappij (K.N.I.L.M.)
Met deze te Amsterdam gevestigde naamlooze vennootschap heeft het Indische gouvernement een subsidieovereenkomst. Het toezicht op de naleving hiervan, alsmede de overheidszorg met betrekking tot het burgerlijk luchtverkeer is opgedragen aan het onder het departement van verkeer en waterstaat ressorteerende, te Bandoeng gevestigde, afdeeling Luchtvaart.
Gedurende het jaar 1931 waren van deze maatschappij in Indië de volgende luchtlijnen in bedrijf:

Batavia-Bandoeng v.v. 
Batavia-Semarang-Soerabaja v.v. 
Batavia-Palembang v.v. tot 1 Mei 1931 
Singapore-Medan v.v. v. 5 Aug. 1931 

Batavia-Palembang-Pakanbaroe-Medan v.v. 

110 K.M. dubbeldagelijks;
670 K.M. dagelijks;
585 K.M. wekelijks;
620 K.M. wekelijks;

1881 K.M. wekelijks.

Eind 1931 bedroeg de wekelijks gevlogen afstand 17.896 K.M.
Van eene geleidelijke uitbreiding welke in normale tijden niet achterwege had kunnen blijven, moest onder de huidige omstandigheden worden afgezien. Zoo moest de inrichting der luchtroute Batavia-Benkoelen-Padang welke grootendeels reeds verkend en voorbereid was, en van eene luchtverbinding Soerabaja-Makassar worden uitgesteld.
De wekelijkse verbinding Batavia-Palembang werd opgeheven omdat de beide overige verbindingen van deze plaats met Batavia voldoende bleken. Daarentegen werd de lijn Batavia-Singapore in Augustus 1931 doorgetrokken tot Medan. De lijn Singaspore-Medan echter moest wegens de teleurstellende resultaten begin 1932 worden stopgezet.
Het vervoer had plaats met 7 F VII B- en 2 F XII-vliegtuigen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 758

[Bandung 2 – Leger des Heils] 
[Surabaya 4 – William Booth] 

Leger Des Heils. Deze organisatie werkt reeds sedert een 40-tal jaren in den archipel. Zij verricht er zendings- en maatschappelijk werk onder alle landaarden en op elk gebied. Bovendien voert zij het beheer over een viertal melaatschen-kolonies.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 783

[G.G – Loudon] 

Loudon (Jhr. Mr. James), geb. te ’s-Gravenhage 8 Juni 1824, overl. aldaar 31 Mei 1900, was minister van koloniën van 14 Maart 1861 – 1 Febr. 1862 en gouverneur-generaal van Ned.-Indië van 1 Jan. 1872 – 26 Maart 1875. Deze laatste periode kenmerkte zich door het uitbreken van den Atjeh-oorlog en de beide militaire expedities derwaarts. Wijders door de invoering van het wetboek van strafrecht voor Europeanen en voor Inlanders en tal van wettelijke regelingen betreffende de rechtsbedeeling en op administratief rechterlijk gebied. Hij werd in 1884 in den adelstand verheven met het praedicaat jonkheer.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 790

[G.G. – Maetsuyker] 

Maetsuyker (Mr. Joan), geb. te Amsterdam 14 Oct. 1606, overl. te Batavia 4 Jan.1678, vertrok in 1635 naar Indië als pensionaris van den raad van justitie te Batavia. Als raad-extraordinaris bewerkte hij de bekende Bataviasche Statuten, een verzameling van de bestaande plakaten, keuren, enz. – In 1646 was hij gouverneur van Ceylon, en van 1653-1678 gouverneur-generaal van Ned.-Indië. Zijn langdurig bewind was zeer belangrijk. Hij hervatte den strijd tegen de Portugeezen die van Ceylon werden verdreven benevens van de kusten van Malabar en Coromandel. Formosa ging echter verloren aan de Chineezen onder Koksinga. Een expeditie naar Palembang versterkte de positie der Compagnie aldaar. Ook ter Westkust van Sumatra en in Deli had uitbreiding van gebied en invloed plaats. Makassar werd onderworpen. De opstand van Troenodjono en de eerste Javaansche oorlog hadden tijdens zijn bestuur plaats.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 822

Mataram (in woordenlijst)
I. Sjiwaitisch rijk in Midden-Java, met hoofdplaats Medang, gesticht omstreeks 900 onzer jaartelling. De sjiwaitische tempelgroep Lara-Djonggrang en de Boeddhistische tempelgroep Ploasan (deze beide godsdienstige richtingen bestonden op vreedzame wijze naast elkaar) dateeren uit dien tijd van dit rijk. In 928 werd dit gebied als centrum verlaten en vestigden de vorsten zich in Kediri.
II. Het bekende Islamitische rijk Mataram is ontstaan uit Madjapait; in 1575 maakte de regent van Mataram (Soetowidjojo) zich onafhankelijk en wist zijn gezag te vestigen over Demak, Padjang, Kediri en andere rijkjes. Toen de Nederlanders in den archipel kwamen was Mataram een der beide groote rijken (het andere was Bantam) op Java. De panembahan van Mataram (Sepati) had het grootste deel van Java, benevens Madoera onder zijn gezag. In 1755 werd het door de O.I. Compagnie verdeeld in de beide thans nog bestaande rijken Soerakarta en Jogjakarta. De afdeeling Mataram in laatstgenoemd gebied is bij de invoering der bestuurshervorming opgeheven.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I, 829

[G.G.- Merkus] 
[Surabaya 2 – Merkus]
 

Merkus (Mr. Pieter), geboren te Naarden 18 Maart 1787, overleden te Simpang (bij Soerabaja) 2 Augustus 1844, was van 6 Januari 1841 tot 14 Februari 1843 waarnemend gouverneur-generaal en van 14 Februari 1843 tot 2 Augustus 1844 gouverneur-generaal van Ned. Indië. Gedurende zijn bewind hadden geen gebeurtenissen van bijzonder belang plaats. Als lid van den Raad van Indië maakte hij met Van Sevenhoven en Van Nahuys van Burgst, na den opstand van Dipo Negoro (1830) de regeling waarbij de gewesten Banjoemas, Bagelèn, Madioen en Kediri onder rechtstreeksch bestuur werden gebracht. In 1839 regelde hij, in dezelfde functie, de zaken ter Sumatra’s Westkust na beëindiging van den padri-oorlog.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 855-860

[Surabaya 4 – Coenboulevard] 
[Yogyakarta 3 – Ignatius] 

Bij de troonsbestijging van koning Lodewijk Napoleon in 1806 werd aan Holland een nieuwe grondwet en in 1807 kreeg de gouverneur-generaal Daendels de instructie dat de gouverneur-generaal er voor zal waken dat alle godsdiensten vrijheid zullen hebben hun eeredienst uit te oefenen. [...]
De eerste nonnen kwamen in 1855 in de archipel. Het waren de zusters Ursulinen, die tehuizen stichtten ie Batavia en later in andere steden en die bekendheid verwierven dank zij het onderwijs en de opvoeding welke zij aan de vrouwelijke jeugd gaven.
Mgr. Luypen, Apostolisch Vicaris van Batavia vond het aantal missionarissen te gering voor de uitgestrektheid van zijn Vicariaat en het is aan hem te danken dat een verdeeling van het veld van werkzaamheid plaats vond. [...]
Aangezien het aantal wereldlijke geestelijken te gering bleef, verzocht de aartsbisschop van Utrecht den Jezuïeten zich te willen belasten met de missie in Ned.-Indië.[...]
De Jezuïeten verzorgen de missie op Java. Maar aangezien de werkzaamheden steeds toenamen en de missionarissen hun steeds groeiende taak niet meer af konden werd de verdeeling van het terrein doorgezet tot Java. Nog andere orden en congregaties werden geroepen om deel te nemen aan den evangelisatie-arbeid. [...]
De Katholieke Kerk van Nederlandsch-Indië wordt geheel als missie-gebied beschouwd en ressorteert daardoor onder de “Sacra Congregatio de Propaganda Fide” te Rome. Zij is verdeeld in de volgende zelfstandige gebieden:
A op Java:
1 het Apostolisch Vicariaat van Batavia, met hoofdzetel te Batavia, omvattende de residenties Bantam, Buitenzorg, Semarang, de regentschappen Batavia, Mr. Cornelis, Koedoes, Pati, Magelang en Temanggoeng, alsmede de gouvernementen Jogjakarta en Soerakarta.
De zielzorg in dit vicariaat is toevertrouwd aan de sociëteit van Jezus: Paters Jezuïeten, terwijl als medewerkers werkzaam zijn Minderbroeders Franciscanen en de Missionarissen van de Heilige Familie.
2 de Apostolische Prefectuur van Malang, met hoofdzetel te Malang, omvattende de residenties Malang, Probolinggo, Besoeki en Madoera van de provincie Oost-Java. De geestelijke verzorging is opgedragen aan de Paters Carmelieten.
3 de Apostolische Prefectuur van Soerabaja, met hoofdzetel te Soerabaja, omvattende de residenties Soerabaja, Bodjonegoro, Kediri, Madioen van de provincie Oost-Java en de regentschappen Rembang en Blora van de residentie Japara-Rembang der provincie Midden-Java. De geestelijke verzorging is opgedragen aan de Paters Lazaristen.
4 de Apostolische Prefectuur van Poerwokerto, met hoofdzetel te Poerwokerto [...]
5 de Apostolische Prefectuur van Bandoeng, met hoofdzetel te Bandoeng, omvattende de afdeelingen Priangan en Cheribon, alsmede het regentschap Krawang van de afdeeling Batavia der provincie West-Java. De geestelijke verzorging is opgedragen aan de Congregatie der Reguliere Kanunniken van het Heilig Kruis.
B in de Buitengewesten; [...]
De hoofden van deze missiegebieden en hunne ondergeschikte geestelijken worden kerkelijk benoemd door of vanwege den Heiligen Stoel, erkend door den Gouverneur-Generaal van N.-I. en bezoldigd uit ’s Lands kas v.z.v. zij behoren tot het bij de begrooting vastgestelde aantal van bezoldigde geestelijken. [...]
Ter behartiging van de gemeenschappelijke en afzonderlijke belangen van Roomsch-Katholieke Missies in Ned.-Indië is op 1 November 1931 het Centraal Missiebureau opgericht. Het is gevestigd te Batavia (Menteng 40). Het Missiebureau treedt in opdracht van de Kerkvoogden op als vertegenwoordiger der R.K. Missies voor de baehandeling van alle missieaangelegenheden met de Regeering in Indië en met andere instellingen zowel in Indië als in Nederland of elders. Het is voorlopig verdeeld in twee afdeelingen, n.l. afdeeling A. “Algemeene Zaken” en afdeeling B “Onderwijs en Opvoeding”.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I., 860-861

[Yogyakarta 3 – Klein-seminarie] 

De Roomsch-Katholieke geestelijken, die in Indië uit ’s Lands kas bezoldigd worden, zijn verdeeld in drie rangen.
Zooals uit het voorgaande reeds blijkt werken naast de priesters in den dienst der Katholieke kerk in Ned.-Indië vele mannelijke en vrouwelijke religieuzen en ook leeken, die zich wijden aan het geven van onderwijs, aan ziekenverpleging, aan opvoeding van weezen en verlaten kinderen, aan verzorging der armen, enz.
Vele jeugdige inheemschen van verschillende bevolkingsgroepen wijden zich reeds aan de studie voor het priesterschap. In Ned.-Indië zijn drie kleinseminaries, nl. te Jogjakarta, te Todabeloe (Flores) en te Woloan (Celebes). Een volledige philosophische cursus van drie jaar [1ste deel grootseminarie] is ter eerstgenoemde plaatse gevestigd, terwijl verschillende Javaansche seminaristen in Nederland hunne theologische studie [2de deel grootseminarie] voltooien. De volledige opleiding duurt na het lager onderwijs minstens twaalf jaren en het studieplan, ook voor de hoogere vorming, staat op gelijke lijn met de opleiding in de seminaries in Europa. Ook zijn in onderscheidene Apostolische Vicariaten en Prefecturen inheemsche jongens en meisjes in opleiding voor het kloosterleven en velen wijden zich reeds naast de Nederlandsche religieuzen aan de werken van liefdadigheid door de broeders en zusters beoefend.
Zeer intensief en uitgebreid is de Katholieke werkzaamheid op het gebied van onderwijs, ziekenverpleging, jeugdzorg, enz.
Einde 1932 bedroeg het aantal in den archipel arbeidende priesters 337, dat der broeders 320, dat der zusters 1216, der seminaristen 142 en der Inlandsche hulpleeraars 14.
Het totaal aantal Roomsch-Katholieken in Ned.-Indië bedroeg op genoemd tijdstip 354.278, waaronder 67.279 Europeanen en 286.999 Inlanders.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 894

[G.G. – Mossel] 

Mossel (Jacob), geboren te Enkhuizen 28 November 1704, overleden te Batavia in den nacht van 14 op 15 Mei 1761, vertrok op 16-jarigen leeftijd als matroos naar Indië, doorliep aldaar verschillende administratieve rangen en werd in 1738 gouverneur en directeur van Coromandel, 1740 raad extra ordinair, 1743 raad ordinair, 1747 eerste raad en directeur generaal. Was gouverneur-generaal van 1750-1761. Onder zijn bestuur werd Mataram verdeeld in de rijken Soerakarta en Jogjakarta en werd de opstand in Bantam gedempt, waardoor de rust op Java was hersteld. Op de Buitengewesten werden eenige contracten gesloten en kwam Sumatra’s Westkust aan de Compagnie. Bengalen werd echter door de Engelschen veroverd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 915-916

[Jakarta 2 – Gamelan] 
[Yogya 1 – Gamelan] 

De inheemsche muziekinstrumenten in den archipel zijn, behoudens enkele uitzonderingen zeer primitief en gebrekkig vervaardigd. Zij beantwoorden echter volkomen aan hun doel en aan de eischen die de Inlander er aan stelt. Het doel is ook niet de muziek als zoodanig maar dient meer ter begeleiding van den dans of ter opluistering van feestelijkheden.
De meest volmaakte muzikale uiting vindt men in de gamelan, het Javaansche orkest. De hoofdrol van dit orkest wordt vervuld door slaginstrumenten; hiervan weer is het allerbeheerschende instrument de bonang, de zeer eigenaardige welluidende metalen gong, waarvan er in het orkest twee maal vijf of twee maal zeven aanwezig zijn [ketels, die ondersteboven in twee rijen, naast elkaar op een laag rek liggen]. Men onderscheidt namelijk, naar den toonaard enkele soorten van gamelan, waarvan de bekendste zijn de salèndro en de pélog. De salèndro vereischt twee maal vijf, de pélong twee maal zeven bonangs. De bonang wordt vervaardigd van drie deelen rood koper en een deel tin en wordt bespeeld met hamertjes (taboeh’s) of omwikkelde stokjes. Zij worden onderscheiden in mannelijke (hooger gebouwd en meer uitgebold) en vrouwelijke (lager gebouwd en vlakker). Het salèndro-octaaf heeft vijf, het pélog-octaaf 7 tonen.
Verder behooren bij de gamelan een viertal soorten xylophoons, nl. de saron’s, vier in getal en verschillend in grootte en in toonhoogte; de gambang gangsa, de gèndèr en de gambang kajoe. De drie eerste hebben metalen klankstaven, de laatste houten.
Andere slaginstrumenten van de gamelan zijn de gong, een groot metalen bekken, waarvan een twee of drietal aanwezig is, de kempoel, een kleine gong waarvan er maar een is, de kenong, waarvan er 3 (salèndro) of 4 (pélog) zijn en de ketoeg, alle kleine gongs. Er zijn ook nog andere soorten gongs.
Een tweesnarig instrument is de rebab, een klagelijk instrument dat als een cello wordt bespeeld. De rebabspeler is de leider van het orkest. Dit is niet compleet zonder de volgende instrumenten: de soeling, een fluit, de selomprèt, afgeleid van trompet, doch in werkelijkheid meer een hobo, de kendang en de ketipoeng, twee tromsooorten, de tjelèmpoeng, een soort citer, eenige rinkelinstrumenten, een houten doos, houten plankjes, enz.
Deze instrumenten kunnen eenvoudig van uiterlijk zijn maar zijn ook veelal fraaie kunstuitingen; dit heeft uiteraard invloed op den prijs, maar niet op de muzikale qualiteit van het instrument.
Tot het gamelan-orkest behooren ook de zangeressen, gezeten achter de voorste instrumenten. Zij begeleiden nu en dan de instrumenten; de gezongen teksten zijn ontleend aan pantoes en zijn willekeurig. Alleen bij piano of pianissimo doen alle instrumenten mede; bij forto of fortissimo zwijgen de zwakke als de rebab, de gambang kajoe, gèndèr, tjelèmpoeng en soeling.
Voor een volledige gamelan-bezetting zijn 24 personen noodig. De bezetting kan varieeren, zoodat men ongeveer een 20-tal gamelan-soorten heeft.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 922

[G.G. – Mijer] 

Mijer (Mr. Pieter), geboren te Batavia 3 Juni 1812, overleden te Scheveningen 6 Februari 1881, was 1856-1858 minister van Koloniën, van 1860-1866 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Den 30 Mei 1866 wederom benoemd tot minister van Koloniën werd hij18 September van datzelfde jaar benoemd tot gouverneur-generaal. Het Tweede-Kamerlid de heer Keuchenius diende daarop een motie in waarin de afkeuring werd uitgesproken over deze daad van de regeering. De aanneming van deze motie had de ontbinding der Tweede Kamer ten gevolge. De heer Mijer bekleedde het ambt van gouverneur-generaal van 28 December 1866 tot 1 Januari 1872.
Tijdens zijn bestuur werd de rust in Zuid-Oost Borneo hersteld en hadden militaire expedities plaats tegen Mandar (Celebes), Bali en de Mantawei-eilanden (met name het eiland Sibéroet). Het algemeen en het binnenlandsch bestuur zoomede het onderwijs werden gereorganiseerd, de agrarische wet en de suikerwet *] afgekondigd. Met den aanleg van den spoorweg Batavia-Buitenzorg werd een aanvang gemaakt, terwijl de spoorweg Semarang-Vorstenlanden gedeeltelijk gereed kwam. Java werd telegrafisch verbonden met Europa en met Australië. Regels werden gesteld op de winning van aardolie op Java en Madoera.
*] In 1870 werd besloten die Gouvernements-suikercultuur langzamerhand te liquideeren en die industrie verder aan particulieren over te laten. [Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1334-1338] 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 988-989

[Yogyakarta 3 – Dewi] 

Afzonderlijke ridderorde voor Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaçao bestaat niet. De Nederlandsche ridderorden: de militaire Willemsorde, de orde van den Nederlandschen Leeuw en de orde van Oranje Nassau worden ook in Indië toegekend. Alle landaarden komen hiervoor in aanmerking. Deze ridderorden worden verleend door de Koningin en worden Koninklijke onderscheidingen genoemd in tegenstelling met de door den gouverneur-generaal verleende onderscheidingen. Aan Inlanders van aanzien of verdienstelijke Oostersche vreemdelingen namelijk kan ter belooning voor bewezen diensten een eereteken worden toegekend, van goud, zilver of brons. Dit eereteken heeft de vorm van een ster met twaalf geparelde punten en wordt onderscheiden in vijf klassen: de groote gouden ster, de kleine gouden ster, de groote zilveren ster, de kleine zilveren ster en de bronzen ster. De hogere dezer onderscheidingen vervangt de lagere. Het onderscheid in de toekenning is in het algemeen gelegen in de door den begiftigde bekleede maatschappelijke positie; slechts in geval van zeer bijzondere verdiensten wordt een hooger eerteken toegekend dan het voor den rang gebruikelijke. Deze onderscheidingsteekens behoeven bij het overlijden van de begiftigde niet te worden teruggegeven. Zij worden dan door de familie veelal als poesaka bewaard.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 990-991

[Pasuruan – Eiffeltoren] 
[Woordenlijst – Pajong]
 

Regenten met het praedicaat toemenggoeng voeren een half witten en half groene pajong of songsong (zonnescherm) met drie vergulde randen en die met het praedicaat adipati een witten pajoeng met drie vergulde randen. Voor trouwe diensten of buitengewone verdiensten kan hun de gele pajoeng worden toegekend. Dit onderscheidingsteeken in het klein wordt door de regenten gevoerd op den automobiel. Ook onderscheidene andere categorieën Inlandsche ambtenaren voeren een pajong. Het voeren van een zonnescherm als onderscheidingsteeken is een zeer oud gebruik, naar men meent ontleend aan de Chineezen. Alle Europeesche gezagvoerende ambtenaren en de regenten hebben de Nederlandsche vlag (grootte naar den rang; de hoofden van gewestelijk bestuur alle dagen, de overigen op Zon- en feestdagen) op hun erf vóór de ambtswoning.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1019-1023

[Jakarta 6 – Prinses Julianaschool 
[Jakarta 6 – Prins Hendrik School] 
[Jakarta 7 – CAS] 
[Malang - A.M.S.]
 
[Semarang 2 – Burgerschool] 
[Yogyakarta 3 – Eerste] 

Middelbaar en Voorbereidend Hooger onderwijs
Dit onderwijs wordt gegeven aan twee soorten scholen: de hoogere burgerscholen (H.B.S.) en de algemeene middelbare scholen (A.M.S.). De H.B.S. is geheel georiënteerd op het middelbaar onderwijs in Nederland; het leerplan is nagenoeg gelijk aan dat der hoogere burgerscholen aldaar, zoodat tusschentijdsche overgang van leerlingen mogelijk is. De A.M.S. is meer gericht op specifiek Indische eischen en behoeften; aan het diploma der hoogste afdeeling zijn niettemin voor de verdere studie en voor het bekleeden van betrekkingen in het algemeen dezelfde rechten verbonden als aan dat der H.B.S. met vijfjarigen cursus en dit laatste is wederom gelijkgesteld met gelijksoortige einddiploma's in Nederland.

Hoogere burgerscholen en lycea.
Openbare H.B.S.-en met 5-jarigen cursus zijn gevestigd te Batavia (Koning Willem III-school) waaraan verbonden een literair-economische afdeeling, Soerabaja, Semarang, Bandoeng, Malang en Medan. Te Batavia is ook nog een particuliere 5-jarige meisjes H.B.S. met hetzelfde programma als de openbare vijfjarige H.B.S., alsmede een particulier lyceum, een particuliere Roomsch-Katholieke en een Christelijke afd. B. der A.M.S. en een openbare gemengde H.B.S. met 3-jarigen cursus met daaraan verbonden tweejarige handelsschool (Prins Hendrikschool), welke met ingang van 1 Juli 1932 geleidelijk is omgezet in een Literair Economische H.B.S. Te Bandoeng is een Christelijk Lyceum. Het eindexamen der H.B.S.-afdeelingen der genoemde particuliere instellingen is gelijkwaardig verklaard aan dat der openbare vijfjarige H.B.S.
Particuliere driejarige meisjes-H.B.S.-en zijn te Batavia (3), Soerabaja (2) en Bandoeng (1). Al deze particuliere middelbare scholen worden van Landswege gesubsidieerd.
Voor de toelating tot de eerste klasse der 5-jarige H.B.S. leggen de leerlingen der lagere scholen een door het schoolhoofd ingevulde vragenlijst over. Bovendien leggen alle candidaten een schriftelijk examen af in het Nederlandsch, het rekenen, de geschiedenis en de aardrijkskunde en een mondeling examen. Tot de hoogere klassen worden extraneï alleen toegelaten na een examen, behalve wanneer zij afkomstig zijn van een andere vijfjarige H.B.S. in Nederland of Ned.-Indië en een schriftelijke verklaring overleggen van de directeur der inrichting, die zij verlieten.
Het einddiploma van de openbare driejarige H.B.S. (Prins Hendrikschool) geeft zonder examen toegang tot de 4e klasse eener vijfjarige H.B.S., indien de directeur der P.H.S. den bezitter overigens geschikt acht voor het volgen van het onderwijs in die klasse. Aan de P.H.S. is een éénjarige schakelklasse verbonden, om abituriënten van de muloscholen, die tot de aan deze school verbonden handelsschool (of Litt. Ec. H.B.S. waarin deze geleidelijk wordt omgezet) willen worden toegelaten de noodige kennis in het Fransch en Duitsch bij te brengen.
Het aantal leerlingen der zeven vijfjarige H.B.S.-en bedroeg in 1931 – 2743, waarvan ongeveer 84% van Europeeschen landaard was. Het aantal niet-Europeanen onder de leerlingen stijgt langzaam.
De belangstelling voor de Litt. Economische afdeelingen, die aan vier openbare H.B.S.-en waren verbonden, bleef gering, in verband waarmede die afdeelingen te Bandoeng en Soerabaja geleidelijk werden opgeheven, zoodat thans alleen te Batavia en Semarang zoodanige afdeelingen bleven voortbestaan. Van de 245 abituriënten der vijfjarige H.B.S.-en in 1931 verwierven er slechts 20 het diploma der litt. econ. afdeeling.
Het eindexamen der Indische vijfjarige H.B.S.-en is van 1932 af in overeenstemming met dat in Nederland. Anders dan in Nederland, waar de groote meerderheid van de abituriënten der vijfjarige H.B.S.-en niet verder gaat studeeren, is dit bij het meerendeel van de abituriënten der Indische scholen wèl het geval.
De twee bijzondere lycea te Batavia en te Bandoeng hadden in 1931 – 459 leerlingen, tegen 393 in het voorgaande jaar. Nagenoeg alle abituriënten studeerden verder aan een hoogeschool of universiteit.
Het totaal aantal leerlingen der 7 driejarige H.B.S.-en (waarvan 6 uitsluitend voor meisjes zijn bestemd) bedroeg in 1931 – 733, waarvan 630 Europeanen, 34 Inlanders en 69 Chinezen. Het meerendeel der meisjes-abituriënten zet de studie voort aan de Europeesche kweekscholen.

Algemeene middelbare school (A.M.S.)
De A.M.S. is gesplitst in een wis- en natuurkundige afdeeling (B) te Jogjakarta, te Batavia, te Malang en te Semarang, een Westersch klassieke afdeeling (A II) en een Oostersch-letterkundige afdeeling (A I) te Jogjakarta. Voorts zijn te Batavia een particuliere Roomsch-Katholieke en een Christelijke afd. B der A.M.S., welker einddiploma gelijkwaardig is aan dat eener openbare A.M.S.
Het leerplan der afd. A I omvat: Javaansch, Maleisch, Indische cultuurgeschiedenis, Indische kunstgeschiedenis, Nederlandsch, Fransch, Engelsch, Duitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting, staathuishoudkunde, wis-, natuur-, scheikunde, plant- en dierkunde, teekenen en lichamelijke oefeningen. Het einddiploma geeft toelating tot de studie der rechtshoogeschool te Batavia en de faculteit der letteren en wijsbegeerte betreffende de studie van de Arische (Indo-Iraansche) en van de Indonesische taal en letterkunde der universiteit te Leiden en van vereenigde faculteiten der rechtsgeleerdheid en der letteren en wijsbegeerte betreffende de studie van het Ned.-Indische recht en de Indologische studie, voorts na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Latijn, tot die van de faculteit der rechtsgeleerdheid der universiteiten te Leiden en te Utrecht, na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Grieksch en in het Latijn ook tot die van de faculteiten der Godgeleerdheid en der letteren en wijsbegeerte en na het afleggen van een aanvullingsexamen ten overstaan van betrokken faculteit tot die van de faculteiten der geneeskunde en der wis- en natuurkunde.
Het leerplan der afd. A II omvat: Latijn, antieke cultuur, Nederlandsch, Fransch, Engelsch, Hoog-duitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting, volkshuishoudkunde, wis- en natuurkunde, scheikunde, plant- en dierkunde, teekenen en lichamelijke oefeningen. Het einddiploma is gedeeltelijk gelijkgesteld met het einddiploma gymnasium bedoeld in art. 11 der hooger onderwijswet. Het geeft toelating tot de examens in de faculteit der rechtsgeleerdheid, der veeartsenijkunde, tot die in de vereenigde faculteiten der rechtsgeleeerdheid en der letteren en wijsbegeerte en tot die in de vereenigde faculteiten der wis- en natuurkunde en der letteren en wijsbegeerte, alsmede na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in het Grieksch, tot de examens in de faculteit der Godgeleerdheid en tot die in de faculteit der letteren en wijsbegeerte en na het met goed gevolg afleggen van een aanvullingsexamen in de wiskunde (behalve in de planimetrie), de natuurkunde, de scheikunde en de natuurlijke historie, tot die in de faculteit der geneeskunde en tot die der wis- en natuurkunde.
Het leerplan der afd. B. omvat dezelfde vakken als op de vijfjarige H.B.S. in de 3 hoogste leerjaren worden onderwezen, met uitzondering van Fransch (facultatief) en met toevoeging van een of meer Inlandsche talen (facultatief). Het einddiploma is gelijkgesteld met dat der vijfjarige H.B.S.
Het aantal leerlingen der afd. A I bedroeg in 1931 – 94 tegen 119 in 1913, dat der afd. A II respectievelijk 97 en 111. Het totaal aantal leerlingen der 7 B-afdeelingen (5 openbare en 2 bijzondere) steeg van 713 in 1930 tot 860 in 1931, grootendeels van inheemschen landaard. Het aantal vrouwelijke leerlingen op deze scholen is gering.
Meer nog dan die der H.B.S. volgen de abituriënten der A.M.S. een instelling van hooger of van vakonderwijs.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1053-1054

Opium. Is het bereide sap van onrijp papaverzaad. Opium is het Latijnsche woord voor het Grieksche opion, in het Arabisch verbasterd tot afioen, ver-Nederlandscht omfioen, Mal., Ar. Apioen. Gepraepareerd om geschoven (gerookt) te worden heet het in het Mal. madat of tjandoe. Het werkend bestanddeel is de morphine die het bevat. Papaver wordt geteeld in Perzië, den Levant en in Bengalen. Opium vindt toepassing in de geneeskunde, doch een grooter rol speelt het als genotmiddel.
De teelt van papaver is in Nederl.-Indië verboden. Het opium is thans een gouvernementsmonopolie, opiumregie geheeten. Het werkt over geheel Ned.-Indië. Het is een dienst geworden onder den hoofdinspecteur der opiumregie en ressorteerende onder het departement van financiën. Regelingen betreffende in-, uit- en doorvoer, in bezit, in eigendom, in voorraad of in bewaring hebben, vervoer, bereiding, fabricatie, verwerking, verkoop en gebruik van “verdoovende middelen” (waaronder regie-opium en regie-djitjing, d.i. het uit de pijpen geschraapte residu, zijn begrepen), papaver en Indische hennep, zoomede betreffende in-, uit- en doorvoer van cocabladeren, zijn vervat is de “verdoovende-middelen ordonnantie”(Stb. 1927 no 278). Hierbij is ook de teelt van papaver en Indische hennep verboden. In de “regie-opium ordonnantie” (Stb. 1927 no 279) zijn opgenomen de zooeven genoemde bepalingen betreffende het wettig bezit, vervoer en gebruik van regie-opium en regie-djitjing.
Ter bestrijding van den sluikhandel is de “centrale dienst der opiumrecherche” onder een hoofdcommissaris van politie. Bovendien heeft de hoofdinspecteur der opiumregie de beschikking over een gouvernementsstoomer.
De bereiding en verpakking van regie-opium geschiedt in de opiumfabriek te Batavia. Dit bedrijf aan welks hoofd een directeur staat, is onafhankelijk van den dienst der opiumregie. De directeur is rechtstreeks ondergeschikt aan den directeur van financiën.
De ten aanzien van het opium vigeerende bepalingen zijn in overeenstemming met het in 1912 in ’s-Gravenhage gesloten “Internationaal Opiumverdrag”, in Nederland in de wet neergelegd. In 1925 is te Geneve gesloten de overeenkomst nopens het gebruik van bereid opium.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1054-1056

[Jakarta 5 – Istana Negara] 

Opperbestuur. Vóór de grondwetsherziening van 1848 had de Koning “bij uitsluiting” het Opperbestuur, waaronder mede begrepen de opperwetgeving, over de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. Bij die grondwetswijziging vervielen echter de woorden “bij uitsluiting” uit de Grondwet en werd, in den geest van dien tijd, de deur geopend voor medewerking van de Staten-Generaal, welke voor bepaalde onderwerpen zelfs geëischt werd.
Overigens bleef het Opperbestuur zelf, ook tegenover de Indische Regeering, nog onbeperkt tot regeling en bestuur bevoegd.
In de Grondwetswijziging van 1922 en de daarop rustende Indische Staatsregeling van 1925, is de verhouding tusschen de wetgevende macht in Nederland (Koning met Staten-Generaal), den Koning en de Indische Regeering opnieuw geregeld.
Kenmerk dezer nieuwe verhoudingsregeling is het terugdringen van den Koning als wetgever voor Indië tot bepaald aangewezen onderwerpen van imperiaal belang en het overbrengen van het zwaartepunt van het Plein [te Den Haag] naar Buitenzorg, voor de inwendige aangelegenheden met het verleenen daarin van medezeggingsschap aan de ingezetenen van Ned.-Indië. De Indische Staatsregeling van 1925 heeft echter èn inzake wetgeving èn inzake bestuur en financiën gewaakt voor een sterk contact, c.q. overwicht van Opperbestuur en Staten-Generaal in Nederland.
Art. 60 der Grondwet van 1922 legt evenals tevoren het Opperbestuur in handen des Konings. Dit Opperbestuur komt sedert 1922 echter neer op een algemeene supervisie van het door den Gouverneur-Generaal uitgeoefende algemeene bestuur in Ned.-Indië, welke haar sanctie vindt in de verantwoordelijkheid van den Landvoogd aan den Koning en zijne verplichting om ’s Konings aanwijzingen in acht te nemen (art 1, lid 1 I.S.).
De Opperwetgeving is in art. 61 der Grondwet, deels aan de wetgevende macht in Nederland, deels aan den Koning opgedragen. Zoo moet de staatsinrichting van Ned.-Indië zelve door den wetgever in Nederland (Koning met Staten-Generaal) worden geregeld, en andere onderwerpen worden door de wet geregeld zoodra daaraan behoefte blijkt te bestaan. Ook het eindoordeel over de Indische begrooting blijft in handen van diezelfde wetgevende macht in Nederland.
’s-Konings wetgevende bevoegdheid voor Indië strekt zich sedert 1922 uit tot die onderwerpen of die gevallen, welke door de wet aan den Koning zijn voorbehouden, (art. 61² = Gw. En 91 I.S.); zoo b.v. de toelating en vestiging in Ned.-Indië, de uitlevering van vreemdelingen, al hetgeen betreft de met vreemde mogendheden gesloten verdragen, de verdediging van het grondgebied van Ned.-Indië en derhalve is sedert dien ’s-Konings wetgevende bevoegdheid beperkt tot de meer imperiale aangelegenheden.
Het gebied der inwendige aangelegenheden is daarentegen sedert 1922 voor den wetgever in Ned.-Indië voorbehouden, zij het onder supervisie van Opperbestuur en Nederlandschen wetgever. (art. 61² en 62 Gw., art. 82, 91, 99 I.S.).
Ingeval van conflict van Gouverneur-Generaal en Volksraad inzake wetgeving kan uiteindelijk regeling bij algemeenen maatregel van bestuur plaats hebben (art. 89, 90 I.S.).
Koning en Staten-Generaal oefenen tenslotte een repressief toezicht uit op de wetgeving van Gouverneur-Generaal en Volksraad (schorsings- en vernietigingsrecht, art 99, 100 I.S.).
Elke daad van Opperbestuur of Opperwetgeving der Konings vereischt naar den grondregel van ons staatsrecht (onschendbaarheid des Konings – ministerieele verantwoordelijkheid), medewerking van den Minister van Koloniën, die daarvoor dan verantwoordelijk is tegenover de Staten-Generaal. Kan de Minister van Koloniën zich vereenigen met het beleid van den Landvoogd, hetzij handelende op zijn last, met zijn medeweten of zelfstandig, dan zal een eventueel afkeurend votum van de Staten-Generaal hem (den Minister) treffen, c.q. tot aftreden nopen. Dekt de Minister den Gouverneur-Generaal in zijne handelingen niet, dan kan daarin reden zijn den Gouverneur-Generaal te ontslaan, c.q. hem tot aftreden te brengen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I,1077 1078

[G.G. – Van Outhoorn] 

Outhoorn (Willem van), geboren te Lariki (Amboina) 4 Mei 1635, overleden 27 Nov. 1720, promoveerde te Leiden in de rechten (1657), vertrok in 1659 naar Indië, bekleedde daar onderscheidene ambten tot hij in 1691 gouverneur-generaal werd, welk ambt hij tot 1694 bekleedde. De eenige gebeurtenis van belang tijdens zijn bewind was het overlijden van Mangkoerat II van Mataram; het feit dat de O.I.Compagnie diens zoon niet als opvolger wilde erkennen leidde tot een langdurigen oorlog welke uitbrak kort voor van Outhoorn’s aftreden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I,1088 1089

[G.G. – Van Overstraten] 

Overstraten (Mr. Pieter Gerardus van), geboren te Bergen-op-Zoom Februari 1755, overleden Batavia 22 Augustus 1801, werd in 1780 extraordinair lid van den raad van justitie te Batavia, doorliep onderscheidene rangen en werd in 1791 gouverneur van Java’s Noordoostkust, in welk ambt hij zich zeer onderscheidde en de troonsopvolging in de vorstenlanden regelde. In 1796 werd hij gouverneur-generaal en commissaris-generaal. Laatstgenoemd ambt bekleedde hij tot 1799, het eerstgenoemde tot zijn dood in 1801. In 1800 werd hem tevens den rang van luitenant-generaal verleend.
Onder zijn bewind als gouverneur-generaal werd de O.I.Compagnie ontbonden, ging Ternate over aan de Engelschen en werd Batavia door een Engelsche vloot geblokkeerd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N.I, 1095-1096

[Woordenlijst – Padri] 

Padri’s; aldus noemde men een orthodoxe Mohammedaansche secte in de bovenlanden van Sumatra’s Westkust welke de nauwgezette volging der Moslimse wet der bevolking met geweld wilde opdringen ten koste der daarmede geheel strijdige inheemsche instellingen en van het toenmalige zedenbederf aldaar.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1097-1098

[G.G. – Pahud] 

Pahud (Charles Ferdinand), geboren te Amsterdam 18 April 1808, overleden te ’s-Gravenhage 31 Augustus 1878. Na in Ned.-Indië onderscheidene subalterne betrekkingen te hebben bekleed werd hij gedurende zijn tweede Europeesch verlof in 1849 achtereenvolgens fungeerend secretaris-generaal bij het departement van Koloniën, staatsraad in buitengewonen dienst en 1 November van dat jaar minister van koloniën tot 21 November 1855, op welken datum hij werd benoemd tot gouverneur-generaal van Ned.-Indië, welk ambt hij bekleedde van 22 Mei 1856 tot 2 September 1861. Tijdens zijn ministerschap kwam het reglement op het beleid der regeering van Ned.-Indië (1854) tot stand. In 1867 kreeg hij vergunning zich te noemen en te schrijven Pahud de Mortanges.
Zijn bewind werd gevoerd volgens conservatieve beginselen. De volgende belangrijke gebeurtenissen tijdens dat bewind worden gememoreerd: Verbetering van het muntstelsel; militaire expedities naar de Lampongs, twee naar Djambi, twee naar Boni, naar Zuid-Oost Borneo, eindigende met de opheffing en inlijving van het sultanaat Bandjermasin, en tal van kleine expedities; een (nimmer uitgevoerd) contract met Atjeh tot wering van zeeroof; erkenning door Siak van Nederlands soevereiniteit; afschaffing van de slavernij en regeling van het pandelingschap.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1141

[G.G. – Van der Parra] 

Parra (Petrus Albertus van der), geboren te Colombo 29 September 1714, overleden te Batavia 28 December 1775, trad in 1728 als soldaat-schrijver in Compagnie’s dienst, doorliep de onderscheidene administratieve betrekkingen tot hij in 1751 raad ordinair van Indië werd. Was gouverneur-generaal van 1761-1775. Zijn bestuur kenmerkte zich door ambtelijke corruptie; overigens was het een periode van rust die zich niet door bijzondere gebeurtenissen (behoudens de uitbreiding van het Nederlandsche gezag op Ceijlon) kenmerkte. Van der Parra was zeer kerksch en zeer mild jegens de kerk en hare dienaren en zeer ijverig voor de zaak des Evangelies. Niettemin was hij zeer ijdel en zeer prachtlievend en wist hij zichzelf, zijn familie en vrienden op vaak onrechtmatige wijze te bevoordeelen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1154-1155

[G.G. – Patras] 

Patras (Abraham), geboren te Grenoble 22 Mei 1671, overleden te Batavia 2 op 3 Mei 1737, trad in 1690 als soldaat in Compagniesdienst. Hij doorliep onderscheidene administratieve betrekkingen en werd in 1731 raad-ordinair van Ned.-Indië. Hij was provisioneel gouverneur-generaal van 1735-1737. Gedurende zijn kortstondig bewind hadden geen gebeurtenissen van eenig belang plaats.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1196, 1201 

[Priangan] 

Priangan, residentie (afdeeling) der provincie West-Java, omvattende de regentschappen Bandoeng, Soemedang, Tasikmalaja, Tjamis en Garoet. De residentie telt bijna 3.500.000 inwoners, waaronder 27.000 Europeanen en 33.000 Chineezen. De naam Priangan is de samentrekking van para hijangan, d.i. de verblijfplaats der goden of geesten. Het gebied is zeer bergachtig: op de grens met de residentie Batavia de Tangkoebanprahoe-keten; in het centraal gedeelte een bergketen met vele toppen, met uitlopers naar het Zuiden. Tussen deze bergketens het stroomgebied van de Tjitaroem, die naar het Noorden stroomt ren in de residentie Batavia in de Java-zee uitmondt. Een andere belangrijke aan de Noord-kust van Java uitmondende rivier is de Tjimanoek, die op de Zuidelijke helling van de Papandajan ten Zuiden van Garoet ontspringt en in het gewest Cheribon ten Noorden van Indramajoe in zee uitmondt. In den Indischen oceaan monden tal van kleine rivieren uit. Hiertoe behoort de Tjitandoej, de grensrivier met de residentie Banjoemas, tevens ongeveer de grens van de Soendaneesche en Javaansche taalgebieden. Hier zijn de moerassige Lakbokstreken, waar nog rhinocerossen huizen en die zich uitstrekken tot aan de zee. De woningen zijn hier op palen gebouwd.
De hoofdplaats Bandoeng ligt op een plateau, vroeger een meer, afgetapt door de Tjitaroem. Als resten van dat meer zijn nog enkele rawah’s (moerassen) aanwezig. Ook Garoet ligt op een plateau. Priangan is in het algemeen een vruchtbaar gebied met vele erfpachtsperceelen. De voornaamste cultures zijn er koffie, thee en kina. De residentie wordt doorsneden door den spoorweg Batavia-Soerabaja, met een 5-tal zijlijnen naar Zuidelijk gelegen plaatsen o.a. naar de Pinandjoeng-baai en de daarbinnen gelegen Dirk de Vries-baai en Maurits-baai.
De bevolking is Soendaneesch.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1210

[G.G. – Pijnacker Hordijk] 

Pijnacker Hordijk (Mr. Cornelis), geboren te Drumpt 13 April 1847, overleden te Haarlem 4 September 1908, was achtereenvolgens hoogleeraar te Amsterdam, te Utrecht, minister van binnenlandsche zaken, commissaris des konings in Drenthe en daarna gouverneur-generaal van Ned.-Indië van 1888-1893. Geheel onbekend als hij was met Indië heeft hij slechts zeer gedeeltelijk voldaan aan de verwachtingen die de toenmalige minister van koloniën, Keuchenius, van hem koesterde. De kostbare Atjeh-oorlog (onder zijn bewind werd er de scheepvaartregeling ingevoerd) werd niet beëindigd. Een militaire expeditie naar Flores had plaats, de heerendiensten werden geregeld, een nieuw reglement op de opiumpacht werd ingevoerd en de opiumregie *] werd voorbereid
*] zie Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1053-1054 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1214-1215

[Raad van (Nederlandsch-)Indië]

De Indische Staatsregeling voegt den Gouverneur-Generaal een van hem onafhankelijk, zelfstandig lichaam, den Raad van Ned.-Indië, toe, dat bestemd is hem van advies te dienen of in sommige bestuursaangelegenheden zelfs met hem mede te werken.
Het College bestaat uit een vice-president en zes leden die Nederlandsche onderdanen moeten zijn, ten minste 30 jaar oud en die door de Koning worden benoemd en ontslagen.
Het aantal leden werd in 1929 van vier op zes gebracht, ten einde een tweetal onderdanen niet-Nederlanders en wel speciaal inheemschen in den raad te kunnen opnemen.
Het werd echter tevens noodig geoordeeld te bepalen dat de leden hun ambt niet langer dan vijf jaren zullen bekleeden en dat zij niet dadelkijk opnieuw benoembaar zijn.
De Gouverneur-Generaal kan het voorzitterschap van het College zoo dikwerf hij dit noodig acht, bekleeden. Hij heeft dan raadgevende steun.
Bij ziekte of afwezigheid van den Gouverneur-Generaal kan deze het dagelijksch beleid van zaken tijdelijk opdragen aan 's Raads vice-president en deze niet aanwezend zijnde, aan het oudste lid in benoeming.
De Gouverneur-Generaal kan ambtenaren en officieren der land- en zeemacht gelasten de vergaderingen van den Raad bij te wonen tot het geven van mondelinge inlichtingen.
De hoofden der departemeenten*) van algemeen bestuur worden opgeroepen tot bijwoning der vergaderingen van den Raad, voorgezeten door den Gouverneur-Generaal, tenzij deze om bizondere redenen anders beslist. Zij worden verder in de gelegenheid gesteld, om, zoo zij dit wenschen, deel te nemen aan de behandeling, in andere vergaderingen van den Raad, van voorstellen, behorende tot den werkkring van het betrokken departement. In beide gevallen hebben zij alleen een raadgevende stem.
De Raad heeft in wetgevende zaken alleen adviseerende bevoegdheid en wel ten aanzien van ontwerp-regeeringsverordeningen en ontwerp-ordonnanties, door den Gouverneur-generaal aan den Volksraad voorgelegd of door den Volksraad ontvangen en aan Gouverneur-Generaal aangeboden, zoomede door ordonnanties, welke door den Landvoogd op eigen gezag en verantwoordelijkheid worden vastgesteld. Overigens vraagt de Gouverneur-Generaal het advies van den Raad over alle zaken van algemeen of bizonder belang, waar hij dit noodig oordeelt en is hij tot die raadpleging in verschillende in de betrekkelijke bepalingen van de Indische Staatsregeling nader aangegeven belangrijke aangelegenheden, zelfs verplicht. De Landvoogd beslist alleen, behalve in enkele gevallen, waarin de Staatsregeling overeenstemming met den Raad voorschrijft. Wordt deze overeenstemming niet verkregen dan kan den Gouverneur-Generaal de beslissing des Konings inroepen en intusschen de vereischte voorzieningen dadelijk treffen indien dringende omstandigheden dit eischen.
*) Aantekeningen Algemeen - Departementen 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1222-1223

[G.G. – Reael] 

Reael (dr. Laurens), geboren te Amsterdam 22 October 1583, overleden aldaar 10 October 1637, promoveerde te Leiden in 1608 tot doctor in de rechten, vertrok 1611 als commandeur eener vloot der O.I.C. naar de Molukken, werd raad van Indië, vice-gouverneur van de Molukken (1613) en in 1615 gouverneur-generaal, welk ambt hij bleef bekleeden tot 1619, ofschoon hij reeds in 1616 zijn ontslag had aangeboden hetwelk onmiddellijk werd aanvaard. Bewindhebbers vonden Reael te humaan, zoowel voor den Inlander als tegenover de Engelsche concurrenten. Onder zijn bewind hadden enkele tochten naar de Philippijnen plaats – zonder succes echter. Aan de eerste tocht nam hij persoonlijk deel. De strijd om Jacatra met de Engelschen begon reeds onder zijn bewind. In het moederland bekleedde hij nog onderscheidene aanzienlijke functies, o.a. vice-admiraal en later admiraal eener vloot naar Spanje, bewindhebber der O.I.C., deelgenoot van het gezantschap naar Engeland ter gelegenheid van de troonsbestijging van Karel I, die Reael tot ridder verhief, raad van Amsterdam, enz.
Reael was een veelzijdig ontwikkeld, begaafd en beschaafd man, die zich op velerlei gebied heeft bewogen; hij was lid van den Muiderkring, dichter, literator, zeevaartkundige, was expert in den wereldhandel, enz. Onderscheidene geschriften van zijn hand getuigen hiervan.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1231-1232

[G.G. – Van Rees] 

Rees (Otto van), geboren te Culemborg 4 Januari 1823, overleden te Arnhem 10 Maart 1892, kwam in n1837 in Ned.-Indië en trad aldaar als klerk in dienst van het gouvernement, doorliep onderscheidene hoogere rangen en werd in 1856 resident, eerst van Kedoe en daarna van Bagelèn en van Soerabaja. In 1864 werd hij lid van den raad van Indië en in 1872 op verzoek uit ’s Lands dienst ontslagen. Na een kortstondig lidmaatschap van de Tweede Kamer werd hij in 1873 benoemd tot vice-president van den raad van Indië, welk ambt hij tot 1878 bekleedde.
In Nederland was hij achtereenvolgens lid van de Tweede Kamer, minister van koloniën (Maart-Augustus 1879), wederom lid van de Tweede Kamer en voorzitter van die Kamer (1881). In 1884 werd hij gouverneur-generaal van Ned.-Indië, welk ambt hij tot 1888 bekleedde. Gedurende zijn bewind bleef de Atjeh-oorlog aanhouden. Veel gerucht gaf de roof van een onder Britsche vlag varend schip door den radja van Troemon, wat de onderwerping van dien radja ten gevolge had. De bekende opstand te Tjilegon in Bantam had, evenals enkele onlusten op de buitengewesten onder zijn bewind plaats. Ook de onlusten op het land Tjiomas in Buitenzorg deden zoowel in Indië als in Nederland veel stof opwaaien (de administrateur van het land werd afgezet en enkele raddraaiers werden geëxecuteerd) hetwelk voor Van Rees aanleiding was zijn ontslag te verzoeken.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1234

[G.G. – Reyniersz] 

Reyniersz (Carel), gedoopt te Amsterdam 26 Augustus1604, overleden te Batavia in den nacht van18 op 19 Mei1653, was na onderscheidene hooge ambten in dienst der O.I. Compagnie te hebben bekleed, gouverneur-generaal van 1650 tot 1653. Tijdens zijn bewind (1652) werd de nederzetting aan de Kaap de Goede Hoop gesticht en werd (mede in 1652) de strijd om Ceylon met de Portugeezen aangebonden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1234a

[G.G. – Reynst] 

Reynst (Gerard), was een aanzienlijke koopman en reeder te Amsterdam, tevens bewindhebber der O.I. Compagnie, voordat hij in 1613 werd benoemd tot gouverneur-generaal, welk ambt hij bekleedde van1614-1615. Tijdens zijn kortstondig bewind had weinig plaats wat vermelding verdient.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1234-1235

[G.G. – Reijnst] 

Reijnst (Jhr. Joan Cornelis), geboren huize Larenstein bij Arnhem 23 Januari 1778, overleden te ’s-Gravenhage 11 October 1871, begon zijn Indische loopbaan in 1816 als klerk bij de algemene rekenkamer. Na onderscheidene ambten te hebben vervuld werd hij in 1836 lid van den raad van Indië. In 1839 werd hij, in Nederland met verlof vertoevende, in den adelstand verheven. In 1842 was hij vice-president van genoemd Hoog college, en was als zoodanig na den dood van den gouverneur-generaal Mr. Pieter Merkus, waarnemend gouverneur-generaal van 5 Augustus 1844 tot 30 September 1845. Belangrijke gebeurtenissen hadden, behoudens eenige uitbreiding van onze invloedssfeer in Koetai en West-Borneo, onder dit kortstondige bewind niet plaats. In 1850 werd hij op verzoek uit ’s Lands dienst ontslagen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1235

[G.G. – Van Riebeeck] 

Riebeeck (Mr. Abraham van), geboren Kaap de Goede Hoop, 18 October 1653, overleden te Batavia 17 November 1713, kwam in 1677 als onderkoopman te Batavia aan. Na in Indië onderscheidene hooge ambten te hebben bekleed werd hij in 1709 gouverneur-generaal, welk ambt hij bekleedde tot 1713. Hij was een krachtige persoonlijkheid en [...] onder zijn bewind werd aanzienlijke uitbreiding gegeven aan de koffiecultuur in de Ommelanden. In de buitengewesten werden betrekkingen aangeknoopt of hernieuwd met Johor, Bandjermasin, en werd gewapenderhand opgetreden in Zuid-Celebes (Boné en Goa), de Molukken en Ternate

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1235-1236

[G.G. – Van Riemsdijk] 

Riemsdijk (Jeremias van), geboren te Utrecht 18 October 1712, overleden te Batavia 3 October 1777, kwam in 1735 als sergeant in dienst der O.I. Compagnie in Indië. Na het volgend jaar in civiele dienst te zijn overgegaan doorliep hij de onderscheidene rangen tot hij in 1760 raad ordinair en in 1764 directeur-generaal werd. In 1775 werd hij gouverneur-generaal, welk ambt hij tot 1777 bekleedde. Evenals in Nederland onder het regentenpatriciaat tierde ook in Indië het nepotisme welig. Een van Van Riemsdijk’s zonen, Willem Vincent Helvetius, die zeer dom en onontwikkeld was, bekleedde op zijn 9e jaar de betrekking van assistent en op zijn 19e jaar die van eersten administrateur van Onrust, een andere zoon, Daniel Frederik, was op zijn16e jaar archivaris bij de algemeene secretarie. Van Riemsdijk’s kort bewind kenmerkte zich niet door belangrijke gebeurtenissen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1238-1239

[G.G. – Rochusse] 

Rochussen (Jan Jacob), geboren te Etten 23 October 1797, overleden te ’s-Gravenhage 21 Januari 1871, werd na in Nederland onderscheiden hooge ambten te hebben bekleed (o.a. minister van financiën en gezant in België) in 1845 benoemd tot gouverneur-generaal welk ambt hij bekleedde van 30 September 1845 tot 12 Mei 1851. Aan de buitengewesten hadden de voorgangers van Rochussen zich weinig gelegen laten liggen. Onder Rochussen werd dit anders: na drie expedities tegen Bali werd een gedeelte van dat eiland bij het gouvernementsgebied ingelijfd. Op West-Borneo moest tegen de Chineezen worden opgetreden. In de Bovenlanden van Palembang werden de aldaar uitgebroken onlusten onderdrukt. De Soeloe-eilanden werden getuchtigd wegens zeeroof. Daar de tijdelijke invoering van het recepissen-stelsel voorkwam hij een faillissement van de Javasche Bank en de gevolgen van dien. De gebeurtenissen in Nederland in 1848 hadden ook in Indië haar terugslag: te Batavia had een vergadering van ingezetenen plaats waar grieven en wenschen in zake het koloniaal beleid werden geformuleerd, Vermelding verdient nog de reis van Rochussen naar Makassar en Menado.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1242

[G.G. – Rooseboom] 

Rooseboom (Willem), geboren te Amsterdam 9 Maart 1843, overleden te ’s-Gravenhage 6 Maart 1920, was generaal-majoor der genie toen hij in 1899 werd benoemd tot luitenant-generaal à la suite en tot gouverneur-generaal, welk ambt hij bekleedde van 3 October 1899 tot 1 October 1904. De benoeming van een militair tot deze functie hield verband met de uitvoering van een plan tot het in staat van verdediging brengen van Ned.-Indië. Dit was ook het eerste waarvan hij zich kweet. Zijn bestuursperiode is rijk aan gebeurtenissen: Van Heutsz vestigde het Nederlandsch gezag in Atjeh; op Nieuw-Guinea werd te Merauke een militaire bezetting gelegerd; op de buitengewesten hadden eenige kleine militaire expedities plaats; de sultan van Djambi werd wegens ongeschiktheid afgezet, wat tot langdurig verzet leidde, hetwelk eerst onder gouverneur-generaal Van Heutsz in 1907 werd gebroken. De bekende onderzoekingen hadden plaats naar de desadiensten, naar het pauperisme onder de Europeanen, naar de mindere welvaart der Inlandsche bevolking. Een aanvang werd gemaakt met de oprichting van pandhuizen van wege het gouvernement in plaats van pacht door Chineezen, terwijl het opiumpacht, eveneens door Chineezen, werd vervangen door opiumregie. De verplichte koffieleveranties werden ingeperkt.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1268-1271

[Surabaya 2 – Sarekat Islam] 

Sarekat Islam.
Met den Islam als symbool der volkseenheid werd deze volksvereeniging einde 1911 door Mas Hadji Samanhoedi, batikhandelaar, te Solo opgericht, aanvankelijk met het doel de belangen van den Inlandschen middenstand te bevorderen. Daar het optreden der leden meermalen aanleiding gaf tot straatrelletjes, werd de volksbeweging door het gewestelijk bestuur gestuit.
In September 1912 werd de vereeniging opnieuw, thans te Soerabaja, opgericht door R. Oemar Said Tjokroaminoto, destijds handels-geëmployeerde, mede namens eenige Soloneezen, w.o. Hadji Samanhoedi.
De beweging breidde zich over geheel Java uit, maar ook daarbuiten. Talrijke kringen vormen zich onder leiders, wier actie plaatselijke ongeregeldheden veroorzaakte. Daar het verenigingsbestuur niet bij machte bleek om de beweging binnen wettelijke perken te houden, werd ingevolge Regeeringsvoorschrift de organisatie op deze wijze ingericht, dat verschillende Sarekats Islam zoude worden gevormd, elke voor een beperkt ressort, terwijl een centraal lichaam voor de onderlinge samenwerking zou kunnen zorgen. Voor de plaatselijke organisaties werden modelstatuten vastgesteld, volgens welke het doel der Sarekat Islam naast bevordering van het godsdienstig leven zou zijn: behartiging van de belangen der bevolking op het gebied van landbouw, handel en nijverheid, gezondheid, opvoeding en onderwijs. In 1913 kwam een Centraal Sarekat Islam tot stand.
Aan het 1ste Nationaal Congres, dat in 1916 te Bandoeng plaats vond, werd deelgenomen door afgevaardigden van een 80-tal dier vereenigingen, vertegenwoordigende 360.000 leden.
In den tot nog toe door de S.I.-leiding gevolgden loyalen koers openbaarde zich onder revolutionnair-socialistischen invloed allengs aanmerkelijke wijzigingen. In 1917 werd in het beginselprogram een politieke strijd aangekondigd tegen het ‘zondig kapitalisme’; in 1918 werd besloten front te maken tegen de Regeering en het Bestuur, voor zoover zij optreden als ’beschermers van het kapitalisme’. Midden 1919 kwamen revolutionnaire stroomingen aan den dag, toen een crisis van schaarschte en duurte een voor volksagitatie gunstige gelegenheid bood. Allereerst door een actie in Midden-Java, ingezet tegen de suikerindustrie; vervolgens door een opstandige beweging in Toll-Toll op Celebes; ten slotte door een verzetsactie nabij Garoet, waarbij een samenzwering aan het licht kwam, op touw gezet door een z.g. Afd. B-organisatie.
Langzamerhand ondervonden de door Tjokroanimoto en zijn medeleiders, w.o. Hadji A. Salim en Abdoel Moeis, aangewende pogingen om de breede volksmassa te omvatten krachtige tegenwerking door nieuw opgetreden leiders, die communistische beginselen onder den S.I.-aanhang predikten. Uit Semarang, waar in 1920 een Indische Communistische Partij was opgericht, werd door propagandisten, w.o. Semaoen, sedert 1918 bestuurslid der Centrale S.I., een actie ingezet ter verovering van het terrein der volksbeweging. Zwichtend voor den uitgeoefenden aandrang, werd in de godsdienstige organisatie een plaats ingeruimd voor het communisme, dat nevens het socialisme en de democratie in het stelsel van den Islam te vinden zou zijn.
Van de aldus geboden gelegenheid om de S.I.-vereeniging van binnen uit te bewerken maakten de propagandisten der communistische partij een gretig gebruik. Ter voorkoming van een ineenstorting der organisatie werd in 1921 het beginsel der partijdiscipline toegepast, volgens hetwelk S.I.-leden niet tevens lid mochten zijn van een andere politieke vereeniging. Het gevolg van het, op het in dat jaar te Soerabaja gehouden congres aanvaard beginsel was, dat de communisten uit de S.I. traden. Talrijke rode S.I.-organisaties – later Serekat Rajat geheeten – schaarden zich onder de communistische leiders.
Ook op het gebied der arbeidersbeweging verloor de Serekat Islam, als gevolg van de scheuring, veel terrein. De godsdienst-nationale eenheid was wel hersteld, doch ten koste van een groot deel van den aanhang. Ondanks een krachtig ingezette en in alle richtingen, ook onder de vrouwen en de jeugd, gevoerde propaganda van de S.I.-beginselen, kon het verloren terrein niet worden herwonnen.
De vernietiging van de communistische organisaties na de onderdrukking van de door haar veroorzaakte en geleide ongeregeldheden van 1926/1927 bracht geen uitbreiding van de sterk geslonken S.I.-aanhang. Zoowel uit geloovige als godsdienstig-neutrale kringen ondervond de S.I.-leiding tegenwerking en bestrijding. Sedert de opkomst in 1927 van de ten aanzien van de godsdienst neutrale ‘Indonesisch-nationalistische’ eenheidsbeweging is de belangstelling der bevolking voor de Sarekat Islam nog in sterker mate verflauwd.
Op het in 1929 te Batavia gehouden jaarcongres werd besloten de S.I.-beweging, in strijd met de statutaire grondslagen, te organiseeren in één vereenigingsverband onder den aam Partai Sarekat Islam Indonesia (P.S.I.I.), terwijl in het zelfde jaar de inrichting der organisatie aldus plaats vond. De wetgevende macht werd in handen gelegd van een partijraad, die tezamen met de leiders der S.I.-departementen en de gedelegeerden der afdeelingen een congres vormen. De uitvoerende taak werd opgedragen aan een Exécutief Comité, gevormd uit de leiders dier departementen.
De Partai Sarekat Islam Indonesia telt 135 afdeelingen met een 30.000-tal leden, waarvan het grootste gedeelte op Java en 5000 op Sumatra.
Nadat H.A. Salim in 1924 is afgetreden als Lid van den Volksraad, waarin vóór hem (1918-1921) de leiders Tjokroaminoto en Abdoel Moeis zitting hadden, is de volkspartij niet meer in het college vertegenwoordigd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1292

[G.G. – Siberg] 

Siberg (Joannes), geboren te Rotterdam 14 October 1740, overleden te Batavia 18 Juni 1817, vertrok in 1758 als constabelsmaat naar Indië. Voornamelijk door zijn huwelijk met een dochter van den gouverneur-generaal Alting maakte hij in de hooge rangen een snelle promotie. Van 1793-1799 was hij commissaris-generaal en van 1801-1805 gouverneur-generaal. Hij was heerschzuchtig, driftig en onbetrouwbaar, niettemin zeer bijbelsch. Zijn eigenbelang bevorderde hij boven alles, Daartegenover stonden zelfstandigheid van karakter en groote bekwaamheid in handel en cultures. Tijdens zijn bewind had de opstand in Cheribon plaats en heerschte onrust in Bantam.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1302

[G.G. – ’s Jacob] 

‘s Jacob (Frederik), geboren te ’s-Gravenhage 25 Februari 1822, overleden te Utrecht 3 April 1901, begon zijn loopbaan als officier bij de Kon. Nederl. Marine, werd daarna suikerfabrikant en repatrieerde in 1857. Hij was gouverneur-generaal van Nederl.-Indië van 1881-1884. Doordat hij zonder machtiging van het opperbestuur met de Billiton Maatschappij een overeenkomst aanging welke zou worden te niet gedaan, bood hij zijn ontslag aan, hetwelk werd aanvaard. Als gouverneur-generaal maakte hij eenige reizen, o.a. naar Atjeh. Onder zijn bewind hadden o.m. belangrijke spoorwegopnemingen en -aanleg (Oostkust van Sumatra) plaats, werd het rechtswezen in onderscheidene der buitengewesten geregeld en kwam een nieuw landverhuurreglement voor de vorstenlanden tot stand.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1305

[G.G. – Sloet van de Beele] 

Sloet van de Beele (Mr. Ludolf Anne Jan Wilt baron), geboren Voorst 28 Maart 1806, overleden Arnhem 10 December 1890, was gouverneur-generaal van Ned.-Indië van 1861-1866. Onder zijn bewind hadden tal van expedities plaats (Celebes, Nias, Oostkust van Sumatra, Ceram). In Amboina werd de verplichte levering van kruidnagelen afgeschaft, op Java de verplichte kaneel- en indigocultuur. Sloet had grooten studiezin: talrijk zijn de geschriften van zijn hand betrekking hebbende op oud vaderlandsch recht, genealogie, oudheidkunde, Germaanse folklore. Na zijn repatrieering was hij o.m. lid van de tweede kamer en president-curator van de universiteit van Leiden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1324-1325

[Jakarta 5 – Eigen Hulp] 

Spaarbanken. De voornaamste spaarbank in Ned.-Indië is de postspaarbank, die rechtspersoon is en dus een afzonderlijk vermogen heeft, afgescheiden van het Landsvermogen. Aan het hoofd der instelling, die ressorteert onder het departement van verkeer en waterstaat, staat een directeur. Het ingelegd bedrag was ultimo 1932 bijna 20.300.000 gulden. Uitbetaald werd in dat jaar bijna 19.000.000 gulden.
Het aantal andere spaarinstellingen in Ned.-Indië is zeer beperkt. De oudste is de spaarbank te Semarang, opgericht in 1853; daarna volgden de Bataviasche spaarbank (1857), de spaarbanken te Soerabaja (1859), Makassar (1876), Padang (1879), Menado (1896) en Bandoeng (1903). De spaargelden en disposito’s op deze banken bedroegen ultimo 1932 in totaal circa 18.500.000 gulden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1325

[G.G. – Specx] 

Specx (Jacques). geboren te Dordrecht omstreeks 1588; het jaar van zijn overlijden is niet bekend. Hij vertrok in December 1607 naar Indië, doorliep daar alle rangen, werd in 1628 eerste ordinanaris raad van Indië en werd na het overlijden van J.P. Coen door den raad van Indië tot provisioneel gouverneur-generaal gekozen (1629). Deze keuze werd door heeren XVII niet bekrachtigd, zoodat hij in 1632 aftrad en repatrieerde. Tijdens zijn bewind had het tweede beleg van Batavia door Mataram plaats. Overigens zijn er geen bijzondere gebeurtenissen te vermelden.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1325-1326

[G.G. – Speelman] 

Speelman (Cornelis), geboren te Rotterdam 3 Maart 1628, overleden te Batavia 11 Januari 1684, kwam in 1645 in dienst der O.I. Compagnie te Batavia aan, doorliep alle rangen tot hij gouverneur en directeur van Coromandel werd (1663-1665). In 1667 kwam door zijn toedoen, na zijn succesvolle expeditie tegen de Makassaren het Bongaaisch tractaat tot stand [Hierbij werd Goa (Makassar) vazal van de Compagnie die het monopolie van den handel verkreeg.] In 1669 werd Makassar door hem definitief onderworpen. In 1671 werd hij ordinaris raad van Indië. Ook in Oost-Java behaalde hij lauweren als veldheer (1676). Na nog andere hooge ambten in dienst der O.I. Compagnie te hebben bekleed werd hij in 1681 gouverneur-generaal, in welke functie hij in 1684 overleed. Tijdens zijn bewind – een overigens rustige periode – werd Ternate onderworpen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1334-1338

[Jakarta 3 – Molenvliet] 
[Pasuruan – Instituten] 

Suiker. In Nederlandsch-Indië wordt de suiker in hoofdzaak uit suikerriet bereid door groote ondernemingen, die met niet-Inlandsch kapitaal werken. Deze grootindustrie heeft zich tot dusver alleen tot Java bepaald. Daarnaast vindt men op dat eiland vooral in de regentschappen Malang, Toetoengagoeng, Kediri, Blitar en Ponorogo Inlandsche kleinbedrijven met suikerriet als grondstof, terwijl overal in Ned.-Indië door de Inlandsche bevolking suiker bereid wordt uit den arèn- en den kokospalm. Hoewel ook eenige malen op Java proeven genomen zijn om suiker uit beetwortels te fabriceren, welke in Europa hoofdzakelijk als grondstof dienen, hebben deze proeven tot dusver geen voldoende succes gehad.
Reeds in de zevende eeuw verstonden Arabieren en Egyptenaren de kunst om het rietsap te verdikken, dat te zuiveren en daaruit de suiker te doen kristaleren en deze kunst werd uit Egypte naar het Oosten en ook naar Europa overgebracht. In het Zuiden van Europa bestond omstreeks 1100 een vrij bloeiende suikerindustrie, die echter in de zestiende eeuw overvleugeld werd door de nijverheid in de veroverde tropische landen van Amerika, waar het suikerriet beter groeide en door slavenarbeid met minder kosten kon worden geproduceerd. West-Indië voorzag ten slotte in de behoefte van Europa aan suiker.
Later werd ook in Oost-Indië en overal elders, waar suikerriet kan groeien, de suikerindustrie ingevoerd. In het klein werd en wordt het riet nog overal in Ned.-Indië gekweekt. Toen de Nederlanders in Indië kwamen was er echter nog geen suikernijverheid en eerst later is de O.I. Compagnie ertoe overgegaan in den omtrek van Batavia eenige suikermolens op te richten, die door Chineezen werden gedreven met verplichting het product aan de Compagnie te leveren. Deze industrie is echter nooit tot veel bloei gekomen – hoewel op het laatst der achttiende eeuw nog vrij veel suiker werd opgebracht – en is in den Napoleontischen tijd bijna geheel verdwenen.
Eerst na de invoering van het cultuurstelsel van 1830 kwam er verandering in den toestand. De Inlandsche bevolking op Java werd tegen vrijstelling van andere verplichte diensten gedwongen voor den teelt van suikerriet de benoodigde gronden af te staan en daarvoor haar arbeid te geven. Uit de opbrengst werden belastingen van de bevolking voldaan en haar diensten enz. betaald, terwijl de regeering over de winst beschikte. Voor de verwerking van het riet werden contracten gesloten met particulieren, die daartoe fabrieken oprichtten en het product tegen vastgestelden prijs aan de regeering moesten leveren. Ook deze kunstmatig in het leven geroepen industrie is nooit tot grooten bloei gekomen.
In 1870 werd besloten die Gouvernements-suikercultuur langzamerhand te liquideeren en die industrie verder aan particulieren over te laten. Het gouvernement zou voorloopig alleen nog zorgen voor den aanplant van suikerriet op de oude manier. Dat riet werd dan tegen vastgestelde vergoeding aan den fabrikant geleverd, die het riet zelf moest snijden, vervoeren en verder verwerken. Het product stond geheel ter vrije beschikking van den fabrikant. Vanaf 1879 af zou de Gouvernementsaanplant voorts geleidelijk worden ingekrompen, zoodat in 1891 de cultuur geheel vrij zou zijn. De fabrikanten konden dan verder door inhuur van grond hun bedrijf voortzetten. Ook nieuwe suikerondernemingen konden worden opgericht en als geheel vrije ondernemingen werken. In de Vorstenlanden, waar het cultuurstelsel niet werkte, waren ook reeds eenige suikerondernemingen op huurlanden tot stand gekomen.
De industrie ging toen langzaam vooruit. De fabriekjes werden echter slecht geoutilleerd, terwijl de riet- en suikeropbrengsten gering bleven. Opbrengsten van 40 picol suiker per bouw waren toenmaals zeer bevredigend, terwijl in 1929 en 1930 de gemiddelde opbrengst 163 picol per bouw bedroeg. Van 1927 tot 1931 was de suikerproductie van Java per jaar 2.300.000 tot 2.900.000 ton. De groote vooruitgang is gekomen in een tweetal gebeurtenissen, die de Java-suikerindustrie ernstig hebben bedreigd, t.w. de suikercrisis van 1883 en volgende jaren en de sèréhziekte daarna.
In 1883 werd er in de wereld veel meer suiker geproduceerd dan noodig was, waardoor de prijzen op Java beneden kostprijs daalden. Die overproductie was voornamelijk het gevolg van de protectie door Europeesche regeeringen van de beetwortelsuikerindustrie. Het gevolg was dat vele Javasche suikerfabrieken het niet langer konden bolwerken en overgenomen werden door geldschieters, groote cultuurbanken en andere kapitaalkrachtige lichamen. Deze staken veel kapitaal in het noodlijdend bedrijf en slaagden erin dat zoodanig te verbeteren dat de industrie ondanks de prijsdaling een goede toekomst tegemoet ging.
Een tweede ramp ging echter de industrie bedreigen, toen de sèréh-ziekte zich begon te vertoonen, eerst in het Westen, zich daarna verspreidend naar het Oosten. Deze ziekte vertoont zich in den nog niet rijpen aanplant en vermindert de opbrengst van de velden in die mate, dat dikwijls van misgewas kon worden gesproken. Allerlei maatregelen werden door de krachtige industrie genomen om die plaag te bestrijden. Daar de sèréhziekte in hooger gelegen koudere streken weinig of niet voorkwam, werd althans gezorgd voor gezond plantmateriaal en de teelt van dat materiaal voor het grootste deel naar het gebergte overgebracht. Tevoren werden de nieuwe aanplantingen tot stand gebracht door plantmateriaal te gebruiken uit de tuinen in het laagland, die in hetzelfde jaar gesneden werden. Verder trachtte de industrie rietsoorten te vinden die niet of minder vatbaar zouden zijn voor de sèréhziekte. Op eenige plaatsen van Java geschiedde die selectie in de opgerichte proefstations maar ook in de aanplantingen van de verschillende ondernemingen nam men proeven in die richting. De heer Bouricius kweekte o.a. een variéteit, aangeduid met no. 247B, die vrijwel niet door de sèréhziekte werd aangetast en daarom spoedig op groote schaal door de Javasche ondernemingen werd aangeplant. De proefstations en de mannen der practijk zijn rustig door blijven arbeiden aan de verbetering van de opbrengst der velden, van het fabricaat en van de outillage der fabrieken en thans heeft de Java-industrie een hoogte bereikt, die de bewondering van ieder afdwingt.
Kort vóór de [eerste] wereldoorlog hadden de suikerprijzen weer een laag niveau bereikt, de oorlogstijd en de tijd daarna bracht hierin verandering en leverde de Javasuikerindustrie zeer groote winsten op. De algemeene wereldcrisis bracht daarin weer verandering en opnieuw wordt de industrie met ondergang bedreigd. Vele suikerondernemingen op Java zij gesloten, sommige voor goed en allerwege worden de aanplantingen sterk ingekrompen. Voor 1931/32 werd in plaats van den normalen aanplant van + 200.000 H.A. slechts +160.000 H.A. beplant en werden zes fabrieken gesloten. Voor 1932/33 en volgende jaren zal men nog verder gaan. Oogst 1933 is getaxeerd op 1.400.000 ton tegen 2.3 ton in 1931. De Javasuiker is voorloopig onverkoopbaar tegen rendeerende prijzen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1363

[G.G. – Van Swoll] 

Swoll (Christoffel van), geboren te Amsterdam in 1663, overleden te Batavia 12 November 1718, kwam in 1684 in Indië in dienst der O.I. Compagnie. Na aldaar diverse rangen te hebben doorlopen werd hij in 1701 raad ordinair van Indië en in 1703 president van het college van schepenen. Van 1713 tot zijn dood in 1718 was hij gouverneur-generaal. Hij bestreed krachtig den particulieren handel. Overigens kenmerkte zijn bewind zich niet door bijzondere gebeurtenissen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1402-1403

[G.G. – Thedens] 

Thedens (Johannes), geboren te Friederichstadt omstreeks 1680, overleden te Batavia 19 Maart 1748, vertrok in 1697 als soldaat naar Indië, trad in 1702 in burgerlijken dienst, doorliep de gewone rangen, werd in 1736 ordinaris lid van den raad van Indië. Na het vertrek van den afgetreden gouverneur-generaal Valckenier werd Thedens door den raad van Indië tot dit ambt gekozen, hetwelk hij van 1741-1743 vervulde tot de komst van Valckenier’s opvolger Van Imhoff. Tijdens zijn bewind hadden de ernstige onlusten der Chineezen in Midden-Java (beleg van Semarang) plaats, werwaarts zij zich hadden verplaatst na de moordpartij op de Chineezen te Batavia onder Valckenier’s bewind.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1426, 1437-1439

[Jakarta 2 – Topèng] 
[Yogya 1 – Topèng] 

Tooneel. Het tooneelspel kenden alleen de Javanen, van wie de Maleiers en Balinezen het hebben overgenomen. Het is vrij ontwikkeld. Het bestaat voornamelijk uit de wajang (=schim). De zielen van de overledenen laat men door middel van platte poppen van leer (vandaar de naam wajang koelit) of hout ten tooneele brengen. De schaduwen worden geprojecteerd op een scherm, waarachter een lamp is geplaatst. De schaduw is door de afbeelding van de voorouders geworpen, dus ook van dier ziel. Hier wordt dus weer vereenzelvigd de werkelijkheid en de voorstelling daarvan. De wajang wordt opgevoerd door den dalang, die op den grond zit achter het scherm. De lamp, bolontjeng genoemd is een zaak van veel gewicht en van veel bijgeloof. Voor het scherm zitten de toeschouwers, de vrouwen aan den eenen, de mannen aan den anderen kant. Er is een schotel met wierook voor de zielen der voorouders. Van de poppen wordt veel werk gemaakt; deze zijn soms zeer duur. Zij zijn meestal het eigendom van den dalang, soms ook zijn zij gehuurd. De pop heet ringgit (beteekent ook rijksdaalder); de plaats heet paringgitan. De stukken die worden opgevoerd zijn o.a. hindoesche heldensagen, door overlevering in stand gehouden, dikwijls door den dalang bewaard gebleven. De Mahabarata, verkort weergegeven in de Bharata Yoedda, d.i. de strijd van de Bharata’s, leeft ook hierdoor voort. Een ander heldendicht is de Ramayana. Naar een der helden Poerwo genaamd, heet de wajang welke de oude helden ten tooneele voert wajang poerwo. Een tweede klasse van stukken die worden opgevoerd zijn de oud-Javaansche heldendichten. Hierin is een ruimer keuze. Deze wajang heet wajang gedog (de beteekenis van het woord gedog is onzeker). De held heet Pandji.
De dalang moet hebben vindingrijk vernuft, want hij geeft de stukken niet letterlijk weer. Toch moet hij belezenheid hebben. Daardoor komen in de voorstellingen vaak veel platheden voor, tooneelen uit slaapkamers, verkeer met vrouwelijke halfgoden, enz. Ook de goden zijn soms plat en onfatsoenlijk. Veelal zijn ook de verhalen uiterst langdradig. De Javaan uit het volk is er verzot op. De wajang wordt ’s nachts opgevoerd (de schimmen komen natuurlijk alleen ’s nachts). De wajang wordt altijd opgevoerd, wanneer de zegeningen van de goden worden ingeroepen, zooals bij een voornaam huwelijk. Daarom ook moet de voorstelling plaats hebben op een gelukkigen dag. De dalang is dus ook een soort priester, dus tusschenpersoon tusschen goden en menschen. Meestal heeft hij een leerling, tjantrik genoemd, die hem moet opvolgen. Soms gaan vorsten de wajang vertoonen. Het tooneel is dus in groot aanzien. Van de literatuur behoeft de dalang alleen de hoofdtrekken te weten. Soms wordt het een soort opera, want de gamelan kan ook aanwezig zijn. Men bestelt den dalang op eigen kosten bij een feest, dat dus een godsdienstig feest is. Voor de grooten echter wordt de wajang gratis vertoond bij wijze van heerendienst. Deze laten namelijk de wajang dikwijls spelen ten behoeve van het gemeen. Toen de heerendiensten nog bestonden ontlastte de bevolking dikwijls den dalang van zijn heerendiensten.
Onder de poppen van de wajang komen clowns voor, die omgeving of toestanden ridiculiseeren. Zij worden tot opwekking tusschen de tooneelen ingeschoven. Deze scènes vormen vaak de clous.
Deze soorten wajang zijn echt Javaansch en niet uit Hindostan ingevoerd, want daar komen zij in het geheel niet voor en ook de uitdrukkingen zijn echt polynesisch.
De wajang is inheemsch op Java en Bali; in de buitengewesten is zij door Javanen ingevoerd. Ook in Siam is de wajang zeer populair; het lijdt echter geen twijfel of de Javanen hebben haar daar gebracht. Hoe dat gebeurd is, is niet bekend. Ook in China kent men een schimmenspel (Chineesche schimmen) maar het is veel minder ontwikkeld dan de Javaansche wajang en is er niet populair. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de Chineezen het op Java zouden hebben ingevoerd. Ook bij de Chineezen is het een godsdienstig tooneel.
Er bestaat ook een wajang poppensppel, dat overdag wordt opgevoerd. De naam wajang deugt hiervoor echter niet. In de wandeling wordt het wajang karoetjil (=klein) of kelitik (ook=”klein”) [genoemd]. Deze is van veel minder allooi en niet godsdienstig. Of dit spel wel zoo oud is, is niet zeker. Mogelijk is het van de Chineezen afgezien; in China is dit Jan Klaasenspel zeer ontwikkeld.
Het tooneel zooals wij dat kennen komt ook voor, nl. de zg. topèng (=masker), gespeeld door mannen en vrouwen, die telkens van masker verwisselen. Het masker wordt vastgehouden door een pinnetje in den mond. Soms spreekt één persoon voor allen. Hier worden opinie’s op bestuur en toestanden ten beste gegeven en vaak geridiculiseerd. Dit spel komt vooral in de Soendalanden veel voor.
Een gewijzigd tooneel is de wajang bèbèr (=ontrold). Door den dalang worden teekeningen ontrold; daarbij zingt hij wat ze voorstellen. Dit zijn ook vaak legenden van voorouders.
De meeste overeenstemming met ons tooneel heeft de wajang wong (=mens) of ringgit tiang (=menschenpoppen). Het wordt veel aan de hoven gespeeld en is niet zeer populair. Hierin komen ook clowns voor, badoets geheeten. Het dateert van na 1750.
Verder heeft men nog de wajang golèk, vertoond met aangekleede, ronde houten poppen. Er wordt geen scherm gebruikt en het wordt overdag gespeeld. Ook hier worden de Hindoesche heldensagen opgevoerd.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1452-1453

[G.G. – Valckenier] 

Valckenier (Adriaan), geboren te Amsterdam 6 Juni 1625, overleden te Batavia 20 Juni 1751, vertrok in 1715 als onderkoopman naar Batavia. Na de verschillende rangen te hebben doorlopen werd hij in 1736 raad ordinair en eerste raad en directeur-generaal. Van 1737 tot 1741 was hij gouverneur-generaal. Zijn naam is onafscheidelijk verbonden aan den Chineezen-moord te Batavia. Het aantal Chineezen aldaar was zeer toegenomen door de maatregelen van gouverneur-generaal Zwaardecroon ter bevordering van den theehandel. Maar daardoor ook nam het aantal vagebondeerende Chineezen zoodanig toe dat de openbare veiligheid er door werd bedreigd. Daarom besloot Valckenier met den raad van Indië alle Chineezen die niet konden aantoonen over voldoende middelen van bestaan te beschikken naar Ceylon over te brengen en ze aldaar in kaneeltuinen te werk te stellen. Deze goedbedoelde maatregel werd echter zoodanig ten uitvoer gelegd dat gegoede, te goeder naam en faam bekend staande Chineezen die reeds lang te Batavia woonden ook daarmede werden bedreigd, ten einde hun geld af te persen. Daarbij werd het onware gerucht verspreid dat de naar Ceylon vervoerde Chineezen onderweg overboord werden geworpen. Vele Chineezen verlieten de stad en vormden in de omgeving van Batavia rooverbenden, die zelfs een aanval op de stad deden, welke werd afgeslagen. Toen verder bleek dat de Chineezen in de stad met deze benden heulden, maakte zich van de Europeesche bevolking een zoodanige onrust meester dat een in een Chineesch huis uitgebroken brand aanleiding werd voor het gepeupel, bijgestaan door matrozen en soldaten, om tot een verschrikkelijke moord- en plunderpartij ten aanzien der Chineezen over te gaan. Dit duurde een week lang zonder dat van overheidswege werd ingegrepen, zodat de indruk werd gevestigd dat den overheid de moord en plundering niet onwelgevallig was. Duizenden Chineezen werden vermoord en 600 huizen verbrand. Uiteraard was Valckenier (en met hem de raad van Indië en ook het lid Van Imhoff dat later de schuld van zich af trachtte te schuiven) hiervoor mede aansprakelijk, vooral ook omdat op zijn last alle Chineezen in de gevangenis werden ter dood gebracht en omdat de compagniessoldaten en matrozen aan het bloedbad buiten de gevangenis deelnamen.
Ook met den raad van Indië lag Valckenier voortdurend overhoop. Toen hij na herstel van een ziekte bemerkte dat de raad van Indië – zijn vijand Van Imhoff en zijn aanhangers – eigenmachtig belangrijke beslissingen hadden genomen, zond hij de leden Van Imhoff, de Haaze en Van Schinne gevankelijk naar Nederland. Daar gelukte het Van Imhoff zich volkomen vrij te pleiten en de schuld op Valckenier te werpen. Deze was intusschen reeds op verzoek ontslagen en als admiraal eener retourvloot op weg naar Nederland. Hij werd echter op last van de bewindhebbers bij Kaap de Goede Hoop gevangen genomen en naar Batavia teruggevoerd, alwaar hij op het kasteel werd gevangen gezet, alwaar hij bijna 10 jaar later overleed. Het proces bleef zoolang slepende dat het bij zijn overlijden in 1751 nog niet ten einde was. De eisch van den advocaat-fiscaal luidde “onthalzing en verbeurd verklaring van goederen”. Bewindhebbers beslisten dat het proces door den dood was geaboleerd. Intusschen was zijn aartsvijand Van Imhoff gouverneur-generaal geworden, in welke hoedanigheid hij in 1743 optrad.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1453-1454

Vaderlandsche Club (V.C.). Opgericht in 1929, stelt deze partij zich ten doel den staatkundigen band, welke de deelen van het Koninkrijk der Nederlanden verbindt, zooveel mogelijk te versterken, onder behartiging van de handelsbelangen in de eerste plaats en voorts de belangen van alle in Ned.-Indië gevestigde bevolkingsgroepen, met bijzondere inachtneming evenwel van die der Nederlandsche bevolkingsgroep. De V.C. telde in 1930 een 9000-tal leden. [Zie: Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 298

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1477-1480

Volksraad

Sedert Mei 1918 bestaat in Ned.-Indië een Volksraad, d.i. een vertegenwoordigend lichaam, dat aan Nederlandsche onderdanen ingezetenen van Ned.-Indië*) gelegenheid geeft tot medewerking aan de behartiging van 's Lands belangen.
De Volksraad bestaat uit een lid tevens Voorzitter door den Koning benoemd, en 60 leden, waarvan 30 inheemsche onderdanen niet-Nederlanders, ten minste 25 onderdanen Nederlanders en ten hoogste vijf en ten minste drie uitheemsche onderdanen niet-Nederlanders.
Door de eerste worden 20, door de tweede 15 en voor de derde drie leden verkozen. De overige leden worden door den Gouverneur-Generaal benoemd.
De 20 te verkiezen inheemschen worden door twaalf kieskringen, waarvan vier op Java en acht in de buitengewesten, afgevaardigd.
In deze kieskringen zijn kiezers de inheemsche onderdanen niet-Nederlanders, die lid zijn van een localen of regentschapsraad dan wel eene der bij ordonnantie voor de betrokken kieskring nader aan te geven waardigheid bekleeden, welke in beteekenis voor het volksleven bij bedoeld lidmaatschap niet achterstaan.
De onderdanen-Nederlanders en 3 uitheemsche onderdanen niet-Nederlanders worden gekozen, onderscheidelijk door de tot hun eigen groep behoorende leden van locale- of regentschapsraden in geheel Ned.-Indië die daartoe tezamen elk één kiezerscorps vormen.
De leden van den Volksraad worden voor een tijdvak van vier jaar verkozen en benoemd. Aan het einde dezer periode treden de leden tegelijk af. Zij stemmen zonder last- of ruggespraak met hen, door wie zij zijn benoemd of verkozen. De Volksraad houdt zijn vergaderingen in het openbaar te Batavia. De deuren worden gesloten als minstens vijf leden het vorderen dan wel als de voorzitteer het noodig keurt.
De vergadering beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd; zoodanige beraadslaging is echter niet toegelaaten over de begrooting, het slot van rekening en geldleeningen.
In elk zittingsjaar worden twee gewone zittingen gehouden. De eerste vangt aan op 15 Juni en duurt uiterlijk tot 15 September. De tweede op 10 Januari en duurt uiterlijk tot 20 Februari.
Ook kunnen buitengewone zittingen worden gehouden. In spoedeischende gevallen ter behandeling van ontwerpen van aanvullingsbegrootingen kan hierbij volstaan worden met de oproeping der op Java en Madoera metterwoon gevestigde leden.
De Gouverneur-Generaal kan de beraadslagingen van den Volksraad in persoon bijwonen of door gemachtigden doen bijwonen teneinde namens hem voorlichting te verschaffen.
De Raad mag noch beraadslagen noch beslissen als niet minstens de helft der leden, het lid-voorzitter niet medegerekend, tegenwoordig is.
Voor de vaststelling van de algemeene begrooting, de aanvullingsbegrootingen en het slot van de rekening is in het algemeen noodig overeenstemming tusschen Gouverneur-Generaal en Volksraad.
De Gouverneur-generaal stelt de begrootingen vast, voor zoover hij zich met het gevoelen van den Volksraad vereenigt. Om te kunnen werken behoeven de betrekkelijke besluiten van den landvoogd goedkeuring bij wet, dus van koning en Staten-Generaal.
Verleent de Nederlandsche wetgever zijne goedkeuring niet dan geschiedt de vaststelling van het betrokken begrootingsdeel bij de wet zelf.
Wat aangaat ontwerp wetten en ontwerp algemeene maatregelen van bestuur, dient de Volksraad van raad, voorzoover deze Nederlandsch-Indië uitsluitend of in belangrijke mate betreffen.
Onderwerpen, de inwendige aangelegenheden van Ned.-Indië betreffende worden vastgesteld bij ordonnantie, waartoe in het algemeen overeenstemming tusschen Gouverneur-Generaal en Volksraad noodig is. De werkzaamheden op dit gebied worden echter voor den Volksraad als regel verricht door het College van Gedelegeerden.
Bij deze wetgeving heeft de Volksraad het recht van initiatief en van amendement.
Wordt geen overeenstemming tusschen het College en den Landvoogd verkregen dan neemt op uitnoodiging van laatstgenoemde de Volksraad de betrokken ontwerpordonnantie opnieuw in behandeling.
Helpt ook dit niet dan kan de regeling bij algemeenen maatregel van bestuur geschieden. Deze algemeene maatregel van bestuur kan ten allen tijde bij ordonnantie worden gewijzigd, aangevuld, ingetrokken of door eene andere vervangen.
De Landvoogd kan eene door hem aan den Volksraad toegezonden ontwerp-ordonnantie op eigen gezag en verantwoordelijkheid vaststellen, indien de Volksraad in gebreke blijft binnen den vastgestelden termijn mede te deelen of hij zich al dan niet met het ontwerp vereenigt, dan wel indien geen overeenstemming met den Volksraad werd verkregen, doch dringende omstandigheden eene onverwijlde voorziening eischen. Doet alsdan binnen twee maanden na den dag van inwerkingtreding der ordonnantie de Volksraad daartoe het verzoek, dan kan de regeling nader bij algemeenen maatregel van bestuur geschieden.
Ten slotte kan de Volksraad de belangen van Ned,-Indië en zijne ingezetenen voorstaan bij den Koning, de Staten-Generaal en den Gouverneur-Generaal.
Het College kan den Landvoogd uitnoodigen nopens zaken, Ned.-Indië betreffende, inlichtingen aan den Raad te geven, die door hem verschaft worden wanneer dit, naar des Landvoogds meening, kan geschieden zonder schade voor de hem toevertrouwde belangen.
*) Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 144, 146-147 

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1520-1521

[Huet – Brieven II, 97] 

Weeskamers zijn colleges van staatswege ingesteld, welke ten aanzien van Europeanen en Chineezen, in hoofdzaak de volgende taak vervullen:
a. het, zoo nodig, voorzien in het beheer van den persoon en de goederen van minderjarigen, in alle gevallen, waarin benoeming van een voogd moet plaats hebben, zoowel voor als na die benoeming, totdat de voogdij is begonnen;
b. toeziende voogdij;
c. beheer van het vermogen van minderjarigen, aan wier voogden dat beheer is ontnomen;
d. curatele over de ongeboren vrucht;
e. toeziende curateele;
f. beheer van het vermogen van curandi, aan wier curators dat beheer is ontnomen;
g. beheer der goederen van afwezigen;
h. beheer der aan boords van Ned.-Indische zeeschepen na- of achtergelaten goederen van overleden, vermiste of achtergebleven passagiers en schepelingen;
i. registratie en opening van uiterste willen;
j. beheer van onbeheerde nalatenschappen;
k. curateele bij faillissement.

De weeskamers zijn verder belast met de functiën der voormalige boedelkamers, als hoedanig zij in hoofdzaak de volgende taak vervullen:
A. ten aanzien van vreemde oosterlingen:
a. uitoefenen der voogdij bij gebreke van een anderen voogd;
b. beheer van het vermogen van minderjarigen tot aan de behoorlijke zekerheidsstelling voor dat beheer door den voogd;
c. registratie en opening van uiterste willen’
d. beheer van onbeheerde nalatenschappen;

B. ten aanzien van Inlanders:
a. tijdelijk beheer van boedels, bedoeld in art. 231 I.R.;
b. beheer der nalatenschappen van Inlandsche militairen, bij ontstentenis van daarop rechthebbenden;
c. beheer der opbrengst van de na- of achtergelaten goederen van overleden, gedeserteerde of vermiste Inlandsche schepelingen der gouvernements- of der Nederlandsche marine;
d. beheer der aan boord van Ned.-Indische zeeschepen na- of achtergelaten goederen van overleden, vermiste of achtergebleven passagiers en schepelingen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1530

[G.G. – Wiese] 

Wiese (Albertus Henricus), geboren te Bremen in 1761, overleden te Haarlem 7 Maart 1810, vertrok in1774 naar Indië, doorliep daar snel de onderscheidene rangen en werd in 1801 eerste raad en directeur-generaal van Indië. Van 1804-1808 was hij gouverneur-generaal. In 1806 werden de Cheribonsche onlusten beëindigd. In hetzelfde jaar werden een 8-tal Nederlandsche oorlogsschepen en een aantal koopvaardijschepen vóór Batavia vernield door de Engelschen. In 1807 landden de Engelschen te Gresik doch vertrokken op voorwaarde dat de twee laatste Nederlandsche oorlogsschepen zouden worden verbrand, hetgeen geschiedde. Hoewel Wiese onder de Fransche overheersching geen steun uit het moederland ontving en dientengevolge vrij machteloos was, schijnt hij een zwakke figuur te zijn geweest.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1533-1534

[G.G. – Van der Wijck] 

Wijck (Jhr. Carel Herman Aart van der), geboren te Amboina 29 Maart 1840, overleden te Baarn 8 Juli 1914, vertrok als burgerlijk ambtenaar in 1863 naar Indië, alwaar hij na aanvankelijk ter algemeene secretarie, op het departement van binnenlandsch bestuur en als secretaris der residentie Batavia werkzaam te zijn geweest in 1873 werd benoemd tot assistent-resident. Na vier jaren resident van Tegal te zijn geweest, werd hij eerst lid, daarna (1889) vice-president van den raad van Indië. In 1891 werd hij op verzoek eervol uit ’s Lands dienst ontslagen. In 1893 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal, welke functie hij vervulde tot 1899. Tijdens zijn bewind hadden vele belangrijke gebeurtenissen plaats. In 1894 werd Lombok onder rechtstreeksch bestuur gebracht. In Atjeh werd een actieve, voor het verdere verloop, vruchtbare politiek gevolgd, welke zich niet alleen bepaalde tot een krachtiger optreden: wegen en tramwegen werden er aangelegd. Op Sumatra en West-Borneo werden eenige landschappen onder rechtstreeksch bestuur gebracht. De spoorweg van Oost- naar West-Java werd voltooid, de opiumregie werd in onderscheidene gewesten ingevoerd, terwijl vele maatregelen in het belang van de economische ontwikkeling der inheemsche bevolking werden getroffen.

Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1565-1566

[G.G. – Zwaardecroon] 
[Jakarta 3 – Zwaardecroon]
 

Zwaardecroon (Henricus), geboren te Rotterdam 26 Januari 1667, overleden op zijn landgoed “Kadoeang” bij Batavia 12 Augustus 1728, werd in 1684 adelborst in dienst der O.I. Compagnie en secretaris van den commissaris-generaal Van Reede tot Drakestein. In Indië doorliep hij de onderscheidene civiele rangen, werd in 1715 raad ordinair van Indië en in 1718 gouverneur-generaal, welke waardigheid hij tot 1725 bekleedde. Onder zijn bewind breidde de – toen nog jonge – koffiecultuur op Java zich aanzienlijk uit, had het z.g. verraad en de terechtstelling van Pieter Erberfelt plaats en eindigde (1723) de oorlog op Java. Zwaardecroon was een bekwaam gouverneur-generaal, wiens bestuursperiode een tijdperk van grooten bloei was. Evenals zijn voorganger Van Hoorn, bevorderde hij de immigratie van Chineezen en daarmede den theehandel.