door Dr. G.M. Verrijn Stuart, tweede, herziene druk, N.V. Uitgevers-mij v/h G. Delwel, Wassenaar 1934

Het bankwezen, 295-296

Banken

I De Javasche Bank
II De algemene banken
  1. De Nederlandsche Handel-Maatschappij
  2. De Ned.-Ind. Escompto-Maatschappij
  3. De Ned.-Ind. Handelsbank
  4. Buitenlandsche banken
    A. Chartered Bank of India, Australia and China
    B. Hongkong and Shanghai Banking Corporation
    C. Bank of Taiwan
    D. The Yokohama Specie Bank
    E. Mitsui Bank
  5. Chineesche Banken
III De Cultuurbanken
  1. De Nederlandsche Handel-Maatschappij 
  2. De Ned.-Ind. Landbouw-Maatschappij 
  3. De Intern. Cred. en Handelsver. 'Rotterdam' 
  4. De Handelsvereeniging 'Amsterdam' 
  5. De Koloniale Bank 
  6. De Cultuur Maatschappij der Vorstenlanden 
IV Banken voor lang crediet
  1. Hypotheekbanken 
    A. Nederlandsch Indische Hypotheekbank (Batavia)
    B. Javasche Hypotheekbank (Soerabaja)
  2. Credietbank voor Nederlandsch Indische Gemeenten en Ressorten 
V Volkscrediet  
  1. Volkscredietbanken 
  2. De Gouvernements Pandhuisdienst 

 

Het bankwezen, 108-116

[Bandung – Escompto] 
[Jakarta 2 – Dinger] 
[Jakarta 5 – Escompto] 
[Semarang – Escompto] 

De Nederlandsch-Indische Escompto-Maatschappij
Deze bankinstelling werd opgericht in 1857 door P. Tiedeman Jr. en C.F.W. Wiggers van Kerchem. Zij had ten doel het gewone bankbedrijf, d.w.z. het verleenen van voorschotten aan handel en nijverheid, enz. De goederenhandel en het verstrekken van hypotheek (dit laatste anders dan ter belegging van kapitaal en reserve) waren haar statutair verboden, evenals cultuurzaken. [...]
Cultuurbank is de Escompto nimmer geworden en daardoor is haar bedrijf in de vóóroorlogsperiode gelijkmatiger geweest dan dat van bankinstellingen, die zich wel bij cultures geïnteresseerd hebben en die de aan dit bedrijf eigene schommelingen hebben moeten doorstaan.
De directie der maatschappij werd opgedragen aan de reeds vroeger vermelde firma Tiedeman & van Kerchem te Batavia. Deze bleef hiermede tot einde 1901 belast, waarna de Escompto een eigen directie kreeg.[...]
Tot 1888 bleven de zaken van bescheiden omvang. De crisis van 1884 doorstond de Escompto zeer goed, daar zij zich, zooals gezegd, niet in cultuurzaken had begeven. Als curiositeit kan worden vermeld, dat de Escompto tot 1863 bankpapier heeft uitgegeven tot een totaalbedrag van f 100.000,- in coupures van f 5,- en f 2,50. Deze werden in dat jaar ingetrokken op bevel van het Gouvernement, dat deze uitgifte terecht in strijd achtte met het Octrooi van de Javasche Bank.
Sinds 1888 was een groote vooruitgang merkbaar onder leiding van den zeer energieken J. Dinger, overleden in 1917. De uitbreiding van zaken bracht, zooals vanzelf spreekt, meer risico met zich. Zelfs kreeg de Escompto een tijd lang den bijnaam van de 'Noodhaven'. Toch kwam zij behouden door deze 'Sturm und Drangperiode' heen.
Vele nieuwe kantoren werden in Indië geopend sinds het jaar 1892. In 1896 vestigde de Escompto zich te Amsterdam. Zij bleef echter eene zuiver Indische instelling, daar het hoofdkantoor te Batavia gevestigd bleef.
Buiten Indië is de Escompto niet gevestigd behoudens de kantoren in Nederland te Amsterdam en 's-Gravenhage. [...] Dit is een onderscheid met andere groote banken, met name met de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Nederlandsch-Indische Handelsbank, die vestigingen hebben te Singapore, in Britsch-Indië, China en Japan. De omvang, welke de arbitragezaken dezer laatste banken hebben, zal dan ook bij de Escompto wel niet bereikt worden, al hebben, vooral door den oorlog, de meerdere rechtstreeksche goederentransacties met Amerika en Japan ook bij de Escompto tot verlevendiging van het wisselbedrijf geleid. [...]
Tot en met het jaar 1918 vertoonde de Escompto een regelmatige en gestage ontwikkeling. Daarna echter kreeg de hevige na-oorlogsinflatie haar te pakken. Het jaar 1920 vormde een top, die ver uitsteekt boven 1918. Het kapitaal werd sprongsgewijze verhoogd, de debiteuren en crediteuren in rekening-courant stegen zeer snel. Daarop volgde de eerste omslag van den na-oorlogstijd, waardoor de Escompto gevoelig werd getroffen. De buitengewone reserve moest worden aangewend voor het treffen van verschillende voorzieningen en gedurende een reeks van jaren schreef de Escompto belangrijke bedragen op debiteuren en eenmaal ook op effecten af. [...]
In 1934 achtte de Directie voldoende stabilisatie in den economischen toestand van Indië ingetreden om tot een reorganisatie te kunnen vergaan. Deze reorganisatie, welke inmiddels werd voltrokken, kwam hierop neer, dat het kapitaal door intrekken van f 6.250.000,- ingekochte aandeelen werd verminderd tot f 33.750.000,- en dat daarop nog eens 60 % werd afgeschreven tot dekking van geleden en verwachte verliezen, zoodat een kapitaal van f 13.00.000,- resteert. Van de reserve werd ruim 3 miljoen voor afschrijvingen gebezigd, zoodat nog f 2.700.000,- overbleef. In totaal is per ultimo 1933 de kapitale som van ruim 28½ miljoen afgeschreven (waarvan ruim 18 miljoen op debiteuren, ruim 5,6 miljoen op 'Stillhaltebelangen', en bijna 3,8 miljoen op gebouwen en andere, van cliënten overgenomen, vaste eigendommen). De middelen daartoe werden verkregen uit winst over 1933 (ruim 1,4 miljoen), het agio op ingekochte aandeelen (bijna 3,8 miljoen), de reserve (ruim 3 miljoen) en de afschrijving op het kapitaal (ruim 20 miljoen). [...]
De Escompto is thans gevestigd op de volgende plaatsen: [...] Batavia, Bandoeng, Buitenzorg, Cheribon, Djokjakarta, Macassar, Magelang, Malang, Medan, Menado, Padang, Palembang, Semarang, Sibolga, Soerbaya, Weltevreden. [...]

Het bankwezen, 117-128

[Jakarta 1 – Nederlandsch Indische Handelsbank]
[Jakarta 2 – Handelsbank] 
[Malang – Nederlandsch Indische Handelsbank]
 
[Surabaya – Nederlandsch Indische Handelsbank] 

De Nederlandsch-Indische Handelsbank
Deze bankinstelling werd in 1863 opgericht door de in Nederland gevestigde Algemeene Maatschappij voor Handel en Nijverheid [...] [Deze maatschappij kwam echter in 1864 [...] in moeilijkheden. Intusschen had zij in den korten tijd van haar bestaan verschillende instellingen opgericht, welke duurzaam tot bloei zijn gekomen, t.w. naast de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen in Nederland en de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij.
De Nederlandsch-Indische Handelsbank begon met een statutair kapitaal van f 12.000.000,- waarvan voorloopig de helft werd geplaatst en volgestort.
Aanleiding tot de oprichting was de rijkelijk overschatte kapitaalbehoefte in Nederlandsch-Indië, eene behoefte toch, welke [...] voor een groot deel slechts schijn was en op geldgebrek duidde als gevolg van de [...] gebrekkige regeling van de biljettenuitgifte der Javasche Bank.
Het doel der Handelsbank werd zeer ruim omschreven en omvatte het doen van bankzaken, het verleenen van cultuurcredieten, de oprichting van en de deelneming in ondernemingen en handel, nijverheid en openbaar nut, uitgifte van pandbrieven en den handel in producten. [...]
Sinds 1877 begon zich in de cultuurzaken eene kentering te openbaren en in 1883 werd de toestand kritiek. De prijzen der producten daalden enorm, in het bijzonder de suikerprijs, en in Februari 1884 staakten twee groote exporthuizen hunne betalingen. De Handelsbank ondervond hiervan den terugslag. Haar middelen waren niet liquide belegd en dus op dit angstvolle tijdstip niet vrij te maken. [...]
Een ramp was bijna niet meer te vermijden, doch werd op het laatste ogenblik voorkomen door het energiek optreden van een zestal invloedrijke mannen ter beurze van Amsterdam (J.T.Cremer, P.W.Janssen, W.H.van Leeuwen, C.F. Quien, A.C.Wertheim en J.Boissevain), die een plan ontwierpen , waarbij bijna alle cultuurbelangen der Handelsbank voor f 12.800.000,- in een nieuwe vennootschap zouden worden ingebracht. Deze nieuwe vennootschap kreeg den naam van Nederlandsch-Indische Landbouw-Maatschappij. [...]
De Bank bleef sedert voor haar werkkring, zoo in Nederland als in Indië, aangewezen op het bankiersbedrijf, en wel in den meest uitgestrekten zin van het woord, in zoover de werkzaamheden omvatten: den wisselhandel, het disconto- en beleeningsbedrijf, het verstrekken van voorschotten op consignatiën van producten van Indië naar Nederland en omgekeerd op goederen van Nederland naar Indië en de te gelde making van al de producten, waarover de Landbouw Maatschappij de beschikking kreeg.
Vooral de internationale wisselhandel maakte eene groote uitbreiding van het aantal kantoren wenschelijk [...].
Een krachtige ruggesteun in de latere jaren, waarin de suikercultuur er zooveel beter voor kwam te staan dan vroeger, vormde het aandeelenbezit in de Landbouw-Maatschappij; vooral de goede suikerjaren in den wereldoorlog zijn voor de Handelsbank in dit opzicht buitengewoon voordeelig geweest. Daarna is echter ook voor deze bank een keerpunt gekomen [...].
In het boekjaar 1921 kwamen ook voor de Handelsbank de 'stroppen' los; de positie der Bank werd hierdoor verzwakt. Het kapitaal bleef ondanks de ernstige verliezen, intact, doch ruim de helft van de zeer omvangrijke reserves moest worden afgeboekt.
Oorzaak der groote verliezen waren de tijdens en kort na den oorlog te ver opgedreven credieten aan de Oliefabrieken 'Insulinde' [e.a.] [...]
Een aantal vennootschappen werd gereorganiseerd met medewerking van de Handelsbank, welke mede in verband met deze reorganisaties in de volgende jaren aandeelenpakketten op hare balans opvoerde van de volgende zaken: Maintz' Productenhandel, Handelsvereeniging 'Oost-Indië', N.V. tot Exploitatie van Oliefabrieken, Ned. Indische Spiritus Mij., Machinefabriek Braat, Mij. de Fijnhouthandel, Handel Mij. Aparak [...].
Na 1922 treedt bij de Handelsbank een merkbaar herstel in [maar] [...] in de huidige depressie [1933] had zij het echter wederom zwaar te verantwoorden. [...]
De Handelsbank is thans met eigen kantoren gevestigd op de volgende plaatsen:
In Nederland: Amsterdam (Hoofdkantoor) [Singel 250, hoek Raadhuisstraat], 's-Gravenhage, Rotterdam
In Ned.- Indië: Batavia, Ampenan, Bandoeng, Cheribon, Gorontalo, Makassar, Medan, Menado, Palembang, Pasoeroean, Pekalongan, Probolingo, Semarang, Soerabaya, Tegal, Telok Betong, Tjilatjap, Weltevreden
Elders: Amoy, Bombay, Calcutta, Hongkong, Kobe, Shanghai, Singapore, Tokio.

Het Bankwezen, 184-193

[Semarang – Koloniale Bank] 
[Surabaya – Koloniale Bank] 

De Koloniale Bank. Deze instelling werd opgericht in 1881 met een gestort kapitaal van f 5.000.000,- met het doel voorschotten te verleenen aan landbouw en nijverheid, op consignatiën, enz., en om op te treden als administratiekantoor.
Ook bij de Koloniale Bank zat aanvankelijk het beginsel voor, dat exploitatie van eigen cultures, behoudens in geval van noodzaak ter afrekening met debiteuren, moest worden vermeden […].
Snel breidden de zaken der Koloniale Bank zich uit; niet slechts knoopte zij talrijke relaties aan met cultuurondernemingen, doch ook bewoog zij zich aanvankelijk op het gebied van het gewone bankbedrijf.
De suikercrisis van 1884 deed blijken, dat ook de Koloniale Bank te veel uitbreiding aan hare cultuurzaken had gegeven; in November van dat jaar vroeg en verkreeg zij surséance van betaling […] [maar] in den aanvang van 1885 [kon] de surséance weer worden opgeheven.
De gewone bankzaken werden vrijwel geheel van het programma afgevoerd en de Koloniale Bank beperkte zich in hoofdzaak tot cultuurvoorschotten, terwijl zij – meestal als gevolg van executies – in het bezit kwam van verschillende direkte cultuurbelangen.
Groote afschrijvingen waren in deze jaren noodzakelijk. In 1889 stelde de Directie zelfs voor om het aandeelenkapitaal door afstempeling tot f 3.500.000,- terug te brengen. Dit voorstel werd echter door aandeelhouders [in Nederland] verworpen, waardoor het saneeringsproces der Bank natuurlijk werd vertraagd. Bij dezelfde gelegenheid werd exploitatie van cultures voor eigen rekening binnen den normalen werkkring der bank getrokken. […]
In hoofdzaak was de Koloniale Bank in de laatste periode der vorige eeuw betrokken bij de suiker- en koffiecultuur, doch daarnaast had zij een overigens veel kleiner belang bij de cultuur van cacao, tabak, kinabast en indigo.
Ook voor de Koloniale Bank komt in den aanvang der 20e eeuw eene betere periode, evenals zulks bij de andere cultuurbanken kan worden waargenomen. Aangezien de Koloniale Bank echter, zooals gezegd, niet van den aanvang af schoon schip had gemaakt en zich bovendien relatief belangrijk bij de koffiecultuur had geïnteresseerd, kwam bij haar de bloei later en langzamer dan bij de meeste andere cultuurbanken. In 1902 moest zij zelfs tijdelijk een beroep doen op de Nederlandsche Handel-Maatschappij, met welke instelling eene credietovereenkomst werd gesloten: dit arrangement kon echter volgens het verslag over 1903 na korten tijd tot afwikkeling komen.
Naast suikerbelangen heeft de Koloniale Bank steeds min of meer aanzienlijke belangen bij andere cultures gehad. Het stelsel van een zekere mate van risicoverdeeling is hier in tegenstelling tot sommige andere cultuurbanken, nimmer geheel verlaten. Intusschen kunnen wij ook bij de Koloniale Bank waarnemen, dat zij in den na-oorlogstijd aan hare belangen buiten de suiker verdere uitbreiding heeft gegeven, inzonderheid op Sumatra.
Evenals de andere cultuurbanken wordt zij thans [1934] zwaar getroffen door de depressie. Hoe groot de verliezen zullen zijn, welke de Koloniale Bank tenslotte zal hebben af te boeken, is nog niet bekend. […]
Volgens het laatste jaarverslag stond de Bank in relatie met 13 suikerfabrieken, waarvan er 5 geheel haar eigendom waren, 5 voor het grootste deel en drie voor een kleiner deel. […]
De eigen suikerondernemingen stonden per ultimo 1933 te boek voor rond 5 miljoen gulden, de deelnemingen in suikerondernemingen voor f 8.284.501,-. Het is zeker, dat hierop in verband met de moeilijkheden in de suikercultuur zeer aanzienlijke afschrijvingen zullen moeten plaatsvinden. […]
De suikerondernemingen der Koloniale Bank zijn alle op Midden- en Oost-Java gelegen. De Bank heeft daarom eigen agentschappen te Soerabaya (Hoofdagentschap) en Semarang. Een agentschap te Batavia (laatstelijk waargenomen door de firma Tiedeman & Van Kerchem) werd in 1915 opgeheven. […]

Het Bankwezen, 193-200

[Semarang – Cultuur Maatschappij]

De stamboom der Cultuur Maatschappij leidt terug tot de Firma Dorrepaal & Co., welke aanzienlijke cultuurzaken deed en deze tegen het einde van 1884 ingebracht in de Dorrepaalsche Bank der Vorstenlanden met een kapitaal van f 8.000.000, waarvan f 3.000.000,- werd gebezigd voor de betaling van den inbreng der Firma Dorrepaal & Co., terwijl de rest elders werd geplaatst. Bovendien werden f 7.000.000,- obligatiën uitgegeven, waarvan een bedrag van f 6.000.000,- noodig was ter afwikkeling van de vorderingen van verschillende crediteuren der oude firma.
Het verging de Dorrepaalsche Bank geenszins naar wensch. De tijden waren, zoals wij dat ook bij de andere cultuurbanken hebben gezien, vol van moeilijkheden voor cultures. Reeds in 1886 stempelde de Dorrepaalsche Bank 30 % op haar aandeelenkapitaal af. Doch daarmede was de zaak nog niet gezond. In hetzelfde jaar moest de bank surséance van betaling aanvragen en in 1887 werd zij failliet verklaard. Nadat een deel harer zaken was afgewikkeld, werd het restant harer activa overgedragen aan de in 1888 opgerichte Cultuur Maatschappij der Vorstenlanden. […]
Bij hare oprichting had de Cultuur Maatschappij eigen cultuurbelangen (in hoofdzaak koffie en indigo, voor een klein deel ook suiker en tabak) voor eene boekwaarde van bijna f 884.000,- en vorderingen op cultuurondernemingen ad ruim f 6.000.000,- . Het indirecte cultuurbelang overwoog dus verre. Doch ook bij de Cultuur Maatschappij toonde zich dezelfde ontwikkelingsgang als bij de andere cultuurbanken: geleidelijk nemen de direkte cultuurbelangen – ten deele in den vorm van aandeelenbezit – in omvang toe tegenover de indirekte, om deze tenslotte verre te overtreffen. […]
De direkte cultuurbelangen van de Cultuur Maatschappij omvatten volgens het laatste jaarverslag [1933] vooreerst een belangrijk aandeelenbezit in andere suiker-cultuurmaatschappijen […] Dit geheele aandeelenbezit staat thans te boek voor f 4.500.000,- dus aanmerkelijk beneden pari. De geweldige moeilijkheden in de suikercultuur zullen echter nog verdere afschrijvingen vereischen […].
Daar de cultuurbelangen van de maatschappij hun zwaartepunt op midden-Java vinden, kan de Cultuur Maatschappij volstaan met een Agentschap te Semarang.