door Dr. J.H. Boeke, 2e druk, H.E. Stenfert Kroese's Uitgevers-mij, Leiden-Amsterdam 1936

Inleiding tot de economie, 81-83

[Indië, geïllustreerd weekblad, 4, 279]

[1936] De Inlandsche landbouw werkt op Java als een reusachtige vergaarbak van ongeschoolden arbeid. Een, in vergelijking tot de behoefte daaraan, bijna onbeperkte hoeveelheid kan eruit worden geput. De bewegelijkheid van dezen arbeid is echter uiterst gering. Vandaar dat de Westersche ondernemer in Pekalongan, in Koedoes, in den Oosthoek bijna geheel aangewezen is op koelies van buiten. Uit een onderzoek van de Java Suiker Werkgevers Bond in 1925-1926 bleek, dat van de 144 suikerondernemingen niet minder dan 53 met aangevoerde arbeidskrachten werkten.
Neemt de behoefte aan arbeiders plotseling af, wanneer een depressieperiode intreedt in het Westersche bedrijfsleven, dan verdwijnen de ontslagen menschen in korten tijd naar de desa. Een werkloozenleger op de vestigingsplaatsen der bedrijven ontstaat niet. Zelfs zij, die niet alleen arbeider zijn in hun overgeschoten tijd na verzorging van het eigen landbouwbedrijf, de koelies bij de spoorwegen en de havenbedrijven b.v., gaan bij ontslag weer in de desa op, leven er desnoods een tijd sober op kosten van familie en kennissen tot ze in de inheemsche maatschappij weer een bestaantje hebben gevonden. Dat bleek bij stakingen als in 1925 in de Soerabaiasche metaalindustrie, toen de stakers spoorloos naar de desa verdwenen. Dat bleek opnieuw bij de depressie na 1930, die een stroom van ontslagen arbeidskrachten uit de Buitengewesten, uit de Javasche kuststeden en uit de cultuurondernemingen in het binnenland naar de desa's richtte.
Op deze wijze dragen de dorpsgemeenschappen, draagt de Oostersche samenleving – en dat nog wel in haar zwakste, volkrijkste deelen – de vaste lasten van de wisselende arbeidsbehoefte der Westersche ondernemingen.
Het bovenstaande geldt slechts voor den ongeschoolden arbeid [...] Met geschoolden arbeid is het anders gesteld. Deze is veel meer aangewezen op de Westersche maatschappij. Voor de 'intellectueelen' zoowel als voor de 'toekang' heeft de inheemsche samenleving zeer weinig plaats. Vandaar een sterke trek van de afkomelingen der onderwijsinrichtingen naar de steden, waar ze in de Westersche maatschappij hun kennis productief trachten te maken. De hun geboden loonen zijn naar Westerschen maatstaf niet hoog, doch het aanbod is vooral bij het klerkenwerk zeer groot in verhouding tot de behoefte eraan. En zelfs al vertegenwoordigen de hier geboden loonen geen behoorlijk inkomen, gemeten naar stedelijken inheemschen standaard, toch blijft het sociaal aanzien van 'intellectueel zijn' en het vervreemd zijn van het dorpsbestaan hen naar de steden drijven.
Het beste zijn er misschien nog de vaklieden onder de inheemsce arbeider, de z.g. toekangs, en de opzichthoudende mandoers aan toe. Ook zij voelen zich in de dorpsgemeenschap niet meer thuis. In de steden huizen zij in kampongs, op de cultuurondernemingen zijn zij in en om het fabriekscomplex geconcentreerd. Onder normale economische omstandigheden verdienen zij een naar inheemschen maatstaf zeer behoorlijk loon, omdat voor hen niet de noodzaak geldt – wel echter de neiging – aan kleeding en woning dat uit te geven, waartoe de in de steden op kantoren werkende klerken verplicht zijn.
De hooger ontwikkelde krachten in de inheemsche samenleving zijn nog weinig talrijk, de ongeschoolde vormen verre de meerderheid. Nemen we bij elkander de gezinnen van gouvernementsdienaren, godsdienstbeambten, vaste arbeiders in uitheemsche bedrijven, groothandelaars en nijveren, toekangs en kleinhandelaren met zelfstandige bedrijven, dan vormden die in 1924 van de bevolking ten plattelande, in de kleine gemeenten en in de groote gemeenten nog slechts 10 %, 46.3 % en 65.1 %. Men ziet, zij zijn in de steden geconcentreerd.[...]
De elasticiteit van het arbeidsaanbod, gevolg van het feit, dat althans de ongeschoolde of enkel inheemsch geschoolde arbeid als regel slechts als bijbedrijf wordt verricht, geldt evenzeer voor de inheemsche nijverheid. Reeds Sollewijn Gelpke verklaarde: 'men vindt geen landbouwer den geheelen dag manden vlechtende of zijne vrouw potten bakende of wevende. Het is een arbeid bijna der verloren oogenblikken, en waaraan men meer tijd gaat besteden, als er met niets beters geld is te verdienen'. De Westersche ondernemer en de stedelijke arbeidsbehoefte zijn daardoor doodelijke concurrenten gebleken voor de inheemsche nijverheid.