door A. Algra, T. Wever, Franeker

Gereformeerde Kerken, 87-89.

[Surabaya 3 – Gereja] 

Reeds in 1914 was besloten kerk, pastorie en paviljoen aan de Djoharlaan [Jl Johar] te verkopen. De buurt ging er niet op vooruit, vele leden vestigden zich zuidelijker en dan was te verwachten, dat de gebouwen op de duur toch zouden moeten verdwijnen omdat er een nieuwe verbinding tot stand zou komen tussen de stations Kota van de S.S. en Toerie van de N.I.S. Begonnen werd alvast met de bouw van een pastorie aan Pregollan Boender, die in 1915 door Ds. Pera kon worden betrokken. In hetzelfde jaar werd meegedeeld, dat een Chinees het Djoharlaan-complex had gekocht. De akte moest nog worden getekend. Maar de koper stierf plotseling en de erven trokken zich terug. In 1917 werden kerk en pastorie verkocht en na de 1ste mei van dat jaar werden de kerkdiensten gehouden eerst in de loge [Jl Tunjungan], later in de landraadzaal op Sawahan [Jl Raya Arjuna]. De fundamenten van de nieuwe kerk waren al gelegd, maar de bouw schoot niet op. De materialen waren door de [1ste wereld]oorlog zeer duur geworden en er waren allerlei meningsverschillen over de bouw.
“Jarenlang heeft de bouw stil gelegen. Naast de pastorie is een rimboe. De alang-alang heeft de fundamenten al lang overwoekerd. Moeder Natuur is druk bezig de laatste sporen van een aanstaand godshuis uit te wissen.”
Zo stond in het Kerkblad. De hele bouwkwestie was een nare zaak. Er ontstond een scheur in de gemeente. De scriba, Mr. C. von Meyenfeldt, schreef 27 Febr. 1920 aan de zendingsdeputaten:
“Er zijn vele moeilijkheden geweest bij de bouw van kerk en pastorie. De zaak is nu afgedaan, maar de twisten steken telkens de kop weer op, b.v. bij de verkiezing van ambtsdragers en de besprekingen omtrent de afbouw van de kerk. De kerkeraad bestaat uit 2 ouderlingen en 1 diaken, terwijl de bezetting het dubbele moet zijn. Bij elke formatie van tweetallen openbaarde zich weer een storm van tegenstand en dreigde een volkomen ontreddering. De kerkeraad is nu echter voltallig. Enkele leden hebben “bedankt”.
Hij zette verder de financiële toestand uiteen. Wel waren de oude kerk en pastorie voor f 60.000,- verkocht, maar na aftrek van de hypotheek bleef er maar f 29.000, – over. Het oorspronkelijke plan kon daarom niet worden uitgevoerd. Sommige leden beweerden bovendien, dat de fundamenten van de te bouwen kerk niet deugden. De verbittering was zo groot, dat er gedurende een tijd geen avondmaal werd gevierd. Volgens Mr. Von Meyenfeldt werkte Ds. Pera met veel zegen, maar hij had ook veel teleurstellingen ondervonden. Zie ik het goed, dan kon hij tegen deze toestand niet op en ontbrak het de kerk aan leiding. Mr. Von Meyenfeldt schreef zijn brief in 1920, maar reeds in 1918 stond in het kerkeraadsverslag, dat de toestand in de gemeente slecht was. Twintig leden verzochten de kerkeraad een commissie van 5 leden te laten kiezen, om te trachten een verzoening tot stand te brengen. De kerkeraad ging hiermee accoord. In het Kerkblad van 10 febr. 1919 werd de samenstelling bekend gemaakt: de brs. Greve, Steenwinkel, Stok, Van der Vange en Westerhof.
De oplossing is blijkbaar toen niet gevonden.
In 1920 werd meegedeeld, dat de architect Br. Rijksen een eenvoudiger plan had ontworpen. De commissie van administratie was er erg mee ingenomen en ook kerkeraad en gemeente gingen accoord. En nu kon de aannemer Ligthelm gaan bouwen. Naar dit gemaakt bestek rezen de muren van de moskee-kerk. In de Japanse tijd had deze vorm zijn voordelen, want de bezetters zagen het gebouw ook al voor een moskee aan: zij hadden meer eerbied voor een misdjid dan voor een kerk. De strijd luwde langzaam. De voorlopige classis, die in 1920 in Soerabaja vergaderde, benoemde een commissie, die de “algemeene verzoening” (overigens een verdachte term) moest bewerkstelligen. Het is echter vooral de consulent, de wijze Vader Bakker geweest, die de verzoening tot stand bracht. Hoe hevig de spanning in 1920 nog was, vertelde mij Ds. Pos. Hij zou een zondag in Soerabaja preken (Ds. Pera was vertrokken) en hij logeerde bij een familie, waar hij zaterdagavond het hele verhaal te horen kreeg. De volgende dag ging hij met zijn gastheer en gastvrouw naar de kerk. De gastvrouw wees opeens naar een andere kerkganger en riep uit: “Dat is nu de moordenaar!” De moordenaar was een voorman van de partij, waar mevrouw niet bij hoorde. Maar vooral door het optreden van Ds. Bakker kon de gemeente spoedig weer zingen:
Dat vreed’ en aangename rust
En milde zegen U verblij. [...]
De vrede zij en blijv’ in u
Nooit moet haar nijd en twist verkloeken ...
In juni 1921 werd het kerkgebouw feestelijk in gebruik genomen. Ds. Pera was toen jammer genoeg al vertrokken. Ds. Bakker leidde de dienst. Br. C. van Schelven weet zich nog te herinneren, hoe keurig alles verzorgd was. De kerk was overvol. De collectezak van Br. Langeler (de ouderwetse hengel) begaf het vanwege de veelheid der offeranden. Hij stond daar plotseling met alleen een stok, die hij, misschien uit verbouwereerdheid, als een geweer presenteerde!
Door de bezuiniging op het project had de deugdelijkheid misschien iets geleden. Het dak van de pastorie moest al heel spoedig vernieuwd worden. Maar ook het kerkdak (in figuurlijke zin een zilveren dak) vertoonde gebreken. Toen op een zondagavond Ds. Aalders van Batavia een dienst zou leiden, was net de eerste echte regenbui van de westmoesson gevallen. Het dak lekte als een mandje. Er waren door het weer maar weinig kerkgangers en besloten werd om maar in de consistorie te vergaderen. Er was maar één gaspitje, want de electrische leiding moest nog aangelegd worden. Ds. Aalders moest maar proberen zijn preek bij dat lichtje te houden. Maar nauwelijks was hij begonnen, of een zwerm larongs kwam op het vlammetje af. Alleen zij, die in Indië geweest zijn, weten dat een dergelijke aanval van de gevleugelde witte mieren betekent. Ds. Aalders moest de preek staken. En daarvoor was hij helemaal van Batavia gekomen! “Of er nog gecollecteerd is, herinner ik me niet meer”, schreef Br. v. S. Het is een kruis gebleven, dat dak van de Pregollan Boenderkerk. In “Contact” van 16 januari 1955 las ik in de rubriek “Van eigen erf”:
“Een kruis heeft het kerkgebouw en dat is het dak. Vanaf de eerste jaren heeft het neigingen vertoond, water door te laten. Door allerlei experts en niet-experts is er aan gedokterd, maar het blijft lekken en gaat steeds erger lekken. Een nieuw schuinoplopend dak zou het enige afdoende zijn, maar wie zal dat betalen?”
Was het de “straf”, omdat de Soerabajanen een kerk bouwden met het uiterlijk van een moskee?

Gereformeerde Kerken, 117-118

[Bandung – Gereformeerde Kerk]

In het Naripankerkje konden plm. 100 kerkgangers een plaats vinden. Het werd op den duur te klein. Maar er kwamen bovendien nog andere moeilijkheden. Het kerkje was nog altijd eigendom van Ds. Wijers. Deze kreeg een geschil met de kerkeraad en zei de huur op. Zelfs raakte hij kerk, pastorie en paviljoen kwijt aan een grondspeculant voor ƒ 75.000,--. Deze man verkocht het meteen voor een bedrag ver boven een ton. De gemeente zocht tijdelijk zijn toevlucht in de landraadzaal ("natuurlijk" kan er wel bij). De makelaar wilde het Naripankerkje ook wel aan de gemeente verkopen, maar hij vroeg een veel te hoge prijs. Daar de gebouwen niet direct behoefden gebruikt te worden, werd het nog voor 20 maanden ingehuurd en kon de landraadzaal weer worden verlaten. Sedert 1918 werden al gelden ingezameld voor nieuwbouw. Zelfs de diaconiecollecten werden afgeschaft en vervangen door collecten voor het kerkbouwfonds. We zullen later zien, dat Ds. Bakker een dergelijke wijze van handelen scherp veroordeelde.
Br. De Gaaij Fortman bracht in Nederland ƒ 3.448, 23 bijeen voor de te bouwen kerk. In febr. 1918 werd in de kerkeraad besloten, om naar een geschikt bouwterrein om te zien en dit werd gevonden "tegenover de Van Deventerschool", zoals het verslag het uitdrukte. 12 september 1920 besloot de kerkeraad onder leiding van Ds. Aalders, om voort te varen. Dr. Bavinck werd nog bevestigd in de Naripankerk, maar een half jaar later kon het nieuwe bedehuis in gebruik worden genomen. Dat geschiedde op 23 december 1920. De bouw had een maand of zes geduurd.
In "De Heraut" stond een zeer enthousiaste beschrijving van de plechtigheid. Dr. Bavinck hield een feestpreek over Psalm 125:2: Rondom Jerusalem zijn bergen, alzo is de Here rondom degenen, die Hem vrezen. Had hij geschikter tekst kunnen kiezen? Rondom Bandoeng waren immers, naar welke richting men ook keek, bergen. Dr. Bavinck preekte bij deze gelegenheid voor het eerst in toga en er werden enkele wijzigingen in de liturgie (blijvend) aangebracht, o.a. het opstaan tijdens de voorlezing van het apostolicum. De 24ste december was er een ontmoetingsavond van de gemeenteleden en de buitenleden. Vele van deze verstrooiden logeerden bij de broeders en zusters in de kota. Op eerste kerstdag was de kerk bijna vol (186 van de 200 plaatsen bezet). De bouwkosten hadden ƒ 37.000,-- bedragen. Toen de gemeente haar kerkgebouw in gebruik nam, telde zij 259 zielen. Zestien jaar later was dat aantal ruim 900 en toen was de kerk natuurlijk veel te klein. In 1938 is zij dan ook uitgebreid en gemoderniseerd, wat in het handboekje van de Geref. Kerken in Indië met één zin werd gememoreerd: Bandoeng zette de kerkmuren uit. In 1941 was het aantal leden boven de 1000!
In 1924 kon Dr. Bavinck een nieuwe pastorie naast de kerk bettrekken, maar al was dat allemaal prachtig, mooier nog was het getuigenis van Ds. H.A. Wiersinga te Medan in 1925:"Bandoeng is een ideale gemeente met uitnemende verhoudingen. De financiële moeilijkheden zijn op voortreffelijke wijze opgelost en enkele jaren daarvoor schreef Dr. Harrenstein al over 'het wonder Bandoeng' "

Gereformeerde Kerken, 140-142

[Semarang 3 – Gereformeerd] 

Gereformeerde Kerk Semarang.
De vogel was er in 1926, maar er moest nog een kooi komen. Nog altijd werden de samenkomsten gehouden in de Christelijke school. Verandering was broodnodig, vooral toen door de actuele prediking het aantal kerkgangers sterk toenam. Br. Laernoes schreef: ‘Er moest een kerk komen en die kwam er ook. Op de grens van het heuvelland en de benedenstad kochten we een heuvel, die we zouden pletten om er daarna een kerk met 250 zitplaatsen op te bouwen.’
Nu was net in die dagen Dr. H. Colijn op bezoek in Indië en hij bezocht als verstrooiden-deputaat alle kerken. Toen hij een weekend in Semarang was, werden hem de plannen voorgelegd en hij vond ze prachtig. En toen ontwikkelde zich het volgende gesprek:
‘Wat moet die kerk kosten en hoe groot is het bouwfonds?’
‘Er is 30 mille in het bouwfonds en de bouw zal ongeveer het dubbele kosten. Er zal dus nog een lening nodig zijn.’
‘Bouw die kerk; dat is keurig en bouw haar op de plaats, die u me gewezen hebt, maar ... bouw die kerk en betaal haar. Dat kunt u ook wel! U mag het nageslacht niet belasten met de aflossing van een lening. U moet niet vergeten, dat u leeft in een koloniale maatschappij en u weet niet, of uw nageslacht hier zal wonen. Daarom bouwen èn betalen!’
Merkwaardige woorden, gesproken in 1927!
’s Maandags was het kerkeraadsvergadering en Ds. Sillevis Smitt zei: ‘Broeders, ik heb wat zitten rekenen en het kan! Als we dit jaar elk een maand salaris extra geven voor de kerk, is ze betaald.’ Op de kerkeraadsvergadering kwam op deze wijze al een heel bedrag bijeen, schreef Laernoes, want er zaten een paar goed gesitueerde broeders in dit college. Op de gemeentevergadering werd unaniem het voorstel aangenomen ook door b.v. Javaanse onderwijzers, die maar f 75,- per maand hadden.
‘Dank zij het wijs advies van Dr. Colijn is nooit iemand een cent tekort gekomen aan de kerk van Semarang.’
Dr. Colijn kreeg ook hierin gelijk: het nageslacht van de gemeente van 1927 woont niet meer in Semarang, maar het kerkgebouw wordt thans veel intensiever gebruikt dan ooit voor de oorlog. Bij de bouw hebben we nooit enig geschil gehad, schreef Laernoes me. Eén anekdote herinnerde hij zich. Een broeder, nog gewend aan Nederlandse toestanden, vroeg op de gemeentevergadering een vaste plaats. Ds. Sillevis Smitt zei: ‘De kerkeraad zal er zeker geen bezwaar tegen hebben, dat broeder X. een vaste plaats krijgt, maar laten we meteen afspreken, dat hij de enige zal blijven.’
Br. X. heeft nooit meer over een vaste plaats gekikt.
Ik heb mededelingen van Br. Laernoes getoetst aan de notulen van de kerkeraad en mij is gebleken, dat hij een man is, in wie (althans in dit stuk) geen bedrog is. Alles klopte. Wel vond ik nog, dat oorspronkelijk een veel kleiner kerkje was geprojecteerd. Gelukkig is dit niet uitgevoerd. De gemeentevergadering van 13 jan. 1928 nam de plannen met algemene stemmen aan, ook de bouw van een pastorie op de heuvel. Ds. Sillevis Smitt schreef me nog, dat het plan van een maand salaris eigenlijk van Dr. Angenent afkomstig was. [...]
Bij het leggen van de eerste steen was een oorkonde ingemetseld, ondertekend door architect J.T. van Oyen, de aannemer Bang A. Hoe en de kerkeraadsleden Ds. J.H. Sillevis Smitt, G.M.A. Laernoes, J.H.G. van der Aa, Dr. W.J. Angenent, C. van Herk en B.J. Schuil. Ik kan niet nalaten de twee eerste alinea’s van dit document over te nemen:
‘In het jaar onzes Heeren negentienhonderd acht en twintig werd op den 31sten October de eerste steen gelegd van dit Huis des Gebeds ten dienste van de Gereformeerde Kerk van Semarang door den Weleerwaarde Heer Ds. J. Sillevis Smitt.
Onze zielen waren dat gedenkwaardig oogenblik geheven tot den Almachtige van hemel en aarde. [...]’

Gereformeerde Kerken, 270-271

[Surabaya 3 – Pastorie] 

Ds. Meynen deelde me mee, dat er nooit enige hinder van de Japanners was ondervonden bij de godsdienstoefeningen in de Pregollan Boenderkerk, tot Ds. Plomp en hij werden opgepakt. “Dat kwam misschien ook, doordat onze kerk er uitzag als een moskee!” Bovendien was aan de pastorie naast de kerk een groot plakkaat aangebracht met Japanse letters dat een soort onschendbaarheid inhield. Er was n.l. een paar huizen verder een Japans bordeel en dikwijls gebeurde het, dat de “chauffeurs” van de betjak de bezoekers afzetten voor de pastorie en dan moesten ze verder worden gedirigeerd (Ds. Meynen zegt niet: op de rechte weg geholpen) en dat gaf nog al eens moeite, want ze waren ook dikwijls aangeschoten. Toen ging Ds. M. “met alle mannenmoed, die ik nog had” naar een Japanse autoriteit en wonder boven wonder: er kwam een papier aan de muur, waaruit de soldaten konden opmaken, dat ze niet in de pastorie moesten wezen.

Gereformeerde Kerken, 277-278

[Bandung – Gereformeerde Kerk]

Na oktober 1945 kon het Tjiboenoetkerkje niet meer gebruikt worden, omdat Bandoeng in een zuidelijk republikeins en een noordelijk "geallieerd" deel werd gesplitst. De grens werd de spoorlijn. Het Tjiboenoetkerkje werd echter nog gebruikt door Christen-Bataks en Chinezen, die het beschermd hebben tegen aanslagen van Indonesische benden. De Pieterskerk (Prot.) stond wel in het noordelijk deel, maar zo dicht bij de demarcatielijn, dat het niet mogelijk was om er diensten te houden. Trouwens het was in heel Bandoeng niet veilig en daarom werden de godsdienstoefeningen in allerlei gebouwen gehouden: de Prot. Oosterkerk, het gebouw van de Christian Science, ziekenhuizen, evacuatiecentra e.d. Bandoeng was feitelijk een groot Rapwikamp.
In maart 1946 drongen de "geallieerden" de Republikeinen terug tot Dajeuhkolot en werd Bandoeng-zuid dus veroverd. Op Palmzondag kon de eerste dienst in de Pieterskerk worden gehouden en op Goede Vrijdag in de Geref. kerk.