[De Indische Courant, 1 Juni 1938 – artikel over Semarang]

Walraven – Modjokerto in de regen, 23

[Semarang 2 – Huize Genielaan] 

Het hotel, eigenlijk een groot pension, ligt in de Genielaan. Het bestaat uit ‘een groot huis’ van het bekende type, zooals er te Semarang nog vele zijn in de benedenstad, ook al beginnen zij, wat Bodjong betreft, te verdwijnen. Men verbouwt ze of ze worden geheel afgebroken en door nieuwe vervangen.

Walraven – Modjokerto in de regen, 23a

[Semarang 2 – Maison] 
[Semarang 2 – Bataafsche] 
[Semarang 2 – Gemeentekantoren] 

De B.P.M. en de Aniem hebben op Bodjong prachtige moderne kasteelen opgericht en ook in ander opzicht is Bodjong meer gemoderniseerd. Men weet, dat de oude rooilijn getrokken was naar het zaagpatroon. De perceelen liggen schuin op den weg, zij ‘geeren’. En koppig hield men vast aan een inwendig rechthoekig huis, met het gevolg, dat het huis buiten steeds een driehoekigen snipper gronds overliet, aan den zuidkant begrensd door het vooruitstekende stuk van het andere huis. Zoo werd de rooilijn een zaag, en zoo leek elk huis bewoond door iemand met een al te groote individualiteit en een gebrek aan gemeenschapsgevoel. Men gaat er nu langzaam aan toe over de ‘geer’ op te nemen in het gebouw zelf, zoodat de nieuwere winkels en kantoren van buiten prachtig aaneensluiten en er een geregeld huizenfront kan ontstaan met een regelmatig wandelpad erlangs. Voor een groot deel is dit reeds gelukt, voor een ander deel zal het binnenkort wel moeten gelukken. Tusschen al dit moderne fraais in blijven er nog altijd enkele van die oude huizen uit de dagen van Nicolaus Engelhard of Hartingh, toentertijd natuurlijk landhuizen en voor de begrippen van die dagen ver buiten de stad gelegen.

Walraven – Modjokerto in de regen, 23b

[Semarang 2 – Du Pavillon] 

Nog altijd is er een hotel op Bodjong met een voorerf als een exercitieveld, een hotel met een bovenverdieping en kolommen op de voorgalerij beneden, en als dat hotel verlicht is in den vooravond, maakt het den indruk van een gezellige kooi vol broedkanaries, waarin men een ongelooflijk aantal gasten kan wegstouwen.
In den Oosthoek hebben wij dergelijke huizen en erven niet. Wij zijn, of waren althans, de ‘newly-richs’ van Java, de snobs en parvenu’s, die niet konden raken aan de kalme aristocratie van het Midden en het Westen. In den Oosthoek zijn er minder kolommen – behalve dan de nagemaakte, die buiten elke proportie staan met de rest van het gebouw. Maar in Semarang en omstreken vindt men nog Dorische en Ionische zuilen, die volkomen au sérieux zijn te nemen. Antonius zou tusschen die zuilen met succes zijn rede kunnen houden bij de lijkbaar van Caesar, en vele van deze zuilen zijn dan ook gebouwd in de dagen, toen er een nieuwen Caesar in Europa en zelfs een geruimen tijd over Indië regeerde.

Walraven – Modjokerto in de regen, 25-26

[Semarang 3 – Rede] 

Dan is er de reede, fameus en fataal. Mooi is zij bij hoog water, en ook het kanaal, met de Boegineesche en Madoereesche zeilschepen is prachtig in het licht van den vroegen ochtend. Maar ver weg, liggen de groote vrachtbooten en nooit zullen zij meeren aan Semarang’s eigenlijke kust, nooit rechtstreeks lossen of laden in of uit een goedang aan een echte kade. Heel ver weg daagt de sleepboot en trekt achter zich aan twee of drie plompe laadprauwen, op weg naar de stad, over een spiegelgladde zee, die tot op een kilometer ver aardkleurig is en dan plotseling groen wordt. Daar begint pas het diepe, en daar ligt de tragiek van Semarang in den modernen tijd.

Walraven – Modjokerto in de regen, 25a

[Semarang – Landgerechtgebouw] 

Midden-Java is beslist antieker, ja eerbiedwaardiger dan Oost-Java, ook al is het bij ons ruimer en lichter, ook al zijn wij praktischer, en ook al schijnen wij het te Soerabaia veel drukker te hebben. In het hotel in de Genielaan hangt een kristallen lichtkroon in de eetzaal, die men op geen vendutie in den Oosthoek zal vinden, omdat de Oosthoek geen patriciërshuizen heeft gekend, waar zulke kronen in vroeger jaren de kaarsen of de patentolie hebben gereflecteerd. Ook meubels van oud model en banken met snijwerk zijn veelvuldiger in Semarang dan bij ons, en het Landgerecht aldaar is gehuisvest in een gebouw, dat vermoedelijk dateert van lang vóór de kolommenperiode. Dat gebouw is namelijk opgetrokken in denzelfden stijl als de huizen op Vermeer’s ‘Straatje’, behalve dan dat de ramen en bovenlichten, en ook sommige paneelen van binnen rijk zijn versierd met snijwerk, dat men zelfs in Oud-Holland zoo niet aantrof. Het gehele Landgerechtgebouw lijkt mij een kostbaar reliquie uit de Compagniestijd en ik hoop van harte, dat men het op een of andere wijze tot historisch monument heeft verklaard om het voor vernieling te behoeden.

Walraven – Modjokerto in de regen, 25b

[Semarang – Koepelkerk]

Veel kans op afbraak bestaat er natuurlijk niet, want heel veel driftig en robust leven is er te Semarang nooit geweest en is er ook op dit oogenblik nog niet. Sla eens een blik in de nauwe straatjes van de kantoorwijk. Zie eens het gemoedelijke oud-vaderlandsche ijzeren hekje voor het bureau van ‘De Locomotief’. Zie eens het Oud-Mannenhuis en Hotel Jansen. Neem eens even een kijkje in de koepelkerk met haar blufferig orgel, haar stemmigen preekstoel en haar ouden, vriendelijken koster, staande tusschen de stapels kerkboeken in het portaal. Al die antiquiteiten, zullen nog wel jaren blijven staan, want waarom zouden ze worden afgebroken, en zelfs het afbreken kost geld. Oude pakhuizen uit den Compagniestijd, van precies hetzelfde model en dezelfde structuur als die aan de Werfstraat te Batavia, staan hier verlaten midden op een grasveld, en de pisangboomen groeien rustig vlak voor de gekoolteerde en door weer en wind gehavende deuren en luiken. Roode plavuizen dekken hier de vloeren, en advocaten en andere deftige mensen houden soms kantoor in antieke bouwwerken, waar men bij regen niet zonder paraplu aan de schrijftafel kan zitten. De aloon-aloon is ontsierd door een openluchtkermis en een soort van avondpasser en ook de werkelijke passer, die ik zag, ziet er woest en onbeschaafd uit en stinkt naar visch en klapperolie en strootjes. Maar het geheel is schilderachtig voor hem, die het niet te dikwijls behoeft te zien, en ik geloof, dat de geschiedenis van dit alles waard zou zijn om beschreven te worden,

Walraven – Modjokerto in de regen, 26-27

[Semarang 2 – Smabers] 

In den avond op Bodjong is het zeer gemoedelijk. In de dagen van Olim zaten wij hier op het terras van Smabers, maar Smabers is gesloten en men is bezig, met inachtneming van de nieuwe rooilijn, op die plaats een toko te bouwen. Smabers was een klein, maar goed hotel, waar men heerlijk kon eten en voorkomend werd bediend, een vijftien jaar geleden. Maar toentertijd waren er nog geen inrichtingen van het Hoen-Kwee-type en daaraan blijkt Semarang nu zeer rijk. En waarom ook niet? Overal zijn tamelijk groote zaken verrezen uit de oude cavaljes van voorheen, en al die zaken zijn schitterend verlicht, en zij hebben leeren begrijpen, wat het Europeesche boulevardcafé ongeveer is. Er is nu goedkoop bier in Indië – goedkoop bij vroeger vergeleken! – en een groot deel van het publiek consumeert ijverig ijscream in alle variaties, en koolzuurhoudende limonades in velerlei soorten en kleuren. In deze dagen is het gewoon geworden, dat ook de dames vóór twaalven ergens binnenwippen en zich één of meer consumpties veroorloven, na een vermoeiende tocht naar de passer en toko. Met dit alles heeft ook Semarang rekening gehouden, speciaal de Chineesche groep van den handeldrijvenden middenstand en het resultaat is, dat wellicht ieder een sober bestaan voert, terwijl vroeger Smabers een royaal profijt trok, maar dan ook niet angstvallig behoefde na te denken alvorens een extra sorbet of een speciale hors d’oeuvre op het menu te schrijven. Welk een veranderingen hebben de tijden ook hier gebracht. Voorheen was het Hotel Jansen, of Smabers, of, voor de ruime beurzen, Hotel du Pavillon. En als men nu beslist eens iets anders wilde, dan ging men naar Djiran. Dat was nota bene een Javaan, die de Europeesche keuken verstond, en in wiens kluis men werd bediend door twee dwergen. Ook Djiran zal wel te gronde zijn gegaan, omdat een Inlander gewoonlijk vergeet, dat het oog van den meester het paard vet maakt. Evenals men te Pasoeroean wel kan eten bij Wirio, maar de heer Wirio is nooit persoonlijk aanwezig. Slechts zijn gedelegeerde krijgt men te aanschouwen, als men geluk heeft.
Temidden van deze Bodjongsche gemoedelijkheid zitten dus hier en daar de menschen op het terrasje of zelfs op het trottoir tegen de huizen gedrukt en genieten van het Semarangsche leven, dat langs hen heentrekt in den avond. Men kent elkander en men is gul met groeten en verheugde uitroepen over en weer. Groote taxi’s, lange Studebakers en andere eens beroemde merken, zwerven langs deze late kampvuren op zoek naar prooi. Meestal werkt de starter niet en wordt het geval in beweging gebracht door de bereidwillige omstanders onder ajo-geroep. Ik zei u immers, dat het gemoedelijk is op Bodjong? Er is merkwaardig weinig ‘gemaszregel’ van verkeerspolitie en er heerscht dan ook wel eenige anarchie op dit punt. Doch Bodjong is breed en het is nog altijd niet half zoo druk als Toendjoengan of Simpang.

Walraven – Modjokerto in de regen, 27

[Semarang 2 – Huize Genielaan] 

Ik begon met het hotel in de Genielaan en ik eindig ermee. Het ‘zat’ vol met vaste logé’s. Het achtererf was een groot vierkant, geheel omringd door kamers, telkens door een muurtje gescheiden, als de boxes in een renstal. En alles was present. De meneer van de wetenschappelijke richting met woordenboeken op zijn schrijftafel. De dame met het gehaakte kleedje. De familie met twee of drie kinderen, die twee kamers heeft, en waarvan de kinderen ’s avonds overluid hun lessen leeren. De Hollandsche mevrouwen, die elkaars gezelschap zoeken, een kinderwagen tusschen haar in, converseerende over het Indische leven, waaraan zij nog maar altijd niet gewend kunnen raken. En zoo leeft dat hier. In de kamer, die mij werd toegewezen, hing een plakkaat, waarop stond vermeld, dat het geheel te huur was, inclusief pension, voor f 55,-- per maand. Het bed was te kort, althans voor mij, maar overigens stonden er zoveel meubels in en die meubels hadden zulk een vervaarlijken omvang, dat er beleid voor noodig was daar doorheen te laveren zonder zich te stooten. Het plakkaat vermeldde overigens nog heel wat meer. Het was een soort van Scherpe Resolutie, en het vermeldde wat mocht, maar vooral wat niet mocht. En verder somde het verschillende zaken op, waarvoor, in de taal van den opsteller, ‘diende te worden betaald’. Het was bijna ambtelijk kil en zakelijk, maar het kostte dan ook maar weinig. Toch was mijn eerste ingeving, na lezing van dat plakkaat, mijn biezen te pakken, en slechts de gedachte, dat het voor één nacht was, deed me blijven. Overigens was de Genielaan hoogst gemoedelijk, net als Bodjong. Men zocht hier de gezelligheid op de voorgalerij en de technische bridgetermen waren soms niet van de lucht, in letterlijken zin.
Semarang heeft mij, als altijd, getroffen, en ik kom nog eens weer, maar dan een paar dagen langer.