Adinda – Vrouwen lief en leed, 187-188

[Surabaya – Stadstuin]

Wat ik nog erger dan die middagwandelingen vind, is het gaan naar den stadstuin, een klein plekje gronds, in ’t midden der stad gelegen, waar het meestal propvol is, vooral met kinderen en baboes. Zondags 's middags is er muziek; dan gaat oud en jong er heen. Mevrouw Verduijn, die er bizonder op gesteld is, dat nonnie met andere kinderen in aanraking komt, wil altijd dat ik met haar daarheen ga, en dan loopen wij er een uurtje tusschen al die menschen te drentelen. Daar het Europeesche publiek hier niet talrijk is, wordt ieder nieuw gezicht opgemerkt en zoo ontsnapte ook ik niet aan de algemeene attentie.
Verder geneert men zich er niet voor hardop zijn op- en aanmerkingen te maken en zoo hoorde ik laatst eene dame tot de andere zeggen: 'Kijk, dat is nu de juffrouw, die bij de Verduijns is gekomen, een net meisje, hè?' waarop de andere nog iets luider antwoordde: ‘Ja, maar wat een toilet, net eene dame:'
O! je weet niet, Marie, hoe zulke gezegden hinderen en hoe men ze onwillekeurig onthoudt!
Ik ben soms boos op mij zelve, omdat ik mij door al die nietigheden laat influenceeren en ik heb mij voorgenomen, mij er ernstig tegen te verzetten. Wat ik vroeger voor fijn gevoel hield, zal ik nu maar ziekelijke overgevoeligheid noemen en mijn best doen er mij maar over heen te zetten.
In de Indische maatschappij vooral kan men er niet anders dan last van hebben; il faut burler avec des loups en in deze cynische wereld, dient men zelf ook wel cynisch te worden!
Doch neen, dat behoeft ook eigenlijk niet, of juister, op die manier verlaagt men zich en verstikt men het betere in zijn natuur. Liever maar een weinig lijden door te veel gevoel, dan ontaarden door te weinig. Vind-je ook niet?

Adinda – Vrouwen lief en leed, 188

[Surabaya 3 – Brantas] 

Van Soerabaia, als stad, kan ik je niet veel vertellen; over het algemeen worden zelfs de fraaiste buurten bedorven door de kampongs der Inlanders, die overal tusschen zijn gebouwd, zoodat men tegenover een rij mooie villa's de vuile krotten der Javanen ziet. Men heeft echter prachtige watergezichten, daar er zijtakken van de Solo-rivier door de stad heenstroomen, en de met palmen en pisangboomen begroeide oevers, waartusschen het breede water stroomt, leveren een heerlijk staaltje op van den weelderigen tropischen plantengroei, terwijl het eigenaardige van dit schouwspel nog verhoogd wordt door de prauwen, die op de rivier varen.

Adinda – Vrouwen lief en leed, 188-189

[Surabaya – HVA]

Eigenaardig zijn ook de Chineesche en Arabische wijken, waar het echter volgens onze schoonheidsbegrippen wel wat vuil is. Het Chineesche element is hier sterk vertegenwoordigd en men treft de gestaarte broeders in alle standen aan, van den armsten koelie tot den millionair. Vooral onder de suikerplanters treft men de laatsten aan, daar de meeste suikerfabrieken in den Oosthoek in handen der zonen van 't Hemelsche Rijk zijn. Men ziet dan ook geen groot huis, geen fraai span paarden of elegant rijtuig, of men kan er zeker van wezen dat een Chinees de eigenaar er van is. Zij hebben zelfs eenige huizen hier, die ware paleizen zijn. Wat mij tegenviel in 't begin, was dat de Mongolen hier hun nationale kleeding verzaakt hebben en dat zij gewone pakjes dragen, ik zou hen veel liever in de schilderachtige dracht van hun land zien. De vrouwen dragen die nog wel, doch men ziet ze zelden of nooit, slechts nu en dan bij eene goochelvoorstelling of eene dergelijke publieke vermakelijkheid, en dan nog slechts getrouwde, want de ongehuwde vrouwen gaan nooit uit. Die voorstellingen zijn echter niet veel bizonders hier en, daar het in de comedie-zaal, waar ze meestal gegeven worden, erg warm is, is ’t genot niet bijster groot.
Ik ben een paar keer met mevrouw Verduijn en de jongens daarheen geweest, doch gewoonlijk vraagt zij mij om bij nonnie thuis te blijven en gaat zij met haar man en hare zoons. Dat zijn mijn rustigste avonden en daarvan heb ik dan ook gebruik gemaakt, om je dit lange epistel te schrijven. Misschien wel wat al te lang naar je zin, doch vergeef mij, het is zoo prettig zijn hart eens uit te storten. En dan nog eene verontschuldiging: je hebt je in een zwak oogenblik eens laten ontvallen, dat alles mij betreffende je interesseert en dat mijn brieven je nooit vervelen.
Alzoo – en veux-tu en voilà.
En nu eindig ik werkelijk met veel liefs voor je waarde ouders en een kus voor je zelf
steeds
Je je liefhebbende
Augusta