Van der Hoogte – Huis in de nacht, 15-16

[Jakarta 7 – Grootste plein] 

Om het instantiehuis te bereiken moest hij nu langs twee zijden van het Koningsplein. Hij miste op het moment elk initiatief, zelfs dat om een betjak te nemen. Hij had zich het Koningsplein altijd als een voornaam plantsoen voorgesteld, met een weelde van tropische gewassen, fonteinen en een standbeeld van Coen of Willem de Eerste. In plaats daarvan slungelde hij langs een dorre grasvlakte, zes keer zo groot als het Malieveld in Den Haag en tien keer zo kaal. Er stonden een bioscoop, een politiebureau, een stationnetje en een Niwinbarak op. Op een afgeschoten stuk stonden de witte ramen van goalpalen eenzaam te gapen.
Het voetpad onder de bomen was smerig en rommelig. Op de grote weg daverde het van legerauto’s, de lucht werd verstikt door benzinedamp en heel Batavia leek één reusachtig wagenpark. Overal zwierven soldaten rond, Hollanders, Brits-Indiërs met baarden en Australiërs met breedgerande hoeden. De burgers zagen er net zo uit als hijzelf, in vale, slechtzittende khakipakken, met witte knieën en transpirerende koppen. Zij hadden allemaal iets gejaagds en zagen er uit alsof ze zojuist ontdekt hadden, dat ze hun geld en paspoort verloren hadden. Misschien was dat ook wel zo. De vrouwen maakten een rustiger indruk, maar de meesten schenen in het grauwe khaki haar sexe verloren te hebben. Soms gleed door het grauwe verkeer een Amerikaanse slee, met achter de ruiten een glimp van een hoornen bril en een smetteloos nylonhemd.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 18

[Jakarta 7 – Pedjambon] 

Eens slenterde Justus in de buurt van het koningsplein achter de Willemskerk. Hij was alleen en plotseling dacht hij: Zo was Indië vroeger. Het was een kleine straat en er stonden drie of vier huizen, die er als door een wonderlijk toeval goed verzorgd uitzagen: witgekalkt en met een schoon erf. Het was er bladstil. Geen bedelaars met wonden die stonken als duizend doden, geen gehaaste grauwe mensen, geen benzinelucht, geen tanks. Alleen een stukje straat in gloeiend zonlicht, een verrukkelijke geur van de vlammend rode bloemen, en verderop een rustiek bruggetje. In de galerij van één van de huizen zat een papegaai op een stok, en dat was het enige levende wezen. Nee toch niet. Daar liep een djongos. Zowaar, hij droeg een hoofddoek en onder zijn onberispelijk jasje toetoep had hij een sarong van blauw en roestbruin. Justus zag dat hij al een oude man was met grijs haar; hij was heel waardig, met een ernstig, vriendelijk gezicht.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 19

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Met zijn reisopdracht moest Justus twintig bureau's af voordat de zaak in orde was. Hij holde twee dagen lang nerveus en zwetend door Batavia en het was een wonder, dat hij geen dubbele pneumonie opliep, want het ene ogenblik zat hij in een hitte van bijna honderd graden, om het volgende ogenblik de ijzige kou van een waanzinnig geworden fan op zijn body te voelen. De laatste avond fuifde hij zijn vier afgunstige kameraden op een biertje in Des Indes. Dat was de goedkoopste drank, dachten ze, maar het was de duurste en ze betaalden er f 6,50 per fles voor. De zeeofficieren in hun witte uniformen en de gesoigneerde handelsmensen met hun dames in avondtoilet keken een beetje vies naar de slonzige khakipakken, de blote benen en de grove legerlaarzen, maar het troepje kortverbanders trok gezichten als pioniers. Ze beloofden elkaar te schrijven en ze voelden zich broeders.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 56-57

[Surabaya 4 – Katholieke kerk] 

Hij herinnerde zich hoe hij naast haar geknield had in de kerk aan de Coenboulevard in Soerabaja. Zij hield van zulke dingen en zij prevelde gebeden met de ogen opgeslagen naar het wit-met-gouden Mariabeeld. Ook hij hield de handen gevouwen, maar de enige die hij aanbad was zij. En hij herinnerde zich zijn triomf dat hij haar toch gewonnen had. Want een vrouw moet kiezen tussen een man en God. Het liefst kiest zij de eerste, en laat het aan haar ontgoochelde zusters over om het met de laatste te doen. God en ik hebben om haar gestreden, dacht Markus trots, en ik won het! Maar ineens zag hij weer het geraamte dat koud en strak op het ziekenhuisbed lag. Voor haar was de bevrijding te laat gekomen. Soka Renana, dacht hij. Zo noemde ik de fabriek in de tijd dat het leven een feest voor me was. Een feest van arbeid en een feest van de zinnen. Het is voorbij, nu wil ik ook sterven, hier op deze grond. Een kogel in de nacht zal ook mij bevrijden. Hij wenste dat die kogel gauw zou komen, want de gedachte aan haar, zoals zij daar op het ziekenhuisbed had gelegen, deed hem zeer als een lijfelijke wonde. En, altijd in zijn mistroostigheid, dacht hij: Ben ik wel goed voor haar geweest? En dan herinnerde hij zich de keren dat hij zo driftig was geweest, en de andere keren van zijn onverschilligheid. Hij herinnerde zich haar verschrikte blik, als een gekweld dier, en hij dacht: Ik was rot voor haar; ik was een slechte kerel. Maar ik kon toch ook niet weten dat zij als een geraamte op dat ziekenhuisbed zou liggen? Maar dat doet er niet toe, ik was rot voor haar. Ik heb tegen haar gevloekt en getierd. Niet vaak, misschien drie of vier keer in al die jaren ... Nee, wel vijf of zes keer. Wel vijf of zes keer ... Dat is ook nog niet veel maar het is vijf of zes keer te veel. Ja, ik was rot voor haar ... God, vergeef me.
God, vergeef me. Dat was wellicht het eerste werkelijke gebed, dat hij ooit gebeden had, en morgen zou hij het vergeten zijn, maar nu kwam het uit de grond van zijn doffe ziel.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 63-64

[Surabaya – Officier van Justitie] 

Het bleef tot het laatste ogenblik onzeker of hij geplaatst zou worden bij de Immigratiedienst in Batavia of bij de rechterlijke macht. Hij werd ambtenaar van het O.M. in Soerabaja en kwam met drie lotgenoten in een mess te wonen. Hij wist niets van de rechtspraktijk, niets van de gewoonten van het land en hij verstond geen drie woorden Maleis. Romkes belastte hem met de afdeling ‘Economische Delicten’, wat zeggen wilde dat hij de hele dag moest harrewarren met alle Chinezen en Arabieren van Soerabaja. Hij stapelde blunder op blunder en zweette water en bloed. Hij werd gehandhaafd omdat er niemand was die het er beter zou afbrengen. Het zou verkeerd zijn om te concluderen dat Caspar Duwaer een stommeling was. Hij was redelijk pienter en hij was een fatsoenlijke kerel. Maar hij kende zijn vak niet om de doodeenvoudige reden dat hij het nooit geleerd had. De theorie van de collegebanken was iets heel anders dan de praktijk van de Pasar Besar. Hij was echter ijverig en van goeden wille en werkte dag en nacht. In de meest letterlijke zin, want ’s avonds om elf uur kwam Romkes, die een slavendrijver was, de straat waar de mess stond doorwandelen om te zien of zijn vier substituten nog aan het werk waren. En wee hen wanneer zij al onder hun kelamboe lagen. Ik zei dat Romkes een slavendrijver was, en daar is geen woord te veel mee gezegd. Maar ook was hij de bekwaamste Officier van Justitie van heel het na-oorlogse Indonesië. Als zijn substituten wellicht achttien uur per etmaal werkten, dan deed hij het vier en twintig uur. Hij zorgde, vrijwel alleen, dat er orde kwam in de ontzaglijke chaos die er in Soerabaja heerste. Dat je overal door de stad kon lopen zonder beroofd of gemolesteerd te worden was in hoofdzaak zijn werk. Hij was een beul voor zijn ondergeschikten, maar hij was een man die Indië liefhad.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 68-71

[Subaya 2 – Hellendoorn] 

De ander doopte een kwastje in een klein flesje met rode vloeistof en begon de nagel van haar linkerpink te verven. Ze zei: ‘Lies Corvelijn is naar Soerabaja ... ze is caissière bij Hellendoorn geworden en ze gaat elke avond dansen ... ze zei dat ze voor mij misschien ook een baan weet ...’
‘Ach, Soerabaja’, zei haar zuster verachtelijk, ‘is toch ook maar een Indische stad. Ik wil naar Parijs.’
‘Dan moet je eerst zorgen, dat je Franse uitspraak beter wordt.’
‘Mijn uitspraak is heel goed. Paps zegt het zelf.’
‘Paps’, zei het manicurende meisje laatdunkend.
In het achterhuis was hun moeder een schelle twist begonnen met Djoeriah. Het ging over de wijze van behandelen van het strijkgoed.
De Madoerees hield nog steeds hield nog steeds het beeldje in de lucht en grijnsde aanmoedigend. Bagoes ...” De meisjes letten niet op hem. De ene was met lakken aan haar middelvinger toe en de andere sloeg de benen over elkaar en vervolgde half luid haar lesje: ‘Noes aafon uun pluum...’
De twist in het achterhuis ebde weg en de moeder kwam binnen. Haar haren waren grijs en slordig, ze droeg een vormloze japon en haar stakerige, grauwe benen zaten vol spataderen. ‘Wat zitten jullie te luiwammesen’, schreeuwde ze op dezelfde kijvende toon als tegen Djoeriah. Ze keek vol vertedering naar haar beide dochters.
‘Elvire kan een baan in Soer5abaja krijgen, Mams’.
‘Niets geen gesoerabaja’, keef de moeder. ‘Het is hier op het eiland veel beter’,
‘Veel saaier bedoelt u’, zei het meisje, dat nu haar duim lakte.
‘Soerabaja is een slechte stad’.
‘Dat zegt u nu, maar u hebt er als jong meisje gewoond en u ging ook vaak uit’.
‘Daarom weet ik dat het een slechte stad is’.
Elvire begon te lachen. ‘Die Mams’, zei ze laconiek. Ze begon de nagels van haar rechterhand te lakken. ‘Ik zou bij tante Daisy kunnen gaan wonen’, vervolgde ze kalm en onverzettelijk.
‘Tante Daisy ziet jou komen’, schreeuwde Mams ongerust. ‘Jij blijft hier’.
‘Zeker m’n leven lang in de toko van An Sie Fong’.
‘An Sie Fong is een keurige man en je verdient er goed’.
‘Als Elvire naar Soerabaja gaat ga ik naar Europa’, zei het meisje in de rolstoel. Ze keek weer naar de suikeren premieplaat. ‘Wij zijn toch van adel, hè Mams?’.
‘Ach wat’, zei Elvire. ‘Jij altijd met je adel, Eugenie’. ‘Het is wel waar. Onze grootvader was een Franse baron’.
‘Hij was koloniaal’, zei Elvire nuchter, ‘en later politieagent in Soerabaya’.
‘En toch was hij van adel’, zei het meisje koppig.
Elvire lachte weer. Ze hield de vingers wijdgespreid; het leek wel of ze haar nagels met bloed besmeerd had. Op geaffecteerde toon zei ze: ‘ “Mag ik de dames en heren verzoeken een weinig achteruit te gaan?” Ha, ha, ha! Dat zei die grootvader van ons toen de inlanders te ver opdrongen bij het bezoek van de G.G. Om te gieren, zeg’.
‘Een bewijs dat hij een edelman was’, zei het andere meisje nuffig. De Madoerees stond nog steeds met zijn beeldje voor het bordes. ‘Bagoes ... doea poeloe lima ...bolé tawar’.
‘Tida’, schreeuwde Mams. ‘Mboenten’, schreeuwde zij er achter aan. Dat was één van de zes Madoerese woorden, die ze kende. De Madoerees bleef staan en herhaalde blijmoedig: ‘Bolé tawar’.
‘Europa, ik wil naar Europa’, zei Eugenie.
‘Ach jij, Eugenie’, zei Mams, voor haar doen goedmoedig. Europa was immers zo veel verder weg dan het dreigende Soerabaja. ‘Weet je, het is daar altijd koud ... altijd sneeuw en ijs, ja’.
‘Hier word je voor je tijd oud en vaal’, zei Eugenie pruilend, ‘hier in dit rotklimaat’. Ze gooide haar Franse boekje naast zich op de tegelvloer. ‘en er zijn alleen maar Indische jongens’.
‘Wat heb jij toch altijd tegen ons Indische mensen?’ schreeuwde Mams driftig, ‘je bent zelf een Indische, hoor’.
Elvire zei nadenkend: ‘Er zijn ook wel Hollandse jongens’. ’Pff’, blies Eugenie en wierp het donker gelokte hoofd achterover, ‘gewone soldaten, ja. De anderenkijken ons niet aan. ‘Tenminste ...’ Er scheen haar iets te binnen te schieten; ze zweeg even, aarzelde en wierp een zijdelingse blik op Mams. In Europa zijn we exotisch’, besloot ze effen.
‘De oosterse prinses’, hoonde Elvire.

Van der Hoogte – Huis in de nacht, 144-145

[Surabaya 3 – Soerabaja] 
[Surabaya 4 – Coenboulevard] 

Een zonderlinge gedachte kwam in hem op. Hij dacht: Ik ga naar Soerabaja en probeer het huis van mijn vader terug te krijgen. Zijn vader was al lang dood en het huis waar Marcus geboren was en als kind gewoond had, had hij in jaren niet gezien. Zelfs toen hij uit het kamp kwam en in Soerabaja rondzwierf was hij er niet eens een keer langs gelopen om te zien wat er in de Jappentijd van geworden was. Maar nu ineens zag hij het overduidelijk voor zich: het kleine, Indische huis in één van de Embongs, tussen de Palmenlaan en Kaliasin. Hij zag de bougainvilles op het miniatuurerfje en zelfs zag hij de scheur in de muur opzij van het raam. Het was Marcus of hij weer op blote voeten liep, in korte broek, of hij mangga’s was wezen plukken in de tuin van de commissaris, die een vriend van zijn vader was en of hij thuiskwam, opgewonden en verhit en toch gelukkig. de vogels in de onvermijdelijke volière krijsten en hij rook de pangsit goreng, die Ma Niah, hun Chinese kokki, aan het bakken was. Zijn vader zat in de schommelstoel en las de krant. Hij had een snor, een toetoepjas en een echt gouden horlogeketting. Hij was een hooghartige man en op zijn manier een grand seigneur. In sommige opzichten was hij een oudtestamentische figuur. Hij had vier zonen willen hebben en ze Marcus, Mattheus, Lucas en Johannes willen noemen. Toen hij er maar twee kreeg, Marcus en Mattheus, en de reeks dus niet voortgezet werd, had hij dit als een soort contractbreuk van de zijde van God gezien. In het vervolg, wanneer hij langs de kerk op de Coenboulevard kwam, lichtte hij zijn tropenhelm met een koel gebaar. Hij was ambtenaar bij de spoorwegen, en in zijn manier van doen was iets dat je zou doen geloven dat die spoorwegen zijn persoonlijk eigendom waren. Hij was overheersend en dacht altijd gelijk te hebben. In de grond van de zaak was hij een onbetekenende praatjesmaker, die het leven van zijn vrouw, zoal niet vergalde, dan toch tot aan haar vroege dood toe heel weinig opvrolijkte. Daarom had Marcus niet veel met hem op gehad en was zijn vader soms geheel uit zijn herinnering verdwenen. Maar nu zag hij hem plotseling duidelijk voor zich, en ook het oude huis in de Embongs en in een heimwee naar het verleden dacht hij: Ik ga er naar toe en probeer het terug te krijgen. Toen dacht hij: het is immers onmogelijk. Het verlangen vervluchtigde en liet alleen een wee gevoel achter.