Mahieu – Verzameld werk, 12-13

[Jakarta 6 – Modelslagerij] 

Uit: Het vriendje van de rups
Naast ons huis was een slagerij en 's middags als mijn ouders sliepen loerde ik door spleten in de bamboe pagger naar het Blauwbaardsprookje van mannen die koeien omverwierpen en de keel doorsneden in fonteinen van bloed. Het kon niet verkeerd zijn want vlees eten was gezond en het kennen van vleessoorten en de verfijnde bereiding ervan getuigde van beschaafdheid. De eerste nieuwe grote vriend in mijn cocon was dus Mijnheer de Dood. Hij leefde ook in de opgezwollen krengen van verdronken dieren, die in de kali bij ons huis voorbij dreven. In de kudden dodelijk vermoeid en triest loeiend vee, die langs ons huis gedreven werden op weg van de haven naar de enorme modelslagerij van Jenne. Ja, het was een vreemde, bizarre vriend, Mijnheer de Dood.
Een andere vriend was Mijnheer Ziekte. Deze nogal onhygiënische wijk was eigenlijk zijn domein. Hij kwam bij ons in de gedaanten van doodgewone puisten en buikziekten, in schurft en malaria en allerlei halve, kwijnende kwaaltjes. Ook in de vorm van doorlopende verwondingen en zweren omdat wij altijd blootsvoets liepen. En van builen, schrammen, ontvellingen of soms vrij ernstige breuken en snijwonden in regelmatige ongelukken en gevechten.

Mahieu – Verzameld werk, 51

[Jakarta 6 – Kouwe hoek] 

Uit: Didi
Een jaar later liep Didi tegen haar noodlot op. Ted Olivier. Een wilde handelaar, schaamteloze oplichter en roekeloze ruziemaker. Ted schuimde alle markten af, bedroog Chinezen, bestal arme kampongbewoners en argeloze Hollanders, smeet zijn geld net zo hard weg als hij het verdiende en leefde overal en nergens. Didi trok schaamteloos met hem mee; haar man nam ontslag, liet zich van haar scheiden en vluchtte terug naar Holland, maar Ted trouwde Didi niet. Al liet Didi hem niet los. Hij ranselde haar vaak en ik durfde hem niet aan. Ted was een soort tijger. Je kon hem alleen op een afstand neerschieten, niet met hem vechten. Hij zou je onderlijf stuktrappen, je de ogen uitsteken en veel meer. Bovendien zou het toch niet helpen. Ik zou Didi verloren hebben als ik Ted wat had durven doen. Het ongelooflijke gebeurde ook: Didi werd zwanger van hem. Hij trouwde haar niet. Op een dag was hij weg. Nooit heeft iemand hem meer teruggezien. Didi wachtte drie jaar op hem. Als ik haar op de hoek van Pasar Baroe zag staan met die kleine Teddy van haar, kijkend en wachtend, was ik ziek van ellende. Ze werd ook gauw lelijk. Ze trouwde nog net op tijd en het leek of het wilde water toch nog wel vredig en trouw zou worden. Toen kwam de oorlog. Ze kwam haar krijgsgevangen echtgenoot, een zielige jammeraar, steeds weer eten brengen aan de kawat. Ze bleef komen toen alle andere vrouwen het uit lijfsbehoud al niet meer deden. Een Jappensergeant raakte, toen ze weer eens betrapt was, zo uitzinnig van drift, dat hij op haar los ranselde met zijn laars tot ze neerviel. Ze kwam niet meer bij en stierf aan een verbloeding in de hersenen.
Ik had zo'n einde wel verwacht. Het stond immers in de lijnen van haar hand? Ook in het algemene bestel klopt het zo: wie slecht leeft, komt slecht aan z'n eind. Haar leven zij hiermee aan alle verstandige ouders en jonge dochteren ten voorbeeld gesteld.

Mahieu – Verzameld werk, 126-127

[Jakarta 4 – Batu Tulis] 

Zonder dat ik wist wat ik deed was ik links afgeslagen, het rustieke Batoetoelis met de oude asembomen af, naar Petjenongan toe en dan naar Krekot en Pintoe Besi de weg op naar de zee, Priok. Toen ik het me realiseerde, schaamde ik me opeens. Ah, dat deden alle jongelui met een eigen motorfiets of auto: 's nachts een meisje meenemen naar het stille strand. Iedereen wist het. Als ze het ook wist, waarom zei ze dan niets? Vond ze het logisch dat ik als boewaja het ook deed? Maar ik was het niet, goddomme! Of ik moest het nog worden? Waarom? Waarom niet? ‘Zit je goed?’ ‘Ja.’ ‘Koud?’ ‘Een beetje.’ Kassian. Mijn jas was tenminste nog warm. Maar zij in haar dunne jurkje? ‘Ik had er eerder aan moeten denken. Maar wat doen we ook hier! We moeten naar huis.’ ‘Ben je gek. Voor het eerst ga ik eens met maanlicht naar Priok. Zo'n kans!’ Ze is volmaakt onschuldig. ‘Weet je wel dat het niet bepaald netjes is, of op zijn minst onverstandig, om met de eerste de beste vent 's nachts naar Priok te gaan? Weet je met wie je meegaat?’ ‘Met jou. Ik weet wel wat ik doe.’ Ik zei maar niets. Er kwam een auto van Priok met een rotvaart. Koplampen vol aan. Midden op de weg. Zonder te dimmen. Ploert. Ik schakelde mijn koplamp ook aan. Reed zoveel mogelijk tegen het midden van de weg. Gaf meer vaart. En meer. En meer. Buigen of barsten. Ik kon geen flèr zien in dat helle licht, maar ik gaf geen krimp. Het ouwe spelletje. Wie het eerst bang wordt. Hij werd niet bang. Toen ik hem op een haarbreed passeerde, zag ik in een flits van een miljoenste seconde de brugleuning links van mij. Haar schoenpuntje moet er geen millimeter vandaan geweest zijn. Het was ineens weer roetdonker en ik minderde zo snel vaart dat ze tegen mij op schoof. Ik hoorde haar verrukte lachje bij mijn oor en ik moest mijn tanden op elkaar bijten en mijn stuur vastknijpen als een bezetene om de rillingen van afschuw te bezweren, die in golven in me opkwamen. Het lukte, maar alles deed pijn. Ah, als ze geweten had hoe ik haar bijna vermoord had. Aaah, die bekoorlijke voet in de brugleuning, de ruk, de verbrijzeling van alles wat mooi en teder was. Het licht van mijn koplamp was fluorescerend groen, de bomen aan de weg rood-infrarood tegen een nachtlucht van indigo. Ik leefde in een kramp.

Mahieu – Verzameld werk, 132

[Jakarta 6 – Gang Horning] 

Uit: Gaga
Ken je Gaga? En oma Poet en oma Kobboy? Ken je Tojip Sinting en Tettet? En Sauer Saraber en Oj-oj-Potdomme? Je denkt zeker dat ik gek ben. Zulke namen bestaan niet, denk je. Je bent niet goed wijs. Ga de wereld in en leer! Deze mensen leefden werkelijk. In Gang Horning. Een van de Gang Hornings dan. Want je moet weten dat er vier Gang Hornings waren. Met Romeinse cijfers erbij op de naambordjes ten behoeve van postboden en zoekers die geen tong hebben. Want die vier gangetjes werden bovendien nog gevierendeeld en op dwaalsporen gebracht door andere gangetjes met andere namen. Te zamen, met de huisjes erbij tuurlijk, vormden ze een verstopt wijkje achter een aller aandacht trekkende winkelwijk, aan de drie andere zijden aan het oog onttrokken door rijen gewichtige huizen aan een breed water. Een verborgen labyrint. Met een Minotaurus. Wacht even. Straks.

Mahieu – Verzameld werk, 161-162

[Bandung 2 – Leger des Heils] 

Uit: Tjoek
Dat deed althans een meisje, dat op de stoep zat van haar huis, met de armen geslagen om de opgetrokken knieën. Haar voeten waren altijd bloot en haar jurkje was altijd versleten. Zij had zwart haar met bruine vegen en zij was zó gewoon dat zij voor niemand in de wereld bestond. Zij heette Tjoek. Zij ging op de negende school, waar kinderen van schrijvers op gingen. Niet eens van commiezen derde klas. En waar kinderen van Stamboelorkesten op gingen. En kinderen uit geheel gederailleerde adellijke geslachten, met een driedubbele naam en een titel, maar met blote voeten vol wonden en littekens. En zeer veel niet-Europese kindertjes: van Chinezen en Javanen en Maleiers. Al deze kinderen woonden in kampongs of aan kampongranden. Ze droegen altijd versleten en veel te grote of veel te kleine kleren. Tjoek droeg altijd jurkjes tot ze veel te kort waren en haar moeder van een vervreemd familielid weer eens wat kon loskrijgen. Of van het Leger des Heils. Dan liep Tjoek weer in een veel te lange jurk, die ze soms in het middel kon inkorten met zwart garen, wat spelden of paperclips. Als ze naar school ging, droeg ze schoenen, veel te grote bruine tennisschoenen, omdat ze geen kalk had om ze wit te maken. Ze zag er naar steedse opvattingen onooglijk uit, maar de man van buiten herkende tot zijn verbazing en verwondering in haar gang de statige, bedachtzame tred van de reiger. Ze had haar hoofd altijd nederig gebogen, maar vanonder haar lange wimpers uit keken altijd twee zeer opmerkzame ogen de wereld in. Wie wat meer van haar af wist, vond in haar op de een of andere wonderlijke wijze zowel de oerprimitieve moerasvogels als Lalo's Concerto terug. Maar wie wist wat van haar af?

Mahieu – Verzameld werk, 201

[Jakarta 3 – Koffiehuis] 

Uit: Little Nono
Wie fantasie had, kon niet nalaten verliefd op haar te worden. Ik had fantasie. Op een zondag ging ik naar hen toe. De avond tevoren waren er grote bokswedstrijden geweest, en wat ik verwachtte was gebeurd: de hele bende was de deur uit om feest te vieren. En wat ik gehoopt had was er ook: zij was alleen thuis. O ja, ze heette Rosa. Eigenlijk verraste deze half verwachte kans voor vrij spel me toch wel. Ik was verlegen (als je schoon leeft, kan je moeilijk huichelen), maar ook al raadde Rosa direct waarom ik kwam, ze liet er niets van merken. ‘Jammer Mah Yioe, dat ze weg zijn - allemaal zijn weg - nu kan je niet trainen. Ze zijn aan het biljarten. Ga ook maar naar ze toe. Ik heb lekker een dag rust.’ Ik was wel vaker met de jongens mee geweest om te biljarten in dat gemoedelijke koffiehuis aan Petak Sembilan bij de Chinese tempel. Het was er inderdaad altijd onbetaalbaar gezellig, met veel goed eten van allerlei verkopertjes van de straat, met veel slecht biljarten, met veel brouhaha en veel bravado. Maar wat was dit alles vergeleken bij Rosa in een koel, stil huis?

Mahieu – Verzameld werk, 265

[Jakarta 5 – Oger frères] 

Uit: De das
Het was eigenlijk een krankzinnig dure, echt chique das. Hij hing helemaal in z'n eentje in de wijde etalage van Oger Frères, alsof hij zelfs voor de dure kostuums die er gewoonlijk hingen, te goed was. Het was een das met grillige goud-en-zwart motieven. Regaal. Debonair. En speciaal tegen Olly scheen hij te moeten zeggen: ‘Loop jij nou maar gauw door. Want bij jouw soort hoor ik helemaal niet!’ Dus had Olly met opeengeklemde kaken haar entree in de winkel gemaakt en uitdagend brutaal de das gekocht.
Toen Nono, een beetje beduusd met het cadeautje (ze gaven elkaar nooit cadeautjes) het pampiertje had opengemaakt, was hij bijna van zijn diengklik aan Olly's voeten gevallen van schrik. ‘Nee Ol, niet zo iets. Niet zo iets. Veels te mooi!’ had hij gestameld, haar de das terugreikend. Maar Olly had fel gezegd: ‘Zie je wel dat je niet van me houdt! Anders néém je die das!’
Nono was helemaal overstuur. Voor het eerst had Olly zo iets gezegd. Wát had ze gezegd? Als hij van haar hield, dan... Als hij de das droeg, dan... ‘Doe ‘m nou om!’ zei Olly bazig, zelf ook geschrokken van wat ze gezegd had. En Nono had zich geen moment bedacht. Z'n jasje ging uit en z'n boord los (Nono droeg nog van die ouwerwetse streepjesoverhemden met een losse witte boord). Op dat moment zag hij er eigenlijk natuurlijk uit, zo met dat boordloze overhemd. Maar in het volgende ogenblik was de formidable das al omgestrikt en het jasje weer aangeschoten. En daar keek Nono in Olly's muurspiegeltje naar het meewarigst onnozele muizegezicht dat ooit over zo'n stuk pracht de wereld in gekeken had. Hij sloeg de hand voor de mond, zijn ogen puilden uit van ontzetting en zijn oren bewogen nerveus terwijl hij Olly hoorde zeggen: ‘Zie je wel! Die das haalt je prachtig op. Je moet hem altijd dragen!’ Nono slikte een paar maal. Hij knikte. Want hij hield van Olly. Dat hoopte hij in elk geval zo afdoend te bewijzen door het dragen van die das, dat...

Mahieu – Verzameld werk, 269

[Jakarta 4 – des Indes] 

Uit: De das.
Nono verhuisde naar Hotel des Indes. Hij had een luxe De Soto tot zijn beschikking. Hij at nooit meer op de markt van Glodok of zelfs maar bij Stinky Corner, maar in lobby's van prominente hotels en in ‘Maisons’. Hij maakte verre reizen per plane (Olly: ‘In iedere luchthaven een liefje, ja!’) en boekte voor zijn zaak de formidabelste orders, omdat hij er niet de minste moeite voor deed. Hij wilde altijd maar weer zo gauw mogelijk terug naar Batavia om nieuwe toenaderingen te wagen bij Olly. In zakengesprekken luisterde hij verveeld toe en keek op zijn gouden polshorloge (een geschenk van de directie) of het niet mogelijk was een vroeger vliegtuig te pikken. En dat maakte zijn cliënten maar ongerust en ze plaatsten snel grote orders. Hij hoefde nooit veel moeite te doen. Ook maakte Nono's onverschilligheid voor geld hem onomkoopbaar en dat verhoogde zijn aanzien en dat van de zaak enorm. Het ging allemaal vanzelf.

Mahieu – Verzameld werk, 291

[Jakarta 6 – Goenoeng Sahari] 

Uit: Schuilen voor de regen II – De onbekenden
Een kleine jongen liep over Goenoeng Sahari in de richting van Antjol, dus in de richting van de zee. Het was bijna middernacht en de weg was verlaten. Er waren maar weinig gaslantaarns aan deze straat, die liep langs een gekanaliseerde rivier, aan de overkant waarvan slechts klappertuinen waren en een enkele, doodstille kampong met hoogstens een rood oogje van een olielamp, waar een garnalenvisser zich aan het uitrusten was voor zijn nachttocht. Aan deze straat lagen de huizen maar aan één kant dus. Lagen, want het waren oude Indische huizen, breed en laag en bovendien zo ver van de straat af achter een uitgestrekt erf, dat je ze in de verte zag liggen. Al deze huizen waren donker. Ze lagen daar achter de vaak dichte boombegroeiing van het voorerf als slapende oerdieren, geheimzinnig met een oud leven, dromend zoals dieren kunnen, met een licht steunen.
Het was het jaar 1918 en deze wereld van deze kleine jongen was bezig een nieuw tijdperk in te treden. Dat kon de jongen niet weten, want hij was pas tien jaar oud. Voor hem waren deze huizen en deze buurt dus normaal. Toch zag hij alles zoals boven beschreven is. Want als hij er nu van vertelt, vertelt hij er op deze manier van. Kinderen kunnen soms weten, waar volwassenen gissen en veronderstellen. Deze jongen wist dat de huizen geheimzinnig waren, als wist hij dat er een tijd aan zou breken met andere woningbouw, waarin voor dit soort huizen geen plaats meer zou zijn.

Mahieu – Verzameld werk, 302-303

[Jakarta 4 – Berendrechtslaan] 

Uit: Schuilen voor de regen III – Uit: De regen voorbij.
De motorrijder slipte en gleed roekeloos behendig door de drukte heen voor de uitgaande bioscoop op Krekot en gaf weer vol gas, soepel en toch krachtig optrekkend op het stille stuk erna in de richting van Sawahbesar. De regen, die de hele vooravond al vervelend in de lucht gehangen had, op een ergerlijke manier aarzelend of zij wel vallen zou of niet, kwam nu toch eindelijk los. Weliswaar in een lichte gerimis, maar dat kon zo geleidelijk aan voller en zwaarder worden. Zo zoetjes aan moest je toch in de buurt komen van een kennis, waar je schuilen kon. Al was twaalf uur 's nachts wel een gekke tijd om zo iets te proberen. Hier maar, de Berendrechtslaan. Misschien waren de Carreaus nog op. Hij moest wel oppassen voor Roosje, die verliefd op hem was, en op haar Tjang, die al een tijd probeerde ze te koppelen, maar un homme averti en vaut deux. Bovendien was, zoals hij al gauw merkte, het huis gesloten en sliep iedereen als een Roosje.
Hij had de vaart van zijn motorfiets geminderd tot bijna het tempo van een wandelaar, zonder terug te schakelen. Het was werkelijk een fijne kar. Hij luisterde naar het zachte stampen van de motor en dacht met een soort van wellust aan de geweldige kracht die onder hem ontbranden kon, als hij maar even de gasmanette aandraaide. Dan weer die meeslepende, enerverende jacht door de wind en de voorbijschichtende wereld. Maar nu reed hij kalm door de eenzame, slecht verlichte straat met zijn oude, vermoeide tamarinden en zijn enkele timide straatlantaarn, druilerig achter een boom staand met moe neerhangend licht. Het waren allemaal oude huizen hier, wegschuilend achter donkere, verwaarloosde erven met onregelmatige, nimmer onderhouden gewassen in kapotte tonnen of vormloze perken. Sommige lege voorgalerijen kaatsten diep en somber het bm-bm-bm van zijn motor terug als dong-dong-dong.
Ergens uit een huis ver vooruit kwam een verward-luidruchtige feestvreugde, die de doodse stilte van de laan nog scherper accentueerde. Ook dit feestje paste in deze oude laan van eenvoudige Indische mensen van het oude stempel: het huisfuifje met lontong, huzarensla, croquetjes en bowl, de jongemensen dansen vóór en de ouweluitjes babbelen achter. Elke maand was er wel iemand jarig en kwam het fuifje op de proppen. Nooit klaagden de buren over het lawaai vaak tot in de morgenuren, want ze werden zelf uitgenodigd of tevoren onthaald op een traktatie, thuisbezorgd door de baboe op een presenteerblaadje met servet. Ach ja, de jongelui moeten hun verzetje hebben en dan is het toch wel goed die verzetjes te organiseren onder moeders of tantes vleugels. Ook viel er aardig te koppelen zo in eigen clan. Snel en licht als zijn motorfiets gleden de gedachten van de motorrijder over de karakteristieken van het fuifje dat hij nu meer en meer naderde.

Mahieu – Verzameld werk, 311-313

[Jakarta 4 – Berendrechtslaan] 

Uit: De regen voorbij.
Luitjes, ik stap op hoor. (Hij was opgestaan.) Ik heb een afspraak voor morgenochtend zeven uur. (Je kletst, je kletst!) Nee, nee, nee, op mijn woord! Even je moeder groeten, Ida. Natuurlijk, gaan jullie maar door. Hij liep naar achteren, toen Loes riep: Waar ga je naar toe, Mac? Naar huis natuurlijk, ach, naar Meester. Adoeoeoeh, breng mij thuis dan. Ik woon Goentoerweg. Zo vér! Okay-okay. Hij vluchtte haastig weg van het plotseling losbrekend geplaag. Hij groette de dames achter met onuitsprekelijke dank voor de lieve gastvrijheid en de bijzonder prettige avond. Natuurlijk kwam hij nog terug, hoor Oma. Dan moest ze voor hem paniki maken. Oma lachte ruw-vertederd. Een pientere jongen, die ineens goed geraden had dat ze uit de Oost kwam. Loes zoende alle dames. Ze ging hem zó resoluut voor, weer naar voren toe, dat hij opeens niet meer bang was voor alle plagerijen. Hij had op elke opmerking een kwinkslag; hij schudde Ted het langst de hand en nam zijn uitdaging aan voor de volgende zondag: Rudge contra Raleigh naar Bogor. Hij sloeg zijn motor aan, ze nam licht en vertrouwd plaats op de duozit. Hij reed knallend als een tamboer weg.
Haar hand rustte licht op zijn schouder. Ook bij het plotseling vaart nemen, ook bij het verraderlijk op en af de trottoirband wippen, ook in de vermetele plotselinge scherpe zwenking de natte straat op. Hij keek even schuins-rechts neer op de hand, zo dicht bij zijn mond. Hij keek weer voor zich en liet de motorfiets krachtig demarreren. De kracht van de metalen bruut deelde zich aan hem mede; hij voelde zich geëleveerd en trots. Hij reed de Berendrechtslaan uit, Sawahbesar en Krekot af, Pintoe Besi op. Weet je waar de Goentoerweg is? vroeg Loes. Heel goed, sprak Macaré zijwaarts in de wind, uitdagend. Ze lachte onhoorbaar, diep en klokkend. Hij voelde zich onmetelijk gelukkig. Hij reed Goenoeng Sahari af en Antjol, met een delicaat maansikkeltje links van hem glijdend langs een naakte hemel, als een satertje rennend door de zwarte flamboyanten. Hij wendde de maan de rug toe, toen hij de Priokweg op reed. De rechte, perfect geasfalteerde autostrada, de racebaan. De Raleigh gromde verwachtingsvol. Macaré draaide bedaard de gasmanette verder en verder om. De fluitende wind was ijskoud. Koud? schalde hij in de wind. Ja! riep ze. Erg?! Ja! Hij minderde vaart. Nee!! riep ze. Zijn hand draaide tevreden terug, de trillende naald van de speedometer passeerde hautain de 60, tevreden de 70, tintelend de 80 en triomfantelijk de 90. Er naderde een tegenligger met felle koplampen.
Het bijtend-helle licht verblindde Macaré en maakte hem woedend. Hij zette zijn koplamp ook aan en raasde verder. Hij ging geen millimeter opzij. Ook de tegenligger niet. Ze naderden elkaar als twee meteoren. Ze zouden haarscherp langs elkaar heen schieten. Ze schakelden hun lichten niet uit. Toen Macaré de brugleuning zag, was het al te laat om welke beslissing ook te nemen. In een explosie van dubbel licht sloeg hij door een plotselinge waterval van geraas rakelings tussen brugleuning en truck een roetzwarte nacht in. Hij minderde instinctmatig vaart en zijn ogen begonnen weer te zien. De witte bomen gierden niet meer langs hem heen, maar vlogen, maar reden, maar gleden, maar schoven. Loes’ stem kwam van ver: Weet je dat mijn schoenen rakelings langs die brug gingen? Ze lachte.

Mahieu – Verzameld werk, 336-337

[Surabaya – Krembangan] 

Uit: Miere
Omdat ik niet wist hoe gauw ze in Krembangan een voorwendsel vinden om twist uit te lokken en te vechten, zat ik in het nauw voor ik er erg in had. Iemand keek uit een open voorgalerijtje naar me terwijl ik langzaam fietsend en belangstellend rondkijkend voortreed. Ik meende het gezicht te kennen en keek wat langer dan eigenlijk wel fatsoenlijk was. Toen hoorde ik een stem iets roepen als een groet of zo. En stom genoeg stapte ik af. Een jongeman op sloffen en in pyjama kwam haastig het huis uit gelopen, zijn haast evenwel minderend toen hij dichterbij kwam. Misschien omdat ik er zo onschuldig uitzag. Met langzame, slepende passen legde hij de laatste meters af, de vuisten gebald in de pyjamazakken, zo het jasje stijf naar voren trekkend om de smalle heupen.
Toen wist ik hoe laat het was. Dit soort ruzie uitlokken was me uit m'n jongensjaren welbekend. De gewone inleiding tot een knokpartij. Maar ik was nu twintig en voelde er niets meer voor, althans niet zonder enige aanleiding. De jongeman stak zijn kin uitdagend vooruit en zei: ‘Wat wil je eigenlijk!’
‘Niks,’ zei ik kalmerend, ‘ik kijk maar zo'n beetje rond.’
‘Maar je hoeft niet zo onbeschoft naar binnen te kijken!’
‘God zeg, per ongeluk zeg!’ excuseerde ik, toch wel een beetje kregelig.
‘Waar heb je manieren geleerd!’ snauwde hij weer. Hij was erg donker en had een tanig, smal gezicht met lange, scherpe en emailwitte tanden.
‘In elk geval niet hier!’ zei ik schamper.
Hij schopte zijn sloffen uit.
‘Kom d'r af!’ schreeuwde hij woedend.
Misschien zou ik het nog wel gedaan hebben als er op dat moment niet van drie, vier verschillende kanten opgeschoten jongens waren toegesneld.
‘Sla hem op zijn smoel, Tjèt!’ riep er een.
‘Zo'n vuile bouwmaker!’ stookte een ander op.
Ik keek de kring rond en capituleerde. Dat zou beginnen met één tegen één en eindigen met één tegen veel. En ik was al een keer in m'n leven gekrojokt. Zelfs met het beste boksen kan je niet tegen meer dan twee tegelijk op. Alleen in films kan zo iets. Mijn oog zocht instinctief verder. Een open veld met geel geschroeid gras helemaal tot aan de grote weg in de verte toe, waar wat stoffig en rommelig verkeer langsscharminkelde. De hoge achtermuren van de bijgebouwen van militaire woningen, een schel flakkerende muur van Jericho met verloren zwarte doorboringen van ronde ventilatieopeningen. De lucht brandde. Geen mensen. Alleen deze vlakbij met de diepe contrastlichten en schaduwen van de middagzon, waardoor de hoofden wel doodshoofden leken. Maar in de sombere oogkassen smeulde vals licht in ogenwit. Boventanden waren ontbloot als van honden. De lucht was geladen met klassenhaat en vergeldingsverlangen van de verstoten clan. Wat had ik gedaan!

Mahieu – Verzameld werk, 477-479

[Jakarta 1 – Maritim] 

Pasar Ikan  

Boven de dakenkarteling
begint in speelse darteling
de middaglucht te krullen
en ver weg in het zuiden
gaan de Pangrango en Gedeh
zich als bedeesde bruiden
in amber mousseline hullen.

Het noorden is een halve zee:
links zijn de tambaks en mangroven
en in het midden is de papier,
de Westerpier. Daar boven
zijn de elangs aan de zwier
in de ijsblauwe lucht.

Soms komt wat kruimelig gerucht
gewaaid van Priok dat daar op de ooster-
horizon ligt uitgerakeld als een rand
van matglinsterend grind,
daar links van die vergane coaster
op het strand.
Er is bijna geen wind.

Tussen de pieren maakt met ver geklater
een kinderbaggerschuit het water
zo zwart als een net afgesponsde lei
en vlak bij mij
liggen tevreden zij aan zij
de koleks en de sampangs,
de lìtìks en de majangs,
met masten die als stutten en perkoenen
in pretverwachting naar de hemel wijzen
alsof er straks een Pasar Malem gaat verrijzen.

Op de tjeroeks staan de blazoenen
verweerd en trots: een waaier en een klok,
een staartster en de vogel Roq,
een wekker ook en een Ardjoena.
De namen zijn zoet om te horen:
Siboelat, Gondel en Taroena,
Sinar Laoet en Erkiles
of zo maar voor de fop M.S.,
de n's en r's achterstevoren.
Alleen het houtsnijwerk is chic
tot in de kleinste krul klassiek,
als oudperzisch kanteel.
Vaantjes zijn sherry-geel
of helderrood als port.

Alles is goed, zelfs het macaber
beeld op een der kolekboorden
van iemand die zich gaat vermoorden
en blij voorover in de golven stort,
geschilderd in magenta en cinnaber
met een contour van juichend blauw.
In feestelijk verbeiden als in ondertrouw
liggen de grote zeilers aan de overkant;
de trampers met de felle menierand,
de slanke Makassaren en de ronde Boetonnezen,
de fiere Boegis en de zware Madoerezen,
de tongkangs en de wangkangs uit
het land van Li Tai Peh.
Er wordt lawaaierig gehesen en gekruid
met kisten, krandjangs, balen, vaten;
er is de stank van kopra en tjengkeh
en het gezwatel van harpuizen en kalfaten.

Maar soms verruitelt al die blije
drukte in een landtong aan een
haf van stilte.
Dan staat daar de ontdane
schim van Ril te
schreien
om de verloren ‘Rommeling en Stof’.
De vreugde van de zon wordt dof
onder de cirruslamfer om zijn gouden hoed:
een tulen schaduw brengt een laatste groet.

Dan springt de Zeven Zeeën Karanvanserai
weer in zijn opgetogen kleuren en lawaai.

Slechts voor blijvers is de rouw,
maar Ril is met zijn paarlemoeren prauw
aan Marsmans zij
de openbliksemende firmamenten
in gevaren.

Zie: het verrukkend glaren
op mast en ra en gei
van hun kristallen sacramenten!

 

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Chineesche wangkang

 ← Chineesche wangkang

 

Zeilende Inlandsche zeeprauw →

 

[Gedenkboek van Nederlandsch-Indië, 1898-1923,G.Kolff & Co., Batavia-Weltevreden-Leiden 1923, Afbeelding 220 en 221].

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Inlandsche zeeprauw

 

Mahieu – Verzameld werk, 480-481

[Jakarta 2 – Coen] 

De Lange Gele

Zaterdagmiddag na de noen
kan je hem door de Oude Stad zien dwalen:
de in zichzelf gekeerde vale
schim van Jan Pieterszoon Coen,
een somber voorteken als de fatale
spookfiguur van Schipper van der Halen.

Pintoe Ketjil, Kali Besar vervluchten
in een wolk en traag komt het beruchte
‘Graf der Hollanders’ weer boven:
wat goedangs en een factorij,
omsingeld door de nipahs en mangroven,
zwartwaterkoorts, scheurbuik en dysenterie.
In de Tjiliwoeng drijven lijken.

Hier waart hij rond, wil voor hem wijken,
want hij is groter nog dan de Verheven Compagnie:
hij is de ‘Djangkong Koneng’, ha! En wat
is dan een voze titel of een naam?
Hem is de glorie en de faam
van ‘De Gestreepte’ en ‘Mata Empat’:
een levende legende tussen
vuur uit donderbussen,
kanonnen en musketten,
en nimmer weg te wetten
bramen, butsen, schaarden
op ponjaards en op zwaarden!



Hij is een recreatie van Iskander,
zijn vlag geen feestlap maar een bander,
een panache! Hij rekent niet
in zilveren dubloenen en florijnen;
voor hem het strijdgedruis op het reduit,
op de redoutes en de ravelijnen!

Hij haast zich want reeds is zijn tijd op handen.
Zie naar het laatste schrijden van de gele leeuw,
hoor naar het hels gekrijzel van zijn tanden,
zie, op zijn wassen voorhoofd schuimt het reeuw.

Gewonnen is de stad, verloren is de keet!
Hoor naar de spottende en hese kreet
van Long John Silver's kaketoe: ‘Pieces-of-eight!
Pieces-of-eight, pieces-of-eight!!’