Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 21-22

[Yogyakarta 2 – Hotel] 

In Jogja logeren we in ‘het' hotel. Eens het speelverblijf van de suikerkoningen: Grand Hotel de Jogja, dan staatshotel Merdeka, nu weer (in particuliere handen) hotel Garuda, weerspiegelt het niet in zijn namen alleen een stukje koloniale en na-koloniale geschiedenis. Rijk en royaal van opzet, draagt het nu het merkteken van de onvermijdelijke na-revolutionaire verwaarlozing, te meer omdat de eigenaar, een zuinig Arabier, blijkbaar geen oog heeft voor de internationale touristische mogelijkheden van het archaeologisch zo boeiende Midden-Java. En als je hier toch maar als doorganger zit in een land, dat nu eenmaal nog andere zorgen heeft dan een comfort voor de vreemdeling, dat de eigen bevolking nog vreemd is, dan lees je vermaakt in een Engels tijdschrift dat er Franse gravinnen en Engelse baronnen jachtexpedities naar Midden-Afrika uitrusten, met een bagagetrein, die hun dagelijks maaltijden van zeven gangen met bijbehorende, zo nodig gekoelde wijnen kan verschaffen, en je eet gelaten van een vuil servet je koud opgedane ‘warme maaltijd', drinkt mierzoete koffie uit champagneglazen, omdat gebroken ‘kommaliwant' niet meer wordt aangevuld en toont je oprecht verheugd over de aankondiging, dat onze istemewa (luxe)-kamer ter ere van de Kerst (!) eindelijk een nieuw stel klamboe's krijgt.
Wat zou ik bovendien klagen, waar onze korte hotelervaring omkranst is door de weelderige bloei der – oude en nieuwe! – Indonesische gastvrijheid!

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 24-25

[Yogyakarta 2 – Hoofdgebouw] 

Het hoofdgebouw van hotel Garuda ligt een eind van de weg af, maar de beide logeervleugels reiken om een voorplein heen tot aan de hoofdverkeersweg van Jogja, Malioboro, verbastering van wat Raffles als Marlborough-road bedoeld had. Onze kamer ligt aan de straat, waardoor we mèt het rumoer ook het gezicht hebben op al wat voorbij gaat. En dat is de moeite (en de onrust) waard, want het verkeer demonstreert a.h.w. aan de openbare weg, dat hier klassentegenstellingen en die tussen Oost en West en oud en nieuw bijna lijntje op lijntje, samenvallen. Ook bij ons hebben we de tijd gekend, dat de heren reden en het volk liep. Hier was het tot voor kort zo, dat de Europeaan reed en (met te verwaarlozen uitzonderingen) de ‘inlander' liep. En voor zijn plezier lopen doet hier alleen de kloeke ‘baru', die eens zal laten zien hoe hij aan zijn Europese levensgewoonten vasthoudt. Bij ons is het verkeer met de modernisering (d.w.z. mechanisatie) gedemocratiseerd: wie geen auto heeft neemt de tram of de bus. Bandung en Jogja (steden met enige honderd duizenden inwoners) hebben geen stadstram of -bus. Het verkeer, dat langs me heen stroomt laat zich als volgt klassificeren: auto's (nieuwe wagens, precies als bij ons na de oorlog zit je met het probleem waar de oude blijven), bemand door welgestelden (blank, geel en bruin), ambtenaren en militairen. Andongs (huurrijtuigjes) en betjas, meestal overbelast met Chinese of Javaanse familiegroepen om de vrachtprijs te laten renderen. Opvallend weinig vrachtauto's. Vrachtverkeer gaat nog altijd in de zware, kreunende en fraai versierde grobak (ossenwagen) en... te voet.

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 31-33

[Yogya 1 – Mooiste] 

En nu heb ik de Gadjah Mada-universiteit van Jogja gezien. De universiteit is voorlopig in de Kraton ondergebracht, zegt men. Je hebt maar een vaag begrip van wat de Kraton eigenlijk is. Het oude sultans-verblijf, een terrein met een omtrek van omtrent tien km, veel statiegebouwen, veel open ruimte, maar ook hele kampongs zijn binnen de muur opgenomen. Je rijdt er heen door een rumoerige Chinese winkelstraat: een wijd plein met in het midden een paar grote wit-ommuurde Waringin-bomen, een wit-stenen poort door met een zakelijk bord: Landsuniversiteit Gadjah Mada, weer een plein, maar ditmaal een bebouwd. De gebouwen zijn gedeeltelijk in hout opgetrokken, de voorlopige – alles is hier voorlopig – administratiegebouwen, spreekkamers, een paar college-lokalen. Aan de achterzijde van dit plein voeren een aantal treden naar weer een plein, de z.g.n. ‘hoge plaats'. Gebouwen links en rechts, die vroeger het ambtsterrein van grootwaardigheidsbekleders van het sultanaat waren, zijn nu senaatskamer, faculteitskamers enz. Onze begeleider verontschuldigt zich telkens weer over het geïmproviseerd en behelperig karakter van dit alles. Wij hebben voorlopig alleen oog voor de prachtige deur- en zolderversieringen en de harmonische verhoudingen van deze vertrekken. En dat geldt in nog hoger mate van de aula, die midden op het plein staat: het is de geweldige pendopo onder een torenhoog puntdak, van binnen rijk in rood en goud versierd, waar vroeger de officiële gasten van het sultanaat werden ontvangen.
De jonge sultan Hamenghu Buwono IX, die in Holland zijn opvoeding kreeg en in Leiden studeerde, gegrepen door de gedachte dat voor zijn volk onderwijs even nodig is als brood, heeft ernst gemaakt met zijn gastvrije uitnodiging aan de nieuwe landsuniversiteit. De nuchtere buitenstaander, die denkt: nu ja, hij heeft er de ruimte voor, onderschat de tegenstand, die daarbij overwonnen moest worden. Het compromis, waartoe die tegenstand heeft geleid, leest men uit de plattegrond van de aula af. Te midden van een zee van ruim duizend college-stoelen, staat hier en daar een soort tuinhekje om een verhoging in de vloer. Het zijn de plaatsen waar van ouds bij plechtigheden de rijks sieraden lagen uitgestald, waar de sultan, de kroonprins en de rijksbestuurder hun zetels vonden. Hier als elders is de macht der vorsten beperkt door die van statige hofdignitarissen die weten hoe het altijd geweest is en door ... de onderdaan, die de majesteit de aantasting van het eigen charisme niet vergeeft.

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 35-36

[Yogya 1 – Poesaka] 

We zijn nu op het terrein van het kroon-prinselijk verblijf. Hier in de oude vertrekken van de prinsessen zijn kleine werkplaatsen ingericht, een smederij-tje, een glasblazerij met in een kastje een trotse expositie van zelfgemaakt laboratorium-glaswerk. Maar het mooiste is de grote dalam (de binnenzaal) van het verblijf. Kijk je omhoog in de spitse zoldering dan is het helemaal Oosters paleis; kijk je achter het ruw-houten schot rechts dan zeg je: Andersen, want daar in een immens praal-ledikant van gepolychromeerd en rijkbesneden hout liggen torenhoog de bonte kussens, rood-en-goud, blauw-en-goud, opgestapeld, waarop de prinses-op-de-erwt een lange nacht wakend heeft doorgebracht. Maar links van het schot aan een paar draaibanken werken twee student-assistenten in overalls met een paar arbeiders aan de grondslagen van hun instrumentarium. Ze lopen met ons mee door de rest van het gebouw. Overal ruikt het naar verf, verse kalk en houtwol. Het practicum natuurkunde. Ja, we zien het ook wel. Er zijn in Europa en in Amerika zeker middelbare scholen, die beter geoutilleerd zijn. Die stapels papieren? Gecyclostyleerde college-dictaten, want ze hebben nog geen boeken. We weten het wel: bij iedere stap is er voor de westerling gelegenheid zijn schouders op te halen over de naïevelingen, die met zulke middelen hoger onderwijs willen beginners. Maar deze jeugdige assistenten hebben een grote compensatie: zelfvertrouwen. Niet het wat rumoerig zelfvertrouwen van mensen, die over al het nodige en meer dan dat beschikken. Zelfvertrouwen met een verontschuldigende glimlach. Nog niet, zeggen ze. Nog niet, zeggen de professoren zonder bibliotheek; nog niet, zeggen de studenten, waarvan de overgrote meerderheid tegelijk leraar is, zowel om aan de kost te komen als om in de nood van het M.O. te voorzien. Nog niet. Zij hebben de tijd en de ruimte voor zich.
Komt het alleen doordat wij hier tot de uitgespeelde partij behoren, dat je tegenover hun enthousiasme vaak de vrees bekruipt, dat wij ruimte en tijd achter ons hebben?

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 40-41

[Yogyakarta 2 – Passar] 

Maar dan, Jogja, nu practisch een Aziatische stad, waar de Europeaan een opvallende verschijning wordt, centrum van het nationale verzet, doel van de politionele acties, een woord, waarvan je de bittere belachelijkheid eerst recht ervaart, wanneer je in een krans van verwoeste suikerfabrieken rondom de stad, het resultaat van een verschroeide-aarde-politiek ziet. In Jogja dan strompel ik met een pasgelijmd been moeizaam over de volle pasar: de koopvrouwen schuiven haar manden opzij en wijzen me zorgzaam op glibberige groentenafval. Traditionele onderworpenheid of natuurlijke menselijkheid? Maar elders toont men zeer goed te weten, dat die onderworpenheid in ieder geval tegenover Europeanen uit de tijd is, die men immers, door oosterlingen onderworpen, achter het prikkeldraad heeft zien verpauperen.
Bij Indonesische welgestelde families is het nog niet ongebruikelijk, dat de bedienden bij een gesprek voor mijnheer en mevrouw neerhurken, maar een Hollandse huisvrouw, die tijdens een bespreking over de marktinkopen als van ouds tegen haar kokkie zei: ga maar even zitten, zag haar tot haar verbazing een stoel bij schuiven.

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 46-48

[Yogyakarta 2 – Bank] 

Bernard Yzerdraat, die met ons in het Garudahotel logeert, nodigt ons een late avond naar een wajangvoorstelling in de Radio-Jogja-studio, dezelfde die in de bevrijdingsperiode zo vaak de ergernis der Hollandse kranten wekte. Zo'n uitzending duurt van ’s avonds acht tot de volgende ochtend zes uur en wordt zeer veel beluisterd. Y. raadt ons aan zo van elf tot één te komen luisteren en kijken. Op onze vraag hoe we er binnen komen, zegt hij: Ga op het lichtje af, dat je in een oud huis naast de Javase Bank ziet, loop dan op de klank van de muziek af door een paar vertrekken en een binnentuin, steek een soort grote, droge goot over en je staat in de studio. Niemand houdt je tegen, want ieder mag er binnen. Alles kwam precies uit. In de maneschijn liepen we er heen, op het lichtje af, enz. De tuin bleek gestoffeerd met een groep vrouwen, die daar bij walmende oliepitjes een sigarettenstalletje bedienden en een dat in uiterst klein bestek een keur van warme en koude spijzen en dranken te koop bood. De studio, een vrij schamel laag vertrek van ongeveer 15 bij 20 meter is voorzien van de gebruikelijke studio-attributen en op zo wat een kwart van de diepte in tweeën gedeeld door het wajang-scherm in een omlijsting van gepolychromeerd houtsnijwerk. Daarachter zit het gamelan-orkest en de dalang (de vertoner en spreker) met zijn poppen. Tegen de achterwand staan een rij stoelen voor bijzondere gasten, een groepje Indonesische intellectuelen en wij. Midden in het vertrek ligt een grote mat, waarop – en waarnaast – de rest van het publiek zit, hurkt en ligt. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het mogelijk was, dat zo'n voorstelling tien uur lang kon duren. Dat blijft verbazingwekkend voor zo ver het de executanten betreft, de voordrager vooral. En als toeschouwer geloof ik niet dat ik zelf het hanengekraai zou halen, al heb ik een paar uur gespannen zitten kijken en luisteren, terwijl toch het meeste van de nobele taal van de helden en de grapjes van de clowns aan me voorbij gaan. Maar boeiender nog dan de voorstelling zelf is voor ons eigenlijk het publiek en hoe dat geboeid wordt op een wijze, die hem wel een slapeloze nacht waard is.

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 72-73

[Jakarta 7 – Wijsbegeerte] 

De jurist prof. Sudiman Kartohadiprodjo in een artikel in het weekblad ‘Siasat' stelt het haast nog scherper: ‘De Nederlandse taal is nog nodig om een academische graad te verwerven of ten minste om jurist te worden.' Hij betoogt, dat het niet alleen om leerboeken gaat, maar dat het recht, zoals het nu in Indonesië gesproken wordt, nog bijna geheel berust op Nederlandse rechtsregelingen en Nederlandse jurisprudentie, zelfs wat het adatrecht betreft. 'Het niet onderwijzen van Nederlands op de middelbare scholen betekent verlenging van de noodzaak om vreemde (Nederlandse) krachten bij de staatsorganen in te schakelen, betekent, dat de academische groep van ons volk een ‘elite'-groep zal worden, een elite, niet in de betekenis van een intellectuele, maar van een finantiële elite; betekent een afdwaling van de door ons nagestreefde democratie, dat ieder van onze jongelieden, die over voldoende capaciteiten beschikt, hogeschool-opleiding moet kunnen volgen.'
In nog hogere mate geldt dit voor de studie in de geschiedenis: men kan geen drie eeuwen archief gaan vertalen en al wat er over de voor-koloniale periode is geschreven, is ook vrijwel uitsluitend in het Nederlands verschenen. De historicus zal hier Nederlands moeten kennen, ook over 100 jaar, zoals de Nederlandse mediævist Latijn. En ook de inheemse landbouw- en waterbouwkunde kan voorlopig alleen uit Nederlandse boeken bestudeerd worden.
De Nederlander, die dit alles met belangstelling en sympathie, maar ook wel eens even als Nederlander leest en aanhoort, wordt er zich van bewust, dat wij hier nog altijd kansen te winnen en te verliezen hebben.
Kansen te winnen hebben, niet in die zin dat wij ooit weer een officiële wederinvoering van het Nederlands op de middelbare, laat staan op de lagere school verwachten. Maar wel in die zin, dat er in de eerstvolgende jaren voor Nederlandse docenten (met begrip voor de situatie) een rijk en vruchtbaar arbeidsveld open ligt in Indonesië. De praktijk van het redelijk inzicht immers triomfeert in dit bij uitstek redelijk volk uiteindelijk over de openbare belijdenis van nationale ‘sentimenten'. Op voorwaarde natuurlijk, dat die niet voortdurend geprikkeld worden.

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 94-95

[Surabaya – h.b.s.]

Ik heb vrij bittere herinneringen aan de oversexed sfeer van mijn Surabajase H.B.S.-jaren. Wij meisjes hadden er een eigen tuin en recreatiegebouw, er werd niet aan sport gedaan en er was geen enkel kameraadschappelijk contact met de jongens, waarmee we in één klas zaten. In onze vrije tijd zaten we en praatten, altijd in die broeierige toon, altijd over ‘de liefde'. Aan de overkant van het zonnige erf op de trappen van het hoofdgebouw zaten de jongens in soortgelijke, maar minder benauwde en meer branie-achtige gesprekken. In het Land van Herkomst heb ik het pijnlijk nauwkeurig herkend: over leraren met meisjes, over jongens die de kampong in gingen. Er waren leraren, die graag dubbelzinnigheden in de klas zeiden; we vertelden ze met een lekker-angstige opwinding aan elkaar over; we namen vooruit de in de klas gelezen lectuur door op zoek naar plaatsen, die aanleiding konden geven tot gegniffel om ons tijdig met een hevige keelpijn tegen een beurt te wapenen, we waren in dat harem mal en demonstratief bezorgd om daarbuiten iets te laten blijken van de maandelijkse ongesteldheid. Het was een atmosfeer, waarin een jongensachtig kind van 13-14 jaar, dat zich toch al moeizaam met haar vrouwzijn verzoende, zich voortdurend benard-beschaamd en vernederd moest voelen. Jarenlang is dit voor mij ‘Indië’ geweest. En dat was het ook voor vele brave Hollandse ouders, die samen boeken over opvoedkunde lazen en hoopten ‘altijd het vertrouwen van hun kinderen te zullen behouden' en die ze als ze tien, twaalf jaar waren toch maar naar een tante in Holland stuurden, omdat ze daar geen kwaad konden, want Indië was toch eigenlijk alleen een land voor volwassen mensen en kleine kinderen. Zo zagen zij het, omdat ze opgegroeid waren in een cultuurpatroon, waarbij wel het meisjesachtige en het grote-jongensachtige gewaardeerd en overgewaardeerd werd, maar beneden de 18 het sexuele tabu was. Zo zagen zij het, omdat ze tot ‘wij' hoorden en er dus niet aan behoefden te denken, dat er in dit land millioenen kleine kinderen tot volwassenen opgroeiden zonder die tabu en zonder daardoor moreel te worden geschaad. Ik kan – zeldzame winst van het ouder worden – dit alles nu zonder persoonlijke betrokkenheid bezien en deftig in de termen der sociologie klassificeren. Dit was niet Indië, dit was de wereld van de ‘marginal men', een wereld waar twee zedelijke normen door elkaar lopen en elkaar aantasten: een Europese van een wat verschoten calvinistische kleur en een Indonesische. Kan men zeggen, ook wanneer men dat woord primitief afwijst, dat de Indonesiër dichter bij de natuur staat?

Romein-Verschoor – Met eigen ogen, 106-107

[Surabaya – h.b.s.]

Schrrs, schrrs, schrrs... Ik word wakker met een gevoel als na een heel trieste droom en stoot de jalouziën van onze kamer open om te zien waar dat geluid vandaan komt. Op het ruime achtererf, waar we op uitzien, staan in de zorgvuldig van gras vrijgehouden grond een breedvertakte waringin en een paar asem (tamarinde)- bomen. Daaronder vegen een paar tuinjongens de dorre blaren bijeen. En nu herken ik ook mijn ‘droom'. Ons klaslokaal op Surabaja zag op, precies zo’n beboomd erf uit. Onder die dichtbeloverde bomen werden het hele jaar door blaren geveegd door ‘kettingjongens', gestrafte dwangarbeiders in een somber vaal-bruin gekleed en met een ijzeren band om hun nek gesmeed: schrrs, schrrs... totdat onze Engelse leraar in kwasi-wanhoop een hand ophief en een jongen van de voorste bank naar buiten stuurde - .’Tell that man to stop or I'll kill him!'