Romein-Verschoor – Omzien, 14-15

[Jakarta 5 – Het kerkhof] 

In een garnizoensstadje, zeker in een marinehaven, want vanouds was de zeemacht toch altijd nog deftiger dan de landmacht, was in die jaren stand-ophouden een catechismus op zichzelf. De stand van het gezin werd in eigen ogen niet bepaald door het kleine huisje aan de Weststraat of door de relatie met de bakkerij op het Havenplein, maar door kapitein Brakke en de gulden tijd van de Baltimore, waaromheen naarstig een geheiligde mythe werd geweven. Mijn moeder haalde nooit zo iets als een persoonlijke herinnering aan deze man op, geen grapje, geen aandoenlijke uitspraak of gebaar tegen zijn kleine dochtertje, maar ze sprak over hem als ‘mijn beste, brave vader,’ die in zijn korte leven alles gedaan had om goed voor zijn gezin te zorgen (de huisjes!), die aan de wal altijd een grijze hoge hoed droeg, die in Calcutta door zijn krachtdadige welbespraaktheid – in het Engels nog wel – een proces over een aanvaring glansrijk gewonnen had, die zo hoog stond aangeschreven bij zijn rederij: ‘de heren Bienfait’, zei mijn grootmoeder nog altijd met eerbied in haar stem, en op Batavia met de vlag over de kist begraven was.
Toen wij in 1906 op Batavia kwamen, nam mijn moeder ons mee op een bedevaart naar Tanah Abang. Daar liet ze zich door een functionaris van het kerkhof een groen heuveltje aanwijzen als het graf van haar vader en wij keken het met lege twijfel aan, hoe ze daar snikkend voorover gebogen onder de hete zon echte tranen vergoot. Maar toen er later bericht kwam, dat aan haar wens er een grafsteen te laten aanbrengen niet voldaan kon worden, omdat de termijn daarvoor verjaard was, voelde ik me toch wel bevestigd in mijn argwaan tegenover dat groene heuveltje en eigenlijk ook tegenover de mythe, waarvan het de wijste had moeten zijn.

Romein-Verschoor – Omzien, 44-45

[Subaya 2 – Simpangsche Gentengschool] 

Met die tram gingen we naar school; dat was voor mij het eerste jaar de hoogste klas van een lagere meisjesschool op Simpang. Ik had dadelijk een weerzin tegen een meisjesschool en de uitkomst scheen me gelijk te geven. Het hoofd, onze klasseonderwijzeres, was een stroeve weduwe. Een klas meisjes reageert op een inkomeling meestal met nieuwsgierig enthousiasme of met reserve. Ik was er niet naar om het eerste op te roepen. Bovendien maakte ik me al een van de eerste dagen op school onmogelijk. In de pauze werden er door baboes van omwonende kinderen pakjes brood en fruit gebracht en in één daarvan herkende ik een Javaans meisje, maar een paar jaar ouder dan ik, die als ‘zeebaboe’ op de Oranje was geweest en waarmee ik nog al eens had zitten praten – ze sprak goed Hollands – als we tijdens het diner van de volwassenen aan dek op ‘onze’ kinderen pasten. Blij een bekend gezicht te zien liep ik op haar af, gaf haar een hand en sprak, haar natuurlijk in het Hollands aan. Grote beroering: ik had een ‘meid’ een hand gegeven en Hollands met haar gesproken! Het sprak vanzelf, dat ik over deze gebeurtenis thuis niet repte.

Romein-Verschoor – Omzien, 45-46

[Jakarta 7 – Dipo Negoro] 

Ik zoek tevergeefs naar een aanknopingspunt voor mijn weerzin tegen de koloniale geschiedenis; die moet toch wel uit een aangeboren kritische zin zijn voortgekomen, hoewel ik, in Holland, Piet Hein en de Goejanverwellesluis nog met enthousiasme had geslikt. Maar toen ik, in de schooltram mijn geschiedenisboekje doorbladerend, stuitte op een lofzang op generaal De Kock, die op zo uiterst tactische wijze Dipo Negoro in zijn macht had weten te krijgen, viel ik luidkeels uit over zo'n gemene rotstreek. Ik was heel verbaasd instemming te vinden, niet bij mijn schoolkameraden, maar bij een paar Knil-officieren, die toevallig in de tram zaten, en die De Kocks list blijkbaar niet in overeenstemming vonden met hun erecode.

Romein-Verschoor – Omzien, 46

[Surabaya – h.b.s.]

Mijn isolement op de Simpangschool zou na een paar maanden nog scherper worden. Naast mij zat een meisje, dat Nelly heette. Ze had een wasbleek Chinees gezicht en een dikke zwarte vlecht en was weinig spraakzaam. Maar toch spraakzaam genoeg om mevrouw W. te gaan vertellen, dat ik luizen op mijn hoofd had. Zonder haar handen aan een onderzoek vuil te maken, gaf deze me een waarschuwend briefje aan mijn moeder mee. Die gebruikte een weekeind om me grondig te reinigen en antwoordde toen met een verontwaardigde ontkenning. Ik voelde me daar nogal beschaamd over, maar heb later begrepen dat mijn moeder op dit punt althans zich niet afwijkend gedroeg. (Toen ik zelf een vijftien jaar later, het was nog in de prae-DDT-periode, ‘leven’ op het hoofd van een van mijn kleine jongens onderkende, hem kaal knipte en in de petroleum zette, en de volgende ochtend zijn juf op school waarschuwde, zei ze verbaasd: ‘Komt u me dat zelf vertellen?’) Twee jaar na mijn schande kreeg ik gelegenheid wraak te nemen, zoals dat alleen in dromen voorkomt. Op de h.b.s. zat Nelly toen in een parallelklas en ik zag haar alleen af en toe in de meisjestuin. Daar kwam ze op een keer op me af: we hadden een opstel op gekregen, waar ze geen raad mee wist en er hing voor haar erg veel van af dat ze een voldoende maakte. Of ik het voor haar wou doen. Ik was eerst kwaad op mezelf, toen ik in mijn verbouwereerdheid – of ijdelheid? – ja gezegd had. Maar achteraf kreeg ik er een sportief plezier in, twee verschillende opstellen over hetzelfde onderwerp te maken. Ik voelde me ver boven de luizen uit toen ze het hare dankbaar in ontvangst nam, en onze Nederlandse leraar was blijkbaar niet alert genoeg om het bedrog te ontdekken.

Romein-Verschoor – Omzien, 47

[Subaya 2 – Simpangsche Gentengschool] 

Mijn laatste avontuur op de Simpangschool beleefde ik met de dominee, een buikig heertje met een spits baardje, die wekelijks een uur catechisatie kwam geven voor, ik vermoed, bij de veel geringer sektarische verdeeldheid die de koloniale maatschappij toen kende aan alles wat niet katholiek was. De eerste weken had men mij dat uur in de onbeheerde klas bij de lezende en babbelende papistjes gelaten om mijn achterstand in te halen. Maar toen ik dat al lang had bijgespijkerd, klampte de dominee me aan op een emper, waar ik trachtte hem onopvallend voorbij te schuiven: ‘Kom jij niet op catechisatie?’ En ik brutaal weg: ‘Ik ben rooms, dominee.’ Mijn vrije uurtje was veilig. Veilig? Moeder placht in die tijd, meestal vrij onverwachts, op sommige zondagochtenden de djongos om een rijtuig naar de stalhouderij te sturen, een tikje uitdagend aan te kondigen dat ze naar de kerk ging en een van ons als gezelschap aan te wijzen. Dat lot trof mij een paar weken na mijn abrupte bekering. Ik heb in die kerk een uur lang op spelden gezeten, duizend uitvluchten verzonnen en telkens als de man op de kansel zijn ogen over zijn gehoor liet dwalen een triomfante blik in mijn richting gezien. Maar zelfs toen moeder hem na de dienst nog even aansprak, ik met afgewend gezicht ernaast, gaf hij geen teken van argwaan. Ik heb er niet van geleerd niet te liegen: wel dat je zuinig moest zijn met je leugens en ze met de uiterste waarborgen tegen ontdekking omgeven. Een mens moet af en toe liegen, maar het is beschamend en vernederend er op betrapt te worden.

Romein-Verschoor – Omzien, 47a

[Subaya 2 – Meisjes] 

Van de Simpangschool verhuisde ik na een jaar naar de h.b.s. achter mijn oudere broer en zuster aan. Ma had mij van klein kind af geprikkeld met het vaste, meewarig uitgesproken oordeel: ‘An heeft stuipen gehad, die kan niet leren, die moet maar naar de kookschool.’ Of het nu kwam omdat er op Soerabaja geen kookschool was, in ieder geval kwam er aan mijn schoolkeuze geen discussie te pas. Tot mijn vreugde, want even had ik me bedreigd gevoeld door de deftige meisjesmulo op Genteng. Misschien waren mijn ouders te zeer doordrongen van Thorbeckes ideaal, ook zonder dat ze zich voorlopig nog verdiepten in onze toekomst-mogelijkheden.

Romein-Verschoor – Omzien, 49

[Surabaya – h.b.s.]

Op normale dagen gingen we met de stoomtram van zes uur naar school. Om half een draafden de Oedjoengkinderen onder de gloeiende tropenzon het schoolerf aan de Aloon-aloon af om de om het uur rijdende tram ‘naar beneden’ niet te missen. De tram naar de woonwijk in de bovenstad ging 10 minuten later en sloot dus beter op de schooluren aan. Wie het eerst aan de halte was, ging op de rails zitten om de beleefd soebattende Javaanse machinist van het trammetje te dwingen op de anderen te wachten.

Romein-Verschoor – Omzien, 51-52

[Surabaya – Stadstuin]

Een mysterieus en mistroostig waas hangt om nog een andere logeerpartij. Ti en ik mochten 's zondagsavonds om beurten mee - de ander bleef thuis om op de kleintjes te passen, want ‘kinderen werden bij ons niet aan baboes overgelaten!’ - naar de Stadstuin, een omheind parkje op de Aloon-aloon, waar een of andere militaire kapel een populair concert gaf. Daar onderdoor drentelde men wat rond, schikte zich op ijzeren tuinzitjes tot babbelende gezelschapjes, want deze concerten lagen nog in de 19de-eeuwse biertuinsfeer en niet in de geheiligde van het Concertgebouw. Na afloop volgde als vast ritueel het glaasje limonade of een ijsje met een taartje bij Grimm of Hellendoorn. De uiterst zuinige rantsoenering van versnaperingen bij ons thuis en in zeer veel gezinnen van die tijd moet wel de oorzaak geweest zijn, dat ik altijd ben blijven wankelen in mijn voorkeur voor of dit op den duur vrij saaie uitgangetje of de ‘vrije’ avond thuis. De muziek deed me niet veel, het aantrekkelijkste was om onder het gesprek der ouderen op een stuk dat zich daartoe leende in verbeelde pirouettes mee te dansen, of van de potpourri's, waar de kapelmeester blijkbaar verzot op was, bij jezelf een raadselspelletje te maken. De stadstuinconcerten dienden de Soerabajase burgerij niet het minst om te zien en gezien te worden, een soort nette huwelijksmarkt. Een aangewaaide kennis die vaak aan ons tafeltje neerstreek, mevrouw P., een verindischte dame, altijd vergezeld van twee mollige, maar saaie en in mijn ogen al oude dochters, vulde haar conversatie in hoofdzaak met de verlovingskansen van de meisjes uit haar kennissenkring, waarbij het totok-zijn en het maandsalaris de waarde van het wild aangaven. ‘Heeft u het al gehoord?’ zei ze dan met rollende r's. ‘Juffrouw A. gaat zich verloven met mijnheer B. Pas uit Holland!’ En met opgestoken vingers: ‘Driehonderd gulden, kan zeshonderd worden!’

Romein-Verschoor – Omzien, 53-55

[Subaya 2 – Resident] 

Een relatie waar ma geheel en al achter stond was die van mijn oudste broer met de familie van de resident. Men moet de klank van het woord resident in het oude Indië geproefd hebben om dat geheel na te voelen. De toenmalige resident van Soerabaja was getrouwd met een vriendelijke, dikke Indische dame, die er zich op toelegde, haar zes eigen kinderen en al de andere, die in de weekeinden het paleisjesachtige residentiehuis bevolkten, grondig te verwennen. Mijn oudste broer was van kind af uiterst plichtgetrouw en het sprak voor hem vanzelf dat hij in dat roerige wereldje zich zondagsmorgens onverstoorbaar met zijn huiswerk terugtrok, waarbij hij zijn vriend, de oudste zoon des huizes en vaak ook nog wel een paar anderen meetrok. De resident die zich zorgen maakte over zijn al te zorgeloos opgroeiende kinderen, zag een goede gangmaker in hem en stelde mijn ouders voor hem tot vaste weekeindgast te maken. Dat gaf een ernstig conflict. Vader vond, dat hij al te veel van de jeugd van zijn kinderen gemist had om ze nu op de vrije dagen niet liever bij elkaar te houden, ma zag de jongen ik weet niet wat voor maatschappelijke kansen ontgaan door het afbreken van deze relatie. Het liep op een compromis uit, waarbij ook Ti en ik af en toe werden meegenodigd, maar wij voelden ons er nooit helemaal thuis. Het residentiehuis was toen, afgezien van de opeengedrongen kantoren en Chinese winkels in de benedenstad het enige gebouw in de stad met een verdieping en twee breed gerekte zijvleugels met een zuilengalerij ervoor, in mijn herinnering een soort klein Soestdijk. Wij voelden er ons als een paar provinciale harkjes in Hollywood tegenover al de overdaad van eten en drinken, door deftige bedienden aangedragen, tegenover de gracieuze dochters des huizes, die vurige tango's dansten en mijn broer het hoofd op hol brachten, tegenover het nonchalant advies van de gastvrouw op het eind van de avond om maar ergens een slaapkamer op te zoeken – onze schrik toen we er een binnen liepen, waar we een oude, half-kindse grootvader, van wiens bestaan we niet wisten, in zijn slaap stoorden! We vonden het wel allemaal heerlijk en overweldigend en lekker ook vooral, maar we stonden er tegelijk bedremmeld en kritiserend tegenover. We distantieerden ons een beetje van Jans aanbidding van de hele familie en we hadden ook ernstige bezwaren tegen de gewoonte van mevrouw E. om 's zondagsmorgens tot herstel van de bedorven magen, die zij de vorige avond systematisch gekweekt had, in sarong en kabaai door haar uitgestrekt domein te dwalen met een grote fles wonderolie onder haar arm, waarvan ze ieder kind, dat ze tegenkwam resoluut een lepel vol in de mond duwde.

Romein-Verschoor – Omzien, 55

[Surabaya – h.b.s.]

De Soerabajase h.b.s., een grote school met zes parallelklassen aan het begin, stond op een ruim terrein aan de Aloon-aloon op de hoek van de Sociëteitstraat. Ik kwam erop via een toelatingsexamen dat me weinig moeite kostte. We hadden school van 7-1 met drie vrije kwartieren ertussendoor, en behalve de normale zomervakantie van de Hollandse scholen de maand november als de warmste van het jaar vrij. Ik geloof niet, dat het niveau van deze koloniale school beneden het gemiddelde in Holland lag en in ieder geval hadden we er een merkwaardig stel leraren. We leerden er goed Engels van een atletische tennisser, die graag de verfijnde gentleman speelde en die altijd een van de jongens naar buiten stuurde, zodra de kettingjongens met hun harde bezems om de hoek verschenen: ‘Tell that man to stop or I'll kill him!’ Onder de hoge waringins op het schoolerf regenden namelijk het hele jaar door de dorre bladeren neer, die door veroordeelde dwangarbeiders in grauw jute gekleed, een ijzeren band om de nek en een ketting tussen de enkels, eindeloos met een schrapend geluid werden bijgeveegd.