Scholte – Anak kompenie, 1

[Surabaya – Stadstuin]

Ze moet acht of tien jaar oud zijn geweest de kleine Djemini, toen ze tussen de andere nontonners in stond te dringen voor de beste plaats om te kunnen kijken naar de feestende ‘wong-londo’ in Surabaia’s Stadstuin, waar juist Matiné Dansant werd gegeven. Dat ze eigenlijk op pasar Turi moest zijn voor haar moeders boodschappen, och, moeders wachten wel. De tètterende muziek en ramee-ramee in die Stadstuin was zoveel meer opwindend voor een kleine gendoh die zich de tijd nam.

Scholte – Anak kompenie, 1-2

[Surabaya – Sulung] 

Djemini kreeg meer slaag dan eten, waardoor ze schriel en ondermaats was gebleven. Het eerste kwam door haar 'bradjak-natuur' en ondeugende streken en aan het tweede konden zij, noch haar ouders iets doen. Het soldij van een Inheemse militair bedroeg in het begin van deze eeuw ook maar een kwartje per dag; of hij nu één kind had om te voeden en te kleden, of wel een talrijk kroost.
Trots in zijn uniform marcheerde hij barrevoets mee met zijn blanke wapenbroeders. En Djemini’s vader was militair, die met zijn gezin in tangsi Sulung was ondergebracht. Djemini was dus een 'anak kolong', zoals alle tangsikinderen werden genoemd.
Oorspronkelijk was dit als een scheld- en spotnaam bedoeld, later werd het een ere-naam die met trots werd gedragen toen de vaders terugkwamen uit de ‘oorlogen’: Bone, Bali, Lombok en Atjeh. Al dan niet onderscheiden met ordetekenen voor moed, beleid en trouw. De glans des vaders die als helden werden vereerd bij hun terugkomst van ‘perang-sabrang’ straalde af op hun kinderen, die buiten de tangsi’s zo mogelijk nog meer de branie gingen uithangen. Van de anak kolong was bekend dat er beter mee te eten was dan te vechten. Ze waren vermetel, fel en gevat.
De tangsi was het militaire kampement waar soldaten-manschappen, korporaals en soms onderofficieren van het ‘Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger’ in waren ondergebracht. De Inheemse militairen woonden er apart in chambrees met hun gezinnen. Evenals de ‘budjangs’ of vrijgezellen. In tegenstelling tot de éénmans-britsen met strozak voor de budjangs, had de gehuwde Inheemse militair de beschikking over een stapelbed van ijzer en planken voor hemzelf en zijn gezin, met de bijbehorende ruimte tussen twee stapelbedden. Ruimten, die breder waren dan normaal voor de budjangs, omdat de kinderen er op de vloer sliepen, op tikars. De kolong heette de ruimte onder de bedden; deze ruimten werden eveneens benut als slaapplaats indien een gezin veel kinderen telde. Zo ontstond de naam: anak kolong. Elk stapelbed met de bijbehorende ruimte was van het volgende afgescheiden door schutsels of afscheidingen van zeildoek, die als gordijnen neerhingen aan strakgespannen ijzerdraden. Deze waren met krammen in de muren bevestigd en de ‘gordijnen’ eraan zodanig aangebracht tussen de stapelbedden, dat de illusie van een ‘eigen’ appartement werd geschapen. Bij elk appartement behoorde een muurkast met dito schapje om het ameublement te completeren. Alleen in het onderbed was de klambu bevestigd, die tot vaders uitrusting behoorde. Kinderen voelden geen muskietenbeten als ze eenmaal sliepen.

Scholte – Anak kompenie, 14-15, 18

[Surabaya – Sambongan] 

Nadat zich bij Djemini zekere verschijnselen hadden geopenbaard, die haar van klein meisje tot ‘jonkvrouw’ maakten, achtten haar ouders het tijd om haar uit te huwelijken. Na lang zoeken en rijp beraad werd een geschikte huwelijkscandidaat gevonden. Ofschoon hij ‘anak kolong’ was, viel hun keus op Oerip. Een flinke jongeman met goede manieren en nóg betere ‘peningset’ een ‘schenking des verbonds’, bestaande uit sieraden, goederen of geld, die een jongeman voor een bruid overheeft.
Oerip was gelegerd in tangsi Sambongan; hij was een eerzuchtig jongmens met een gunstige conduitestaat.
Tijdens een spelletje ‘main-kopjok’ merkte één van Djemini’s speelgenoten op: “Nih, je wordt al gauw uitgehuwelijkt nietwaar?”
De toegesprokene, al dadelijk haar stekels opzettend vroeg: “Wie zegt dat!” “Allah, weet je dat niet; je moeder vertelde het notabene aan de mijne”, verweerde de ander zich.
Djemini ‘kopjokte’ de kaarten in de holte van haar beide handen en wierp ze op. De kaarten dwarrelden neer. “Ik weet nergens van”, zei ze schouderophalend en boog zich meteen naar de grond om te zien of haar kaart open lag, en of ze aanspraak zou kunnen maken op de pot. En de kinderen speelden verder...
[…] Toen de feestdagen voorbij waren, vertrok het jonge paar naar tangsi Sambongan, het kampement van Oerip. Gedurende de feestdagen had Djemini nog altijd op de grond geslapen tussen haar adiks en haar moeder. Nu zij Oerips vrouw was, diende ze het bed met hem te delen, begreep ze. Maar het zinde haar allerminst. Ze ontrolde haar matje op het bovenbed en klauterde erop. Verbaasd stak Oerip zijn hoofd uit de klamboe in het onderbed en vroeg zacht waarom ze niet bij hem kwam liggen. “Dank je feestelijk! Ik slaap niet met vreemden!” was Djemini’s antwoord. Begrijpend dat hij nog wat geduld moest hebben, bood hij aan dat hij boven zou slapen, een aanbod dat gretig werd aanvaard. Vermoeid door de drukte van de afgelopen dagen, sliep Djemini onmiddellijk. Maar si Oerip niet.
Toen hij aan de geluiden rondom merkte dat iedereen in diepe rust was, meende hij dat de tijd gekomen was om naar het onderbed te verhuizen. Djemini was niet voor niets een brandal en een bradjak – een deugniet en een branie –; ze verzette zich met tanden en nagels, waarna hij met lede ogen moest aanzien hoe ze uit het echtelijke bed glipte en naar buiten liep. In de mening dat ze naar de toiletten ging, draaide de versmade bruidegom zich op zijn zij en sliep in, onkundig van wat zijn vrouw deed. Die was intussen onder de kawat, door een droge sloot uit de tangsi naar buiten gekropen en naar huis gerend, naar tangsi Sulung.

Scholte – anak kompenie, 21-22

[Jakarta 6 – Waterlooplein] 

Djemini had allang geleerd te zwijgen, hoeveel hartzeer zijn uitlatingen haar ook deden. Huilen deed ze als ze alleen was, als Radian dienst had. Maar de dag kwam dat ook Radian zijn Waterloo zou vinden.
Het was Koninginnedag, 31 augustus.
Van ’s morgens zes uur af al, had Radian gelijk met de andere militairen voor de parade op het Waterlooplein in het gelid gestaan; daarna gemarcheerd en gesjouwd tot hij eindelijk tegen twaalf uur weer terug was op zijn chambree, lichtelijk aangeschoten door de drank in de cantine, waar een receptie was gehouden. Hij schrokte het eten naar binnen dat Djemini voor hem klaar had gezet, en ging daarop naar bed om zijn roes uit te slapen.
Djemini wist, dat als ze nu de kans voorbij liet gaan, ze die ook nooit meer krijgen zou. De vermoeiende morgen, de alcohol en het voedsel deden hun werk want Radian sliep als een os. Maar hij was niet zo aangeschoten dat hij van zijn gewoonte afweek om zijn geldbuidel onder het hoofdkussen te leggen.
Op de grond gehurkt, aan het hoofdeinde van het bed, liet Djemini haar vingers onder het hoofdkussen glijden, tot haar vingers de geldbuidel raakten. Eindelijk kon ze de buidel grijpen in de klem van twee vingers. Centimeter voor centimeter trok ze deze naar zich toe. Telkens als Radians ademhaling onrustig werd, hield ze even op. Na wat haar een eeuwigheid leek, gaf de geldbuidel eindelijk mee. In een uiterste hoek van het vertrek knipte ze hem open en nam er twee rijksdaalders uit; de rest liet ze zitten. Dat de deur afgesloten was, vormde voor iemand als Djemini geen enkel bezwaar. Als een aap klauterde ze op het hoge vensterkozijn, en liet zich pardoes aan de andere kant op de plavuizen vallen.
Ze ging niet naar Surabaia. Daarvoor was het geld in de eerste plaats niet toereikend en in de tweede plaats ging er maar één trein die in de vroege morgenuren vertrok.
Djemini ging naar Batudjadjar, waar ze nog familie had wonen.

Scholte – Anak kompenie, 34

[Surabaya – Stadstuin]

Piet en Jimmy verhuisden naar Gatottan en huurden er ‘parteklir’ een bescheiden woning uit een rij ‘pèttakhuisjes’. Het was voor beiden een ongekende weelde om uit de drukte van een tangsi te leven. Om te slapen in een echt ledikant met bultzak en klambu. Voor Jimmy een plezierige belevenis om een keuken te bezitten zonder pottenkijkers om zich heen. ’s Morgens ging Piet op tijd de deur uit om zijn dienst in de tangsi te verrichten, en tegen half één ’s middags thuis te komen. ’s Middags om vijf uur wandelden beiden gezellig door de winkelwijk van Pasar Tundjungan. Soms, tegen dat de schemering viel, kuierden ze naar Pasar Turi met een rantang-pannetje bij zich om bamie te kopen. Daarna liepen ze verder naar de muziekkoepel bij de Stadstuin. Zo, op het gras gezeten, een beetje achteraf bij wat heesters om niet op te vallen, aten Piet en Jimmy, genoegelijk van de bamie. Terwijl ze genoten van de uitvoering die de Stafmuziek gaf. Hun plezier behoefde zeker niet onder te doen voor die van andere Europese paartjes in de restaurants aan een delikaat gedekte tafel met uitgelezen spijzen en een diskreet strijkje op de achtergrond. Gelegenheden, die eenmaal taboe waren voor de ‘mindere’ militair.

Scholte – Anak kompenie, 38-39

[Jakarta 4 – Kebon Djeruk] 

Nonnah Liplap werd een meisje genoemd dat een Hollandse vader en een ‘Inlandse’ moeder had. Joost mag weten waarom. Zoals Linda, het dochtertje van Piet en Jimmy. Linda zag er net zo uit als alle Indische kinderen: bruin haar, bruine ogen en een ‘koppi-susu-velletje’. Precies als alle Indische kinderen in die dagen, liep Linda overdag rond in een gemakkelijke hansop; liefst met voor op de buik een ruime zak erop gestikt, om katjang garing enzovoorts te bergen.
’s Middags na het bad om vier uur of half vijf kreeg ze een jurkje aan en schoentjes, die ze meestal binnen een uur weer uitdeed.
Linda bleef tot haar vierde jaar enig kind van Piet en Jimmy; daarna kwam er ongeveer elk anderhalf jaar eentje bij. Tot ze het half dozijn bijna compleet hadden. Linda’s vroegste herinnering was op Kebon Djeruk in Weltevreden, toen ze amper drie jaar was. Het was het incident met ganzen. Ze kon zich nog wel herinneren dat ze het straatje voor hun huis moest oversteken om bij haar geliefkoosde speelplaats te komen. Ondanks het verbod en menige petsen op haar bips, keerde ze er toch telkens weer terug. Tot die dag de ganzen haar spel kwamen verstoren. De dieren, waar ze nauwelijks een hoofd boven uitstak, waren blijkbaar nieuwsgierig komen aanlopen op het naargeestig knerpen en piepen van Linda’s speeltuig. Op Linda’s liefste speelplaats stond namelijk een lange overdekte muur, waaruit enkele verroeste ijzeren stangen staken. Ze kon er op haar tenen staand juist bij, om die stangen te bewegen, waardoor een vreselijk knarsen en piepen ontstond. Daar had ze zich gevangen gevoeld in de onheilspellende kring van vervaarlijk uitziende snavels, die dreigend langs de grond scheerden, terwijl ze oorverscheurende goang-goang-kreten slaakten. ‘Kapok’ ze kwam er nooit weer.
Misschien was die overdekte muur een wissel- of pleisterplaats geweest voor post- en pakpaarden. In de nabijheid was ook nog een langwerpig gemetselde bak – waaruit paarden vroeger misschien wel hadden gedronken – met allerlei rommel erin; bladerafval, kapotte flessen, potscherven en roestige blikken. Eens zag ze er een dooie kat in liggen, die nog leek te ademen door de krieuwelende maden in zijn buik. Mooie blauwe vliegen gonsden eromheen.

Scholte – Anak kompenie, 59-61

[Jakarta 4 – Jl Hasyim Ashari] 

Linda’s eerste intrede in de ‘grote wereld’ van andere Europese kinderen was een sensatie die ze evenmin licht vergeten zou. Het was toen ze voor het eerst naar de grote school ging in gang Chaulan. De familie woonde toen op het eind van gang Bruin Kops, die nagenoeg midden in de kampong van gang Brènkok lag, zoals de naamsverbastering luidde.
Bestond tevoren Linda’s wereldje alleen uit kameraadjes zoals Lies en Elvira, Su en Miram en de tangsi- of kampongkinderen, op school ging ze pas deel uitmaken van de Europese kindergemeenschap. Met een feestelijke strik in het haar en een vuurrood schortje met witte biesjes over een bloemetjesjurk, werd Linda op een morgen naar school gebracht door haar vader. Haar feeststemming zakte tot absoluut nulpunt toen pap haar na een flinke zoen achterliet bij een vreemde juffrouw en nog vreemdere kinderen.
Het liefst had ze het uitgesnikt van ellende en verlatenheid, maar ze durfde eenvoudig niet. Uit schaamte dat vreemden haar zouden zien huilen. Het enige dat haar aan thuis verbond, was het mooie sponsblik met leuke figuurtjes erop en het grote boterhammenblik met blauw deksel aan een blauw lint, dat ze om haar hals had hangen. Ze klemde de voorwerpen stijf tegen zich aan, alsof ze er moed uit wilde putten. Maar het viel allemaal erg mee. De juf was heel lief, terwijl een meisje van Linda’s eigen leeftijd zich over haar ontfermde.
De school bleek een openbaring van nieuwe vreemde dingen voor Linda. Opwindend ook. Ze mocht met blokken spelen, kleurige matjes vlechten en felgekleurde stukjes papier plakken op een vel. In de pauze at ze de meegebrachte boterhammen, net als de andere kinderen.
Het was een feest op zichzelf om zelfstandig brood op te eten, zonder aansporing van Tjang of haar ouders. Linda voelde dat ze groot ging worden; dat ze deel uitmaakte van de wereld-van-andere-kinderen, die al flink zelfstandig waren. Een beetje afzijdig keek ze toe, hoe de kinderen zich vermaakten met spelen die ze nog niet kende. Touwtje springen, boter-melk-kaas-spelen en bikkelen! Dat was nog eens iets anders dan het ‘gattèngan’ met steentjes, zoals ze van Su had geleerd.
Met een steek van afgunst merkte Linda hoe de andere kinderen de Hollandse taal rad en vlot konden spreken. Iets waar zij nog verschrikkelijk veel moeite mee had. Hierdoor alleen al kreeg ze het gevoel dat zij anders was dan de anderen. Dat zij ergens buiten stond. Het was de oorzaak van het gevoel van eenzaamheid dat haar gedurende het grootste deel van aar leven zou beheersen.
Het ging Linda aan het hart wanneer ze andere kinderen wel eens nonchalant met hun brood zag omgaan. Tjang had haar geleerd dat een mens altijd eerbied voor het voedsel diende te hebben. Het kostte zweet en moeite aan degenen die padi zaaiden en oogstten, in alle weersomstandigheden. Het voedsel was een genadige gave der goden waar men eerbied aan was verschuldigd. Dit was Linda ingeprent.
Sommige kinderen kregen een beker melk of chocolade, op een presenteerblaadje met een hagelwit servetje bedekt, die door babu of djongos van thuis werd gebracht. Het was Linda onbegrijpelijk waarom sommige van die kinderen daarbij vieze gezichten trokken. Meer dan de helft lieten ze staan en ze werden onhandelbaar, brutaal als de bedienden erop aan drongen dat ze de bekers moesten leegdrinken.
Watertandend keek Linda de verdwijnende babus en djongossen na. Ze kon zien hoe deze de bekers dan maar zelf leegdronken.

Scholte – anak kompenie, 96-97 

[Jakarta 6 – School] 
[Jakarta 6 – Kruispunt] 

Na Linda’s twaalfde verjaardag, verhuisde de familie naar Batavia, waarheen pap was overgeplaatst. Ze woonden er de eerste tijd in Gang Adjudant op Kwitang.
De school die Linda en haar adiks bezochten, stond aan de Schoolweg, tussen Pasar Baru en Gunung Sahari. In een gehuurde deleman gingen ze er elke morgen heen. Na schooltijd werden ze er weer mee afgehaald. In die tijd onderging Linda de sensatie van het eerste schoolvriendje.
Hij heette Hans. Een blonde jongen met duizend sproeten. Op een morgen ontdekte ze hem opeens onder een boom bij de Dick de Hoogschool, zittend op zijn fiets.
Hij reed achter hun karretje aan. Hij zei niets. Hij lachte alleen af en toe. Dan lachte ze aarzelend terug. Iedere morgen de vreugde van het weerzien, zonder meer.
Ze kwamen wel iets van elkaar te weten: hun namen, hun scholen, de klas, hun huis … Trouw wachtte Hans onder ‘zijn’ boom tot hun karretje kwam. Dan reed hij er achter aan.
Voorbij het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen aan het Waterlooplein moest Hans rechtsaf de Vrijmetselaarsweg in naar zijn school, de K.W.S. Op dat kruispunt scheidden zich hun wegen. Met een lach, een ‘dag’ en een brede armzwaai van Hans …
De aanbidding duurde niet langer dan een paar weken, maar Linda werd zich voor het eerst bewust dat een meisje geen jongen was. Een ontdekking waaruit vrijmoedigheid geboren werd, die uitgroeide tot overmoed. Want het was stellig aan overmoed toe te schrijven, meer dan aan gebrek aan eerbied, dat ze op een keer haar moeder tutoyeerde.
“Zeg dame”, zei pap die daarvan getuige was, “mag ik uwes eraan herinneren dat uwes het niet tegen een vriendinnetje hebt, maar tegen uwes moeder?” Linda holderdebolderde uit de hoogste torens naar de diepste kerkers van haar gemoed, want ze wist maar al te goed dat ze zich wel kon ‘opbergen’ wanneer haar vader zo ‘gek’ deed.