Scholte – Anak kompenie, 1

[Surabaya – Stadstuin]

Ze moet acht of tien jaar oud zijn geweest de kleine Djemini, toen ze tussen de andere nontonners in stond te dringen voor de beste plaats om te kunnen kijken naar de feestende ‘wong-londo’ in Surabaia’s Stadstuin, waar juist Matiné Dansant werd gegeven. Dat ze eigenlijk op pasar Turi moest zijn voor haar moeders boodschappen, och, moeders wachten wel. De tètterende muziek en ramee-ramee in die Stadstuin was zoveel meer opwindend voor een kleine gendoh die zich de tijd nam.

Scholte – Anak kompenie, 1-2

[Surabaya – Sulung] 

Djemini kreeg meer slaag dan eten, waardoor ze schriel en ondermaats was gebleven. Het eerste kwam door haar 'bradjak-natuur' en ondeugende streken en aan het tweede konden zij, noch haar ouders iets doen. Het soldij van een Inheemse militair bedroeg in het begin van deze eeuw ook maar een kwartje per dag; of hij nu één kind had om te voeden en te kleden, of wel een talrijk kroost.
Trots in zijn uniform marcheerde hij barrevoets mee met zijn blanke wapenbroeders. En Djemini’s vader was militair, die met zijn gezin in tangsi Sulung was ondergebracht. Djemini was dus een 'anak kolong', zoals alle tangsikinderen werden genoemd.
Oorspronkelijk was dit als een scheld- en spotnaam bedoeld, later werd het een ere-naam die met trots werd gedragen toen de vaders terugkwamen uit de ‘oorlogen’: Bone, Bali, Lombok en Atjeh. Al dan niet onderscheiden met ordetekenen voor moed, beleid en trouw. De glans des vaders die als helden werden vereerd bij hun terugkomst van ‘perang-sabrang’ straalde af op hun kinderen, die buiten de tangsi’s zo mogelijk nog meer de branie gingen uithangen. Van de anak kolong was bekend dat er beter mee te eten was dan te vechten. Ze waren vermetel, fel en gevat.
De tangsi was het militaire kampement waar soldaten-manschappen, korporaals en soms onderofficieren van het ‘Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger’ in waren ondergebracht. De Inheemse militairen woonden er apart in chambrees met hun gezinnen. Evenals de ‘budjangs’ of vrijgezellen. In tegenstelling tot de éénmans-britsen met strozak voor de budjangs, had de gehuwde Inheemse militair de beschikking over een stapelbed van ijzer en planken voor hemzelf en zijn gezin, met de bijbehorende ruimte tussen twee stapelbedden. Ruimten, die breder waren dan normaal voor de budjangs, omdat de kinderen er op de vloer sliepen, op tikars. De kolong heette de ruimte onder de bedden; deze ruimten werden eveneens benut als slaapplaats indien een gezin veel kinderen telde. Zo ontstond de naam: anak kolong. Elk stapelbed met de bijbehorende ruimte was van het volgende afgescheiden door schutsels of afscheidingen van zeildoek, die als gordijnen neerhingen aan strakgespannen ijzerdraden. Deze waren met krammen in de muren bevestigd en de ‘gordijnen’ eraan zodanig aangebracht tussen de stapelbedden, dat de illusie van een ‘eigen’ appartement werd geschapen. Bij elk appartement behoorde een muurkast met dito schapje om het ameublement te completeren. Alleen in het onderbed was de klambu bevestigd, die tot vaders uitrusting behoorde. Kinderen voelden geen muskietenbeten als ze eenmaal sliepen.

Scholte – Anak kompenie, 2-5

[Cimahi – Concubinaat] 

Het leven van alledag was ingesteld op het signaal van de hoornblazer, terwijl de vrouwen en kinderen evengoed aan de militaire tucht en reglementen gebonden waren als hun mannen en vaders. Want vóór alles: orde en regel moest er zijn. Het begon ’s morgens in alle vroegte al om zes uur, wanneer de hoornblazer de reveille blies. Dit was het teken dat de chambrees moesten worden ontruimd; de mannen om hun dienst te verrichten na het ochtendappèl, de vrouwen en kinderen om te verhuizen naar de vrouwenloodsen, die doorgaans achter op het terrein van de tangsi’s waren gebouwd.
De kookloods, waar de gezinnen overdag grotendeels verbleven, was een grote, overdekte ruimte, waarin dwars op elkaar stenen aanrechten in carré waren geplaatst met ruimten eronder, waar de vrouwen hun kook-attributen in konden opbergen; op de aanrechten konden ze hun maaltijden koken.
De vaatwas deden ze op de daarvoor bestemde plaatsen: hetzij in de kookloods zelf, hetzij vóór de kookloods op lange stenen tafels waarboven de waterleiding liep met enkele tapkranen eraan. De badkamers voor de gezinnen en die voor de mannen lagen apart, maar waren gelijk van opzet en bouw, eveneens bestemd voor het gemeenschappelijk gebruik.
Tegen de muur was een eindeloos lange mandibak aangebracht met een houten rooster toegedekt op een reeks smalle openingen na, waar doorheen juist een gajong of klein emmertje paste om het water uit te scheppen. Tangsi-kinderen waren natuurlijk enthousiaste zwemmers. Ook de wasplaatsen waar de vrouwen hun klerenwas deden – een overdekte tegelvloer, waarop een paar neuten waren aangebracht, waar doorheen de buis liep van de waterpomp – waren bestemd voor het algemeen gebruik. De vouwen verrichten hun gewone bezigheden in de loodsen, gingen daarna naar de pasar voor de dagelijkse inkopen, en kookten hun maaltje op hun afdeling van de kookloods.
Om twaalf uur op het signaal: afslag-blazen, keerden ze terug naar hun chambrees, met de ijzeren rijstketel in de ene, en welgevulde rantangs in de andere hand. De maaltijd gebruikten ze naar believen op hun ‘eigen tampatje’ in de chambree of aan de lange houten tafels met dito banken in de corridors.
Van twaalf tot vijftien uur mochten ze in hun chambrees verblijven. Dan moesten ze weer worden verlaten; de vrouwen begaven zich naar de loodsen, de mannen moesten soms nog dienst doen en zich in elk geval op het middag-appèl melden om zestien uur. Om zeventien uur mochten gezinnen weer in hun chambrees, ook wel secties genoemd terugkomen, tot de volgende morgen.
Behalve de chambrees voor gehuwden en budjangs, stonden nog geheel apart daarvan lange, lage stenen gebouwtjes, veelal langs de kawat, die de grens van de tangsi vormde. Deze gebouwen bevatten een reeks kamers volgens het paviljoen-systeem zoals ook gebruikelijk was bij de meeste Indische hotels.
De Europese militair kon een dergelijke kamer toegewezen krijgen, als hij een ‘muntji’ of officieel: huishoudster had.
Zo vormde iedere tangsi een aparte gemeenschap. Er werd getrouwd en gerouwd, kinderen geboren en besneden met de onvermijdelijke selamatans, waarvoor eerst toestemming diende te worden gevraagd. De meeste zonen volgden hun vaders voorbeeld en ‘tekenden’ voor de ‘kompenie’ zodra ze er de leeftijd voor hadden; de dochters trouwden ‘in’ de tangsi van hun ouders of in die van hun echtgenoten bij een ander onderdeel. Bij de Genie, de Huzaren – verbasterd tot Ngusaran –, dan wel bij de Artillerie of de Cavalerie – verbasterd tot Kaplerie –, enzovoorts.
Overigens werd iedere nieuweling die van ‘buiten’ kwam, kritisch beoordeeld en in het ootje genomen als het ‘typisch domme provinciaaltje’. De anak kolong voelde zich eenmaal superieur aan de kampong-lieden. Wanneer de kinderen branie, ondernemend en vechtlustig waren, dan erfden zij die eigenschappen zeker van hun moeders. Het jarenlange verblijf – soms de volledige vijfentwintig jaren diensttijd van hun echtgenoten –, in een dichtbevolkte gemeenschap, waar het mijn-en-dijn angstvallig bewaakt diende te worden, had de vrouwen zo gemaakt. Wreed was de wijze, waarop zij hun ruzies beslechten. Een onmisbaar keuken-attribuut de rasp, een houten plankje bezet met millimeters-lange koperen dorens om klappers op te raspen, was een geducht wapen. De uitwerking was vreselijk als een ongelukkige die over haar mond, kin en wangen kreeg gewreven als straf voor haar geroddel. Niet minder gevaarlijk en pijnlijk was een kom vol fijngemaakte lombok-rawit, die een tegenstandster in haar gezicht gesmeerd kreeg. Erger nog, op niet nader te noemen plaatsen, als het een rivale betrof. De tangsivrouw was een Kenau die korte metten maakte; even rap met haar tong als met haar nagels. Terwijl haar stemgeluid in kracht en octaaf-bereik toenam met de groei van haar kindertal.
Mocht de tangsivrouw vlotter, vrijmoediger en zelfs ruwer zijn in optreden dan haar zusters in de kampongs en steden, ze was stellig niet slechter of beter dan deze. In tegenstelling tot de ‘buitenvrouwen’ zág de tangsivrouw ook meer van de wereld, door de veelvuldige overplaatsingen van hun echtgenoten; vaak zelfs naar garnizoensplaatsen buiten Java, over het gehele eilandenrijk van de Archipel.
Buiten het kwartje loon per dag dat hij eens per vijf dagen uitbetaald kreeg, ontving de gehuwde militair iedere week of veertien dagen ook levensmiddelen zoals rijst, suiker, zout, olie, stookhout, gezouten vis, zoute eieren, enzovoorts.

Scholte – Anak kompenie, 14-15, 18

[Surabaya – Sambongan] 

Nadat zich bij Djemini zekere verschijnselen hadden geopenbaard, die haar van klein meisje tot ‘jonkvrouw’ maakten, achtten haar ouders het tijd om haar uit te huwelijken. Na lang zoeken en rijp beraad werd een geschikte huwelijkscandidaat gevonden. Ofschoon hij ‘anak kolong’ was, viel hun keus op Oerip. Een flinke jongeman met goede manieren en nóg betere ‘peningset’ een ‘schenking des verbonds’, bestaande uit sieraden, goederen of geld, die een jongeman voor een bruid overheeft.
Oerip was gelegerd in tangsi Sambongan; hij was een eerzuchtig jongmens met een gunstige conduitestaat.
Tijdens een spelletje ‘main-kopjok’ merkte één van Djemini’s speelgenoten op: “Nih, je wordt al gauw uitgehuwelijkt nietwaar?”
De toegesprokene, al dadelijk haar stekels opzettend vroeg: “Wie zegt dat!” “Allah, weet je dat niet; je moeder vertelde het notabene aan de mijne”, verweerde de ander zich.
Djemini ‘kopjokte’ de kaarten in de holte van haar beide handen en wierp ze op. De kaarten dwarrelden neer. “Ik weet nergens van”, zei ze schouderophalend en boog zich meteen naar de grond om te zien of haar kaart open lag, en of ze aanspraak zou kunnen maken op de pot. En de kinderen speelden verder...
[…] Toen de feestdagen voorbij waren, vertrok het jonge paar naar tangsi Sambongan, het kampement van Oerip. Gedurende de feestdagen had Djemini nog altijd op de grond geslapen tussen haar adiks en haar moeder. Nu zij Oerips vrouw was, diende ze het bed met hem te delen, begreep ze. Maar het zinde haar allerminst. Ze ontrolde haar matje op het bovenbed en klauterde erop. Verbaasd stak Oerip zijn hoofd uit de klamboe in het onderbed en vroeg zacht waarom ze niet bij hem kwam liggen. “Dank je feestelijk! Ik slaap niet met vreemden!” was Djemini’s antwoord. Begrijpend dat hij nog wat geduld moest hebben, bood hij aan dat hij boven zou slapen, een aanbod dat gretig werd aanvaard. Vermoeid door de drukte van de afgelopen dagen, sliep Djemini onmiddellijk. Maar si Oerip niet.
Toen hij aan de geluiden rondom merkte dat iedereen in diepe rust was, meende hij dat de tijd gekomen was om naar het onderbed te verhuizen. Djemini was niet voor niets een brandal en een bradjak – een deugniet en een branie –; ze verzette zich met tanden en nagels, waarna hij met lede ogen moest aanzien hoe ze uit het echtelijke bed glipte en naar buiten liep. In de mening dat ze naar de toiletten ging, draaide de versmade bruidegom zich op zijn zij en sliep in, onkundig van wat zijn vrouw deed. Die was intussen onder de kawat, door een droge sloot uit de tangsi naar buiten gekropen en naar huis gerend, naar tangsi Sulung.

Scholte – anak kompenie, 21-22

[Jakarta 6 – Waterlooplein] 

Djemini had allang geleerd te zwijgen, hoeveel hartzeer zijn uitlatingen haar ook deden. Huilen deed ze als ze alleen was, als Radian dienst had. Maar de dag kwam dat ook Radian zijn Waterloo zou vinden.
Het was Koninginnedag, 31 augustus.
Van ’s morgens zes uur af al, had Radian gelijk met de andere militairen voor de parade op het Waterlooplein in het gelid gestaan; daarna gemarcheerd en gesjouwd tot hij eindelijk tegen twaalf uur weer terug was op zijn chambree, lichtelijk aangeschoten door de drank in de cantine, waar een receptie was gehouden. Hij schrokte het eten naar binnen dat Djemini voor hem klaar had gezet, en ging daarop naar bed om zijn roes uit te slapen.
Djemini wist, dat als ze nu de kans voorbij liet gaan, ze die ook nooit meer krijgen zou. De vermoeiende morgen, de alcohol en het voedsel deden hun werk want Radian sliep als een os. Maar hij was niet zo aangeschoten dat hij van zijn gewoonte afweek om zijn geldbuidel onder het hoofdkussen te leggen.
Op de grond gehurkt, aan het hoofdeinde van het bed, liet Djemini haar vingers onder het hoofdkussen glijden, tot haar vingers de geldbuidel raakten. Eindelijk kon ze de buidel grijpen in de klem van twee vingers. Centimeter voor centimeter trok ze deze naar zich toe. Telkens als Radians ademhaling onrustig werd, hield ze even op. Na wat haar een eeuwigheid leek, gaf de geldbuidel eindelijk mee. In een uiterste hoek van het vertrek knipte ze hem open en nam er twee rijksdaalders uit; de rest liet ze zitten. Dat de deur afgesloten was, vormde voor iemand als Djemini geen enkel bezwaar. Als een aap klauterde ze op het hoge vensterkozijn, en liet zich pardoes aan de andere kant op de plavuizen vallen.
Ze ging niet naar Surabaia. Daarvoor was het geld in de eerste plaats niet toereikend en in de tweede plaats ging er maar één trein die in de vroege morgenuren vertrok.
Djemini ging naar Batudjadjar, waar ze nog familie had wonen.

Scholte – Anak kompenie, 34

[Surabaya – Stadstuin]

Piet en Jimmy verhuisden naar Gatottan en huurden er ‘parteklir’ een bescheiden woning uit een rij ‘pèttakhuisjes’. Het was voor beiden een ongekende weelde om uit de drukte van een tangsi te leven. Om te slapen in een echt ledikant met bultzak en klambu. Voor Jimmy een plezierige belevenis om een keuken te bezitten zonder pottenkijkers om zich heen. ’s Morgens ging Piet op tijd de deur uit om zijn dienst in de tangsi te verrichten, en tegen half één ’s middags thuis te komen. ’s Middags om vijf uur wandelden beiden gezellig door de winkelwijk van Pasar Tundjungan. Soms, tegen dat de schemering viel, kuierden ze naar Pasar Turi met een rantang-pannetje bij zich om bamie te kopen. Daarna liepen ze verder naar de muziekkoepel bij de Stadstuin. Zo, op het gras gezeten, een beetje achteraf bij wat heesters om niet op te vallen, aten Piet en Jimmy, genoegelijk van de bamie. Terwijl ze genoten van de uitvoering die de Stafmuziek gaf. Hun plezier behoefde zeker niet onder te doen voor die van andere Europese paartjes in de restaurants aan een delikaat gedekte tafel met uitgelezen spijzen en een diskreet strijkje op de achtergrond. Gelegenheden, die eenmaal taboe waren voor de ‘mindere’ militair.

Scholte – Anak kompenie, 38-39

[Jakarta 4 – Kebon Djeruk] 

Nonnah Liplap werd een meisje genoemd dat een Hollandse vader en een ‘Inlandse’ moeder had. Joost mag weten waarom. Zoals Linda, het dochtertje van Piet en Jimmy. Linda zag er net zo uit als alle Indische kinderen: bruin haar, bruine ogen en een ‘koppi-susu-velletje’. Precies als alle Indische kinderen in die dagen, liep Linda overdag rond in een gemakkelijke hansop; liefst met voor op de buik een ruime zak erop gestikt, om katjang garing enzovoorts te bergen.
’s Middags na het bad om vier uur of half vijf kreeg ze een jurkje aan en schoentjes, die ze meestal binnen een uur weer uitdeed.
Linda bleef tot haar vierde jaar enig kind van Piet en Jimmy; daarna kwam er ongeveer elk anderhalf jaar eentje bij. Tot ze het half dozijn bijna compleet hadden. Linda’s vroegste herinnering was op Kebon Djeruk in Weltevreden, toen ze amper drie jaar was. Het was het incident met ganzen. Ze kon zich nog wel herinneren dat ze het straatje voor hun huis moest oversteken om bij haar geliefkoosde speelplaats te komen. Ondanks het verbod en menige petsen op haar bips, keerde ze er toch telkens weer terug. Tot die dag de ganzen haar spel kwamen verstoren. De dieren, waar ze nauwelijks een hoofd boven uitstak, waren blijkbaar nieuwsgierig komen aanlopen op het naargeestig knerpen en piepen van Linda’s speeltuig. Op Linda’s liefste speelplaats stond namelijk een lange overdekte muur, waaruit enkele verroeste ijzeren stangen staken. Ze kon er op haar tenen staand juist bij, om die stangen te bewegen, waardoor een vreselijk knarsen en piepen ontstond. Daar had ze zich gevangen gevoeld in de onheilspellende kring van vervaarlijk uitziende snavels, die dreigend langs de grond scheerden, terwijl ze oorverscheurende goang-goang-kreten slaakten. ‘Kapok’ ze kwam er nooit weer.
Misschien was die overdekte muur een wissel- of pleisterplaats geweest voor post- en pakpaarden. In de nabijheid was ook nog een langwerpig gemetselde bak – waaruit paarden vroeger misschien wel hadden gedronken – met allerlei rommel erin; bladerafval, kapotte flessen, potscherven en roestige blikken. Eens zag ze er een dooie kat in liggen, die nog leek te ademen door de krieuwelende maden in zijn buik. Mooie blauwe vliegen gonsden eromheen.

Scholte – Anak kompenie, 39-40

[Jakarta 8 – Onderofficier] 

Later verhuisde de familie naar Laan Trivelli, waar Linda’s vader een onderofficierswoning toegewezen kreeg uit een reeks, die grensde aan tangsihouwitzer’. Wanneer pap naar zijn werk ging, hoefde hij nooit over straat te gaan, want in de hoge heg van daon luntas, die het erf omsloot, had hij bij de gudang een opening gemaakt. Daar kon hij in en uit gaan om naar zijn werk in de tangsi te gaan.
“Morgen Mozes jarig Jimmy”, zei pap wel eens tegen haar moeder.
Linda begreep maar niet waarom die dan zo blij deed. Maar als ‘mozes jarig’ was, waren ze allemaal blij; Linda ook. Want als pap die dag van zijn werk kwam, bracht hij een dikke reep met fondant erin voor haar mee, en kreeg ze nog twee cent erbij voor snoep bij si Ajun, een kleine magere Chinees met een droeve hangsnor, die volgens Miran eigenlijk Linda’s vader was. Dit was zijn plagerij waar hij bij Linda het meeste succes mee had. Die kon dan stampvoeten en huilen van drift. Miran en Su kregen ieder ook een reep, maar in plaats van twee cent, kreeg ieder er twee ‘suku’ bij voor hun spaarpot. Met Inlands Nieuwjaar mochten ze die openbreken, om alle gespaarde halve guldens in te wisselen tegen papiergeld. Linda vond ze maar stoer doen als ze met dat papiergeld wuifden. Miran was mams jongste broer, die misschien negen jaar ouder was dan Linda; Su was mams jongste zusje, die maar zes of zeven jaar met Linda scheelde. Ofschoon deze eigenlijk oom en tante van haar waren, werden Miran en Su haar speelkameraadjes waar ze mee kibbelde en vocht, waar ze haar speelgoed en snoepgoed mee deelde. Op laan Trivelli waren Tjang en de kinderen voorgoed bij hun komen wonen. Tot Linda naar school ging, sprak ze doorgaans een mengelmoesje van Javaans-Maleis, doorspekt met enkele Hollandse woorden.

Scholte – Anak kompenie, 44-45

[Jakarta 8 – Onderofficier] 

Door een klein incident in die dagen op laan Trivelli, leerde Linda het verschil van opvatting kennen bij de ‘sense of humour’ tussen Oost en West. Het deed zich voor toen haar vader ziek was van een waarschijnlijke buikgriep, nadat de familie Van Brasem op ziekenbezoek was geweest.
Bij het afscheid zei de Heer Van Brasem tegen mam: ‘Ati-ati ja met Piet, awas kalo dia mati !’ Diep gekwetst kon mam na hun vertrek alleen maar staan huilen en klaagde haar nood bij haar vader, die juist voor enkele dagen was overgekomen.
Hevig gebelgd schroomde Linda’s grootvader niet om meneer Van Brasem bij diens volgende bezoek danig de les daarover te lezen. Hij zei: “Uw opmerking was beledigend. Die houdt een insinuatie in als zou Piets ziekte te wijten zijn aan vergiftiging. Wij mogen dan een bruine huid hebben, maar we houden ons niet op met misdadige praktijken. Dat is onze gewoonte niet.” Geschrokken maakte meneer Van Brasem gauw zijn excuses met het argument dat hij alleen maar grappig had willen zijn.
Als volwassene kon Linda de grap beter verstaan, want omgezet in het Hollands zou het gewraakte zinnetje weliswaar platvloers, maar toch wel geestig hebben kunnen klinken als: “Voorzichtig hoor met Piet, kijk maar uit dat-ie niet de pijp uitgaat !” De les die Linda trok uit het gebeurde was om voorzichtig te zijn met dergelijke stunts. Een succesvolle geestigheid in de ene taal, verloor doorgaans aan ‘pointe’ in de andere; het kon zelfs kwetsen in sommige gevallen.

Scholte – Anak kompenie, 56-57

[Jakarta 8 – Onderofficier] 

Schuin tegenover het huis op laan Trivelli stond een groot huis met een brede oprit. Linda herinnerde zich met wat een ontzag en nieuwsgierigheid de bewoners ervan werden besproken door haar familieleden.
In dat grote huis woonde namelijk een ‘tuan-besar’. Een sinjo, aan wie te zien was hoe dol hij op zijn moeder was. Het sprak bijzonder sterk tot hun verbeelding om te zien, met hoeveel tederheid en attenties hij zijn moeder omringde. “Dat was pas en zoon om trots op te zijn”, zei Tjang.
Niet zozeer omdat hij een tuan-besar was, maar wel omdat hij zijn moeder voor iedereen zichtbaar vereerde, al was die maar een ‘orang-djawa’, die gewoon in kain-kebaja liep. Zagen ze niet me eigen ogen hoe hij met haar opliep in de tuin, waar ze de planten en bloemen inspecteerde, met zijn arm om haar schouders geslagen? Hoe hij een tuinstoel voor haar aanschoof en met haar babbelde en lachte. Hoe hij haar aan het bezoek voorstelde dat met automobielen kwam aanrijden? Een zoon die zó voor zijn moeder was als deze tuan Beretty, die moest het zeker goed gaan in de wereld,
Zie ook [Jakarta 6 – Beretty]

Scholte – Anak kompenie, 57

[Jakarta 8 – Verloskundige kliniek] 

Toen Linda op haar vierde jaar een zusje kreeg, aanvaardde ze dat als iets onvermijdelijks. Het was op een morgen dat alle mensen in een feeststemming waren. Overal waren de vlaggen uitgestoken en alle schoolkinderen hadden oranjesjerpen om. Het was 30 april.
Mam werd met een ziekenauto weggehaald. Maar de volgende dag mocht Linda met haar vader mee naar het Hospitaal waar mam lag, om het zusje te zien.
De indruk die ze opdeed was een overheersend wit, overal waarheen ze keek. Witte, eerbied afdwingende rust. Lange eindeloze gangen, op de tenen lopen en zacht praten. Zusters die geruisloos liepen...
Enkele weken later toen mam weer thuis was, wandelde een trotse Linda naast de donkerblauwe kinderwagen met witte bolletjes langs de kaprand. Mam duwde de kinderwagen voort met pap aan de straatzijde naast haar.

Scholte – Anak kompenie, 59-61

[Jakarta 4 – Jl Hasyim Ashari] 

Linda’s eerste intrede in de ‘grote wereld’ van andere Europese kinderen was een sensatie die ze evenmin licht vergeten zou. Het was toen ze voor het eerst naar de grote school ging in gang Chaulan. De familie woonde toen op het eind van gang Bruin Kops, die nagenoeg midden in de kampong van gang Brènkok lag, zoals de naamsverbastering luidde.
Bestond tevoren Linda’s wereldje alleen uit kameraadjes zoals Lies en Elvira, Su en Miram en de tangsi- of kampongkinderen, op school ging ze pas deel uitmaken van de Europese kindergemeenschap. Met een feestelijke strik in het haar en een vuurrood schortje met witte biesjes over een bloemetjesjurk, werd Linda op een morgen naar school gebracht door haar vader. Haar feeststemming zakte tot absoluut nulpunt toen pap haar na een flinke zoen achterliet bij een vreemde juffrouw en nog vreemdere kinderen.
Het liefst had ze het uitgesnikt van ellende en verlatenheid, maar ze durfde eenvoudig niet. Uit schaamte dat vreemden haar zouden zien huilen. Het enige dat haar aan thuis verbond, was het mooie sponsblik met leuke figuurtjes erop en het grote boterhammenblik met blauw deksel aan een blauw lint, dat ze om haar hals had hangen. Ze klemde de voorwerpen stijf tegen zich aan, alsof ze er moed uit wilde putten. Maar het viel allemaal erg mee. De juf was heel lief, terwijl een meisje van Linda’s eigen leeftijd zich over haar ontfermde.
De school bleek een openbaring van nieuwe vreemde dingen voor Linda. Opwindend ook. Ze mocht met blokken spelen, kleurige matjes vlechten en felgekleurde stukjes papier plakken op een vel. In de pauze at ze de meegebrachte boterhammen, net als de andere kinderen.
Het was een feest op zichzelf om zelfstandig brood op te eten, zonder aansporing van Tjang of haar ouders. Linda voelde dat ze groot ging worden; dat ze deel uitmaakte van de wereld-van-andere-kinderen, die al flink zelfstandig waren. Een beetje afzijdig keek ze toe, hoe de kinderen zich vermaakten met spelen die ze nog niet kende. Touwtje springen, boter-melk-kaas-spelen en bikkelen! Dat was nog eens iets anders dan het ‘gattèngan’ met steentjes, zoals ze van Su had geleerd.
Met een steek van afgunst merkte Linda hoe de andere kinderen de Hollandse taal rad en vlot konden spreken. Iets waar zij nog verschrikkelijk veel moeite mee had. Hierdoor alleen al kreeg ze het gevoel dat zij anders was dan de anderen. Dat zij ergens buiten stond. Het was de oorzaak van het gevoel van eenzaamheid dat haar gedurende het grootste deel van aar leven zou beheersen.
Het ging Linda aan het hart wanneer ze andere kinderen wel eens nonchalant met hun brood zag omgaan. Tjang had haar geleerd dat een mens altijd eerbied voor het voedsel diende te hebben. Het kostte zweet en moeite aan degenen die padi zaaiden en oogstten, in alle weersomstandigheden. Het voedsel was een genadige gave der goden waar men eerbied aan was verschuldigd. Dit was Linda ingeprent.
Sommige kinderen kregen een beker melk of chocolade, op een presenteerblaadje met een hagelwit servetje bedekt, die door babu of djongos van thuis werd gebracht. Het was Linda onbegrijpelijk waarom sommige van die kinderen daarbij vieze gezichten trokken. Meer dan de helft lieten ze staan en ze werden onhandelbaar, brutaal als de bedienden erop aan drongen dat ze de bekers moesten leegdrinken.
Watertandend keek Linda de verdwijnende babus en djongossen na. Ze kon zien hoe deze de bekers dan maar zelf leegdronken.

Scholte – Anak kompenie, 69-71

[Cimahi – Leupen] 

Na een verblijf van twee maanden op Batavia verhuisden zij naar Tjimahi, waarheen Linda’s vader was overgeplaatst.
In de jaren dat de familie daar woonde, stond de onderofficierswoning die Linda’s vader toegewezen kreeg, aan het Rembrandtsplein achter de tangsi van het Militair Hospitaal Personeel. Daar woonden ze de langste tijd. Maar tevoren woonden ze nog in Gang Leupen, in een bilikhuis op neuten. In die tijd zag Linda voor het eerst het adu-dombak of de rammen-gevechten in de kampong achter hun huis.
Iedere zondagmorgen vroeg klonk de dringende cadans van de trommen, die de lucht deed trillen en Linda in opwinding bracht. In de schaduw van hoog oprijzende bamboestoelen rondom een wijde open ruimte, had zich de arena gevormd, waar de opgehitste rammen met diepgebogen koppen op elkaar instormden met hevig geweld. Soms kwam de botsing zo hard aan, dat het achterlijf omhoog werd geworpen. Tong, èèèèt! Dang-dieng-poong! klonken de trommen en de gong voortdurend, begeleid door het nasale geluid van een blaasinstrument, waar één der spelers met bolgespannen wangen onvermoeibaar op blies. De eigenaren van de vechtende rammen in de arena, vuurden hun dieren aan onder fel geschreeuw, terwijl ze de gelegenheid te baat namen om hun danslust bot te vieren in katachtige sprongen en soepele bewegingen, rondom de botsende rammen. Maar misschien móésten ze wel dansen op gezag van de dwingende trommen. Zij leken allen in trance te raken tijdens het gevecht: de dansende mannen en het publiek. Het was alsof ze bespeeld werden door het geluid van de fluit en de trommen, dat hen allen gevangen hield in een onverbrekelijke ban: de dansers, de kijkers én de bespelers.
Buiten de arena stonden met hun eigenaren, de rammen die nog tegen elkaar moesten uitkomen. Ze werden voortdurend gemasseerd en gekneed aan poten, hals en lendenen. En andere, waaraan te zien was, dat ze de strijd geleverd hadden.
Bij één siepelde een dun straaltje bloed uit oren en neus, terwijl de ogen glazig voor zich uitstaarden. Bij een ander vertoonde zich op het neusbeen een korte snede, die rozig kleurde. Bij alle die gevochten hadden, waren de kale plekken te zien op de koppen, waar ze op hun tegenstanders waren gebotst.
Geheel apart van de anderen stond een bruinkleurige ram vastgebonden aan het hek. Hij miste één van zijn horens. Op een plek waar eens zijn trotse sieraad en wapen prijkte, was nu een onooglijk roodachtig stompje overgebleven waarop zich aldoor aasvliegen wilden zetten.
Medelijden won het van haar angst voor de ram, die er toch ook wel een beetje grimmig uitzag. Linda hurkte naast hem neer en streelde hem voorzichtig over hals en flanken. Rillingen huiverden telkens over zijn huid.
Een akang naderde hun; hij grijnsde: ‘Lekker is hij non, voor satee of gulee ...’ Linda verwaardigde hem verder met geen blik maar sloeg een arm om de hals van het dier en drukte haar gezicht ertegen. Ze slikte heftig, haar keel deed zeer ... lieve, lieve dappere held ... fluisterde ze. Het was die keer voor het laatst dat Linda naar adu-dombak keek.

Scholte – Anak kompenie, 71

[Cimahi – Rembrandtplein] 

Aan het Rembrandtsplein waar ze later woonden, rijden de onderofficierswoningen zich U-vormig om het plein, dat kruislings werd gevierendeeld door twee wandelwegen. De langste die op de grote weg uitkwam enerzijds, ging aan de andere zijde op de bodem van de ‘U’ over in een breed pad, dat door kampong Bèdèng leidde naar Kebon Djukut, de graslanden behorende aan de afdeling Cavalerie van het KNIL. In het gehele jaar door groeide het lange ras er welig. Het was bestemd voor de paarden van het Leger. Zover het oog reikte zuidwest-waarts golfde het weelderig groen op de woelingen van de wind in brede rechte vlakken, die beurtelings werden gemaaid en bezaaid.
De lorries, waarop het gedroogde gras hoog opgetast werd vervoerd naar een centraal punt van waaruit de verdere distributie werd geregeld, reden op smalle sporen die de graslanden doorsneden.
Parallel aan de railsporen liepen de sloten voor de bevloeiing van de graslanden. Sloten, die een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenden op Linda. Bijna dagelijks kwam ze er om kleine zoetwaterkrabben te vangen en mosselen te zamelen voor haar eenden. Of ze ving visjes voor haar aquarium, de z.g. tinkopjes en een ander soort die ze dikbuikjes noemde. Zo heetten volgens haar de vrouwtjes, want de mannetjes waren veel kleiner en verschilden onderling in tekening en kleurige vlekken op lijf en staart.

Scholte – Anak kompenie, 83-84

[Cimahi – Kerkhof] 

In die tijd op Tjimahi was het haar vader met wie Linda overal heen fietste en voettochten maakte.
Langs mollig-groene sawahs en door knusse dessa’s, met de kenmerkende geuren aan dessa’s uit de Preangerlanden eigen, de warmlevende, altijd aanwezige lucht van geiten op stal of erf. Het kruidige aroma van verse zemelen, afkomstig van de zelfgestampte padi, vermengd met die van warme vochtige aarde, humus en smeulend bladerafval in de verbrandingskuilen op de erven.
Anders dan in de dessa’s op Midden- en Oost-Java, waar veelal de doordringende geur van rokok krètèk of klobots, de zwaargekruide ‘strootjes’ en kleine sigaartjes in maisblad gewikkeld, overheerste.
Langs gebaande en ongebaande wegen gingen vader en dochter naar één van de omliggende ‘tjotten’ rond Tjimahi.
Te beginnen met de gunung Bohong, (bohong = leugen, fop) waarschijnlijk zo genoemd omdat hij geen echte berg was, al stak hij pretentieus zijn kop in de laagst hangende wolken wanneer die toevallig voorbijdreven op mistige dagen.
Aan het eind van hun klim op de pseudo-berg aten ze de meegebrachte boterhammen, terwijl ze het wijde panorama rondom in zich opnamen.
Links van hun in de diepte, kroop de Bandung-Batavia sneltrein als een trage rups met een witte pluim op de kop tussen de hoge wanden en de diepe kloven. IJl en dun klonk de stoomfluit van het speelgoedtreintje. “Dit is jouw geboortestreek Lindje”, zei pap terwijl hij een wijds armgebaar maakte. Even later als in gedachten vervolgend: “... dit land van blauwe bergen en barse ravijnen...” Het was Lindje als had ze een kostbaar geschenk ontvangen.

Scholte – anak kompenie, 96-97 

[Jakarta 6 – School] 
[Jakarta 6 – Kruispunt] 

Na Linda’s twaalfde verjaardag, verhuisde de familie naar Batavia, waarheen pap was overgeplaatst. Ze woonden er de eerste tijd in Gang Adjudant op Kwitang.
De school die Linda en haar adiks bezochten, stond aan de Schoolweg, tussen Pasar Baru en Gunung Sahari. In een gehuurde deleman gingen ze er elke morgen heen. Na schooltijd werden ze er weer mee afgehaald. In die tijd onderging Linda de sensatie van het eerste schoolvriendje.
Hij heette Hans. Een blonde jongen met duizend sproeten. Op een morgen ontdekte ze hem opeens onder een boom bij de Dick de Hoogschool, zittend op zijn fiets.
Hij reed achter hun karretje aan. Hij zei niets. Hij lachte alleen af en toe. Dan lachte ze aarzelend terug. Iedere morgen de vreugde van het weerzien, zonder meer.
Ze kwamen wel iets van elkaar te weten: hun namen, hun scholen, de klas, hun huis … Trouw wachtte Hans onder ‘zijn’ boom tot hun karretje kwam. Dan reed hij er achter aan.
Voorbij het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen aan het Waterlooplein moest Hans rechtsaf de Vrijmetselaarsweg in naar zijn school, de K.W.S. Op dat kruispunt scheidden zich hun wegen. Met een lach, een ‘dag’ en een brede armzwaai van Hans …
De aanbidding duurde niet langer dan een paar weken, maar Linda werd zich voor het eerst bewust dat een meisje geen jongen was. Een ontdekking waaruit vrijmoedigheid geboren werd, die uitgroeide tot overmoed. Want het was stellig aan overmoed toe te schrijven, meer dan aan gebrek aan eerbied, dat ze op een keer haar moeder tutoyeerde.
“Zeg dame”, zei pap die daarvan getuige was, “mag ik uwes eraan herinneren dat uwes het niet tegen een vriendinnetje hebt, maar tegen uwes moeder?” Linda holderdebolderde uit de hoogste torens naar de diepste kerkers van haar gemoed, want ze wist maar al te goed dat ze zich wel kon ‘opbergen’ wanneer haar vader zo ‘gek’ deed.