Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 11

[Jakarta 5 – Toeristen-organisatie] 

Eerst enkele jaren is Indië een toeristenland, feitelijk pas sinds auto en vliegtuig er de vervoermiddelen bij uitnemendheid zijn geworden en er vele prachtige autowegen en voortreffelijke luchthavens zijn aangelegd. Vroeger – tien, vijftien jaar geleden nog – reisde niemand voor zijn plezier, men ging alleen bij uiterste noodzaak, gewapend met kooktoestellen, levensmiddelen in blik, insectenpoeder en opvouwbare bedden. Nu is er een voortreffelijke toeristen-organisatie, de ‘Nitour’, die tochten naar alle belangrijke gebieden van Java, Bali en Sumatra samenstelt, voor een groot deel met privé-auto’s en eigen chauffeurs en verder met treinen, booten of vliegtuigen, welke de groote verbindingen op- en tusschen de eilanden onderhouden.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 21-25

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

1939 – Het technisch ongeval, dat in het binnenste van de goede oude Johan de Witt plaats vond en dat ons twee dagen na den vastgestelde datum op de reede van Tandjong Priok bracht, maakte dat wij nog in Batavia waren, toen daar op den zesden September het veertigjarig Regeerings-Jubileum van onze Koningin werd herdacht. In de groote lounge van het onvolprezen Hotel des Indes, een der beste en mooiste hotels die ik ken, vierden de Hollanders dien dag hun feest en het was voor mij een pracht-gelegenheid om, voor de eerste maal, het genus ‘Hollander-in –Indië’ te bestuderen. Het begon om een uur of twaalf ’s morgens, toen was er in de reusachtige open hall geen stoel meer onbezet. En wat mij het eerst en het sterkst trof (behalve dat geen dier tallooze feestgangers het ook maar half zoo warm scheen te hebben als ik zelf) alle daar verzamelde menschen waren jong. De bejaarde heer met het buikje en het kale hoofd en de geposeerde dame met de zwarte japon en de grijze haren ontbraken er ten eenen male. En dat kwam niet omdat zij tot dit feest niet waren toegelaten, maar omdat zij in Batavia niet zijn.
“In Indië moet je voor je vijf en twintigste komen en je moet er voor je vijftigste weg zijn”, had mij aan boord een planter geleerd. De Hollanders komen naar Indië om carrière te maken, op hun vijftigste jaar gaan ze met pensioen en de rest van hun leven slijten zij in Holland. En indien er tegenwoordig steeds meer menschen zijn die, terwille van de hooge belastingen in hun vaderland of om den onzekeren toestand in Europa, besluiten niet te repratrieeren en ook het laatste deel van hun leven in Indië door te brengen, dan zoeken zij de hooggelegen plaatsen met een koel klimaat, het mooie Bandoeng, het heerlijk gelegen Malang of zij koopen een huisje in een der bungalowdorpen, die tegenwoordig overal in de bergen ontstaan zijn.
In Batavia feestte op dien gedenkwaardigen zesden September de jeugd,,,, tot de jeugd reken ik ook een groot aantal zwaarlijvige heeren van omstreeks veertig, met de gelige gelaatskleur en de donker-omrande oogen die zoo karakteristiek voor den harden werker in Indië zijn; en een even groot aantal dames die den strijd om de slanke lijn reeds lang hadden opgegeven. Tien of vijftien tropenjaren waren al die menschen duidelijk aan te zien, maar het was ook aan deze Hollandsche mannen te zien dat zij gewend waren een groote verantwoordelijkheid te dragen, dat zij reeds gewichtige beslissingen moeten nemen op een leeftijd waarin ze in Holland nog slechts ‘adjunct’ zouden zijn geweest. En bij de vrouwen met de vermoeide gelaatstrekken, waren er stellig velen die niet altijd een mooi japonnetje en een hoedje naar de laatste Parijsche mode hadden gedragen, maar die de beste jaren van hun leven op een afgelegen oord hadden doorgebracht, honderd kilometer van de naaste stad verwijderd, waar éénmaal ’s maands de post kwam en waar ze soms in vele weken geen blanke zagen. Hoe verstonden al deze menschen de kunst van feest te vieren, hoe geestdriftig waren ze, wat een ècht plezier hadden ze, en met hoeveel warmte en liefde zongen ze de Hollandsche liederen die het orkestje onvermoeid speelde! Hoe innig met Holland verbonden voelden zich deze Indischgasten, die hun vaderland slechts éénmaal in de zes of acht jaar voor enkele maanden terugzien en hoe innig verbonden met elkander. Zij waren heel anders dan een feestend gezelschap in Holland, want zij beleefden dezen heeten Septemberdag met de bijna fanatieke vreugde van menschen die er in een leven van hard en ingespannen werken slechts een enkele maal kunnen uitbreken en die er dan alles op zetten om van de eerste tot de laatste minuut te genieten. Om één uur, het heetste dag-uur, was het dansen in volle gang. Om half twee trok een cortège van wel honderd arm-in-arm gehaakte menschen tusschen de tafeltjes en de fauteuils door, onder de tonen van het onvolprezen: ‘van je heila hola hou d’r de moed maar in ‘,,,een kwartier later stonden die zelfde honderd in een dikke kluit op onvervalscht Hollandsche manier te hossen. En nog een kwartier later waren alle tafeltjes verlaten... hoste alles mee, jonge employés en deftige directeuren... boorden lagen in zwijm, zweet stroomde over roode stralende gezichten, breede natte plekken teekenden zich op de ruggen van keurige palmbeach-pakken, van nieuwe zijden japonnetjes en tòch nam de vreugde geen einde!
Voor de tallooze djongos (bedienden) van het Hotel des Indes, viel geen werk meer te doen, zij stonden in hun smetteloos witte pakken en hun keurige hoofddoeken rustig te wachten tot de dansers weer amechtig in hun stoelen zouden vallen en opnieuw paitjes, splitjes of ijsjes zouden begeeren. Niet minder dan de vreugde van mijn rasgenooten interesseerde het mij hoe de inlanders erop reageerden: ik zag slechts onbewogen rust in al die donkere gezichten, waarin geen spier vertrok. Geen lach kwam om de monden die toch zoo vroolijk kunnen grijnzen, geen glimp van plezier in de donkere oogen; met een onverstoorbare gelatenheid lieten de Javaantjes de wilde uitgelatenheid langs zich heengaan, voor hen een verschijnsel, dat zij niet begrepen en waarvoor zij geen belangstelling hadden. Hoe kan een inlander, wiens grootste genot het is om in volledige rust op een koel plekje te hurken en stil voor zich uit te staren, den blanken man begrijpen, die zonder dat hij ertoe genoodzaakt wordt, zich op het heetste uur van een vrijen dag in het zweet werkt en luide kreten en drukke bewegingen behoeft om zijn vreugde te uiten?

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 32-33

[Bogor – Buitenzorg] 
[Jakarta 5 – Paleis] 

Onze voorvaderen hebben op dit gebied de spits voor ons afgebeten. De mannen die drie eeuwen geleden Batavia stichtten hadden geen begrip ervan hoe zij in Indië ‘verstandig’ moesten leven en zij en hun opvolgers hebben daar met eindeloos veel ziekte en ellende voor moeten boeten. Het is merkwaardig om in het Paleis van den Gouverneur Generaal de lange rij portretten van zijn voorgangers te beschouwen, die allen fuweelen of lakensche statierokken zijn uitgedost en dikke allongepruiken, stijve geplooide kragen of hooge vadermoorders dragen. Het is grappig, om in Indische brieven uit den ouden tijd, beschrijvingen te lezen van bruiloftspartijen waar de dames zware satijnen en fluweelen japonnen met meterlange slepen droegen en mutsen met goud en paarlen geborduurd... Maar het is ook verbijsterend en tragisch om te lezen hoe de menschen en vooral ook de kinderen in dien pioniers-tijd als ratten stierven, aan malaria, aan dysenterie, ziekten waarvan zij de oorzaken zoomin als de geneesmethoden kenden; hoe er van een convooi, dat met een compagnieschip uitkwam, soms in het eerst jaar 80% door koortsen werd gesloopt. Survival of the fittest... Zij die het moordende klimaat van het oude, aan een verzandenden riviermond gebouwde Batavia konden doorstaan, waren mannen en vrouwen van ijzer en staal en zij zijn het geweest die onze koloniale macht hebben gevestigd. Eerst vele generaties later leerden de Hollanders zich aan het tropische leven aan te passen en niet langer het Hollandsche zooveel mogelijk na te bootsen. Toen adopteerden de dames als huisdracht de luchtige sarong en kebaja der Javaansche vrouwen en de heeren gingen wit katoenen pakken dragen inplaats van laken en fluweel. Zij copieerden niet langer de Amsterdamsche grachtenhuizen, doch zij bouwden ruime luchtige landwoningen, wèg van het ongezonde Batavia, in Meester Cornelis, in Weltevreden of Buitenzorg. Velen hunner hebben daar als vorsten geleefd, met hun statie-juffers, hun eere-jonkers, hun stoeten van slaven en slavinnen; rijkdom en praal moesten hun het vaderland vergoeden, want een terugkeer is voor de meesten een onvervuld verlangen gebleven.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 47-48

[Yogyakarta 2 – Residentie] 

[1938] Hollands Koningin is de Souverein van het volk van Indië, ik werd er in de Jubileum-dagen voortdurend aan herinnerd, toen ik overal in de Inlandsche en Chineesche wijken de beeltenis van Hare Majesteit en het koninklijk gezin zag en de naïeve rood-wit-blauwe versierinkjes aan de huisjes in de kampongs. Doch in de Vorstenlanden, in Midden-Java zijn de Vorsten, de Zelfbestuurders, voor de bevolking nog de eigenlijke heerschers aan wie zij onderhoorig zijn, wien zij schatting betalen en voor wie zij in eerbied knielen. En er bestaat vanzelfsprekend een subtiele, zeer gecompliceerde verhouding tusschen den Sultan van Djocjakarta, den afstammeling van een eeuwen-oud en eenmaal oppermachtig Javaansch Vorstengeslacht en het Indische Gouvernement. De Sultan is, om het eenigszins oneerbiedig uit te drukken, een prins op de erwt waar het den vormendienst van zijn persoon en zijn vorstelijk huis betreft, uiterst kwetsbaar is zijn eere-code, oneindig groot is de afstand welke hem van gewone stervelingen scheidt. Slechts enkelen der hooge bestuursambtenaren in Indië kennen, door lange ervaring, in perfectie het ontzaglijk ingewikkeld ceremonieel, dat aan den persoon en het hof van een Sultan verbonden is, en de Gouverneur van Djokja, die bij alle officieele gelegenheden den Gouverneur Generaal en daarmee zijn Koningin vertegenwoordigt, is – naar men mij in Batavia heeft verteld – een dier kenners bij uitnemendheid.
“Jammer dat u niet een paar dagen vroeger bent gekomen”, zegt de vriendelijke Gouverneursvrouw, wanneer ik theedrink op haar voorgalerij die zoo groot is als de voorhof van een paleis. Zij heeft albums laten aandragen om mij tallooze foto’s te laten zien van plechtigheden en feesten die zij in den Kraton heeft bijgewoond, “De vorige week nog heeft de Sultan twee groote feesten gegeven ter eere van het [veertigjarige] jubileum van de Koningin [Wilhelmina]. Zij waren hoogst interessant, hoewel erg vermoeiend; zij begonnen ’s avonds om acht uur en duurden tot ’s morgens zes en het protocol vereischt, dat niemand mag weggaan vóór de Vorst zelve zich heeft teruggetrokken.”

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 48-50

[Yogya 1 – Kraton] 
[Yogya 1 – Pagelaran] 

[1939] De hoofdstraat van Djocja voert recht naar het groote plein waaraan de ommuurde Kraton ligt, een stad binnen de stad, als eenmaal het Kremlin in Moskou, als thans nog het Vaticaan binnen de muren van Rome. Tienduizend menschen, vertelt men mij, wonen in den Kraton en zijn direct of indirect aan het vorstelijk Huis verbonden. Zoodra ik binnen de witte muren ben, voel ik mij in een volkomen andere wereld, ook dit is Indië, maar hier is het leven minstens drie eeuwen achtergebleven, al staan er tusschen de vele gebouwen enkele wonderlijke voortbrengsels van een modern-Europeeschen stijl. Alle inlanders, die blijkbaar zonder bizondere controle door de vele toegangspoorten in- en uitgaan, moeten bij het betreden van het vorstelijk domein hun baadje uittrekken en hun sarong tot onder de oksels opknoopen, het is hun binnen den Kraton niet veroorloofd om het bovenlijf bedekt te dragen. In het officieele gedeelte zie ik pendoppo’s met glanzende marmeren vloeren waarop de zitplaats van en Vorst met een hekje is afgeschut, op een groot plein een heilige waringin, in het midden, binnen een omrasterde ruimte, een heilige olifant. Voor de galerij van een laag breed huis zit een rijtje vrouwen – oude en zeer jonge – roerloos gehurkt, zij houden haar hoofddoek voor de onderste helft van haar gezichten en bekijken mij met haar stille oogen nieuwsgierig en bijna achterdochtig; wanneer ik haar toeknik beantwoorden zij ernstig en plechtig mijn groet. Overal staan in groote potten chevelures en varens en vreemde was-achtige bloemen, die even onwerkelijk zijn als heel dit vorstelijk verblijf; in den top van een hoogen bamboestam hangt een kleine kooi en de vogel die erin zit opgesloten, orgelt een lieflijken roep.
De Sultan van Djocja bezit, behalve zijn groot en zeer schoon gamelang-orkest en zijn eigen danseressen, ook een eigen lijfwacht, zeshonderd soldaten, die in zeer fantastische kleurige costuums zijn uitgedost. Twee compagnieën ervan trekken onder tromgeroffel langs mij heen, zij zien er uit als deelnemers aan een gecostumeerden optocht, de ene helft heeft glimmend zwarte hoeden op, zwarte jasjes en geel en rood gestreepte broeken, de andere draagt groote koperen helmen en is in rood- en gouden wapenrokken gedost. Dan brengt mijn cicerone mij in een kleine schuur en toont mij een hoogst gewichtig voorwerp, een ouden historischen draagstoel, waarin de macht van het Sultanaat geïncarneerd is; wanneer hij wordt rondgedragen knielt het volk ervoor, zooals het voor den vorst zelf knielt.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 50

[Yogya 1 – Rijtuigenmuseum] 

[1939] In een groot gebouw zie ik tenslotte de rijtuigen van den Sultan, zijn gouden koets waarin hij zich naar de officieele plechtigheden in het paleis van den Gouverneur begeeft, en een merkwaardige verzameling van phaëtons, berliners, landauers, wijde open wagens met hooge dunspakige wielen, het soort van rijtuigen waarin een halve eeuw geleden de beau-monde van Parijs, Londen of Amsterdam ‘wandelritten’ maakte. Al die voertuigen zijn onder zeer stoffige stoflakens geborgen en de vleermuizen vliegen lustig van de eene koets naar de andere.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 50-51

[Yogya 1 – Doorgang] 

[1939] Boven de poort is een ‘singha’ aangebracht, het dreigende masker, half dier half mensch, met de hangende tong, dat men overal in Indië ziet en voor de poort staat, karakteristiek voor een Oostersch verblijf, een losse muur als een soort van scherm, om te vermijden dat onbescheiden voorbijgangers een blik naar binnen kunnen werpen.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 59-62 

[Bandung 1A – DENIS] 

[1939] Groote machines brommen en grommen, heel de ruimte is doordrongen van een weeën, zoeten stank, een breede vuil-gele stroom vloeit door een metalen goot naar de groote ketels, waarin de uit het riet geperste vloeistof wordt ingekookt en het is zoo heet, dat buiten de atmosfeer van 32 graden koel schijnt. Vier maanden duurt de maaltijd, wordt er dag en nacht gewerkt, om van 200.000 ton suikerriet de kleine witte kristallen te maken, die wij als suiker in ons voedsel gebruiken. In den tijd dat zoo’n ‘campagne’ duurt, heeft geen enkele employee ook maar een halven dag vrij-af en moet ieder van den hoogste tot den laagste voortdurend honderd procent van zijn energie geven.
De tengere Javaansche vrouwtjes, die hier arbeiden, die machines bedienen of groote kookvaten schoonmaken, hebben het bovenlijf ontbloot en haar sarong onder de oksels opgeknoopt; zij staan op een dikke mat, want de metalen vloer is te heet voor haar blote voeten. Zij zijn niet vrolijk en luchthartig bezig als de thee-sorteersters, haar bruin-bleeke gezichten staan strak, bijna verbeten. Zij hebben geen kinderen bij zich, dat zou bij dit zware werk onmogelijk zijn, maar de meesten van haar hebben in den kampong een gezin, waarvoor zij hier den kost verdienen. In de fabriek werken voornamelijk vrouwen; het groote contingent der mannelijke arbeiders is op de velden om het riet te snijden. Een treintje met een speelgoed-locomotiefje en met een reeks van wagentjes vervoert, parmantig puffend, zeventienhonderdvijftig ton per dag.
‘De baas’ van dit machtige bedrijf heeft mij, terwijl we onzen rondgang deden, verteld hoe de suiker in den ouden tijd, in het midden der vorige eeuw, de grootste rijkdom van Indië was, de culture waarmee het meeste geld werd verdiend, waarbij men het gauwst en het zekerst rijk werd. Vele groote fortuinen zijn ‘in de suiker’ gemaakt; het woord ‘suikeroom’ stamt stellig uit die goede jaren! Doch in de laatste halve eeuw is het in Indië met de suiker bergaf gegaan, het product heeft de eene crisis na de andere doorgemaakt. In Holland werd het door de bietsuiker volledig verdrongen, na den oorlog werd het voor Indië met zijn hoogen geld-standaard steeds moeilijker om zich op de wereldmarkt te handhaven en de groote crisis, van dertig tot zes en dertig, is voor de suiker-cultuur evenals voor de rubber een débâcle geworden.
Er is thans meer vooruitgang te bespeuren. Van de ongeveer tweehonderd suikerfabrieken op Java werken er (in 1938) weer tachtig, ze exporteeren naar Australië, Britsch-Indië. Japan, ze kunnen een behoorlijke winst maken en de laatste jaren zelfs weer een bescheiden tantième aan hun employees uitkeeren. Maar de honderdtwintig anderen ...? Daarvan zijn de machines verroest, de muren in puin gevallen met de snelheid waarmee in het heete vochtige klimaat van Java alles vergaat wat niet voortdurend behoed en onderhouden wordt. Ik herinner mij dat ik op onze auto-tochten zulke triest-verlaten en vervallen bedrijven heb gezien; ook het groote administrateurs-huis en de woningen der employees stonden leeg en waren met planken toegespijkerd. Verwaarloosd lagen de groote tuinen, door onkruid overwoekerd, tuinen die stellig eenmaal de vreugde en trots der bewoners waren geweest.
En de Hollandsche menschen, voor wie zoo’n suikerfabriek jaren lang het levensdoel was, waaraan ze al hun werkkracht en energie hadden gegeven? De ouderen zijn naar Holland teruggegaan met de rest van het kapitaal dat in voorbije goede jaren was gespaard en dat misschien juist kon reiken om er daarginds in den grootsten eenvoud van te leven. Doch de jongeren hadden nog geen spaarpot, die hadden een vrouw en kinderen en vaak niet eens genoeg geld om de bootreis te betalen. Wat konden zij verwachten van Holland, waar toen ook de depressie op haar allerergst was en de kans op een baantje uiterst gering? Voor een aantal van hen, die geen geld en geen relaties hadden en wien de maatschappij geen overtocht vergoedde, bleef geen andere mogelijkheid dan om in een huisje van vier rieten wanden en een atap-dak te trekken, om temidden der inlanders ‘in den kampong’ te gaan leven, waar met onderdeelen van centen wordt gerekend en waar een familie van één dubbeltje per dag kan bestaan. Om dáár te wachten of er nog eens betere tijden zouden komen. Wat dat heeft beteekend, als verwording, als matelooze menschelijke vernedering, kan men alleen wanneer men de Indische verhoudingen kent, den ontzaglijken afstand die den Hollander, den Toewan Blanda, altijd, in alle omstandigheden van den inlander gescheiden houdt.
‘Wanneer u over Indië schrijft’ zegt mijn begeleider, ‘zult u dat dan eens vertellen? Al wist men in die jaren in Holland dat het Indië slecht ging, van den volslagen ondergang van zooveel bloeiende bedrijven en van de ellende die toen door energieke hardwerkende mannen met hun gezinnen is geleden, wist men weinig of niets, dat schreven de slachtoffers zelfs niet aan hun naaste familie.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 72

[Bandung 1A – Vendutie] 

[1939] De tijd is lang voorbij dat de Europeanen in Indië tevreden waren met stijllooze stoelen en tafels die ze zich in tweedehands-winkels of op venduties aanschaffen en die bij het eerst-volgend groot-verlof weer van de hand werden gedaan. Bijna overal waar ik te gast ben geweest, heb ik een smaakvol welverzorgd interieur gevonden, mooie solide meubels die door de Chineesche meubelmakers naar Europeesche modellen waren vervaardigd, meest van edel donker hout, dat prachtig tegen de witte muren doet. Perzische tapijtjes lagen op de marmeren vloeren en overal waren gezellige lampen, goede platen of schilderijen en mooie keurige kains (doeken van inlandsch weefwerk).

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 72-73

[Jakarta 4 – Hotel des Indes] 

[1939] Terwijl ik mij met de courant op de voorgalerij heb geïnstalleerd, doet mijn gastvrouw per telefoon de bestellingen voor haar huishouden. Zij spreekt, als vrijwel alle vrouwen in Indië, benijdenswaardig vlot en gemakkelijk maleisch; mij is het, na drie weken, nog steeds niet gelukt om daar meer dan een half dozijn woorden van te onthouden. Maar ik weet thans wel, dat het voor huisvrouwen in Indië noodzaak is om het behoorlijk te kunnen spreken, de Javaansche bedienden en de Chineesche kooplieden verstaan meestal slechts enkele Hollandsche woorden, wil men vragen stellen of hun iets duidelijk maken, dan moet men dat in de Maleische taal kunnen doen.
Het is een ongeschreven wet, die nog uit den Compagnies-tijd stamt, dat de blanke den inlander in het maleisch toespreekt en al kent de bediende wel enkele woorden van de taal der toewan blanda’s, hij zal er nooit in antwoorden wanneer hem iets wordt gevraagd. In de eerste dagen was het voor ons nieuwelingen in Indië onbegrijpelijk (en zeer lastig!) dat zelfs in een groot internationaal hotel als het ‘Hotel des Indes’ in Batavia, de bedienden ons Hollandsch niet verstonden. Pas later leerden wij dat elke djongos een blocnote en een potlood bij zich draagt en gewend is dat de gast daarop zijn wenschen schrijft.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 73-74

[Bandung 1A – Braga] 
[Jakarta 5 – Noordwijk]
 
[Subaya 2 – Toendjoengan] 

[1939] Het bestellen van levensmiddelen blijkt in Batavia een eenvoudige procedure, want de Chinees, aan wien mijn gastvrouw de klandizie gunt, is, als alle Chineesche winkeliers, een manusje-van-alles. Hij is tegelijk kruidenier, drogist en mineraalwater-fabrikant, hij verkoopt Europeesche vruchten en vele echt Hollandsche producten als roggebrood, beschuit, ontbijtkoek, die men, met de namen van welbekende vaderlandsche fabrikanten voorzien en in blikken verpakt, in Indië evengoed kan krijgen als in het moederland. Daar ook room zoowel als boter in blikken worden geleverd, verschaft de Chinees die ook; slechts het brood en de melk worden evenals bij ons, door een bakker en een melkman aan huis gebracht. In de villaparken, waar in de grote steden de Europeanen wonen, vindt men geen winkels; slechts een Hollandsche confiseur bij wien ik gisteren een doos chocolade voor de kinderen heb gekocht, woont hier in een villa, d.w.z. hij drijft zijn zaak in een vrijstaand huis, dat door een tuin van den weg gescheiden is en in ‘villa’s’ wonen ook de modiste van mijn gastvrouw evenals haar kapper. Batavia heeft, evenals Soerabaja en Bandoeng, één straat met mooie, groote, geheel Europeesch ingerichte magazijnen; Gerzon zag ik er, Begeer en Bata en er zijn boekwinkels en winkels van kunstvoorwerpen en antiquiteiten om van te watertanden; doch in de Chineesche- en inlandsche wijken bevinden zich de ontelbare kleine toko’s, die door Chineezen, Japanners of Voor-Indiërs worden gehouden; zij zijn vol, rommelig en naar de straatzijde open, men moet er weten te zoeken en te kiezen en energiek kunnen afdingen, dan kan men er meesttijds voortreffelijk terecht. Wat den Chineeschen kruidenier van mijn gastvrouw betreft, hij is als alle Chineesche winkeliers een voorbeeld voor zijn collega’s in Holland, want hij neemt zonder mopperen alles terug wat niet naar genoegen is, hij ruilt zonder protest en hij tracht nimmer slechte waren voor goede aan te prijzen. Het moge hier tusschen haakjes worden vermeld, dat de Chineezen in ons Indië heel wat populairder zijn dan de Japanners. Deze laatsten oefenen bij voorkeur het beroep van fotograaf of van kapper uit; zij zijn in den regel goede vakmenschen, maar de Europeanen zijn hun heel wat minder welgezind dan den Chineezen.

Ammers-Küller – Wat ik zag in Indië, 79-81

[Bandung 2 – Tennis] 

Om vier uur [’s middags] begint het leven voor de blanke vrouw in Indië; ze heeft opeens lust om een frisch gewasschen en gestreken japonnetje aan te trekken, om zijden kousen en mooie schoentjes aan te doen, om zich te poederen en te kappen. Ze voelt zich weer fleurig en opgewekt, ze kijkt in de courant of er een goede film is, ze belt een vriendin op en maakt een afspraak om ’s avonds te bridgen of om te gaan dansen.
En dan, om vijf uur, om half zes, komt haar man thuis, afgewerkt en warm, te moe om te praten of te luisteren. Eerst mandiën, dan zich verkleeden, dan zich uitstrekken in den gemakkelijksten stoel van de voorgalerij, het ijskoude splitje naast zich, dat door den djongos, die voor de toewan vliegt, zorgzaam is klaargezet. En maar één verlangen heeft hij, om nu een paar uur heelemaal niets te hoeven doen, zich niet te bewegen, niet te denken. Lui te liggen en de koelte te voelen en te staren naar den hemel waaruit het laatste licht wegtrekt, waarin al dadelijk de sterren groot en helder twinkelen... te vergeten dat hij morgen weer een zwaren dag voor zich heeft. Misschien krijgt hij na het avondmaal lust en fut voor een spelletje tennis op de door booglampen verlicht courts van zijn club, maar in den regel heeft hij alleen ’s Zaterdags en Zondags genoeg energie voor sport.
“Er is vanavond concert in den Kunstkring” zegt zijn vrouw, die zoo kwiek de voorgalerij komt opgestapt, als was er voor haar geen heete dag geweest... of: “Ik heb met Bertha en Jan afgesproken dat we gezamenlijk naar die film van Gary Cooper gaan”. Hij kauwt op zijn sigaar, hij drinkt den laatsten slok uit zijn glas en zegt “goed”, wanneer hij een dociel en volgzaam echtgenoot is; wanneer hij dat niet is zegt hij: “Ik verdom het ...”
Dat is een van de groote problemen van het huwelijk in Indië, ‘het’ probleem, naar ontelbare menschen mij hebben verzekerd. De mannen moeten er hard, dikwijls buitensporig hard en ingespannen werken; de vrouwen hebben er te veel vrijen tijd en te weinig te doen. Ik hoor al het verontwaardigd protest: dat er wel degelijk werk is voor haar die het wenschen, dat een energieke vrouw in Indië voortdurend haar huishouding en bedienden controleert, veel meer dan haar zusters in Holland, dat er altijd planten zijn om te verzorgen en kinderen om mee te fröbelen. Dat alleen de zeer welgestelden zooveel bedienden houden dat er voor haar zelf geen werk overblijft. Maar ik weet dat zeer veel vrouwen in Indië tot ledigheid gedwongen worden, niet omdat zij veel personeel hebben maar vooral, omdat elke inspanning gedurende den heeten tijd van den dag, haar migraine of duizelingen geeft. Voor de werkzamen, de levenslustigen is dat een voortdurende kwelling; het is afschuwelijk om te moeten rusten, wanneer men niet moe is, op bed te moeten liggen alleen maar omdat men dan niet zóó door de hitte wordt gekweld. En juist die energieken willen dan in de koele avonduren haar gedwongen luiheid inhalen, willen een paar uur lang voelen dat ze jong zijn, dat ze leven. Doch ‘hij’, die gedurende zijn ingespannen werk geen tijd heeft gehad om de hitte te voelen, begeert in die zelfde avonduren de rust, de luiheid, die ‘zij’ juist heeft afgeschud.
Er zijn in Indië stellig vele goede huwelijken; vaak brengt het leven ver van huis, het opbouwen van een bestaan in een vreemd land, man vrouw dicht tot elkander, dan groeit er een groote saamhoorigheid, een kameraadschap die voor elk probleem – ook voor dit – een oplossing weet te vinden.
Maar er zijn ook vele echtscheidingen in Indië. En er zijn heel wat jonge vrouwtjes die met een tusschentijdsch verlof naar Holland gaan... en die dan niet terugkeeren.