G.A. van Oorschot Uitgever, Amsterdam 1961

Cohen – Van anarchist tot monarchist, 184-185 

[Bogor – ziekenhuis]

Buitenzorg, waar, in mijn tijd, gouverneurgeneraal ’s Jacob heerste die wij, op onze hygiënische ochtendwandelingen, somtijds te paard voorbij zagen rijden en, in onze hospitaalkledij – donkerblauwe kapotjas, wit en grijs geruite slaapbroek en kebaya – halt en front makend, eerbiediglijk salueerden ... hetzelfde Buitenzorg waar ik déze keer, kort na mijn aankomst in Indië, gouverneurgeneraal Rooseboom, en, een paar weken voor mijn vertrek, generaal van Heutsz sprak, van Heutsz die mij, in kernachtige krijgsmanstaal, verklaarde hoe hij van de ambtenaren onder zijn onmiddellijke dependentie een prompter bediening had verkregen dan zijn voorgangers op de vice-troon dit vermoedelijk gewoon geweest waren.
‘Verbeeld u! dan had je zo’n vent nodig en je liet hem roepen, en dan duurde het, verdomme nog toe! een half uur of langer voor dat hij kwam aanzetten ... Dan zat ik me te verbijten ... Daar wás hij eindelijk! – ‘Waar kom je vandaan, meneer? – ‘Excellentie! ...ik ... ik ...’ – ‘Wát, ik ik? Ik vraag u waar u vandáán komt, meneer! – ‘Van huis, Excellentie! ... ik ...ik ...’ – ‘Is het nou úit met dat geïkikik? Ik heb u ruim een half uur geleden laten roepen, meneer!’ – ‘Ja! maar Excellentie, ik moest mij toch eerst kleden!’ – Dan zag ik pas ... och! je let daar zo dadelijk niet op, dat de vent zijn rokkostuum aanhad, verdomme! Ik stak de gek met hem en ik vroeg: ‘Zit je zó op je kantoor, meneer? Dan zul je ’t wel wárm hebben!’ – ‘Nee! Excellentie, maar ...’ – ‘In ’t vervolg komt u zoals u bént, zodra ik u laat roepen! Begrépen, meneer? Dan hoef ik niet te wachten en het is ook gemakkelijker voor ú! Van die flauwe kul moet ik niets hebben ...’
En de generaal besloot zijn vermakelijke confidentie met de opmerking dat het met de ‘flauwe kul’ nu helemaal úit was. Tot zijn grote satisfactie! ‘Als ik nu bel, dan vliegen zij!’

Cohen – Van anarchist tot monarchist, 186-187

[Semarang 3 – Ingang] 

[1905] – Ik liet mij, per sado, rijden tot aan het lage, van vocht druipende gewelf aan de ingang van het fort, waar vroeger het kogelhok was geweest dat ik zo goed kende, en ik vervolgde te voet de licht stijgende weg tot aan de grote Poort.
Vreemde impressie! Alles is doodstil. Geen getik van naaimachines, geen gebonk van de pletmolen in het atelier. Geen geluid van mensen. Geen schildwacht. Een atmosfeer van algehele en geheimzinnige, drukkende verlatenheid. Het grimmige zwarte fort, met zijn getraliede, witte venstergaten, rijst, trillend in de hitte, als Poe’s House of Usher uit de drassige gracht omhoog.
Ik kom mij, een ogenblik, vóór als de prins in het sprookje van Perrault, die, aanstonds, de Schone Slaapster door een kus uit haar sluimer gaat wekken. Maar ik bedenk daar dat de betoverde jonkvrouw niemand anders kan zijn dan kapitein van Hamel, en ik neem mij stellig voor hem níet wakker te kussen. Want hij zou, zó ontwaakt, ten fine van inspiratie over de spuuglok aan zijn puisterige slaap strijken, en mij, tot straf voor mijn ‘oneerbiedig gebaar jegens een meerdere in rang’, veertien dagen aan de kogel gesloten opleggen. Nee! nee! laat mij de sluimerende kapitein-stokkeknecht níet wekken!
Ik ga de poort binnen, waar niets is veranderd. Links de gekoolteerde deur van de Ziekenzaal, rechts de ingang naar de chambrées. Voor mij uit, de brede, houten trap die naar de binnenplaats voert, waar wij ’s morgens om zes uur en om één uur in de namiddag, ‘aantraden’ voor het werkappèl; de binnenplaats, waar het mandihok was met de lekstenen, en de cachotten, en het magazijn; de met kleine, gele bakstenen geplaveide binnenplaats, waar nog de vier bomen stonden, een aan elke hoek, waarvan het bloesemsap, in de ogen gewreven, een ontsteking veroorzaakte die de roekeloze lijders in het militaire hospitaal deed opnemen ter verpleging; de binnenplaats, waar ik, met de kogel aan het been, eens had gevochten met een lotgenoot en onze kettingen zich zodanig ineen gestrengeld hadden dat wij niet van elkaar los konden komen zonder de bijstand van onze wederzijdse secondanten; de binnenplaats, waar de ‘afgetuigde’ Bout, tot de algemene satisfactie der gedetineerden, de sergeantkleermaker, een krombenige, harige dwerg, met een pikolstok tegen de wereld had geslagen; de binnenplaats, waar, op Kerstmis en op Koningsverjaardag, concerten werden gegeven, en toneelvoorstellingen, met de Belg Dammekens als regisseur, en de grappig lenige Verschueren en de schuchtere, perzikwangige Zeller in de damesrollen; de binnenplaats ...
– Wat verlangt u, meneer?

Cohen – Van anarchist tot monarchist, 194-195

[Borobudur 0 – Galerij] 

Ernstig ziek geworden, zoals ik zei, vertrok mijn vrouw een paar maanden vóór mij naar Europa. Maar niet zonder de tempels van Parambanan en van Mendoeth te hebben gezien, en de Tjandi Sewoe en de Boro Boedoer dit stenen gedicht met zijn vierduizend meter beeldhouwwerk ... monniken, krijgslieden, vorsten, volgelingen, boogschutters, brahmanen, ruiters, olifanten, jagers, prinsessen, danseressen, muzikanten, wier statige stoeten elkaar langs de wanden en borstweringen der omgangen volgen in eindeloze rijen. Alles lééft!

Cohen – Van anarchist tot monarchist, 195

[Mendut – Boeroeboedoer]
[Borobudur 1 – 86] 
[Borobudur 2 – 90] 
[Borobudur 2 – 114] 

Voorzichtig ontrolt een slang haar spiralen. Een ree met uitgestrekte hals en van begeerte bevende lippen, knabbelt aan de bladeren van een struik. Hagedissen, leguanen, koesteren zich in de zon. Op het dak van een paleis, op de nok van een muur, naast weids koele pauwen, kirren en trekkebekken, de krop wulps gezwollen, koppels duiven. Eekhoorntjes hangen aan het uiteinde van een palmtak, en zwiepen, met stoute sprong, van een boom naar een andere over. Vogels, onfeilbaar realistisch van lijn en postuur, voeren hun jongen, andere vlieden heen in snelle vlucht. Een olifant kronkelt de slurf om de kroonlijst van een kiosk. Een aap, een paar reigers, opgeschrikt door het tumult van een naderende jachtstoet, staren, ontsteld, van een boomtop neer in de verte. Een schildpad, een voorpoot in de lucht geheven, de kop halverwege ingetrokken onder het veilige pantser, aarzelt, vreesachtig, haar weg te vervolgen. Tijgers, tijgerkatten, panters, paarden, jachthonden, ichneumons, krokodillen, beren, hinden nemen, in edense taferelen, deel aan het leven van de twintigduizend personages wier geschiedenis en wier avonturen in de stenen bladzijden der heilige Stoepah gebeiteld zijn. Nooit is enig kunstwerk ter wereld mij nobeler voorgekomen dan dit basrelief van de Boro Boedoer: een vrouwefiguur, neergeknield aan de voeten van een aandachtig naar haar luisterend, vorstelijk personage, terwijl drie andere vrouwen, drie slanke, ranke gratiën, draagsters van geschenken, zich verwijderen. En niets grandioser, in zijn serene menselijkheid, dan de Boeddha Manoeshi van Mendoeth.