Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 22-23

[Jakarta 5 – Soos] 

[1946] Batavia was naar het uiterlijk nog steeds geheel een door de Japanners bezette stad, en terwijl wij er rondliepen met en gezicht alsof het de natuurlijkste zaak ter wereld was, bleef er in ons een stille verwondering, dat wij dit konden doen zonder gevangen genomen en weggevoerd te worden.
Als ik nu, ’n jaar later, mijn herinneringen aan dien eersten dag tracht wakker te roepen, komt mij ook weer een kleine scène voor den geest waarvan ik vanuit dien militairen truck getuige was. De schildwacht voor de groen uitgeslagen “Harmonie”, de eens zoo selecte club op Rijswijk, riep een voorbijdrentelenden katjong (straatbengel) terug, die aan de tijding van Japan’s nederlaag de gedachte scheen te hebben verbonden, dat hij ook van het eerbetoon aan het Japansche gezag ontslagen was. Het ventje behoefde geen naderen uitleg om te begrijpen wat er van hem verlangd werd: hij keerde prompt om, boog diep, de armen stijf langs het lichaam, en ging weer zijns weegs. Een paar bijeenhurkende vruchtenverkoopers bij de brug aan de overzijde der straat meesmuilden over deze afgedwongen hulde aan de laatste stralen eener reeds ondergegane zon. Maar de keizerlijk-Japansche schildwacht was tevreden.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 23-24

[Jakarta 5 – Des Galeries] 

[1945] Het Hotel des Indes en de andere groote hotels, op Rijswijk en aan het Koningsplein, vervulden dezelfde functie als het Raffles Hotel te Singapore: ze namen vrouwen en kinderen uit de meer dan overbevolkte kampen op. De pers bleek te zullen worden ondergebracht in enkele kamers van het Hotel des Galeries, dat schuin tegenover de Harmonie en het Hotel des Indes lag. Ik kreeg een kamer aangewezen tezamen met den uit Australië gekomen Nederlandschen journalist Robert Kiek, die fortuinlijk genoeg geweest was om zich op den bewusten Zaterdag van de landing nìèt den toegang tot Java ontzegd te zien. Hij had ook reeds de hand op een pers-auto weten te leggen, waarmee hij – geboren speurder en onvermoeibaar – dag en nacht op pad was. Simin, onze djongos, vond toen nog tijd om schoenen te poetsen en bedden op te maken; toen wij later met ons vieren en vijven in één kamer woonden, kreeg hij het zoo druk, dat hij maar heelemaal niet eerst met werken begon; het werd ook zoo warm omdat de regens maar niet wilden doorbreken, en er viel zooveel opwindende politiek met zijn makkers te bespreken; in de gang hoorden we den heelen dag hun fluisterende, lachende stemmen. Simin begon toen een rood-wit insigne te dragen en meende zich daarvoor tegenover ons te moeten verontschuldigen: het was allen maar omdat hij op straat niet wilde worden opgewacht en afgerammeld: als djongos van blanke officieren bevond hij zich in een précaire positie, al zouden de pemoeda’s toch moeten kunnen begrijpen, dat hij voor zijn vrouw en kind graag wat wilde verdienen. Soms bleef Simin een paar dagen heelemaal weg, maar hij kwam steeds weer terug en had dan een pracht-uitvlucht waartegen niets viel in te brengen: de pemoeda’s hadden hem bedreigd. Het hotel kon hem daarom toch moeilijk zijn weeksalaris onthouden.
Het woord ‘pemoeda’, voor soldaat van het republikeinsche jeugdleger, zouden we steeds meer hooren; de pemoeda’s schenen overal en nergens te zijn, meestal echter in onschuldige vermomming, zoodat Engelsche en Amerikaanse collega’s mij wel eens vroeger er hun toch eens een aan te wijzen. Dat was niet eenvoudig, maar men merkte hun aanwezigheid aan den verlegen grijns van een vruchtenventer op de markt, die ineens niets meer te koop zei te hebben en daarbij schuw achteromkeek en niet eens lette op wat wij hem als betaling voor reeds geleverde mangga’s of ramboetans in de hand drukten. Wanneer de op Europeesche klanten azende verhuurders van ‘tiga-roda’s’ bij ons hotel plotseling in ’t zadel sprongen en zonder vrachtje wegpeddelden, wist men, dat een controleerende pemoeda niet ver kon zijn.. En het waren waarlijk niet alleen de marktventers en de tiga-roda’s, die met de macht van deze halfwassen nationalistische jeugd rekening moesten houden; zelfs de leiders der Republiek werden streng bewaakt. De gewapende pemoeda’s die in Mohammad Hatta’s voorgalerij breeduit zaten, lachend en sigaretjes rookend, en elk woord konden hooren, dat binnen gesproken werd – zij waren daar heusch niet alleen voor zijn bescherming.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 24-26

[Jakarta 6 – Commandant] 

1945 – Ik had opdrachten bij me van Hollandsche en Engelsche vrienden om hun zoo mogelijk nieuws te verschaffen over familieleden van wie ze in vier jaren niets meer gehoord hadden, en ik ging daarom maar dadelijk naar het informatie-bureau van het Roode Kruis, dat aan het troosteloos afgetakelde Waterlooplein lag. Buiten stonden groepjes vrouwen te praten, vaak met natgeschreide wangen; kinderen stonden er zwijgend bij en keken met vroeg-ernstige oogen omhoog naar hun moeders. In het gebouw zelf zaten, ieder aan een tafel, misschien ’n dozijn meisjes, die lange lijsten met namen doorkeken en nimmer hun geduld verloren temidden van het gedrang, de hitte, de branding van emoties waardoor zij omspoeld werden. Het antwoord, dat zij gaven, woog zwaar als het Noodlot zelf; het opende wijd de deur tot nieuwe hoop of sloeg die voor altijd toe. Of anders verlengde het slechts de folterende onzekerheid.
“Ik heb hem hier niet bij, mevrouw, maar vraagt u eens aan die juffrouw daar in de hoek: die heeft lijsten uit Siam. O, daar is u al geweest … Hebt u de Philpppijnen al geprobeerd?” Een zwijgend hoofdschudden, en de vrouw, die vier jaar geleden haar man vaarwel had gezegd, ging de Philippijnen proberen – daar zaten ook nog krijgsgevangenen.
Vier lange jaren had men deze onzekerheid gedragen, maar althans met duizenden anderen, die hetzelfde lot moesten dragen; dit in gedachten samenleven met je man, verinnigd tot een droom van ongestoord geluk, was een werkelijke troost geworden; je zou nog bijna bang worden voor de opwindende realiteit van een weerzien hier op aarde. Nu was die stilte in je echter verstoord; verblindend fel daglicht rukte de schemering uiteen; andere vrouwen hoorde je dol van vreugde roepen: “Jan is in Bangkok! En hij heeft onzen jongen ’n jaar geleden nog in Palembang gezien!” Een vreeselijke angst voor het alléén achterblijven besloop je daarbij; je kon ’s nachts geen oog dichtdoen, alleen nog maar bidden en schreien. ’s Ochtends bij het opstaan besloot je weer flink te zijn en vast te geloven, dat Theo, je man en de vader van je kind, tòch nog gevonden zou worden, al stond hij nog niet op de lijsten. Dat hij nìèt aan boord van die getorpedeerde boot was geweest, die zich met een transport krijgsgevangenen op weg naar Japan had bevonden. “Niemand kon gered worden, want ze zaten allemaal in het ruim opgesloten …” heb je, stom van ontzetting, in het voorbijgaan hooren zeggen.
Dag-in, dag-uit naar het bureau, dat om acht uur open gaat. “Het is alleen maar, juffrouw, omdat ik dacht, dat er misschien weer nieuwe lijsten …” – “Vandaag niet, mevrouw, maar we verwachten ze wel. Als u tijd hebt, komt u morgen dan maar eens langs.”
O ja, tijd wel.
En zoo dan weer terug naar het kamp, waar niemand over iets anders spreekt dan over wie er teruggevonden zijn en wie op de lijsten als vermist of overleden vermeld staan. Al dat rumoer om je heen. Die vragen: “Al iets gehoord, Mies?” – “Neen, ik moet morgen nog eens terugkomen …”

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 28-29

[Semarang 3 – Kalibanteng] 

[1947] Nu ik deze herinneringen neerschrijf, zal menig onderwijzer in Nederland al wel eens gezucht hebben onder de moeilijkheden waarvoor deze kamp-kinderen uit Indië hem moeten stellen. Wat hebben ze in hun jonge leven al gezien, mee aangehoord en ondervonden! Energieke vrouwen hebben in de kampen scholen ingericht met geïmproviseerd leermateriaal. Maar de kinderen waren ondervoed en overspannen; al hun gedachten concentreerden zich op het verzinnen van middelen om aan eten te komen. En – erger dan dat alles: zij groeiden op in de schaduw van een monsterachtig onrecht waartegen men zich slechts met leugen en bedrog verweren kon. Bruut geweld regeerde en had het gelijk aan zijn zijde. Zeker, hetzelfde gold voor het bezette Holland, maar hoeveel erger moest het nog in de door vreemde soldaten bewaakte kampen zijn, waar vrouwen en kinderen opeengedrongen leefden in rumoerige huizen en waar het vaderlijk gezag ontbrak. Bengels van tien en elf jaar trachtten reeds manlijke autoriteit aan zich te trekken wanneer de moeder te zwak was om de dubbele rol te vervullen, die haar door het lot was opgelegd. Jongens van twaalf, dertien jaar waren soms al zoozeer “man”, dat de Japanners het noodig achtten hen – als een wreeden, algemeenen maatregel – uit het vrouwenkamp te verwijderen.
Met wat voor problemen hadden onze vrouwen te kampen, en hoeveel geestkracht heeft de overgroote meerderheid van hen getoond. Ik heb het in de mannenkampen vaak hooren zeggen: ‘Heldinnen zijn ze geweest! Ze hebben ’n standbeeld verdiend, al was het alleen al om de manier waarop ze den Jap in z’n gezicht durfden uitlachen. Ons heeft-ie soms klein weten te krijgen, maar tegen onze vrouwen makte hij geen kans!

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 35

[Jakarta 7 – Consulaat] 

‘Public Relations’ kreeg te Batavia een kantoor aangewezen in het vroegere Fransche Consulaat, op het Koningsplein West. De Japanners hadden het als rechtzaal gebruikt. De bijgebouwen op het achtererf waren door een hoogen wand afgeschut en van zwaar traliewerk voorzien; in de binnengalerij bevond zich een verhoogd gedeelte waarop de Japansche militaire rechter zetelde, bijgestaan door een athleet met ontbloot bovenlijf, die een zweep omkneld hield – dit als aanmoediging voor de beschuldigden en getuigen om vooral niets verborgen te houden van wat zij wisten. Tot op Tanah Abang, aan de overzijde van de kali, moest men soms de ooren dichtdrukken voor het hartbrekend gegil van de aldus ‘verhoorde’ mannen en vrouwen, zoo werd mij verzekerd. Nu klepperden er slechts onschuldige schrijfmachines van correspondenten en reporters.
Maar op ’n keer kwam er een Nederlander binnenstappen, die beleefd verzocht de cel nog eens te mogen terugzien waarin hij gevangen had gezeten. Hij liep er haastig en opgewonden naar toe en voelde behoefte om precies uit te leggen hoe men hem had gedwongen op Japansche manier op zijn knieën te zitten tot hij zijn beenen niet meer voelde; de cipier had streng toegezien, dat hij er links noch rechts bij keek. De herinnering scheen hem al dien tijd geobsedeerd te hebben, en dit weerzien met het nuchtere, gewitte vertrek hielp er hem pas overheen. Als een opgelucht, rustiger mensch wandelde hij weer weg. Althans één, die zich in den vollen zin bevrijd voelde!

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 47-48

[Jakarta 5 – Paleis] 

Dr. Van Mook zelf bleef langen tijd vrijwel onzichtbaar; later ontving hij de pers eenmaal per week ten paleize, en de conferenties kregen gaandeweg een minder formeel cachet: wij mochten rooken en behoefden niet langer aan een lange vergadertafel te zitten. Van een intiem contact kwam echter ook toen nog weinig. Als Nederlander begreep ik maar al te goed, dat onze Luitenant-Gouverneur-Generaal verbitterd moest zijn over een vloedgolf van onrechtvaardige berichtgeving die hem onder de oogen kwam; bovendien was hij bedolven onder werk en kon dus moeilijk tijd voor zulke interviews vinden. Maar ik was blij dat ze eindelijk geregeld werden gehouden, want de paar correspondenten, die het wèl met ons meenden, hadden al lang gejammerd om een duidelijk gestelde Nederlandsche ‘declaration of policy’ als tegenwicht tot de reeds gedrukte beginselverklaring der republikeinen, en Dr. van Mook zei veel, dat opheldering bracht en indruk maakte. Bovendien won hij door zijn directheid, slagvaardigheid en soms wat wrangen humor de sympathie van hen, die tot nu toe slechts een stroef reactionair ambtenaar, de belichaming van behoudzuchtig koloniaal bestuur in hem hadden willen zien.
“He is quite human”, hoorde ik een correspondent bij het naar buiten gaan zeggen. Dat scheen hij niet verwacht te hebben ...
Natuurlijk wierp het op den duur rente af, dat onze regeering te Batavia den stijl van het Indonesische ministerie van voorlichting niet trachtte na te botsen en er zich door noordelijke gereserveerdheid van onderscheidde. Maar een misschien te groote terughoudendheid bevorderde, vooral in den beginne, een eenzijdige en voor ons schadelijke berichtgeving, en eenmaal ontstane misverstanden hebben een taai leven.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 53-54

[Jakarta 5 – Soos] 

Gaandeweg werden er Britsche troepen aangevoerd, en de Japansche schildwachten maakten plaats voor Punjab-soldaten, Patiali [Indiase militairen] en Seaforth Highlanders. De Schotsche ‘pipers’ vormden een groote sensatie voor het straatpubliek wanneer ze met joelende doedelzakken langs het Molenvliet kwamen gemarcheerd om de aflossing der wacht van het Hotel des Indes op te luisteren. De ‘Kamar bola’, de biljartkamer van de Harmonie werd cantine, en buiten dromden lachende groepjes katjongs, vruchtenventers en andere nontonners (niet gepresseerde toeschouwers), die met de biljarters daarbinnen een Engelsch-Maleische conversatie gaande hielden en op ’n Capstan hoopten. De verbroedering was spontaan en algemeen. Jonge Schotten amuseerden er zich – en de omstanders – mee den verbouwereerden Indonesischen verhuurder van ‘n ‘tiga-roda’ als passagier in zijn eigen voertuig te zetten en hem gratis rond te rijden. Voor de rest jakkerden ze in hun jeeps door de toen nog ongevaarlijke stad, vaak in gezelschap van ’n half dozijn blanke kinderen, die tuk op zoo’n ritje en trotsch op de vriendschap waren. De ouders in hun kampkleeren zagen er met een glimlach bij toe – aan de Britsche soldaten ontging de ontroering, die van zoo’n tafereeltje kan uitgaan wanneer men aan vriendelijkheid van vreemden ontwend is geraakt.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 58-59

[Jakarta 5 – Apenwacht] 

Onze Ambonneesche soldaten keken vroeger al wat uit de hoogte neer op den Javaan. Door hun fanatieke loyaliteit aan de Nederlandsche vlag waren zij thans het mikpunt van den haat der pemoeda's, méér dan wij zelfs. Hun vrouwen werden maar al te vaak mishandeld, vermoord, en de Ambonneezen konden er niet op wachten tot de Engelschen daar iets aan zouden doen. Zelf Aziaten, hadden zij er hun eigen opvatting over hoe men tegen Aziaten moest optreden. Terreur beantwoordde men met terreur. Zoo overvielen zij op 'n keer een Indonesisch politie-kantoor, waaruit schoten waren gevallen, en namen het gansche personeel “krijgsgevangen". En zoo rolden zij bij een andere gelegenheid een vat benzine in een Batavia'sche kampong en staken er den brand in; de hemel ten oosten van het Koningsplein zag er zwart van.
De Engelschen protesteerden tegen zulke wild-west-methodes en dreigden alle Ambonneezen weg te zenden indien zij zich niet aan militaire tucht konden onderwerpen. Maar de tijd zou komen, dat ook Engelsche militairen tegenover den pemoeda hun geduld gingen verliezen.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 62-63

[Jakarta 7 – B.P.M.] 

Toevallig zag ik twee of drie weken later voor een militair gebouw in de Willemslaan nog weer een Nederlandsch konvooi gereed staan om naar Kebajoran te vertrekken, en daar het kamp de laatste dagen weer druk omstreden was geworden, kwam de gedachte in me op om binnen te loopen en te vragen of ik mee mocht en dan meteen eens ’n nacht overblijven. Maar de Nederlandsche overste, die me te woord stond, durfde het niet aan zonder er eerst den generaal in gekend te hebben, en de generaal bleek op dat oogenblik niet bereikbaar. Zoo reisde het konvooi dan voor mijn neus af; ook mijn voorstel, dat ik wel in mijn eigen auto en op mijn eigen verantwoordelijkheid mee kon rijden, werd afgeslagen. De weigering kwam dan ook niet zoo zeer uit bezorgdheid om mijn leven voort als wel uit een diep geworteld wantrouwen jegens de pers, die haar neus in alles stak en soms zoo onaangename dingen schreef. Het was menschelijk en begrijpelijk, dit gevoel van onbehagen, maar de geheimzinnigheid van onze militairen wekte bij buitenlandsche correspondenten weer vaak de verdenking, dat wij iets te verbergen hadden.
Bij de Engelschen werd ik in dit opzicht nooit voor het hoofd gestooten, en ik ben met de Seaforth Highlanders dan ook menigmaal mee op nachtelijke patrouilles geweest in de meest beruchte wijken van de Batavia’sche Benedenstad zonder een ander advies mee te krijgen dan “See that you don’t get holes in you.”

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 63

[Jakarta 5 – Apenwacht] 

Mijn connectie met dit Schotsche regiment, die langzamerhand een vriendschappelijke werd, had ik te danken aan een jongen kamergenoot, captain Hugo Charteris van de Scottish Guards. Hij was – ik meen bij Cassino – zwaar gewond geworden, voor zijn moed onderscheiden en daarna als “liaison-officer" aan Public Relations toegevoegd. Of hij in die functie even goed voldeed als bij den troep, weet ik niet, maar ik waag het te betwijfelen, want zijn nog zeer onstuimige jonge hart trok hem van het bureau en de schrijftafel weg naar waar de strijd woedde. Deze nachtpatrouilles waren 'n kolfje naar zijn hand, en in zijn drie-en-twintigjarige onvermoeibaarheid lachte hij om mijn verzuchting, dat ik ook wel weer eens ’n nacht rustig wilde slapen. Terecht merkte hij op, dat dit toch een vrome wensch moest blijven, daar er zelfs in het centrum van de stad nauwelijks 'n nacht zonder stoornis voorbij ging. Speciaal achter het Hotel des Indes vonden nog al eens wat schietpartijen plaats, misschien ook al in verband met de Ambonneesche kazerne in het laantje, dat den schilderachtigen naam “Djaga Monjet" (Apenwacht) draagt.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 63-64

[Jakarta 2 – Factory] 

De eerste compagnie van de Seaforth Highlanders was ondergebracht in het gebouw van de Factorij (De Nederlandsche Handelmij, achter Glodok) dat met z’n stevige muren en zwaar getraliede benedenvensters een soort fort vormde. Van daaruit vertrokken de patrouilles: twee of drie trucks onder leiding van een luitenant, en op de normale rondes werden de posten bezocht, die verdeeld waren over minder prettige buurten als Djembatan Lima, Kalimati, Pasarpisang en Malaka. Ik zal die lange ritten door duister Oud-Batavia niet gauw vergeten. Alles was doodsch en verlaten; op wat rondsluipende katten en ‘n verdwaalde geit na scheen de stad uitgestorven, maar door de kieren van gesloten luiken wist men zich gadegeslagen; elke donkere tuin achter de golvende lijn van ’n Chineesch muurtje hield een bedreiging in.
Toen de pemoeda’s later ontdekten, dat zelfgemaakte handgranaten een doelmatig middel tegen militaire vrachtauto’s waren, werden deze nachtpatrouilles vrij riskant; in den beginne rekenden wij nog niet met een zoo modern uitgerusten tegenstander. Maar het bewustzijn van onzichtbaar gevaar had ons daarom toch wel in z’n greep. De posten waren dan ook opgelucht ons te zien verschijnen, al trachtten ze het in hun stem niet te verraden. Het bezoek mocht kort duren, het brak toch de urenlange verlatenheid. De luitenant riep een geruststellend woord naar private Williams – of wie de soldaat ook mocht zijn, die met het geweer in den aanslag stond tot hij er zeker van was, dat zich achter de verblindende koplampen goede vrinden en géén extremisten bevonden.
‘Things okay here, I suppose?’
‘Thanks sir, fine.’
‘All right, we go on.’
‘Sweet dreams’, zei ‘n soldaat achter in den truck, en private Williams wenschte hem naar een nog heeter oord dan dit oud-Batavia.
Nadat de geïsoleerde Britsche posten te Soerabaia onverhoeds door de massa waren overvallen en afgemaakt, werden de posten te Batavia op enkele kleine centra tezamen getrokken – een maatregel, die diepe verslagenheid teweegbracht onder de Chineesche eigenaars van pakhuizen en winkels.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 71-72

[Jakarta 2 – Stationsplein] 

Inplaats van te verminderen, nam het rampokken nog gedurig toe; het was een geregeld nachtfestijn geworden. Niet alleen uit Bantam, maar ook uit het Kraqwang’sche en nog van elders kwam het schuim van een verarmd en hopeloos gedemoraliseerd Java de stad binnenstroomen en stak door zijn voorbeeld het nog eerlijk gebleven deel der bevolking aan. Nimmer was de misdaad ongestraft gebleven als nu, en wat voor schatten bleken de pakhuizen zelfs na de Japansche bezetting nog te bergen!
Al deze recente immigranten hadden geen dak boven hun hoofd en sliepen dus onder den vrijen hemel ( de westmoessonregens waren nog niet doorgebroken). Op het stationsplein tegenover de Factorij, waarin de Schotten zaten, kampeerden er honderden, misschien onder het excuus een vroegen trein af te wachten. In elk geval toonden ze op zulk een wijze duidelijk hun vertrouwen in de Britsche bescherming – en konden meteen ’n oog houden op het vertrekken en terugkeeren der patrouilles. Met Oostersch fatalisme strekten ze zich midden op straat uit, aldus een levende barrière vormend in het zicht van onze autolampen, wanneer Charteris en ik ons vaste avondbezoek aan de Seaforth compagnie brachten. Gelukkig waren we er op voorbereid.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 72-73

[Jakarta 2 – Handelmaatschappij] 

De Chineesche kooplieden, die overvloedig reden tot ongerustheid hadden, zochten ieder voor zichzelf bizondere bescherming bij de Engelschen; met een gezicht, dat één en al beminnelijkheid was, kwam er nu en dan een de Factorij binnenstappen en bracht voor de officierscantine volgens het oude recept geschenken mee: fruit, eieren, bier. Het was alleen maar om zijn dankbaarheid te betuigen voor de grootere veiligheid (sic), die nu in de Benedenstad heerschte; hij kwam hier heusch niet in de hoop op persoonlijke bevoordeeling. Wel kon hij ’n goed advies geven, als toewan Major er naar luisteren wilde. Kijk, hij had een kaartje van de Klenteng-buurt meegebracht, en zijn raad aan toewan Major was om op díén hoek daar (een lange pinknagel wees den hoek aan) een post neer te zetten, die dan drie, zelfs vier straten tegelijk bewaken kon.
De majoor knipoogde eens naar ons, bekeek aandachtig het kaartje, liet zich alles nog eens precies uitleggen en vroeg daarna: “And now just tell me, please, where is yóúr shop?”
De Chinees moest de vraag eerst vertaald krijgen, glimlachte toen op ontwapenende wijze en duidde het op een kaartje aan. Zijn zaak bleek toevallig juist dáár te zijn waar hij, uit militair-technische overwegingen, de schildwacht geplaatst zou willen zien.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 73-74

[Jakarta 5 – Noordwijk] 

Om te ervaren bij wien er in den afgelopen nacht weer gerampokt was, behoefde men ’s morgens slechts naar de verschillende markten te gaan: daar lagen de gestolen waren vrijmoedig uitgestald. Zelfs het bedrukte briefpapier van de gedupeerde firma’s kon men er koopen, en ik moet tot mijn schande bekennen, dat mijn vrouw ’n tijd lang brieven van mij kreeg met Koninklijke Paketvaart er boven; ik had het papier met bijbehoorende enveloppen tegen een schappelijken prijs op de ‘pasar-atom’ gekocht, die zich over de gansche lengte van Noordwijk uitstrekte.
Waarom deze markt atoom-markt heet? Het schijnt dat er tijdens de geallieerde luchtaanvallen in het laatste stadium van de Japansche bezetting ook reeds aardig gerampokt werd en wat de plunderaars wegdroegen uit de brandende havenloodsen en pakhuizen werd op de ‘pasar-bôm’ (bôm van bombardement) verkocht. Later hoorde Java over de atoombom. ‘Bôm’ was nu een verouderd begrip geworden en als een hulde aan het werktuig der Victorie nam de pasar den nieuwen naam over ...

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 76-78

[Jakarta 1 – spoorwegviaduct] 

Neen, de Engelschen konden niet de heele markt in beslag nemen: ze zouden geen trucks genoeg hebben om alles weg te voeren, en in de Factorij lagen de geconfiskeerde waren reeds hoog opgestapeld. Maar langzamerhand werd de geheime informatiedienst beter, en men wist soms reeds in den voor-avond, dat er vannacht zoo-en-zoo laat in die-en-die buurt gerampokt zou worden, zoodat er een overval kon worden voorbereid.
Zoo kregen Charteris en ik op een keer ’n telefoontje van Young: als wij den volgenden morgen om vijf uur uit ons bed konden komen, had hij ons misschien iets te bieden.
Ik was om dien tijd toch reeds meestal wakker door het impertinente schreeuwen van Jock, den grooten gibbon in den tuin van het Hotel des Indes, en precies om vijf, uur reden wij bij den post op Kalimati voor, waar Young ons besteld had. Hij stond juist met twaalf man gereed om te vertrekken, en wij sloten ons aan.
Ik herinner mij, dat ik opgewonden was. Ik wilde het dramatische en tragische conflict graag in al z’n gedaanten leeren kennen en zou het laf in mijzelf gevonden hebben, dit in-actie-gaan tegen plunderaars moedwillig te ontloopen. Maar ik wist, dat de Engelschen sedert enkele dagen tot een scherper optreden hadden besloten, en Young's uitnoodiging stond daarmede in verband. Zou ik zoometeen moeten méé aanzien hoe er op menschen werd geschoten, die, tegen de afgekondigde militaire order in, met hun gestolen waar een goed heenkomen trachtten te zoeken?
Om geheel eerlijk te zijn: ik was opgelucht toen de informatiedienst der rampokkers niet minder goed bleek te functionneeren dan de onze. In het halfduister voortkruipend langs de spoorbaan naar het viaduct over de Buitengracht – waar het pakhuis stond, dat vannacht “aan de beurt" was – zagen wij in de verse nog juist ’n paar bruine gestalten weghollen, één sprong in het water en zwom naar den overkant, iets lichts boven z'n hoofd uithoudend, dat kostbaarder scheen dan zijn leven. Bij den zelfgemaakten “ingang" van het gebouw, 'n in metselwerk uitgehakt gat, vonden wij bergen pakpapier, in koortsige haast losgescheurd om te kunnen zien wat er in zat. Binnen was het donkere nacht, maar een electrische zaklantaarn onthulde een bonten en weelderigen chaos van zijden stoffen – 'n echte grot van Alladin. Er hing ook dezelfde spookachtige stilte, waarin doode dingen tot leven schijnen te komen.
Het was haast ondenkbaar, dat de in hun plunderfeest gestoorde rampokkers dien achtergelaten schat met rust zouden kunnen laten. En laat in dienzelfden avond riep een telefoontje van Young ons reeds weer naar de Oude Stad. Men had bij het gat in den muur een post geplaatst, maar de plunderaars waren er nu van de andere zijde binnengedrongen, en daar was het op een schietpartij uitgelopen. Een luitenant en ’n dozijn manschappen gingen er juist op af, en als wij wilden, konden wij mee.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 83-84

[Jakarta 7 – Sterreweg] 

Wij wachtten een tijd, en toen er na ’n uurtje nog niets gebeurd was, werd mij aangeraden om naar huis te gaan. Hoe later men op straat was, hoe onveiliger, en het scheen, dat dit weer eens een valsch alarm geweest was – wat ook al tot den ‘zenuwen-oorlog’ behoorde. Ik nam dus afscheid en reed weg, maar nauwelijks waren we een hoek omgeslagen of van achter de boomen langs den weg sprongen – vergeeft u mij de romantiek van mijn verhaal, lezer – ’n aantal gewapende jongens te voorschijn. De chauffeur, hoewel uiterst zenuwachtig, bezat de tegenwoordigheid van geest het stuur met ’n ruk om te werpen en een smalle brug op te rijden nog vóór onze aanvallers op de treeplank hadden kunnen springen. Op het midden van de brug stonden nog enkele pemoeda’s met speren, en hun makkers riepen hun iets toe, maar ze waren te zeer op zelfbehoud bedacht om het ons lastig te maken: de auto scheerde vlak langs hen heen, en ze drukten zich stijf tegen de leuning, hun maag ingetrokken.
Ik had er in het donker niet precies op gelet waar ik was, vermoedde echter, dat wij het kanaal tusschen den Grissee- en den Madoeraweg waren overgestoken. We reden nu in ’n stevig vaartje naar den Theresiakerkweg (altijd als mijn nachtelijke topographische waarnemingen betrouwbaar zijn geweest) en meenden elkaar reeds te kunnen gelukwensen toen we halverwege Gang Holle, liefst schuin achter het aan het Koningsplein-Zuid gelegen Hoofdkwartier van de 23ste Britsch-Indische Divisie, toch nog in de val liepen. Een gansche bende hysterisch gebarende knapen hield ons aan.
Eén auto lag reeds op haar kant gekeerd, en thans werden wij het middelpunt der belangstelling. Van weerszijden sprongen de bengels op de treeplank, met hun donkere oogen vervaarlijk naar binnen glurend, en onder de argumenten waarmee wij overreed werden om geen kunsten uit te halen, was een revolver, die waarschijnlijk de pièce de résistance van dit vendel uitmaakte en ons brutaal onder den neus werd gehouden.
De chauffeur, ’n niet meer jeugdig Indo-Europeaan, het pokdalige gelaat getaand door de tropenzon, sprak bij andere gelegenheid Maleisch en Soendaneesch als zijn moedertaal, maar scheen nu doofstom en keek met vreemde strakheid voor zich uit; ik zou dien blik misschien niet verstaan hebben als ook ik niet in dit land geboren was. Alleen zijn lichaam was hier nog aanwezig; al wat verder zijn ego uitmaakte, had de wijk genomen naar een wereld waar niets en niemand hem meer bereiken kon. Ik zou mij niet graag moediger voordoen dan ik ben en ik wil wel bekennen, dat mijn hart mij in de keel gebonsd had, toen wij daareven op de brug nog juist bijtijds den dans ontsprongen waren – maar dit directe contact werkte op mij als een anti-climax; ik ondervond, dat de onzichtbare bedreiging benauwender was geweest dan de nabije kennismaking. Ineens voelde ik het denderende avontuur, dat al deze jongens vanavond genoten. Terwijl ze òns angst trachtten aan te jagen, zag ik hen zelf onrustig achterom kijken – elk oogenblik kon er een Britsch-Indische patrouille komen opdagen. Mijn uniform en het woordje ‘pers’ (gerespecteerd op voorschrift van hoogerhand?) sleepten ons behouden door deze hinderlaag. De zeventien- of achttienjarige leider legde het hoofd schuin om het ‘war-correspondent’ op mijn epaulet te ontcijferen, zwaaide toen met zijn revolver naar ’n tweede bende, wat verderop, en gaf het bevel: “Boleh djalan teroes! – Deze auto mag doorrijden!”

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 86

[Jakarta 5 – Spoorwegviaduct] 

Batavia was niet slechts bij donker onveilig. Ook overdag vielen er schoten, soms gansche salvo's, zooals dien middag toen er bij den spoorweg-overgang van Noordwijk, dus in het hartje van de stad, een trein met gewapende pemoeda's stilhield, die zonder tekst of uitleg het vuur openden. De atoom-markt, die zich daar ook bevond, zal bij die gelegenheid wel bizonder haastig ingepakt hebben. Ik werkte dien middag op “Public Relations" aan een artikel en hoorde, door het klepperen van mijn Underwood-portable heen, al eenigen tijd lang het schieten. Aanvankelijk wist ik niet of het de moeite waard zou zijn om te gaan kijken; toen ik er toch toe besloot en op het slagveld verscheen, bleek alles voorbij te zijn. Veel ongelukken waren er, meen ik, niet bij gebeurd, maar ik hoorde Engelschen mopperen, dat de Hollanders zich bij het beantwoorden van het vuur wel eens hadden kunnen afvragen of er aan den anderen kant van den spoorweg-overgang misschien ook nog geallieerden zaten. Mij kwam de gansche slagorde dan vrij onfortuinlijk voor. Maar ik ben geen strateeg.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 86-88

[Jakarta 4 – Des Indes] 
[Jakarta 5 – Djaga Monjet] 

ILW Jakarta 4 Molenvliet Hotel Des Indes 05Het frontgebouw van Des Indes vanuit den toren van “des Galeries” gezien. [50 Jaar Hotel des Indes, 102]
Op 'n Zondagmorgen dronken Charteris en ik op het balkon van onze kamer 'n door Simin opgediende kop koffie en tuurden soezerig naar de gewone parade van vruchtenventers en slenteraars aan den overkant van het Molenvliet. Een groepje “nontonners" stond toe te kijken bij de bedrijvigheid in den tuin van het Hotel des Indes, waar vrachtauto's met vrouwen en kinderen in en uit reden. Alles was rustig en vredig in het heerlijk licht van dezen tropischen morgen.

Veel belangstelling trok ook de Schotsche schildwacht bij den ingang. Zijn vlugge, korte stampen met de voeten, dat een pittig accent gaf aan het rechtsomkeert maken, ontlokte onder het publiek telkens weer uitroepen van verrassing (ik had het kleine bruine katjongs al zien imiteeren), maar nog veel meer verwondering wekte de compagnieshond, een van de straat opgeraapt zwervertje met de steile ooren van den kampong-gladakker. In tegenstelling tot al zijn lotgenooten, had hij zich kunnen dik eten; hij voerde een leventje als een prins, en zijn waste plaats was onder het zonnedakje, waar men in voor-oorlogsche dagen den reusachtigen Sikh met zijn hagelwitten tulband, pronkjuweel van het Hotel des Indes, het in- en uitgaand verkeer kon zien regelen. Niets is in de Mohammedaansche samenleving dieper veracht dan een hond, en daar zat nu zoo'n „Untouchable" in de schaduw, de oogen dichtgeknepen van welbehagen, terwijl zijn baas in de heete zon heen en weer moest loopen.
Een nieuwe noot in dit tafreel brachten twee Britsch-Indische soldaten, die samen uit passagieren waren. Ieder martiaal rechtop in een ‘tiga-roda’ gezeten, het geweer tusschen de knieën, namen ze de wereld op dezen Zondagmorgen in oogenschouw. Opeens een droge, scherpe knal, en de achterste der twee greep naar zijn hart en wankelde het voertuigje uit, terwijl de rustig peddelende Maleier achter hem met de snelheid van het weerlicht uit den zadel sprong en deemoedig naast zijn fiets neerhurkte. De voorste Britsch-Indiër sprong eveneens uit zijn wagentje, wilde in zijn verwarring eerst wegloopen, maar bedacht zich toen en keerde om, zijn makker tegemoet, die bloedend in zijn armen zonk. De wacht uit het Hotel des Indes snelde toe, argwanend rondkijkend onder het in alle richtingen weggestoven publiek, maar de sluipmoordenaar, die dit uur en deze plaats voor de uitoefening van zijn vendetta had uitgezocht, was nergens meer te bespeuren. Men droeg het slachtoffer nu naar binnen. Uit het Djaga-Monjet laantje kwam een Amboneesch soldaat eens poolshoogte nemen: wat dat schot te beteekenen had gehad. Na alles rustig te hebben bevonden, keerde hij maar weer terug. Intusschen kwamen ook alweer nieuwe voorbijgangers aanwandelen, onwetend van wat hier een minuut tevoren gebeurd was. Langs het Molenvliet naderde tjingelend een boordevolle tram met – over den ganschen zijkant – de trotsche leuze: “Darahmoe panas; hatimoe keras – Uw bloed is heet; uw hart is sterk.” En zoo ging het leven dan weer door. Behalve voor den man daar binnen.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 92

[Jakarta 1 – Telefooncentrale] 

De Batavia'sche waterleiding zou méér lof hebben gekregen, indien er niet nu en dan geruchten waren opgedoken als zouden de pemoeda's de reservoirs vergiftigd hebben, zoodat gansche kampongs het water niet durfden gebruiken. De telefoon functionneerde behoorlijk, al gebeurde het nu en dan, dat men bij het aanvragen van 'n nummer met een patriottisch “merdeka!" begroet werd, dat van de telefoonjuffrouw aan het einde van de lijn bleek te komen. Beantwoordde men dezen heilwensch op dezelfde manier, dan werd men verbonden. De telefoon-centrale scheen er echter een zwarte lijst op na te houden. Sommige abonné's (ook Indonesiërs, die wat te druk met Nederlanders en Engelschen verkeerden) klaagden, dat zij in het geheel geen verbinding konden krijgen; anderen constateerden met eenige verbazing, dat de telefoonjuffrouw hen pas verbinden wilde nadat zij gezegd hadden waaròm zij 'n zeker nummer opbelden. Soms ook mengde de centrale zich op berispende wijze in een gesprek. Ik werd nu en dan in het Fransch opgebeld door een ontwikkeld Javaan, die niet wenschte te worden beluisterd; de telefoonjuffrouw vond dat amusant en zei er nu en dan “oui, oui" en “merci" tusschendoor.
De militaire en burgerlijke overheden hadden hun eigen net, met Engelsch-sprekend Europeesch personeel, en leden dus niet onder deze telefoon-terreur, die soms alleen maar grappig was, maar ook wel eens minder grappig, bijvoorbeeld wanneer men in een acuut ziektegeval onmiddellijk doktershulp noodig had en uit plagerij steeds weer met 'n verkeerd nummer verbonden werd.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 92-93

[Jakarta 5 – Harmonieplein] 
[Jakarta 7 – Politie] 

Over de Indonesische politie heb ik reeds gesproken. De Japanners hadden er alle oudere elementen uit verwijderd en vervangen door jeugdige enthousiasten (soms niet ouder dan ’n jaar of veertien) voor ’n Grooter Azië onder Nippon’s leiding. Zoo was ze thans in waarheid een werktuig in handen der revolutie, terwijl ze in schijn met de geallieerden samenwerkte. Deze schijn was zooveel te bedrieglijker doordat de agenten en commissarissen bij gebrek aan een nieuwe uniform nog steeds de Nederlandsch-Indische van ‘tempo doeloe’ droegen. Hoezeer de politie de bevolking ophitste en welken dwang zij daarbij uitoefende, zou duidelijk aan het licht komen toen het opper-commando, deze soort ‘samenwerking’ eindelijk moede, krachtig ingreep en onder meer het hoofdbureau der Indonesische politie op het Koningsplein-West door militairen deed ontruimen. Het volk concludeerde daaruit, dat het met de macht van het corps gedaan was, en dien zelfden dag kon men als Europeaan op de markten weer ongestoord inkoopen, terwijl op de brug tegenover de Harmonie ineens weer ’n gansche rij ‘tiga-roda’s’ op klanten uit het Hotel des Indes en het Hotel des Galeries stonden te wachten. Den laatsten tijd was men op een afgewend gezicht gestuit, of had ‘n “Poelang, toewan! Ik ga naar huis, meneer!” te hooren gekregen wanneer men er op straat een aanriep. Nu was de vrede hersteld, en de verhuurders waagden onder het voortpeddelen zelfs te klagen, dat de pemoeda’s hun zooveel soesah veroorzaakten ...

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 94

[Jakarta 3 – Tiong Hoa] 

Hoe staat het thans met den Javaanschen “orang-tani"? Wij hoorden, dat in het binnenland vele velden verlaten lagen nadat de pemoeda's den oogst waren komen requireeren en nadat bandieten den eenigen karbouw uit den stal hadden weggehaald, den radeloos toezienden boer dreigend, dat zij hem met een speer aan den grond zouden nagelen indien hij één hand tegen hen durfde uit te steken. Volgens alle binnenkomende rapporten was de ellende in de dorpen onbeschrijflijk. Hoe zou het ook anders kunnen na drie-en-'n-half jaar van de meest meedogenlooze uitbuiting?
In de dorpen ten zuiden van Batavia zagen wij met eigen oogen hoe de menschen in lompen rondliepen. Batavia zelf scheen een verzamelplaats voor bedelaars met de meest afzichtelijke wonden te zijn geworden, vooral in de Benedenstad strompelden ze rond, elken middag een eerewacht vormend voor Chineesche restaurants als Tiong Hwa, op Pantjoran.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 95

[Jakarta 7 – Bataafsche] 

De kanker van het kidnappen vrat te Batavia en elders steeds dieper in. Menschen werden uit hun bed gelicht, of verdwenen in de onmiddellijke nabijheid van hun huis, bijvoorbeeld wanneer ze in de schemering ’nog even omliepen’. En men hoorde niet meer van hen. De geheimzinnigheid, het zwijgen, dat om deze misdaden hing, werkte nog enerveerender dan het gevaar van op straat te worden neergeschoten. Wat voor onvoorstelbaar lot wachtte den ontvoerden ‘vijand van de Republiek’? Soms werden lijken gevonden, zoo verminkt, dat men ze niet meer herkende.
Ik liep ’s morgens wel eens bij de Nederlandsche recherche aan, in het vroegere B.P.M.-gebouw op den hoek van de Willemslaan, en kreeg daar politierapporten ter inzage, die van een droeve eentonigheid waren. In de wachtkamer zaten soms Indo-Europeesche of Indonesische vrouwen te snikken: hun man was vannacht door een bende pemoeda’s weggehaald, of ze hadden een dreigement in die richting toegezonden gekregen met ’n kris en het woord ‘merdeka’ er onder, en hun man hield zich nu ergens verborgen, terwijl zij zelf niet meer naar huis durfden. De Indonesische politie deed geanimeerd aan de nieuwe sport mee wanneer de kans schoon leek. Op een keer was ze (liefst zeventien man sterk) gekomen om een Indo-Europeesche familie op te lichten. De Engelschen kregen er nog juist op tijd de lucht van, en zoo beleefde Batavia dan het verheffend schouwspel, dat er zeventien Indonesische politiemannen als arrestanten werden afgevoerd in de vrachtauto waarmee de ontvoering plaats zou hebben gevonden.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 95-96

[Jakarta 3 – Gevangenis] 

De Indo’s bevonden zich in een beklagenswaardige positie. Gedurende de bezetting hadden zij zich moeten onderwerpen aan een Japansche stamboek-regeling volgens Nazi-model, waarbij tot op één achtste of één zestiende werd uitgewogen of zij ‘Europeaan’ of ‘Indonesiër’ waren. De ‘Indonesiërs’ onder hen werden daarna door den Japanner en zijn Indo-Europeesche stroomannen uitgenoodigd om zich voor Azië te verklaren en voor Dai Nippon, den Beschermer van Groot-Azië, te strijden. Toen ’n paar honderd jonge Indo’s bij zoo’n opwekking wat te nadrukkelijk “neen” zeiden, werden zij in de Glodok’sche gevangenis geworpen, mishandeld en uitgehongerd; zij voedden zich op het laatst met ratten en wat een cel verder aan eetbaars kan opleveren, en slechts een klein gedeelte keerde levend terug.
Door vrijwel over de gansche linie trouw te blijven aan haar Europeeschen status, had de Indo-bevolking zich den bizonderen toorn van Soekarno’s jeugdige volgelingen op den hals gehaald, en daar moest zij thans voor boeten. Op hen en op de Ambonneezen hadden de pemoeda’s het in de eerste plaats gemunt.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 102-103

[Bogor – Buitenzorg]

Daar het inmiddels tegen den middag liep en niemand voorspellen kon wanneer de kolonel zou terugkeeren, besloten wij het er maar op te wagen om in de stad vlug wat te gaan eten. We reden in een vaartje door de menigte heen, sloegen rechtsaf bij het paleis van den Gouverneur-Generaal, waarvan de republikeinsche vlag woei (dit gaf mij wel even een schok) en overvielen een Chineeschen restaurateur, die slechts matig enthousiast scheen over dit verzoek, maar ons achter in z’n eetzaal toch bamie met gezouten eendeneieren opdiende.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 109

[Bogor – Gevangenis] 

“En onze mannen? Waar zijn onze mannen?!”
Achteraf ben ik blij, dat we die vraag toen nog niet konden beantwoordden. Pas later zouden we vernemen, dat driehonderd Depok’sche mannen door de pemoeda’s naar Buitenzorg waren overgebracht en daar van het station naar de gevangenis spitsroeden hadden moeten loopen door een opgezwiepte, met speren en parangs bewapende menigte. Velen lagen daarna dagen lang met de afschuwelijkste wonden onverzorgd bijeen in vuile cellen, tot eindelijk de Gurkha’s een eind aan den toestand maakten.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 127-128

[Surabaya 3 – Scheepmakers Park] 

In Soerabaia werd bloedig gevochten. Aanvankelijk was alles er vredig toegegaan: de Engelschen hadden zonder incidenten van belang hun troepen aan land kunnen zetten, en met de evacuatie der kampen was reeds een begin gemaakt toen de onverwachte aanslag op de Britsche posten met een slag den oorlog ontketende.
De overweldiging dier posten door pemoeda's en straatschuimers werd op de gewone beestachtige wijze uitgevoerd. Nadat zoo'n handjevol Engelschen of Britsch-lndiërs in een wanhopige verdediging z'n laatsten patroon verschoten had, begon een moord-orgie waarbij het tot duizenden aangegroeide gepeupel de afgehakte armen en beenen van zijn slachtoffers juichend in de lucht wierp. Niet minder weerzinwekkend waren de aanvallen op de Nederlandsche vrouwen en kinderen, die in Britsche legertrucks van de kampen naar de haven werden geëvacueerd.
Dit alles verraste ons overigens weinig, want wat hadden wij van Soekarno's volgelingen nog anders gezien dan lafhartig barbarisme? Wat ons wel verraste, was de doodsverachting waarmee zestienjarige pemoeda's daarna storm liepen tegen geallieerde tanks. Voor het eerst – en bijna met een verademing – merkten wij in dezen opstand iets van werkelijk idealisme.
Te Soerabaia bleek intusschen ook, dat de extremisten nog wel over beter wapenen beschikte dan bamboesperen en parangs. Daar hadden de Japanners voor gezorgd, die, als ze dezen oorlog dan al moesten verliezen, ons de overwinning graag zoo bitter mogelijk wilden doen smaken. Na vrijwillige overgave aan de Indonesiërs, of na een schijnverzet, presenteerden zij de revolutie gansche artillerie-parken plus instructeurs en munitie, alsook modern geoutilleerde vliegvelden, compleet met jagers en bommenwerpers.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 130

[Semarang 2 – Heuvel] 

Tegen middernacht werd rondom het Japansche hoofdkwartier te Djatingala inderdaad het vuur geopend en gaandeweg nam het schieten in hevigheid toe. Om half vijf in den morgen meldden Japansche officieren zich bij de Rapwi-leiding met de mededeling, dat zij nog slechts door een gewapend optreden de veiligheid der burgerbevolking konden waarborgen. Meteen rukten de Japansche troepen uit Djatingala naar de eigenlijke stad op. Een vrij krachtigen tegenstand overwinnend, bezetten zij in den loop van den dag den Bodjong-heuvel en arresteerden daar den republikeinschen Resident Wongsonegoro. Deze stelde zich daarop schriftelijk met de pemoeda’s in verbinding en trachtte hen te bewegen het vechten te staken. Soekarno’s hoofdkwartier te Batavia deed hetzelfde, maar de pogingen werkten niets uit.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 131

[Semarang 3 – Vrouwengevangenis] 

De Rapwi-leiding maakte zich in het bizonder ongerust over het lot van de kleine duizend blanke en Indo-Europeesche mannen in de Boeloe-gevangenis, die zich nog in handen der pemoeda’s bevond. De daar opgeslotenen hebben dan ook benauwde uren beleefd, maar zij zijn den dans ontsprongen, en eenigen van hen vertelden mij wat zich bij de nadering der Japanse soldaten afgespeeld heeft. Blijkbaar was de gevangenis rondom een binnenplaats gebouwd, en in zeven kleine cellen hadden de pemoeda’s meer dan honderd Japanners bijeengeperst, die in de loop van den dag waren binnengebracht (o.a. de piloten en het grondpersoneel van het vliegveld). Kort voor het prijsgeven van de gevangenis werden deze ongelukkigen tot den laatsten man met de bajonet afgemaakt.
Het moorden geschiedde door de tralies en met de gehoorzame medewerking der slachtoffers. “Berdiri! Sta op!” werd er van buitenaf bevolen, en telkens stelde een Japanner zich in een aan waanzin grenzend noodlotsbewustzijn voor het traliewerk op en liet zich doorsteken. Velen scheurden daarbij op het laatste oogenblik gepassioneerd-uitdagend hun uniformjas open en riepen: “Tiada perdoeli! Bkin sadja! Kena hati! – Het kan me niet schelen! Doe het maar! tref het hart!” en dergelijke.
Harakiri.
Laat ik maar zwijgen over wat de binnendringende Japanners, na hun makkers daar in de cellen te hebben gevonden, met de pemoeda-cipiers deden, die niet meer bijtijds de gevangenis konden ontvluchten. Dit is een dag van bloedige, vreselijke afrekening geworden.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 131-132

[Semarang 2 – Du Pavillon] 

Op den 18den October, drie dagen na het begin van den strijd, werden ongeveer vijftig Nederlandsche vrouwen en kinderen bevrijd, die in het hotel Pavillon, in het centrum der stad, zaten opgesloten. Ik zag nog overal de sporen van het recente gevecht, maar de vrouwen hadden in de afgelopen drie-en-‘n-half jaar te veel meegemaakt om zich door ’n paar uren acuut gevaar uit hun evenwicht te laten brengen. “Het ging deze keer niet tegen ons, meneer, maar tegen de Japanners, en de pemoeda’s zeiden: “De Jap is toch ook júllie vijand!” Ze wisten immers wat wij in de kampen hadden moeten uitstaan.” De vrouwen zuchtten en één zei: “Op het laatst kregen we nog bijna medelijden met hen. Er waren héél jonge jongens onder, die huilden omdat zij het gingen verliezen: in hun paniek sprongen ze van de eerste verdieping naar omlaag! Ze hadden gemakkelijk hun armen en beenen kunnen breken ...”
Wat deze vrouwen nu nog deed huiveren, was de herinnering aan een tooneel, dat zich vlak voor het hotel had afgespeeld: hoe Japansche krijgsgevangenen in een truck werden afgevoerd en aan de wraak der massa’s uitgeleverd. “Ze zagen wel erg bleek, maar u had moeten zien hoe kalm ze bleven! Met ’n stalen gezicht lieten ze zich uit die auto sleuren, en ze waren zelfs te trotsch om hun arm op te heffen en zich te verweren toen er met parangs op hen werd ingehakt. – Moed hebben ze wel, die Jappen ... Hoe is het dan toch mogelijk, dat ze tegen ons zoo laf en gemeen waren?”

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 133

[Jakarta 7 – Petroleummaatschappij] 

Kort nadien was ik er te Batavia getuige van hoe luitenant-generaal Yuichiro Nagano, laatstelijk opperbevelhebber van het Japansche bezettingsleger op Java, en zijn chef van de staf, generaal-majoor Moichiro Yamamoto, hun zwaarden moesten overreiken – zij stonden onder verdenking er toe te hebben meegewerkt, dat de Japansche garnizoenen in oost- en midden-Java zichzelf en hun wapenen aan de nationalisten hadden uitgeleverd. In Bangkok heb ik later dezelfde ceremonie nog eens op grooter schaal bijgewoond; daar deponeerden niet minder dan twintig Japansche opperofficieren hun eeuwenoud Samoeraizwaard op een met geallieerde vlaggen bespannen tafel en salueerden vervolgens in stramme houding voor de Union Jack, die van een mast wapperde. Maar het aantal maakte de plechtigheid niet indrukwekkender.
De zwaard-overreiking te Batavia vond plaats in het aan het Koningsplein Zuid gelegen gebouw van de Kon. Ned. Petroleummaatschappij, destijds hoofdkwartier van de 23ste Britsch-Indische divisie. Een half dozijn tanks, met hun front naar het gebouw gekeerd, representeerde de gemechaniseerde afdeelingen van het bezettingsleger, en langs de oprijlaan in den tuin stonden in strenge formatie Britsch-indische soldaten opgesteld: Sikh’s, Mahratta’s, Gurkha’s, Punjab’s, Patiali’s.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 147-148

[Jakarta 7 – K.P.M.] 

Hoe begrensd de macht van het nieuwe kabinet nog was, zou reeds blijken bij de eerste Nederlandsch-Indonesische conferentie, die op den avond van den 17den November plaats vond in het geallieerde hoofdkwartier aan het Koningsplein Oost. Voorzitter was generaal Christison, de geallieerde opperbevelhebber, en het beeld van deze bijeenkomst is mij duidelijk bijgebleven, al mocht de pers dan ook slechts den aanvang en het einde ervan zien.
De Engelschen en Nederlanders wachtten boven terwijl de Indonesische delegatie langzaam en eenigszins plechtig de marmeren trap op kwam, actentasschen onder den arm en zichtbaar onder den indruk van deze eerste officieele missie. De ontvangst kreeg iets ongewilds grotesks doordat de elkaar ontmoetende groepen van verschillende planeten afkomstig schenen. Het noodlot wilde namelijk, dat de blanke deelnemers aan deze bespreking bijna zonder uitzondering meer dan zes voet lang waren, te beginnen met den reus Christison zelf, terwijl de Indonesische gedelegeerden in Sjahrir's gevolg stuk voor stuk het Davidspostuur van hun premier hadden. Voor de rest was de begroeting uiterst cordiaal; de Nederlanders troffen onder de Indonesiërs persoonlijke vrienden aan; ieder scheen verheugd den ander te zien. De persfotografen lieten hun toestellen klikken, en daarna gingen de deuren dicht.
De verwachtingen in Batavia waren hooggespannen. Van Mook had kort tevoren tijdens een persconferentie zijn voldoening over dit nieuwe kabinet uitgesproken, waarin verstandige en energieke mannen zaten, met wie beter te praten viel dan met opportunisten, die onder de Japansche bezetting hun eer hadden prijsgegeven, of met fanatici voor wie de onmiddellijke verwerkelijking van hun nationale vrijheidsidealen zwaarder woog dan de leniging van den huidigen nood onder het volk. Om middernacht zouden de besprekingen wel zoowat geëindigd zijn, vernamen wij, en met nog enkele journalisten ging ik tegen dien tijd weer eens een kijkje nemen. Maar de deuren waren nog dicht, en toen wij een zichtbaar verveelden sergeant van de wacht vroegen wat hij wel van de politiek op Java en van deze conferentie in het bizonder dacht, gaf hij ons in zijn Cockney-Engelsch een krachtig antwoord, dat ik hier maar niet zal neerschrijven.

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 200

[Semarang 3 – Ambarawa] 

Een Nederlandsche vrouw, pas uit het Ambarawa-kamp bij Semarang gekomen, vertelde me, hoe de pemoeda’s daar waren binnengedrongen met den opzet er onder vrouwen en kinderen een slachting aan te richtten. Het fusilleeren zou juist beginnen, toen de Gurkha’s redding brachten. Op public Relations had ik reeds vernomen, dat de nationalisten het kamp onder artillerievuur hadden genomen en dat er slachtoffers waren gevallen.
De evacuatie naar Nederland was te Batavia inmiddels op wat ruimere schaal begonnen. Oorlogsweduwen en zieken gingen voor. Maar wie kwam er dan goedbeschouwd niet voor ziekteverlof in aanmerking?
Er waren dappere vrouwen, die wilden blijven, juist nu. “Meneer, het lijkt te veel op wegloopen voor het gevaar en de moeilijkheden. We hebben Indië in goede tijden gekend, toen het leven gemakkelijk voor ons was; nu valt er zwaar en moeilijk pionierswerk te doen, en wij willen op onzen post blijven. Wij zouden ons schamen hier later terug te komen om te profiteren van wat door anderen werd bereikt terwijl wij op de vlucht gingen.. In de bergen van Java kunnen wij straks evengoed weer op krachten komen als in Europa. Eénmaal zal al dat zinlooze haten en moorden toch wel ophouden, en dan gaan de berghotels en sanatoria weer open ...

Fabricius – Hoe ik Indië terugvond, 205

[Jakarta 5 – Hotel des Galeries] 

Het moest tegen de morgen loopen. De regen was nog uitgebleven, en de hemel begon lichter te worden. Kalongs keerden van een nachtelijken rooftocht terug; daar ergens in het westen scheen een vruchtentuin te zijn, dien zij waren gaan plunderen. Ze vlogen met honderden over, hun groote, traag op en neer gaande vleermuiswieken donker silhouetteerend tegen de laaghangende wolken.
Jock, de gekooide gibbon van het hotel des Indes, begroette den aanbrekenden dag alvast met een doordringend en impertinent gekrijsch.
Langs het Molenvliet, van den kant van de Benedenstad, naderde het eerste groepje vruchtenventers. Eén arm rhythmisch meezwaaiend om den zwaren last beter te kunnen torsen, gingen ze als in een geheimzinnigen dans onder mijn balkon voorbij, geruischloos op hun ongeschoeide voetzolen. Al wat ik hoorde, was hun snelle hijgen en het kreunend doorzwiepen van het bamboejuk over hun naakte schouders.