Tjeenk Willink, Haarlem 1893

Foore – Bogoriana, 1-2

[Bogor 2 – Licht] 

Droomerig suizelt de koelte door Insulindes lusthof, den plantentuin te Buitenzorg.
Onmerkbaar beroert ze de toppen der waringins, waaronder de herten zich te slapen legden; zachtjes doorademt ze de kanarielaan, die dubbele rij van woudreuzen, verwonnen door de omarming der orchydeeën; spelend heft ze de witte donsjes omhoog door de zwanen achtergelaten op de vijvers; plechtig zucht ze in het bamboebosch dat zich heenbuigt over graven ... dan gaat ze fluisteren van minnevuur en zomerweelde in den bloemhof, waar de rozen gloeien en de nachtvlinders dartelen.
Uit het paleis, dat zich verheft te midden dier tropische heerlijkheid, stroomt een zee van licht.
De inlandsche jongelingen en meisjes sluipen naderbij, of ze ook iets mochten bespeuren van het schitterend toneel daarbinnen. Ze zien slanke gestalten in witte kleedjes; ze hooren rijtuigen ratelen, zweepen klappen, orders geven; ze vernemen het geruisch van satijn, het getrippel van hoge hakjes in de marmeren vestibules; dan worden al die geruchten overstemd door de eerste tonen der dansmuziek.
Want het is bal ten paleize. Wat meer zegt, ’t is het groote, het veelbesproken bal dat Zijne Excellentie geeft ter eere van het eenig kind uit zijn eerste huwelijk gesproten, kortelings teruggekeerd uit Europa, waar ze achterbleef ter voltooiing harer opvoeding. Het gezelschap, dat aan de uitnoodiging gehoor gaf, is talrijk, de zaal waarin men antichambre maakt niet groot, de atmosfeer zoo drukkend als ze na een dag zonder regen wezen kan op Buitenzorg, de dames zoo geagiteerd als ze gewoonlijk zijn, wanneer ze op het punt staan een nieuw galatoilet te vertoonen; dit alles maakt het tot een ware verlossing, nu eindelijk een adjudant komt aankondigen, dat de gouverneur-generaal gereed is zijne gasten te ontvangen.
Het muziekkorps speelt een marsch en haastig zoekt iedere vogel zijn gaaike: arenden en gieren gaan voorop, dan volgen pauwen en faizanten, nu nachtegalen en leeuwerikken, tot eindelijk roodborstjes en boomkruipers de achterhoede vormen; kraaien, huismusschen of spreeuwen zijn niet aanwezig

Foore – Bogoriana, 8-9

[Bogor – Buitenzorg]

‘t Wordt elf uur; tijd voor het souper. De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes: zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier?
De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken, waarin het souper wacht.
’t Is niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon, een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper zooals gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten.
In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige buffetten, waarop in fonkelend kristal een desssert prijkt, zoo smaakvol gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan, een begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen confiseur.

Foore – Bogoriana, 15

[Bogor 2 – Kwekerij] 

Mogen onder de bataviasche dames al enkelen mevrouw Van Waliënhove op zijde streven in pracht van damast, porselein en glaswerk, – bloemen gelijk ze pronken op haar disch, bloeien slechts in de serres van de botanischen tuin; een wenk aan den hortulanus gegeven is oorzaak, dat ze daar slechts bloeien voor de landvoogdes.

Foore – Bogoriana, 22-23

[Bogor 2 – Licht] 

Er zijn stoelen geplaatst op het balkon, maar het is stikdonker buiten, en juist begint men zich af te vragen, wat toch de bedoeling zijn kan van het staren in deze egyptische duisternis, als in een diepe stilte – bewijs van nieuwsgierige spanning waarin het gezelschap verkeert – de intendant met zijn zakdoek wuift.
Was de heer d’Hannecour gewapend geweest met het stafje ener fee, niet plotselinger had de verandering kunnen zijn, niet tooverachtiger had uit de duisternis het tooneel kunnen verrijzen, dat nu het oog der toeschouwers boeit. In een licht zoo zuiver wit als werd Bogor’s eeuwig bloeiende tuin te midden der gletschers gevonden, ligt daar de vijver, een reusachtige spiegel, gevat in groenfluweelen rand: rondom buigt zich zacht wuivend loover, de avondwind suizelt en bestrooit de glinsterende watervlakte met bloemen. Daar klinken de vriendelijke tonen eener barcarolle en, bloemguirlanden gewonden om de zilveren masten, veelverwige wimpels in top, met rooskleurige zeilen zwellend door de koelte, glijden tal van bootjes over het meer.
Nu gaat het schitterend witte licht over in teeder smaragd: hier en daar tusschen het dicht geboomte dat den vijver omkranst, vertonen zich nimfen: ze zweven naar den oeverrand, ze plukken met volle handen lotusbloemen en werpen ze den gondeliers toe.
De barcarolle verstomt, de lichte tonen eener wals dansen over den waterspiegel; daarboven klinkt de zilveren lach der spelende nimfen. Straks wordt het tooneel overgoten met helrooden gloed; een schetterende fanfare, wild geschreeuw, satyrs springen tevoorschijn, gondeliers vluchten, nimfen verdwijnen; alles is weer in duisternis gehuld.
De toeschouwers vergeten waar ze zich bevinden; de verrukking barst los in luid gejubel, in handgeklap, in dank.
Zijne Excellentie bespeurt het niet. Hij hoort of ziet niets rondom zich; hij ziet slechts het stralend gezichtje dat naar hem wordt opgeheven; hij hoort slechts de stem, die bevend van verrukking fluistert: “O, papa! ik dank u! ik dank u!”

Foore – Bogoriana, 41-42

[Bogor 2 – Secretarie] 

“Waar bij?” herhaalt de heer De Bruining opgewonden. “Wel ... maar, ’t is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd ...”
“Benoemd? Tot ... tot eersten gouvernements-secretaris?’
“Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!”
“Mijn hemel, Daan! Verschuere ...”
“Ja, je moogt wel schrikken.”
“Het verwondert me van den gouverneur.”
“Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest. Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de schoonzoon van den minister op moest klimmen?”
“Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo op, Daan, denk aan je hoofdpijn!”
“O Wies!” roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. “O Wies! Eisch niet van me, dat ik me kalm houd ...”
“Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel onverwacht?”
“Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie Verschuere is ... hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker ... hij kan meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets, hij ontziet niemand ... wat hem in den weg staat loopt hij omver ... en ik sta hem in den weg, Wies.”
“Komaan,” spreekt ze vertroostend, “je moet zoo gauw den moed niet laten zinken. De gouverneur is je genegen.”
“Maar Verschuere is de neef van den minister.”

Foore – Bogoriana, 53-54

[Bogor 2 – Sarong-kabaai] 

Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters.
Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand van haar geur genoot; orchydeën lieten hun bloesems nederhangen in wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in hun teere lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de groene aarde en den blauwen hemel – geen wandelaar scheen te wenschen onder dien ereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen, – ze keerden ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar hooger ... de tuin bleef ledig!
En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een indécente kleeding vond!
De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de nationale dracht nooit anders dan “het indisch nachtcostuum”; eens zelfs, boos geworden door het beweren van den heer Hagen, dat hij ’s morgens ging wandelen om de nonnaatjs te zien in wat hij “de mooiste kleeding voor een mooie vrouw” noemde, verklaarde ze, dat het haar onaangenaam was op hare ochtendwaandeling dames te ontmoeten in dit “even smakeloos als ongepast toilet”, ja, ze was verder gegaan; ze had, toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou zenden, daar het haar als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam zich reeds ’s morgens te kleedden.
Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten – waartoe ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg!
Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke ontsteltenis der beide oudjes dezen den toegang weigerden.

Foore – Bogoriana, 73

[Bogor 2 – Directeur] 

Van nu af begon hij meer aandacht te schenken aan zijn buurdames. Aan de eene zijde had hij mevrouw Paerel, een vroolijk dikkertje van even dertig. De directeur van ’s lands plantentuin bezat het voorrecht haar zijn gade, zeven alleraardigste dikke jongetjes het nog grooter voorrecht haar hun moeder te noemen. Ze zou even beminnelijk en zeker amusanter zijn, wanneer ze niet altijd zoo overstroomende was van teederheid voor haar achtdubbelen schat; immers ook de aardigste vrouw schijnt langdradig als ze over haar kroost spreekt, voor ongehuwden omdat ze oningewijden zijn, voor getrouwden omdat ze popelen van begeerte om over hun eigen wonderkinderen te beginnen.

Foore – Bogoriana, 113-114

[Bogor – spoorweg]

’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten op en hun mooiste jassen aan.
Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg, hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten.
Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies, die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia.
En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten paleize!
Maar dit is niet alles.
Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek de beste verwachtingen.

Foore – Bogoriana, 114

[Bogor – spoorweg]

In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane, geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien. Ze zitten op heete kolen de arme jongens, want daar buiten spelen de drie jeugdige Bruijnings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met Zijne Excellentie den salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al redeneeerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte, en windt zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt.
Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde ze vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed uitkijkt.

Foore – Bogoriana, 116

[Bogor 2 – Kwekerij] 

Mevrouw Heylerts, alleen bestand tegen het klimaat van Batavia wanneer er op Batavia een pretje is, geeft, zooals ze daar staat onder haar donkerrooden parasol, het schitterend bewijs, dat ze gedurende een tweejarig verblijf in de wereldstad der parisienne ‘le talent d’accommoder les restes’ moet hebben afgezien. Gisteravond laat kwam ze van Soekaboemie, in gezelschap van den heer Van Sonnefelt, die gaarne enkele dagen der week dáár doorbrengt; en zooals gewoonlijk is ze ook nu het middelpunt van een kring van heeren.
Men amuseert zich in dien kring, want zij plaagt den adjudant van Zijn Excellentie, die aan zijn betrekking verschuldigd meent te zijn, nooit uit de plooi te geraken, met een voorval, dat zijn reputatie van deftigheid in groot gevaar brengt, ja, de getrouwde heeren noopt om zich meesmuilend een weinig van den armen doodverlegen Hooglaan af te wenden; dan vraagt ze den heer Paerel met het vriendelijkste gezicht ter wereld, of ze eens een enkele alinéa zou mogen schrijven in de “Annales du jardin botanique”; en als deze, niets kwaads vermoedend, gaarne daarin toestemt. Begint ze: “Il fleurit au jardin botanique une fleur aussi rare que belle, désirée par toutes les dames, destinée à une seule ...”
Paerel wordt boos, vooral om de hilariteit die er op volgt. Immers ieder weet welke de prachtige nieuwe bloem is, in de kassen getrokken en bij geheime dagorder onbereikbaar gesteld voor alle plantlievende dames, behalve mevrouw Van Waliënhove [de vrouw van de G.G.]

Foore – Bogoriana, 116-117

[Bogor – spoorweg]

Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de heer d’Hannecour agiteert zich: hij wenkt den stationschef, die wel andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den luitenant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de landvoogd te vroeg is. Toch blijft de kolonel zich warm maken. ’t Is dan ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernements-hôtels! En niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun plezier meegingen? ’t Was om dol te worden.

Foore – Bogoriana, 125

[Bogor 2 – Secretarie] 

De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich voor te houden, dat het Gustaf’s schuld niet is als het avondje, waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze zoo’n degelijk man heeft, die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet, als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt zichzelve kinderachtig, veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: “Ja, zie je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de secretarie,” en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten behoeve der secretarie.

Foore – Bogoriana, 126

[Jakarta 7 – Paleis] 

Het regende dien nacht alsof het met bakken van den hemel gegoten werd en de groote parade onderging het lot van meest alle groote parades op Batavia: ze werd afgekommandeerd wegens de drassigheid van het terrein.
Had men zoo ook de officieele gelukwenschen kunnen afkommandeeren!
Maar die moesten plaats vinden: consuls en hoofdambtenaren in hun van goud of zilver schitterende galarokken; de leden der rechterlijke macht met hun toga’s en baretten, hoofd- en subalterne officieren in hun fraaiste uniformen, referendarissen en commiezen in hun eenvoudigen zwarten rok, die allen kwamen den Landvoogd, omringd door den Raad van Nederlandsch-Indië en zijn staf, hun gelukwenschen aanbieden, “met eerbiedig verzoek ze wel te willen nederleggen aan de voeten van den troon.”
’t Mocht een buitenkansje heeten, dat de atmosfeer was verfrischt door de gevallen regens, maar toch bleef het, wat het samentreffen van veel mannen in lakensche kleeren wezen moet, als het op het heetst van den dag plaats vindt, doodsbenauwd.

Foore – Bogoriana, 127

[Jakarta 7 – Vuurwerk] 

Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna even goed als de getruffeerd kalkoen, en die kwam de volmaaktheid nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den grooten Gors *], nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten zich op het balkon van het paleis vertoonde en zijn beide zonen telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende hàààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk.
*] Oud Batavia II, 221-222

Foore – Bogoriana, 132

[Bogor – Buitenzorg]

De metalen gong, die den paleisbewoners verkondigt dat het uur voor den maaltijd daar is, doet zijn zwaren slag weerklinken door de avondlucht; met de stipte orde, waaraan mevrouw Van Waliënhove [vrouw van de G.G.] hen gewende, staakt ieder onmiddellijk zijn bezigheden en spoedt zich naar de eetzaal.
Vroegere landvoogden vonden het een niet gering bezwaar aan hunne betrekking verbonden, dat het huiselijk leven zoozeer leed onder die betrekking; de heer Van Waliënhove beschouwt het als een voordeel. Want zijn gezin is niet van de gelukkige, waar een bezoek, hoe welkom ook, altijd een stoornis blijft, waar gasten, hoe beminnelijk ook, kunnen heengaan zonder een ledig achter te laten; waar de huisvader, als hij geen vreemden vindt, in de handen wrijft en mama glimlachend naar hem opziet met de woorden: “Ja, heerlijk onder ons!”

Foore – Bogoriana, 159-161

[Bogor 2 – Indruk] 

Wie ook had kunnen vermoeden dat de kinderen hun verhuizing zouden inrichten op de manier van Noach; dat Daantje zijn pratenden béo met zich zou voeren, dat Louis de reis zou aanvaarden met een kattéehaantje, dat Frits op den voet zou gevolgd worden door twee blatende geitjes en Willem door een paar jonge honden?
“Mijn hemel! Wat komt dáár aan?” riep mevrouw Paerel, toen de stoet de kanarielaan afkwam en zij ze reeds in de verte hoorde. “Maar zijn ze nu heelemaal gek geworden?” vroeg ze, toen zij kon onderscheiden wat de kinderen meebrachten.
Het verhinderde niet dat zij ze hartelijk welkom heette.
Alle kinderen binnen en alle beesten naar den stal,” sprak ze vriendelijk, maar toch op den toon waarvan haar parelsnoer geleerd had te gehoorzamen.
Dit scheen echter geenszins in de bedoeling te liggen; de jonge Bruinings keken haar eerst verbaasd en vervolgens, toen het bevel herhaald werd, uitdagend aan, drukten hun lievelingen vaster aan de borst, herhaalden het woord “beesten”, alsof dit een vreeselijke beleediging was, in één woord gedroegen zich alsof ze lid waren van een maatschappij voor dierenbescherming.
“Komaan, laten we eerst die kip maar eens wegbrengen.”
“’t Is een haan!” riep Frits met de grootste verachting voor zulk een vergissing.
“Nu, dien haan dan.” En toen Louis weigerend het hoofd schudde, voegde ze er lachend bij: “Hij slaapt toch niet bij je in bed?”
“Zeker; altijd.”
Mevrouw Paerel schrikt niet gauw, maar dit antwoord, gegeven alsof het van zelf sprak, brengt haar toch min of meer van haar stuk. Na eenige aarzeling besluit ze echter haar gewone taktiek te volgen en met redeneeren te beginnen, om eerst, als redeneeren niet baat, tot krasser maatregelen over te gaan. Zij verzamelt – niet zonder eenige vrees voor zekere gebeurlijkheden – de kinderen met hun beesten rondom zich en begint, onder het klagelijk geblaat der geitjes, het nijdig gebrom der honden en het gekakel der kippen:
“Zeg er eens, jullie vindt het zeker erg naar, dat je arme, goeie papa zoo zenuwachtig is in den laatsten tijd?"
“Ja," roept Frits, “hij kan niets verdragen; ma roept maar altijd dat we stil moeten zijn."
“Juist. Je begrijpt dat het heel treurig zou zijn als de papa van mijn jongen ook zoo werd."
“Nu, dat zou je voelen," merkt Daan op, tot den oudsten Paerel gewend; “ze slaan er maar op, hoor! als ze dat hebben."
“Omdat ik de ziekte van je papa voornamelijk toeschrijf aan het rumoer, dat bij jullui altijd in en om huis was. . .”
“Hou je mond, kwaje meid," roept nu de béo; en mevrouws juf, die uitmuntend gedisciplineerd is, doorleeft een vreeselijk oogenblik.
“Omdat ik bang ben dat mijnheer Paerel anders dezelfde ziekte krijgen zal, heb ik verboden dat op mijn erf ooit eenig, leven gemaakt wordt."
Hier kraait de haan. Maar als een tweede Petrus stoort ze zich daaraan weinig en gaat voort: “Er zijn maar twee soorten van beesten, die hier mogen komen: visschen en konijnen; alles wat schreeuwt, kraait, miauwt, blaft of blaat wordt onmiddellijk verwijderd."
Daar ze ziet dat haar toespraak niet den minsten indruk maakt, slaat ze op eens een graftoon aan: “Ze blijven hier nooit een nacht, want de jongens hebben last om, zoodra het donker wordt, ze te verwurgen of dood te slaan."
Nauwelijks heeft mevrouw Paerel uitgesproken, of Louis, die op haar schoot leunde, springt ontzet achteruit; een gehuil als van halve wilden stijgt op uit de groep, een stem, nu niet van de béo, zegt duidelijk hoorbaar: “wat een gemeen mensch!" Teekenen worden gegeven, en zonder een woord te spreken rennen ze weg, met de beschermelingen onder den arm, de voorgalerij uit, de kanarielaan weer in.
Mevrouw Paerel moet bekennen dat ze nog zelden voor zoo'n ondankbaar publiek gesproken heeft. Maar zij vindt het geval meer grappig dan onrustbarend en verheugt er zich op om, als Paerel straks thuis komt, hem er het verhaal van te doen.
“Zij gaan ze denkelijk in veiligheid brengen," zegt ze kalm tot haar bonne. “Loopt u ze even na? U behoeft natuurlijk niet te hollen, zooals zij. En brengt u ze me straks hier zonder de beesten. Dan ga ik in dien tijd thee zetten voor mijnheer en zal ik zorgen dat ze wat lekkers vinden als ze terugkomen."
Maar die zorg was onnoodig; ze kwamen niet terug.

Foore – Bogoriana, 179-180

[Bogor 2 – Kennis] 

Eenmaal tot dit besluit gekomen, begon ze na te gaan welke middelen een “vrouw zonder kind en bijna zonder man”, zooals ze zichzelve met een weemoedig lachje noemde, ten dienste staan om die lange indische dagen door te komen.
De huishouding, de keuken, de tuin, lectuur, conversatie, muziek.
En dan, wat de meeste dames missen en zij in de gegeven omstandigheden niet genoeg waardeeren kan, haar liefhebberijen; haar talent voor teekenen, haar studielust, haar botanische kennis en de prachtige gelegenheid, welke de Plantentuin biedt om die kennis te vermeerden.

Foore – Bogoriana, 200

[Bogor 2 – Kenarielaan] 

Het is negen uur in den morgen en nog schijnt de zon niet: een zeldzaamheid in dit land, waar de Génestet’s dichtregels ons soms op de lippen komen, maar dan veranderd in de verzuchting;
            “’k Ben u zoo moe, o heete zon!
            Och! Schijn niet alle dagen!”
Tegen den blauwen hemel legeren zich zilvergrijze wolkjes; er ligt een fluwelen glans over de aarde, de lucht is doorzichtig, de atmosfeer frisch en koel.
In den Plantentuin, op het geboomte dat den vijver omgordt, dansen nog de insekten, anders om dezen tijd van den dag reeds verjaagd door de hitte, fonkelen nog de druppels op het gebladert, suizelt nog de morgenwind in de waringin, zich welvend over het koepeldak.

Foore – Bogoriana, 200-201

[Bogor 2 – Afrennen] 

In den koepel heeft mevrouw Verschuere een plaats gezocht. ’t Is om uit te rusten, want al doen lucht en bewegingen haar goed, ze vermoeien toch ook. Het schetsboek ligt open op haar schoot, maar ze werkt niet, en als ze het eindelijk opent, is het met de zucht van een kind, dat haar les maar zal leeren omdat ze het boek in de hand en op het oogenblik niets beters heeft om den tijd mede door te komen.
Juist heeft ze het groepje boomen aan den overkant, met zijn doorzichtige gebladerte, bestemd om haar heden tot onderwerp voor een schetsje te dienen, als er een vlugge voetstap weerklinkt op den begrinten weg. Ze zou geloofd hebben dat het een schooljongen was, die daar zoo in volle vaart den heuvel kwam afrennen, als ze niet reeds haar neef had herkend.
“Morgen, Nita! Hoe gaat het?” roept hij van verre en doet wat hij kan om zijn vaart in te houden.
“Dag, James!” De toon harer stem verraadt hoe verheugd ze is over zijn komst. “Is me dat een manier van je aan te dienen?” vraagt ze lachend, “als een bal naar beneden te komen rollen? ’t Scheelde geen zier of je waart in den vijver terecht gekomen.”
“Geen nood. Ik wist dat waar jij waart ik altijd aan je voeten neerval.”
“Gekheid! In onzen tijd zinkt men neer op ijzeren tuinstoeltjes, niet aan damesvoeten,” en ze wijst hem een der zetels naast den haren.

Foore – Bogoriana, 242-243

[Jakarta 5 – Petjenongan] 

Een enkele maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita – vrouw en dochter zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen – handelde hij over kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht.
Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig kind, dat hij in Gang Petjanongan vond, een aap teekenend op den vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze nu met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als dierenschilderes … Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten; misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak, zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank, waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen nederzitten voor meesterwerken, om te genieten en te bewonderen.

Foore – Bogoriana, 299

[Bogor – Sociëteit] 

De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den kastelein zoo genoegelijk stemt: een grote gebeurtenis, die onder het genot van vele bittertjes besproken worden.
Kapitein Van Rossum, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden: zo wat tegen het vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar één naam genoemd; den naam van Te Leurze.
“Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.”
“En lang niet dom!”
“Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.”
“Nummer één geweest van zijn promotie.”
“Waar hij het pistool vandaan heeft gekregen?”