Tjeenk Willink, Haarlem 1893

Foore – Bogoriana, 8-9

[Bogor – Buitenzorg]

‘t Wordt elf uur; tijd voor het souper. De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes: zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier?
De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken, waarin het souper wacht.
’t Is niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon, een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper zooals gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten.
In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige buffetten, waarop in fonkelend kristal een desssert prijkt, zoo smaakvol gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan, een begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen confiseur.

Foore – Bogoriana, 113-114

[Bogor – spoorweg]

’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten op en hun mooiste jassen aan.
Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg, hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten.
Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies, die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia.
En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten paleize!
Maar dit is niet alles.
Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek de beste verwachtingen.

Foore – Bogoriana, 114

[Bogor – spoorweg]

In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane, geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien. Ze zitten op heete kolen de arme jongens, want daar buiten spelen de drie jeugdige Bruijnings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met Zijne Excellentie den salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al redeneeerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte, en windt zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt.
Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde ze vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed uitkijkt.

Foore – Bogoriana, 116-117

[Bogor – spoorweg]

Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de heer d’Hannecour agiteert zich: hij wenkt den stationschef, die wel andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den luitenant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de landvoogd te vroeg is. Toch blijft de kolonel zich warm maken. ’t Is dan ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernements-hôtels! En niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun plezier meegingen? ’t Was om dol te worden.

Foore – Bogoriana, 127

[Jakarta 7 – Vuurwerk] 

Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna even goed als de getruffeerd kalkoen, en die kwam de volmaaktheid nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den grooten Gors *], nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten zich op het balkon van het paleis vertoonde en zijn beide zonen telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende hàààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk.
*] Oud Batavia II, 221-222

Foore – Bogoriana, 132

[Bogor – Buitenzorg]

De metalen gong, die den paleisbewoners verkondigt dat het uur voor den maaltijd daar is, doet zijn zwaren slag weerklinken door de avondlucht; met de stipte orde, waaraan mevrouw Van Waliënhove [vrouw van de G.G.] hen gewende, staakt ieder onmiddellijk zijn bezigheden en spoedt zich naar de eetzaal.
Vroegere landvoogden vonden het een niet gering bezwaar aan hunne betrekking verbonden, dat het huiselijk leven zoozeer leed onder die betrekking; de heer Van Waliënhove beschouwt het als een voordeel. Want zijn gezin is niet van de gelukkige, waar een bezoek, hoe welkom ook, altijd een stoornis blijft, waar gasten, hoe beminnelijk ook, kunnen heengaan zonder een ledig achter te laten; waar de huisvader, als hij geen vreemden vindt, in de handen wrijft en mama glimlachend naar hem opziet met de woorden: “Ja, heerlijk onder ons!”

Foore – Bogoriana, 242-243

[Jakarta 5 – Petjenongan] 

Een enkele maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita – vrouw en dochter zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen – handelde hij over kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht.
Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig kind, dat hij in Gang Petjanongan vond, een aap teekenend op den vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze nu met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als dierenschilderes … Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten; misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak, zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank, waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen nederzitten voor meesterwerken, om te genieten en te bewonderen.

Foore – Bogoriana, 299

[Bogor – Sociëteit] 

De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den kastelein zoo genoegelijk stemt: een grote gebeurtenis, die onder het genot van vele bittertjes besproken worden.
Kapitein Van Rossum, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden: zo wat tegen het vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar één naam genoemd; den naam van Te Leurze.
“Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.”
“En lang niet dom!”
“Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.”
“Nummer één geweest van zijn promotie.”
“Waar hij het pistool vandaan heeft gekregen?”