H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1925

Huet – Brieven II, 32

[Jakarta 7 – Bibliotheek] 

Batavia, 22 Oktober 1868.
Gij bemerkt, dat wanner ik mijzelven nauwkeurig onderzoek, ik den storm die tegen mij is losgebroken, als ‘een volkswaan van den dag’ beschouw. Is die storm eenmaal overgewaaid, dan zal ik hier, naar het zich laat aanzien, een nuttigen en genoegelijken werkkring gevonden hebben. In elk geval geniet ik thans in mijn huis, omgeven van vrouw en kind, eenen vrede en eene vrijheid als ik in vele jaren niet gekend heb. Door het lezen van duitsche, fransche en vooral engelsche couranten en tijdschriften blijf ik op de hoogte van al hetgeen in Europa voorvalt; tegelijk kompleteer ik, door middel van de bibliotheek van het Bataviaasch Genootschap, mijne nederlandsch-indische lektuur. Breekt dan vroeger of later voor mij het oogenblik aan om maar Holland terugtekeeren, bij voorkeur als journalist, dan verbeeld ik mij met de besten onder ons in dat vak te zullen kunnen wedijveren.

Huet – Brieven II, 89

[Jakarta 4 – Tramway] 

Batavia, 25 April 1869.
Weinig dacht ik, toon ik U laatst over Lichtenberg schreef, dat die Heer te Amsterdam een broeder had, aan wien hij somtijds iets van den Java-Bode vertelde. Over het schandaal van L's verdwijnen wordt thans, naar Indische wijze, niet meer gesproken, doch de millioenen zijn en blijven niettemin op het kerkhof. De overtuiging wint hier veld, dat de Rotterdamsche Bank zal moeten liquideren. – Met den tramway gaat het nu goed: hij is geopend van de stad tot aan de Harmonie, d.i. tot aan dat gedeelte der faubourgs waarvan het Koningsplein zoo wat het verst verwijderde punt is. Er zullen evenwel wonderen moeten gebeuren, zeggen de cijferaars, om de Maatschappij ook maar gedurende drie maanden in het leven te doen blijven. Er zit zeven en eene halve ton in die zaak. Al het materiaal is reeds verpand.
de Uwe Cd. B. H.

Huet – Brieven II, 97

[Jakarta 1 – Nederlandsch Indische Handelsbank] 

Batavia, 23 Mei 1869.
Nieuws is hier niet, als alleen dat er een weinig windhandel gedreven wordt in tramway-aktiën, en de Indische Handelsbank door de Bataviasche Weeskamer *) gedagvaard is wegens smerige transaktiën in de nog smeriger zaken van Lichtenberg. Voor uwe stichting sluit ik die dagvaarding hierbij, of bij de courant, in. Welke Heer C. krijgt nu en dan van U een nummer van den J.-B. ter lezing? Ik ken alleen (bij naam) een C., die indertijd kommandant geweest is van de Bataviasche schutterij, doch bij zijn aftreden niet (als naar gewoonte) gedekoreerd werd, omdat hij als deelgenoot in een handelshuis alhier gedurende eene reeks van jaren, bij het doen van koffijzaken te Padang, het gouvernement bestolen had door het gebruiken van valsche maat. De Waal heeft niettemin dien C. onlangs aan zijn achterstallige dekoratie geholpen. Doch dat zijn van die knoeierijtjes, waar hier geen haan naar kraait.
Met onze vriendelijkste groeten ook aan Sofie,
De Uwe Cd. B. H.
P.S. Zeg svp. aan mijn broeder Charles dat wij op zijne gezondheid heden een extra glaasje drinken.
*) [Geïllustreerde Encyclopaedie van N-I, 1520-1521] 

Huet – Brieven II, 101

[Jakarta 6 – Standbeeld] 

Batavia, 27 Mei 1869.
De mail, waarmede ik dit briefje verzend, volgt de vorige zoo na op de hielen, dat ik U geen enkel nieuwtje weet mede te deelen. Overmorgen-ochtend, 29 Mei, vangen de feesten aan, en wel met de plechtigheid der steenlegging. Daarbij zal een gedeelte der muziekstukken worden uitgevoerd, waarvoor Hofwijk de woorden (en welke woorden!) vervaardigd heeft. Bij dezelfde gelegenheid zal de Resident van Batavia, Hoogeveen, eene feestrede houden. Wanneer gij den feestgids inziet, waarvan ik u hiernevens een exemplaar toezend, zult gij in den waan gebracht worden, dat de geheele wereld hier gloeit voor Jan Pietersz. Koen. Dat is slechts eene zinsbegoocheling. Koen wordt geduld, meer niet, en zelfs de leden der feest-kommissie, die een standbeeld voor hem gaan oprigten, weten met hunne eigen woorden niets tot zijne lof te zeggen. Het middenpunt van het feest is dan ook, niet Koen, maar het gekostumeerde bal, over hetwelk à satiété in alle gezelschappen geleuterd wordt. Een weinig kritiek van een en ander lever ik u welligt in een volgend schrijven.

Huet – Brieven II, 106-108

[Jakarta 6 – Standbeeld] 

Batavia, 3 Junij ’69.
Waarom ik juist zoo spreek? Dat komt, geloof ik, van de dezer dagen hier gevierde feesten, Voor vier vijfden hebben die feesten eenvoudig uit zeer gewone min of meer openbare vermakelijkheden bestaan: een middelmatig koncert, een lieve maar kinderachtige bloemen-tentoonstelling, een mislukt vuurwerk, een grappig maar karakterloos gekostumeerd bal. Niets daarvan heeft mij eene levendige belangstelling ingeboezemd. Maar wel is dat het geval geweest met het leggen van den eersten steen voor het standbeeld van Koen. Ook die plegtigheid was, – doordat de Resident van Batavia een redenaar is om er een op toe te geven, en doordat men ten gevolge van verkeerde politie-maatregelen de Inlandsche bevolking schuw gemaakt en verjaagd, instede van aangemoedigd en gelokt had, – ver van volmaakt; doch met dat al bragt zij een aangenamen indruk te weeg. Men gevoelde zich op dat oogenblik in Indië volkomen thuis, en alles getuigde: ‘Holland is hier op zijne plaats’. Historici van den tweeden rang hadden in de laatste maanden al het mogelijke gedaan om, door het op den voorgrond stellen der kleine zijden van Koen’s persoon en bestuur het feest impopulair te maken; en domme liberalen in Holland hebben de pogingen dier Indische brekebeenen naar vermogen in de hand gewerkt. Doch tot lof der feest-kommissie moet gezegd worden, dat zij, ofschoon meerendeels gedreven door de kracht van un parti-pris d’amour-propre, zich niet van haar stuk heeft laten brengen. De meesten dier lui weten niet wie Koen geweest is, en de besten onder hen zijn geneigd, excuus voor hem te vragen. Van mijne zijde heb ik beproefd, eerst door een stukje over Usselincx, en daarna door een stukje over Koen zelven, aan diens beeld eenig relief te geven. Zonder geheel en al onopgemerkt voorbij te zijn gegaan, hebben die opstellen toch, geloof ik, weinig indruk gemaakt op het groote publiek. Doch met dat al zou ik mij zeer bedriegen, indien zij niet iets bijdroegen om ‘den ezelen hunne ooren te toonen en hun kleender te leeren zingen’. Door rechtstreeks te polemiseren krijgt men hier niets gedaan, tenzij men de kunst verstaat om terug te smijten met paardevijgen; een talent, dat ik hoe langer hoe minder benijdenswaardig vind. Het eenige middel om verstandigen te winnen is, zich een meester in het waarderen te toonen. Voor mijzelven profiteer ik daarbij dit, dat eene geheele literatuur, die ik tot hiertoe slechts van de buitenzijde kende, zich thans langzaam voor mij ontsluit. Jammer dat hier te Batavia de bronnen zo schaarsch zijn. Ik zou wel iets over Valentijn willen schrijven maar vind nergens een ‘Umriss’ van ’s mans leven en lotgevallen; wel iets over Reael, maar kan noch zijne minnedichten magtig worden, noch dien ‘Raed voor hem, die zich naar Indië begeven wil’, waarover Van Lennep in zijnen Vondel spreekt (II, bladz. 158); wel iets over Antonio Van Diemen, maar zie geene kans om aan de noodige bescheiden te komen. Enfin, Keulen en Aken zijn niet op één daag gebouwd, en die ‘geeft wat hij heeft, et cetera’.

Huet – Brieven II, 145-147

[Jakarta 6 – Schouwburg] 

Batavia, 17 September ’69.
Waarde Vriend,
In mijn laatsten [brief] noemde ik, aan het slot, het aanstaand aftreden van Keuchenius het éénig Bataviaasch nieuwtje. Dat was ondankbaar van mij, want ik had er behooren bij te voegen, als parallel, dat ook de Italiaanse opera op aftreden stond. Eergisteren, den 15den, is het gezelschap naar Semarang vertrokken, van waar het zich naar Soerabaija begeven zal, om heel waarschijnlijk den bodem van het ondankbaar Batavia nimmermeer te betreden. Gedurende mijn afwezigheid is mijne vrouw met Gideon de Somnambule gaan zien, en kort na mijne terugkomst heb ik mij met haar voor een keer aan Faust onderworpen. Helaas, ik heb bij die gelegenheid op nieuw ondervonden dat het eene ramp is, niet muzikaal te zijn. Wie gehoor heeft en zelf een instrument bespeelt, heeft, al is hij nog zulk een dilettantje, allerlei herinneringen, die hem bij het aanhooren van een middelmatig koncert of een middelmatige opera, voor die middelmatigheid troosten. Ik daarentegen heb het ongeluk, alleen getroffen te kunnen worden door die muziek 1ste kwaliteit, van welke het den mensch geene zesmalen in zijn leven overkomt te mogen genieten. Hoe een Italiaansch opera-gezelschap, dat, na te Calcutta en te Manilla geschitterd te hebben, in den Indischen Archipel komt dolen, den Faust voordraagt, kunt ge ligt raden. Het Bataviaasch publiek, – een regt buskruit-publiek, – is begonnen die luitjes tot de wolken te verheffen en elke hunner uitvoeringen met een donderend applaudissement te begroeten. De muzikale kritiek alhier (adres aan den Java-Bode) kon aanvankelijk het regte woord niet vinden tot aanduiding van hunne superlatieve voortreffelijkheid. Doch weldra is daarin verandering gekomen, en van den lof van het gezelschap is alleen de lof voor enkele solisten overgebleven. Toen ik Faust zag was de zaal bijna ledig, en van acht uure tot half één (die eindelooze entr’actes!) zijn mijne ooren en mijne oogen te gast gegaan op eene uitvoering, wier indruk ik niet beter weet te beschrijven dan door u te bekennen, dat ik dien avond voor de eerste maal in mijn leven den Hemel gedankt heb, Göthe niet te zijn.
Om te Batavia te kunnen existeren (van zaken maken was in het geheel geene kwestie) had het Italiaansche gezelschap ƒ 3000 ’s maands méér noodig, dan waarop het rekenen kon. Geen wonder, dat het afgetrokken is, één vrouwelijk lid achterlatend, wier schoonheid (zegt de booze wereld) haar een ruimer middel van bestaan oplevert dan zij van haar talent redelijkerwijze verwachten kan. Zonder subsidie, hetzij van het gouvernement, hetzij in den vorm der opbrengst van eene geldloterij, kan een operagezelschap hier niet bestaan: dat is thans eene uitgemaakte zaak. Ik voor mij geloof, dat slechts ééne soort van toneelvoorstellingen niet in die termen vallen zou: ik bedoel iets in den trant van Judels’ Salon des Variétés te Uwent. Judels-zelf is te oud; maar een Bamberg Junior, eene Mevr. Corijn, van zessen klaar, zouden hier furore maken. Het Bataviaasch publiek is geen kiesch of kunstlievend, het is bovenal een gedesoeuvreerd publiek. Het heeft nu en dan wezenlijk behoefte aan eene flaauwe aardigheid (men lacht hier zelden á franc gosier); en om het in geestdrift te ontsteken zou niets zoo geschikt zijn als eene actrice, welke noch op haar mondje gevallen was, noch schroomde hare beenen te laten zien.

Huet – Brieven II, 175

[Jakarta 5 – Winkel van Van Dorp] 

18 Oktober [1869]
Heden ochtend zag ik bij Van Dorp in den winkel het eerste (met de mail herwaarts gezonden) exemplaar van Jufvr. Marie Mastenbroek’s ‘Vrouwenleven’. Vader Bohn, bemerkte ik bij het openslaan, heeft het niet noodig geacht, daarvoor eene nieuwe letter te gebruiken. Is die oude letter eene kritiek? Arme schrijfster! Mijne vrouw heeft haar in vroeger jaren zeer van nabij gekend: zij was toen een beauty die een lang en rijk en vrolijk leven te gemoet scheen te gaan. Doch reeds zeer geruimen tijd voor wij Holland verlieten, werd zij gekweld door aandoeningen van tering. [overleden 1 oktober 1869] Om harentwil doet het mij leed, dat zij Christine Muller niet is, want nu die Jufvr. G[r]obée toch trouwen gaat, had ik den roem ‘Lief en Leed’ geschreven te hebben, gaarne aan Jufvr. Mastenbroek gegund; en nu vrees ik, dat ‘Vrouwenleven’ tegenvallen zal. Hoe krioelt het toch in Holland van schrijvers en schrijfsters! Jan ten Brink heeft er, naar ik zie, te Leuven niet van kunnen zwijgen. Dat schijnt een saai kongresje geweest te zijn; zozeer, dat een luitenant der jagers te paard (in onderscheiding van Dr. De Jager te voet?) is moeten komen om wat leven in de brouwerij te brengen. Is het waar, dat Eelco Verwijs door Van Vloten de Sancho Pancha van Don Quijote-De Vries genoemd is? En heeft Jonckbloet er óók weder van langs gehad? Welk eene verhouding! Indien Van Vloten op die wijze voortgaat, zal zijne kracht spoediger gebroken zijn dan hij denkt.

Huet – Brieven II, 187-188

[Jakarta 6 – Gevangenis] 

Batavia, 14 November 1869.
Schreef ik u niet onlangs, dat sommige Indische dagbladkorrespondenten in de gevangenis op Weltevreden verblijf houden? In den laatsten tijd heb ik, op verzoek van eene bedroefde weduwe en moeder, aan een dier gevangenen en belletristen een paar malen een bezoek gebracht. Iets huiselijkers, iets gezelligers bijna, dan die gevangenis op Weltevreden kunt gij u niet voorstellen. Zij bestaat uit een aantal blokken huisjes, die door binnenplaatsen (met gegrendelde deuren svp.) van elkander gescheiden zijn, welke aan drie of vier of meer patienten tot woning verstrekken. Precies een Haarlemsch hofje. Heeft de cipier den toegang voor u ontsloten, dan staat gij aan den ingang van een kleinen tuin, volgeplant met pisang- en andere lage vruchtboomen. Au fond van den tuin bevindt zich de voorgalerij van twee of drie aaneengebouwde huisjes, elk bestaande uit één vertrek. Onder het afdak dier voorgalerij staan een paar stoelen en een tafeltje, waarop een schaakbord of zoo. De vertrekken zijn niet groot, maar zindelijk (de H.H. gevangenen houden er vaak een eigen bediende op na), en bieden een beter verblijf aan dan menige kamer in menig Indisch logement, waarvoor men ƒ5 daags betaalt. En dat alles wordt door het gouvernement bekostigd! Mijn patient heeft nu drie jaar achter de tralies gezeten en zal 1° Februarij 1870 vrijkomen. Ik leen hem boeken, die, naar hij beweert, hem veel afleiding bezorgen en waaruit hij veel leert. Van harte wensch ik, dat de lessen van schade en schande niet aan hem verspild mogen zijn.

Huet – Brieven II, 212-213

[Jakarta 6 – Vonnissen] 

Batavia, 26 December 1869
Eene Indische anekdote tot besluit. Waarom heeft een ingezonden stukje in de courant van 7 December, getiteld: Eene treffende Overeenkomst, hoe onbeduidend ook, hier een algemeen succes gehad? Waarom? Omdat de Indische wereld eene wereld van geüsurpeerde reputatiën is; omdat Mr. B. De Groot, laatstelijk advocaat-generaal, thans lid van het Hooggeregtshof, jaren lang doorgegaan is voor een erg knap man; omdat niets of niemand tot hiertoe het tegendeel had doen vermoeden; omdat men het naschrijven van een paar volzinnen uit een niet-genoemde bron voor een groot bewijs van domheid houdt; eigenlijk, omdat men hier niets amusanter vindt dan dat een gevestigde grootheid er ‘van langs’ krijgt. Die algemeene verbreiding van het kwaad der ‘Schadenfreude’ schrijf ik hieraan toe, dat de meeste menschen in Indië òf het een of ander op hun geweten hebben, dat hunzelven indertijd ingepeperd is, òf zich in het geheim bewust zijn minder te gelden dan hunne reputatie. Wordt er dan iemand ‘uitgekleed’, dan denken zij, geloof ik, en zeggen bij zichzelven: ‘Zie je nu wel, dat die andere toch óók zoo’n heksenmeester niet is?’ Die interpretatie geef ik U voor niet meer dan zij is; doch dat het leedvermaak tot de vaste karaktertrekken der Indische maatschappij behoort, houd ik voor een feit. Men zou van die maatschappij kunnen zeggen ‘qu’elle a la passion des étoiles qui filent’.

Huet – Brieven II, 241-242

[Bogor – Buitenzorg]

Buitenzorg, 17-18 April 1870.
Het een noch het ander belet intusschen, dat Buitenzorg een lustoord is. ’s Avonds na zessen is hier niets te halen als maneschijn, gedurende het schijnen van de maan, en lamplicht, zoo lang in het kantoorlampje olie is. Maar ’s morgens is het hier, vooral voor menschen van Batavia, een genot en een lust. Het park van Mr. P. Mijer is de schoonste buitenplaats op aarde, en niemand kan iets bevalligers uitdenken dan het uitzigt van de Villa dei due Fiume op Salah en Gedeh. Wij nemen dan ook het hôtel Bellevue en zijne tekortkomingen op den koop toe, laten Made. Grenier naar hartenlust met haren Carlo vrijen, en genieten volop, al is het maar voor weinig dagen, wat hier te genieten valt. Schreef ik U niet met een vorige mail dat het paleis van den G.G. aan Soestdijk, en de omstreek van Buitenzorg aan Kleef denken doet? Ook bij nader inzien houd ik mij aan die vergelijking. Neem uit het leven den dood en de verachting weg (Mijer verloor dezer dagen eene lieve vrouw, gelijk hij voor een paar jaren hier eene lieve dochter verloor, en ik geloof dat niemand in Indië achting voor hem heeft, of het moest zijn om zijn eerbaar leven, dat zeer voordeelig afsteekt bij het h-renloopersleven van S.), dan is het paleis van Buitenzorg, in verband met de positie van G.G., zeker eene der begeerlijkste lotsbedeelingen, die de levenslust en de eerzucht wenschen kunnen.