Veen uitgevers, Utrecht / Antwerpen 1989

Vuyk – Kampdagboeken, 27-28

[Bogor – Kota Paris] 

In Kareës hadden we het laatste half jaar minder eten gekregen, in Kota Paris werd het weinige veel te weinig. Daar leden we honger. En daar waren ook weer de keongs.
Kota Paris lag aan de rand van een diep ravijn. Vanuit de rottende vegetatie op de bodem kropen de slakken omhoog naar de kleine voortuintjes van de kleine huisjes. Weliswaar was het hele kamp omgeven door een drie meter hoge schutting van bilik, maar daar kropen ze onderdoor. Ze boden ons niet alleen aanvullende voeding, doch bovendien een nieuwe, ongevaarlijke en nooit verboden stof voor discussie: keongs eten of niet. Daar werd in de rij bij het eten luid over geredetwist.
De anti-eters, beangstigde zielen vol culinair vooroordeel, kwamen met waarschuwingen die aanzwollen tot gruwelverhalen over dodelijke vergiftigingsgevallen. Dat werd weer tegengesproken door de avontuurlijken, de ondernemenden en de gokkers met het eigen leven, lieden die er zich al aan gewaagd hadden.
Chris, Anne en ik praatten onder elkaar de zaak door. Onze voeding bevatte te weinig eiwit, keongs konden dat tekort aanvullen.
Chris, die overal relaties had, scharrelde een biologe op die ons zelfs aan de wetenschappelijke naam kon helpen: Achatina Fulica. In het Nederlands wijngaardslak, in het Frans escargot. Ze had in Parijs eens 'escargots aux epinards' gegeten. Een verrukkelijk gerecht. Helaas was haar kookkunst omgekeerd evenredig aan haar wetenschappelijke kennis en kon ze ons niet aan het recept helpen.
Ik had toevallig een pro-eter ontmoet die mij een snipper keong had laten proeven: taai, verschrikkelijk taai; wel begrijpelijk, de voet bevatte uitsluitend spier. Keongs moesten daarom zeer zorgvuldig bereid worden met ingrediënten die de smaak verbeterden en het vlees verteerbaarder maakten. Het laatste was niet moeilijk. Op ons erf stond een asemboom en het is bekend dat asem het bindweefsel van vlees aantast.

Vuyk – Kampdagboeken, 38-40

[Bogor – plantsoen] 

In Bandoeng had ik mijn oudste zoon Hans moeten achterlaten, die als elfjarige naar een mannenkamp werd overgeplaatst. Het vertrek uit Kota Paris betekende scheiding van Anne en Chris, die in Batavia in een kamp voor oudere vrouwen terechtkwamen, een goed kamp, waar nonnen de leiding hadden, maar dat hoorde ik pas na de oorlog. Deze keer werden er geen reisliedjes ingestudeerd, er werd niets gezongen. Er werden geen fleurige jurkjes of hoedjes gemaakt. We reden door verlaten straten afgezet door politie en militairen. Het was duidelijk dat er orders waren gegeven dat iedereen binnen moest blijven. Op het stationsplein werden we uitgeladen. Ik heb nooit in Buitenzorg gewoond, maar had er vanuit Soekaboemi wel dikwijls gelogeerd, meestal bij Indonesische vrienden. In maanden heb ik niet aan ze gedacht, het gaf me nu een schuldgevoel alsof ik hen in de steek had gelaten.
Aan de voorzijde van het station was daar een plantsoentje, rondom een muziektent waarin vroeger de militaire kapel speelde en dat er nu vervallen en verveloos uitzag, en daaromheen zaten en lagen we op onze bagage en wachtten. We wachtten uren. Het was eerst droog, met een voor Indonesië bleke zon. Later begon het te regenen, onafgebroken, maar niet hard. We hadden een beetje eten bij ons en water in flessen en veldflessen. We dronken veel, dat vulde ook de maag en water was er genoeg, er stond ook ergens een pomp.
Een jong vrouwtje zat genoeglijk breeduit op haar bagage met haar zoontje van een jaar of twee op schoot. Na een poosje haalde ze een pakje rijst te voorschijn en begon het kind te voeren als een ijverige spreeuwenmoeder. Na iedere hap zei ze opgewekt: ‘Lekker hè, Sjeffie’, met een Limburgs accent. Ze zette het kind naast zich neer, een handtas als steun in de rug. Het was een ongezond dik jongetje met nauwelijks haar en een schubbige huid van een kleiachtige witte kleur. Ze zoende hem op beide wangen en knuffelde hem. ‘Leuk hè, zo’n dagje uit met Nippon.’
Een politieagent – waarschijnlijk verstond hij Hollands – draaide zich schichtig om. Ik begon te lachen, hoewel ik diep terneergeslagen was en doodmoe, kon ik niet ophouden met lachen.
Dit zal ik nooit vergeten, dacht ik. O God, een dagje uit met Nippon. Ik stond op om alles beter te kunnen bekijken, het plein, lichtgrijs in de regen, de gesloten huizen, de verlaten muziektent en daaromheen gekampeerd de ‘dagjesmensen’; uitgehongerde vrouwen en ondervoede, verwaarloosde kinderen, hangend over koffers en pakken, beladen met de raarste rommel. Een jongen met een pispot als helm op zijn hoofd, en een ander jongetje met zo’n zelfde potje als een ransel op zijn rug. Leunend tegen een boom zat een moeder met vijf kinderen; zes afgeschilferde emaille kroezen met de oren aan een touw geregen hingen haar als een potsierlijke ketting om de hals. Even verderop stond een dame. Het was een echte dame, want ze droeg een lange petit-gris bontjas. Een erg chique mantel die tot halverwege haar kuiten reikte. Daaronder waren haar blote benen zichtbaar met groene stinkende kampwonden vlak boven de enkels.
‘Dit zal ik nooit vergeten,’ zei ik tegen Rudi, die tien jaar was en het misschien al begreep, want hij was een ernstig zwijgzaam kind. Als ik blijf leven, zal ik dit nooit meer vergeten, dacht ik plechtig, alsof ik een gelofte aflegde.

Vuyk – Kampdagboeken, 40-41

[Bogor – SS-station] 

De eerste groepen begonnen het station binnen te schuifelen. Velen liepen langzaam, een koffer in de hand, gebogen onder het behangsel en belegsel van dierbare onontbeerlijke artikelen, die de koffer niet meer had kunnen bevatten.
We liepen langzaam, want we werden deze keer niet opgejaagd. Rudi en ik werden ingedeeld in de achterste wagen. Wij waren de laatsten die instapten in de 'geiteklas'- wagon. Het was er warm en donker, de luiken waren dicht. Altijd moesten de luiken van de treinen met gevangenen gesloten blijven. Zo sleepten ze ons over Java als kostbare en geheime schatten.
Het stouwen van de bagage ging veel vlugger dan toen we uit Bandoeng vertrokken, hoewel er deze keer geen Nippon-sergeanten schreeuwend en tierend langs de wagons renden. We waren ervaren reizigers geworden. Verscheidene vrouwen hadden spijkers meegenomen die met een grote steen in de wanden werden geslagen. Daaraan hingen ze dan kleine bagage, de kinderpotjes en de koekepannen en andere, in lappen gewikkelde, losse rommel. De koffers gingen onder de bank voor zover er plaats was, want de meeste ervan waren langer dan de dertig centimeter die per persoon als zitplaats was toegestaan. Rudi en ik waren de laatsten die in de wagon stapten, een bof, want ik kon daar naar achter en opzij leunen, het was een hoekplaats. Ik was nog bezig mijn koffer onder de zitbank te stouwen, toen ik werd aangesproken door een Indonesische conducteur. 'De Japanse kapitein verzoekt u of hij op uw koffer mag zitten.’ 'Verzoekt hij dat,' antwoordde ik, maar de man reageerde niet op mijn verwondering en zei alleen: 'De kapitein wil op het achterbalkon gaan zitten.'
‘Zet de koffer daar dan maar neer.'
Toen stapte de kapitein in. Hij was klein en fors en voor Japanner erg donker.
Boleh – mag het?' vroeg hij zelfs nog. Ik knikte alleen. De deur bleef open, ook toen de trein ging rijden. We zagen het spoorwegemplacement wegschuiven, een baanwachtershuisje, en nog wat huizen, langs straten waar nu wel mensen liepen en toen klapperbomen en Sawa’s.

Vuyk – Kampdagboeken, 65-66

[Bandung 2 – Jongenskamp] 

Het is een warme avond en we eten buiten met onze rug geleund tegen een omgevallen klapperstam. Ik voel me opgelucht en bijna blij.
‘Hans heeft het vast niet zo gek gehad daar in dat sjouwerskamp. Ik denk dat hij het er wel prettig vond.’
‘Hans misschien wel, maar ik ben niet zo,’ antwoordt Rudi somber. De opluchting die ik voel door de goede berichten over Hans, verdwijnt, want ik weet en heb altijd geweten dat Rudi een dergelijke situatie niet aankan. Hij zit nu nog naast mij, lijfelijk, maar toch kan ik hem niet bereiken. Ik kan hem niet troosten, het met hem uitpraten, hem bemoedigen. Hij is bang en zijn angst is terecht. Want hij kent zichzelf. Daarover valt niet te praten, alleen te huilen. En huilen, wil hij niet en ik ook niet. Ik zou hem een zoen willen geven, maar dat mag niet meer. Het is mij door hem verboden. Dat kan alleen stiekem, in het donker, voor het slapengaan.
(De jongetjes van de sjouw- en sorteerploeg kwamen terecht in het vijftiende bataljon in Bandoeng, het kamp voor burgergevangenen. Ze waren ingedeeld in groepen van twintig, de ‘moeders’ vervangen door broeders: katholieke onderwijzers die als kloosterlingen geen militaire dienstplicht hadden te vervullen en in de burgerkampen terecht waren gekomen. Onderwijs werd niet gegeven, maar er werd wel gecorveed, gesport, gezongen en zelfs toneelgespeeld. Een dubbele prikkeldraadafrastering scheidde het jongens- van het mannenkamp en alleen wie daar een vader had, mocht op zondag bij hem op bezoek.)