Veen uitgevers, Utrecht / Antwerpen 1989

Vuyk – Kampdagboeken, 15-16

[Bandung 3 – Oranjeplein] 

Ook Tjihapit was een wijk in Bandoeng voor internering bestemd. Men was al begonnen de huizen te ontruimen, hier en daar woonden nog enkele mensen. Er was nauwelijks verkeer meer en langs de deur werd niet geleurd. Het onkruid groeide meters hoog in de tuin, alsof de wildernis begonnen was de stad te heroveren.
Na het geroezemoes en de nerveuze opgewondenheid van Kareës viel de verlatenheid van deze wijk nog sterker op. Een catastrofale stilte, verontrustend en deprimerend. De eigenares van het hotel was al geïnterneerd in een der kampen van Djakarta, waar haar familie woonde. Het hotel bleek compleet gemeubeld. Er waren stoelen en kasten en bedden zonder lakens, maar we konden geen eten krijgen. Een straat of wat verder, op het drukke verkeersplein dat buiten het kamp zou vallen, was een gaarkeuken, waar we een warme maaltijd konden halen.
We zijn eerst naar die gaarkeuken gegaan. We kregen er rijst met groentesoep, een heel goede groentesoep. Vriendelijke jonge meisjes in schone jurken deelden de soep uit. Een oudere dame hield toezicht en maakte hier en daar een praatje. Ze droeg een grijze zijden japon, onberispelijk gestreken. Haar haar was nog gepermanent.
‘Voelt u zich nu al wat beter mevrouwtje?’ zei ze en gaf mij een schouderklopje. Je kon aan alles merken dat ze gewoon was aan liefdadigheid te doen en het moet naar voor haar geweest zijn dat wij toen nog niet gewend waren om liefdadigheid te ontvangen. Ik antwoordde niet, maar dat hoefde niet. Ze was al weer verder en aan een ander schouderklopje bezig.
Ik realiseerde mij plotseling dat zich in de wereld der Europeanen, waarin ik voor het eerst was ingedeeld, een nieuwe rare splitsing had voltrokken, tussen de have’s en de have nots. Het verschil hing niet langer samen met afkomst en positie maar werd door Nippon bepaald. De have nots waren degenen die bijna alles kwijt waren, de have’s degenen die nog bijna alles bezaten.

Vuyk – Kampdagboeken, 17-19

[Bandung 3 – Hotel] 

Later kwam Chris, die alweer aan het organiseren was geweest. Ze had het kamp opgebeld, de garage was afgekeurd voor de bewoning, de keuken zou keuken blijven, men had nog geen andere kamers voor ons. We moesten voorlopig in Tjihapit blijven. Het was een verschrikkelijke tijding en een absurde situatie. Nu verlangden we alle drie dat deze onzekere toestand zou eindigen en we in het kamp konden intrekken.
Alleen maar een kale kamer waar je water kunt koken, dacht ik, dat is al genoeg. Toen de regen ophield stelde Chris mij voor om de straat op te gaan en om kokend water te bedelen. We staken het grote plein over waaraan het hotel lag, in het hoekhuis aan de overzijde stond een metershoge kerstboom waarbij kinderstemmen ‘Stille nacht’ zongen. ‘Daar zullen we maar niet om water vragen’, zei Chris. We sloegen een zijstraat in, hier en daar brandde licht achter dichte gordijnen. Daar klopten we aan, maar niemand deed open. Soms klopten Japanners ’s avonds bij huizen aan. Als je maar niet open deed, gingen ze vanzelf weer weg. Daarom begrepen we wel dat de deuren niet opengedaan werden, maar het gevoel buitengesloten te zijn werd na ieder huis heviger. Zelfs Chris werd aangetast. Ze stapte veel minder energiek. Zo werkten we verschillende straten af. We kwamen in de buurt met kleine huisjes en daar lukte het ons. De deur ging eerst op een kier en daarna helemaal open. ‘Komt u maar binnen’, zei een jong vrouwtje. Ze nam ons mee naar de keuken, trakteerde ons op warme thee en zette een nieuwe ketel op. Ook zocht ze nog een paar flessen om mee te geven, verpakt in oude kranten. Ik deed het hele verhaal. Ze was zelf opgeroepen voor een kamp, maar had een maand uitstel gekregen, omdat de baby van een vriendin met wie ze samenwoonde ernstig ziek was geworden.
‘Als het maar voor korte tijd is, zou u bij ons kunnen intrekken’, zei ze aarzelend. ‘Er is nog een lege kamer in de bijgebouwen’. Ze ging ons voor en opende de deur. ‘Het is niet veel bijzonders’, zei ze nog. Het licht was maar zwak en er waren schaduwen in de hoeken. Hoe kalm en vredig is het hier, dacht ik. Hoe veel beter dan die leugenachtige kamer in dat hotel. ‘Mogen we bij u wonen tot er plaats is in het kamp?’ vroeg ik toen en terwijl ik sprak, verbaasde ik me over de nederige toon van mijn stem.

Vuyk – Kampdagboeken, 27-28

[Bogor – Kota Paris] 

In Kareës hadden we het laatste half jaar minder eten gekregen, in Kota Paris werd het weinige veel te weinig. Daar leden we honger. En daar waren ook weer de keongs.
Kota Paris lag aan de rand van een diep ravijn. Vanuit de rottende vegetatie op de bodem kropen de slakken omhoog naar de kleine voortuintjes van de kleine huisjes. Weliswaar was het hele kamp omgeven door een drie meter hoge schutting van bilik, maar daar kropen ze onderdoor. Ze boden ons niet alleen aanvullende voeding, doch bovendien een nieuwe, ongevaarlijke en nooit verboden stof voor discussie: keongs eten of niet. Daar werd in de rij bij het eten luid over geredetwist.
De anti-eters, beangstigde zielen vol culinair vooroordeel, kwamen met waarschuwingen die aanzwollen tot gruwelverhalen over dodelijke vergiftigingsgevallen. Dat werd weer tegengesproken door de avontuurlijken, de ondernemenden en de gokkers met het eigen leven, lieden die er zich al aan gewaagd hadden.
Chris, Anne en ik praatten onder elkaar de zaak door. Onze voeding bevatte te weinig eiwit, keongs konden dat tekort aanvullen.
Chris, die overal relaties had, scharrelde een biologe op die ons zelfs aan de wetenschappelijke naam kon helpen: Achatina Fulica. In het Nederlands wijngaardslak, in het Frans escargot. Ze had in Parijs eens 'escargots aux epinards' gegeten. Een verrukkelijk gerecht. Helaas was haar kookkunst omgekeerd evenredig aan haar wetenschappelijke kennis en kon ze ons niet aan het recept helpen.
Ik had toevallig een pro-eter ontmoet die mij een snipper keong had laten proeven: taai, verschrikkelijk taai; wel begrijpelijk, de voet bevatte uitsluitend spier. Keongs moesten daarom zeer zorgvuldig bereid worden met ingrediënten die de smaak verbeterden en het vlees verteerbaarder maakten. Het laatste was niet moeilijk. Op ons erf stond een asemboom en het is bekend dat asem het bindweefsel van vlees aantast.

Vuyk – Kampdagboeken, 38-40

[Bogor – plantsoen] 

In Bandoeng had ik mijn oudste zoon Hans moeten achterlaten, die als elfjarige naar een mannenkamp werd overgeplaatst. Het vertrek uit Kota Paris betekende scheiding van Anne en Chris, die in Batavia in een kamp voor oudere vrouwen terechtkwamen, een goed kamp, waar nonnen de leiding hadden, maar dat hoorde ik pas na de oorlog. Deze keer werden er geen reisliedjes ingestudeerd, er werd niets gezongen. Er werden geen fleurige jurkjes of hoedjes gemaakt. We reden door verlaten straten afgezet door politie en militairen. Het was duidelijk dat er orders waren gegeven dat iedereen binnen moest blijven. Op het stationsplein werden we uitgeladen. Ik heb nooit in Buitenzorg gewoond, maar had er vanuit Soekaboemi wel dikwijls gelogeerd, meestal bij Indonesische vrienden. In maanden heb ik niet aan ze gedacht, het gaf me nu een schuldgevoel alsof ik hen in de steek had gelaten.
Aan de voorzijde van het station was daar een plantsoentje, rondom een muziektent waarin vroeger de militaire kapel speelde en dat er nu vervallen en verveloos uitzag, en daaromheen zaten en lagen we op onze bagage en wachtten. We wachtten uren. Het was eerst droog, met een voor Indonesië bleke zon. Later begon het te regenen, onafgebroken, maar niet hard. We hadden een beetje eten bij ons en water in flessen en veldflessen. We dronken veel, dat vulde ook de maag en water was er genoeg, er stond ook ergens een pomp.
Een jong vrouwtje zat genoeglijk breeduit op haar bagage met haar zoontje van een jaar of twee op schoot. Na een poosje haalde ze een pakje rijst te voorschijn en begon het kind te voeren als een ijverige spreeuwenmoeder. Na iedere hap zei ze opgewekt: ‘Lekker hè, Sjeffie’, met een Limburgs accent. Ze zette het kind naast zich neer, een handtas als steun in de rug. Het was een ongezond dik jongetje met nauwelijks haar en een schubbige huid van een kleiachtige witte kleur. Ze zoende hem op beide wangen en knuffelde hem. ‘Leuk hè, zo’n dagje uit met Nippon.’
Een politieagent – waarschijnlijk verstond hij Hollands – draaide zich schichtig om. Ik begon te lachen, hoewel ik diep terneergeslagen was en doodmoe, kon ik niet ophouden met lachen.
Dit zal ik nooit vergeten, dacht ik. O God, een dagje uit met Nippon. Ik stond op om alles beter te kunnen bekijken, het plein, lichtgrijs in de regen, de gesloten huizen, de verlaten muziektent en daaromheen gekampeerd de ‘dagjesmensen’; uitgehongerde vrouwen en ondervoede, verwaarloosde kinderen, hangend over koffers en pakken, beladen met de raarste rommel. Een jongen met een pispot als helm op zijn hoofd, en een ander jongetje met zo’n zelfde potje als een ransel op zijn rug. Leunend tegen een boom zat een moeder met vijf kinderen; zes afgeschilferde emaille kroezen met de oren aan een touw geregen hingen haar als een potsierlijke ketting om de hals. Even verderop stond een dame. Het was een echte dame, want ze droeg een lange petit-gris bontjas. Een erg chique mantel die tot halverwege haar kuiten reikte. Daaronder waren haar blote benen zichtbaar met groene stinkende kampwonden vlak boven de enkels.
‘Dit zal ik nooit vergeten,’ zei ik tegen Rudi, die tien jaar was en het misschien al begreep, want hij was een ernstig zwijgzaam kind. Als ik blijf leven, zal ik dit nooit meer vergeten, dacht ik plechtig, alsof ik een gelofte aflegde.

Vuyk – Kampdagboeken, 40-41

[Bogor – SS-station] 

De eerste groepen begonnen het station binnen te schuifelen. Velen liepen langzaam, een koffer in de hand, gebogen onder het behangsel en belegsel van dierbare onontbeerlijke artikelen, die de koffer niet meer had kunnen bevatten.
We liepen langzaam, want we werden deze keer niet opgejaagd. Rudi en ik werden ingedeeld in de achterste wagen. Wij waren de laatsten die instapten in de 'geiteklas'- wagon. Het was er warm en donker, de luiken waren dicht. Altijd moesten de luiken van de treinen met gevangenen gesloten blijven. Zo sleepten ze ons over Java als kostbare en geheime schatten.
Het stouwen van de bagage ging veel vlugger dan toen we uit Bandoeng vertrokken, hoewel er deze keer geen Nippon-sergeanten schreeuwend en tierend langs de wagons renden. We waren ervaren reizigers geworden. Verscheidene vrouwen hadden spijkers meegenomen die met een grote steen in de wanden werden geslagen. Daaraan hingen ze dan kleine bagage, de kinderpotjes en de koekepannen en andere, in lappen gewikkelde, losse rommel. De koffers gingen onder de bank voor zover er plaats was, want de meeste ervan waren langer dan de dertig centimeter die per persoon als zitplaats was toegestaan. Rudi en ik waren de laatsten die in de wagon stapten, een bof, want ik kon daar naar achter en opzij leunen, het was een hoekplaats. Ik was nog bezig mijn koffer onder de zitbank te stouwen, toen ik werd aangesproken door een Indonesische conducteur. 'De Japanse kapitein verzoekt u of hij op uw koffer mag zitten.’ 'Verzoekt hij dat,' antwoordde ik, maar de man reageerde niet op mijn verwondering en zei alleen: 'De kapitein wil op het achterbalkon gaan zitten.'
‘Zet de koffer daar dan maar neer.'
Toen stapte de kapitein in. Hij was klein en fors en voor Japanner erg donker.
Boleh – mag het?' vroeg hij zelfs nog. Ik knikte alleen. De deur bleef open, ook toen de trein ging rijden. We zagen het spoorwegemplacement wegschuiven, een baanwachtershuisje, en nog wat huizen, langs straten waar nu wel mensen liepen en toen klapperbomen en Sawa’s.

Vuyk – Kampdagboeken, 63-65

[Bandung 3 – Boeken] 

Begin mei 1945
Vanmorgen toen we bij de tweede yasumi aan de kali zaten, vertelde Rien dat er een klein transport binnengekomen was van vrouwen die de jongetjes van elf en twaalf, afkomstig uit Kareës en Tjihapit, leiding hadden gegeven. Rien kan goed vertellen, levendig, alsof ze een verslag doet van een gebeurtenis waar ze zelf bij geweest is. De Japanners hadden de huizen die wij hadden moeten verlaten helemaal leeg gesleept, meubelen, servies en wat er ook was. Dat werd opgeborgen in een aantal lege huizen in Tjihapit. Niet zomaar opgeslagen, maar alles keurig gesorteerd, soort bij soort. Een huis voor kasten en tafels en stoelen, een kleren- en linnengoedhuis, een huis voor servies en glaswerk en één voor potten en pannen en ander keukengerei. O ja, en ook nog een huis voor boeken en grammofoonplaten.
Ingedeeld in kleine groepen onder de leiding van een 'moeder' waren de jongens daar aan het werk gegaan. Dat was een heel geruststellend bericht, want de moeders gaven niet alleen leiding aan het werk, maar verzorgden hen ook dag en nacht. Dat was het verhaal van Rien.
Vanmiddag na het baden en voor het eten ben ik met Rudi op zoek gegaan naar Hans’ ‘moeder’. Het blijkt een kleine dikke, goedlachse vrouw te zijn van tussen de veertig en vijftig. Hans had eerst kasten moeten sjouwen en was daarna ingedeeld bij het boekhuis. Ze praat erg aardig over hem.
‘Hij kon zo netjes dweilen’, prijst ze. ‘Dat heeft u hem goed geleerd’.
‘Ik niet’, maar tante Chris; dat laatste zeg ik niet hardop. Het was een van de oorzaken dat hij nogal eens een conflict met haar had. Ik kijk Rudi aan, als altijd zit hij er zwijgend bij. Ik weet dat hij lacht, een vleugje lach dat vanuit zijn ogen naar zijn mondhoeken trekt, onhoorbaar en bijna onzichtbaar. ‘Hans was een van de aardigste jongens’, prijst ze. ‘Altijd beleefd en behulpzaam’.
Ik durf niet naar Rudi te kijken, de kunst van onzichtbaar lachen versta ik helemaal niet. Ze zegt een beetje verlegen en met een schuine blik naar Rudi: ‘Heeft u hem voorlichting gegeven over homoseksualiteit?’
‘Nee’, zeg ik verbaasd, ‘hoezo?’
‘Ja, een paar van die oudere jongens hadden een rare verhouding en we moesten dat uitzoeken, heel voorzichtig natuurlijk, maar toen ik er hem naar vroeg antwoordde hij, heel kalm en rustig als een volwassene: ‘Nee, mevrouw, ik ben niet van die richting’.
‘Nou, dat heeft die dan zeker van die oudere jongens gehoord’, zeg ik nuchter en meteen daarop vraag ik: ‘Waar zijn de jongens naartoe gegaan toen het sjouw- en sorteerwerk was afgelopen?’
‘Naar een groot mannenkamp, waar hun vaders zitten, dat is alle informatie die we van de Japanners los konden krijgen.
‘Zijn vader zit in Thailand’, zeg ik.
‘Maar dat moet u niet geloven’, zegt ze troostend. ‘Het is een geheime code van de Japanners om ons te pesten. Birma is Bandoeng en Thailand, dat vroeger Siam heette, daar duiden ze Soerabaja mee aan’.
Ik heb die mythe altijd heftig tegengesproken tot Adri Koets, die een van onze kampartsen was in Kareës, mij waarschuwde dat ik dat beter niet kon doen.
‘Er zijn vrouwen die dat wat jij een mythe noemt, nodig hebben om niet tot wanhoop te vervallen’, had ze gezegd. Ik verbaas me erover dat deze moederlijke en schijnbaar evenwichtige vrouw, toch behoefte heeft aan dit zelfbedrog. Die jezelf-voor-de-gek-houderij is mij vreemd en ook Hans en Rudi weten beiden dat hun vader in Thailand zit. We hebben driemaal een kaart van hem gehad. Ik vermijd het naar hem te kijken, ik weet wat hij denkt. Het is bijna etenstijd en ik stuur hem weg om alvast met onze pannetjes in de rij te gaan staan. Ik bedank de pleegmoeder van mijn zoon en zou haar een zoen willen geven, maar ik ben van nature niet zo zoenerig.
‘Sterkte maar’, zegt ze. Zelfs tegen mij is haar toon moederlijk.

Vuyk – Kampdagboeken, 65-66

[Bandung 2 – Jongenskamp] 

Het is een warme avond en we eten buiten met onze rug geleund tegen een omgevallen klapperstam. Ik voel me opgelucht en bijna blij.
‘Hans heeft het vast niet zo gek gehad daar in dat sjouwerskamp. Ik denk dat hij het er wel prettig vond.’
‘Hans misschien wel, maar ik ben niet zo,’ antwoordt Rudi somber. De opluchting die ik voel door de goede berichten over Hans, verdwijnt, want ik weet en heb altijd geweten dat Rudi een dergelijke situatie niet aankan. Hij zit nu nog naast mij, lijfelijk, maar toch kan ik hem niet bereiken. Ik kan hem niet troosten, het met hem uitpraten, hem bemoedigen. Hij is bang en zijn angst is terecht. Want hij kent zichzelf. Daarover valt niet te praten, alleen te huilen. En huilen, wil hij niet en ik ook niet. Ik zou hem een zoen willen geven, maar dat mag niet meer. Het is mij door hem verboden. Dat kan alleen stiekem, in het donker, voor het slapengaan.
(De jongetjes van de sjouw- en sorteerploeg kwamen terecht in het vijftiende bataljon in Bandoeng, het kamp voor burgergevangenen. Ze waren ingedeeld in groepen van twintig, de ‘moeders’ vervangen door broeders: katholieke onderwijzers die als kloosterlingen geen militaire dienstplicht hadden te vervullen en in de burgerkampen terecht waren gekomen. Onderwijs werd niet gegeven, maar er werd wel gecorveed, gesport, gezongen en zelfs toneelgespeeld. Een dubbele prikkeldraadafrastering scheidde het jongens- van het mannenkamp en alleen wie daar een vader had, mocht op zondag bij hem op bezoek.)