Kooij-van Zeggelen – De Hollandsche Vrouw in Indië, 53-54

[Jakarta 5 – B.B.] 

“Ons leven is een staag verreizen en vertrekken’, dacht ik, over de verschansing leunende van de ‘’s’ Jacob’, die ons van Makassar naar Palima *] zou voeren.
“Nomaden zijn wij hier in Indië”, “onrustige pelgrims!” Daar lag de “Camphuys” klaar om weer naar Java te gaan, daar lag een andere boot, waarvan ik de naam niet lezen kon, waarschijnlijk voor de Molukken bestemd.
Plezierreizigers herbergen die vaartuigen niet! Ach, neen, meestal moèten wij hier reizen! Eén machtwoord, komende van Buitenzorg ... en de koffers worden gepakt, het huis, den tuin, de vrienden vaarwel gezegd.
Zooals de rijstkorrels door onze Javaansche keukenprinses dooreengeschud worden in haar groote platte mand, vóór zij gaat koken, zoo rollen hier de menschen door elkaar van Java naar Sumatra, van Sumatra naar Ambon, van Ambon weer naar Riouw ... Ik weet niet met welk doel al dit door elkander gooien geschiedt. De eenige oplossing, die ik er aan zou kunnen geven, is dat men de een niet te lang op een al te eenzame plaats mag laten blijven en hij vervangen moet worden voor hij menschenschuw is, maar wel weet ik hoe dikwijls het algemeen belang geschaad is door dit overplantingssysteem, dat iemand soms juist weg nam, als hij plezier in zijn werk begon te krijgen, als hij de bevolking en de bevolking hem kende.
De ander die kwam, bracht òf andere principes mede òf verwaarloosde den begonnen arbeid, of als hij een goeden wil en dezelfde denkbeelden had, moest hij er zich toch eerst weer inwerken. Er wordt zoo weinig op gelet of iemands taak af is of niet, als de stukken op een schaakbord worden de aan de staatsruif etende ambtenaars ieder oogenblik verwisseld ...
Rustig gezeten burgers in Holland, die ’s morgens uw kopje thee (uit de Koloniën!), om twaalf uur uw kopje koffie (uit de Koloniën!), ’s middags uw bordje rijst met suiker, beide uit de Koloniën, gebruikt, die daarna uw sigaar opsteekt, die als ’t geen Manilla is, zeker ook in haar eersten bestaansvorm onzen Tropenhemel boven zich had, wat weet gij van Indië?
Wat weet ge van ons rusteloos reizen en trekken hier, van de pogingen een huiselijk leven te scheppen en te behouden, pogingen die altijd weer schipbreuk lijden op de klippen, die ‘overplaatsingen’ heeten?
*] Sulawesi, vanuit Makassar aan de andere kant van het schiereiland.

Kooij-van Zeggelen – De Hollandsche Vrouw in Indië, 58-59

[Jakarta 1 – brug]  

Ga naar het oude Djacatra bij Batavia, waar de groote stadspoort, de ouderwetsche bruggen, het dicht daarbij gelegen ‘kasteel van Batavia’, aan uw geestesoog de krachtige breedgekraagde ‘poorters tot Amsterdam’ voortooveren. O! dat oude Batavia met zijn smalle grachtjes en antieke geveltjes en krioelende handelslui – dat is nog het meest karakteristieke Hollandsch wat ik in Indië zag – hetgeen dan ook natuurlijk is, omdat daar toch onze eerste nederzettingen waren.

Kooij-van Zeggelen – De Hollandsche Vrouw in Indië, 184-188

[Jakarta 10 – Fabriek] 

[1910] Daar vlak bij, zóo dat de menschen er makkelijk kunnen komen, wordt een klein net huisje gebouwd. Er komt een klein voorgalerijtje in, waar men door een loketje naar binnen ziet, evenals op een postkantoor. Daar achter zal, als het huisje af is, de keurig net gekleede Javaan zitten die onlangs gekomen is, de man met de onberispelijk geplooide sarong, den breeden gordel, de symmetrisch gevouwen hoofddoek, waarvan achter zijn hoofd onder de oren uit, , twee rechte punten uitsteken. Hij is ‘raden mas’, adellijk van geboorte en ‘Mantri Opium’. Als het huisje klaar is zal er boven staan ‘opium verkoopplaats’... Hier verkoopt het Gouvernement opium aan den inlander en goedkoop, goedkooper dan hij het van een smokkelaar krijgt. Er zal dus veel opium gekocht worden! er zullen veel mensen ons wegje opkomen en voor het loketje staan en heulsap halen, en als ik naar het bouwen van het huisje zie, kan ik niet nalaten te denken aan de koekbakkerswinkels, die zich in Holland altijd in de nabijheid van de scholen bevonden! Het waren slimme koekbakkers die zich in zoo’n buurt vestigden. Het is de zaak of men zijn ‘Pappenheimers kent’. Maar hoe weinig kwaad doen die bakkers vergeleken met wat hier gebeurt!
Twee heeren controleurs, opium-inspecteurs, en dan nog een, die àlles eens inspecteerde, [...] zijn eenige dagen bij ons gebleven en ‘inspecteerden’ werkelijk met ernst de zaak en allen gaven mij ongeveer hetzelfde antwoord op mijn vraag. ‘Is het niet immoreel opium tegen een lagen prijs te verkoopen aan het volk?’
‘Integendeel, het is een humane daad. Verkoopt het gouvernement het niet, dan hebben wij kans dat vreemde landen het binnenbrengen. De smokkelhandel zal bloeien en de bevolking wordt uitgezogen. Dat wij het nu zoo goed geven hier [op Celebes] nog veel goedkooper dan op Java, is om de mensen te trekken. Later worden de prijzen verhoogd.’
Of werkelijk ‘humaniteit’ hier de drijfveer is van het Gouvernement, zal ik als onbevoegde beoordeelaarster in het midden laten, wel weet ik dat het een droevig gezicht is al die oude mannen en vrouwen het wegje naar het opiumhuis te zien opgaan, zooals vliegen op suiker afkomen. Ik zeg ‘oude’ mannen en vrouwen, maar ik weet niet of ze het zijn. Allen die opium schuiven, worden oud voor hun tijd. De oogen zijn verglaasd, de borst is ingevallen, de lichamen uitgemergeld meestal, en ze kunnen er niet meer buiten, tenzij ze ‘dik’ worden zooals onze korporaal ziekenoppasser, ‘de dokter’ genaamd, beweert, die al heel wat inlanders verslaafd aan opium, in ons klein ziekenzaaltje verpleegd heeft.
‘As ze er àf benne, mevrouw, dan motte ze dik worden, en asse niet dik worde, motte ze e’r onder’, is zijn diagnose.
Later als het huisje daar kant en klaar staat, de ‘Raden Mas’ met zijn Sfinxengezicht en symmetrisch gevouwen hoofddoek achter ’t loketje zit, er ’s morgens en ’s avonds rijen magere in lompen gehulde wezens het wegje op en af gaan, en hun haantjesduiten neerleggen voor ’t loketje, in een woord, als de zaak rendeert, brengt de bewoner van het Satansch huis mij het volgende kreupelrijmpje.

Maag’re menschen gaan er velen
Opwaarts naar het schuifpaleis,
Niets kan meer hun wonden helen
Jong nog, zijn ze al oud en grijs.
Duizend tuben gaan naar binnen
Maken hart en longen ziek,
Maar heel lustig rookt de schoorsteen
Van de Opium-fabriek.

Maag’re menschen gaan er velen
Naar het huis waar men bewaart
Dieven, schurken, àl wat slecht is,
Door de opium ontaard.
Duizend tuben gaan naar binnen,
Breken veler menschen macht,
Maar genoeg’lijk strijkt het geld op
De bewaarder van de pacht!

Maag’re menschen gaan er velen
Van het tuchthuis naar de hel,
Maar dat kan hen weinig schelen
Want een ‘pijpje’ smaakt zoo wel!
Maag’re menschen zijn het vulsel
Voor de schatkist van het land,
Voor de praatjes in de Kamer,
Voor de preeken en de krant!

‘U is somber,’ zeg ik, ‘en ik denk, dat de schatkist er niet veel baat bij zou vinden als ze met maag’re menschen gevuld werd!’
‘U weet wel dat ik de dubbeltjes meen die de magere menschen binnen brengen en somber? Ja wie wordt er niet somber als men daar ’s morgens en ’s avonds dat schuivende volk den weg op ziet komen?’
‘De Satan in den boom voor het huis bewerkt u toch niet? ... Denk er om, het is niet verstandig Papa Gouvernement te willen tegenspreken! Wie dàt doet, wordt in Indië vroeg of laat als een stoute jongen in den hoek gezet! Never mind – uw versje komt in mijn brieven!’
‘En dan dat mooie huis, dat voor den Mantri gebouwd wordt,’ pruttelt hij door.‘ ’t Wordt mooier dan een van onze huizen omdat er dadelijk een flinke som voor uitgetrokken is. Maar om hier een huis voor een dokter te zetten, dáárvoor heeft het Gouvernement géén geld. We kunnen hier wel jaren zonder geneeskundige hulp zitten dat is niets, maar voor de opium wordt alles gedaan.’
‘Ja maar, dokters zijn geen smokkelwaar, bedenk dat toch ... bent u nu alweer vergeten waarom de opiumverkoop zoo smakelijk gemaakt wordt voor het volk? Wilt u al de dikke boeken eens inkijken, die over de opiumregie geschreven zijn? Ze liggen op ’t kantoor.’
‘Dank u wel!’ zegt hij mistroostig ...