De muze van Jan Compagnie – overzichtelike verzameling van Nederlands-Oostindiese belletrie uit de Companjiestijd (1600-1780), 2de druk, A.C. Nix & Co. Bandoeng 1948.

Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 28

[Jakarta 1 – Pasar Ikan]

Uit de Batavische Arcadia van Johan van Heemskerck – 1637
In dit nieuw Batavia, gheleghen in 't groot Eylandt Java, heeft syn verblijf den Opperbevelhebber der Nederlandtsche saecken over gantsch lndiën; die vande kleyne Koninckxkens, dewelcke wel eer in dit Eylandt verspreyt waren, en nu door den grooten Mataram meest al gheweldelijck uyt-gheroyt, en te niet ghebracht zijn, seer plach gheacht en gheeert te werden. Hebbende d'onse, tot een toevlucht in allen noot, aldaer ghebout, soo vasten, en door kunst en kost soo treffelijck ghesterckten Burgh, datse menschelycker wijse gesproocken, de macht van gantsch Orienten niet te vreesen en heeft. Gelijck by twee bloedighe belegheringen vanden Moghenden Mataram, die daer veele duysenden van sijn volck voor liet sitten, wel ghebleecken is. Onder 't beschut van desen Burgh leydt de Stadt, aen een schoone visch-rijcke Riviere, die daer door heen vloeyt: ende soude noch in ghesondtheydt en soetigheydt van lucht, nog in vermaeckelijckheydt van Landouwe, yet te verwenschen hebben, soose mocht bevrijdt wesen vande vreese en ’t ghevaer van twee wreede ghedierten, de Tyger, en Cocodril, in welcker verslindende muylen menig mensch aldaer jaerlijckx het leven laet. En waer van het laetste tot sulcken onghelooffelijcken groote uyt-groeyt, dat die van Egypten-land maer voor onder-blijfseltjes daer bij te achten zijn. Op de Tyger, nemen den Opperbevelhebber, en syne Raets-luyden, by wylen vermaeck een arbeytsaemen Jacht aen te stellen, die door vele honderden Jagers uytghevoert, en meerendeels met de doodt van eenighe deser wreder ghedierten, ten gemeenen nutte, voleynd werdt.
't Ghebeurden eens, dat nae 't af-breecken van dusdanighen Jacht alsmen met het vallen vanden avondt weder t' huyswaert keerde, en dicht by de Stadt de Peerden inde Rivier volghens gewoonte dede drincken, dat het Peerdt van een der Lijf-schutten des Opperbevelhebbers, soo als het nevens des selfs syde, onder menighte van andere, met sijn hooft al drinckende in 't water stondt, van een Cocodril, die daer omtrent op syn luymen lach, met eenen slach onversiens in sijn wijdt gapendt back-huys ghevat, en wat weer oock dat het arme beest met teghenstreven dede, van boven neer inde Rivier ghetrocken, en door dat grouwelijck waterghedrocht onder-ghedompelt, en met sadel en toom door ghesleept wierdt. Soo dat den ruyter, die der op sat, ghenoegh te doen hadde, om hem selven, met daer vaerdighlijck af te springhen, voor verder on-heyl te bevryden.

Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 101-102

[Jakarta 1 – grachten] 

Uit het Gedicht op Zijn Ed: Reize naar Oostindien van Isaac Sundermans – 1755

[…]
Met het schip Banthum quam ik in India,
Het schip Vosmaer quam mee daer,
Als wy quamen te Land,
Men vraegde wat nieuws in 't Vaderland?

Zijt gy ook gelukkigh door de Zee gevaren,
Tot ons door dese Meres baren,
Onse huisen in India,
Bouwen wy als in Europa.

Wy woonen hier tot dienst van Hollant,
Met de Kinderen en Vrouwen bekant,
Die hier goede Vrienden haben,
Leven wel als de Bergh knaben;


Indien heeft hier veele menschen,
Die ons alles goets wenschen,
Als Javanen, Ambonees,
Baliers, Maccassaer en Chinees.

Caffer, Mooren, Botjes, Bandanees,
Japonders, Mallebaer, Zingelees,
Den Tartaer en Persiaen,
Neemt de Ed. Compagnie alles aen;

Hollandse Boter, Kaes, Vleesch, Wijn, Bier,
Komt ons alles met de schepen hier,
Nederland versorgt ons hier,
Als eene Moeder goedertier.[…]


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 123-124

[Jakarta 1 – Middelpuntsbrug] 

Aardiger is echter dat Bogaert in deze lofzang zich verleiden laat tot de beschrijving van een bandjir; de eerste waarschijnlik in onze koloniale literatuur.
Uit de Historische Reizen door d’ Oostersche Deelen van Asia door Abraham Bogaert – 1711

[…]
Een wrange nacht begrimde uw moqentheên,
En schokte uw slot en hooftstad tot den wortel,
Stort huizen in, rukt bergen fors van een,
En dreigt het al te pletteren te mortel.
De boomen, van heur wortels afgerukt,
En voort gebonst, verstoppen bergrivieren,
En dryven 't nat ten velde in, thans verdrukt
Door water, aarde, en lyveloose dieren,
Zelfs d' aarde, dat onweegbre element,
Boog haren rug, en trok die in by vlaagen,
Door eene kracht den menschen onbekent,
En lilde als riet, door feller wint geslagen.

De hooftrivier, eer gloejende als kristal,
Wierd door het zand den gorgel toegeneepen,
Gestuuwt, gejaagt, gerukt van overal,
En weigerde den doorgang tot de scheepen.
Die ramp bewoog, maar hy ontzette u niet.
Gij dadelyk stelt ordre: doet de stroomen
Verleggen, breekt en teugelt heur gebied,
En rukt op 't land de zaamgeperste boomen:
En om den kil te houden naer de zee,
Doet gy het hooft te verder zeewaarts springen,
En veiligt dus ten deele Javaas ree
Door groote koste en nauw gehoorde dingen.


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 130, 133-135

[Jakarta 1 – Vierkantspoort] 
[Jakarta 1 – Tijgersgracht] 
[Jakarta 2 – Gracht] 

Een merkwaardig boekje is De Oost-Indische Theeboom; ‘getrokken op veelderhande Gesangen, zijnde versien met de Nieuwste Liederen en Melodyen; die Hedendaegs Gesongen worden, dienende op Geselschappen, Bruyloften en Maeltyden: alle op de nieuwste en aengenaemste Voysen’. De titel spreekt voor de inhoud: een veertigtal meest amoeureuze liedekens, waarvan tien of twaalf oostindies, en veelal van het soort om boven volle bekers meer uitgehikt dan gezongen te worden. Volgens Catalogus Frederik Muller dateert deze zangbundel van 1780; “maar de Indische verzen hierin”, meent dr De Haan, “zijn veel ouder.[…]
Dr de Haan gelooft niet dat alles in dit bundeltje van één auteur is en inderdaad lijkt het geheel meer een verzameling matrozenliederen vermengd met herdersidyllen. Toch is veel uit één inspiratie: niet alleen komen dezelfde regels soms terug, wat aan varianten van bekende liedjes doet denken, maar de hoofdschotel bestaat uit ‘aardige ontmoetingen’’ […]
Sommige zangen zijn inhoudsopgaven gelijk; als een wandelkaart van de stad, die noodzakelik in zee en retour eindigt.

Bataviaas Lied
Batavia Kasteel ten toone,
Hooft-Stad van heel India,
Daar nu veel Hollanders woone,
Van ouds genaamt Jaketra,
In uw heb ik verkeert
En veel dingen geleert
Van goed en quaat, my wel verstaet
Dat daar niet aan mankeert.

't Is nu ruim vyf jaar geleden
Dat ik quam in 't Injes Land
En met myn voet quam getreden
Binnen de Poort al van 't vierkand.
De Galg het eerste was
Die ik aanschouwde ras
Ter regterhant trad ik faljant
Regt uit op 't zelfde pas.

De Sneeze Kerk voorbij gegange
Zoo regt na de Lepel-straat,
De Zand-Zee was mijn verlange,
Roemelakke mijn verstaat,
Zoo na de Uitregtze Poort
De groote Revier aanhoord,
De Heere-straat voorby men gaat,
Het is wel meer gehoord.

De Tygers gragt zeer fraay ten toone
Dat is het Puikje van de Stad,
Daer men vind zoo menig schoone
En daar zomtyds schuilt wet wat
Van het Hollandsche kruid,
Mustiesse zoet van geluid:
Zy gaan zeer rein: met Baaitjes fijn
Of zy waren de Bruid.

's Nagts zij in een prautje vare
Met haar aangename Spel;
En de Jongmans vind men dare
Op de Sneeze wajang wet:
't Woord is al: monsieur,
Aanziet u Serviteur,
Een Theetje fijn, van spaanze Wijn:
Kom matre 't is de fleur.


Pinang diend daar niet vergeten
Met een Bonkes naar haar wil:
Wat geschiet daar in zekrete
Dat zal ik wet zwygen stil:
Een meisje fris van gestald
Die gaare stoeit of mald
Zoo 't Spreekwoord zeit, kortswilligheid,
Ligt achter over valt.

De vroome wil ik niet gelijken;
By het volk ligt van aard:
Die zoo gaarne Vosje strijken
En speelen Ruyter te Paard.
Want zy zijn excelent
Tot malle zoo gewent
Vrolijk te zijn in bier en wijn
Al met de Jonkmans jent.

Vaart wel gy hoore beesten verheve,
Hoere Waardinne al van’t vierkand,
Mijn Schip dat leyd afgedreve
En ’t is vaardig en kand:
’t Scheymaal heb ik verstaan,
Dat is in ’t fort gedaan,
Nu moet ik voort, al onverstoort,
Als de Land-wind waayt aan

Za Orper wilt uw Anker ligten,
De Land-wind koelt mooytjes op.
Wilt uw Mars-Zeyl maar los binden,
Looptse vaardig in den top,
’t Eyland Onrust voorby,
Bantem passeerde wy:
’t Sinter Klaas Baay kregen wy fraay
Nog vyf Koebeesten bly.

Dan daar gaan wy ons anker ligten
En scheyden doen van de beurs en Zwaen
En zijn soo tot onderrigten
De Straet Zonda uytgegaan
Versien al voor de spys
Van Spek, Arak en Vleys,
Een schoonder Vloot, elf schepen groot,
Godt geeftse behouden reys.


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 153, 154-155

[Jakarta 1 – Tijgersgracht] 
[Jakarta 2 – Gracht] 

Jan de Marre – Deze […] is wel de meest representatieve Compagniesdichter geworden onder allen, degeen wiens naam onmiddelik op de lippen komt, wanneer van deze bizondere poëzie sprake is, zoiets als de Valentijn van de gebonden taal. Hij werd in 1696 geboren in Amsterdam, was 23 jaar lang zeeman en eindigde deze loopbaan als schipper van de Heesburg en vice-admiraal van de retourvloot in 1731. In de voorrede tot zijn bekendste dichtwerk vertelt hij dat hij in 1728 te Batavia door de “wydgestrekte handel en schoone stand der stad” verlokt werd haar lof te zingen en zich in zijn ‘ledige uuren’ daartoe zette: maar “deze lofzang, die in myne onkunde was opgesteld, nadien ik voor dien tyd, weinig Poëzye gelezen had, besloeg toen weinig bladen”, en “in die gestalte bragt ik dezelve in myn Vaderland, buiten eenige gegronde hoop en gedachten, dat zy ooit de waereld zoude worden medegedeeld”.[…] Zo verscheen Batavia in 1740, hoewel de daarin beschreven toestanden sloegen op de tijd van Zwaardecroon, omdat De Marre tien jaar tevoren de stad voor het laatst gezien had. […]
Hier volgen enige fragmenten uit het 2de en 4de boek, zoveel mogelijk gekozen uit de plaatsen waar de galm zich het zwakste laat horen.

[De Tijgersgracht]
ô Schoon Batavië, dat my houd opgetogen,
Daar gy uw Raadhuis met zyn trotsgewelfde boogen,
In 't vergezicht vertoont! hoe heerlyk is uw stand!
Uw ruime Grachten, frisch bewaterd, schoon beplant,
Behoeven voor geen stad in Nederland te zwichten.
Wel aan; wy willen nu all' uwe Hoofdgestichten
Doorwandlen; en, mag ons zo groot een gunst geschiên,
Een halve waereld in uw' kleenen omtrek zien.
De Tygersgracht, waar op Batavië mag roemen,
En zich om dit sieraad de pronk van 't Oosten noemen,
Werd' van ons eerst beschouwt, daar zy, zo ryk bevrucht,
Een reeks Paleizen trots doen stygen in de lucht,
En prykt, ten einde toe, met schoone Bouwjuweelen,
Wier witte muuren, en doorwrochte kapiteelen
Verrykt, en opgesierd met lystwerk en festoen,
Beschaduwd door een dreef van eeuwig lentegroen,
Den geest des vreemdelings verbaazen door dien luister.
Wie merkt niet, als de zon het akelige duister
Van 't hemelrond verdryft, en, strevend' naar omhoog,
De heerlykheid der Stad de waereld stelt voor 't oog,
En schittert ryk van gloed, met nieuwe morgenglanssen,
Op all' de bouwsieraên, wier hoogverheven transsen
Haar schaduw spreiden langs den groenen waterboord,
Hoe dan Batavië den wandelaar bekoort!

 

Laat vry Itaalje op zyn verheven Marmer brommen,
En alle volken door verwondring doen verstommen;
Dees blanke muuren, schoon zo kostbaar niet gesticht,
Vertoonen ons de Stad met schooner aangezicht,
Die noch met meerder pracht ons zal in de oogen blaken,
Als we, overschaduwd van de hooggebouwde daken,
De praal bezichtigen van 't vorstlyk huissieraad,
Daar 't werk der Bouwkunst in zyn vollen luister staat,
Euroop' den prys betwist, door welgeschikte zalen;
Vertrekken, daar de borst een' ruimen aêm mag halen;
Daar 't Ambonsch Sakkerdaan elk tot verwondring wekt,
Het gloeiende vernis en balk en wand bedekt,
Het goud en zilver straalt door ruime galleryën,
Daar keur van kostlykheên om de eer bevallig stryën,
Die, schoon ze een blyk zyn van der Burgren hoovaardy,
Een' luister schenken aan den troon der Maatschappy.
Wie zal nu, daar hy ziet de Stad zo opgewassen,
Die voor eene eeuw noch school in slibbige moerassen,
En in een' halven kring dier jaren opgebouwd,
Niet denken, of ook weêr Amphion steen en hout
Had opgestapelt door betooverende klanken,
En dat Batavië ware aan zyn lier te danken?


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 157-159

[Jakarta 1 – handelskantoren] 

Uit Batavia van Jan de Marre – 1740

[Wandeling naar de groote Rivier en Handel by dezelve] 
Hier sluit dees Hoek, en stiert myn wandeling ten Westen.
Wy gaan daar 't grootsch Kasteel, door hechtgebouwde vesten,
Het voorhoofd van de Stad als met een schild bedekt.
Wat schoon gezicht, zo ruim, zo luchtig uitgestrekt,
Verlokt ons? welk een reeks van prachtige Gebouwen!
Maar hoê! wat koopgewoel heeft hier myn oog te aanschouwen,
By zo veel winkels langs de stroomende rivier?
Ziet nu de Kunsten in haar' luisterryksten zwier,
Een' grooten handel in een klein begrip omvangen.
Zie hier de volken aan de pronk der waereld hangen,
Als nyvre byën, die op 't verschöntloken kruid,
Op teedre planten, met een dommelend geluid
Aansnorren door de lucht, of op de bloemen stryken:
Dus woelt, dus leeft het in den omtrek dezer wyken;
Dus loert men overal op deze kostlykheên.
De listige Chinees, die alles heeft by één,
Verlangt vast naar de beurs des koopers, die, bedrogen,
Dit volk vervloekt, en dreigt met bystere onweêrsöogen.
Maar al deze omslag, all' die goedren van waardy,
Zyn slechts het minst van al wat Chinaas Heerschappy
Zal leevren, als een vloot van Jonken deze stranden
Bestevent, en naar wensch met meerder schats zal landen.
Dan gloeien duizenden van weefzels voor ons oog;
Dan zien wy heuvelen van nieuwe Thee zo hoog
Ten hemel stygen als de spitsgebouwde daken;

Een' schat van lakwerk in de ryke winkels blaken;
Een' berg van Porcelein van allerleie slag,
Door blaauw of goud gekleurd, nu eerst in Javaas dag
Uit de aardkorst van Nanking, of in Japansche Ryken
Gevormd, ons toegevoegd, aan dezen oever pryken.
Hoe krielt het op dien tyd van 't Nederlandsche volk,
Dat met de kielen door de onmetelyke kolk
Ons heuchlyk Vaderland stoutmoedig op zal zoeken!
Het vult hier kist en kas met Indostansche doeken,
Met kostlyk Armozyn, Bengales hoofdgespin,
Of keurlyk kraakwerk, daar het weeldrig huisgezin,
Reikhalzende naar wacht, om met dien buit te pronken.
Hoe streelt de blyde vrouw, met minnelijke lonken,
Haar dierbren echtgenoot! hoe juichtze dan, als hy
Met zulk een schoone vracht, uit Indus heerschappy
En zo veel woeste zeen, haar komende begroeten,
Den schat van Indostan en 't Oost spreit voor haar voeten!
Een' buit, om wiens bezit hy heeft de zee geploegt,
Of jaren lang te lande in onrust heeft gezwoegt,
Of die hy spoedig door 't geluk, of slinksche wegen,
Tot schaê der Maatschappy, meineedig heeft verkregen.
Zy wenscht in deze vreugd, indien het kon geschiên,
Met honderd oogen all’ haar rykdom te overzien;
Een' rykdom, die, by 't geen dees woningen bevatten.
Maar slechts een drup is uit dien Oceaan van schatten.


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 159-160

[Jakarta 1 – Maritim] 

Uit Batavia van Jan de Marre – 1740

[Langs de Rivier en Aanspraak tot Batavia's Grondvesters]
Maar welk een schoon gezicht houd hier myn' loop te rug?
En bind my ongemerkt op 't midden dezer brug,
By zo veel volken die uit allen hoeken vloeien?
Een andre Stad schynt uit de golven op te groeien,
Door al het vaartuig dat hier dwarrelt op den stroom:
Het krielt van schuiten by den grooten waterboom.
't Welriekend Oosten schynt gekluisterd aan dees palen.
Wie zal in d'omtrek van dien handel niet verdwalen,
Die ons Batavië met zo veel schats verziet?
De ontelbre waarden uit het Indische gebied,
Van all' de Eilanden, in zyn' ommekring gelegen,
Geöpperd, en gevoerd langs ongebaande wegen,
Zyn niet te noemen, schoon haar 't weidend oog beschouwt.
Een onuitputbre myn baart hier een' stroom van goud;
Een' rykdom die den Staat voor altoos kan verzaden.
Bezie dees kleene vloot, tot zinkens toe geladen,
Die in de haven bruischt. Bezie den andren kant,
Daar duizende Kanoos de vruchten van dit land
Aanvoeren op den rug van Javaas heldre stroomen,
En, stuivende aan den boord der dichtgebouwde zoomen,
Den last ontlaên waar op de Nederlander doelt.
Ai zie hoe 't by de Waag der Koopstad leeft en woelt,
Daar zo veel zwermen volks elkanderen verdringen:
'k Zie blanken, zwarten, en ontelbre vreemdelingen,
Al yvrende onder één: het grimmelt over al
Van menschen, die hun goed opleevren aan den wal,
Of henestryken met de nieuwverkregen waaren,
Als mieren, die om stryd haar' oegst byéén vergaêren;
Zo woelt men met dien last; zo zwerven af en aan
Uitheemsche Volken, die dees Hoofdstad doen bestaan,
Den handel van den Staat doen bloeiën in vermogen.

Maar gy, ô Vaders, die vol moeds zyt heengetogen,
Daar geen gevaar uw' geest afschrikte, en in dien lust,
Den Nederlandschen naam verbreidde langs den kust,
En, worstelende in een zee van bittre tegenspoeden,
Den voet hier vestigde, ten spijt van ’s Vyands woeden!
Mogt gy eens opzien langs het ooglyn der rivier!
Beschouwen deze uw Stad, daar nu, met zo veel zwier,
Vier duizend woningen, die keurige oogen treffen;
Om stryd hun' toppen tot den hoogen hemel heffen,
Beschaduwd door een dreef van groene Tamerind!
Gy zaagt uwe oogen aan dees ryklykheden blind.
Waar zoudt gy Jakatra op hooggeschoeide palen
Nu vinden? waar den stroom die eertyds om ging dwalen
Langs woeste bosschen, daar al 't land stond ruig en dras,
De wreede krokodil op roof loerde in 't moeras;
Gedrochten, die naar bloed en spieren watertanden?
Die onbevolkte streek, die onbeploegde landen,
Uw kleene woning, die u heeft op bloed gestaan?
Wat zoudt gy denken, als ge uwe oogen op mogt slaan,
En 't Oorlogstuighuis, met schrikbarende kartouwen,
't Kasteel, de Timmerwerf, de Houttuin mogt beschouwen;
En zo veel vaartuig, naar de Vaderlandsche mal
Gebouwd, en opgesierd, hier pronkende aan den wal,
Zaagt glippen op den stroom, of in Stads haven dringen;
Wiens omtrek dezen hoop nu naauwlyks kan omringen:
Welk een verwondering verrukte uwe oogen niet,
Wanneer ge een mastenbosch ontdekte in 't schoon verschiet,
En trotse kielen op de wateren zaagt zwieren,
Die 't hoog kampanje, om stryd, met prinssevlaggen sieren?
Nooit zoudt gy denken dat gy waart op Javaas grond,
Maar wel dat Amstels pracht u dus voor oogen stond.


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 160-161

[Jakarta 1 – Groote Boom] 

Uit Batavia van Jan de Marre – 1740

[De Vischmarkt]
Wat 's dit? wat vreemd geluid! wat wonderlyk geschater
Klinkt my in 't oor, en rukt myn Zangeres naar 't water!
Wat toevloed? welk gewoel? de Vischmarkt, langs het nat
Zo luchtig opgeboud, lokt hier de gantsche stad
By honderd schuiten, met een ryke vangst volladen.
Zie nu een' zeeschat, die groot Java kan verzaden,
Uitstorten, levende en noch springende op de bank:
Zie nu de Koningsvisch, de Stompneus, lelyblank;
De Kakap, die in deugd geen Kabeljau wil wyken;
Steenbraassem, wit en rood, met goud en zilver pryken;
De Pampus, die 't gebrek van Neêrlands Schol vergoed,
En 't ander schubbig heir, op onze Reê gevoed,
't Geen 't aangetogen volk door lust doet watertanden.
Mogt nu Silvanders oog de Jakatrasche stranden,
De Vischmarkt, en 't gewoel beschouwen, zou hy niet
Op ’t spoor van Sannazaar, op ’t lieflyk visschersriet

Een’ zeetoon galmen, en haar’ lof voor my doen hooren?
ô Waterlekkerny, die yder moet bekoren!
Gy zyt het daar de Stad met recht op roemen mag;
Gy steunt de Maatschappy in 't magtig ryksgezag,
Voed de onderdanen, die haar koopmanschap vertieren.
Maar gy, ô Leervisch, die den middagdisch kunt sieren,
Wanneer ge in 't vischbanket, dat dertle Oraten streelt,
Een schoone waterzoô van 't magtig Y verbeeld!
Gy kunt by my alleen den prys der visschen trekken,
't Batavisch vischpriëel een waardig siersel strekken;
Dat schoone vischpriëel, gewoekerd uit den plas,
't Welk voor eene eeuw noch lag gedoken in 't moeras,
Toen de arme visscher kreet, omdat zyn waterzegen
Geen voordeel aanbragt om zyn' arbeid op te wegen,
Daar hy zo rykelyk nu zyne nooddruft haalt,
En met het overschot 's Lands vischpacht bly betaalt.


Du Perron – De muze van Jan Compagnie, 163-166

[Jakarta 1 – Utrechtsche straat] 

De chinese onlusten van 1740 tot 1741 en de ‘zwarte bladzij’ van de Chinezenmoord zijn – hoewel nog steeds min of meer mysterieus in hun oorzaken – te bekend om hier uitvoerig te behandelen. leder weet dat, in grote lijnen, de aanval op Batavia door benden chinees gespuis, sedert lang op Java ongewenst en niet of niet meer van permissiekaarten voorzien, een toestand van angst en verwarring onder de europese burgerij veroorzaakte, waardoor matrozen, soldaten en gepeupel tot die burgerij behorende, de kans kregen tot uitmoorden en plunderen van een onschuldige en weerloze chinese bevolking binnen de stadsmuren, welke bevolking natuurlik beschuldigd werd met de aanvallers buiten te heulen. In die dagen zelf moet iedereen, te Batavia altans, van gevoelen zijn geweest dat ook deze Chinezen niets dan hun verdiende loon hadden gekregen. Dit blijkt onder andere uit de hier gereproduceerde bekende afbeelding, waarvan de titel een ‘schrikkelijke slagting’ vermeldt, maar waaronder de volgende verzen voorkomen:

ILW Jakarta 1 Havenkanaal Utrechtsche straat 01

 

Batavia, beroemt in Asië en Europe,
Werd in zyn meeste pracht vertoond op dit Tafereel;
Dus ook hoe de Euveldaad haar wis bederf belope,
Wen zij de Woede van gehoonden valt ten deel.

’t Verraad, allengs gesmeedt, en tot den top geklommen,
Barst, tot bederf eens Lands, in ’t eind’ verschriklyk uit,
En kost vaak d’ondergang van Land en Vorstendommen,
Indien het niet in zyn beginzel word gestuit.

Een volk, dat zonder reên, uit muitzucht, onrechtvaardig,
Zyn Wettige Overheid zoekt op het hart te treên,
Is geen meêdogen, maar de strengste straffen waardig,
En heeft met recht verdiendt den haat van ’t algemeen.

Dus werd hier ’t snood verraad gestraft naar zyn waardye;
’t Chinees gebroedzel, door de Moordzucht aangespoord,
Om zich in ’t Christen bloed, met wrede tyrannye,
Eerlang te Baden, word hier zelf in ’t bloed gesmoord.

Hun Kapitein, wiens Huis wierd met Geschut beschoten,
Den brand ziende opgaan, wil ’t ontvluchten in dien staat;
Doch Hy, door ’t volk gekend, omringt en ingesloten,
Word zelf gevangen in zyn Vrouwelyk gewaad.

Dus zorgt de Hemel voor het heil van all’ de Zynen,
Hoe groot de nood zomtyds moog’ wezen in een Land,
En doet de Zon van Rust, na Storm en Ramp, weer schynen,
Als Zy, die zyne straf verdienenden, zyn van kant.


Van oude wrok en begerigheid naar Chinese rijkdommen onder de uitmoorders wordt niet gerept. Ook de verantwoordelikheid voor de slachting, die de G.-G. Valckenier en de raad van Indië Van Imhoff weldra op elkaar zouden trachten te werpen, heeft de dichter niet geïnteresseerd. Van Imhoff, met twee andere raden van Indië door Valckenier in arrest gesteld en 10 januari 1741 ‘onder dwang van bajonetten’ naar Holland teruggezonden, was nauweliks vertrokken, toen een brief van de Heren XVII arriveerde waarin Valckenier ontslagen werd en Van Imhoff tot zijn opvolger benoemd. In Holland aangekomen had Van Imhoff weinig moeite om de sympatieke rol te spelen voor al wie hem aanhoorden. Een van dezen was de friese dichter jonker Willem van Haren (1710-1768), persoonlik vriend van de friese stadhouder, de latere Willem IV, in 1740 afgevaardigde ter Algemene Staten in Den Haag, in 1741 reeds tot in het buitenland vermaard op de wijze van een nederlandse Homerus, door zijn gedicht in twaalf zangen Friso en door de politieke zangen waarmee hij later beweerde 20.000 man op de been te hebben gebracht voor de van alle zijden aangevallen Maria Theresia. Dit gebruik van zijn lier belette hem niet hetzelfde instrument ook voor Van Imhoff aan te wenden; zo dankt men hem een gedicht op de slachting in het verre oosten, dat in zienswijze afweek van de gebruikelike, niet alleen omdat hij Locke, Montesquieu en Voltaire met vrucht gelezen had, maar natuurlik ook omdat zijn oordeel door de afstand bepaald werd. Het werd apart gedrukt te 's-Gravenhage in 1742.
[Enkele strofen uit het] Gedicht op den moord gepleegd aan de Chineesen te Batavia den IX Octob: Anno 1740

[…]
Neen, Leezer, neen het zijn geen woeste Macedonen,
Die Jeugd, nog Ouderdom, nog Man, nog Vrouw verschonen.
Het is geen Galliër, Romein of Indiaan,
Die aan de Onnozelheid zyn wreede hand durft slaan.
’t Zyn Christenen! Het zyn, o Hemel! Batavieren,
Veel doller dan ten strijd en wraak gehitste Stieren:
Verschrikk’lyker dan in het woest Numidisch woud
’t Geslacht der Draken is, het hoofd gekroond met goud:
Of Tygers brullende van vreugde in het verscheuren
Der Reizigers, wier ramp hen dezen weg deed keuren.
En die hier valt, die hier onmenschlyk word geslagt,
Is een rampspoedig Volk, te onregt ter dood gebragt.
Den Lammeren gelyk, die, weidende in de Dalen
Waar uit zich de Apennyn verheft tot ’s Heemels Zalen,
Een hongerige troep van Wolven naad’ren zien;
Zo min helpt hier de vlugt of wederstand re biên.
Zie hier hoe de Chinees, omringd van Vrouw en Kind'ren,
Deemoediglyk geknield, zyn' ramp niet kan verhind'ren.
Zie hier hoe hy bezwykt, geregen door het hert,
Terwyl hem zyne schuld niet eens verkondigd wert:

“O (roept hy) Gy, die U nog Christenen durft noemen,
“En op een reedlyker begrip en Godsdienst roemen;
“Toont slechts in deze tyd een menschelyk gemoed,
“En straft wie schuldig is, maar plengt geen zuiver bloed!
“Of, zo myn waarde Vrouw my moet ter dood zien voeren,
“Laat dit onnoozel Kind, dit Kind u toch ontroeren!
“O Mannen! 't zy gespaard; het zy, zo lang het leeft,
“Getuige dat men hier nog medelyden heeft!”

Tot antwoord voeld hy 't Staal zijn hart en nieren kerven,
En ziet nog stervende zyn dierste Panden sterven.
Men vat het arme Kind by 't teêre en poezel been,
En slingerd het driewerf door rook en vlammen heen;
En durft het op den muur, nog kermend, dus verpletten,
Dat brein en bloed den Beul in zyn gelaat besmetten.
’t Is of de dolle God des Oorlogs, met zijn zwaard
Aan ’t hollen, wyd en zyd een’ rey van Lyken schaard;
En, vreess’lyker hoe meer hy tranen neêr ziet vloeyen,
Om een’ verbrooken Eed de Volken uit koomt roeywn.
[…]
Maar zagt! Is dit het al? Wat Monster dorst beveelen
Zo veele Onnoozelen onmenschelyk te keelen?
Wie heeft het eerst den dolk doen trekken buiten nood?
Wat Schrikdier was zo zeer van deerenis ontbloot?
De waassem van het bloed gaat zissende in den Hoogen:
’t Gejammer, het gekerm vest Gods regtvaardige oogen.
De Booswigt roeme niet, die ’t stookte. Beef, o beef,
O Nederland, indien men hem zyn’ loon niet geev’!
Verzuim geen ogenblik in ’t straffen zyner daden,
En wil de schuld daar van niet op uw schoud’ren laden!
Op dat aldus die Dag, die vreesselyke Dag,
Wiens weêrga nooit de Zon in zo veel Landen zag,
Zyn gruw’len door het Zwaard der Wraake zie verdwynen,
En niet van Eeuw tot Eeuw kome in den Rouw verschynen.