Robinson – Piekerans van een straatslijper, 9-10

[Jakarta 6 – Robinson] 

Zou Tikoes de film Kon-Tiki ook gezien hebben? Of Wawak of Mieltje? Hah! Die avontuurvaarders op Indonesische wateren in het begin dezer eeuw. Bruin, blootvoetig, mager, vermetel en zo hard als een diamant. Explorers van de Djakartase wateren van blakang Bidara Tjina tot de kreken rond Djapat (Het Jaagpad), van de vriendelijk kabbelende slootjes achter Gang Sentiong tot de sluizen van Tanah Abang. Water een genot, of je er nu alleen maar tot je enkels in liep langs de grote weg omdat de straat te heet was voor je blote voeten, of als je in grenzeloze bravour in de sluiskolken dook om gekotjok en gebantingd – met één seconde er tussendoor van panische angst – een eind verder als een kurk omhoog te schieten, triomfantelijk beide duimen op en gillend: “Kapitein Nemoooo !!!”
Maar dan de vele vaarten: meedrijvend met bamboe-gètèks of met grote zandprauwen, stroomop snuffelend met een smal prauwtje als een djulung-djulung, zo’n klein spitsneuzig visje aan de oeverkant. Of op je buik op een ketebok-pisang en schroevend met je benen een rivier oversteken. Of van zulke pisangstammen een vlot makend om nog schoner avonturen te beleven. Ja, de roep van het bruine sop was zó sterk dat we wel eens over de schreef gingen. Zo heb ik als knuppeltje van vijf stiek hoog met twee grote kameraden, Nono Leidelmeyer en Edmond de Rochemont (een naam die geurde als de Graaf van Monte Christo, maar Etje zelf niet), een toiletvlot losgemaakt aan Pasar Baru Oost en zijn we fier de rivier afgevaren, met Edmond in het w.c.-tje als de Ruyter op de campagne voor Chatham, Luisterrijk meneer. Toen we langs ons huis voeren, Gunung Sahari 23, hurkte ik neder in het lavabotje en loerde angstvallig door reten in de kadjang naar ons huis, maar niks geen onraad hoor. We waren werkelijk van plan het vlot later weer terug te slepen, maar we werden opgehouden aan de sluis. Apa boleh buwat, het vlot liep toch niet weg.

Robinson – Piekerans van een straatslijper I, 21

[Jakarta 3 – Erberfeld] 

Alle open stukjes grond worden stuk voor stuk dichtgenept met villatjes, krotjes of handelskasteeltjes. Zelfs het eerbaar plekje grond van Pieter Erberfeldt, waar ten eeuwigen dage niets op gebouwd mocht worden, is volgestopt. En waar al huizen staan, daar bouwen ze finaal door het dak heen naar een tweede en derde verdieping toe, zoals op Pantjoran gebeurt. De familie blijft rustig beneden wonen met tampahs en stukken zink en bordpapier op meubels en bedden tegen het neerstortend puin en de bouwers meppen en kledderen boven een nieuw huiske in mekaar. Spookhuizen en gevloekte huizen bestaan niet meer. Of ze zijn omgebouwd óf de vijf à zes families, die erin zijn komen wonen plus anakken, honden, katten, ajams en mama-tjangs maken zo’n spektakel dat zelfs de onverschrokkenste geesten van de larie zijn gegaan. Aan geloven en bijgeloven wordt niet meer gedaan. We zijn hard als een bikkel in deze moderne tijd en er is geen aandacht meer voor ‘the motion of some infinitely gentle infinitely suffering thing’.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 22-23

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Nee, architectonisch is er geen Djakarta. Wel tectonisch: alles staat door mekaar. New York heeft een skyline, zo ook Parijs, Londen en zelfs het goeie kleine Mokum. En dan heeft Rangoon een eigen profiel, Cairo, Stamboel en Bagdad, maar Djakarta heeft op z’n hoogst een profiel van een prizefighter. En dan zitten er ook nog bloemkooloren aan. Hoofdstad van een Mohamedaanse staat? Waar zijn de koepels en minaretten? Waar de palmen en waar de schone veelgeprezen waringins? Isternietmethem.
Ook met de grote gebouwen word je gefopt. Ze hebben veel valse horizontale gevellijnen en veel kleine raampjes en zo lijkt zo’n gebouw op een tekening wel op een wolkenkrabber. Maar als je je lijflijke entree maakt in zo’n gebouw, dan merk je al aan de kleine, lage hoofdingang dat de rest ook een fopdoos is. Wat een verschil met b.v. de Gedong Putih aan Lapangan Banteng of zelfs maar met zovele herenhuizen aan het Merdekaplein of Kebon Sirih met hun wijde marmeren voorgalerijen met zware Dorische zuilen. Grote pleinen als deze twee worden nu trouwens niet meer aangelegd. Het is zonde van de ruimte. Wat een geld haal je eruit als je zo’n lap volbouwt met flats! Nee, met de bouwmeesters die Weltevreden stichtten heeft Djakarta zijn laatste blanda’s van formaat gehad

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 23

[Subaya 2 – Bubutan] 
[Subaya 2 – Pasar Besar] 
[Subaya 2 – Savelkoul-gebouw] 

Djakarta heeft trouwens nergens (meer) allure. Zo’n imposante highway als Surabaja heeft in Aloon-aloon-straat / Pasar Besar / Gemblongan / Tundjungan / Simpang, daar kan geen enkele stad in Indonesië aan tippen. Bandung heeft z’n forse Djalan Raya-winkelwijk, die zich prachtig inhoudt aan de aloon-aloon met zijn waringins en solide moskee (met de onvergelijkelijke sate-kraampjes), waarna zich pas goed de Grote Postweg afwikkelt, ingeleid met Indonesië’s debonairste hotels. En is Braga niet geknipt voor de petit-boulevardier? Daarnaast heeft b.v. Surabaja volkomen gaaf bewaarde blokken ouwe spekkoek in wijken als Penilih, Bubutan en Djagalan met hun uitgebreide collectie geveltjes, erkertjes, puien, architraafjes, kapiteeltjes, balconnetjes en torentjes. Een paradijs voor een tekenaar.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 48-50

[Jakarta 4 – Tramway] 

Wie moegewandeld is op Djakarta en ver van huis is, neemt de tram of de oplet (uit te spreken als de stam van ‘opletten’). Op de grotere afstanden zijn die het goedkoopst. Het gebruik van de tram is een kwestie van bovennatuurlijke beschikking, want normaal is de tram zó vol dat zij als zodanig nauwelijks te herkennen is. Komt er in de verte op Molenvliet iets aangereden, dat lijkt op Les plongeurs circulaires van Fernand Léger of op een reusachtige dot pruimtabak, dan is dat de tram. Die is dan vol. Djakartaas tram-vol is de overtreffende trap van overvol of tot berstens toe vol: het menselijk vlees barst er al van alle kanten uit, maar waar het mogelijk schijnt al deze extremiteiten bij het naderen van een tram van de tegengestelde kant toch in te stulpen, moet deze volheid onderhevig zijn aan speciale wetten van inkrimping en uitzetting met een ongelimiteerde coëfficiënt.
Binnenin de tram krijgt ieder mens op den duur de vorm van een ouwel, men benijdt de sardientjes in de rijke vrijheid van hun blik en knikt de zich als een paling voortwringende kaartjesverkoper vriendelijk toe, waar het niet mogelijk is hand en beurs te voorschijn te worstelen uit de broekzak. Men heeft mij verteld dat vrouwspersonen bij het verlaten van de tram wel eens platgedrukte kinderen uit een plooi van de sarong schudden, maar dat zal wel overdreven zijn. Is de tram op deze wijze gedevacumeerd, dan is het niet mogelijk door de deuren in of uit te gaan. Maar men vindt zeker wel een raampje, dat nog niet gebarricadeerd is door een zitvlak, waardoor men via een schoot van een geduldig passagier zijn weg kan vinden. Iedereen blijft hierbij vriendelijk en beleefd of maakt goedgehumeurde grapjes.
De man, die door het raampje naar binnenkomt wijst met de duim voorbij mijn schoot, zegt vriendelijk: ‘Permissie, pak’ en ziet kans om met zijn stoffige voeten op een haar mijn broek te missen, terwijl de tram alweer monter klingelend begint te rijden. De acrobaat grijpt af en toe enthousiast in het rond, zet een duimafdruk op een bril en knipt het gloeiende puntje van een sigaret af, maar staat toch eindelijk op het middenpad, d.w.z. op de zware laarzen van een soldaat, die toch niets voelt, zijn neus in de wilde groene geur van Itjih’s haarwrong en zijn wijsvinger gehaakt in de buikband van een Mexicaanse Madoerees, die bezig is een knots van een krètèk te vergassen: de rook valt zwaar en loom neer op een zuigeling, die gelukkig een antitoxine heeft in de continue stroom van moedermelk. Het trammetje huppelt vrolijk verder, zware proeven stellend aan de weer in gebruik gestelde afgekeurde eerste klassewagentjes, waarvan vloer, wanden en banken zich alle vrij bewegen in een eigen rhythme en een eigen dimensie, soms zover van elkaar dat je de illusie krijgt naar beneden te storten tussen de wielen, waar overigens toch wel de meeste en luchtigste ruimte moet zijn.
Overigens schijnt de Djakartase tram of explosief vol te zijn óf met banje veel plaats over. In het laatste geval is het recht gezellig zitten in die tram, ook al schijnt zelfs hier het bedelaarsdom vrije toegang te hebben om U gezegende plaatsen in het hiernamaals te beloven bij het offeren van een beduimeld en bacilrijk dubbeltje. Het nadeel van de tram is alleen, dat je er soms zo erg lang op moet wachten. Dan pik je maar een oplet. Die rijden op Molenvliet in een practisch onafgebroken queue voorbij en zijn meestal ook vol, zij het niet zo demonstratief vol als de trams. Zelfs ellebogen steken er niet uit, hetgeen zijn oorzaak vindt in het geanimeerd ‘tjoekoeren’ van de oplet-chauffeurs, een hobby die berekend is op de precieze breedte van de oplet, maar dan ook om de drommel geen centimeter méér.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 61-62

[Jakarta 6 – Kouwe hoek] 

Tenslotte heeft Oom Djing een aanwensel: hij staat altijd te praten met de handen op zijn rug, de rechterhand geslagen om de linkeronderarm, altijd precies op de zelfde plaats. Op die plaats is namelijk een souvenir uit Oom Djings romantische jeugd in de vorm van een tatoeëring. Voorstellende Eva. Bij het ouder worden – misschien wel bij de verkering met wat later Tante Mien geworden is – heeft Oom Djing geprobeerd Eva aan te kleden. En is hij begonnen met er een broekje op te laten tatoeëren. Maar de artist leverde derderangs (of eersterangs?) werk, want het werd geen stevige bombazijnen broek, maar een fragiel floddertje geraffineerd zwart kant, waardoor Eva van neutraal rechtuit schandalig werd. Daarna heeft Oom Djing blijkbaar geen verdere pogingen gewaagd en zich de armenmanoeuvre eigen gemaakt met feilloze zekerheid.
Over die tatouage duldt Oom Djing geen grapjes. Die is de ‘arsenic’ van zijn ‘old lace’. Maar voor alle andere zaken heeft hij een ruim hart, een royale verdraagzaamheid en een gulle lach. Vooral als hij achter een bel koffie zit. De ‘kouwe hoek’ op Pasar Baru en haar directe omgeving. Krekot en Sawahbesar heeft Oom Djing in zijn zak. De hele dag kan hij daar rondzwerven en hij kent talloze verkopers, betjakvoerders en straatslijpers bij naam. Hij spreekt een mondjevol Chinees en weet daardoor voordelig te pingelen, kan allercharmantst ‘banjol’ (schertsend plagen) met elke verkoopster en weet na de zesde van elke maand (verder reikt Oom Djings zakgeld als klein-gepensionneerde niet) op een listige manier door ál zijn vrienden getracteerd te worden. Overigens is Oom Djing zeer oppervlakkig in zijn contacten. Midden in een gesprek kan hij opeens lawaaierig wuiven naar een passerende betja: “Hé Moein! Kemané? Kesané? Anterin saja dong!” Moein stopt. Oom Djing stapt in en laat zich breed en gratis naar huis karren. Om thuis te beseffen dat het toch niets gedaan is daar, waarop Oom Djing het hele eind naar Pasar Baru terugkuiert, elke verkoper onderweg aanschietend en vragend: “Apè-ni? Berapè!” Maar hij koopt nooit wat.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 65

[Surabaya 3 – Brantas] 

Er is in Djakarta een straataspect dat andere grote steden in Indonesië – althans in deze vorm – missen en dat is de kali als tweelingzusje van de grote weg. Surabaja’s Kali Mas gaat (gelukkig) schuil achter Gemblongan, Kramat Gantung en Semut, terwijl de Brantas aan Gubeng en Ngagel echte royale rivier-allures heeft.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 65-66

[Jakarta 6 – Kali] 

Er is in Djakarta een straataspect dat andere grote steden in Indonesië – althans in deze vorm – missen, en dat is de kali als tweelingzusje van de grote weg. Surabaja’s Kali Mas gaat (gelukkig) schuil achter Gemblongan, Kramat Gantung en Semut, terwijl de Brantas aan Gubeng en Ngagel echte royale rivier-allures heeft. Semarang heeft geen grote rivier dwars door de stad heen en andere plaatsen hebben in hun stadskali heel duidelijk een passerend stukje van een rivier, die ergens vandaan komt en elders heen gaat.
Niet aldus het Djakartase geval dat soms Tjiliwung heet, soms Kali Batawie, soms ‘de smurrie’ of ‘die koffie’ maar eigenlijk hoofdzakelijk bekend staat als het onpersoonlijke ‘de kali’. En dan niet als een vertaling van rivier. Een rivier heeft glooiende oevers, stromend water en bootjes, maar dit specifieke Djakartase sop heeft geen richting, geen oorsprong, geen zin en ligt daar maar gewoon te liggen. Brutaal naast de grote weg. Molenvliet. Noordwijk en Postweg notabene, dus niet in een achterafwijkje. De kali is hier niets anders dan ‘aan de andere kant van het trottoir’ en schijnt dus uitdagend en demonstratief ook aan de andere kant van het ‘netjes uit zijn’ te moeten wezen. In deze kali baadt de Djakartaan net alsof hij thuis achter vier enige muren is met de deur op slot en het knipje erop. Ongegeneerd.
Voor den nieuwkomer is dit een gezicht dat alle buitengewone gemoedsaandoeningen opwekt tussen verbijstering en geoffendeerde preutsheid in. Je hebt baru’s die er direct met het fototoestel op af stuiven, andere weer die er schuinsmarcherend en schuinskoekeloerend langs blijven lopen. Nu zou inderdaad in Europa een stadsrivier, waar Leen en Lien en Pleun zo maar in hun hemmetje een duik in zouden nemen pertinent onkuis en schandalig genoemd worden. Hier moet er dus theoretisch ook iets schandaligs aan zitten. Maar het merkwaardige is nu, dat de Djakartase kali volmaakt nuchter en onbevangen is.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 67

[Jakarta 6 – Kali] 

Vreemd is dat deze kali geen naam heeft, die broederlijk aan de stad verbonden is zoals Rome / Tiber, Parijs / Seine, Solo / Bengawan Solo of Surabaja / Kali Mas. De kali is in Djakarta namelijk geen rivier, maar een aparte geografische en decoratieve gesteldheid, zoals de heuvels van Rome, la Butte in Parijs of het Kremlin in Moskou: het zit er nu eenmaal aan vast en is drager van. een uitgesproken cultureel waarmerk. Hatelijk soms als de neus van Cyrano de Bergerac, maar toch ook ondenkbaar zonder. Het dempen of wegnemen van deze gracht-kali zou Djakarta onherstelbaar verminken en een millioen Djakartanen, wonend achter die dubbele gebouwenring van Glodok tot Antjol toe, wreedaardig beroven van een onvervangbare schat aan gerief en levensgenoegen.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 69

[Jakarta 4 – Kali Goot] 

Het is niet te hopen dat al te precieze lezers met kaarten gewapend aan het corrigeren slaan en fitterig vaststellen wat rivier is en wat gracht. Want dan ga ik vragen wat Kali Goot dan wel is, U weet wel, dat gangetje achter Sawahbesar, iets voorbij het Alhambra-theater. Daar is geen kali en ook geen (open) goot. Even precies vaststellen wat Kali Goot is: een weggetje, waarlangs een overdekte goot met hier en daar een opening, die dezelfde diensten bewijst als de kali, waar men dus wassen, baden, enz. kan. Die goot loopt onder het trottoir, maar omdat er geen scherpe afscheiding is tussen weg en trottoir en er althans ’s avonds niets van te merken is, ontdekt de argeloze wandelaar, die hier voor het eerst van zijn leven verzeild raakt, opeens midden op straat hier en daar een paar poedelnaakte bathing-beauties, en andere badende mans en kinderen. Very, very disturbing indeed. Eerst bij zorgvuldiger oriëntering krijgt men door, waar de straat precies is. En dan is de rest natuurlijk doodgewoon: echt Noordwijkachtig.
Het hoeft zeker geen betoog, dat dit de gezelligste badstraat is van Djakarta, ja misschien wel van de wereld, zo kermisachtig tussen de wandelende nontonners, de saté- en ba’pauw-verkoper, de ijs-stroop en kopi-panas-venters in, bij het schalkse schijnsel van oliepitjes of de indiscrete floodlight-flitsen van een centerlamp. Dat is uiteraard alleen ’s avonds zo, als alle katjes grauw zijn. En er zijn nogal wat katjes daar op Kali Goot. Wie zijn fatsoen lief heeft, kome er niet.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 69-70

[Jakarta 1 – Groote Boom] 

Al de Djakartase kali’s, goten en grachten schuiven heel langzaam naar zee, net als de kano van Paul van Ostayen. Hoe dichter bij zee, hoe langzamer het gaat. Bij Kali Besar schijnt het helemaal niet meer schuiven en dicht bij Pasar Ikan schuift het vaak weer terug. Hier is het water zo op het oog taai-vloeibaar. En zwart. Zoals dodol Depok ongeveer. En de lucht is ‘ondragelijk – als van lijken’. Gelukkig dat hier vaak onbezorgd de ètjèng drijft in brede kraggen van baby-blue, ongerijmd smetteloos op die gore poelen.
Maar is er eerlijk gezegd wel iets helemáál lelijk aan mijn Djakarta?

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 71-72

[Jakarta 5 – Harmonieplein] 
[Jakarta 5 – Toeristen-organisatie] 

Hoeveel tienduizenden mensen komen er dag in dag uit langs en hoe weinig zien het eigenlijk maar, dat Harmonieplein, en toch is het op zijn eigen manier een heel typisch Djakartaas plekje. Misschien ook al omdat het eigenlijk helemaal geen plein is, alleen maar toevallig een heel grote lap asfalt, omdat zoveel belangrijke straten elkaar hier kruisen of in elkaar overgaan. Zoveel in feite, dat je als straatslijper al de waakzaamheid van je gemobiliseerde zintuigen en de reactie-spierkracht in je onderdanen paraat moet houden als je oversteekt. Er zijn veel trams, die verschillende kanten uit kunnen gaan en die je het niet aan kan zien welke kant ze op willen. Ze kijken alsmaar star voor zich uit en opeens gaat er eentje rechtsaf en retireer je alweer naar het trottoir en als je denkt dat de volgende ook rechtsaf wil slaan en je beleefd wacht, gaat-ie toch maar weer gezellig links uit de flank met z’n blootbenige mensenfranje. En ondertussen komt er alweer een auto-processie uit de Rijswijkstraat en sta je maar weer te staan. Daar op die hoek van de Nitour. En je krijgt in de gaten dat die nauwe koker naar Petodjo toch maar een gevaarlijk verkeersspuitertje is, waar van alles in gaat en van alles uitkomt.
Wat erin gaat, gaat er meestal met een desperate snelheid in, want dat heeft daar op de hoek voor de Harmonie al zo lang knarsetandend staan wachten tot de parade van Tanah Abang af voorbij is. En komt er een gaatje vrij, dan springen auto’s, betja’s fietsen en motorfietsen als de weerlicht vooruit. En wie let er dan nog op een sjofele Tjalie die met z’n ene been nog op het trottoir staat en met het andere zowat in het graf? Het verkeer dat uit Djaga Monjet komt, is over het algemeen niet half zo snel, maar dubbel onbetrouwbaar omdat het de neiging heeft om – uit de nauwheid ineens in de wijdheid komend – breed uit te waaien. Zit je eenmaal ergens in die waaier, dan sta-je daar maar te tandakken om je lieve leven te sparen en je dankt de hemel dat iedereen het zó druk heeft met zichzelf dat niemand nog tijd heeft om op levende wajangpoppen te letten.
Ben je eenmaal veilig bij de taxi-standplaats aan de zijde van de spaarbank aangekomen, dan ga je toch ernstig bij jezelf te rade of het nog wel wenselijk is om de kant op te gaan van Noordwijk.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 73-74

[Jakarta 5 – Mercurius] 

Never mind, een halve minuut later heb je nog steeds de sloffen aan je voeten en staat aan de voet van Mercurius, die daar toch maar lekker bloot, alleen met hoed op, in de middaghitte staan mag, al een uitdrukkelijk voorbeeld hoe de ideale klederdracht in de tropen zijn moet. Maar wie heeft daar nou ooit notitie van genomen?
Van Mercurius af heb je in elk geval een mooi kijkje op dat Harmonieplein met z’n statige rimboe-achtergrond van Djaga Monjet met z’n heerlijke hoge kanariebomen en z’n vier geplukte palmen. En op dat heerlijk onverstoorbare gebouw van de Harmonie met z’n plechtig gesloten façade en z’n beschildering in kameleon-groen. [...]
Je weet het ook direct: het Harmonieplein staat en valt met dit gebouw, want al het ander is zo karaktervol niet. Niet de Spaarbank, die er wel erg onpopulair en evident ‘niet lakoe’ mistroostig over het plein staat te koekeloeren als een corpulente invaller, die invaller blijven moet. Niet het Hotel des Galeries, dat maar niet op een hotel wil lijken en met z’n beduimelde platgedrukte galeries ook het tweede deel van z’n naam geen eer wil aandoen, en schijnbaar alleen maar dient als ruggesteun van sigarettenverkopers en lanterfanters. Wat zeg ik? Lanterfanters? Op stap maar weer met een buik, die kroejoek-kroejoek zegt en met een laatste spottende blik op de spandoeken boven de grachten, die het daar in al die wijdsheid toch lekker niet doen met hun brutale gebler.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 75

[Jakarta 5 – Soos] 

De ouwe vrije inkijk in de Harmonie met z’n licht en z’n luchters is er nu niet meer. Nu ligt daar alleen nog als mausoleumpje het voorportaal met z’n duizend slapers, want vele zwervers komen hier in de avonduren asyl zoeken en liggen in een wonderbaarlijk mozaïek op de marmeren tegels: een horizontaal schilderij van oorlog van Goya; er brandt een mat licht en de klok kijkt vol mededogen op de slapers neer.
Ook de andere vleugel van de Harmonie staat daar te maffen op z’n post met uitzondering van de lichtrechthoek achter de porte-cochére, waar altijd een escorte staat van ballonnenverkopertjes met hun grote bonte-ballonbomen. Soms komt er een statig echtpaar uit, dat imposant de trappen afdaalt en in een wachtende limousine verdwijnt, soms drie heren in black-and-white, die samen in één betja’tje stappen, de middelste op twee halve schoten. Ze zitten zéér recht en kijken als Haile Selassié in z’n staatsiekoets. Dat is heel mooi.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 76

[Jakarta 5 – Des Galeries] 

Verder ligt dat plein daar zó rustig, zó koel staalblauw in het licht van de Melkweg en een bros maansikkeltje, dat je de magere zwerfster benijdt die daar soms tegenover Hotel des Galeries ligt te slapen, dwars over het trottoir, aan de noordzijde afgeschermd tegen de koude zeewind door een krandjang en wat flarden bordpapier, onder een armetierig stukje vod en drie kleine maansikkeltjes in de donkere vlek van haar gezicht: twee van het wit van haar oogballen, één van de gave boventandenrij in haar vragend openstaande mond. Ze ligt daar (net als wij in krijgsgevangenschap) middenin het hartje van twee ‘ontzaggelijke schalen van lucht en aarde’. Ik weet: als ze middenin de nacht wakker wordt, ziet ze in één weifelend moment tussen droom en werkelijkheid de majesteit van de nacht, die alleen voor zwervers is. Dan rolt ze zich huiverend tot een bal ineen en wordt pas weer wakker als de morgenster aan het verschieten is en de lucht die curieus oud-rose kleur heeft, die in deze landen de vaste overgang is tussen het pauwblauw van de nacht en het gegolfd-plaatijzer-hel van de dag. Dan wordt het weer tijd om de vodden en biezen te pakken, want dan is het Harmonieplein weer voor ons, mensen van vaart en tempo. En het plein is alleen nog maar een draaischijf op de kruising van de harde stijve railbanen naar ons geluk.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 103

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Er waren twee soorten vliegers, de vecht- en de kunstvliegers. Onder de laatste waren wonderwerken van constructievernuft. De Indonesiër vindt naar mijn mening in de vliegerbouw zijns gelijke niet. Op de Pasar Gambir werden wel eens van die kunstvliegerwedstrijden gehouden, die duizenden belangstellenden trokken van heinde en ver. Overigens bestond er een ongeschreven wet en erecode om nooit met een vechtvlieger een kunstvlieger aan te vallen. Er waren vechtvliegerkampioenen die wijd en zijd vermaard waren als koning der lucht of djago sapu langlit (kampioen hemelschoonveger). Er was er één achter in Laan Solitude op Meester Cornelis, die met zijn kleine witte lajangan sinting in één middag de halve lucht boven Meester Cornelis volmaakt schoon kon maaien.
Wij aanbaden die kleine magische ruit, ongetwijfeld de Eddie Polo van het universum.
Waar is die tijd gebleven? Waar die vrolijke en sensatievolle vliegerlucht boven een wapperend Batawie? Waar dat betoverende fluiten om wind uit de hemel te lokken en waar de lidi’s met bawang en tjabee op het dak om de regen weg te houden? Een stuk leven is weg, een stukje waarachtig Indonesisch leven dat door geen duizend moderne importvermaken vervangen kan worden. Bij het denken daaraan pinkt onbeschroomd een dikke traan uit elk oog Uw dienaar (ex-boewaja lajangan met de zwaarden): schrijver dezes.

Robinson – Piekerans van een straatslijper I, 106, 109-110

[Jakarta 3 – Blandongan] 

Ook Pah Wongso heeft practische zin. Hij draagt die alleen maar uit tot ver buiten de grenzen van zijn huis. Hij ontfermt zich over hen die in nood zijn, oud of jong, arm of rijk, Indonesiër, Chinees of Europeaan. Zijn practisch inzicht heeft Pah Wongso ertoe gebracht de Indonesische nationaliteit met overtuiging te kiezen. Zijn practische zin heeft hem zijn domicilie doen kiezen in de wijk waar het meest te doen valt. Hij heeft alle onnodige omkleed- en verkleedpartijen afgeschaft en loopt in pyama rond en op sloffen, netjes, proper en gemakkelijk. Zijn huis is door alle sociale welzijnsterreinen, waarop hij zich beweegt, een zonderlinge combinatie, van polikliniek, school, internaat, kantoor en woonhuis. Het is een oud Chinees huis, dus van het hacienda-design ongeveer: vertrekken plus verdieping gebouwd rond een soort hofje. Alles is tjok en tjokvol, maar op zijn plaats en zindelijk. Een tocht naar het kantoor van Pah Wongso, helemaal boven, leidt door voor- en achterportalen, neven- en bijvertrekken, trappen met spreuken beschilderd, een verweerde houten pop als een oud boegbeeld, een veranda met vogelkooien en een formidabele kaka om tenslotte te eindigen in een tafels-, stoelen-, paperassen-, maskers-, hoeden- en Babylonische verwarringsmassa, in het midden waarvan Pah Wongso gedoken zit als een oude, wijze kraai. Maar echt Oud-Indisch gastvrij, vriendelijk en spraakzaam. […]
Pah Wogso’s practische zin blijkt uit duizend en één kleine zaken, in het oog van ons, nuchtere en verstandige mensen, soms zeer lachwekkend. Zijn woning staat aan Blandongan, een smal en bochtig straatje aan een vieze gracht, waarvan in de Jappentijd de ijzeren leuningen verdwenen zijn. Er loopt ’s avonds in het pikkedonker dus wel eens een sinjeur het water in. Daarom heeft Pah Wongso op zijn balconnetje een lang eind touw klaar liggen, een spotlight van een auto, een alarminrichting (autowiel plus ijzeren staaf) en een scheepsroeper om bij de reddingspogingen aanwijzingen te geven. Pah Wongso is m.a.w. het geweten van de straat.
En van die gracht: het water ervan is liederlijk smerig en zo maar lijdelijk toezien dat de kleine man hier zijn rijst en z’n kleren wast, dat kan Pah Wongso niet. Dus heeft hij een soort drijfboom laten maken, bestuurbaar met touwen, die het aandrijvend vuil wegdrukt naar de overkant. Natuurlijk is niemand hier erkentelijk voor, Pah Wongso is de eerste die toegeeft dat de arme schobber haast van nature een viezerik is, aangezien hij zijn eigen inzicht en beschaafdheid als criterium van verantwoordelijkheid stelt, doet hij wat van hem als zedelijk mens verwacht kan worden, nadat verzoeken bij de autoriteiten om afdoende afwateringsmethoden gefaald hadden. ook al omdat dit afwateringsprobleem voorshands onoplosbaar is.
[Pah Wangso (L. van Wijnhamer) Volkspropagandist, Blandongan 20.]

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 123-124

[Jakarta 6 – Kanaal] 

Ongeveer in het jaar 1936 reed voor het eerst een voertuig door de toenmalige Bataviase straten, dat de lachlust en goedmoedige verbazing van de toeschouwers wekte. Die eerste betja had geen open bak, maar een soort houten doosje zoals nu nog de opelettes hebben. Er konden drie opgevouwen volwassenen in of vier tot vijf kinderen en het voertuig werd vaak aangezien voor en aangeroepen als een martabakverkoper. Men vond het geval wel aardig om te zien en sommige ouders hadden er een kwartje voor over om hun kroost een draaimolentourtje te laten maken in die bokkenwagen. Andere Djakartanen keken nadenkend en fantaserend toe. En probeerden ook wat. Weliswaar reed deze eerste betja tenslotte van de Kartiniweg af het Gunung Saharikanaal in, maar de inzittenden verdronken nèt niet en als reclamestunt hielp dit ongeval de algemene namaak te bespoedigen.
In het eerste jaar droegen al deze bouwpogingen evident het karakter van proefnemingen. Ongeveer zoals met vliegtuigen en soms even fataal. Maar de Djakartaan had schik in het geval. Het maken van een ritje met een betja werd een soort sport. Betjakerels hadden, ondanks het hoonlachend commentaar van de sadokoetsiers, vrachtjes genoeg om hun vehikels grondig uit te proberen. Op de eerste plaats immers moest gezocht worden naar de ideale toepassing van aerodynamische en andere wetten voor een juiste krachts- en evenwichtsverdeling. De eerste betja’s kieperden nogal gemakkelijk om in de bocht, verloren op critieke momenten te gemakkelijk de remblokken waarbij dan gillende passagiers en vehikel zelf verloren gingen in “het geraas der massa”, zoals Bolland het zo mooi zegt, terwijl William Boyd met een fantastische sprong het leven altoos wist te redden, en tenslotte zakten zij met een zware last in een te scherpe bocht weleens met een zielige zucht door de opvouwende wielen. Daarbij leden de betja’s evenals radium aan de mysterieuze eigenschap van spontane uiteenvalling.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 130-131

[Jakarta 5 – De brug] 

Dat wil natuurlijk nog niet zeggen, dat met een weinig ‘christelijkheid’ alle betjavlegels bekeerd kunnen worden. In feite is immers de betjakerel (naast de gewone fietser) de ergste violateur van verkeersregels. Hij rijdt op Molenvliet West constant tegen de draad van het verkeer in, heeft maling aan het oversteekverbod van Noordwijk naar de Citadelweg op de speruren, waagt regelmatig gokjes met voorrangsregels en baadt ’s avonds spiernaakt aan de Sumber Aer Untuk CPM aan de Theresiakerkweg onder het bordje Dilarang Mandi Disini. Hij heeft de gewoonte om op hoeken, bochten en bruggen op klantjes te wachten. Hij maakt plotseling een draai op straat of steekt over, terwijl de auto al te dichtbij is, zodat de chauffeur zich met zijn rempedaal door de bodem van zijn auto boort en met zijn tanden in de claxon, terwijl inzittenden van beide voertuigen huppelende harten krijgen. Hij heeft kortom zoveel gebreken, dat je hem het liefst zou willen vermoorden. Maar dan hoor je zijn pathetisch hijgen in je nek, soms schrapen of zelfs reutelen, en ook al weet je dat 50% daarvan overdreven is en dient om extra kwartjes los te peuteren van barmhartige passagiers, je hebt toch wel respect voor deze taaie en dienstbare kerel die altijd een vrachtje rijden wil, in de smerigste hitte van twee uur of in de vervaarlijkste westmoessonstorm.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 139-140

[Jakarta 4 – Brillen] 

De tweede bril ontmoette ik een eind verder op naar de Kota, voor den antiquair Polim; die bril was zeegroen en gevat in een rose plastic montuur, prijkte op een door pokputjes geteisterde neus en koesterde zich behaaglijk in de schaduw van de brede rand van een zeer oude Borsalino. Met deze gentleman – gestoken in een flanellen pak en bruin-en-witte combinationshoes – kwam ik in lijfelijk contact omdat hij me plotseling in de weg trad met nog een bril in de hand en de woorden: “Tjoba ini, toean, tjoba ini!”
Of ik de aangeboden bril eens wou proberen, een juweel meneer, met gouden montuur en zeiss-nectar glazen of zoiets. Ik trad glimlachend terug, wijzend op mijn eigen zonnebril, maar die wuifde de gentleman zowat van m’n neus met een kleinerend gebaar, want hij was brillenverkoper en hij kon dus in één oogopslag zien, wie een bril nodig had en wát voor een bril.
Om hem te plezieren nam ik de bril dus maar aan, zette m’n eigen donkere bril af en haakte het nieuwe toestel op. Een dubbele schok – van verbazing en van ontroering – voer door me heen. De wereld was rose, van een sprookjesachtig teder rose, en zij was meteen dezelfde wereld van tientallen jaren terug, toen ik gehurkt bij een vuilnisbak met extase door scherfjes gekleurd glas de wereld in blikte. Ik was vertederd en ik voelde een ongekende, prille en nieuwe opwinding, waarvan ik niet geweten had dat zij zich nog meester kon maken van dit door verstand en wijsheid vermolmde lijf. En enthousiast paste ik nu ook de andere brillen. En zag Gadja Mada en Hajam Wuruk achtereenvolgens wegdromen in maanlichtblauw, verzinken in een smaragdgroene oceaan, verdoemen en verbranden in flakkeren oranje en verpaarlemoeren als een landschap op een Japanse lakdoos in verliefd lila. Zo werkte ik alle gekleurde brillen af, telkens toch weer in peinzende afkeuring het hoofd schuddend als ik de bril afzette, om de verkoper niet de illusie te geven dat ik ok werkelijk kopen wou.
De Borsalino-man begreep er niets van. Hoe kon het bestaan dat meneer er geen hemels genot aan beleefde? Ahaaa! De oplossing van het raadsel lag nota bene bij de hand. Hier, probeer deze gewone bril eens. Nou, vooruit dan maar. En opgewekt deponeerde ik een in gouden montuur vervat apparaat met blikkerende lenzen als van Sherlock Holmes op mijn gewillige neusbrug, waardoor Molenvliet op slag ineenkromp tot een peuterig Gulliversstadje en ikzelf ineenkromp en gauw de krimp uit m’n ogen wegrukte. Grutte, hoe kon hij zich zo vergissen. De brillenbaas lachte sonoor als de Graaf van Monte Christo, ritste met de rechterwijsvinger langs zijn blauw fluwelen doos met brillen en pikte dan een ander luxevoorwerp, ditmaal een Senatorsbril met zeskantige glazen en een wasknijper voor het neusbeen. De knijper hapte zich vast aan m’n neuswortel en meteen zwom Djakarta onder water weg in een dronkemanswaas, waar ik duizelig van begon te zwaaien. Weer mis! De Borsalino redde het lorgnet nog voor het zich spontaan van mijn aangezicht losmaakte, mikte het met een elegante zwaai in de daarvoor bestemde gleuf en pakte een knoert van een zeeschildpad beet, waarin twee kleine, dikke voeten van jeneverglaasjes, maar ook dat was mis. Die werkte als autospiegel achteruit. Weer een andere bril fourneerde twee wijd divergerende stereoscopische beelden van de stad en nog een andere verkleinde man van hoed tot middel en daaronder was alles groter.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 147

[Jakarta 6 – Sectie III] 

Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij, “Menir Robinson, menir Robinson!” roept een verheugd gezicht in de tram. Behalve dat het toch wel prettig is om in deze democratische tijd niet door iedereen voor ‘boeng’,’saudara’ of ‘pak’ versleten te worden (want ik ben meneer, nondeju, al heb ik een armeluispakkie an), is het dubbel prettig om geinviteerd te worden toch maar binnen te komen. Het is namelijk Kemplang, die het zegt. Hij noemt zich ook wel Mohamad Noor Sjafei dari Singapoer, maar dat geloof je alleen maar de eerste tien minuten. Verder is Kemplang gewoon een badjingan first class, beurtelings chauffeur, kaartjescontroleur, verkoper van gouden tandschuifjes, makelaar, militair, mandoer, tot moendoer in het arrestantenhok van Seksie Tiga, waar hij negen van de tien wandelingen op Pasar Baru met een onvrijwillige opsluiting beëindigt. Kemplang is een man met vlug verstand en vlugger vingers, maar verder doet hij geen vlieg kwaad (waarom zou je in hemelsnaam een vlieg kwaad willen doen!) en is zo eerlijk als een eind hout. Kemplang maakt plaats voor mij door met zijn zitvlak schuierende bewegingen te maken over de bank, links en rechts de medepassagiers wegdrukkend onder enthousiaste aanmoedigingen: Duduk tuan. Numpang dong, Ijah! Trima kasih, Haa. Silahkan duduk, tuan. Numpang dong! Ik hoef toch niet door te blijven gaan met gèsèk van mijn dure broek. Haaa!

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 159-160

[Jakarta 6 – Scheergelegenheid] 

De buitenbarbiertjes waren heertjes, die naar hun werk togen met doktersvaliesje of leren handkoffertje in den hand en met een plank onder de arm. Op het plankje was geschilderd “Salon de coiffeur”. Dat bordje werd op de boom gehangen, waar ook het tafeltje kwam te staan met het servet, de scharen, scheermessen, tondeuzes, de crême-potten en de botol-semprot. Een stoeltje erbij, een spiegeltje aan de boom en daar had je het salon. Af, meneer! Spot niet met deze asemboomcoiffeurs.
Want daar waren puikbeste knippers bij. Je had er vroeger veel en veel meer dan nu. Er was geen straat met schaduwbomen of je vond er minstens één barbier. En omdat de meeste schaduwbomen destijds asembomen waren, heetten deze coiffeurs asemboombarbiers. En omdat alles wat nederig is, automatisch verward wordt met slecht, meende men dat het waarmerk voor slecht haarsnijden “knippen onder de asemboom” was. Zoals gezegd: dat is fout en menige oud-gardist zal uit ervaring kunnen getuigen dat er onder deze asemboomartisten werkelijke kunstenaars met de schaar waren.

Robinson – Piekerans van een straatslijper, 160-161

[Jakarta 5 – Secretarieweg] 

Want al liet men zich dan niet onder de asemboom aan het Waterlooplein knippen, men liet deze knipper toch wel thuis komen. Zo waren er heel wat barbiers die op gezette dagen in de maand vaste adressen afliepen. Deze heren waren allemaal ‘doeloe assistèn Wolff’ zoals elke snijder op de pasar zich ‘doeloe koepir de Koning’ (voorheen coupeur van De Koning, Batavia’s chiqueste herenmodezaak *]) noemde. Het was weliswaar niet waar, maar dit leugentje werd pour acquit de conscience altijd graag geaccepteerd.
Onze huisbarbier was Djoefri, een klein uitgedroogd mannetje met een Madurese snor, een wrat met twee lange heilige haren op de kin, een hoofddoek plus een schuins op het voorhoofd staande helmhoed, een wijde kebaja en een nauwe gekreukte broek, deftige sandalen en een knipkoffertje. Hij was zwijgzaam en efficiënt. Er werd een stoel in de gang van de bijgebouwen gezet en achtereenvolgens namen de Robinsonnetjes daarop plaats en werden gekortwiekt, terwijl de anderen toekeken en met karètjes mikten naar angstig vertrokken maar onbeweeglijke gezichten en moppen tapten en bangmaakten met opmerkingen als: Adoeh, te veel deraf, seh!” of “Pas op, jouw oor hij knip!” Soms moesten we ook even bij de buren vragen of daar behoefte was aan een grote schoonmaak en kregen Jantje, Felix en Keesje van links en Mausje, Wiewie, Pang en Adé van rechts naast ons ook een beurt. Na afloop moesten de Robinsonnetjes van hun Ma het hoofdje wassen met carbolzeep om te voorkomen dat wij van de buurjongetjes luizen of hoofdzweren overkregen. En ik vermoed dat dezelfde voorzorgsmaatregelen ook wel bij de buren werden genomen.
De barbiers uit die dagen waren allemaal well-gegroomed, ze onderscheidden zich van andere levende wezens door enigszins krakerig-stijve bewegingen, een dokterstasje, terompa’s of sandalen, een lang sigarettenpijpje en een zakhorloge. Het waren achtenswaardige mannen, die zich nimmer haastten en weinig praatten. Als ze het wél deden, praatten ze met vriendelijke, geduldige stem. Bij hun werk speelde de tondeuze een ondergeschikte rol. Het knippen met de schaar was De kunst. Nimmer happensmoe flitste en snapte het ding door de lucht, capriolen makend als een dartelende vlinder, af en toe in sublieme duikvlucht neerstrijkend op de pruik om met coquette, artistieke hapjes fracties van millimeters af te happen om dan glorieus snappend weer op te stijgen in het luchtruim. De kam werd in de onderhandse greep vastgehouden, elegant en liefkozend.
[* De Koning, coupeur, Noordwijk 17].