Borel – Wijsheid en schoonheid uit Indië, 88-91

[Jakarta 2 – Rama] 

Want vóór hen staat de gamelan bereid, en vlak vóór de pendóppo zit de ‘dalang’ en de houten kist met poppen staat naast hem, waaruit hij straks vertoonen zal. Eenvoudig is zijn tooneel, als het publiek. Een lange, horizontale pisangstam, waar hij de poppen op zal prikken, anders niets. Er is geen scherm, er zijn geen coulissen, geen decors. Want al het decor is in de fantazie van de toeschouwers, véél mooier dan het ooit zou kunnen wezen in Bayreuth of Parijs. Een klein, op een bamboe-waaier gelijkend, in den vorm van een boom uitgestoken stuk leder stelt alleen een bosch voor.
Dit lijkt al te primitief, haast kinderachtig! Maar stel u nog eens voor uw eigen fantazie van vroeger, als kind, toen uw moeder u vertelde van den wolf en Roodkapje in het bosch ! Záágt gij toen niet het donker avond-mysterie, geheimend tusschen de zware stammen, en hóórdet gij niet het ruischen door sombere blader-kronen van den wind?
Met deze fantazie van kinderen droomt de simpele inlander zich het decor, met zijne gloeiende, oostersche fantazie, die zèlf wonderen schept en géén aanvulling van buiten behoeft. Zij wachten, wachten in spanning, de groote, donkere kinderen in blauw en geel en rood en groen, – in héél veel groen vooral, de tintelende Preanger kleur, – want straks zal het tooneel, zal het verhaal beginnen ....
Tot – kling-klang ! – klinkt óp het gamelan-gezang, en de dalang heft omhoog de pop, de pop die dor en dood leek in de kist en nú eensklaps óprijst in het avond-licht met haar fijn, gevoelig goden-gezicht. En het is of een electrisch fluïde door het lichaam rilt van dat schijnbaar levenlooze wicht, het richt zich óp met het gebaar van een god, lijnen ombeven het liefelijk als een melodie, en werkelijk, als is 't slechts door een enkel touwtje bewogen, beweegt het, statig en voornaam als een levende schoonheid, door de spanning gestuwd van een ziel ....
Dit is het groote wonder van de wajang, dat het aan levenlooze, dorre poppen de lijning en het gebaar geeft van een levenden mensch, van een levenden God somtijds, door een schoone ziel bewogen.
Hoe wonder, het ijle, schaduwfijne profiel van Ardjoena, zooals het te beven schijnt van teêrheid in het avondlijke licht, hoe gevoelig het óp-, het zachte neêr-gaan van zijn arm, het éven òmwenden van zijn goddelijk hoofd, het bloeme-ranke lijnen-rhythme van zijn lichtbewegend lijf ! Ardjoena ! Heil den held, die allen overwint, den eeuwig jeugdigen jongeling, voor wien alle maagdenzielen zich ontplooien, wien alle zachte maagden-lichamen genegen zijn, als bloemen naar de goudene zon !
Zóó was het simpele, primitieve spel begonnen van den dalang met zijn poppen, die hij allen, als electrisch, tot levende wezens maakt. En die houten en bamboe dingen worden helden en maagden en goden, worden geesten en duivelen en monsters, levend met de ontzettende realiteit van groote tragiek en hooge komedie, die de indische volksziel voelt met de fijne intuitie van haar oostersche mystische fantazie, die zèlf mede-speelt en jubelt, en weent en juicht met de helden en heldinnen, op-lijnend en gebarend onder de droome-muziek van het gamelan-geklang.
Daar kwamen zij, Ardjoena, de goddelijke, en Rama, de verschrikkelijke, en de narren en monsters, Petroek en Tjepot, en zooveel anderen, en doodstil, in uiterste spanning van verwachting zat het kleurige Soendaneesche volk van kinderen te luisteren en te aanschouwen, en zag geen poppen, en geen pisang-stam en geen touwtjes, maar zag donkere oer-wouden en verre vlakten en schuimende rivieren, waar goden schreden met grandioos gebaar, en helden hieven hun gouden speren, en monsters sperden óp de rookende reuzen-muilen, scherp-tandig, ziedend van vuur ....
Wat Europeanen, heeren en dames in de pendoppo, zij zaten te kijken, en glimlachten genadig, en vonden het wel wat kinderachtig, die poppen, en die touwtjes, en al dat gedoe. Want niet voor hen is het simpele, primitieve gemoed van kinderen, en voor het glorieuze, gloeiende Oosten alleen is het sprookje, en de vlammende verbeelding, en de extaze, die wonderen schept uit Niets, en de droom, en nógeens de droom, en de droom....

Borel – Wijsheid en schoonheid uit Indië, 157-158

[Yogya 1 – Expositie] 

Zóó, in een toko, lijkt zoo’n pop wat gek, de uitdrukking bizar en grotesk.
Maar kijk nu eens in dat schemere licht van den avond-nacht naar het fijne profiel van dien ranken prinsessen-kop; hoe het uitkomt met teêre, om te bréken gevoelige lijntjes, zóó als spitse bladeren staan in de atmosfeer, zooals bij heel ijle lucht in de verte lijnen van heuvelen. In dat profiel leeft de ziel van de prinses, en dááraan kent het inlandsche publiek haar, voelt het den stijl van haar voelen, den adel van haar natuur. En nú zie ik nog maar alléén het profiel, fijn als een schaduw in den nacht. Maar nú gaat de dalang zijn hand bewegen, die hij onder de pop houdt, en trekt hij aan de touwtjes. En als door een aetherisch, electrisch fluïde komt er leven in de pop. Een arm steekt zij uit, o! mooi! mooi! met een gebaar, nobel en teeder als het ópgaan van een melodie, en het lijf beweegt zacht vooruit met een langzaam golvende lijn, alsof een wijze ziel het voortstuwde ...
Op géén europeesch tooneel, in Londen niet, in Parijs niet, heb ik ooit een prinses zóó zien bewegen als deze simpele wajang-golek-pop, schaduwend in den nacht.
Langzaam schreed de prinses geruischloos door de lucht, en haar teêre gebaar werd gedragen door het rhythme van de zacht kling-klangende gamelan, onder het héél even weenend opzingen van een vage rebab-viool ...