Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 17-18

[Jakarta 2 – Kanon] 
[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

Twee vakantiemaanden lang wist ze al dat hij naar hun huis zou komen, dat aan de rand van de stad lag met daarachter velden en kampongs. In het grote oudindische huis met het uitgebreide erf stonden altijd gastenkamers leeg. Hij zou waardigheid en geheimzinnigheid in het open, strak ingerichte huis brengen. In de straten zou hij geen paard meer kunnen rijden, maar misschien zou zijn vader een fiets voor hem kopen. Ze zouden naast elkaar rijden, één hand op de schouder van de ander, de andere hand los van het stuur. Zo zouden ze snel, zeker en met wapperende haren, dwars door het stadsverkeer glippen. Een goede kamer zou ze hem geven. Ze zou hem ook de stad te laten zien. Samen zouden ze langs de oude Jacatraweg fietsen en hij zou staan te kijken van het doodshoofd van Pieter Elberfeld, dat stond te grijnzen op een muurtje langs de kant. En van het kanon bij de Amsterdamse poort waar de inlandse vrouwen bloemen neerlegden en waar ze soms even op gingen zitten als ze, geen kinderen kregen en dat wel wilden. Het was een fallussymbool, had een vooruitstrevende docent op school verteld. Ze zou het Khan uitleggen. Ze wist wel zeker dat hij die dingen in Soember Atti niet kon leren. En elke middag zouden ze fietsen over Pasar Baroe of ze zou hem de Roemah Gadjah laten zien, waar in de tuin een grote koperen olifant stond, een geschenk van de koning van Siam aan de stad. Er waren brede lanen en heel speciale plekjes aan de rivier de Tjiliwoeng, die je overal onverwachts tegenkwam, omdat hij op zo'n wonderlijke manier door de stad kronkelde. Ze zouden zwemmen in het Tjikinibad of in Mangarai. Ze zouden veel. Toen kwam hij opeens en toch nog eerder dan Janthe had gedacht.

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 89-92

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

Tijdens de tekenles zag ze dat hij zich met meer aandacht dan gewoonlijk over zijn papier boog. In het tekenlokaal zat hij ver van haar af Maar zodra ze even opkeek van haar werk, merkte ze dat hij in haar richting staarde. Aan het eind van het lesuur liep ze naar hem toe, omdat ze er zeker van was dat hij iets tekende dat een antwoord moest zijn op haar tekening. Maar toen hij haar zag aankomen, schoot hij met een ruk overeind, keek even nog vertwijfeld naar zijn papier en scheurde het toen in stukken.
‘Jammer zeg,' zei ze.
Maar hij schudde zijn hoofd. 'Beter anders,' zei hij. Bedoelde hij dat letterlijk of was het een verwijzing naar het onderschrift van haar tekening?
‘Kom vanmiddag bij de Citadel,' fluisterde hij.
‘In het park?' vroeg ze verbaasd.
‘Ja, in het park, om vijf uur.'
Ze had nog nooit een afspraak gemaakt met Iskander. Ze had hem wel eens bij zich thuis uitgenodigd, maar hij had geweigerd om te komen. Zo deed hij dat bij iedereen. Hij vroeg niemand bij zich thuis, hij wilde ook niet bij anderen komen. Hij kon uitgelaten meelachen met de hele klas. Hij was nooit een buitenstaander, zolang hij in het schoolgebouw was of met de anderen praatte en voetbalde op het erf om de school heen. Na schooltijd, als iedereen afspraken begon te maken, trok hij zich terug. Hij reed weg op zijn fiets, voordat iemand hem volgen kon. Als hij laat was, bleef hij nog meer treuzelen, totdat iedereen weg was. Soms zag je hem de schoollaan uitfietsen en haastig naar links afslaan. Maar even vaak sloeg hij rechts af. Hij reed als een razende bij iedereen vandaan en niemand wist waar hij woonde.
'Rij even met me mee naar huis,' zei ze. 'Ik wil wel, maar we moeten goed afspreken.'
Ze probeerde zijn mouw te grijpen, maar het was het laatste lesuur geweest en hij was al op weg naar buiten.
‘Iskander,' riep ze.
Hij sprong op zijn fiets. Hij was al een eind weg. Hij stak een hand omhoog met vijf uitgespreide vingers en een vragend gebaar.
Ze knikte. 'Goed dan. Om vijf uur. Bij de Citadel,' zei ze hard op. Hij kon het natuurlijk niet meer horen. Toch moest het uitgesproken worden.
Diezelfde middag, na het slapen, na het baden en theedrinken in de voorgalerij, nam ze haar fiets. Haar vader was nog niet thuis. Er was nooit iemand die lette op wat ze wel of niet deed behalve in de periode dat tante Emilie kwam logeren. Maar die kon niet goed met haar broer opschieten, zodat er al gauw ruzie kwam en tante Emilie na een paar dagen weer haar koffer pakte. Dan verdween ze in een sado, terwijl ze heftige dreigementen uitte die te maken hadden met de op handen zijnde verloedering van de dokter en zijn dochter. Tante Emilie was netzomin als haar broer gewend haar gedachten aan te bieden in een zachte verpakking. Soms was het wel leuk, vond Melissa, die ruzies tussen volwassenen. Ze schreef de onbekende scheldwoorden op en gebruikte ze te pas en te onpas op school, waar ze er respect mee afdwong.
Tante Emilie was er echter op dit moment niet. Haar schelle stem kon niet naar het huiswerk vragen of verlangen dat Melissa witte sokjes zou aandoen inplaats van met blote voeten in sandalen de straat op te gaan.
Ze reed langs het paleis van de gouverneur-generaal aan Koningsplein Noord, ze nam de Citadelweg en draaide het park in waar de resten van het oude fort half onder struiken en bomen bedekt lagen. Ze stapte af. Het was nog geen vijf uur.
Dicht bij het fort ging ze op een bank zitten. En meteen hoorde ze de melodie. Het kwam van de andere kant van de struiken. Het was een fluit waarop iemand een primitief wijsje fantaseerde. Er was iets beklemmends in dat wijsje. Soms klonk het vrolijk, hoopvol en warm. Maar opeens werd een keel dicht geknepen en iemand hijgde in doodsnood. Zo ging de melodie verder met het terugkerend thema van de grote tegenstelling, het verlangen, de veiligheid aan de ene kant, de onmacht die te bereiken aan de andere kant. Melissa had niet veel verstand van muziek. In de hitte van de kustplaats was het moeilijk een piano of zelfs een viool te beschermen tegen het vocht en de witte mieren, die zich in een nacht tijd door elke houtsoort heen konden graven. Haar vader luisterde zelden naar muziek. Als hij thuis kwam, wilde hij rust, geen geschetter aan zijn hoofd, zei hij.
Melissa had een vaag vermoeden dat muziek niet voor iedereen geschetter was, maar elk muzikaal gevoel ontbrak hem en hij kon het dus ook niet aan haar overdragen. Ze was gewend aan de uitgebreide huisbibliotheek. Ze wist voor haar leeftijd veel van literatuur. Er waren thuis veel boeken over schilderkunst, maar muziek kende ze vrijwel alleen uit de kampongs. Ze hield van de gamelan. Soms stond ze te luisteren, als in de oudindische huizen iemand in pyjama in de voorgalerij zat en vage melodieën tokkelde op een gitaar. Deze muziek leek op de muziek van de gamelan en had ook iets van het melancholieke van de gitaar. Toch was het anders. Dit is zijn tekening, wist ze opeens en toen de melodie ophield riep ze: 'Iskander?'
Hij kwam verlegen te voorschijn, de fiets aan de ene hand, in de ander een primitieve fluit, blijkbaar zelf gesneden.
‘Heel veel beter anders gezegd,' zei ze.
Toen begonnen ze tegelijk luid te lachen. Want ze waren allebei verlegen.

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 93-94

[Jakarta 7 – Koningsplein-West] 

Hun conversatie was kort. Ze praatten niet over onderwerpen. Zij tekende ze en hij voerde ze uit in muziek. Zij gaf haar tekeningen een onderschrift en hij maakte dat onderschrift tot de titel en onderwerp van een liedje. Een nieuwe afspraak bij de Citadel maakten ze niet. Ze gingen nu met elkaar, dat was duidelijk. Daarom deden ze als alle meisjes en jongens die met elkaar gingen, openlijk of in het geheim. Elke middag tussen vijf en zes gingen ze fietsen, zoals alle verliefde jonge paartjes in de stad dat deden. Er was geen vast ontmoetingspunt en je begon altijd alleen. Je reed een bepaalde route, je keek goed uit en bij toeval kwam je dan degeen die je zien wilde, tegen.
Dat was beter dan een afspraak. Het liet beide partners vrij. Je kon elk ogenblik nog beslissen of je wilde gaan of niet. En er was spanning die bij een vaste afspraak ontbrak. Het kon een goede middag worden, maar ook een slechte. Er hoefde nets afgesproken te worden. Ze reed, nu eens in de ene richting, dan weer in de andere, een vaste route: Koningsplein West, Koningsplein Noord, de Citadelweg, Pasar Baroe uit, aan het eind omdraaien en terug langs de andere kant van dezelfde winkelstraat, dan langs Noordwijk, de Rijswijkse weg, Tanah Abang en misschien door de korte Museumlaan terug naar Koningsplein West. Je kon elkaar mislopen. De ander kon net de straat uitrijden die jezelf insloeg. Maar dat moest zo zijn. Iedereen deed het. Elke dag. Je zag dezelfde scherp oplettende gezichten iedere middag terug. Soms waren er dan opeens twee uit het circuit verdwenen. Buiten de route bestond er geen vaste plek. Die werd elke keer opnieuw vastgesteld, zodra twee partners elkaar hadden gevonden. Het was een regel: zodra je elkaar had ontmoet, ging je naast elkaar rijden en verdween uit de route. Zo leerde je verschillende gezichten kennen, maar je wist niet hoe de anderen heetten en omdat ze verdwenen, zodra ze elkaar gevonden hadden, wist je meestal ook niet wie bij wie hoorde. Toch groetten de fietsers elkaar en riepen elkaar plagerig bijnamen toe. 'Dag Koperkop,' riepen ze tegen Melissa. 'Dag Lidih.' 'Dag Dodol.' Als ze vervelend werden riep Melissa scheldwoorden terug: Dag Patjet. Dag Tjaplak.' Soms kwam ze Janthe tegen, die ook fietste en deed of ze ergens een boodschap moest doen. Maar natuurlijk keek zij ook uit naar iemand. Misschien wist ze al precies wie, misschien wist ze het ook nog niet. Ze waren wel vriendinnen en kwamen veel bij elkaar, maar het uur tussen vijf en zes was voor alle mensen iets heel eigens, daar mocht niemand aan raken.

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 94

[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

Meestal vond ze Iskander gauw of eigenlijk vond Iskander haar. Helemaal eerlijk speelde hij het spel niet. Soms zag ze zijn fiets staan bij het Decapark of bij de Harmonie. Dan stond hij ergens, onopvallend verscholen te wachten en reed haar achterna of draaide om en deed verrast als hij haar tegenkwam. Hij wilde haar alleen maar niet mislopen.
‘Kom mee naar het veld.'
Ze fietsten naar buiten, soms langs Goenoeng Sari, langs de oude Jacatraweg waar het muurtje was waar de schedel van Pieter Elberfeld op een staak was gezet. Voorbij die schedel werd de weg hoe langer hoe stiller en ze konden een zijpad inslaan dat eigenlijk geen zijpad was.
Ze gooiden hun fietsen neer en hurkten in de schaduw van een boom. Iskander speelde op zijn fluit. Melissa neuriede een tegenmelodie.
Ze vergaten dat het laat werd. Het ene ogenblik was het licht, het andere ogenblik was het donker. Ze deden de carbidlampen op hun fietsen aan en de kokkie mopperde, als ze thuis kwam.

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 122-123

[Jakarta 5 – Praauwtjes] 

Op een ochtend versliep ze zich. Toen ze ruim drie kwartier te laat, om half acht, over straat fietste op weg naar school, besloot ze in een opwelling even langs Noordwijk te rijden. Ze zou het eerste lesuur nu toch missen. Op Noordwijk stapte ze af en liep met de fiets aan de hand langs het water. Daar zaten mannen en vrouwen op de brede stenen trappen die naar het water liepen. Ze sloegen lachend en pratend het goed kletsend op de stenen. Bij de tweede trap vanaf de Rijswijkseweg zag ze Soekardjo. Ze zette haar fiets neer bij een winkel aan de overkant van de straat en liep onopvallend naar de bovenste traptree. Hij zag haar niet. Hij was net klaar met het uitwringen van een stapel wasgoed en stond nu rechtop op de onderste tree, de voeten in het water. Hij droeg alleen een kort broekje. Zijn bovenlijf was glanzend en egaal bruin. Hij zeepte zich in tot ook zijn hoofd en zijn haar onder het schuim zaten. Hij riep iets tegen de vrouw naast hem. Die lachte en duwde tegen zijn benen zodat hij de kali in plonsde. Zijn stem en zijn lach klonken ver langs het water, toen hij weer opdook. Hij zwom terug naar de trap, greep het schone wasgoed en waadde langs de kant naar de bamboestellages die in een lange rij aan de oever lagen. Hij spreidde de lakens en handdoeken daar op uit. Het goed was nog kletsnat maar het zou snel drogen en bleken in de zon die al heet was. Hij hield een paar witte jasjes apart en zwom daarmee door het laagstaande water naar een lange schraag die een meter van de kant af in de kali was gezet. Handig drapeerde hij de jasjes daar overheen. Er stonden nog manden met vuil goed langs de kant, maar hij ging niet dadelijk verder met zijn werk. Hij zat gehurkt op het uiterste puntje van een van de stellages en rookte een strootje dat hij gehaald had uit een pakje dat naast de wasmanden lag.
Janthe bleef gefascineerd kijken.
Beneden haar lag een wereld die ze tot nu toe niet had gekend. Alle mensen lachten en praatten met elkaar. Ze waren vrolijk, het was of ze onder elkaar een feest vierden waar niemand anders van af wist. Tussen het werk door zwommen ze naar elkaar toe. Misschien om de ander een nieuwtje te vertellen of een grappig voorval waar ze hard om moest lachen. Het water is goed, dachten ze zeker, net als Soekardjo.
Janthe wilde weggaan. Maar voor het eerst van haar leven voelde ze iets dat nog het meest op heimwee leek. Maar heimwee waarnaar?

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 124-125

[Jakarta 4 – Wassen] 

Dit waren de vrouwen, die niet voor andere families wasten, had Soekardjo, haar verteld. Het waren vrouwen met grote gezinnen, die hun kinderen meenamen naar de kali, waar ze in de ochtenduren snel de dagelijkse was deden voor de hele familie. Soekardjo, had haar ook verteld dat bijna alle menatoes laat in de middag naar Molenvliet gingen om er hun eigen was te doen, te baden en te praten. Niet dat het water op Molenvliet beter was. Het was meer een symbool. Daar kwam men louter en alleen voor zichzelf en voor elkaar. Er werd daar niet voor anderen gewerkt. Alleen de moeders die 's avonds bij hun gezin moesten blijven, kwamen in de morgenuren naar Noordwijk, omdat daar de meeste mensen waren op die tijd.
Tegen de avond, tussen vijf en zes, net voordat de korte schemering begon, kwam men op Molenvliet bij elkaar. Daar zaten dan op de bamboevlotten ook de jonge meisjes en de oude nénéh's die hun lange haren wasten. De kinderen zwommen rond en iedereen was een sobat. Er bestond in deze wereld geen orang djahat, iedereen was een vriend, de vijand was hier niet, het was een veilige plek.
Janthe reed verder naar school. De wereld van de Hollanders leek haar stijf en zonder veel plezier. Vanavond zou ze naar Molenvliet gaan. Misschien dat ze dit keer Soekardjo, zou kunnen vinden. Hij had het niet zo druk meer, nu zijn vader beter was. Hij hoefde niet meer na vijf uur de wasmanden te brengen en te helpen. Hij zou zijn eigen goed wassen en gehurkt zitten op de vlotten en zich inzepen en zwemmen. Ze wilde daarbij zijn. Ze wilde niet heimelijk toekijken, geen buitenstaander zijn. Ze zou haar eigen goed nemen en het zelf wassen, ze zou zich inzepen, haar haren wassen en zwemmen. Ze zou Melissa vragen vanmiddag met haar mee te gaan. Maar nee, dit was niet Melissa's soort avontuur. Melissa zou het dwaas vinden van Janthe. Ze zou zeggen dat de kali vol ratten zat en ze zou alle ziektes opnoemen waarvan haar vader haar had verteld en die je kon krijgen als je in de kali ging zwemmen. De kali was niet voor de Hollanders. Het water was heel goed. Maar alleen voor degenen die in het land geboren waren. Melissa zou haar het idee uit het hoofd praten. Toch wist Janthe dat ze dit moest doen. Anders zou ze dat gevoel van heimwee nooit kwijtraken. Ze moest weten hoe het was. Een keer in die andere wereld zijn, dat was voldoende. Toen ze bij de school kwam was ze vastbesloten. Ze zou er met niemand over praten.

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 130-131

[Jakarta 4 – wassen] 

Ze knikte. Soekardjo wenkte een sado. Ze stapte achterin. Ze zou net op de goede tijd thuiskomen. Op Molenvliet hing al een begin van schemering. Het paardje begon te draven en alle mensen in de kali keken op en zwaaiden. Janthe zwaaide terug, maar ze kon ze algauw niet meer zien. Soekardjo was alweer in het water. Terwijl ze langs het Hotel des Indes reden, greep een hand de rand van het koetsje vast en zag ze het gezicht van Melissa, dat haar spottend aankeek. Ze liet zich, zittend op haar fiets, trekken door het koetsje, waardoor het magere paard werd afgeremd en iets langzamer ging lopen.
‘Dacht je soms,' zei Melissa, 'dat ik je niet had gezien? Je hebt gezwommen in de kali. Je stinkt er nog naar. Je zult wel ziek worden ook en wie is die jongen?'
‘Ga weg,' fluisterde Janthe, je hebt er nets mee te maken, ik doe wat ik wil.'
‘Hazehart!' riep Melissa luid. 'Jij durft, he? En allemaal om die jongen. Als je het maar laat, voortaan. Je krijgt nu tyfus of dysenterie of builenpest, misschien alles tegelijk. Je besmet iedereen. Je moet nu eerst in quarantaine. Ik ga niet meer met je om, zolang ik niet weet wat voor ziekten je daar hebt opgedaan. Je moet meteen naar een dokter voor een prik. Ze zullen je wel in een aparte barak stoppen in het Tjikiniziekenhuis. Je eten krijg je door een luikje. Ik heb nog nooit zo’n stommerd gezien als jij.'
Al was dit het koelste uur van de dag, Janthe was toch heel heet. Het zweet gutste langs haar lichaam. Met de zijkant van haar rechterhand sloeg ze hard op de pols van Melissa, die met een schreeuw de sado losliet.
Lekas, lekas,' siste Janthe tegen de koetsier. Die tikte met zijn zweep tegen de rug van het paard, dat met tegenzin in een drafje overging.
Melissa bleef achter op haar fiets. Ze riep iets en lette niet op de weg. Haar fiets slipte in de berm en ze viel met een smak op de straatweg die hier vol lag met de uitwerpselen van honden en paarden.
Ketabrák!' riep Janthe. Ze lachte en lachte. 'Ga jij maar gauw een tetanusinjectie halen. Met die paardepoep in je knie zit je kaak morgen zo klem als een muur. Ik weet niet of ik nog met je om kan gaan, als je ligt te trekkebekken in je bed.' Ze was half gaan staan in het karretje dat nu bijna stilstond. Ze kon niet ophouden met lachen en schreeuwen: 'Niet in de kali baden, niet in de zon zitten, niet met Soekardjo praten, geen lemper eten als Jem die niet zelf heeft gemaakt, niet zingen, niet vrolijk zijn, in je eigen wereld blijven. Ik zal ze, ik zal ze.'
Ze wist niet precies wie ze met 'ze' bedoelde. Maar ze zou het ze laten zien, dat was zeker.
Ajo djalan,' riep, ze tegen de koetsier.
Awas non,' zei de koetsier. 'Pas op.' Hij zette het paard weer in beweging en sloeg een zijweg in. 'Doedoek sadja, blijf maar zitten.'

Zikken – Gisteren gaat niet voorbij, 132-134

[Jakarta 7 – Wajang kulit] 
[Yogya 1 – Expositie] 

Suukso had poppen van de wajang golek in zijn koffer gehad. Zijn oom was dalang geweest, een verteller van wajanggeschiedenissen. Hij was een soort boek, zei Suukso, waarin de lakons, de verhalen, verzameld waren en hij stamde uit geslachten van dalangs, waar alleen Suukso's vader buiten was gaan staan. Suukso's vader had ook geschiedenissen verteld, maar dat waren lange gedichten geworden. De verhalen waren hem niet voorverteld. Ze kwamen uit zijn eigen hoofd of waaruit gedichten dan ook kwamen. Hij had ze opgeschreven, later waren ze gedrukt. Nu pas begonnen de mensen ze te lezen, want ze hadden er eerst aan moeten wennen. Verhalen las je niet, meenden de mensen, die ging je zien. je deed dat met een groep meestal buiten op het erf. Niet in je eentje, in je eigen tampat.
Een oudere broer van Suukso was een helper van de dalang geweest. Als de dalang van dorp tot dorp trok, liep de helper achter hem aan en droeg de wajangpoppen. Hij had Suukso alle verhalen verteld die hij van de dalang hoorde. Maar Suukso was ook gedichten gaan schrijven, zoals zijn vader. Toch kende hij de oude geschiedenissen even goed als zijn broer en wist hij hoe de lange sarong van een pop de houten spies verborg die in de stam van een pisangboom gestoken kon worden. Die pisangstam steunde dan op, twee bamboe schragen waar de dalang en zijn helper gehurkt achter zaten. Alle poppen waren gekleed in fleurige batikstof. De mannen hadden scherpe krissen in hun gordels, de vrouwen waren kleiner en sierlijker gekleed. Als de voorstelling begon waren alle poppen in de pisangstam gestoken. Een groep aan het linker uiteinde en een groep aan het rechteruiteinde. Daartussen was dan het toneel. De dalang greep de poppen die hij nodig had of de helper die het hele verhaal kende, gaf ze hem snel aan. Hij stak ze dan in het midden van de zachte stam en liet de figuren licht heen en weer zwaaien, zodat het leek of ze met elkaar praatten, voor elkaar bogen, van elkaar terugdeinsden of op elkaar toe kwamen. Even buiten de lichtkring zaten de mensen die de gameIan bespeelden. De inheemse xylofoon had staafjes van metaal of bamboe, die een beetje schuin naar elkaar toe liepen. Ze werden door de bespeler zacht aangeslagen met een houten hamertje. Er was een metalen gong, de bonang. Soms waren er trommels en zangeressen. Maar de voornaamste figuur bleef de dalang. Die kende alle lakons en hij had ook alle stemmen in zijn keel, hij was heel knap.
Mel had zoiets vroeger nooit meegemaakt. Het was iets dat ze gewoon was misgelopen. Ze had de poppen met bewondering bekeken, Baladewa, Ardjoena, Bimanjoe. Ze waren allemaal gesneden uit het zachte kajoe lameh en prachtig aangekleed.
‘Kijk, zo ging dat,' zei Suukso en hij hurkte achter de bank en begon met de poppen in zijn hand een snel, opgewonden verhaal waarbij hij verschillende stemmen gebruikte.
‘Hou op, hou op,' zei Mel. Denk je dat ik daar iets van versta? Ik ken alleen wat pasar-Maleis en zelfs daarvan ben ik veel vergeten. Kan het niet in het Hollands?'
‘Nee, dat kan niet,' zei Suukso beslist. 'Het is heiligschennis, maar nou ja, goed dan.'