Zikken – Landing op Kalabahi, 88

[Jakarta 7 – Museumlaan] 

We vonden een huis in de Museumlaan, een korte zijstraat van het Koningsplein, het hart van de stad. We konden het huren omdat er kortgeleden een moord was geplaagd. Een blanke mevrouw was er doodgestoken door haar inlandse bediende. Een schandaal vond de blanke mevrouw dat en uit protest bleef ze spoken. Niemand anders wilde het huis huren. De bedienden wilden er niet graag werken en in geen geval wilden ze slapen op het erf. Maar het huis lag vlak bij het stille plein dat een kilometer in het vierkant was. Het beviel ons en dus huurden we het.

Zikken – Landing op Kalabahi, 89-90

[Jakarta 5 – Boekhandel] 

Annejet had een vader met een tweedehands boekhandel, niet ver van het Koningsplein. Ze kwam in mijn ogen, uit een bevoorrecht nest. Zo’n vader was niet minder dan een godheid. Zelfs het feit dat hij zijn dochter in mijn bijzijn wel eens een trap gaf, deed daar niets aan af. Om hem heen stonden duizend boeken, een door niets te dempen glorie.
De boekwinkel lag in een drukke winkelstraat. De verkoopruimte was vol helder licht, ook al kon de zon er nooit naar binnen schijnen. Het rook er naar specerijen en vooral naar een geelgroen kruidenmengsel dat in open glazen potjes hier en daar tussen de stapels boeken stond. Een soort heilige wierook leek het me. Later kwam ik te weten dat die potjes daar stonden om de kakkerlakken af te schrikken. Die waren gek op boeken.
De vader van Annejet maakte de indruk dat hij nooit eens gewoon zat zoals elk ander mens. Ik zag hem uitsluitend staan tussen zijn boeken. Meestal hield hij een bijzonder exemplaar in zijn opgeheven handen. Hij las erin door snel zijn hoofd heen en weer te bewegen, van links naar rechts en weer terug. Zijn brilleglazen, dikker dan ik ze ooit bij iemand anders had gezien, schoten lichtflitsen naar alle kanten. Het leek alsof hij op die manier alles goed in de gaten hield, ons, de straatdeur, de snuffelende klanten, de boeken en mogelijke kakkerlakken. Als wij de winkel binnenkwamen, groette hij ons kort met een luide raspende stem. Soms kwam die groet, die meer een bedreiging leek dan een welkom, vanuit een donkere hoek waar je hem nog niet eens had opgemerkt. Hij leek dan groot en krachtig terwijl hij toch een vrij kleine, wat gebogen man was. Zelden zag je hem heen en weer lopen. Toch stond hij telkens op een andere plaats. Ik durfde de boeken nauwelijks aan te raken, want ik wist dat wij niet alleen waren, dat er op ons werd gelet en dat elk boek dat je even oppakte onmiddellijk werd bijgeschreven in een onzichtbaar notitieboek. Ik was bang voor hem, hij maakte me onzeker. Toen al vond ik hem iemand om op een stille manier onverwachts vermoord te worden. En zo is het hem later ook vergaan.

Zikken – Landing op Kalabahi, 91

[Jakarta 7 – Museumlaan] 

Ons huis in de Museumlaan was een doodgewoon Oud-Indisch huis met een tuin en een muur eromheen. Mij leek het nu beschamend dat de gebruikelijke overdekte gaanderij door die tuin liep, naar de bijgebouwen achterin. De witgesausde gebouwtjes achterin de tuin bestonden uit de keuken, de badkamer, de goedangkamers waar voedselvoorraden werden bewaard en de bediendenkamers die bij ons leeg stonden vanwege het spook. […]
Toch hing er een beetje glorie om Museumlaan nummer zeven. Daar had blank bloed gevloeid. Er werd gefluisterd over mijn ouders, omdat die zich daar niets van aantrokken.

Zikken – Landing op Kalabahi, 91-93

[Jakarta 6 – PHS] 
[Jakarta 7 – CAS] 

Dat ik zomaar bij Annejet overhuis mocht komen was eerder uitzondering dan regel in de verhouding tussen de leerlingen onderling. Op de PHS, een van de drie scholen in Batavia voor een hogere opleiding, werden strikte regels in acht genomen wat betreft het familieverkeer. Je praatte met elkaar, ging met elkaar naar de Pasar Gambir, je kon samen ijs gaan eten op Pasar Baroe. Maar je kon niet zomaar bij elkaar binnenlopen. Ik had een semi-vriendschap met een paar meisjes en jongens die ik aardig vond: met Oetari Marsadi, Carolyn Kayola, Marietje Montung, Moorianto Kusomo Utoyo, Iskander en Tjoa Ho. Algauw ontdekte ik dat ik niet iedereen bij mij thuis kon uitnodigen. Ik viel daar de ander mee lastig. Die moest uitvluchten verzinnen en daarbij beleefd en hartelijk blijven. Je bracht hen in een pijnlijke situatie. Waarom dat bij Annejet anders was, begreep ik in het begin niet. Geleidelijk drong het wel tot mij door dat Annejet en ik door de leraren en door de rest van de leerlingen op een aparte manier werden behandeld.
Het leek of wij de oudsten in een gezin waren, degenen die steeds de verantwoordelijkheid moesten nemen, die bij alles een voorbeeld moesten geven. Het sprak vanzelf dat wij tweeën altijd een antwoord klaar hadden. Van ons werd verwacht dat we de besten van de klas waren en de hoogste cijfers haalden. Dat gold voor elk vak behalve voor sport, daar hoefde het blijkbaar niet.
Het drong eindelijk tot mij door dat Annejet en ik de enige volbloed Nederlanders waren in die klas.
Als ik eens een negen haalde voor wiskunde, een vak waar ik slecht in was, den werd daar nauwelijks aandacht aan besteed, het werd als vanzelfsprekend beschouwd. Als Moorianto een negen haalde voor wiskunde, gewoon omdat hij veel beter was in dat vak dan ik, dan wekte dat verbazing.
De PHS was een gewone middelbare school waar blank en bruin door elkaar zaten, in tegenstelling tot de CAS, de Carpentier Alting Stichting, een school waar je een gymnasiumopleiding kon krijgen, een school met status en vrijwel uitsluitend blanke leerlingen. Men stuurde daar aan op het afleveren van jonge mensen, rijp voor de universiteiten van Leiden en Delft. Er werd daar op school gewerkt aan de toekomst, het in de kost gaan bij nette mensen in Den Haag. Ik had het geluk gehad dat ik op de PHS was terecht gekomen, een school waar Eddy du Perron in de banken had gezeten. Eenmaal hoorde ik Per zeggen dat hij zich afvroeg of hij mij niet naar de CAS zou moeten sturen. Nukkig zei ik dat er zeker van was dat ik de taal daar niet sprak en dat ik geen enkele kans dacht te maken op de CAS het eindexamen te halen.
‘Maar je hebt zulke verdacht goede rapportcijfers,’ zei hij, ‘het is misschien te makkelijk voor je. Je hebt een uitdaging nodig.’
‘Een uitdaging kan je ook de das omdoen,’ zei ik, ‘ik blijf liever op de PHS.’

Zikken – Landing op Kalabahi, 103-104

[Jakarta 5 – Mesjid Istiqlal] 

Wasito was een jongen met een bruine huid, hij zal nu wel Indonesiër zijn. In die dagen was hij nog een ‘Indische jongen’. Hij wilde later burgemeester van Batavia worden. Dan zou hij verbieden dat al het geld dat de Nederlanders hier verdienden, uiteindelijk het land uitging om gespendeerd te worden aan villa’s in het Gooi en wintersportreisjes in Europa.
‘Geld verdienen in Indië,’ zei Warsito, ‘dat is natuurlijk prima. Maar het moet in Indië blijven rollen.’
Jarenlang hebben wij in de koele namiddaguren door Batavia gefietst. We fietsten uitsluitend langs een route die de gebruikelijke weg was voor jongens en meisjes die elkaar wilden ontmoeten. Dat kon alleen gebeuren onder het oog van een oplettende menigte. Het centrum van die route was Pasar Baroe, de Chinese winkelstraat. Maar het was natuurlijk niet de bedoeling dat een volwassene je ergens zou zien staan wachten op iemand met wie je helemaal geen afspraak had gemaakt. Vanuit Pasar Baroe kon je, goed om je heen kijkend, in de richting van het Koningsplein rijden. Je reed dan langs de sociëteit De Harmonie, langs de Citadelweg en Noordwijk, de Rijswijkstraat, linksaf naar Koningsplein-Noord en –West en dan rechtsaf de Museumlaan in. Als je niet naar een heel speciale persoon uitkeek, dan kon je, maar nooit alleen in dit geval, vanaf de Citadelweg het Wilhelminapark in rijden waar het fort Willem II lag. Dat was de plaats voor nieuwe contacten.
Je reed, giechelend met een vriendin, langs twee vrienden en als er een reactie kwam bleef je geconcentreerd giechelen. Je keek heel even maar je glimlachte dan nog lang niet. Een kennismaking in het park was een kwalijke zaak. Je werd er weggejaagd door de inheemse agenten, die zeiden dat ze daar waren om je te beschermen. Het bleef een avontuur. Van beide kanten moest veel moeite worden gedaan om een echte kennismaking mogelijk te maken. Er moest gezocht worden naar een plaats die niet in zo’n kwade reuk stond. Het kon maanden duren, maar soms waren die maanden de beste die je kon beleven.

Zikken – Landing op Kalabahi, 104-105

[Jakarta 6 – Goenoeng Sahari] 

Het is vreemd dat Wasito en ik elkaar jarenlang elke dag zagen, want we hadden niet veel gemeen. Het avontuur van een verboden gebied was voor hem niet aantrekkelijk. We lachten niet om dezelfde dingen. Elke dag fietste ik met hem langs de voorgeschreven route. Ik kon met hem niet, zoals ik wel deed met Annejet, afslaan naar het sportveld van BVC of naar de Decaparkbioscoop gaan waar voornamelijk Duitse films werden vertoond. Met Annejet ging ik soms de kant van Manggarai op, naar het Tjikinizwembad of we reden naar het eind van Laan Trivelli om de wind te voelen bij het open veld. Met haar kon ik zelfs in de richting van de kust fietsen naar de oude stad, de zogenaamde benedenstad met Pasar Ikan, de vismarkt en de vishavens. Het stond ons vrij te fietsen waar wij wilden. Met Wasito was dat anders.
Hoogstens maakten we korte uitstapjes naar het achter Pasar Baroe gelegen Goenoeng Sari, waar het huis van Wasito lag, ergens in een lange rij van vermoeid uitziende, slecht onderhouden Indische huizen met boomrijke erven. We gingen er nooit binnen. We zwaaiden alleen tegen zijn ouders als die in de voorgalerij zaten of tegen zijn drie giechelende zusters, die luid aanmoedigingen tegen ons schreeuwden. Daarvoor werden ze meteen fel berispt door een zachte hoge vrouwenstem: ‘Ajo toch! Stil jullie!’
‘Zei krijgen klappen van Ma,‘ zei Wasito tevreden. ‘Ze moeten zich goed leren gedragen. Hoe krijgen ze anders later een behoorlijke man?’
Wasito’s moeder leek op de mijne en Wasito’s ideeën sloten meer aan bij die van mijn ouders dan bij die van mijzelf. Volgens hem moesten we gewoon het vertrouwde traject blijven volgen. Dan wisten mijn ouders tenminste waar ik uithing. Het ging niet aan urenlang maar raak te fietsen, op zoek naar onbekend gebied. Een meisje moest zoiets niet doen. Ik vond het zelf wel vreemd dat ik me zo makkelijk wist aan te passen, al moest ik me bij hem beperken in mijn bewegingen.
Hij kwam nooit in het Tjikinizwembad, hij was geen lid van BVC en hij weigerde mee te gaan als er een boot uit Holland aankwam in de haven van Priok terwijl ik die gebeurtenis juist zo graag wilde meemaken: de aankomst, de juichende mensen op de kade, de serpentineslingers, het orkestje op het dek dat ‘Ramonah’ speelde en al die mensen in witte pakken die over de reling hingen.

Zikken – Landing op Kalabahi, 105

[Jakarta 3 – Pieter Elberfeld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

Verder dan de Jacatraweg ben ik met Wasito nooit gekomen en dat alleen maar omdat hij het nodig had als illustratie voor zijn betoog over Elberfeld en diens afgehakte hoofd. En ook voor zijn verhaal over het gezag van de Nederlanders in Indië, waaraan volgens hem nogal wat ontbrak. Die Elberfeld was een Indo geweest en in de achttiende eeuw werd hij gevierendeeld, zogenaamd omdat hij complotteerde tegen het Nederlandse gezag. Maar volgens Wasito, die het weer uit oude archieven had, was het gebeurd omdat hij een stuk grond niet wilde afstaan aan gouverneur-generaal Hendrik Zwaardecroon. Als afschrikwekkend voorbeeld werd zijn afgehakte hoofd op een muurtje aan de Jacatraweg gemetseld. We fietsten er vlak langs en daar stond het hoofd ons aan te staren, Je kon het zo met je hand aanraken als je wilde. Ik kon het niet geloven van die Zwaardecroon, hij was notabene gouverneur-generaal! Wasito zei dat Indië geen vrijheid zou kennen voor de kop van Elberfeld van het muurtje verdwenen was. ‘Maar we zijn toch vrij,’ zei ik en Wasito antwoordde: ‘Soms is jouw wij een ander wij dan het mijne.’ ‘Dat heb je zeker ergens gelezen,’ zei ik snibbig maar hij glimlachte even hoffelijk als gewoonlijk. ‘Alles wat we zeggen hebben we toch zeker al eens ergens gelezen?’ vroeg hij.

Zikken – Landing op Kalabahi, 147

[Jakarta 7 – Paarden] 

De kantine en de velden van de Bataviase Voetbal Club waar ook mijn korfbal- en mijn hockeyclub bij hoorden, lagen in de zuidoostelijke hoek van het Koningsplein. Ik wist dat er op het ogenblik geen wedstrijden waren, te veel clubleden waren in deze maanden de hete stad uitgegaan en naar de bergen getrokken. Maar ik wilde zien of de kantine open was. En bij de pingpongtafel in de kantine vond ik Madi. Een hele tijd geleden waren we veel met elkaar omgegaan. Maar hij was van school verdwenen en ik had hem sindsdien niet meer gezien. Er was iets tussen ons gebeurd wat ons alletwee verlegen maakte. We praatten even, maar voor ik mijn houding kon bepalen was hij al weg. Ik fietste terug naar huis. Het was een ontmoeting van niks maar het bracht allerlei herinneringen boven. Ik ging onder de kemoeningstruik in de achtertuin zitten en begon te schrijven in mijn dagboek

Zikken – Landing op Kalabahi, 150-151

[Jakarta 5 – Wilhelminapark] 

Bij de tekenles zat Madi ver van me vandaan. Ingespannen zat hij aan een tekening te werken waarbij hij af en toe in mijn richting keek. Ik dacht dat het misschien een antwoord zou worden op mijn eigen tekening. Aan het eind van de les liep ik in zijn richting, te ongeduldig zoals gewoonlijk. Met een ruk schoot hij overeind, keek nog even vertwijfeld naar het papier en scheurde het toen in stukken.
‘Jammer zeg!’ zei ik.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Beter anders,’ zei hij en daarna fluisterde hij: ‘Kom vanmiddag bij de Citadel!’
‘In het park?’ vroeg ik verbaasd. Ik had nog nooit een afspraak gemaakt met Madi. Ik had hem eenmaal bij mij thuis uitgenodigd, maar hij had een uitvlucht verzonnen. Het was zo duidelijk een uitvlucht dat ik hem niet voor een tweede maal had gevraagd. Ik wist dat hij zo was tegen iedereen. Nooit vroeg hij iemand bij zich thuis. Hij wilde ook niet bij anderen komen. Hij kon best uitgelaten meelachen met de hele klas. Op school was hij nooit een buitenstaander, hij voetbalde met de anderen op het erf rond de school. Na schooltijd, als iedereen afspraken begon te maken, trok hij zich terug. Hij reed weg op zijn fiets voor iemand hem tegen kon houden. Soms zag je hem het schoolerf af fietsen en haastig naar links afslaan. Maar even vaak sloeg hij rechtsaf. Als een razende reed hij bij iedereen vandaan en niemand wist waar hij woonde.
‘Rij even mee naar huis,’ zei ik nu, ‘ik wil wel maar we moeten goed afspreken.’
Ik probeerde zijn mouw te grijpen maar het was het laatste lesuur geweest en hij was al op weg naar buiten.
‘Madi!’ riep ik.
Hij sprong op zijn fiets en was meteen al een eind op weg. Hij stak een hand omhoog met vijf uitgespreide vingers en een vragend gebaar.
Ik knikte. ‘Goed dan! Om vijf uur! Bij de Citadel!’ riep ik.
Hij kon het niet meer horen, maar het moest toch worden gezegd.
Diezelfde middag, na het slapen, het baden, het theedrinken in de voorgalerij, pakte ik mijn fiets. Ik reed langs het paleis aan Koningsplein-Noord, nam de Citadelweg en draaide het park in, waar de resten van het oude fort half onder struiken en klimplanten bedekt lagen.
Het was nog geen vijf uur. Ik liep langs de stille paden met mijn fiets aan de hand. Ik kwam niemand tegen. Ten slotte ging ik zitten op een bank waar je een groot deel van het park kon overzien. En meteen hoorde ik de melodie. Het kwam van de andere kant van de struiken. Het geluid van een fluit waarop iemand een primitief wijsje speelde. Er was iets beklemmends in. Soms klonk het vrolijk, hoopvol. Maar opeens werd een keel dichtgeknepen en iemand hijgde in doodsnood. Zo ging de melodie verder met een terugkerend thema van tegenstellingen. Verlangen en veiligheid aan de ene kant, onmacht om dat te bereiken aan de andere kant. De muziek leek een beetje op de muziek van de gamelan en had het melancholieke van een gitaar. Toch bleef het anders. Dit zijn tekeningen, dacht ik en toen de melodie ophield, riep ik: ‘Madi?’
Verlegen kwam hij tevoorschijn, de fiets in de ene hand, inde andere hand een primitieve fluit, blijkbaar zelf gesneden.
‘Heel veel beter anders gezegd,’ zei ik.
We begonnen allebei te lachen, want we waren allebei verlegen.

Zikken – Landing op Kalabahi, 187-188

[Jakarta 7 – Museumlaan] 

Het huis in de Museumlaan. Uiteindelijk voel ik me daar toch het meest thuis. Daar kan ook van alles veranderen maar je kunt het met wat inventiviteit onder controle houden. En familie blijft familie. Ze dwalen niet opeens bij je vandaan, daar zijn regels voor. Het zijn best aardige mensen, het is ook best een aardig huis als je er goed naar kijkt.
De voorgalerij is aan twee zijden open. De voortuin vol langstelige oranje canna’s, gele gerbera’s, rode balsemienen, loopt langs een paar treden omhoog naar het huis, tot in de voorgalerij. Op de traptreden staan enorme potten, groen geschilderde kuipen, aardewerk urnen, gevuld met bloeiende planten. Niet hier en daar een pot, hier en daar een plant. De potten en kuipen rijgen zich aaneen. Het groen grijpt opzij, omlaag, omhoog en raakt verstrengeld.
Hibiscuskelken wiegen in een warme wind die door de straat aan komt waaien, het witte tuinhek door stroomt, moeiteloos over de planten heen strijkt, langs de gezichten van de mensen in de voorgalerij veegt en daarna doordringt tot diep in het huis. De wind brengt een wolk van fijn zand mee, alles is er constant mee bedekt en je kunt makkelijk zien of er net stof is afgenomen. Het houdt Hassan, de huisjongen, op de been. De melati gambir voegt geur toe aan het huis, een wilde plant, met dunne gegroefde, kantige twijgen bijna anderhalve meter hoog, die witte bebladerde bloesemtrossen op lange stelen ondersteunen. Melatiebloemen zijn voor in een haarwrong. Wie geen haarwrong heeft moet er af blijven.
Op de tegelvloer staan zachtgele rotanstoelen met verbena-groene kussens die elke dag een paar uur in de zon worden gelegd tegen de vlooien, net als de matrassen en het beddengoed.
Er staat een bronzen tafeltje met de kop van een sater in het midden, zodat je daar je theekopje niet heen kunt schuiven. Het theekastje met de deurtjes van geslepen glas komt uit het ouderlijk huis in Holland. Als in een vitrine staan daarbinnen de bonbonschaaltjes, Chinees porselein in bleekblauwe tinten, rode doosjes van Japans lakwerk, schaaltjes van filigraanzilver uit Kendari met bonbons in kleurig zilverpapier uit het laatste pakket van de grootouders. En natuurlijk het doosje met Kalzantabletten voor Janke en mij, onze botten zijn nog niet volgroeid.
Op het theeblad staat een druk met draken bewerkt Chinees theeservies in rood en goud. Een koninklijk servies mag je wel zeggen. Toch is er hevige ruzie geweest om dat servies.

Zikken – Landing op Kalabahi, 189

[Jakarta 7 – Jl Musium] 

Nummer zeven in de Museumlaan is een plek van chaotische gevoelens. Toch wonen er best aardige mensen en in de achtertuin van het huis sleept poes Pepi geregeld met nieuwe generaties jonge katjes die ze baart onder de kemoeningstruik. Elk huis moet een entourage hebben en die entourage is er bij ons altijd, daar is Manna voor. Zij kleedt ons aan, ze kleedt het huis aan, ze kleedt ons samenzijn aan. Ik zou mij wel voor altijd willen teugtrekken binnen de familiekring van aardige mensen met vervelende kanten, mensen die niet van elkaar weg kunnen lopen, die samenblijven. Ook al wonen ze ver van elkaar, dan nog blijven ze schrijven en telefoneren omdat niets ter wereld kan maken dat ze opeens geen familie weer zijn. Ik zou zeker tot mijn dood veilig in de familiekring kunnen wonen, zonder Annejet of Wasito of Jot, ik zou dat zeker ook wel doen, als er maar geen gesprekken waren. De gesprekken bederven alles. Ze zetten alles op losse schroeven. Ik wil ons vieren bevriezen tijdens een theeuurtje of zelfs tijdens een opluchtende ruzie. Want het hindert niet als je merkt dat je iemand haat of hem niet kan respecteren, je kunt toch best een warm gevoel voor hem koesteren. Maar niemand mag weg willen gaan naar een ander. Ze moeten niet de sleutel omdraaien in het slot.

Zikken – Landing op Kalabahi, 189a

[Jakarta 6 – PHS] 

Het laatste deel van de film lijkt op een close-up. Met Per en Manna zit ik in de voorgalerij. De hond Kandor is het tuinhek uitgelopen. De geuren, de kleuren, de warme wind, het is er allemaal even niet. Ik zit in een luchtledig.
‘Aan het eind van dit schooljaar,’ zegt Per, ‘ga je weg bij de PHS. Dan ga je naar de CAS, naar het gymnasium. Een school van beter niveau.’
‘Maar Annejet dan?’ zeg ik, ‘en Wasito?’
‘Je hebt altijd ruzie met Annejet. Je fietst nooit meer met Wasito.’
‘En over een jaar of twee gaan we naar Bandoeng,’ zegt Manna.
‘Maar Jot dan?’ zeg ik en tranen beginnen nu door te klinken in mijn stem. ‘En ons huis?’
‘Je zult harder moeten studeren,’ zegt Per. ‘Niet altijd maar fietsen en naar de kampong,’ zegt Manna.
Maar Per, met een blik op mijn gezicht, zegt haastig: ‘Voorlopig nog niet, maak je niet druk. Vanavond ga je eerst maar eens naar het schoolfeest van de PHS. In je witte jurk.’

Zikken – Landing op Kalabahi, 190

[Jakarta 6 – PHS] 

In de afgelegen hoek van het schoolerf van de PHS was het, op de feestavond, hoe langer hoe stiller geworden. Een paar keer kwam iemand aarzelend naar me toe om me te vragen voor een dans, maar ik snauwde iedereen af en het werd steeds leger om mij heen. Iedereen was aan het dansen, de muziek klonk op topsterkte.
Ik wachtte af of Sef terug zou komen voor die beloofde laatste dans. Ik zou zeggen dat het me speet en hij zou het wel begrijpen dat ik in mijn gevlekte jurk niet naar binnen wilde gaan.
Op het moment dat de muziek inzette voor de laatste dans, kwam iemand vanuit de schaduw naar me toe. Ik stond op en begon al: ‘Het spijt me…’, maar het was Annejet. Ze keek naar me maar leek me nauwelijks te zien. Ze zei tenminste niets van mijn uitgelubberde halslijn en de vlekken paars op de witte zijde.
‘Dans je de laatste dans niet?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei Annejet. ‘De Schim heeft de hele avond tussen de coulissen gewerkt, hij heeft gezorgd dat alles goed ging, hij is nu aan het afbreken. Ik denk dat hij niet om dansen geeft.’ We zwegen even.
‘Nou ja,’ zei ik ten slotte, ‘hij heeft andere leuke dingen, hij spreekt goed Frans en Fries en hij leest boeken.’
‘Och, dat Frans en dat Fries en die boeken,’ zei Annejet. Haar gezicht was nog opgemaakt, maar te zwaar, zodat ze er wel ernstig maar toch een beetje clownesk uitzag. ‘Ik heb dat allemaal maar verzonnen,’ ging ze door, ’om ook iemand te hebben. Hij fietste me een keer na. Of hij moest toevallig mijn kant op. Daarna zag ik hem nooit meer. We hebben niet eens gepraat. Ik ken hem dus eigenlijk helemaal niet.’
‘Ik heb ruzie met Sef,’ zei ik. ‘Hij is saai, je hebt er geen idee van. Ik heb hem uitgescholden en hij is niet teruggekomen. Ik heb mijn avondjurk verknoeid, mijn vulpen is kapot en ze hebben in mijn notitieboek geneusd. Ze hebben er in geschreven.’
‘Niets goeds zeker,’ zei Annejet op mismoedigde toon. We stonden naast elkaar bij het tafeltje, we schuifelden ernaar toe, gingen zitten.
We legden onze handen op de lege tafel, onze vingertoppen raakten elkaar.
Het feestgewoel laaide op in de verte. Het gezicht van Annejet had zich ontspannen. Ze zag er uit als een beroemde zangeres die net een aria heeft gezongen die haar wereldroem zal brengen.
In het halfdonker bleven we zitten wachten op vaders en moeders die ons zorgzaam zouden komen halen. We zouden verdergaan. Ook zouden we voor altijd blijven op het punt waar we nu waren aangekomen.