Fredericy – De eerste etappe, 15

[Jakarta 7 – Hotel Koningsplein] 

Hotel Koningsplein, Weltevreden, Java, 6 Juni 1922
En nu zit ik al op Batavia! Niet ín maar óp. We zitten hier in de Oost óp Java, óp Bandoeng en óp Medan. In Europa zit niemand op Parijs of op Amsterdam.
Batavia waarop ik dus zit, is een mooie, ruim aangelegde stad. Ik wil hier best een paar dagen rond kijken.
Het afscheid nemen van mijn club viel niet mee. We hebben elkaar wel heel kort gekend, maar toch. Veel gedanst ... en nu worden wij allemaal verspreid over het grote Indië. Door verschillende families van de ‘Coen’ ben ik met de hier in Indië naar het schijnt gewone gastvrijheid en hartelijkheid uitgenodigd om te komen logeren; in Soerabaja alleen al door drie echtparen.
Tertstra, een tweede luitenant, infanterist, Rob Deckers en ik hebben onze intrek genomen in een goed hotel en beschikken nu met ons drieën over een paviljoen met eigen voorgalerij.

Fredericy – De eerste etappe, 15-17

[Jakarta 5 – B.B.] 

[1922] Dezelfde dag dat onze boot – om zes uur ’s ochtends bij opgaande zon – aankwam, heb ik mij, in lichtgrijs flanellen pak gestoken, naar het Departement van Binnenlands Bestuur begeven. Ik was wel wat zenuwachtig. Toen ik om een uur of negen de grote, koele hal binnen stapte kwam dadelijk een oude, geuniformeerde Javaanse oppasser naar me toe en ik zei in het maleis, dat ik gaarne de Directeur zou willen ontmoeten. Nu was het mij gebleken dat Professor Van Ronkel niet zeer tevreden over mijn vorderingen in de door mij gebezigde taal was; doch dat de eerste de beste oppasser, die ik in Indië zou tegenkomen geen woord zou begrijpen van wat ik zeggen zou, had ik toch niet verwacht. Hij keek mij ernstig aan en overhandigde mij een leitje en een griffel. Ik dacht even, dat hij doofstom was, doch toen hij een volzin had uitgesproken waarin ik zowel het woord ‘directeur’ als het woord ‘nama’ herkende, schreef ik mijn naam met de griffel op het leitje.
De oppasser maakte een lichte buiging, verdween door een dubbele deur en kwam enkele ogenblikken later weer naar buiten, mij met een hoffelijk gebaar uitnodigend binnen te treden. Ik ging binnen en bevond mij voor een groot kamerscherm van Djapara-houtsnijwerk. Wat moest ik doen? Links om het scherm heen of rechts om het scherm heen? Nu waren Rob Deckers en ik op weg van Tandjoeng Priok naar Batavia enorm geschrokken voor een auto, die recht op onze taxi afkwam. Alles liep goed af omdat noch onze taxi, noch die auto rechts behoefde te houden. Men houdt hier línks. Ik besloot dus na een te verwaarlozen aarzeling links om het scherm heen te gaan. Dit had tot gevolg, dat ik achter de stoel van de Directeur van Binnenlands Bestuur kwam te staan. Hij schrok wel, geloof ik. Ik schrok in elk geval. Hij draaide zich met een ruk om, doch ik keek hem niet aan en sloop in verontschuldigende houding om zijn schrijftafel heen. Nadat ik op zijn uitnodiging was gaan zitten, vroeg hij: ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
Kijk, dat viel me wat tegen. Ik had gedacht, dat de Directeur wel geweten zou hebben, dat ik kwam. Uit de passagierslijst in de krant bijvoorbeeld. Ik kon mij voorstellen, dat hij ’s morgens aan het ontbijt even gedacht zou hebben: ‘Juist, weer drie jonge bestuursambtenaren... Van den Oever, Van Leimuyden ...’ Terwijl ik de machtige knevel en borstelige wenkbrauwen van het gebrilde departementshoofd opmerkte drong het tot mij door, dat het er nu niet alleen op aan kwam wìè ik was, maar ook wàt ik was. En dat wist ik niet precies. Voor mijn vertrek had ik uit een brief van het Ministerie van Koloniën begrepen, dat ik door de Minister van Koloniën als administratief ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur ter beschikking was gesteld van de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Zoiets stond me tenminste voor de geest. Ik zei dus op zo vast mogelijke toon: ‘Zijne Excellentie de Minister van Koloniën heeft mij ter beschikking gesteld ...’ ‘Ja, ja’, zei de Directeur, ‘en nu wilt u zeker graag weten waar u geplaatst bent.’ ‘Heel graag’, zei ik, opgelucht knikkend en waarschijnlijk stralend. ‘Nu’, zei de Directeur, ‘dat weet ik niet. Dat kan de Chef Personeel u vertellen.’ Vóór ik het wist stond ik weer buiten.
Maar de oppasser wachtte me al op, ik schreef mijn naam weer op het inmiddels schoon gemaakte leitje en hij ging uit zichzelf een andere dubbele deur binnen. Ditmaal rechts houden, dacht ik, doch twee seconden later kwam de jonge, vlotte Chef van het Europese Personeel naar buiten, stak mij de hand toe en zei: ‘Dag meneer Hermanides! Welkom! Komt u binnen!’ Ziezo, dacht ik, dat is beter.

Fredericy – De eerste etappe, 22-23

[Subaya 2 – Soos] 

[1922] De laatste dagen van mijn verblijf op Batavia heb ik afscheid genomen van mijn Coenkennissen. Op Soerabaja had ik ook al kennissen, onder meer de heer en mevrouw Oostmeijer. Hij is makelaar – weer een makelaar – en, naar aan boord gezegd werd, een van de rijkste inwoners van Soerabaja. Geheel uit zich zelf zei hij plotseling: ‘Mocht ’t je , na nadere kennismaking niet bevallen in je werkkring, schrijf dan onmiddellijk aan mij als je in de handel wilt gaan.’ Ik dènk er niet over. Toch is het aardig van de man. Hij heeft me geïntroduceerd op de Simpang Club, de mooiste sociëteit van heel Oost-Azië. Reusachtige marmeren danszalen, rolschaatsenbaan, biljardzaal ... ik wil wel geloven, dat in Soerabaja rijk Java zit.