Cohen – In opstand, 71

[Jakarta 5 – Kaptein Jas] 

Ik deed wat ik kon om de luitenant te overtuigen van mijn onbevoegdheid op het gebied der dichtkunst in het algemeen, en van de gelegenheidspoëzie in het bizonder. Maar hij wilde naar geen rede luisteren. Ik zou en moest de feestzang voor kapitein Jaski leveren, en daar dadelijk aan beginnen. Om mij meer tijd te geven, stelde de luitenant mij vrij van 'teorie', en om ongestoord te kunnen rijmen, kreeg ik de beschikking, in de namiddag over zijn hut, en, in de vroege morgen, als daar nog niemand was, over de rooksalon der eerste klas. Het spreekt van zelf, dat mij de stiptste geheimhouding werd opgelegd. Kapitein Jaski moest verràst worden!
Gelukkigerwijze had ik een dag of tien voor de boeg, en dat was niets te lang! Mijn taak zou oneindig lichter zijn geweest, als de te bezingen jubilaris een minder ongewone naam had gehad. Als hij b.v. Proost had geheten, of Joost, dan zou het rijmwoord 'Oost' voor de hand hebben gelegen. Van der Vorm zou, automatisch, 'storm' hebben gegeven, van der Zwaan 'orkaan', van der Zee 'op de ree', de Zwoeger 'golvenploeger'. Maar op Jaski wist ik maar één rijmwoord, een rijmnáám, beter gezegd, die van Klementaski, een Rus die in Rotterdam in de Oppert woonde, een paar huizen van mijn grootouders af. Maar hoe die naam te pas te brengen? Wat óók helemaal niet ging, dat was het àfbreken van een regel met Jas-, en het áánvangen van de volgende met ki, op deze manier: 'Mijn lofzang geldt u, kapitein Jas- / Ki, zeeheld die gezwind en ras / Van West naar Oost, van Oost naar West / etc.' Want ik weet dat 'kapitein Jas' zoveel is als de militaire incarnatie van Magere Hein.