Cohen – In opstand, 71

[Jakarta 5 – Kaptein Jas] 

Ik deed wat ik kon om de luitenant te overtuigen van mijn onbevoegdheid op het gebied der dichtkunst in het algemeen, en van de gelegenheidspoëzie in het bizonder. Maar hij wilde naar geen rede luisteren. Ik zou en moest de feestzang voor kapitein Jaski leveren, en daar dadelijk aan beginnen. Om mij meer tijd te geven, stelde de luitenant mij vrij van 'teorie', en om ongestoord te kunnen rijmen, kreeg ik de beschikking, in de namiddag over zijn hut, en, in de vroege morgen, als daar nog niemand was, over de rooksalon der eerste klas. Het spreekt van zelf, dat mij de stiptste geheimhouding werd opgelegd. Kapitein Jaski moest verràst worden!
Gelukkigerwijze had ik een dag of tien voor de boeg, en dat was niets te lang! Mijn taak zou oneindig lichter zijn geweest, als de te bezingen jubilaris een minder ongewone naam had gehad. Als hij b.v. Proost had geheten, of Joost, dan zou het rijmwoord 'Oost' voor de hand hebben gelegen. Van der Vorm zou, automatisch, 'storm' hebben gegeven, van der Zwaan 'orkaan', van der Zee 'op de ree', de Zwoeger 'golvenploeger'. Maar op Jaski wist ik maar één rijmwoord, een rijmnáám, beter gezegd, die van Klementaski, een Rus die in Rotterdam in de Oppert woonde, een paar huizen van mijn grootouders af. Maar hoe die naam te pas te brengen? Wat óók helemaal niet ging, dat was het àfbreken van een regel met Jas-, en het áánvangen van de volgende met ki, op deze manier: 'Mijn lofzang geldt u, kapitein Jas- / Ki, zeeheld die gezwind en ras / Van West naar Oost, van Oost naar West / etc.' Want ik weet dat 'kapitein Jas' zoveel is als de militaire incarnatie van Magere Hein.

Cohen – In opstand, 94

[Semarang 3 – Fort] 

Van Palembang reisde ik, na mijn veroordelingen, via Batavia – waar ik een paar weken in het Provoosthuis doorbracht – naar Semarang, en deed daar, einde juni 1884, mijn plechtige intocht op het fort Prins van Oranje, een van de reeks forten, na de Java-oorlog van 1825–’30 opgericht, en dat, sedert enige tientallen jaren, tot militaire gevangenis diende.
Ik kan niet zeggen dat de eerste aanblik van mijn nieuw verblijf, met de dofzwart geteerde buitenmuren, en de diepe, droge gracht er omheen, mij bizonder vrolijk stemde, toen ik tussen twee fuseliers met de bajonet op het geweer, en op de voet gevolgd door een sergeant, over de brug stapte en de laaggewelfde Poort binnentrad. Maar van binnen viel Pontjol mee, en beantwoordde niet aan de voorstelling, die ik mij, in voorarrest op Palembang, en in het akelige Provoosthuis op Batavia, van een militaire gevangenis had gemaakt.

Cohen – In opstand, 100-101

[Semarang 3 – Fort] 

De straf van ‘aan de kogel gesloten’ bestond hierin, dat de penitent, voor de tijd van item zoveel dagen, een máánd, twéé maanden, of voor ‘onbepaalde tijd’, een naar schatting veertien pond wegende ijzeren kogel, met bijbehorende, anderhalve meter lange ketting, in opgedrongen bruikleen werd gegeven, met dien verstande, dat de ketting, door middel van een zeven centimeter brede, ijzeren manchet, en een zwaar hangslot, aan de enkel werd bevestigd, de linker- of de rechter enkel, naar de voorkeur van de belanghebbende. [...]
Het duurde niet lang of ik hoefde, bij het lopen, de op mijn linkerschouder in evenwicht liggende kogel niet eens vàst te houden. En, triomf van de geest – de geest van verzet – over het ruw geweld, ik was de énige kogelganger, die, rapportmakers en strafoplegger trotserend, ’s avonds, na afloop van het werk, met mijn ijzeren blok aan het been het stenen trapje opklom, dat toegang verleende tot het bomvrije dak van het fort, en, daarboven, met de kogel op de schouder en de handen in de zakken, de rondeweg een keer of wat omliep. Van het dak af kon men de zee zien, de zee, waarin, volgens Baudelaire, de ‘vrije mens’ de afspiegeling ziet van zijn gemoed:
          De zee ’s uw beeld, g’ aanschouwt uw eigen ziel
          In ’t rustloos rollen van haar golven, en
          Niet minder bitter is de afgrond van uw geest.

Cohen – In opstand, 103-104

[Semarang 3 – Ingang] 

Was de proviandering van een in cel 2 opgeslotene dus gemakkelijk – de arrestantenhokken lagen buiten de onmiddellijke gezichtskring van het boven, onder de Poort, surveillerende kader, en een op de uitkijk staand medeplichtige voorkwam verrassingen van die kant – het trakteren van de bewoners der twee andere cachotten had voeten in de aarde. Deze beide hokken lagen, respektievelijk, onder een chambrée, en de halverwege de dikte van de buitenmuur met ijzeren spijlen versperde, 60 centimeter hoge en 40 brede luchtgaten der cellen, bevonden zich juist onder de eveneens getraliede vensteropeningen dezer chambrées, vanwaar uit men dus, door middel van een touwtje, de daar beneden smachtende kameraden van allerlei had kùnnen voorzien, was daar niet het vermaledijde kippenraster geweest, dat, gelijk met de buitenmuur, de luchtgaten nòg eens afsloot. Wie dit euvel verhelpen, en een kluizenaar op water-en-rijst het dieet coûte-que-coûte minder spartaans wilde maken, die kon dit voornemen alléén uitvoeren door in de droge gracht te springen – van de brug af, die het fort, aan de achterkant, verbond met het, door hoog paalwerk omgeven erf, waar de keuken stond – het raster van het door het te ravitailleren cachot voor een gedeelte los te rukken en òm te buigen, zodat het aan de bovenkant ver genoeg van de muur was verwijderd om het voluum, laat mij zeggen van een broodje, door te laten, de meegebrachte lekkernijen naar binnen te gooien en vervolgens als de gesmeerde bliksem terug te rennen naar de brug, waar een paar op hun buik liggende kameraden hem de armen toestaken en weer ophesen. Dit was een waagstuk dat, uit de aard der zaak, alleen bij avond, tegen het vallen van de duisternis, ondernomen kon worden en niet zonder gevaar was. Want behalve aan de zwaarste straf – 20 rietslagen – als hij betrapt mocht worden, stelde de delinquent zich bloot aan het risico áán-, en eventueel doodgeschoten te worden door de aan de overkant van de gracht op en neer lopende schildwacht, die een poging tot ontvluchting kon onderstellen. Maar het is, de paar keren dat het gedurende mijn verblijf op Pontjol gebeurde, goed afgelopen. Mijn vriend Oskar Raffauf heeft het eenmaal voor mij gedaan en ik deed het eens voor een ander.
De heugelijke bizonderheid was, dat het raster, eenmaal aan de bovenkant losgerukt – waardoor het provianderen van de chambrées uit mogelijk werd – tijden, maanden lang in die toestand bleef. Want in de gracht kwam zo goed als nooit iemand, en aan de overkant, waar de woningen van het kader stonden, had men al heel scherp moeten kijken om te bespeuren dat het gekoolteerde, en dus niet tegen de zwarte buitenmuur afstekende raster, een centimeter of wat van deze muur was verwijderd. Ik zou ook nù nog, een kleine vijftig jaar na dato, deze staat van zaken niet verklapt hebben, als het fort Prins van Oranje nog tot militaire gevangenis diende. Maar Pontjol is, sedert mijn verblijf daar, een onschuldig militair kledingmagazijn geworden, wat ik – ik bracht er, in februari 1905, een bezoek als toerist – uit eigen waarneming weet.