De Vreede – Mijn reis, 20, 22

[Jakarta 7 – Kerk] 

Ik vlucht naar buiten, maak foto’s van de vloer en van het gat waardoor ik, nog steeds een verwoed uit-het-raam-kijkster, vast wel vaak de wereld in heb getuurd. Ook de kerk neem ik, met daarachter het Nationaal Monument. De Willemskerk dateert van 1854; hij is onlangs ter gelegenheid van het bezoek van de toenmalige koningin Juliana, mede gefinancierd uit bijdragen van de Nederlandse gemeenschap alhier, een beetje gerestaureerd maar de pilaren zien er alweer ietwat aangeknaagd uit. De schuld van het drukke verkeer, volgens de dominee, de trillingen van vrachtwagens en bussen.
De kerk is van binnen kleiner dan je zou vermoeden wanneer je de statige trappen en de ingang ziet. Ik zou het interieur moeten herkennen van foto's; mijn vader hield er de officiële dienst toen Juliana en Bernhard trouwden, in tegenwoordigheid van de gouverneur-generaal en uitgezonden door de toen nog gloednieuwe radio.
‘Was er niet een andere, veel mooiere preekstoel?' Die blijkt door de Japanners te zijn afgebroken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde het gebouw als opslagplaats voor de as van omgekomen Japanse onderdanen. Links en rechts achter de preekstoel hangen borden waarop de namen staan geschilderd van de predikanten die er hebben ‘gestaan'. Dr. E. A. A. de Vreede, lees ik, 1935. Ik weet nu wat ik weten wil: ik ben in het toenmalige Batavia niet alleen geboren, maar ook ontvangen. Waarschijnlijk rondom de kerstdagen, een drukke tijd voor een zielenherder, maar wel gezellig...

De Vreede – Mijn reis, 22-23

[Jakarta 6 – Post] 

‘Ik heb het nu wel gezien', zeg ik. We groeten de dominee en rijden naar het Kantor Pos besar waar ik tot mijn grote tevredenheid en tegen alle bange verwachtingen en voorspellingen in voor mijn betaalcheque 50.000 rupiah krijg uitgekeerd. Een heel bedrag: een minimumloner moet van 24.000 per maand zien rond te komen. De vele werklozen halen dat nooit. 'Berg maar goed op', zegt de chef die de uitbetaling regelt. 'Kijk uit voor zakkenrollers, die zijn sophisticated, hier in Jakarta.' Ik woon op de Walletjes, waar ze ook erg sophisticated zijn en ik klem mijn dichtgeritste tas stevig onder mijn arm.

De Vreede – Mijn reis, 31

[Yogya 1 – Eerste hof] 

Bècah-rijders boden mij hun diensten aan. 'Mau djalan!' zei ik dan: ik wil lopen! Kindertjes riepen Hello! en zo nu en dan kwam er een jonge man naast me lopen om zijn Engels te oefenen.
Het Kraton, waar ik heen wilde, bleek heel ver weg te zijn. Een van mijn begeleiders (na drie kwartier lopen had ik weer honderden mensen gezien, maar geen een blanke!) ried me aan een busje te nemen. Een bemo of opIet. Het is iets groter dan een besteleend en er moeten 16 mensen in, eerder gaat het niet rijden. Aan iedere kant zitten er acht, tegenover elkaar en tegen elkaar aangeperst. Er loopt een stang langs het plafond waar je je aan vast kunt houden. De regelaar, die mensen in- en uitlaadt, stops aangeeft en geld int (vijftig rupiah, ongeveer 16 cent voor zo lang als je wilt!) staat achter op de treeplank. Het dak loopt een eindje door, zodat hij als het regent niet nat worden kan en wat schaduw heeft als de zon schijnt. Ook voor zijn houvast is er een stang. Zo nu en dan mocht er een passagier voor wie er geen plaats meer was naast hem op de treeplank staan. Het Kraton was mooi, natuurlijk, en de gids een lief meisje.

De Vreede – Mijn reis, 40

[Borobudur 0 – Enkele] 

Gisteren ben ik naar de Borobudur geweest. Per Colt, die gestuurd werd door een neef van Wijono of zijn bijrijder. Een massief heiligdom dus en ook alweer kleiner dan ik gedacht had. Veel galerijen waren met het oog op herstelwerkzaamheden afgesloten maar er bleef genoeg over. Ik liet een foto maken door een van de vele fotograafjes die er rondliepen. Ze laten als lokkertje hel-gekleurde foto's zien, zo groot als briefkaarten. Maar ze maken een flets, klein Kodakkiekje. Ik sta er op zoals meestal: te ijdel om te poseren ('Neem me maar zoals ik ben!') maar toch... standbeen, speelbeen. Mijn kleren gekreukeld en ik had mijn haar wel eens mogen kammen.

De Vreede – Mijn reis, 40-41

[Mendut – Boeroeboedoer] 

Het heiligdom Mendut vond ik mooier: heel stil en gaaf zit daar in een hoge, taps toelopende stupa een twee-en-een-half meter hoge Boeddha. Heel rustig, met zijn vingers veelbetekenend vervlochten. Ik was de enige bezoeker. Onder de waringinboom zat een oud vrouwtje, en de onvermijdelijke kindertjes riepen het onvermijdelijke Hello!
Sommige huisjes zijn zo mooi door bomen omringd dat het geheel op een geraffineerd stukje bloemsierkunst lijkt. Dat komt ook doordat er zoveel verschillende bladvormen zijn: je hebt de pluimige tamarinde, daarbij de grote, grove lappen van de pisangboom en daar bovenuit waaieren dan de rafelige palmbladeren. En daartussen staat dan ook nog eens zo'n kamboja, donkergroen glanzend en met witte vlekken waar de bloemen zitten. Het groen van de sawah's daaronder, nat en spiegelend en dan op de achtergrond een berg met wolken er omheen: wat mooi, wat mooi, wat mooi!

De Vreede – Mijn reis, 59-60

[Yogya 1 – Danszaal] 

Ik zit hier al een uur in het Kraton, tegen een paal geleund, bij een dansvloer te wachten op de danslessen. Het gamelanorkest, dat al een tijdlang heeft zitten spelen, drinkt nu thee. De glazen en bekers hebben hier dekseltjes, tegen het invallen van vliegend ongedierte.[...]
Het spul gaat beginnen, de danseressen komen op: o, wat lieftallig toch weer!
's Avonds, in het guest-house.
Het waren er acht, twee rijen van vier. Heel ingehouden dansten ze. Soms wipten ze alleen maar van hun tenen op hun hielen of bogen ze de vingers van hun linkerhand ieder in een andere stand, daarbij schokkend draaiend met het hoofd. Het moet erg inspannend zijn: de danseres het dichtst bij me – de beste want ze werd nooit zoals de andere door de lerares terechtwijzend aangeraakt –, droop letterlijk van het zweet.
De mannen die daarna les kregen moesten wijdbeens grote stappen nemen met omhoog gekrulde tenen, waarbij ze hun gezicht steeds van opzij lieten zien en ze zich groter maakten door met hun lendendoek te zwaaien. Er was een heel jong, heel dik jongetje bij dat iedereen vertederde. En een knaap van een jaar of veertien, de mooiste die ik ooit gezien heb. Prachtig bruin, haar dat van een gewelfd, rond voorhoofd achterover golfde. Zijn wenkbrauwen twee liggende, zwarte veren, zijn neus recht met smalle vleugels, zijn mond een bloem en in zijn ogen dat weten en niet-weten tegelijk dat jongens van die leeftijd hebben.