Ferguson – Hollands-Indische verhalen, 48-49

[Jakarta 6 – Globe] 

Uit: In de Spiegel van Hendrik.
‘We willen een beetje rondtoeren,' zegt Hendrik tegen de taxichauffeur. 'Neem de Priokweg maar.' Iedereen begrijpt wat dat betekent. Porseleinrijden, een gangetje van hoogstens dertig kilometer. De brutale chauffeurs draaien het spiegeltje zo dat ze fijn het een en ander kunnen zien, vooral als de lampen van tegenliggers je even goed in het schijnsel zetten.
De tweede voorstelling van de bios is ook in de Krekotbuurt op zaterdagavond altijd stampvol, Hendrik zit maar te zweten maar laat mijn hand niet los en stuurt die waar hij hem hebben wil. Daarna gaan we een uurtje dansen, meestal in het Prinsepark, nooit in Des Indes waar de sjieke lui komen. Zover krijg ik hem nog wel. Dansen met Hendrik is eigenlijk het enige wat ik fijn vind. Hij leidt zo vast dat ik me ineens veilig bij hem voel. Maar ik laat het hem niet merken. Eénmaal heeft hij me meegenomen naar een tent in Priok, daar zaten wel de Europeanen van wie hij zo genoeg heeft maar het waren bijna allemaal zeelui, die tellen zeker niet mee. De vrouwen met wie ze dansten wogen zo te zien stuk voor stuk minstens honderd kilo, er was een negerin bij en een spierwit wijf met oranje haar en een inlandse, dikke zwarte vlechten neerhangend over de rug. We dansten in een binnengalerij op muziek van grammofoonplaten, Hendrik kon er maar niet genoeg van krijgen, het begon al licht te worden, de kamer was bijna leeg maar de jasjes van de mannen hingen nog over de stoelen. Toen pas kreeg ik door dat het daar een hoerekast was. Ik dacht meteen of er in die jasjes nog portefeuilles zouden zitten, maar ik zei niets tegen Hendrik. Ik sprak helemaal niet meer.
‘Wil je naar huis?' vroeg Hendrik. Ik gaf geen antwoord. In de taxi bleef ik rechtop zitten ver van hem af De komedie lukte perfect. Ik heb het juist aangevoeld, voor Hendrik moet ik me niet te goedkoop maken, dan krijg ik hem niet zo ver dat hij me mee naar Europa neemt. Over zes maanden gaat hij met verlof. Na die ene keer in Priok is het verder altijd het zelfde gebleven: dansen in het Prinsepark, en dan naar mijn kamer. Om half vier moet ik Hendrik wekken, met zwarte koffie. Want zondagochtend gaat hij naar de vroegmis.

Ferguson – Hollands-Indische verhalen, 57-59

[Jakarta 8 – Kanaal] 

Sloffende voetstappen binnen in het huis, het knarsend over de tegels schuiven van een stoel – bladen worden omgeslagen, nog wat geschuif, een kuchje.
Weer even stilte, enkele seconden nog.
Pianoklanken, iedere toon omgeven door een korte leegte, alleen de rechterhand-, het begin van een Bach-fuga. Na het oefenen in staccato van rechter- en linkerhand apart nu het echte spelen, legato.
Er verandert iets in de wereld. Het kind in de box schokt met armpjes en beentjes, het zucht, dan slaapt het verder. Door de tuin, over de bamboe-omheining, tot op de andere oever van het daarachter liggende kanaal is de warme stilte van een Indische ochtend verwaaid, vergaan; wat binnenshuis de ruimte vòlmaakt met geluid is verderweg verijld tot wat pinkelende toontjes maar toch – er is iets veranderd in de wereld.
Honderden jaren geleden ontstonden deze klankreeksen in het brein van een Duitse man, aan de andere kant van de aardbol, waar de mensen in dikke donkere kleren lopen. Honderden jaren later, nu, de man is dood, trekken de pianotonen – klinken ze wel precies zoals die man ze heeft bedoeld? – onzichtbare sporen door de warme lucht boven de roerloze bomen in een kleine tuin, over het roerloze water van het Tjidengkanaal tot aan de overkant waar donkere mensen, Javanen, Soendanezen, Indo's en niet-Nederlandse blanken nog vrij rondlopen, of ligt ook daar het leven verlamd onder de steeds voelbaarder druk van de Japanse bezetting?
Maar deze eeuwenoude Duitse stem, denkt de pianiste, die blijft toch zweven boven de wateren – tegen déze Duitse stem leggen Hitlers benden het uiteindelijk af, déze zogeheten Duitse klanken zijn niet gebonden aan tijd en volk, sterker dan alle oorlog, zijn universeel en onoverwinlijk. Deze Duitse klanken maken mij onoverwinlijk, maken mij deel van de eeuwigheid.
Deze klanken veranderen iets in de wereld, zij drijven tot buiten het kamp naar de overkant waar de Inlanders vergeefs hopen dat wij hier massaal zullen sterven, waar de Japanners hun trucs verzinnen om onze geestkracht te ondermijnen. De vierde vinger schiet uit, de passage verloopt onregelmatig. Zeker had Johann Sebastian dat zo niet bedoeld. Tot mijn dood zal ik blijven worstelen om zijn intentie te benaderen. Viermaal, vijfmaal herhaalt de pianiste de passage. Daarop voegt deze zich, in glanzende ritmiek, gaaf binnen de frase.

Ferguson – Hollands-Indische verhalen, 71-73

[Jakarta 7 – Leeszaal] 

Het Koningsplein waaraan de Rechtshogeschool en het Bataviaas Genootschap op één groot erf lagen was dichtbij het kamp, maar wanneer de Japanse schildwacht bij de poort Laan Trivelli een raadselachtig bevel had gekregen kon niemand meer een stap naar buiten. Officieel mocht men nog twee maal in de week het kamp uit; verbreidde zich – onbegrijpelijk snel – het gerucht dat de poort gesloten was, dan voelden tallozen met onfeilbare – intuïtieve zekerheid, dat de Amerikanen waren geland. Als, soms al na enkele uren, de doorgang werd vrijgegeven, weken de Amerikanen tijdelijk terug, tot ver achter Pearl Harbour.
Deze ochtend kon de jonge vrouw ongehinderd naar buiten. Zij wenkte een betja, inderdaad was het wel eigenaardig dat zij, geïnterneerde, zich nog rustig kon laten voortfietsen door een magere, zwetende, in lompen en vodden geklede Indonesiër die terimakasih banjak, veel dank, zei voor een dubbeltje extra. Batavia was stiller dan voorheen, maar mooi, mooi – snel gleed de betja voort over het asfalt, de Museumlaan door, het Koningsplein op. Het was een heel korte rit, de afstand had ze in minder dan tien minuten kunnen lopen maar ze bewoog zich moeilijk nu, met opgezette voeten en dikke enkels.
In de leeszaal, gebogen over een studieboek, viel alles van haar af – Japanners, het kamprumoer, verdriet en angst. Er was nu alleen die blinde drang naar verdiept begrijpen die haar ertoe dreef alinealange Duitse zinnen (Duits! maar wie dacht daar nu aan!) drie, vier maal te herlezen tot ze de betekenis ervan had geabsorbeerd. Ze keek even op, vaag, hier en daar zaten verspreid enkele andere lezers. Was dat mevrouw Schouten daar, in die hoek bij het raam?
Die blinde drang tot ontraadselen van het levensgeheim die het aanzien heeft gegeven – aan bibliotheken, aan met steeds geheimzinniger kracht geladen voortbrengselen – dreef de jonge vrouw weer naar de moeilijke Duitse zinnen.
Ze verzonk in een wereld achter de wereld, daar waar het stil was, waar vermoedens heersten omtrent een eeuwig evenwicht – verweg klonk rumoer, onduidelijk, ze hoorde het al niet meer en verzonk opnieuw – maar nee, nee, nee! – Een Hollander met rode band om de arm – hij werkte voor Nippon en was dus nog niet geïnterneerd – schoof knarsend zijn stoel over de tegelvloer achteruit. Hij liep snel naar de uitgang, even zag ze zijn gezicht, de lippen opeen geklemd, de ogen afwerend. Ze probeerde weer te lezen. Hij moest zich vergist hebben, die man met de rode band. Zulke dingen gebeuren niet. Mevrouw Schouten immers zat rustig gebogen over haar boek en maakte aantekeningen.
In de zaal was er verder alleen nog een Indonesiër, een jonge ijverige intellectueel, ongetwijfeld bezig zich voor te bereiden op de grootse taak zijn land, na de oorlog onafhankelijk, op te stoten in de vaart der volken. Aan de lange tafel zat hij schuin tegenover haar, het teerbruin gelaat uitdrukkingloos, de blik neergeslagen. Kalme concentratie ging van hem uit. Hoorde hij niet dat er in het gebouw naast de bibliotheek, in de Rechtshogeschool, iets voorviel – was het dan niet – Het hard schuiven van een emmer – een emmer? – over de naakte vloer, schreeuwen – schreeuwen? Japans schreeuwen, van woede – een ander Japans schreeuwen, brullen, en was dat slaan? Met een stok? Na een stilte een vreselijke kreet van pijn. Mevrouw Schouten – kan men daarbij blijven zitten studeren – of is het dan toch niet waar?
Misschien was het niet waar. Mevrouw Schouten veranderde niet van houding, de Indonesiër las, met een uitdrukkingloos teerbruin gezicht. Nu werd het stil. Het was volkomen stil. Roerloos hingen, zichtbaar door het raam, heftige groene boombladeren tegen het heftig blauw van de hemel, blauw noch groen gaf zich gewonnen. ‘Schoften! Schòften! Ellendelingen, rotzakken, ik geef me niet gewonnen, geen wóórd krijg je uit me, schoft, schòft!' de krijsende vrouwenstem veranderde in een onverstaanbaar gillen, weer het geluid van slaan, Japans gebrul: het gillen zonk plotseling in tot dof steunen, toen werd het weer stil. Volkomen stil. De Indonesiër sloeg, een bladzijde om. Het nieuwe leven in de schoot van de jonge vrouw scheen verstard.
Mevrouw Schouten, gebogen over haar boek, maakte aantekeningen.